dinsdag 17 januari 2012

Weblogbrief 7.13, 17 januari.2012

Weblogbrief 7.13, 17 januari 2012

         ¿Is het niet hoog tijd voor een nieuwe brief? Nou vergis ik me toch, amigitos, in het Nederlands hoef je niet vóór een vraagzin een omgekeerd vraagteken te zetten; een vraagteken op het einde volstaat, in tegenstelling tot in het Spaans. Ik begin opnieuw, “obbenuits”.
         Is het niet hoog tijd voor een nieuwe brief? Guapas damas y tios cachas, we zijn intussen acht dagen verder en jullie moeten wel haast gedacht hebben: waar blijft hij? Hier in het oude medische faculteitsgebouw heb ik net mijn memory stick in een computer geplugd en zet nu deze weblogbrief over op www.paul-brief701.blogspot.com. Daar gaat-ie, hop, hier is mijn brief  7.13.
        
         Ik begin met een correctie. Sinds Driekoningen hebben we er een wereldburger bij, Anoek en niet Anouk, laat daar geen misverstand over zijn. Volgens Trudie lijkt ze in het geheel niet op een Seegers of Kentgens; is het een echte van den Bosch. Daar wil ik t.z.t. het mijne van weten. In mijn carnavalsvakantie eind februari ga ik persoonlijk poolshoogte nemen. Ik kreeg zaterdagavond een kaart aangereikt via Marcel en Damaris (zie verder beneden) met twee puzzelstukjes en de uitroep: “Hoera, Renske heeft een zusje! Ook mama en papa (Susanne en Peter) zijn erg blij met de komst van Anoek van den Bosch, 06-01-2012, 02:30 uur.” Met daarbij een foto van Anoek en Renske, “aai bee-bie”.
        
         De afgelopen week is er een van twee uitersten. Wel beschouwd was ik tot zaterdagavond de rust zelve. Ik zat veel op mijn balkon, vaak met een boekje en een drankje, haalde op zijn tijd eten en drank is huis ter versterking van de inwendige mens en in de late middag/vroege avond deed ik gewoontegetrouw mijn boulevard- en andere rondjes met daartussen het nodige bank zitten.
         Er waren ook concrete gebeurtenissen. Zo had ik donderdag in de vroege middag Noé op bezoek bij mij thuis om de (op een na) laatste versie van ons artikel over de effectiviteit van locaal toegediende Arnica door te spreken. Zo lang ik de kans krijg, heb ik altijd nog wel wat te mekkeren. Daarna was het tijd voor een gezamenlijke warme maaltijd op vrijgezelwijze, spek met eieren en tomaat.
         Zaterdagmorgen moest en zou ik mijn fameuze pittige groentesoep met ballen weer eens maken voor mijn hoog bezoek. En het kon niet op, daar kwam ook nog een grote gehaktbal., in het Maastrichts gehaksbal, bij die ik kneedde met in knoflook gedrenkt meel. Ik had zaterdagavond echt van alles in huis, zelfs een bedje en zitje voor Lux, voor het geval ze hier een tukje wou doen dan wel met ons aan tafel wou zitten.

         Daar gaan we. Marcel en Damaris kwamen aan het begin van de avond aanzetten voor een week Canarisch vertier en een slaapplaats bij mij in de zijkamer. Enkele uren later kondigde Lux zich aan, met haar papa en mama. Ze verbleven in hotel ..., maar er zou vanaf zondagmorgen wel bij mij geluncht en warm gegeten worden. Jullie begrijpen het al: deze brief is grotendeels van vóór zaterdagavond; toen kon ik ook nog naar hartelust lezen en achter mijn laptop  zitten. Vanaf zondagmorgen ziet mijn leven hier er heel anders uit.     

         En dan nu mijn muziek! Zoals ik in mijn vorige weblogbrief al min of meer aankondigde, kom ik voor mijn muziek deze keer aanzetten met Tom Petty, intussen 61 jaar, en vanzelfsprekend bijgestaan door zijn Heartbreakers. Muzikale kwaliteiten heeft hij, heel veel zelfs. Ik situeer zijn genre ergens tussen pop en country in, met een wolkje Bob Dylan en een schepje Roger McGuinn van de Byrds. Enne... wat heeft de man een hele rij prachtnummers bij elkaar geschreven, gespeeld en gezongen.
         Ik kom hem af en aan tegen op platen van andere mensen (zoals Stevie Nicks, zie mijn vorige brief) en op albums die hij samen met anderen maakte zonder bijzonder op de voorgrond te willen treden. Zo is hij een van de the Traveling Wilburys, die in 1988 eersteklas muziek voor twee cd’s opnamen op een boerderij (plus nog een derde met vooral extensies). Weten jullie de namen nog van het vijftal? Daar gaan we: Bob Dylan, George Harrison, Jef Lynne (van het Electric Light Orchestra), Roy Orbison en mijn Tom Petty. Jammer dat Roy Orbison enkele weken na de opnames overleed; tot een vervolg kon het toen niet meer komen.
         Als “anker man” (schrijf je dat zo?) van de Heartbreakers maakte Tom Petty een hele doos muziek. Wonderwel heb ik alleen acht cd’s van hem uit de periode 1976 t/m 1992. Hier zijn ze chronologisch: 
(1976)        Tom Petty & The Heartbreakers
(1978)        You’re gonna get it
(1979)        Damn the torpedoes
(1981)        Hard promises
(1985)        Southern accents
(1989)        Full moon forever
(1992)        Into the great wide open
         Als ik op het internet kijk, zie ik dat de nodige ontbreken, te beginnen met ¨Long after dark¨ uit 1982 en “Let me up” uit 1987. Uit de periode van na 1992 heb ik er nog geen in huis en dan laat ik de diverse cd’s van live optredens nog maar voor wat ze zijn. Hieronder staan de negen ontbrekende cd’s keurig chronologisch gerangschikt. Ik kan alleen maar hopen dat ik ze nog eens “binnen” krijg; daarvoor ga ik ook mijn downloadcontacten inschakelen.
(1982)        Long after dark
(1987)        Let me up 
(1994)        Wildflowers
(1996)        She’s the one (soundtrack)
(1999)        Echo
(2002)        The last DJ
(2006)        Highway companion
(2008)        Storming
(2010)        Mojo
         Ik ben nog niet klaar. Naast de acht in mijn dierbare bezit heb ik wel ook nog een verzamelcd van Tom Petty & the Heartbreakers: “Greatest hits” uit 1993. Voor wie nog niet of royaal onvoldoende bekend is met de man en zijn muziek, koop of leen die cd zo snel mogelijk. Als hommage aan Tom Petty geef ik hier alle 18 nummers van die verzamelcd:
01.    American girl (1976)
02.    Breakdown (1976)
03.    Listen to her heart (1978)
04.    I need to know (1978)
05.    Refugee (1979)
06.    Don’t do me like that (1979)
07.    Even the losers (1979)
08.    Here comes my girl (1979)
09.    The waiting (1981)
10.    You got lucky (1982)
11.    Don’t come around here no more (1985)
12.    I won’t back down (1989)
13.    Runnin’ down a dream (1989)
14.    Free fallin’ (1989)
15.    Learning to fly (1991)
16.    Into the great wide open (1991)
17.    Mary Jane’s last dance (1993)
18.    Something in the air (199X)
         Tot de voordelen van het internet behoort dat je als schrijver van weblogs zoveel ruimte krijgt als je zelf nodig acht. Tom Petty met zijn “Learning to fly”,  “The waiting” en “I won’t back down”, in alle ernst, ik reken hem tot de beste popartiesten ooit. En dat jullie en ik er nog lang getuige van mogen zijn.

         Terug naar de dagelijkse werkelijkheid van Las Palmas. Als ik vanaf mijn balkon naar beneden kijk, zie ik aanhoudend van alles passeren, vrachtwagens, auto’s, motors en brommers, en niet te vergeten voetgangers, maar fietsers zijn uiterst spaarzaam vertegenwoordigd. In het weekend komt wel eens een stelletje racefietsers voorbij en heel zelden zie ik iemand op de fiets over mijn stoep karren, maar dat is het wel. De fiets is hier in Las Palmas het tegenovergestelde van een gangbaar vervoermiddel. Aan de boulevard is fietsen, behalve door Hermandad, zelfs helemaal verboden, Alleen op de 10 km lange route naar het zuiden van de stad zie ik, als ik daar loop of met de bus voorbij kom, geregeld een fietser passeren.
         En toch, fietsen is de oplossing voor veel verkeersproblemen in een stad, voor zo ver die verkeersproblemen überhaupt  nog oplosbaar zijn met de overmaat aan privé auto’s. Is het Amsterdamse “Witte fietsenplan” in de zestiger jaren van Luud Schimmelpennik (of hoe heet hij ook al weer?) volledig verleden tijd, hier in Las Palmas heeft de gemeente afgelopen jaar uit het niets een “Gele fietsenplan” gelanceerd. Voor meer informatie verwijs ik jullie wat graag naar www.biciambiental.org, daar staat het idee tot in zijn finesses uitgelegd.
         Om een fiets tijdelijk te bemachtigen, moet je eerst bij de gemeente een nummer en zo aanvragen, maar heb je dat achter de rug, dan kun je zo veel fiets huren als je maar wilt. Met hulp van je mobieltje koppel je een fiets los van zijn plek op Santa Catalina, waar er zes staan naast de informatiekiosk, en op diverse plekken elders, en rijden maar. Op de palen waaraan ze vastzitten, staat wel te lezen, ik schrijf het voor jullie over: “Asegurese de que ha andado bien la bicicleta, en caso contrario seguíra siendo su responsibilidad”. In straattaal Nederlands: “Je moet er wel netjes mee omgaan, anders zwaait er wat”. Veel beter vind ik de slagzin op het dichte voorwiel van iedere gele (dames)fiets: “Dejo atras los malos humos” oftewel “Ik laat de kwalijke dampen achter me”. En eveneens op hetzelfde voorwiel: “Despídete de los atascos” oftewel “Zeg maar dag met je handje tegen de verkeersopstoppingen”. Ik ben voor nog veel meer aansporingen om het gele fietsplan tot een succes te maken. Waarom niet (ook) zinnen als: “Pak de fiets. Lekker toch!” op de bagagedrager en “Als fietsen al niet gezond is, leuk is het sowieso” op het zadel. Maar wel vertaald in het Spaans, uiteraard, anders kunnen de Palmezen het niet vatten.

         Ik heb iets tegen banken in het algemeen en La Caja De Canarias in het bijzonder. (Hoewel, ik pin wel altijd bij ze, bij mij beneden.) De bank markeert zijn positie tegenwoordig met een affiche met daarop als nieuwste slogan: Servicio nómina. Además sin comisiones, además un regalo, además, bankia. Op de affiche staat tevens een pronte dame met op haar T-shirt: I (hartje) además. Is dat de “regalo”, het cadeautje dat je bij de bankía krijgt, als je je salaris standaard naar de bankía laat overmaken, een T-shirt?

         Dinsdagavond mocht ik met de club van Lluis, 13 man, uit gaan eten, in restaurant “El conejo alegre”, in de buurt van plaza Farray. (Als ik dan ook nog eens naar “El novillo precoz” ga, heb ik ze alle vier gehad, met “El cerdo que rie” en “El gallo feliz” erbij.) ’s Middags had ik nog een SMSje van Noé gekregen dat ik wel een cadeautje moest meenemen; voor wie, werd ter plekke beslist, als we een ingepakte kleinigheid uit een grote tas mochten halen, in volgorde van nummertjes die we eerder getrokken hadden. En nou komt het: een nog ingepakte cadeautje, dat je uit de tas had gehaald, kon je nog ruilen voor een al uitgepakt presentje van mensen die voor je aan de beurt waren geweest. Het spel, of hoe zal ik het noemen, heet “Amigo invisible”. Ik ging uiteindelijk terug naar mijn flat met een boek van Umberto Eco, “El péndulo de Foucault”, in het Spaans, terwijl mijn presentje, een aardig - al zeg ik het zelf - Spaans-Canarisch woordenboekje, bij Lluis belandde.
         Voorafgaand aan onze “Amigo invisible” hadden we met zijn allen lekker gegeten. Eerst was er (zure) haring met uitjes en komkommer en daarna mochten we kiezen uit diverse hoofdgerechten. Samen met Lluis tegenover me zat ik even later aan een sombrero. Dat is zo iets als steengrillen, met een apparaat dat van onderen verhit wordt en met in het midden een schuin oplopende hoed (sombrero). Daartegenaan word je verondersteld stukjes vlees te plakken en op tijd ook om te draaien om het vlees daarna samen met een sausje, er stonden er vijf voor onze neus, te verorberen, eventueel met wat friet tussendoor. Het sap van het vlees loopt steeds omlaag in een bak rondom de sombrero, waar al allerlei groente in zit. Daar kun ook je lepel in zetten.
         Lluis en ik kregen er ieder voor zich een schaaltje rundvlees bij, dat op zijn tijd werd vernieuwd, als we het leeg hadden. Op zijn Belgisch dus, best royaal... Als nagerecht koos ik voor een aantal bonbons op een schoteltje. En de wijn, een rode crianza van Bilbao uit 2008, vloeide rijkelijk voor, tijdens en na het eten.    

         Tijdens mijn wandelingen aan het eind van de middag speur ik wel naar teksten die ik geschikt vind om hier te vermelden. Woensdagavond zag ik een jongeman, met op het T-shirt op zijn borst: “Es lo que hay”. (Er stond nog Argentina onder; waarom weet ik niet.) Wat is dat nou weer? Hebben we van doen met het niets zeggende antwoord op de vraag: “Hoe is-t-ie?”.  
        
         En dan ben ik nu aanbeland bij mijn rubriek “Klein leed”, deze keer “Klein leed en iets meer” geheten. Het gaat over de vrijdagochtend. Ik lag nog in bed te soezen, mijn horloge stond op half 8, maar dacht op een gegeven moment: half 8 of niet, ik sta maar eens op. Bleek het, toen ik op mijn balkonklokje keek, al half 9 te zijn. Mijn polshorloge, Danish design, van titanium, die het nooit laat afweten, liep een uur achter en stond even later zelfs helemaal stil. Nou is dat voor een voltijdse “pensionado” niet echt een probleem, behalve natuurlijk, als Bety, mijn af en toe werkster, een half uur later voor de deur staat. Dus moest ik stante pede plassen, mijn pillen innemen, douchen en mijn tanden poetsen om daarna, alsof er niks aan de hand was, met mijn koffie op het balkon plaats te nemen. (En in de middag ben ik een nieuw batterijtje voor mijn horloge gaan kopen. Nu maar hopen dat ze, de horloge, het weer als vanouds doet. Dat lijkt het geval.)
         Om klokslag 9 ging de bel en even later stond Bety voor mijn deur. En nog weer even later werd ik er op uitgestuurd om voor haar rubber handschoenen aan te schaffen,. In Las Palmas heeft een schoonmaakster, “potsvrow”, in het Spaans “limpiadora”, die standaard aan, als ze de bezem en ander gereedschap door een stoffige flat als de mijne haalt. (Waarom is dat niet het geval in Nederland? Ik zal het mijn Maastrichtse Elly eens vragen.) En als ik dan toch voor “guantes” naar de Spar ging, voegde ze daar aan toe, of ik dan maar ook een nieuwe “fredora con palo” wou meenemen, met een “rosca” (schroefdraad), omdat de oude op breken stond.
         Bety en ik, we werden vrijdagmorgen goede maatjes, zeker nadat ze ook nog mijn ijskast, mijn keukentegels en de buitenkant van mijn raam in de zijkamer aan de voorkant gedaan had. Dat raam was wat je noemt “muy sucia”, erg vuil; het was al heel lang niet gezeemd. Na haar ingrijpen ziet het er, eigenlijk de hele kamer, een stuk lichter uit. Marcel en Damaris slapen er deze week en ze moeten echt het gordijn dicht doen, anders worden ze in alle vroegte wakker. Bety besloot in haar ijver ook de andere ramen te gaan zemen; met name die van mijn tussenkamer, badkamer en keuken konden een schoonmaakbeurt goed gebruiken.
         En passant hielp Bety me ook nog met een schoonzus van Lluis te bellen, die een bedje voor Lux te leen had. Dat kreeg ik vrijdagavond om kwart voor 10 ’s avonds afgeleverd. En op zaterdagmiddag zou ook nog iemand verschijnen met een kinderstoeltje, maar dat is er helaas niet van gekomen.

         En dan zal ik nu een verslag geven van mijn eerste paar dagen vanaf zaterdagavond. Het wordt een verhaal met vooral drank en eten.
         Marcel en Damaris waren al om kwart voor 6 op Santa Catalina en dus hadden we gedrieën alle tijd voor het innemen van consumpties op het terras van het café met dezelfde naam, bier voor de mannen en rosé en kaastaart voor de dame. Thuis gekomen werd overgeschakeld op Ricard met spa respectievelijk rode wijn, waarna we ons de pittige soep met ballen en brood uit Gallicië lieten smaken. Zelfs Damaris, die in de ogen van Marcel een echt kokkin is, hij heeft sinds de zomer moeite zijn gewicht nog onder controle te houden, kon niet anders doen dan mij ermee complimenteren, met die soep dan. Vervolgens kwam als onverwacht toetje de chocoladepudding van Reny Picot op tafel. Vóór het gaan slapen deden we nog een stuk boulevard op en neer. Eva, JW en Lux waren verlaat aangekomen, zaten inmiddels op het balkon van hun kamer in hotel Cristina, zevende etage, ook aan de boulevard, en SMSten naar beneden dat ze te moe waren om nog af te zakken.

         De zondagmorgen begon echter met hun intocht in mijn flat. Lux had ik voor het laatst gezien met de kerst, ze zit sinds kort op een crèche voor wat oudere kinderen, “párvulos”, peuters, en haar woordenschat is er in een paar weken tijd gigantisch op vooruit gegaan. Er werd met zijn zessen eerst over de “rastro” gewandeld, daarna omstandig geluncht, een tukje gedaan (Lux althans), in het zand gezeten (zonder mij) en dan op het boulevardterras gehangen. ’s Avonds aten we - mi sorpresa - bij casa Carmelo aan de boulevard; dat blijft een vleesrestaurant van jewelste. Ik kan het jullie van harte aanbevelen.

         De maandag begon rustigvoor mij, maar om 10 uur moesten Marcel en Damaris nodig naar het strand. Even later kwamen Eva, Jan Willem en Lux beneden langs om mij toe te wuiven om vervolgens richting Santa Catalina te tuffen. Om half een zaten we met zijn zessen voor de lunch bij Cien montaditas (honderd minibroodjes) (waar je nog een halve liter bier krijgt voor één euro). Daarna was het strand weer aan de beurt, het was mooi weer, vervolgens het buitenterras van hotel Reina Isabel met mij, waarna Damaris en Marcel werden ingezet om hun kookkunst te etaleren. Eerlijk is eerlijk, er kwam een prima pasta op tafel met voor de liefhebber Sangre de Toro als drank erbij. Lux vertoonde tijdens het bereiden haar legokunsten op de keukentafel, at vervolgens braaf haar bordje op, maar wilde pas weer weg en terug naar hotel Cristina, nadat ze een aardbeienyoghurtje had soldaat gemaakt.

         Gaan we naar de dinsdagochtend, vanochtend dus. Geloof het of niet, in de vroege morgen viel een buitje. “Goed voor de boeren en de groente”, vindt iedereen hier. Om half elf gingen Damaris en Marcel wederom de barra slechten, had ik alle tijd om mij te soigneren en daarna de keukentafel te dekken voor een volgende lunch. En hier houdt mijn verhaaltje op, want ik ga nu eten en daarna universiteitswaarts.   

                   Onder de merknamen, die mij bekoren, reken ik al vele jaren Coca-Cola. Het ouderwetse, witte embleem op een rode achtergrond voor de enige, echte Cola kan bij mij weinig kwaad doen en recent, het rode met zwarte voor Coca-Cola Zero evenmin. “Men” is onlangs hier een campagne gestart, onder de titel: “¿Sabías que...?” (Wist je dat...?) Hier is een voorbeeld; ik geef het in het Spaans en cursief, dan kan het tevens al Spaans lesje dienen. “...Coca-Cola España inició su apoyo a la educación en 1960, con el Concurso Nacional de Redacción, un certamen en el que han participado más de 10 millones de jóvenes.” Zo snijdt het mes aan twee kanten, eerst sponsor je met bravoure een schrijfwedstrijd (certamen) en daarna maak je er reclame mee op stickers.

         Is mijn Coca-Colaverhaaltje te klein, te weinig Spaans voor mijn Spaans lesje in deze weblogbrief? Dan doe ik er nog een stukje “guantes de menaje” bij, huishoudhandschoenen zoals Bety ze graag gereed heeft liggen, als ze bij me aanklopt. Ze zijn van “latex natural interior fockado en algodón. Relleve antideliszante, con dedos reforzados. Empleo: Uso domestico. Evitar el contacto con gasolinas y disolventes. Consejos de mantenimiento: Aclarar después de su uso. Dejarlo secar. Resguardarlos de la luz y del calor. Control de calidad: Este producto ha sido objeto de rigurosos controles en todos los procesos de fabricación. Calidad controlada por laboratorios independientes. Alerta: Esporádicamente este tipo de guante puede provocar alergia. Legislación: Guante. Equipo de protección individual (EPI) para riesgos minmos únicamente. Directiva Europea 89/686/CCE.”
         Op de achterkant van de verpakking staat ook nog een tekeningetje om de juiste maat (tamaña talla) te bepalen. Daarbij vind ik de aanwijzing: “Compruebe su talla. Colocar la mano derecha como se indica e el dibujo para conocer su talla.” Het bedrijf in Sevilla dat de “guantes de goma” speciaal voor de Spar maakt, kan wat mij en nog meer wat Bety betreft, niet meer stuk.

         En zo komt aan deze brief een definitief einde. Jullie krijgen de welgemeende en hartelijkste groeten van mijn “nieta” Lux en tevens van Eva, Jan Willem, Damaris en Marcel. Het vijftal blijft nog een dagje of vier, tot in de loop van de zaterdag. Ik heb nog even te gaan met brood, beleg, drank en ander goed aan te slepen, maar behulpzaam zijn ze, mijn gasten.
         Wij, jullie en ik, we “spreken” elkaar graag weer over een week, wanneer precies weet ik nog niet. En jongens en meisjes uit Maastricht, vergeet niet om aanstaande zondag ergens op de route en daarna op de markt te staan bij het “oetrope” van prins carnaval. Het is jullie bij dezen toegestaan om er daarna eentje of meer drinken, met voor de kleintjes “jarabe de naranja con una pajita” (mijn Sofietje). En na afloop is het  uiteraard tijd voor “’n tuut friet”. Voor nu, gedraag je en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.    

BOEKENBIJLAGE

         Mijn eerste boek heet als titel: “Ashenden or the British agent”. Nou zijn er wel meer boeken over geheime agenten geschreven, maar dit boek, van W. Somerset Maugham (1874-1965, 91 is hij geworden), is uitgegeven in 1928. Misschien is het wel het allereerste boek over het onderwerp. Maugham zelf was geheim agent voor Groot-Brittannië in de eerste wereldoorlog, zoals in het voorwoord bij het boek staat, en hij put in het boek uit zelf opgedane kennis uit die tijd.
         Eén lang verhaal krijg ik niet voorgeschoteld. Over ruim 200 bladzijden uitgesmeerd komt er een verhaaltje of zes, zeven, waarin de Engelse Ashenden, geen voornaam, figureert. Daarvan had ik er eentje, over Grantley Caypor en zijn vrouw en hond in Lucern, al eens gelezen in een thriller-verzamelbundel. De andere geschiedenissen spelen in Genève, Napels, een dorp vlakbij Evian, hoofdstad X van een vreemd land, de Balkan, en ten slotte ook Petrograd (is dat dezelfde stad als St. Petersburg?). Ze een voor een samenvatten is hier de plaats niet, wel vermeld ik trots dat de baas van Ashenden ene Kolonel R. is. Wie het fijne wil te weten komen over andere personen in het boek zoals barones von Higgins, Manuel Carmona, Chandra Lal, Herbartus, John Harrington, om maar niet te spreken van ene Anastasia, moet het boek maar ter hand nemen. Krijgt hij of zij de ontboezeming van een Britse ambassadeur er gratis bij.
         Misschien dient W. Somerset Maugham extra beloond te worden voor zijn idee om al in 1928 met een boek te komen over anekdotes rond een geheim agent, vele en vele jaren voordat mensen als John le Carré en Robert Littell het genre zo populair maakten. Aan de andere kant, als recensent beoordeel ik een boek liever niet primair op zijn historische waarde, maar kijk ik voor naar hoe spannend het is, hoe origineel ik het vind en of er wat te (glim)lachen valt. En dan houdt “Ashenden or the British agent” niet over, eerlijk gezegd. Dus ben ik minder lovend dan voor ik aan het boek begon en moet Maugham het doen met maar een 6½. Bewaren wil ik het boek wel.

         Gaan we naar mijn tweede boek. Iedere winter ben altijd wel goed voor een boek van Michael Connelly, de begenadigde thrillerschrijver uit Los Angeles. Ooit schreef hij “The poet” en sinds ik dat boek eenmaal gelezen heb, wat zeg ik, verslonden heb, kan hij voor mij niet echt meer stuk. En eindelijk, in 2009, komt Connelly met een vervolg op The Poet, althans met wederom journalist Jack McEvoy en FBI-agente Rachel Walling in de hoofdrollen, “The scarecrow”. Het speelt zoals steeds bij hem vooral in Los Angeles. maar deze keer daarnaast in o.a. Las Vegas, Phoenix en een gehucht genaamd Mesa, wel allemaal nog redelijk in de buurt. Het boek heet niet voor niks ”The scarecrow”. De vogelverschrikker, dat is zogezegd de handtekening van de seriemoordenaar om wie het in dit boek gaat.
         Hoe slecht het met de schrijvende pers in de wereld gaat, blijkt niet alleen uit mijn eerdere bespreking van een nonfictie Engels boek daarover, concreet is het bij dagblad de Los Angeles Times een rotzooitje. Voor zo ver er nog geld in de krant gestoken wordt, gaat dat eerder naar grijnzende managers van het type Richard Kramer dan naar ouderwetse persmuskieten zoals Jack McEvoy. Jack is te duur en krijgt als nummertje 99 van de 100 slachtoffers bij de Los Angeles Times zijn ontslag (the pink slip). Hij mag nog zegge en schrijve twee weken blijven om groentje Angela Cook in te werken. Al snel zit ik vervolgens vol spanning te lezen over de moord op een danseresje, (zogenaamd) gepleegd door een tiener (poon for a spoon, vertaal dat maar eens zonder de pointe eruit te halen), waarmee Jack geconfronteerd wordt. Angela komt met een soortgelijk geval aanzetten van twee jaar eerder, maar krijgt dan zelf ook een plastic zak over haar hoofd. Een en ander brengt Jack ertoe om zijn laatste weken bij de Los Angeles Times te vullen met zijn ware speurtocht naar de dader(s), mensen uit de computerwereld. Wie is Unsub, het “unknown subject”? Niet Declan McGinnis, zoals aanvankelijk gedacht wordt. Jack zoekt het vooral in ex-hacker Freddy Stone en nog meer in wizkid Wesley Carver. En passant wordt mij uitgelegd wat een Iron Maiden is, altijd handig om te weten, en wordt mij echt het naadje van de kous over de digitale wereld uit de doeken gedaan.
         Michael Conelly blijft een geval apart. Zijn moordboeken zijn steeds weer van een niveau, waaraan de meeste andere schrijvers niet kunnen tippen. Dat geldt ook voor “The scarecrow”; wat een spannend verhaal en wat spannend opgeschreven! Ik geef er als recensiecijfer een 8½ voor, met sterretje, en kijk uit naar de nog recentere thrillers van hem.

         Tot zaterdagavond kon ik mijn leesplezier niet op. Zelf was ik al door een derde boek heen, van Dennis Potter, de man die met de tv-serie “The singing detective” de harten van vele Nederlanders veroverde, om eens een cliché te gebruiken. En dat daarna nog eens dunnetjes overdeed met een serie over een vertegenwoordiger: “Pennies from heaven”. Dezelfde Dennis Potter, hij was onder ons van 1935 tot 1994, deed niet allen toneelstukken en tv-series, maar schreef ook boeken. Een daarvan, dat ik nog net voordat mijn bezoek uit Holanda kwam, uit had, heet in het Engels “Ticket to ride” en is uit 1986. Ik las het in het Nederlands, uitgegeven onder de titel: “Dubbel spoor” in 1988.
         Boerenwormkruid, dopheide, hemelsleutel, malrove, moederkruid, ratelaar, steenpeper, vrouwemantel, weidebloem, wilde salie, wondklaver, zenegroen. “Dubbel spoor” gaat over een duidelijk schizofrene persoon, John Buck, die zich, nadat hij ruim een maand eerder als reclameman ontslagen is, op het tekenen van “onkruid en wilde bloemen” stort. Daarvan zijn er in Engeland meer dan 2000, weet hij me haarfijn mede te delen. Het verhaal is nauwelijks begonnen of John raakt in de trein, op weg naar een uitgever in Londen, zijn geheugen definitief kwijt. Hij heeft trouwens een tic met bloemen, overgenomen van zijn vader, een strenge dominee (zie boven). Los daarvan, sinds vier jaar is hij getrouwd met Helen, die daarvoor onder de naam Penny als dame van een escortbureau werkte. Helen ziet het aftakelen van haar man met leed aan, terwijl huisvrienden als Angela en Martin bepaald niet behulpzaam zijn. En krijgt John van de uitgever een contract om zo’n “wildebloemenboek” te maken? Daarvoor verwijs ik naar blz. 198, bijna de laatste van het boek.
         “Dubbel spoor” is geen al te dik boek, maar aardig vind ik het. Bijna voortdurend denk ik wel: “Is dit het echte verhaal of de zoveelste verbeelding?” Het is even wennen, maar gelukkig kan ik er op het einde voldoende chocola van maken. En ik ben van mening dat het (in vertaling) allemaal mooi en pregnant is opgeschreven. Dus zit Dennis Potter met het boek in de hogere regionen. Ik beloon zijn “Dubbel spoor” met een recensiecijfer 8; wat goed is, dient ook het bijbehorende punt te krijgen.

maandag 9 januari 2012

Weblogbrief 7.12, 9 januari 2012


Weblogbrief 7.12, 9 januari 2012

         Estimados parientes y allegados espirituales, ik kom er iedere week of nog vaker in om jullie lastig te vallen met mijn hersen- en andere spinsels. Dus: hier ben ik weer, aan de vroege kant deze keer, maar met mijn goeie goed aan. En is het niet: wie goed doet, goed ontmoet?
        
         In alle oprechtheid vraag ik me af wie van jullie mijn brieven geregeld leest. Ik vrees het ergste. Gelukkig heb ik er sinds afgelopen vrijdag een fervente lezeres bij. Ze heet Anouk van den Bosch en wie anders dan Susanne heeft haar op Driekoningen de wereld in geperst, met Peter als gelukkige vader en Renske als lieftallig zusje van anderhalf. Welkom, Anouk, hoe kan ik je aan mij binden? Met een toepasselijk liedje misschien? Heb ik niet iets van de Haagse zangeres Anouk op mijn computer staan? Het blijkt bij nadere beschouwing maar één nummer te zijn, maar dat ga ik nu met voorrang afspelen. “Nobody’s wife” van Anouk, het stond in 1997 bijna bovenaan de Nederlandse hitparade, hier is het speciaal voor baby Anouk uit Eindhoven.

         Dit wordt een brief met damesmuziek, want mijn artiest nummertje 2 is eveneens van de vrouwelijke kunne, Stevie Nicks. In 1975 trad ze toe tot de illustere Fleetwood Mac, en was als prominent lid onderdeel van menige tophit van de groep. “Rumours” uit 1977 is een van de best verkochte platen ooit en Stevie Nicks speelde mee op nummers als “Albatross”, “Go your own way” en “Need your love so bad”. Zij is ook solo actief geweest, wist Jorge me laatst te vertellen. Via hem kreeg ik vervolgens twee cd’s toegespeeld, haar solodebuut “Bella Donna” uit 1981, met 10 nummers, en “Timespace, the best of Stevie Nicks” uit 1991. Als ik haar muziek in één zin moet samenvatten, ze speelt en zingt iets tussen pop en C&W in. Sommige nummers zijn zeer te pruimen andere een stuk minder. Erg mooi vind ik o.a. “Think about it”, “Talk to me” en uiteraard “Stop draggin’ my heart around”, dat ze met Tom Petty doet. (Die Tom Petty met zijn Heartbreakers, die moet ik ook eens een plaatsje geven in mijn muziekrubriek.)     

         En dan wil ik nu naar de hoofdschotel. Daarvoor wijk ik uit naar Portugal, meer precies naar hartje Lissabon. (Ik vind dat je steden, als het even kan, niet moet verbasteren tot iets Nederlands, dus voor mij is het eigenlijk Lisboa.) Als we het muzikaal gezien over Lissabon hebben, gaat het haast vanzelf over de fado. En kom me nou niet weer met als eerste met Amalia Rodriguez aanzetten; die vind ik -  hoe mooi ze ook heeft geklonken in de Salazar-tijd - een enigszins gepasseerd station. Hoewel? Echter, ook vandaag de dag klinkt de gecultiveerde Portugese smartlap nog als een klok. Beter uitleggen kan ik het niet.
         Een van de meest uitgesproken exponenten van de hedendaagse fado is, beweer ik hier met verve, ene Misia. Het is een aangeklede bezemsteel, met al te blond geverfd haren, en ze is ook nog eens niet uit Lisboa, maar uit Porto, maar de fado kwelen kan ze en niet zo’n beetje ook. Van de zomer leende ik een DVD van een concertregistratie van haar bij Centre Ceramique; in mijn nopjes was ik. Wat een exemplaar is die Misia. En uiteraard kon ik het vervolgens niet laten om haar wat intenser aan mijn externe harde schijf te koppelen. Hier is het viertal (of eigenlijk vijftal) albums die ik momenteel van de al weer 55jarige in bezit heb:
(1999)         Paixões Diagonais
(2002)         Ritual
(2003)         Canto. Musica De Carlos Parede
(2009)         Ruas. Lisboarium & Tourists, 2 cd’s
         Ik mis er nog vijf volgens Allmusic.com. Intussen zingt Misia wel al de  sterren van de hemel. Hoort, zegt het voort!

         Op de faculteit mag ik graag eens naar de annonces kijken die mensen daar met enige bravoure opgehangen. Hier is er een die ik voor jullie heb overgetypt:
         RUGBY FEMININO LAS PALMAS. ¡Necesitamos chicas como tu! Informate (met een 06-nummer erbij). En om de moderne tijd te completeren, staat eronder: Tambien nos podras encontrar en facebook.
         Heb ik er iets op tegen, damesrugby? Als er boksen en voetbal voor vrouwen is, moet een “sport” als rugby ook kunnen. Of ik ga kijken, als ¨ze¨ spelen, is weer wat anders. En vanaf wanneer staat ook worstelen op het programma? (of is dat er al?) Alle gekheid op een stokje, ik ben de mening toegedaan dat vechtsporten sporten als boksen en worstelen taboe moeten zijn, voor vrouwen en voor mannen. Is rugby een vechtsport?

         Donderdagochtend kwam ik op weg naar de boulevard de visser tegen van wie ik al jaren tegenover jullie beweer dat hij mij op het balkon beneden met een fluitje verwelkomt. Hij verkocht, op zo’n ouderwets karretje, “sardinas y morenos (?)”; de vis was keurig uitgestald tussen het ijs. Maar iets om op of mee te fluiten was niet voorhanden. Echter, echter, tien meter verder zag ik een scharensliep, zo’n pouderwetse, met een halve fiets met één wiel en twee slijpstenen, en die blies geregeld op een mondharmonica. Dat geluid, dat was het dat ik eerder aan de visser had toebedacht, dat toontje mondharmonica. Nou pas het ik het door; beter laat dan niet. En ook dacht ik: hier in Las Palmas is het beroep van scharensliep nog niet uit de gratie, gelukkig.
        
         Donderdagavond was ik net nog op tijd om de drie koningen optocht te aanschouwen, toen die op Santa Catalina voorbijkwam. Ze zagen wederom rood, blauw en groen, Melchor, Gaspar respectievelijk Baltasar, en zoals in eerder jaren had de zwarte koning Baltasar bij mij een streepje voor. Had ik vroeger ook met zwarte piet, als rechterhand van sinterklaas? En wat was het afgeladen vol, na afloop van de optocht, op Las Canteras.
         Vrijdagmorgen daarentegen was het in de straten, zelfs in mijn Luis Morote, haast uitgestorven. Zes januari is hier een feestdag van jewelste, maar vooral binnenshuis. Zelfs CK Electronics bij mij in de flat op begane grond, met mijn man uit India, had zijn deuren dicht en dat wil wat zeggen. De man leeft bij de gratie van zijn nering bestaande uit telefoons, zonnebrillen e.d.
         Aan het begin van de avond was het eigenlijk evenmin druk aan de boulevard, toen ik er mijn benen strekte. Natuurlijk zag ik de nodige nieuwe steppen, buitenaardse wezens, rolschaatsen en fietsjes passeren, maar minder dan ik van eerdere jaren in gedachte had. Na mijn wandeling streek ik tevreden neer in het overdekte deel van hotel Reina Isabel en wat zag ik? Het personeel binnen was ijverig doende om alle kerstversiering te verwijderen, slingers, bomen en ongetwijfeld ook een stal, al zag ik die van afstand niet. Alle beeldjes en ballen mochten weer terug in hun dozen. En zo waar zag ik later op de avond, gezeten op mijn balkon, dat de overburen hun kerstmannetjes aan touwtjes ook al verwijderd hadden. Het gewone leven, constateer ik met genoegen, herneemt zijn gang.
         Zondag op Santa Catalina had men al de eerste stappen gezet om het carnavalspodium op te bouwen. De stadsbussen werd, zoals ieder jaar, verzocht om vanaf nu onder het plein door te rijden. Inderdaad, het volgende festijn, meer mijn stijl, komt er langzaam aan.
        
         Over mijn benedenburen aan de overkant op één hoog links, van mij uit gezien, wil ik het graag nog even hebben. Waar vroeger het echtpaar met zijn twee kleintjes huisde, zag ik op de zaterdagmorgens van eind oktober en van begin december een man met een kindje rondlopen, binnen en op het balkon. Daarna was het weer stil; tot een verhuizing is het m.i. niet gekomen of het zou ergens na half december geweest moeten zijn.
         Plotseling, op oudejaarsavond, stonden man en kind ineens weer samen met een aantal andere mensen op het balkon. De bijpassende feestmuziek tot in de kleine uurtjes nodigde uit tot dansen en het geknal van vuurwerk kon niet op. Had ik dus toch nieuwe overburen? Ik ontwaarde een lege woonkamer met een groot meubel met tv-toestel erin.
         Op nieuwjaarsdag ’s ochtends veegde dezelfde man van de eerdere keren het balkon nog eens aan, in ochtendjas. Even later verscheen ook het kindje plus een mij nog onbekende vrouw, die de slaap nog in haar ogen had. En daarmee was he feest weer voorbij. Vanaf nieuwjaarsmiddag ziet het er op één hoog links weer uit als afgelopen najaar: geen glimp van volk meer achter een flets, plastic gordijn. Echt volgen kan ik het niet meer.

         En dan wil ik hier nu iets kwijt over Hill Street Blues. Kennen jullie die politieserie nog? In de jaren 80 scoorde de NCRV er hoge ogen mee op de Nederlandse TV. Als ik het wel heb, zijn er in totaal zo’n 130 afleveringen (van zo’n 50 minuten per stuk, zonder reclame) gemaakt. Of ze alle 130 ook onze TV gehaald hebben, weet ik niet. Met Wil heb er destijds vele uren plezier aan beleefd. (En vaag herinner ik me dat ik ook nog wel eens een aantal herhalingen heb gezien.)
         Afgelopen voorjaar, eigenlijk eerder al, dacht ik: dat Hill Street Blues zal intussen wel eenvoudig op DVD te krijgen zijn. Echter, dat viel knap tegen. In geen enkele DVD-winkel in zowel Maastricht als Las Palmas kon ik de serie ontdekken en zelfs mijn internet bracht geen uitkomst. Ik naar Ton in zijn Siza-toren, die is veel inventiever dan ik in het op zoek gaan naar die dingen, maar ook die kreeg nul op rekest, wist hij mij fijntjes te vertellen. Maar wat kreeg ik met mijn 65ste verjaardag van hem: de eerste twee seizoenen (van de acht) van Hill Street Blues, met respectievelijk 17 en 18 afleveringen. Na mijn Myanmarreis met Trudie en mijn feestje in de Poort ging het Hill Street Bluespakket half oktober mee in mijn koffer naar Las Palmas. In december en januari is het ’s avonds laat best een beetje fris hier en dan doe ik af en toe een aflevering van Hill Street Blues. Het eerste seizoen van de twee heb ik uit en dat lijkt me het moment om jullie op de hoogte te stellen. Hill Street Blues, het is en blijft formidabel, ook in 2011/12.
         Voor degenen onder jullie die zich een en ander weer langzaam voor de geest halen, geef ik nog eens het moment dat de New Yorkse politieauto’s de weg op gaan, met daaronder de tekst: We have a 911. Armed robbery in progress, Steve’s Surplus store, come People’s Drive and 124th Street… Daarvóór, steeds om een uur of 7 in alle vroegte,  heeft sergeant Phil Esterhaus zijn mannen en vrouwen toegesproken in de kelder van het gebouw, met item 13, item 14, enz. en steeds eindigend met de welgemeende waarschuwing: “Let’s be careful out there”.
         In 2001, twintig jaar na het begin van Hill Street Blues, komen acht van de spelers nog eens bij elkaar en bespreken hoe leuk ze het toen gevonden hebben. Op het eind van de DVD van seizoen 1 krijg ik de discussie onder ogen. Ze zien er 20 jaar later allemaal een stuk ouder uit, dat wel: Andy, Bobby, Fay, Henri, Howard, Joe, Joyce en Mick, maar de glans is er nog. En nu, nog weer tien jaar verder, kan ik nog steeds met volle teugen van Hill Street Blues genieten, ook van Frank, JD, Jesus, Neal, Leo, Lucy, Ray en de anderen.
         Het wachten is slechts op iemand die me alsnog seizoen 3 t/m 8 van Hill Street Blues kan bezorgen.  Misschien zijn de afleveringen van die seizoenen ergens in de VS of Groot-Brittannië te koop?

         Ik eindig gewoontegetrouw met een Spaans lesje. Dat gaat deze keer over een minder florissant onderwerp, samenhangend met de lucht die wij uit ons lichaam plegen te verwijderen. Van onderen heet dat in goed Nederlands winden of scheten laten en van boven boeren. Winden laten, “tirar (soltar, largar, echar) pedos”, “peder”, “peer”, dat doen we allemaal wel eens, de een wat meer dan de ander, en ik denk mannen meer dan vrouwen. De kunst is om er althans in gezelschap zo veel mogelijk van verschoond te blijven en om het niet te gek te maken. Een windje van niks, een “pedito” (?), die je omgeving niet of nauwelijks gewaar wordt, is iets heel anders dan een harde scheet, een “cuesco”, en het laten van een natte wind, een “pedo mojado” (?), is zeker in gezelschap ook geen aanbeveling. Voor wie het naadje van de kous wil weten, heb ik ook nog het woord “winderig” opgezocht; dat is in het Spaans “flatulento”, “ventoso” of “pedorrero”. Overigens, dat “pedo” is in het Nederlands met een t, “peto”, zoals in petomaan, iemand die op commando scheten kan laten. Een pedofiel in Nederland iemand heel anders.  
         Op zijn tijd boeren, een boertje laten, dat vind ik, in tegenstelling tot winden laten, wel wat hebben, als ik eerlijk mag zijn. Zijn het niet de Chinezen die er altijd al iets bijzonder positiefs in hebben gezien? Als je bij een Chinese familie te gast bent, krijg je uiteraard niet alleen drank, maar ook eten voorgeschoteld. En de gastheer is pas echt tevreden, als je als gast na de maaltijd enige boeren laat, “regüeldos” in het Spaans, met als werkwoord “regoldar”. Mensen die het een beetje in hun bol hebben, spreken van “eructos” en “eructar”.
         En nou komt het: in mijn Wolters’ mini-woordenboek Spaans-Nederlands, Nederlands-Spaans staan bij het woord “boer” alleen de Spaanse woorden “campesino” en “granjero”, ook nog het mij onbekende “sota”. En bij “wind” alleen “viento”. Is dat niet uitermate beschamend? Met lucht verwijderen uit je lichaamsopeningen hebben die Spaanse woorden woorden in  het geheel niks van doen. Je kunt er fatsoenshalve ook moeilijk mee komen aanzetten tijdens een wandeling met vrienden door de binnenstad dan wel na het genieten van een voedzame maaltijd. Gelukkig, mijn groot van Dale woordenboek op de computer ruimt wel enige plaats voor woorden als “winden laten” en “boeren”. Zie boven! Ik heb een aanvulling erop in mijn argotwoordenboekje gevonden. Ten slotte, kennen jullie nog de uitdrukking: “Geef die boer een stoel!” Dat is in het Spaans: “¡Buen provecho!”

         En daarmee ben ik aan het einde van mijn twaalfde weblogbrief van deze winter. Sinds vanmorgen is mijn veelgeprezen Eva 35; langs deze, mij sympathieke weg feliciteer ik haar van harte. Binnenkort is ze trouwens hier te vinden met Jan Willem en mijn Lux. Of het niet op kan, verwacht ik ook nog eens Marcel en Damaris in mijn nederige onderkomen. Welkom, welkom!
         Wanneer mijn volgende brief aan jullie verschijnt, laat ik graag nog even in het midden. Dat moet ook eens kunnen, dat ik het oprecht nog niet weet. Druk af en toe het ikoontje van mijn weblog in en alles zal goed komen. Voor nu, houd vooral de moed erin, probeer de kilo’s die jullie met de feestdagen zijn aangekomen, er maar weer af te krijgen en tot ziens maar weer, hasta luego, van don Pablon.

BOEKENBIJLAGE
         Robert Littell is in de New York Times wel eens de Amerikaanse John le Carré genoemd. M.i. zit daar best wat in; John le Carré, Engelsman, is een eersteklas schrijver van verhalen over spionnen en Robert Littell, Amerikaan, doet niet voor hem onder. Van Robert Littell heb ik hier al verscheidene boeken gerecenseerd, steeds in positieve zin, zoals The defection of A.J. Lewinter en The Sisters. In deze brief ga ik het hebben over “The October Cicrcle”, een boek van hem dat in 1986 voor het eerst gepubliceerd is, maar dat hij al af had in 1975. Het speelt geheel en al in het Bulgaarse Sofia, in de nazomer van 1968, nog weer een aantal jaren eerder.
         Sofia is de enige stad in Bulgarije die ik ken. Ik heb er iets bijzonders mee. In het najaar van 1973 begon ik aan mijn eerste echte baan bij het Coronel Laboratorium in Amsterdam. Ik kreeg al snel een leuke onderzoeksassistente op mijn kamer, Nelly Oudshoorn, en vervolgens ook nog een 40+ jarige Bulgaar, Jassen Mosskov. Hij was daarvoor werkzaam geweest als zowel KNO-arts als bedrijfsarts in Sofia en mocht het communistische land kennelijk voor een paar jaar verlaten; zijn vrouw en twee zoontjes bleven in Sofia. Wie weet, als ze naar Amsterdam zouden zijn gekomen, zou het gezin in Nederland asiel hebben aangevraagd.
         Wij begonnen tegelijkertijd aan ons onderzoek naar medische effecten van  vlieg- (en weg-)verkeerslawaai, ik deed het veldonderzoek rond Schiphol en hij het laboratoriumonderzoek in de kelder van het Jan Swammerdamgebouw. Jassen en ik promoveerden twee en een half jaar later, op 16 februari 1976, in de Amsterdamse aula, met Reinier Zielhuis als promotor, een aangename man. Tot enige ophef in de pers heeft het onderzoek destijds nog geleid. Vlak erna, zo gaat dat, zat Jassen weer in het vliegtuig terug naar Sofia en ik heb hem nooit meer gezien, helaas.
         Terug naar het boek en Sofia in 1968. Geregeld kwam in die tijd een groepje Bulgaren bij elkaar, intellectuelen eigenlijk, vooral in de plaatselijke horeca. Men had het met het communisme goed voor, hoewel, men was ook wel gecharmeerd was van de ideeën van Alexander Dubček in Tsjechoslowakije, die het klassieke communisme een menselijker gezicht wou geven. De groep in Sofia noemde zich de Octoberkring en bestond uit: oorlogsheld Lev de vlaggendrager, goochelaar heer Dancho, ex-wereldkampioen Tacho de wielrenner, de bekende ex-circusartiest Angel de Dwerg, violist Valyo, dichter en politieke literatuurkennerAtanas Popov en - de enige dame in het gezelschap, naar wie de groep ook genoemd werd - schilderes Octobrina. De Russische invasie in Tsjechoslowakije vond daadwerkelijk plaats in augustus 1968 en Dubček en anderen werden afgevoerd en op een zijspoor gezet. De Octoberkring was niet te beroerd om daarop een daad van protest te stellen. In een kring stelden de zeven zich op een morgen in het centrum op vlakbuj het gebouw van het Centraal Comité van de partij. Het plein werd vervolgens afgezet. Vlak erop werd om te beginnen heer Dancho voor vijf jaar vastgezet. De vlaggendrager stak zichzelf daarop in brand in het openbaar, op 9 september, de herdenkingsdag van de communistische overname, nadat hij ook nog zijn zoon Georgi geschonden uit de Praagse oorlog had zien komen. Vervolgens waren de vijf andere mensen van de kring aan de beurt. Tacho de wielrenner werd uit zijn taak als wielercoach ontheven andere sancties voor hem stonden op stapel. Met de andere vier, en ook met mimespeler Dreschko, die zich met de groep verwant voelde, liep het evenmin goed af. Min of meer toeschouwers in de Sofiase uitgaanswereld zoals de Amerikaanse Melanie, Elisabeta het konijn, regisseur Poleon en ober Stukea stonden erbij en konden er alleen maar met afschuw naar kijken. Einde verhaal.
         “The October Circle” doet naar mijn wel eens overschatte mening niet onder voor de andere boeken van Robert Littell. Het is echt heel spannend, er valt af en toe best wat te lachen en zo waar is er zelfs geen gebrek aan poëtische uitspattingen. Lees dit boek, kan ik alleen maar roepen. Ik geef er met genoegen als recensiecijfer een 8½ voor. En ik ga zeker op zoek naar nog weer andere boeken van de Amerikaanse le Carré, dat beloof ik bij dezen.

         Gaan we naar boek 2, “Doodverf” van A.F.Th. van der Heijden, toch ook al weer 60 jaar oud. Ik ken de schrijver als Adri, van café de Zwart aan het Amsterdamse Spui, maar met hem gepraat heb ik eerlijk gezegd nooit. Volgens Piet, eveneens vaste klant daar, is Adri bij de Zwart nogal luidruchtig aanwezig; hij is ook wel eens een tijdje door eigenaar Bram buiten de deur gehouden wegens al te extravert gedrag. Hoe dan ook, A.F.Th. wordt algemeen gezien als een van de beste Nederlandse schrijvers van de laatste decennia. Niettemin, iets gelezen van hem had ik nog niet en dus werd het hoog tijd. O.a. een serie boeken van hem onder de titel “De Tandeloze Tijd” heeft hem in de jaren 80 en 90 de nodige roem gebracht. Daaruit gedestilleerd heeft hij een verhaal dat daarin speelt, over een gipsmoord, later in een apart boek op papier gezet. Dat boek, “Doodverf”, gepubliceerd in 2009. stond onlangs tot mijn verrassing zo waar op de thrillerlijst van Vrij Nederland, en toen moest ik wel. Het speelt in o.a. Geldrop, Amsterdam en vooral Napels.
          Het is het verhaal van drie vrienden, als ik het wel heb alledrie oorspronkelijk uit Geldrop, maar als twintigers zeer actief in het Amsterdamse. Eentje heet Albert Egberts, hij heeft wel wat van A.F.Th., en die probeert als student en heroinejunkie van alles. O.a. transporteert hij in opdracht kleine kinderen illegaal van Italië naar Nederland om ze te overhandigen aan mensen die er veel geld voor willen betalen. Dan is er Thjum (Theodor) Schwantje, die het tot toneelspeler heeft geschopt en nu in “De Chinese Muur” speelt. De hoofdprijs gaat echter naar Flix (Felix) Boezaardt, een beeldhouwer die steeds realistischer te werk gaat. Eind 1977, als het verhaal speelt, vindt hij gewoon beeldhouwen en alle andere kunst steeds meer flauwekul worden en wil hij alleen nog maar uiterst realistische beelden maken, zoals de letterlijk overledenen in Pompei. Hij reist ook af naar Napels met zijn Vesuvius en Pompei om ter plekke in een groot atelier zijn modellen volledig in elastisch gips (“gupsos elastos”) in te kunnen pakken en ze pas te bevrijden, als ze kronkelend bijna de moord stikken, voordat het gips al te hard wordt. Voor de ontspanning zijn er diverse gelegenheden in Napels, o.a. die van La Tattamella met haar 90 kiengetallen. Albert gaat met Flix mee naar Napels en vlak voor de kerst laat ook Thjum zijn gezicht daar zien. En laat die Thjum het nou extra benauwd krijgen, als Flix hem overdekt met zo veel repen gips en zo langdurig dat hij blauw begint uit te slaan onder zijn gipsen pak. Voor aardige bijrollen verwijs ik naar o.a. Gesù Porporà, Zwanet, Quispel en het gezin Wendelgelst.
         Het boek, met een prachtige foto van een gipsen beeld op de kaft, komt m.i. maar langzaam op gang en de herenliefde in het begin hoeft voor mij al helemaal niet. En toch, gaandeweg kom ik er steeds beter in en gaat “Doodverf” een echt spannend boek worden, met al zijn originaliteit. Voeg daaraan toe dat A.F.Th. van der Heijden het allemaal prima opschrijft. Dus gaat mijn aanvankelijk magere recensiecijfer steeds meer omhoog. “Doodverf” klimt naar de 8, voor een Nederlands boek best goed. Vooruit, ik doe er nog iets bij en geef Adri er een 8+ voor, omdat hij en ik hetzelfde café frequenteren.             

dinsdag 3 januari 2012

Weblogbrief 7.11, 3 januari 2011

Weblogbrief 7.11, 3 januari 2012

         Queridos panas, we zitten alweer in dos mil doce, tweeduizendtwaalf. Als iemand op het Nederlandse 2012 een rijmwoord weet, mag hij of zij zich melden om een prijs van mij in ontvangst te nemen. Het nieuwe jaar is begonnen, ook hier in Las Palmas, hoewel een vol uur later dan in Nederland. Zaterdagavond laat heb ik op mijn balkon de nodige zeven- en andere klappers moeten weerstaan, vooral oorverdovende bommetjes en een enkel sterretje. En ook na middernacht was het hier zoals in de Grote Staat in Maastricht op een doordeweekse dag: aardig druk. Ook op de vroege zondagmorgen zag ik nog iets terug van een gebruik hier: feestelijk gekleed op stap te gaan met oudejaarsavond tot in de kleine uurtjes. Er liepen ook zondagmorgen nog diverse “verkleiders” door de Luis Morote; die hadden hun bed kennelijk nog steeds niet gezien.
         Mijn sms’jes heb ik dit jaar beperkt tot twee: eentje aan Trudie en de andere aan Lux, Eva en Jan Willem. (Hoe noem je een sms’je in het ABN? Ik suggereer jullie hier het woord “smoesje”.) Raar overigens hoe je het woord sms’je in het Nederlands schrijft: met een komma in de lucht tussen sms en je. Waarom is het niet gewoon smsje? (Nu verschijnt zowaar een rood golfje onder het woord). Even ook het werkwoord proberen: is het sms’en, sms’sen of smsen of smssen? Die zijn alle vier met een rood golfje er onder; volgens mijn woordenboek is sms’en niettemin de juiste spelwijze. Idem dito: cd’tje en cd’s. En mail’tje, hoewel, dat schijn je als mailtje te moeten schrijven. Hoort die komma in de lucht alleen bij afkortingen? Is het dan ook lp’tje, bh’tje enz.?   

         Laat ik nog eens teruggaan naar afgelopen vrijdag. Trudie had me ’s ochtends afgeleverd op Köln Bonn Airport voor koffie met brownie en mijn Condorvlucht naar Las Palmas. Om 11 uur kwam ik ongehinderd door de douanecontrole en toen was het wachten geblazen. De vlucht zou om half 1 ’s middags aanvangen, dus stond om 12 uur al een hele stoet Duitsers gereed om als eersten aan boord te kunnen gaan. En toen kwam plotseling het bericht: er was een olieluchtje in het vliegtuig geconstateerd en daar moest eerst even iets aan gedaan worden, “voor uw eigen veiligheid”. Het duurde uiteraard veel langer dan “even”. Om 5 uur bleek het euvel nog steeds niet verholpen te zijn, mijn vliegtuig gaf er de brui aan. Er zou een ander vliegtuig moeten komen, daarmee was Condor nu in de weer. Pas om half 10 Duitse tijd ging ik vervolgens met Germanwings de lucht in, negen uur te laat, om ruim vier uur later, om 10 over half 1 Canarische tijd, met 150 anderen op het Canarische vliegveld te landen en de weg naar de bagageband te maken. Murphy’s law deed de rest, de bagage liet op zich wachten en dus werd het half 2, toen ik bij de bushalte buiten stond, helemaal in mijn uppie. Mijn bus 60 was om kwart over 1 vertrokken, de volgende zou, als er niks mis ging, om half 3 komen. Dus werd het een taxi, welverdiend. Om even over 2 lag ik in mijn bed.
         Condor heeft me eerder ook al eens teleurgesteld, toen ik met Trudie’s zestigste verjaardag twee jaar terug van Las Palmas naar Düsseldorf ging. Marcel heeft toen vele uren op me moeten wachten en we kwamen pas om half 5 in Maastricht aan. Helaas pindakaas, dit is de tweede keer dat Condor er naast zit.

         Heb ik nog iets te melden over mijn Maastrichtse dagen in de week voordat ik hier weer heen kwam? Een kerst met Lux is zoals jullie behoren te weten, bijzonder aangenaam. En de gezamenlijke maaltijd zaterdagavond met zijn zessen, nadat Lux haar bedje mocht zien, was ook heel gezellig, met dank aan Trudie, Eva, Jan Willem, Marion en Marc. Voeg daarbij een dagje uit naar de Ardennen bij Peter Abels & zijn Nelly, met Rocky en Caroline, “’nen tleur friet mèt” bij Marij thuis helemaal in de Hazendans plus een wandeling met John & Ans in Herkenbosch, naar een uitspanning en terug, en wat wil je nog meer.      Wat me echter ook bijstaat, is het gebrek aan licht in die contreien in december, zelfs midden op de dag. In de woorden van Mieke van Loof, zie boek 2 van deze brief: “Vier uur en de schemering is al met haar maaltijd begonnen” (blz. 137). Hier wordt het pas en redelijk snel donker om half 7. Gelukkig voor jullie zijn ook de Maastrichtse dagen weer aan het lengen.

         Gaan we naar mijn muziek van de “feestdagen”.  Voor de kerst heb ik voor jullie Enya en Oiche Chún in het bijzonder. Oiche Chún is Gaelic (Keltisch) voor ”Stille nacht, heilige nacht”. Hoe zou je dat in het Spaans zeggen, zonder dat je de melodie verstoort?
         Enya is een Ierse schone, geboren in 1961, die volgens het internet eigenlijk Eithne Ní Bhraonáing heet. Ze had eenmalig (bij mijn weten) een grote hit, in 1989: “Orinoco Flow” (Sail away, sail away, sail away). Hoe ik eraan kom, aan mijn overdaad aan muziek van Enya, dat weet ik niet meer, maar ik heb een hele doos. Naast een cd’tje met Allerlei, eentje met Rarities en ook nog een met Remixes ben ik de trotse eigenaar van zeven originele albums plus twee overzichten. Om met de laatste te beginnen, in 1997 kwam Enya met “Paint The Sky With Stars” en het kon niet op, en 1998 ook nog met een doos met drie cd’s: “A Box Of Dreams”. Maar jullie willen natuurlijk vooral het oorspronkelijke materiaal van Enya kennen (veronderstel ik). Hier is mijn zevenklapper:
(1984)        The Frog Prince
(1988)        Watermark
(1991)        Shepers Moons
(1992)        The Celts
(1995)        The Memory Of Trees
(2000)        A Day Without Rain
(2002)        Singles 1987-2002
         Het lijstje is aardig compleet. Ik mis alleen nog het recente New Age werk van Enya: “Amarantine” uit 2005, “Sounds Of The Season” uit 2006 en “And Winter Came” uit 2008. En mooi dat ik het vind... Enya kan bij mij niet stuk.
        
         Terzijde, ik heb moeite met de uitspraak van de C, vooral als er een E op volgt. Is Caesar echt SEZAR en niet KESAR, keizer? De cd “The Celts”, met het prachtige gelijknamige nummer, heet die nou ZE SELTS, zoals in Celtic, of is het ZE KELTS, zoals in Keltisch. Misschien hadden er lang geleden toch bandrecorders moeten bestaan, om voor mij op te nemen wat er toen precies gezegd werd. Idem dito: is het (Centre) Ceramique met een S of KERAMIEK met een K?

         Wie nog maar weinig te vertellen heeft, kan altijd terugvallen op meer muziek. Dus ga ik jullie als extraatje bij Enya de groep Clannad van harte aanbevelen. Daarin zit allerlei familie van haar, zie boven, de naam Clannad is zelfs Gaelic voor “familie”. Enya zelf heeft in de jaren 1979-82 trouwens nog even in de groep meegespeeld. Van Clannad heb ik een viertal losse nummers plus twee complete cd’s: “Fuaim” uit 1982 en “Magical Ring” uit het jaar erop. Het is maar een flintertje van wat Clannad aan muziek heeft uitgebracht; ik hoop t.z.t. nog wat meer van de groep te bemachtigen. En ook Clannad vind ik bijzonder goed te verteren. En hoor ik niet Enya daar meezingen op een aantal nummers van Fuaim?

         Ik heb ook nog een muzieknummertje twee voor jullie, voor “Van Oud Op Nieuw” zal ik maar zeggen. Het is bedoeld als een kleine hommage aan Noé, nu zonder werk, althans in Las Palmas. Hij heeft op Tenerife wel nog een baan voor drie dagen per week en krijgt vanwege zijn vijf jaar noeste arbeid aan de universiteit hier voorlopig ook nog wat WW of zo, maar toch. Een van de eerste nadelen van deze “crisistijd” is dat allerlei tijdelijke baantjes worden opgeheven. Van Trudie begrijp ik dat dat in Maastricht ook het geval is.
         Noé, zelf een amateur gitaarspeler, verklapte mij half december dat hij een echte fan is van jazzgitarist Wes Montgomery. Ik op mijn computer kijken wat ik van de man in huis heb; dat bleek slechts zegge en schrijve een enkel nummer te zijn, “Insensatez” (Dommigheid), van de cd The Girl From Ipanema, The Antonio Carlos Jobim Songbook uit 1995; zie mijn brief 7.09.
         Tijdens mijn “oponthoud” in Maastricht had ik goddank de gelegenheid om mijn Wes Montgomery collectie enigszins uit te breiden via de uitleen van Centre Keramiek, zie boven, in Maastricht. De gitzwarte man is uit Indianapolis werd geboren in 1923 en stierf in 1968, op 45-jarige leeftijd, op nog rijkelijk jonge leeftijd dus. Ik heb vier cd’s van hem op de kop kunnen tikken:
(1964)        Movin’ Wes
(1965)        Straight, No Chaser (+ Clark Terry)
(1966)        Live In Paris (+ Johnny Griffin)
(1990)        The Silver Collection (Verve)
         Ik heb ze allemaal afgedraaid, alle 31 nummers die ik van hem heb, 3½ uur Wes Montgomery, maar hier en nu ga ik eerlijk bekennen dat ik hem maar matigjes vind. Miischien is Movin’ Wes van de vier cd’s nog het best te pruimen. En toch, wie ben ik om Noé het plezier met zijn favoriete jazzgitarist te misgunnen. (Niettemin, geef mij, als het op jazzgitaristen aankomt, maar Django Reinhardt of Les Paul of (meer blues) mensen als Earl Hooker of Buddy Guy dan wel (meer country) Duane Eddy of Chet Atkins of (meer pop) Mark Knopfler of Eric Clapton. Keuze te over!)

         Mijn promenade over de promenade maakte ik op nieuwjaarsdag zoals gangbaar in de late middag. Er scheen een flauw zonnetje en horden mensen kon ik niet ontdekken, enkele uren later nog minder, maar wel zag ik als vanouds de complete multiculturele samenleving voorbij trekken. Er was zitplek genoeg op Las Canteras om de andere mensen “uit te kijken”, maar overhouden deed het niet. Met name op weg naar mijn bankje voorbij “La Puntilla” en terug kwam ik haast niemand tegen. Een aantal cafés en restaurants op de boulevard had trouwens zijn deuren (?) helemaal gesloten. Las Palmas, de stad waar je op 1 januari op het terras kunt zitten, waar zijn “we” mee bezig? Is er sinds kort een misplaatste hang naar netheid op officiële feestdagen? Maakt de stad zich op 1 januari ’s avonds al op voor de werkdag erna? Of is het geld op om het er nog eens van te nemen?
         Het bontste maakt(e) La Oliva het met haar dubbelterras. Op een minibriefje stond  dat “men” van kerstmis tot driekoningen met verlof was en ter plekke waren alle stoelen en tafeltjes weggehaald.

         Als mijn blogs een rubriek “Klein leed” kennen, moet er toch ook een plek zijn voor een alineaatje “Klein geluk”. Trudie en Marij waren hier in de eerste helft van december en opeens op een avond ging de plafondlamp in mijn woon- , slaap- en computerkamer uit en niet meer aan. (In het Spaans heet dat: apagar la luz & encender la luz.) Nu gebruik ik mijn plafondlamp zelden of nooit, maar Trudie was toch een beetje ontdaan. Ik dacht dus: daar moet ik wel weer eens - maar wanneer, was onduidelijk - een nieuw peertje in draaien. Gistermorgen begon de lamp echter plotseling weer te branden. Controlfreak als ik ben heb ik ze vervolgens een paar keer aan en uit gedaan, zonder enig probleem. Hier is mijn wijze les van de week: als “iets” het niet meer doet, kan enig wachten best zinnig zijn.

         Maandag in de late morgen heb ik weer eens uitgebreid boodschappen gedaan. Ik kocht o.a. gele servetten met drie lagen en Schweppes blikjes bij El Corte Inglés en bij de Mercado Central allerlei koffie bij mijn “koffiemannetje”, apart rond brood, gemengde sla met olijven en Russische (huzaren)salade. En uiteraard pulpo, inktvis met uien en paprika, bij mijn marktwinkeltje achteraf op de markt, met een lieve vrouw van middelbare leeftijd in de aanslag. De pulpo heb ik trouwens gistermiddag al soldaat gemaakt, lekker. ’s Middags heb ik boek 3 van Camilla Läckberg uitgelezen, zie beneden, en tijdens mijn wandelingetje bedacht dat Maastricht op hetzelfde moment ambtenarencarnaval aan het vieren was. Dat hebben we hier niet. Wij doen “het” a.s. donderdag met de drie sinterklazen, ik vergis me, koningen; die komen dan op de kade hier weer aan.

         Ook in 2012 kan ik het niet laten om met minilesjes Spaans voor jullie te eindigen. Deze eerste brief na kerstmis lijkt me het moment om de christelijke feestdagen eens te memoriseren. Let wel: día de Nochevieja, día de Año Nuevo dan wel uitheemse gebeurtenissen als Fiesta de azúcar (?) en Yom Kippur, die laat ik hier graag voor wat ze zijn. Ik beperk me hier tot de heilige dagen van “onze god” en “Zijn Moeder”. Dat zijn er overigens best een heleboel, wat te veel, vind ik eigenlijk, zelfs als ik de verjaardagen van de verschillende heiligen oversla. Wordt het niet hoog tijd om andere gebeurtenissen eens met een vrije dag te gedenken? Is er nog iemand in Nederland die iets ziet in bijv. Tweede Pinksterdag behalve dan dat hij of zij het prachtnummer “Op een mooie Pinksterdag” uit het hoofd kan meezingen?
         Maar vooruit, daar gaan we, in chronologische volgorde, te beginnen met kerstmis, (día de) Navidad. Dan komen día de Reyes, Candelaria, miércoles de ceniza, Anunciación de Maria, domingo de Ramos, Semana Santa met als topdagen Jueves Santo, Viernes Santo en sabado santo, vóór domingo de Resurrección, lunes de Pascua, domingo de Cuasimodo, dia de Ascención, Pentecostés, Corpus Christi, Asunción  de la Virgen, día de todos los santos, día de los difuntos en begin december ook nog Inmaculada Concepción. En pas dan ben ik weer bij het hoogfeest van Kerstmis aanbeland, hier vooral gevierd op 24 december ’s avonds, Nochebuena. Mocht ik een belangrijke christelijke feestdag vergeten zijn te noemen, dan hoor ik dat graag.
         Een winkel vlakbij mijn flat had de afgelopen week een groot affiche ophangen met de zin: FELICES VACAS. Is dat een afkorting van FELICES VACACIONES of mis ik weer iets? Spaans, het blijft een vreemde taal voor mij.
        
         En dan is het nu tijd om er de brui aan te geven. Maar eerst wil ik Greetje (Margaretha Suman) nog even feliciteren. Zij is vandaag jarig en dat kan niet onopgemerkt blijven.
         Mijn volgende blog verschijnt, denk ik, op woensdag 11 januari, als ik met het werk hier uit ga eten. Ben ik nog iets vergeten? Niet? Dan is het voor nu “tot ziens”, “hasta luego”, van jullie 65-jarige in den verre, PaulK. 

BOEKENBIJLAGE

         Toen ik afgelopen vrijdagmorgen met Trudie terugging van Maastricht naar Keulen en vandaar solo naar Las Palmas, dacht ik: laat ik een niet al te dik boek meenemen om te lezen in de verloren uurtjes. Wie schetst mijn verbazing, toen ik - nog steeds op het vliegveld van Keulen - het eerste boek al uithad. We hebben het over “De heren van de 16de juli” van Ken Follett en Rene Louis Maurice uit 1978. Het speelt in Nice en omgeving in de tijd, toen Giscard d’Estaing president van Frankrijk was. (Een anecdote uit die tijd staat me nog levendig bij. Irene Vorrink was toen de milieuminister in Nederland; ze kondigde zichzelf bij een praatje in Parijs aan met “Ministre du milieu”, minister van de onderwereld. Ha, ha.)
         Het boek, met Alain Delon met pistool op de kaft, draait om een bankroof in het weekend van 16-18 juli 1976 en de nasleep ervan. “De heren van de 16de juli” is de verzameling boeven en boefjes die het presteert om de Kraak Van De Eeuw uit te voeren. Er wordt meer dan 30 miljoen francs (6 miljoen dollar) uit de bankkluis van de Société Générale in Nice gehaald, door een opening te maken vanuit een ondergrondse tunnel. Het brein achter de bankroof is Albert Spaggiari, een fotograaf van origine, met in zijn kielzog De Metselaar. De diverse andere “de rioolratten”, een mannetje of 20, demi sels ofwel mindere boefjes, luisteren naar namen als De Corsicaan, De Chinees, kapitein V., Henri de Lasser, Francis Pellegrin, Gérard Rang, ene Roger en niet te vergeten Daniel Michelucci. Aan de kant van de politie hebben we het vooral over speurder Claude Besson met zijn baas Albert Mouray en zijn ondergeschikten Eduard Taligault en Jacques Tholance. En nou komt het, zonder dat ik hier in details wil treden, de boeven winnen het tweegevecht met glans.
         Follett en Maurice (op de kaft aangeduid als Follett e.a.) hebben met “De heren van de 16de juli” m.i. een heel aardig boek geschreven. Ik neem hier maar aan dat het verhaal echt is, net als dat van de Britse treinroof, en dat het boek een vrij waarheidsgetrouwe beschrijving geeft van de echte bankroof en de jacht op de boeven. Amusant vind ik het af en toe ook. Ik geef er als recensiecijfer een 8 voor, best een mooi punt.

         Gaan we naar boek nummertje 2, “Duivels offer” van niemand minder dan Mieke de Loof. Eerlijk gezegd, ik had van die schrijfster nog niet gehoord, ze is volgens de achterflap o.a. filosofe, karateka en dienster in een nachtcafé. Haar boek uit 2004 speelt in het Wenen van 1913. Om jullie geheugen op te frissen: het is de tijd van Sigmund Freud, Telhard de Chardin, Johan Straussn Jr en andere bekendheden aldaar.
         Kun je tegelijkertijd jezuiet zijn en geheim agent? Ksaveri Ignatz von Oszietsky is het. Hij krijgt een maand de tijd van zijn chef voor zijn eerste opdracht: het blootleggen van de katholieke spion Fürst Adalbert Sobieski, die werkt aan het Habsburgse hof van keizer Franz Jozeph. Zijn queeste brengt Ignatz bij mensen als de joodse Elisabeth von Thurn, detective Engelbert Waissnix met zijn secretaresse Eva Müller en criminoloog Hans Gross en diens verslaafde zoon Otto. Een belangrijke rol in het boek is tevens weggelegd voor Jan Grünwald, nog een jongetje eigenlijk, die Ignatz postuum op het juiste spoor weet te zetten.
         “Duivels offer” staat vol met citaten, maximes en wat dies meer zij, o.a. van de mij volstrekt onbekende Balthasar Gracián uit de 17de eeuw. En is Jan echt een bloedsbroeder van Ignatz, met een S? Alles bij elkaar genomen valt het boek mij een beetje tegen, een beetje erg zelfs, met zijn slechts 174 min een aantal lege bladzijden. Er vallen doden genoeg, dat is het niet, maar een patent verhaal kan ik niet ontdekken. En echt spannend vind ik het boek evenmin, laat staan ook nog eens origineel en plezierig om te lezen. Een 6, meer zit er niet in voor Mieke van Loof met dit boek.
        
         Ik heb nog een derde boek voor jullie: “Zeemeermin” van de Zweedse Camilla Läckberg. Ze is van 1974, econome en m.i. foeilelijk (maar daar wordt verschillend over gedacht). Sinds alweer een aantal jaren verdient ze haar goedbelegde boterham met thrillers schrijven. Eerder lazen Trudie en Marij “Zeemeermin” en die waren alle twee uiterst lovend over het boek. Nu ik nog! Het verhaal speelt in de omgeving van Göteborg in Zuidwest-Zweden, in uithoeken als Fjällbacka en Tanumshede. In mijn pas aangeschafte wereldatlas kan ik die plaatsen niet vinden.
         “Zeemeermin” is het zesde verhaal rond politieman Patrik Hedström en zijn al te hulpvaardige echtgenote Erica Falck, met kind en een tweeling onderweg. Ene Magnus Kjellner is zoek. Hij blijkt vermoord te zijn en wie o wie heeft het gedaan? Magnus was en is al sinds zijn jeugd bevriend met Erik Lind, Kenneth Bengtsson en later komt daar nog Christian Thydell bij. Bij alle vier heren horen dames, in volgorde Cia, Louise, Lisbet en Sanna, en de nodige kinderen. De titel van mijn boek verwijst naar het boek “Zeemeermin” dat Christian net heeft geschreven en dat goed loopt. Ik begrijp van VCamilla Läckberg dat het boek autobiografischer is dan de politie aanvankelijk voor mogelijk houdt.
         Voor de volledigheid zal ik hier ook de voornamen noem van de politiemensen die aan de zaak werken: ene Paula, Gösta (een man), Martin en Annika, met hun chef Bertil. Overigens, de laatste heeft meer met honden en peuters dan met boeven. Om het verhaal verder te compliceren voegt de schrijfster gaandeweg nog een paar nieuwe en wat oudere slachtoffers aan Magnus toe, voordat ze met haar uiteindelijke psychiatrische plot komt. Een sleutelrol dicht ik ene Iréne Lissander toe met haar dochter Alice.
         Vind ik het boek net zo spannend als eerder Trudie en Marij? Nee, dus. Natuurlijk, het is best een acceptabel verhaal, hoewel. Van schizofrenie en hersenletsel heeft Camilla Läckberg niet al te veel kaas gegeten, vermoed ik. En ik heb er niks op tegen om aan het eind van een hoofdstuk in een “cliff-hanger” terecht te komen, zodat ik stante pede aan het volgende hoofdstuk wil beginnen, maar al die verschillende stukjes van een bladzijde met daarna steeds weer iets heel anders, dat gaat mij op den duur vervelen. Toppunt: op blz. 310 staat: “Hij omklemde de telefoon. Zou het...? Kenneth zweeg en Erik hoefde niet te zeggen dat hij het ook wist.” Dan heb ik nog 100 bladzijden te gaan voordat de oplossing eraan komt. Ik geef voor “Zeemeermin” dus geen 9 of zo, wat Trudie mij eerder voorstelde. Meer dan een 7tje zit er voor mij niet in.
         Op speciaal verzoek van de dames heb ik intussen alweer een ander boek van Camilla Läckberg in huis, “Zusje”, vers aangeschaft bij De Slegte in Maastricht. Ik hoop maar t.z.t. dat Läckberg mij daar t.z.t. een iets groter plezier mee doet.