vrijdag 20 december 2013

Weblogbrief 9.10, 20 december 2013

Weblogbrief 9.10, 20 december 2013

¡Hola, hola! ¡Dale bola! Dat is nog eens een origineel begin van mijn alweer tiende weblogbrief. “Hola, hola” staat voor “nou moe” of iets van dien aard, en “dale bola” voor “je tante” of dergelijke. Een passender Nederlands equivalent dan “Nou, moe! Je tante!” is heel misschien, in ieder geval met ongeveer dezelfde letters als in het Spaans, holderdebolder.
Holderdebolder, vrienden en familie, weten jullie wat het verschil is tussen een “bola”, een “balón” en een “pelota”? Ik ben er nog steeds niet achter. Volgens de kenners hier zou de grootte van de sportbal ermee te maken hebben, maar de uitzonderingen zijn de wereld niet uit. Is een “bola” kleiner, zoals een “bola de billar”, een biljartbal, in vergelijking met bijv. een “pelota”, een voetbal en een “balón”, een basketbal? Waarom is dan een tennisbal een “pelota de tenis” en een wereldbol een “bola del mundo”?

Ik begin mijn muziek deze week voortvarend, met niemand minder dan Gerard Cox. Heeft die entertainer, toneelspeler voor mijn part, ook als zanger ooit iets voorgesteld? Nee toch, maar van hem is wel de kaskraker: “(Het) is weer voorbij, die mooie zomer”. Ik zie nog voor hoe psycholoog Piet Vroon als zomergast bij de VPRO een aantal jaren terug steeds opnieuw Gerard Cox en de beginmaten van het liedje liet afspelen! De melodie van “Het is weer voorbij, die mooie zomer” kan er zeker mee door en de tekst is een vertaling van de enige top40 hit van Arlo Guthrie, “(The) City of New Orleans”. Maar Gerard Cox als crooner, gekker moeten we het toch niet gaan maken.
Het is tijd voor een kleine ode aan die Arlo Guthrie. Wie op bijv. Allmusic kijkt, zal zien dat hij van 1947 is, geboren in Brooklyn, New York. Dus piepjong is hij vandaag de dag bepaald niet meer, intussen 66 jaar. Zijn vader was de beroemde Woody Guthrie. Zoon Arlo heeft vele tientallen platen, cd’s gemaakt, meer dan 30, en het einde is nog niet in zicht. Ik beperk me hier tot het eerste tiental:
(1967) Alice’s Restaurant
(1968) Arlo
(1969) Running Down The Road
(1970) Washington County
(1972) Hobo’s Lullaby
(1973) The Last Of The Brooklyn Cowboys
(1974) Arlo Guthrie
(1975) Together In Concert
(1976) Amigo
(1978) One Night
Van dit rijtje heb ik er drie: “Alice’s Restaurant”, “Running down the road”.en “Hobo’s lullaby”. En ik heb, uit 1977 geloof ik, ook nog een verzamelplaat, “The best of Arlo Guthrie”. Op Allmusic heb ik een korte biografie gelezen en daaruit haal ik “City of New Orleans” als enige hit, althans top 40 nummer in de VS. En laat ik ook nog “Coming into Los Angeles” noemen dat hij op Woodstock zong. Arlo Guthrie, hij houdt niet over, maar hem kwijt willen is weer iets anders. In totaal kom ik op 37 nummers van de man in mijn bezit, met enkele dubbele ertussen, vooruit 38, als ik het nummer “East Texas Red” van “Folkways: a vision shared. A tribute to Woody Guthrie and Leadbelly” erbij doe. Even goed is het meer dan twee uur muziek, dat op draaien staat. Voor mij is Arlo Gurthrie een zanger die je als achtergrondmuziek best kunt opzetten; dan komt hij heel aardig uit de verf.

Is Arlo Guthrie alleen jullie te weinig? Wat let me om weer eens iets nieuws van Bob Dylan toe te voegen, zijn bootleg nummertje 10. Vergane glorie is die wel, maar uiteraard wel glorie, uit de tijd van Nashville Skyline (1969), New Morning (1970) en Self Portrait (1970). De nummers van de dubbel-cd “Another Self-Portrait” zijn uit de tijd dat ook Arlo Guthrie (enige) furore maakte. Hier zijn ze; ik begin, wie ’t ziech huurt, met cd numero 1:
-Went to see the gypsy (demo)
-Little Sady (without overdubs)
-Pretty Saro (unreleased)
-Alberta #3 (alternate version)
-Spanish is the loving tongue (unreleased)
-Annie’s going to sin g her song (unreleased)
-Time passes slowly #1 (alternate version)
-Only a hobo (unreleased)
-Minstrel boy (unreleased)
-I threw it all away (alternate version)
-Railroad Bill (unreleased)
-Thirsty boots (unreleased)
-This evening so soon (unreleased)
-These hands (unreleased)
-In search of little Sadie (without overdubs)
-House carpenter (unreleased)
-All the tired horses (without overdubs)
En of het niets kost, krijgen jullie ook nog cd numero 2:
-If not for you (alternate version)
-Wallflower (alternate version)
-Wigwam (without overdubs)
-Days of ’49 (without overdubs)
-Working on a guru (unreleased)
-Country pie (alternate version)
-I’ll be your baby tonight (live)
-Highway 61 revisited (live)
-Copper kettle (without overdubs)
-Bring me a little water (unreleased)
-Sign on the window (+orchestral overdubs)
-Tattle O’Day (unreleased)
-If dogs run free (alternate version)
-New morning (+horn section overdubs)
-Went to see the gypsy (alternate version)
-Belle isle (without overdub)
-Time passes slowly #2 (alternate version)
-When I paint my masterpiece (demo)
Het is allemaal even bijzonder bij Bob Dylan en het houdt maar niet op. Dient er nou echt gewacht te worden tot hij op sterven na dood is, voordat hem de Nobelprijs voor literatuur wordt toegekend? De man is van 1941, wordt het niet tijd? Terug naar het dubbelalbum, in de jaren 1969-71 had hij zoveel extra noten op zijn zang dat hij niet op een liedje meer of minder keek. Als er in een studio een microfoon aanstond, kwam hij gewoon aanzetten met het ene nieuwe nummer na het andere en later besloot hij of men dan wat er op de plaat kwam. Wat goed trouwens dat de banden uit die tijd bewaard zijn gebleven, daarom hebben we er nu nog iets aan. Jullie en ik krijgen in 2013, ruim veertig jaar na datum, zo maar 35 Bob Dylan nummers voor je kiezen, waarvan er een aantal de pan uit springt, 13 unreleased, 9 alternate versions, 5 without overdubs en nog 8 andere. In totaal kijk ik aan tegen bijna twee uur net uitgebrachte Bob Dylanmuziek van ruim veertig jaar terug. Daar kan weer weinig tegenop. En voor mijn Spaanse vrienden: “Spanish is the loving tongue (mi amor, mi corazón)”.

En dan nu iets heel en heel anders, amigit@s. In de Sagasta hier is een nieuwe winkel die telefoons verkoopt. Weet men niet dat er alleen al bij mij in de Luis Morote, om de hoek dus, een stuk of twintig zijn? Maar er hangt wel een mooie spreuk over hotels in de winkel: “Lo mejor de los hoteles es el buffet del desayuno”. Dat zal je maar gezegd worden als niet-ontbijter. Niettemin, ik houd vol; tot Trudie op bezoek komt, 11 januari, eet ik maar een keer per dag, aan het begin van de middag. T.z.t. ga ik jullie vertellen of ik al onder de 100 kilo zit en hoeveel eronder.

Afgelopen vrijdagavond had ik een probleem. Ik ben altijd te vroeg, als ik ergens heen ga, maar hoe los je dat op, als je in een restaurant met mensen hebt afgesproken? Die avond werd ik om half 10 ’s avonds verwacht in Don Quijote vlakbij plaza Farray voor een gezamenlijke maaltijd met Noé en Lorena plus intussen een stuk of vijftien anderen. Ik heb fatsoenshalve eerst een tijdje op een bank bij El Corte Inglés gezeten voordat ik me om even over half 10 voor de deur van de zaak meldde. Gelukkig stond(en) daar toen al een paar “man” te wachten, sommige met een sigaretje, want ook daarbinnen geldt helaas een compleet rookverbod. Tussen de buitenstaanders zag ik David, een aardige oudere jongere, met wie ik onlangs bij Cucu geweest was, dus aan aanspraak ontbrak het mij niet.
De leeftijd van ons gezelschap was duidelijk tussen de 30 en 40, met enkele uitschieters voor in de 40 en ondergetekende. Er kwam direct bier, rode wijn en mineraalwater op tafel en om 10 uur zaten we met zijn allen aan de zes voorgerechten. Niet veel later werden de stenen van de steengrill, “asador de la piedra”, op de tafel gezet, ongeveer een krukdeksel groot, een per vier personen. En vlak erop werd ons het nodige vlees voorgeschoteld, met patat frites, zes sausjes en grote kommen gemengde salade, uiteraard aan te vullen als iets op was. Veel later waren er nog twee nagerechten en cava, Spaanse champagne. Alles was precies conform de aankondiging vooraf, die ik jullie in een eerdere brief heb doorgegeven, m.i. zelfs ietsje te precies, maar vooruit.
Ik had al een aantal dagen geen alcohol tot me genomen, dus hield ik me bij Don Quijote in? Nee, dus, niet voor, niet tijdens en ook niet na het eten, toen Noé’s jarige vriend Edu zijn cadeautjes een voor een uitgeserveerd kreeg. Daarna trakteerde een andere vriend, Miki, op weer eens op een onvervalste sessie van “amigo invisible”, waarbij kleine presentjes steeds van eigenaar wisselen, tot de kienzak met alle namen een paar keer tot op de bodem leeg is. Ik had gaandeweg van alles in handen, maar mijn eindpresentje was een opschrijfboekje met een setje kleurpotloden.
En de drank, had die vat op mij gekregen? Langzaam, maar zeker had ik hem echt “om”; dat was me al een hele tijd niet meer gebeurd. Ik begaf me naar buiten, tussen de rokers en even later ook de rest van het gezelschap, maar echt opknappen zat er niet in. Ik was wat blij, toen Noé en Agu 2 me om ongeveer 1 uur met de taxi naar huis brachten, zelfs mee naar boven gingen. Ik hees mezelf in bed, waarop Noé nog kwam aanzetten met een glas water. Ik hoor zanger Thei Menten nog kwelen: “Geef miech nog get water, ’t is veur miene kater”.
Rest me te vermelden dat ik zaterdagochtend helemaal geen kater had, zelfs niet een beetje. Om even over 9 uur zat ik gewoon weer aan mijn eerste boek, “Tonio”, maar wel staat me bij dat ik ’s nachts nog even op het balkon heb gezeten vanwege krampen aan mijn benen. En van Noé kreeg ik zaterdag eerst een sms’je of ik al boven water was en later moest hij het ten overvloede nog eens met eigen ogen komen zien.

Don Quijote! Ik had vrijdagavond aan de mensen om me heen gevraagd of ze het boek van Miguel de Cercantes ooit gelezen hadden. De meeste bekenden me dat ze het, zelfs aangepast aan de huidige tijd, nooit uit hadden gekregen. De oorspronkelijke versie uit ongeveer 1600 is absoluut niet te doen. Ik herinner me dat ik met Paco op de Spaanse school de eerste bladzijden eens heb doorgenomen, nadat me de dag ervoor al de tekst was uitgereikt. Heel wat woorden moest ik destijds opzoeken in de “Maria Moliner”, het equivalent van onze grote van Dale, en iets van twintig eigennamen, op twee, drie bladzijden tekst, waren mij volslagen onbekend. Als iemand van mijn tafelgenoten bij Don Quijote het al helemaal doorgeworsteld heeft, moet dat in ieder geval in een zeer aangepaste versie zijn geweest. Zelf heb ik als jongeling ooit een vertaalde kinderversie gelezen, maar de Spaanse Don Quijote voor kinderen, twee delen, die ik me enkele jaren terug hier eens heb aangeschaft, vond en vind ik, helaas, nog steeds erg moeilijk. Afgelopen zomer maakte ik opnieuw kennis met de edele ridder van La Mancha in een Spaaans min of meer stripboek, met weinig tekst en de nodige plaatjes. Die versie kon ik wel aan.
Het boek is een aantal keren als tv-serie en film verschenen. En geloof het of niet, de film van regisseur Peter Yates uit 2000, 140 minuten lang, heb ik als DVD in huis hier. De hoofdrollen zijn voor John Lithgow als Don Quijote en Bob Hoskins als Sancho Panza. (Bob Hoskins heeft me afgelopen zomer nog veel plezier bezorgd met zijn rol in de BBC-serie “Pennies from heaven” van Dennis Potter.)
Het boek is echt een avonturenroman, niet één verhaal dat helemaal uitgeserveerd wordt, maar een heel rijtje kleine avonturen achter elkaar. De al oudere Alonzo Quijano leest graag ridderromans en vereenzelvigt daar op een gegeven moment zo met zijn papieren helden dat hij zichzelf tot ridder uitroept: Don Quijote de La Mancha. Zijn helper wordt Sancho Panza, nadat die door de don een gouverneurschap van een eiland in het vooruitzicht wordt gesteld. Samen gaan ze op stap, door de streek La Mancha, ten zuiden van Madrid.
Voor wie het verhaal nu wil horen, heb ik hier een heel rijtje wapenfeiten, waarbij Don Quijote bijv. steeds kastelen en burchten ziet, waar het in werkelijkheid om herbergen en kerken gaat. (En als je het verhaal van Don Quijote niet hoeft te lezen, mag je alvast door naar de volgende alinea.) Eerst vecht hij tegen reuzen (windmolens), dan wordt hij officieel tot ridder geslagen (door een herbergier), daarna ziet hij twee legers (schapen) tegen elkaar optrekken, er wordt een geketende rij gevangenen bevrijd en vervolgens verovert Don Quijote de gouden helm van Membrino. Sancho gaat naar huis, omdat zijn ezel gestolen is, maar die komt vanzelf weer terug. Don Quijote bevrijdt intussen enkele dames (in een toneelstuk), gaat naar huis en vertrekt met zijn helper voor een tweede reeks avonturen. Opnieuw neemt hij het zogenaamd op tegen reuzen en dat terwijl thuis zijn stapels ridderboeken worden verbrand. In zijn dorp treffen we nu ook een kampioen degen vechten aan, die het als “ridder van de spiegels” tegen Don Quijote opneemt, zonder te willen winnen. Dan redt Don Quijote nog een lammetje uit een rotsspleet (een onderaardse stad met o.a. Dulcinea) en komen de hertog en hertogin in beeld, die hem geblinddoekt met Sancho Panza op een houten paard laten rijden. Op het einde van de film (het boek) krijgt Sancho Panza zijn eiland (een burcht), maar die vindt dat maar niets en keert terug naar zijn dorp. En Don Quijote treft nu de “ridder van de witte maan” als zijn tegenstander (opnieuw de vechtkampioen), die hem deze keer definitief in het stof doen bijten. De zogenaamde ridder wordt verplicht om terug naar huis te gaan en sterft daar een genadige dood.
Wat zal ik van het verhaal vinden? Ik zeg maar zo, ik zeg maar niks, is geloof ik de uitdrukking die men in Maastricht dan paraat heeft. Het is een “niet onaardige” film en als iemand hem van mij wil lenen, eventueel zelfs in het Spaans, kan hij of zij bij mij terecht.

Genoeg over Don Quijote als eethuis en als boek/film, terug naar de werkelijkheid van alledag. Als de bekende merken voor schoenen, telefoons, kleding en noem maar op het laten afweten, is daar altijd nog de overheid, landelijk, regionaal en van de stad, om reclame te maken op de borden bij de bushaltes hier. Ditmaal kom ik met de overheid op voor kinderen van gescheiden ouders. Hopelijk net als jullie vind ik dat echtscheidingen nooit mogen leiden tot het weghouden van kinderen bij een van de twee ouders. In mijn familie en mijn vriendenkring ken ik intussen legio voorbeelden van echtparen die uit elkaar zijn gegaan en gelukkig is het maar weinig keren gebeurd dat de kinderen in de ouderlijke ellende zijn meegesleept. Zelf ben ik in 1994-95 gescheiden en gelukkig heeft mijn enige dochter, die toen 17 was, nooit hoeven te kiezen voor haar vader of moeder. Zowel met mijn ex als met mij is ze altijd contact blijven houden, niet overdadig, maar wel zonder onderbreking.
Hier heeft het ”centro de orientación familiar” maar weer eens aandacht voor het probleem gevraagd, met de slagzin: “Los padres NO se divorcian de los hijos”. Mijn zegen hebben ze.

Als ik het moet uitleggen loop ik vast, maar ik heb het niet zo erg op ambulances. Tot deze winter maakten ze mijn straat dag en nacht onveilig met hun geloei. Nu is het veel rustiger voor mijn deur, maar toch.
Ik zat maandagavond op “mijn” bank bij calle Ferreras en zag het volgende tafereel zich voor mijn ogen afspelen. Een vrouw van middelbare leeftijd was kennelijk in het casino onder hotel Imperial onwel geworden en die zat nou braafjes op een stoel voor de deur. Toen kwam, kennelijk besteld door het casino, met volle sirene een ambulance aangereden, die haar wou meenemen naar een ziekenhuis. Daar verzette de vrouw zich met alle macht tegen, al was het maar, omdat ze geen trek had om voor het peperdure vervoer te betalen. Vervolgens ging de uitbater en twee dames van het casino zich ermee bemoeien. Zij, de bellers, konden het niet verkroppen dat de vrouw niet meeging. Steeds als ze wou opstaan om te vertrekken, maar niet met de ambulance, werd ze krampachtig teruggeduwd op haar stoel en vervolgens weer in de richting van de ambulance gemanoeuvreerd. Schande!
Tot overmaat van ramp ging de politie, twee autootjes, al vlug nog twee op de fiets erbij, even later zelfs zeven man en een vrouw, zich er ook nog mee bemoeien. Ook de politie vond dat als de ambulance eenmaal voorstaat, je ook mee hoort te gaan. Die hoogbetaalde krachten met hun hoogbetaalde apparatuur komt niet zo maar voorrijden. Ik stond op het punt om me ermee te gaan bemoeien, maar de vrouw had intussen een tussenoplossing gevonden, hoop ik. Ze wilde wel mee naar het politiebureau, maar niet in de ambulance. En daar ging het hele stel uit mijn gezichtsveld.
Mag je als patiënt of would-be patiënt misschien zelf uitmaken of je met de ambulance meewilt of niet? En waarom moet de politie, in veelvoud, zich er ook nog eens mee bemoeien?

Bijna wekelijks heb ik ook een stukje over wat er in mijn straat hier gebeurt. Van de winkels zijn Dócil (Negonza), Topaz en in mindere mate ook Esardas wel eens onderwerp geweest, maar Arkay? Die parfumwinkel ligt precies achter mijn palmboom; vanaf mijn balkon zie ik er aan de overkant niets van. Dat neemt niet weg dat ook de baas en het personeel van de zaak me al een paar weken “felices fiestas” toewensen. Groeten terug, mompel ik dan. Echter, men heeft er een mooie zin aan toegevoegd: “¡Me lo pido!”, ik vraag het me af. Nu vind ik het verhaaltje leuk genoeg om hier te vermelden, met erbij mijn antwoord: “Yo también”, ik ook.

Ik weet wat “varios” betekent, verscheidene, ook “varones”, mannen en zelfs “varitas”, stokjes, maar wat zijn “varitos”? En wordt het eenvoudiger, als achter “varitos” “popcorn supercrujiente” geschreven staat? Moet ik het nog iets gemakkelijker voor jullie maken? Dan plak ik er ook nog “merluza empanada” aan vast. Ik heb het over wat in Nederland vissticks wordt genoemd.
Afgelopen woensdagmiddag zat ik weer eens aan de vissticks met brood, 10 stuks, 300 gram, en toen had ik alle tijd om een stukje op de achterkant van het pak te lezen over omega-3. “Para una buena salud cardiovascular es necesario mantener un estilo de vida saludable y una dieta variada y equilibrada que incluya ácidos grasos Omega-3 EPA y DHA, por lo que es recomendable consumir pescado como minimo cuatro veces por semana.” Dacht ik in mijn onschuld dat ik vissticks zat te eten, omdat ze lekker zijn. Blijk ik het product van PESCANOVA, een zusje van onze Kapitein IGLO, om gezondheidsreden te moeten nemen, vier of meer keer per week, om mijn (tweede) hartinfarct of beroerte een tijdje uit te stellen. Gelukkig ben ik een liefhebber van vis; voor bijv. een moot tonijn of een gerookte makreel kunnen ze me wakker maken. Die rare vetzuren, ácidos grasos, kunnen me eerlijk gezegd gestolen worden.

Het jaarlijkse gedoe met bommetjes is helaas weer begonnen. Is dat in Nederland ook zo? Hier heeft vooral de opgeschoten jeugd er een (heel) handje van en sommige knallen zijn werkelijk oorverdovend. Het aardigste wordt het gevonden, als een bommetje, of een paar tegelijk, onder een stilstaande auto tot ontploffing kan worden gebracht. Dan gaat, als de jeugd geluk heeft, het alarm van de auto af en het monster maakt nog een tijdje een piepgeluid, waarbij je horen en zien vergaat. Daar zou de politie nou eens iets aan moeten doen...

Noé was zo trots als een pauw (engreído como gallo de cortijo) toen hij mij deelgenoot maakte van zijn slagen voor de cursus duiken tot 18 meter diep. Het diploma moet hij nog toegestuurd krijgen, maar hij gaat er zeker “iets” mee doen, het in ieder geval aan de muur thuis hangen. Voor mij was zijn verhaal reden om op de universiteit een aankondiging van een duikcursus van het aanplakbord te halen. Duiken als sport is in het Spaans “bucear” en wat houdt een dergelijke duikcursus, “curso de buceo” in? Hier is mijn Spaans lesje van de “club de buceo, gran azul” voor onder de kerstboom.
“El curso incluye:
-equipo completo durante el curso, seguro de buceo valido por 1 año
-clases teoricas y un minimo de 5 practica en aguas abiertas
(si necesitaras más inmersiones, se te darán sin coste adicional)
-manual, derecho a examen y tramite de certificación
-clases individuales o en grupo, horarios flexibles
(comenzamos cuando tú quieras)
-¿Tienes poco tiempo? Hacemos cursos intensivos.”
Dat “comenzamos cuando tú quieras” doet me aan een belegen mopje over voetbalclub MVV denken, de Maastrichtse Votten Vegers. Iemand belt op naar stadion de Geusselt over de aanvangstijd van de aanstaande wedstrijd. Erg druk is het niet meer daar. Krijgt hij als antwoord: “wienie kump ‘t uuch ’t beste oet?”
Ik ga nog één alineaatje door met de duikcursus:
“También se oferta:
-curso avanzado (continua con tu formación)
-Cursos de especialidades, divemaster: da tus primeros pasos en la actividad didáctica
-Salidas programadas: individuales o en grupos
-Bautizos de buceo: pruébalo o haz un regalo distinto y original
-¿Hace tiempo que no buceas? Curso de reciclado”.
Onder aan de aankondiging, vlakbij het telefoonnummer voor nadere informatie, wat heet, om je aan te melden, staat nog: “No me retires, admite la competencia” Alleen daarom al zou een mens toch meedoen!

Intussen begin ik langzaam maar zeker door te krijgen dat deze kerstbrief, zeker als ik de boekenbijlage meetel, en waarom zou ik dat niet doen, een van de langste weblogbrieven wordt sinds jaren. Hebben jullie iets te lezen onder de boom, als het stalletje met de ezel en de os begint te vervelen. Voor nu kunnen jullie het me doen, maar ook de komende week heb ik een brief voor jullie in petto, die ik als het lukt, op 27 december zal internetposten. Lukt dat niet, dan wordt het 2014, voordat ik weer van me laat horen. Morgen, 21 december, gaat de winter officieel in. Ik zou me, als ik in Nederland zou verkeren, maar stevig inpakken. Daar laat ik het bij, tot ziens, hasta luego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Ik heb de neiging om bij Nederlandse schrijvers vooral te denken aan mensen van de generatie voor mij, die intussen dood is: Elsschot, Carmiggelt, Bomans, Reve, Nescio en aanverwanten. Mensen van mijn eigen leeftijd kunnen er soms nog wel mee door, zoals Kroonenberg en van Dis, maar jonge gasten van nu, die moeten het toch nog leren... Wie weet om die reden ben ik nooit goed begonnen aan A.F.Th. (Adri) van der Heijden, hoewel die NB maar vijf jaar jonger is dan ik. Zijn “Doodverf” uit 2009 heb ik gelezen, omdat het in de thrillergids werd aanbevolen, en ik vond het nog te pruimen ook. Maar boeken zoals “Het leven van een dag” uit 1988 of “Advocaat van de hanen (De tandeloze tijd 4)” uit 1990 zijn aan mij niet besteed geweest. Twee jaar terug verscheen “Tonio” en toen al dacht ik: wat heb ik eigenlijk tegen de man? Toen ik het boek afgelopen oktober op een e-readerlijst zag staan, sloeg ik toe. Hier is mijn recensie van het bijna 500 bladzijden dikke boek over de dood van A.F.Th.’s zoon. De ondertitel is niet voor niets “Een requiemroman”.
Wat zal ik over de inhoud van het boek vertellen? Eerst maar iets over de auteur: de jonge Adri van der Heijden, uit Zuidoost-Brabant, verhuist na zijn Nijmeegse studie naar Amsterdam om daar zijn brood te gaan verdienen als schrijver. Zijn eerste boek (“Een gondel in de Herengracht”) verschijnt in 1978, als hij 27 jaar is (vijf jaar jonger dan ik). In 1980 gaat hij samenwonen met de acht jaar jongere Mirjam Rotenschreich, “Minchen”, een meisje uit een joodse familie. Ze is en blijft voor hem D&GA, deze en geen ander. Ze trouwen, als zoon Tonio, “Totò”, zich aandient. Hij wordt geboren in mei 1988; vlak daarop is de huldiging van het Nederlandse elftal als Europees kampioen voetbal. Het boek is een uitgebreide terugblik op het leven van de jongen.
We zien Tonio als het kleine kind dat leert lopen, op vakantie in Frankrijk op zoek naar stenen, samen met zijn vader boeken signerend, bij zijn vertrek van de lagere school, als hij zes jaar later zijn gymnasiumdiploma uitgereikt krijgt, nadat hij het huis verlaat om in De Baarsjes te gaan wonen samen met vriend Jim, als fotograaf in de dop (als Oscar Wilde staat hij op de kaft van het boek), tussen zijn andere vrienden Jonas, Dennis, Goscha en niet te vergeten Jenny. Tonio overlijdt op Eerste Pinksterdag 2010 in alle vroegte, als hij bij de ingang van het Vondelpark als fietser geschept wordt door een Susuki en met een gescheurde milt, kapotte longen en opgezette hersens in het ziekenhuis belandt. Enkele maanden later viert het Nederlandse elftal, alweer met een boottocht door de Amsterdamse grachten, zijn tweede plaats bij het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika. En Adri en Mirjam durven dan pas eens te gaan kijken op de plek waar het ongeval precies heeft plaatsgehad.
Gedurende het hele boek is de schrijver en zijn vrouw (en ook de directe familie en vrienden) aan het proberen om de pijn van geen Tonio meer te hebben te boven te komen. In het begin is het een en al verdriet in het huis in de Johannes Verhulststraat, maar ook later, bijv. wanneer de grafsteen geplaatst wordt, vloeien de tranen rijkelijk en kan alcohol maar beperkt de pijn verzachten. “De dag 15 juni, is niet langer een verjaardag van Tonio, hoogstens zijn geboortedag. Bij een probleem is soms een oplossing mogelijk; Tonio’s dood is geen probleem, want iets eraan veranderen zit er niet meer in.”
Jullie hebben het waarschijnlijk al vermoed, ik vind “Tonio” van A.F.Th. van der Heijden een mooi boek, heel mooi zelfs. Wat is de toon treffend gekozen, er wordt weinig tot niets onbesproken gelaten, “Tonio” is geweldig volgens zijn ouders en zo hoort dat, maar gelukkig is het ook weer niet op iedere bladzijde kommer en kwel. Ik geef er een 8½ voor, een hoog cijfer. En die Adri van der Heijden is nog niet van mij af.>BR>
Dick Francis is voor mij een schrijver uit de oude doos. De Engelse ex-jockey werd geboren in 1920 en overleed op 89-jarige leeftijd op de Kaaiman Eilanden, waar hij zijn oude dag doorbracht. Heel vroeger heb ik wel enkele boeken van Francis gelezen, steevast over gebeurtenissen rond paardenraces, maar daar heb ik geen of nauwelijks herinnering meer aan. In mijn Palmese tijd kwam hij opnieuw in beeld met een stuk of vier boeken, die ik steeds kon waarderen. Daar kan ik nu “Come to grief” aan toevoegen. Het is uit 1995 en speelt uiteraard in Londen en de rest van Engeland. Hij kreeg er een Edgar Award voor, een Amerikaanse prijs voor de beste “mystery writer”.
Het boek is uit het leven van ene Sid Halley, ex-jockey zoals de schrijver zelf. Sid mist één onderarm en hand, omdat die verbrijzeld is. Dat belet hem bepaald niet om uit te zoeken wie verantwoordelijk s voor het afhakken van een voet bij verschillende jonge paarden. Eentje is van de 9-jarige zieke Rachel Ferns, met wie hij een speciale band ontwikkelt. Sid Halley hoeft niet in zijn eentje achter de boeven aan. Hij krijgt hulp van o.a. zijn voormalige schoonvader, admiraal Charles Roland, speciale ambtenaar Archie Kirk en politieman Norman Picton. En in de coulissen zie ik ook tiener Jonathan zijn bijdrage leveren. Aan de verkeerde kant van de streep staan mensen als Owen Yorkshire van Topline Foods en nog meer Ellis Quint, ook een ex-jockey, en diens vader Gordon. Laat ik mijn lijstje namen deze keer afsluiten met twee journalisten van dagblad The Pump, Kevin Mills en India Cathcart, die wel iets aardigs hebben. En lost Sid Halley de misdaad op? Ja zeker, maar dan is er wel eerst het nodige water naar de zee gedragen.
“Life’s a bugger”, is dat de Engelse versie van “het leven is een pijp kaneel”? In “Come to grief” kom ik het zinnetje een aantal keren tegen. En laat ik nou eens niet de eerste, maar de laatste zin van het verhaal, op bladzijde 356, citeren: “Regret, loss, acceptance and relief; I felt them all. I grieved for Ellis Quint”. Er is iets met de boeken van Dick Francis, die ze steeds weer boven de middelmaat laten uitstijgen. Concreet, “Come to grief” is voor mij een mooi boek, misschien niet zijn allerbeste, maar in ieder geval goed genoeg om het, alweer, een volle 8 als recensiecijfer toe te kennen. En dus laat ik het niet bij de boeken die ik al heb gelezen, maar ga op zoek naar nog weer andere van Dick Francis. Marion (de Mooij), jij als fan van paarden en van de boeken van de man, welke vind jij erbovenuit steken, wat is jouw top 10 van hem? Dan ga ik me de boeken daaruit, die ik nog niet gelezen heb, eens aanschaffen.

Wie een hele week heeft om boeken te lezen, veel meer heb ik niet te doen, moet niet raar opkijken als hij of zij nog een derde uitheeft. En dus kan ik jullie ook nog mijn gefundeerde indruk van “Lustrum” geven. De schrijver, Robert Harris, heeft echt verschillende noten op zijn zang, als het over de plaats en periode gaat waarin hij zijn boeken situeert. Een daarvan, een aantal keren toegepast, is Rome zo’n twee millennia terug. Twee daarvan gaan er over Cicero. Eerder kwam hij met “Imperium”, over Cicero als advocaat vlak voordat hij het tot consul bracht. Zijn slaaf en secretaris Tiro doet in het boek verslag van het proces tegen Verres en andere onverkwikkelijke zaken uit die tijd. Deze week bespreek ik het vervolg daarop, door Robert Harris gepubliceerd in 2009.
“Lustrum” begint, als Cicero consul wordt, samen met ene Hybrida, voor de periode van een jaar. Er is van alles gaande in de stad, met in de senaat (600 man) vooral twee kampen: de patriciërs, rijken, onder aanvoering van o.a. Catulus, Isauricus en Hortensius, en aan de andere kant de plebejers, volksen, met o.a. Caesar, Catilina en Crassus. Terzijde, die Crassus is niet alleen een etter van een man, maar ook stinkend rijk. Net consul wordt Cicero geconfronteerd met van alles; vooral het afslaan van de aanval op de stad van Catilina en diens trawanten geeft hem grote kopzorgen, bezorgt hem later ook roem. In het tweede deel van het boek komt ene Clodius steeds meer voor het voetlicht, eerst als carnavalist (maak ik ervan) en later als volkstribuun. Hij brengt Cicero op het einde van het boek opnieuw in de problemen en niet zo’n beetje ook. Julius Caesar wordt intussen steeds belangrijker en vergeet niet ook de rol van veldheer Pompeius de Grote, de Hoeder van Land en Zee, als die uit het Midden-Oosten naar Rome terugkeert om daar de baas te spelen. Dames zoals Terentia, Mucia en Clodia spelen een ondergeschikte rol, Net als Don Quijote is het boeken een avonturenroman, maar er wordt wel hoog spel gespeeld met de nodige doden. Mag ik het daarbij laten?
Boeken van Robert Harris zijn aan mij welbesteed; dat geldt ook voor “Lustrum”. Het heeft wel wat om je hele verhaal te laten optekenen door je secretaris, Tiro. Cicero komt over als een geslepen politicus, die vooral de gave van het woord heeft, als hij het opneemt tegen gewezen veldheren, rijkaards en volksmenners, zie boven. Het gebeurt in dit boek met weinig gelach, in dodelijke ernst en op zijn tijd ook wapengekletter. Jullie willen een cijfer? Ik geef voor “Lustrum” van Robert Harris als vervolg op “Imperium” een 7½. Het boek is m.i. best wel geslaagd, maar zijn beste boek vind ik het niet.

vrijdag 13 december 2013

Weblogbrief 9.09, 13 december 2013

Weblogbrief 9.09, vrijdag 13 december 2013

Als ik Ary Malando was geweest, die van het tango-orkest, zou “¡Olé, guapa!”, zijn succesnummer uit 1946, wellicht een mooi begin van deze brief zijn geweest, of liever nog “¡Olé, guapos!”. Helaas, ik ben hem niet, dus begin ik deze keer gewoon met “tururú”, retteketet. Tururú, volgens mijn onvolprezen woordenboek is dat een onomatopee, afgeleid van een dierengeluid, maar van welk dier dan, een miereneter? Ik neem aan dat in Nederland de daken van de huizen weer schimmelvrij zijn, de schoorstenen pietvrij en dat de hele sinterklaasmeute weer koers naar Spanje heeft gezet. We mogen definitief op de kerst aan. Mijn bijdrage daaraan, voor het moment, is brief 9.09. Hier-is-t-ie.

Laat ik beginnen met terug te komen op de film, de documentaire, die Noé mij dringend aanraadde te bekijken. Op mijn favoriete filmsite IMDb had ik hem afgelopen maandagmiddag op de universiteit direct te pakken. Hij heet inderdaad “Searching For Sugar Man”, is uit 2012, heel recent, en de regisseur is ene Malik Bendjelloul. De documentaire is 86 minuten lang en wat kreeg hij voor cijfer van IMDb? Een 8.1, wat er inderdaad op duidt het iets bijzonders is. In het faculteitsgebouw ga je naar You Tube en voordat je het goed en wel beseft, zit je op een laptop, die van Cristina, naar de complete film te kijken. Ik deed er een Engelstalig onderschrift bij om niets te hoeven missen.
Waar gaat hij over? In Detroit woont begin jaren 70 een folkzanger, (Sixto) “Sugar Man” Rodriguez, van afkomst een Mexicaan. Hij treedt in de cafés en dergelijke op, zoals Bob Dylan in zijn vroegste jaren in New York ook deed. De volgende stap in zijn carrière wordt gezet, als Rodriguez gecontracteerd wordt door platenmaatschappij Sussex, uit Hollywood. Hij maakt twee LP’s: “Cold Fact” in 1971 en “Coming From Reality” in 1973, maar blijft volkomen onbekend; zijn platen verkopen voor geen meter. En dan is het einde verhaal voor Sussex, terwijl Rodriguez al bezig is om nieuwe nummers te maken voor zijn derde, nooit afgemaakte LP. En nou komt het: ook in het buitenland doen zijn platen niets, behalve in Zuid- Afrika, daar wordt hij, zonder dat hij het zelf weet, een hit. Ook de baas van Sussex, Clarence Avant, heeft daar geen weet van. Er gaan in Zuid-Afrika maar liefst een half miljoen platen over de toonbank, Rodriguez zou zich overigens na zijn tweede flop in de VS voor zijn kop geschoten hebben.
Toch gaat een (blanke) journalist er veel later, in 1997, nog eens achter aan. Dan blijkt dat Rodriguez helemaal niet dood is, maar gewoon nog steeds in Detroit woont, Hij heeft zijn oude werk in de bouw maar weer opgepakt, als hij van zijn muziek niet kan leven. Als hij in 1997 hoort dat hij zo beroemd is (geweest) in Zuid-Afrika, is dat een volkomen verrassing voor hem. Hij wordt vervolgens naar het land gehaald en op 6 maart 1998 geeft hij in Kaapstad een pracht van een concert met al zijn oude nummers. Door de 5000 mensen in de zaal wordt hij bejubeld en na het eerste concert volgen er nog vijf en later nog eens tientallen. In Zuid-Afrika was en is Rodriguez een “hero” (en in de VS zoals zoveel artiesten een “zero”).
Mooi, hè, dit verhaal. De bijnaam van Rodriguez is “Sugar Man”, zo heet et eerste nummer van zijn eerste LP. Wie dat leuk vindt, moet de documentaire “Searching for Sugar Man” zeker eens gaan bekijken. De film doet me denken aan die van Wim Wenders in 1996 die Ry Cooder volgt, op zoek naar intussen bejaarde jazzartiesten op Cuba met als uitkomst een pracht van een plaat, “Buena Vista Social Club” en een bijbehorende film. Harry zal ongetwijfeld de nodige voorbeelden kunnen geven van Nederlandse artiesten die volgens hem best wel goed waren, maar het niet gemaakt hebben. Had hij niet een mooi voorbeeld van een zanger uit Heerlen, bij wie hij afgelopen zomer nog eens langs is geweest? En in Myanmar bijv. kocht ik de muziek van een Deense groep die vooral daar in de buurt uiterst bekend was en verder nauwelijks.

En dat gezegd hebbend is het wel hoog tijd voor een muziekje. Ik begin deze keer met een rijtje nummers op de trekzak. En die komen nou eens niet uit Argentinië, Texas, Italië, de Amsterdamse Jordaan of “wie sjoen us Limburg is”. Jullie krijgen van mij een plaat uit de lichtstad vroeger, meer precies de cd Accordeon Paris 1913-1941, deel 1. Ik kreeg die van Rocky en kijk zo maar aan tegen 24 keer “hel oud”. Als bijzonderheid staat er bij ieder nummer aangegeven of het om een polka, een paso doble of, vooruit, een mazurka gaat. Is dat niet handig voor mensen als ik die moeite hebben om een dans na enkele maten al te benoemen? En niet getreurd, op ongeveer de helft van de nummers kan gewalst worden.

De plaat uit Parijs is een opmaak voor mijn artiest van de week: Salif Keita. Ibrahim, vaste gast van café de Poort in Maastricht, legde mij omstandig uit dat mijn Afrikaanse minicollectie muziek niet door de beugel kon zonder een bijdrage van deze zanger. En Marcel wist het mij te bevestigen: die Salif Keita hoort er gewoon bij. De man is van Mali (net als Ali Farka Touré en Toumani Diabaté) en daarbij een albino, wat hem door zijn omgeving niet in dank werd afgenomen. Al vroeg begon hij met muziek maken en dat werd alleen maar meer, toen hij in 1984, hij was toen 35 jaar, naar Parijs verhuisde. In 2000 keerde hij terug naar hoofdstad Bamako van Mali om daar zijn muziekcarrière voort te zetten. In totaal staan tot dusver, hij is nu 62, zo’n 16 of 17 soloalbums op zijn naam.
Ik naar Centre Ceramique deze zomer, of daar wat lag. Zonder probleem kon ik vijf cd’s van de man bemachtigen plus een dvd’tje dat ik thuis een keer met plezier heb afgespeeld. Hier zijn ze:
(1995) Folon
(1999) Papa
(2001) Sosie
(2005) M’Bemba
(2009) La Différence
“We” hebben het dan over 4 uur en 19 minuten Salif Keita, 47 nummers van gemiddeld 5, 5 minuut (dat heb ik net voor jullie uitgeteld). Mooi vind ik ze alle vijf, neem bijv. “La Différence” uit 2009, met nummers als “Seydou”, “Folon” en “Ekolo D’Amour”. Maar als ik echt moet, ga ik voor “Sosie” uit 2001. Om die reden ontvouw ik die cd verder; hier zijn de tien nummers van “Sosie” op een rijtje:
01. Noir Et Blanc
02. Chanter Pour Ceux
03. Pars
04. Ignadjidje
05. Avec Le Temps
06. Le Lac Majeur
07. Je Suis Venu Te Dire
08. La Sud
09. La Valse Des Lilas
10. Tanganika
Wat is die Salif Keita een aanwinst, maar let bij “Sosie” en de andere platen ook eens op het dameskoortje, fantastisch. De meiden op bijv. “Ignadjidje” vind ik meer dan zo een beetje gracieus. Die dragen het nummer!

Het moest er een keer van komen, ook al ben ik waarschijnlijk de enige die deze alinea interessant vind. Voor diegenen van jullie die hier nog nooit geweest zijn, is het ongetwijfeld een alinea die jullie het beste helemaal kunnen overslaan. Van mijn huis naar de twee gebouwen van El Corte Inglés is het 10, 11 minuten lopen, heb ik – freak als ik ben - uitgeteld. Ik kan erheen via verschillende straten, bijv. de Secretario Artiles, of de 29 De Abril. Oninnig vraagje aan jullie: als ik van bij mij uit gewoon rechtdoor erheen loop, welke straten kruis ik dan achtereenvolgens? Hier komen ze, het “calle” bij de straten laat ik maar weg:
00. Luis Morote
01. Ripoche
02. Nicolás Estévanez
03. José Franchy Roca
04. Martínez De Escobar
05. Isla De Cuba
06. Lucas Fernández Navarro
07. Cirilo Moreno
08. Montevideo
09. Ruiz De Alda
10. Manuel Durán
11. José Meso Y López
Aanstaande vrijdagavond, vanavond dus, ga ik naar restaurant Don Quijote in de calle Diderot. Een gangbare route is eerst naar de José Meso Y López lopen en dan naar rechts, een klein stukje in de richting de Plaza De España en naar weer naar rechts. De calle Diderot loopt door tot aan (vlakbij) de Plaza Farray. Bijna aan de Guanarteme ligt het restaurant. Ik zal jullie volgende keer vertellen of ik er genoeg te eten en drinken heb gekregen.
(En nou de Corte Inglés winkels toch voorbij gekomen zijn, de kelder in de noordelijke winkel was bij mijn weten de enige plek in Las Palmas waar tot aan deze winter blikjes Schweppes Light Naranja, sinaasappelsmaak, verkocht werden. Nu is het spul ook daar net meer te krijgen en ben ik aangewezen op Clipper Light dan wel Fanta Zero. Wat een probleem! Ik heb, denk ik, nog een laatste kans, bij de Hipercor op de Guanarteme helemaal bij Las Arenas. Ik zal daar zeker eens gaan kijken en mochten ze hem daar wel nog verkopen, dan laad ik zo maar een paar tassen vol met blikjes om me daarmee en met de taxi naar huis te begeven.)

Als je in de bus zit, komt er van alles langs dat je anders misschien niet zou opmerken. Deze week keek ik weer eens naar het gebouw van justitie schuin tegenover de begraafplaats van Vegueta. Wel is naast de begraafplaats een ouderwetse, openbare middelbare school, C.P. Cervantes.
Ik beloofde jullie eerder om terug te komen op het vierkoppige monster van een gebouw van justitie, als daar nieuw leven in de brouwerij kwam. Ik weet niet of het al officieel geopend is, maar vanuit de bus zag ik – in ieder geval op de begane grond van diverse delen van het gebouwencomplex - Palmezen rondlopen; ook voor de hoofdingang was er actie gaande. Vooruit, dat doet maar, maar vind ik het gebouw een aanwinst? Dat staat nog te bezien, mijn eerste indruk is niet positief. T.z.t. zal ik eens binnen voor jullie gaan kijken.

Ton houdt me met graagte op de hoogte van allerlei nieuwtjes uit de provinciestad Maastricht. Ik vertelde jullie eerder over de opening van restaurant “Le Bon Vivant” op de Capucijnenstraat. De eigenaar had het toen gewaagd om even een rode loper uit te leggen zonder dat hij daar vooraf t van de gemeente toestemming voor had gekregen. Twee Boa’s wisten niet hoe snel ze toen een bekeuring moesten uitdelen.
Intussen zijn we een paar weken verder. Een dergelijke kans om Boa’s door het slijk te halen liet en laat de rare eigenaar van een tweedehands boekwinkel in de Rechtstraat, Ton Stillen, zich niet ontgaan. Hij was ten onrechte eerder beboet, toen hij voor zijn deur op een stoel gezeten een glas wijn dronk. Nu heeft hij ervoor gezorgd dat meer dan de helft (ik citeer Ton) van de winkels in de straat een rood lopertje voor hun deur heeft liggen. En de Boa’s, bang als ze van hem zijn geworden, houden zich op veilige afstand.

Ik heb er nog een van Ton, maar die zullen jullie wel al uitgebreid bediscussieerd hebben in het café, op een verjaardag of zo maar om wat te roddelen te hebben. Onze burgervader Onno Hoes, een homo, zou zoenend met een “toy boy” (volgens de Limburger) van 24 jaar gesignaleerd zijn in de hal van een hotel in de stad, hotel Maastricht geloof ik. Een paparazzo heeft er een foto van gemaakt, die op de televisie is uitgezonden. Het land, nou vooruit, de stad was vervolgens in rep en roer. De ene helft van Maastricht, rep, lachte zich vervolgens een rolberoerte en de andere helft, roer, spreekt er nog steeds schande van. Zou hetzelfde gebeurd zijn, als bijv. Gerd Leers gefotografeerd zou zijn, terwijl hij uit een Haagse hoerenknal naar buiten kwam of is het toch gewoon de kift, dat het weer een homo moet zijn die over de schreef gaat? Intussen heeft Albert Verlinde, een bekende televisie- en theaterpersoonlijkheid en al 22 jaar de man van Onno, het hem vergeven, begrijp ik. Nou het conservatieve volksdeel nog.

Ik heb een akelige mededeling voor de mensen die met mij al eens een eetbezoek hebben gebracht aan wok- en grillrestaurant Hong Kong aan Las Canteras, de bekendste Chinees hier. De verbouwing van de zaak, op hetzelfde oppervlak, is voltooid. De zaal is weer open, maar de prijs om daar te eten is drastisch omhoog gegaan. Betaalde je tot voor kort 6 euro 50 plus BTW voor een complete maaltijd, nu is dat 9 euro 80 (en voor kinderen 5 euro 80). Ik denk dan: is er tussen de Chinezen een onderlinge afspraak gemaakt over de prijsverhoging en volgen de andere Chinese restaurants binnenkort? Of wordt de concurrentie nog moordender? De tijd zal het leren.
Even verderop, bij kelderetablissement El Ancla, maakt op een hoog een tweetal dames reclame voor zichzelf en de Thaise massage. De verschillende borden ter illustratie van hun nering zijn niet helemaal je dat. Eentje heeft het bijv. over “body scurb” met een bijbehorend plaatje van een vrouwenlijf dat het zeer te verduren heeft. Moet dat niet “body scurf” zijn, “scurf” is roos, huidschilfers? Grapje, er zal wel “body scrub” bedoeld zijn.

Een brief van mij is niet compleet, als ik niet ook iets over mijn straat meld. Afgelopen zondag was het Maria Onbevlekte Ontvangenis en dat is hier een officiële feestdag van oudsher. Als de “Inmaculada Concepción” op zondag valt, krijgen de schoolkinderen kennelijk de dag erop vrij, want afgelopen maandag was het op mijn buurschooltje van de nonnen opvallend rustig. Gelukkig is het sinds dinsdag weer “business as usual”.
Op mijn stukje van de Luis Morote hebben de diverse dreklui van ”vuelve a latir” en ”limpieza” en niet stilgezeten, ondanks dat ik een paar keer een flinke regenbui op mijn dak heb gekregen. Er zijn ook echte tegelzetters actief. Die zijn nu druk doende om de palmbomen permanent te bewateren en direct om de bomen heen stenen te leggen.
De cafetería van Carlos is gespaard gebleven. Eerder vertelde ik jullie dat bij hem voor ook een nieuwe boom was geplant, maar dat die al na een dag bijna al zijn palmbladen kwijt was; wie zou dat nou op zijn geweten kunnen hebben? “Zijn” palmboom in wording is intussen definitief weggehaald en daarvoor in de plaats liggen de bekende grote roze tegels ook voor de zaak. Is hij toch de dans ontsprongen en heeft hij nu een keurig aansluitend terras van vier tafeltjes buiten. En daar zitten van ’s ochtends vroeg tot zeg half 10, 10 uur ’s avonds mensen aan de koffie, het bier en zelfs aan de hapjes zoals “jamón serrano, muy rico”. Die kunnen sinds donderdagmiddag ook genieten van de vele tientallen blauwe lampjes in alle lantaarnpalen.

Mijn Spaanse lesje mag niet ontbreken. Het komt deze keer van het grote bord bij de in- en uitgang van de oude faculteit. Ik neem aan dat iemand die gelieerd is aan “Studio Figura” op Siete Palmas, de uitnodiging om daar eens langs te gaan op het bord heeft opgehangen. En ik heb hem er even afgehaald om jullie op de hoogte te brengen van wat die Studio wel niet vermag. Ik houd het kort, maar krachtig:
“Lo invitamos a probar un tratamiento reductor de volumen, reafirmante y tensor de piel (Sesión 60 Min).“ Ernaast staat het logo van de zaak, een volslanke dame in het wit tegen een bruine achterrond. Rechts op het foldertje vind ik een voorbeeld bij van een meisje dat de hele behandeling daadwerkelijk geprobeerd heeft. “Resultados de las pruebas tras completar les sesionos: la cintura menos 4cm, antebrazo menos 4cm, caderas menos 3cm.” Daar moet ik het mijne van weten, denken jullie dan ongetwijfeld. Wie wil daar niet aan meedoen, bijv. aan de “linfodrenaje, eliminación de las toxinas, disminución de la celulitis, refuerza el sistema inmunitario, normalización del tono de los músculos.” En het programma kent een op het individu toegesneden aanpak, met zijn “corrección de las zonas problemáticas dependiendo del tipo de la figura” Mooi, toch? Rest me nog jullie het telefoonnummer van Studio Figura te geven, (0034) 637 108 115 voor het maken van een eventuele afspraak.

Voor de (denkbeeldige) mensen die bovenstaand Spaans lesje te weinig vinden, doe ik er nog een kleintje bij. Donderdagavond liep ik op het stuk Meso Y López voorbij Plaza De España. Daar keek ik naar binnen bij een dure winkel, die gespecialiseerd was in rauwe ham. De slagzin boven een soort van barretje wil ik jullie niet onthouden: “Como una planta la alegría. Caen muros, peñascos se cierran los abismos. Nace el canto.” Ik deel een tien met een griffel uit voor de juiste vertaling van die wijsheid.

Heb ik aldus genoeg zijn best gedaan? Dan mogen jullie nu terug naar “af”. Is het al tijd voor een kerstgedachte? Nee? Dan wacht ik daar nog even mee. Verwacht mijn volgende brief niet eerder dan over een week, op de verjaardag van Damaris. Voor nu, “mantenga la sangre fría”, houd het hoofd koel, en vat eens een koe bij de horens. Een koe? Moet dat niet een stier zijn: “coge el toro por los cuernos”. Ik wens het jullie, tot ziens maar weer, hasta luego, jullie PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Mijn eerste boek is er een van de Stockholmse thrillerschrijfster Inger Fridmansson, intussen 69 jaar, dus “gran dama” zouden we hier zeggen. Mij bekruipt het gevoel dat moordboeken nogal eens niet door jonkies geschreven worden, dat de nodige rijpheid, wijsheid geen kwaad kan. Het boek dat ik van haar las op mijn e-reader, is uit 1998 en in vertaling uit 2003; het heet “Welterusten, mijn liefje”. De locatie is Stockholm en omgeving, met een uitstapje naar Maleisië (volgens Trudie’s moeder zaliger is het Malijsië met een langgerekte ij).
Het kostte mij enige tijd om het boek wijs te worden en hoofd- en bijpersonen uit elkaar te houden. De hoofdpersoon is ene Justine Dalvik, nu 45, de dochter van de overleden Sven Dalvik en zijn Franse vrouw. De moeder gaat al op vroege leeftijd henen, haar rijke vader zet het imperium van Sandy pastilles voort, met zijn secretaresse Flora als tweede vrouw. En met die Flora kan de geestelijk enigszins gestoorde Justine het bepaald niet vinden, al niet als kind en als ze als tiener in verwachting raakt en een dode baby baart, en in haar verdere leven net zo min. De kommer en kwel met haar stiefmoeder houdt voor Justine pas op, als Flora na een beroerte in het verpleeghuis belandt. Terug naar Justine, die heeft het jaar ervoor haar vriend Nathan Gendser verloren op een junglereis in Maleisië en woont nog steeds, met haar vogel Fritz, in het grote ouderlijke huis.
Ik maak als lezer kennis met verscheidene mensen, met wie Justine in het boek contact krijgt. Eentje is een meisje van school vroeger, Berit Blomgren, die haar destijds nogal pestte, maar aan wie ze nu gezelschap heeft. Berit vertelt haar over haar bepaald niet geslaagde huwelijk met Tor en de onoverkomelijke problemen op de boekuitgeverij waar ze werkt. En dan is Hans Peter Bergman, nachtportier in een hotel, voor wie Justine gaande het boek meer dan een gewone belangstelling gaat koesteren. Vallen er ook doden, wordt er wel genoeg gemoord? Dat gebeurt vooral in het laatste stukje van het boek; dan verschijnt zelfs politieman Hans Nästman op het toneel. Ik ben dan al bijna door de 256 bladzijden heen.
Laat ik zoals altijd eerlijk zijn, “Welterusten, mijn liefje” van Inger Frimansson is me niet meegevallen. Het duurde even voordat ik echt doorhad dat Justine de hoofdpersoon was, en ik haar duidelijk kon onderscheiden van andere karakters, zoals Flora, Nathan, Berit en Hans Peter, zie boven. En dan had ik aanvankelijk ook nog enige moeite met de verschillende tijdstippen: wanneer speelde wat precies? Dat had m.i. best iets duidelijker gekund of was ik misschien niet helemaal bij de les. Ik houd vol dat de schrijfster het mij beter had kunnen uitleggen. Omdat ik de recensent ben, kies ik voor om een tanende waardering voor het boek. En dat zien jullie terug in mijn eindbeoordeling; ik kom niet verder dan een 6 voor “Welterusten, mijn liefje”, een voldoende, maar niet meer. Ik heb er nog een van Inger Frimansson op mijn e-reader; dat zet ik even in de wachtkamer.

Don Winslow, ook al weer 60, is een van mijn favoriete thrillerschrijvers. Zijn boeken spelen allemaal in Zuid-Californië, maar de man schroomt niet om af en toe eens over de grens met Mexico te kijken. Vlak voordat ik op 1 november afreisde naar Las Palmas, vond ik bij De Slegte, Polare, in Amsterdam een boek van Don Winslow dat ik nog niet had. Zijn “Savages”, boek 2 van deze week, dat zo ongeveer op de grens van Mexico en de VS speelt, is van heel recent, van 2010 of daaromtrent.
Het boek vertelt het verhaal van twee mannen, eentje een beetje een alternatieveling, Ben, en de ander een doorgewinterde vechtjas, Chon, die de beste weed van de streek verbouwen en verkopen. Ze zijn intussen schat- en schatrijk ervan en over wegen serieus om een iets anders te beginnen, bijv. een bedrijf in groene stroom. Hun beider dame is een prachtvrouw, O, voluit Ophelia, ondanks haar moeder, PAQU, Passive Aggressive Queen of the Universe. De opponent in het verhaal is het Baja Cartel van Elena Sanchez Lauter, Elena La Reina, met als Californische vertakking een club rond Miguel Arroyo Sanchez, Lado. Om Ben en Chon te dwingen om hun dope aan het Baja Cartel leveren, ontvoert die groep O, dreigt haar te onthoofden. Ben en Chon willen O eerst uitkopen, voor twintig miljoen dollar, deels met geld van het Cartel zelf. Als dat onvoldoende succesrijk is, kidnappen ze Magdalena, de favoriete dochter van Elena, en gaan tot de aanval over.
Het boek “Savages” telt nagenoeg evenveel hoofdstukken als er bladzijden zijn, resp. 290 en 302. Het eerste het beste bestaat uit zegge en schrijve twee woorden: “Fuck you”. Zo herken ik Don Winslow direct. Als vanouds maakt hij er een potje van, waarbij op een lijk meer of minder niet wordt gekeken. Volgens Janet Evanovich is dit zijn beste boek totnogtoe en John Harvey zegt erover: “A frighteningly convincing depiction of big-time drug cartels at work”. Wie ben ik om daar nog iets aan toe te voegen. “Savages” van Don Winslow gaat, zoals jullie al hadden kunnen vermoeden, met een hoog recensiecijfer terug de kast in, een volle 8. En zeker ga ik op zoek naar nog weer andere boeken van de auteur van wie ik er al zo’n tien heb.

maandag 9 december 2013

Weblogbrief 9.08, 9 december 2013

Weblogbrief 9.08, maandag 9 december 2013

“¡Buenos amigos, queridos días!” Goedendag, beste vrienden, maar dan op zijn toeristisch. Terzijde, goedendag als uitroep is “¡Pero bueno!” volgens mijn woordenboek. En wat is een goedendag nog meer? Een ouderwetse knots, in het Spaans “maza”! Conform mijn belofte van afgelopen dinsdag kom ik er opnieuw in met een vrolijke brief, dat spreekt. Ga er maar voor zitten.

Zijn jullie de Sinterklaas goed doorgekomen? Heeft hij voldoende “gereden”? Heeft Piet zich niet te racistisch opgesteld? En hebben jullie de pyjama die je in je verlanglijstje had gezet, ook gekregen? Oké, dan kan ik nu beginnen met mijn muziek van de week, want een plaatje hoort er m.i. nog altijd bij.
Afgelopen zomer leende ik in Centre Ceramique de laatste cd van Lucinda Williams, ook al weer 60 jaar jong. In 2011, twee jaar terug, kwam ze met “Blessed”, waarop volgens mijn bronnen Elvis Costello zijn partijtje meespeelt. Thuis bleek er nog een video bij te zitten ook, van een optreden ergens in de VS. Dat heb ik met plezier een keer afgespeeld. Het is en blijft een struise dame, die de nummers aan elkaar rijgt of het allemaal niks kost. Op lange pauzes kon ik haar niet betrappen. Hier zijn de twaalf nummers van “Blessed”:
01 Buttercup
02. I Don’t Know How You’re Livin’
03. Copenhagen
04. Born To Be Loved
05. Seeing Black
06. Soldier’s Song
07. Blessed
08. Sweet Love
09. Ugly Truth
10. Convince Me
11. Awakening
12. Kiss Like Your Kiss
Vind ik de cd wat? Zijn er nummers bij die een beetje kunnen tippen aan meesterwerkjes zoals “Essence”, “Blue” of zelfs “Lake Charles”? De dame is langzamerhand steeds meer een trekpaard; de nummers van deze cd moeten e cht word voor woord uit haar mond getrokken worden. Ik heb vier uitschieters: “I don’t know how you’re livin’”, “Copenhagen”, “Seeing black” en “Ugly truth”. Een aparte zangers blijft het, Lucinda Williams, ook met “Blessed”.

Ton ik afgelopen dinsdag naar het oude faculteitsgebouw ging, zag ik allereerst een nieuwe reclame op mijn gele bus staan: “Dejate ver. Esta guagua la ven 100.000 personas diaria.” Ze is zeker niet verkeerd. In goed Nederlands staat er: Laat je zien. Deze bus zien 100.000 personen iedere dag. Op het laatste stukje naar de faculteit kwam ik zoals altijd langs café La Polilla, de mot, en vroeg me toen af: wat is een mottenbal in het Spaans? Geen “balón” of “pelota de polilla” of zo. Ik heb het moeten opzoeken, een “bola de naftalina”.
Bij de hefboom buiten bij de universiteit dacht ik: hoe heet het grote gebouw precies tegenover de zijkant van het San José-ziekenhuis en mijn gebouw? Ik kwam helaas niet verder dan de naam op de poort daar: “Instituto E.S.”. Weet iemand van jullie waar dat E.S. voor staat? En nou ik toch bezig ben: wat is de officiële naam van het oude faculteitsgebouw? Daar kwam ik wel direct achter. De naam staat in grote hoofdletters gebeiteld in de muur bij de ingang: “Cabildo Insular De Gran Canaria. Patronato Del Colegio Universitario De Las Palmas”.
Ik ging monter het patronaat binnen, zag dat Lluis er op de tweede etage niet was en werd vervolgens ook op de zesde etage teleurgesteld. Om 2 uur, ik heb het gecontroleerd op de computer van Cristina, was ik de enige aanwezige van de afdeling van Lluis. Ik verstuurde op Cristina’s computer mijn brief 9.07 en daarna nam ik mijn e-mail door. Ton had een lezing voor me van Robbert Dijkgraaf, gehouden op 28 november. Dijkgraaf was helemaal van Princeton overgekomen naar De Wereld Draait Door op Nederland 3 om Albert Einstein uit de doeken te doen. Ik vond zijn praatje van drie kwartier zo stichtend dat ik jullie er graag iets over wil vertellen.
Albert Einstein, de bekendste wetenschapper van de vorige eeuw, met een snor en een weelderige bos haar op zijn hoofd, is geboren in 1879 in een Zwitserse joodse familie. Hij kon niet echt goed leren, was meer zijn eigen fantasie en verbeelding bezig dan met het van buiten leren van allerlei boeken. Na de middelbare school ging hij wis- en natuurkunde studeren en eindigde, wel met een diploma, als slechtste van zijn klas. Na de nodige sollicitatiebrieven geschreven te hebben kon hij als ambtenaartje in Zürich op een patentbureau aan het werk. Daar werd hem, dwars, eigenwijs en creatief als hij was, wel de rust gegund om over natuurkunde na te denken, met name over het begrip tijd. Volgens de jonge Einstein dachten we verkeerd over tijd; volgens hem wordt de tijd langzamer als we in beweging zijn. Hij is daarin later gesteund nog door zijn mentor Lorenz uit Nederland.
In 1912 verhuisde Einstein naar Berlijn, waar hij zich vooral met de zwaartekracht ging bezig houden. Hij kwam met nieuwe ideeën over ruimte en tijd, de derde en vierde dimensie en die maakten hem een bekendheid. In de jaren 20 was hij in het Duitse taalgebied een echte kamergeleerde, die in 1929 zelfs de Nobelprijs kreeg, voor zijn voortzetting van het werk van Niels Bohr ten aanzien van de kwantumtheorie. Uit die tijd stamt zijn beroemde formule E=mc2: de energie van iets is gelijk aan zijn massa maal zijn snelheid in het kwadraat. Einstein ontpopte zich daarnaast tot een spreekbuis van de antisemitische beweging. In 1933 werd de grond hem in Duitsland te heet onder zijn voeten en verkaste hij naar Amerika. Daar bleef hij in Princeton actief, tot hij in 1955, op 76-jarige leeftijd, overleed. Dijkgraaf noemt in zijn college tenslotte nog verscheidene andere wapenfeiten van Albert Einstein: zijn idee van “zwarte gaten” en van het uitdijende heelal.

Op de terugweg dinsdag met “guagua doce” naar het parkje bij Castillo de la Luz, waar ik me met mijn boek wilde nestelen, dacht ik: hoe zeg je in het Spaans eigenlijk “uitholling overdwars”? Net als in Nederland zie je hier nogal eens van die driehoekige borden met een rode rand om een wit vlak en in het midden een horizontale streep met een bult in het midden. Zo’n verkeersdrempel is een “badén” volgens mijn woordenboek. Zou de doorsnee Spanjaard weten wat dat is?

Bij mij tegenover in de Luis Morote staan naast elkaar twee grote flatgebouwen, allebei met op begane grond een winkel en daar bovenop zes etages met links en rechts appartementen. Links is beneden uitgerust met een parfumwinkel van Arkay en zijn alle twaalf appartementen voorzien van een glazen balustrade, of het nu om de zes dichte gaat dan wel om de zes open appartementen met een balkonnetje. In het rechter gebouw, met beneden snuisterijenwinkel Esardas en in de kelder voormalig café El Escudo, is dat anders. Niet alleen is de balustrade veel eenvoudiger uitgevoerd, wat stangen en niet meer, er zijn drie dichte appartementen, waar helemaal geen balustrade is. Van de andere negen zijn er vijf dicht met balustrade en vier met een balkonnetje. De laatste hebben uiteraard een balustrade, anders zou er zo maar iemand omlaag kunnen kegelen.

Een avondje met Noé is steeds een gebeurtenis. Afgelopen donderdagavond, voor de vrijdag, de Día de la Constitución, was het weer eens zo ver. We hadden om 8 uur afgesproken bij Tasquita Cambullonera en dus zat ik al ietsje eerder op de bank bij calle Ferreras, Kreeg ik een sms’je, twee zelfs, waarin hij me uitlegde dat het uiteindelijk het een uurtje later werd. Een klein stukje terug ben ik toen maar eens de kersverse kerstboom gaan bekijken. Ik schat hem ongeveer 15 à 20 meter hoog, vooruit 18 meter, stampvol met minuscule witte lampjes en aan de top geen piek, maar een vuurrode grote zespuntige ster. Zou ik ook alvast de “belén de arena” gaan bekijken, tussen de vele honderden mensen die op de eerste de beste dag al present wilden zijn. Nee, daar wacht ik nog even mee, thuisfront, tot de kerst zelf (en voor de komst van Los Reyes Magos zelfs tot vlak voor Driekoningen?). Ik liep daarna terug naar mijn bank bij de calle Ferreras. De versiering in die straat, net ontstoken, hing er eveneens prima bij.
Te vroeg zat ik aan het bier bij Tasquita Cambullonera. Om 9 uur kwam Noé dan toch aanzetten. Hij was verlaat, omdat hij ergens in het noorden van het eiland een laatste duikerstest had moeten afleggen, voordat hij zijn brevet van gediplomeerd duiker in ontvangst mocht nemen. En zoals dat gaat, de officiële bijeenkomst daarna liep uit, eindigde met een drankje en zo. Hij kon nu zonder probleem tot een metertje of achttien (het lijkt wel de kerstboom) duiken en zich beneden straffeloos tussen de flora en fauna bewegen met een zuurstoftankje op de rug. Ik vroeg hem, onbekend met duiken als ik ben, wat nou precies het verschil was tussen op behoorlijke diepte onder water verkeren en ernaar kijken in een aquarium of een plaatjesboek. Zijn antwoord was direct en evident: het is zo iets als het verschil tussen zelf vrijen en naar vieze pornoplaatjes kijken.
Zoals steeds had een rijtje vragen aan hem, over dingen die ik zo vlug niet zelf kan oplossen en hij biedt dan raad en daad. Bijv. zette hij op mijn verzoek de telefoon op een stand dat het ding bij een sms’je precies intypt wat je hem opgeeft, zonder dat het apparaat voortdurend zelf met (foute) aanvullingen komt. Ook legde hij mij geduldig uit, hoe je Worddocument tussendoor steeds automatisch kunt opslaan. En we hebben het over de slagzin van de vuilnisophaaldienst hier gehad: “Vuelve a latir”, voluit is het “Tu ciudad vuelve a latir gracias a tí”. Het is overdrachtelijk bedoeld volgens Noé, het zou letterlijk zijn: je stad klopt weer, als een hart, dankzij jou. En ik moet zeggen: als kloppen ook lawaai maken is, die wagens met hun schoonmaakapparatuur maken lawaai in overvloed.
Zeker toen er ook nog een vriendin van Noé kwam opdagen, Marta, 22, uit Calabrië, en hier studente “diseño”, kreeg ik weer het nodige “argot” mee, in het Spaans heet dat “jerga”. Hoe heet de nachtmis, met kerstmis, in het Spaans? Dat is de “misa del gallo”, de mis van de haan, maar je mag ook “misa del pastor” zeggen, de mis van de geitenhoeder. Terzijde, een Duitse herder is een “pastor alemán”. En een vuilnisbakkenras-hond heet hier een “chucho”; je mag ook “mantaraya” zeggen. (Volgens mijn woordenboek is een chucho gewoon spreektaal voor een “perro”, een hond, wel een mormel; het woord mantaraya kan ik niet vinden.) En nou ik toch met woorden bezig ben: een “perra” is niet alleen een teefje, een vrouwtjeshond, maar ook een “bitch”, een dame die je maar liever niet wilt tegenkomen. In dezelfde sfeer is een “gata” een poes, een vrouwtjeskat, bijv. in “gata de callejón”, een zwerfkat. Het verkleinwoord is “gatita”, maar dat is tevens de naam van een braaf meisje (dat je volgens Noé graag als huisvouw wilt hebben). Vooruit, ik doe er nog eentje, een laatste. Een “conejo” is behalve een konijn ook een poes, een kut (meestal zeg je: “coño”). En een “coneja” is naast een vrouwtjeskonijn ook een verwend meisje, een vrouw die teveel kinderen heeft en daarnaast een diepe snee met een mes in je vel.
En dan is er nog een film, een documentaire eigenlijk, die ik volgens Noé per se moet gaan bekijken: “Searching For Sugar Man”. Hij zou bij een videowinkel te leen zijn, maar Marta, die ook al voor mij naar de nieuwste dubbelcd van Maria Dolores Pradera op zoek gaat, “Gracias A Vosotros”, wil best in een moeite door de film van internet downloaden. Hij gaat over een Amerikaanse liedjesschrijver in de jaren 70 van de vorige eeuw, wie weet een kloon van Bob Dylan. Er zou in het verhaal ook een link met Zuid-Afrika zijn. Heb ik de film niet een aantal jaren geleden niet met Trudie in het Maastrichtse Lumière gezien? Er staat me vaag iets bij van een gitarist in het zuiden van de VS; die zoeken we op...zouden we op Twee Voor Twaalf zeggen.

Jullie dachten dat je – zie boven - met de cd van Lucinda Williams uit 2011, “Blessed”, van me af waren wat muziek betreft? Dat hebben jullie dan mooi mis. Ik vroeg Noé en Marta tussen neus en lippen door wat hun favoriete nummers van Joaquín Sabina waren. Die man, nog meer een dichter dan een zanger en gitaarspeler, kennen ze allebei ongeveer van buiten. Hier is hun top 10 van Sabina, iets meer van Noé dan van Marta, en ik heb er twee van mijn eigen favorieten tussen mogen stoppen om de tien vol te maken.
- Arenas Movedizas 2002
- Barbi Superstar 1999
- Calle Melancolia 1980
- Como Te Digo Una “Co” Te Diga La “O” 1999
- Eclipse De Mar 1990
- El Café De Nicanor 2002
- La Flor De La Canela 2012 (+ MDP)
- Noches De Boda 1999
- Pero Que Hermosas Eran 1999
- Wisky Sin Soda (Sekso Sin Boda) 1985
Horen jullie het eens van een ander, of liever gezegd: een stel anderen. Er is maar één Joaquín Sabina en het wordt meer dan tijd dat jullie met hem kennismaken. Bovenstaande tien nummers heb ik intussen op mijn iTunes staan “en wat zien ze sjoen!”.

Wie met Noé verkeert, kan er rekening mee houden dat hij ter plekke met iets nieuws komt dat ik de dag erop met hem “moet” doen. Op de vrijdag ging hij ’s ochtends met een zootje vrienden om Cucu in Cardones uit te helpen bij diens poging om enige orde in zijn onkruid te scheppen, dat welig tierde tussen zijn sinaasappel- en citroenbomen. Daarna zou Noé voor iedereen paella maken en bij dat laatste mocht ik volgens hem niet ontbreken.
Dus zat ik om kwart voor 2 in bus 210 en werd ik om half 3 bij het “estación de guaguas” in Arucas opgepikt met een kilootje Old Amsterdam om me bij de feestgangers te voegen. Hier is het complete rijtje, ik begin met de dames: Lorena (Loli), intussen een goede kennis die ik al langer ken, en de uit Frankrijk komende Rafaela. De laatste is een goede kok, getuige haar verhalen over bijv. “magret de canard”, eendenfilet, en de schaal tiramisu die ze als “postre”, nagerecht, had meegenomen (en die met die van Trudie en van Patty kan wedijveren). Weten jullie wat een “lange vinger” (het koekje) in het Frans is? Een “boudoir”, zo leer je bij.
Gaan we naar de “manslui”. Cucu, de vriend van Lorena, die alleen en nogal komisch in het Canarisch communiceert, kennen jullie intussen en Noé idem dito. Verder waren er nog twee: Carlos, de alternatieve man van Rafaela, en David. Die David weet echt alles van wijn op de Canarische eilanden; met hem gaan Noé en ik nog eens uitgebreid wijn proeven op Gran Canaria bij mensen thuis (in een bochinche; op Tenerife is het guachinche). Je krijgt dan bij die mensen thuis ook allerlei hapjes aangeboden in de hoop dat je een of meer flessen meer koopt dan je in gedachten had. En David had zijn zwartwitte hondje hond bij zich, Guini, die sinds ik hem een paar stukjes Old Amsterdam had gevoerd, mijn trouwe maatje werd. Guini heet eigenlijk Guineo, wat volgens David “huilend kind” betekent, maar in mijn woordenboek staat “negerdans” dan wel “banaan”. (Een inwoner van Equartoriaal Guinea is een guineano.)
Wat zal ik van de paella zeggen? Hij zag er patent uit, in zijn grote platte schaal, met vlees, vis en de nodige kruiden, ook knoflook. We hebben er in afwachting van de tiramisu uiterst royaal van gegeten, met water en witte en rode wijn erbij. Toen er wat overbleef, kreeg ik nog een “tupperware” bakje mee voor thuis. Bij de sterke koffie na afloop, al dan niet met een scheutje rum, “carajillo”, kon ik het niet laten om nog weer naar wat woordjes te vragen. Hoe noem je de drab onder in je kopje? Dat is “los posos” volgens mijn Spanjaarden. En een platte steen heet een “laja”; nou weet ik waar de naam “playa de las lajas” op slaat, op de platte stenen daar in San Cristóbal. Hoe zeg je in het Spaans dat het regent dat het giet? Ik kende al de uitdrukking “llover a cantaros”, maar je kunt ook zeggen “llover a mares” en “llover cayendo la del pulpo”. De laatste vind ik zo vlug niet in mijn woordenboek. Tenslotte, wist iemand van de aanwezigen waar het woord “siesta” vandaan komt? Een middagdutje doen is in het Spaans o.a. “dormir la siesta”, wat David ertoe bracht om te opperen dat het misschien van “Si está dormiendo” komt.
Om half 7 werd het donker en bracht Noé me terug naar Las Palmas met het autootje. Ik heb daarna weinig meer gedaan behalve wat lezen op het balkon. Hij moest toen nog met net overgekomen vrienden uit Tenerife uitgebreid op stap. Een beetje de oudere mens mogen spelen heeft ook zijn voordelen...

En dan nu een verhaaltje over tanden poetsen. Mijn vraag aan jullie is de volgende: hoe vaak per dag dien je dat voor je goede fatsoen te doen? Daar zou toch onderzoek naar gedaan moeten zijn, denk ik dan. Bij mijn weten zeggen de tandartsen en de bijbehorende industrie maar wat. In Nederland hoor je volgens hen ’s ochtends bij het opstaan en ’s avonds voor het slapen gaan je tanden een beurt te geven. Hier in Las Palmas is dat tanden poetsen zelfs drie keer per dag gewenst. Op de tube “gel dental” van de Spar lees ik: “Está recomendado cepillarse los dientes 3 veces al día, después de cada comida” en Noé en zijn vrienden bevestigen het voor me: na iedere maaltijd. Na de paella vrijdag was ik de uitzondering, die zijn tanden niet stond te poetsen.
Nou ben ik persoonlijk geen ontbijter, iemand die in de vroege ochtend al aan de boterhammen is, al sinds mensenheugenis niet. Hier beperk ik momenteel het aantal maaltijden zelfs tot maar eentje per dag, aan het begin van de middag, omdat ik niet al te veel wil uitdijen. Is één keer tanden poetsen per dag, met mijn elektrische tandenborstel uiteraard, dan genoeg?

Wij mannen plassen staand. Het moet me niet gebeuren dat ik door de andere sekse verplicht ga worden om het toilet te gaan zitten, voordat ik mijn water mag laten lopen; dat moge voor eens en altijd duidelijk zijn. Hier wou ik het eens over iets anders hebben. Ik merk, ik denk meer dan vroeger, eerder dat ik moet plassen, als ik sta. Zo lang ik op mijn kont zit of loop, hoef ik niet, maar even staan en op zijn tijd moet ik “naar de wc”.
In dezelfde sfeer, al langer ben ik ervan overtuigd dat ik ’s ochtends vaker naar de wc moet dan gedurende de rest van de dag. Vooruit, ’s ochtends vroeg, op mijn leeftijd zelfs ook een keer ’s nachts, moet je de plas kwijt die je in de nacht opspaart. Daarna ga ik in de loop van de morgen nog een paar keer, maar vanaf de middag is het bij mij veel minder (behalve als ik in het café aan het bier ben, maar zelfs dan). Ik zal het eens voor jullie bijhouden of het klopt of dat ik weer eens spoken zie.

Zo maar een spreuk bij een advertentie van een bank, ditmaal de Bankinter. Is dat trouwens een nieuwe bank hier? “¡Para qué quieras sartenes, si siempre te hago yo las croquetas!” De bank is er kennelijk een waar je koekenpannen goedkoop kunt aanschaffen. Er staat een omaatje bij de aankondiging die je vervolgens graag kroketten bereidt. Wie zei er dat kroketten hier niet te krijgen zijn? De Palmezen maken ze zelf, of anders hun oma wel.

En dan eindig maar weer met een Spaans lesje. Dat moet wel haast te maken hebben met mijn overdadige paellamaaltijd van afgelopen vrijdag. Ik val terug op mijn “guia de usos y costumbres”; die heeft het op blz. 166 over “comidas informales y formales”. Toen ik vrijdag bij Cucu in zijn tuintje stapte, was ik de enige aanwezige in een lange broek, dus ga ik in de gids maar linea recta naar “almuerzos y cenas informales”, informele middag- en avondetentjes. Ik wijs er alvast op dat mijn boek, zelfs als je met vrienden gezellig bij elkaar mag zitten, er toch heel wat akelige spelregels op na houdt, “existe mucha libertad, pero también se observan ciertas normas”:
-Si a uno lo invitan a casa de unos amigos o familiares y el invitado desea ir acompañado de alguien más, de considera que lo educado es consultar a los anfitriones (gastheer en –dame), a ser posible, con antelación.
-Cuando nos vistan unos amigos en casa, a no ser que vengan, precisamente, a ver la televisión (por ejemplo, un partido de fútbol), se considera de buen gusto apagar el televisor y prestarles atención a ellos. Por el contrario, si se considera una muestra de cortesía poner música de fondo.
-Los invitados no empiezan a comer hasta que no lo hacen los anfitriones.
-Al empezar, lo educado es decir al resto de los comensales:”Que aproveche”.
-Es normal coger ciertos alimentos como las aceitunas o la fruta con las manos.
-No se hacen ruidos con la boca. Así, no se sorbe la sopa ni se mastica con la boca abierta.
-Si la comida es en casa y los invitados han llevado vino o un pastel, a su debido tiempo los anfitriones comparten el regalo con los comensales.
Vertalen doen jullie bovenstaand stuk zelf maar. Misschien moet ik er maar eens mee ophouden met uit deze “guía” te citeren. Op de keper beschouwd kan hij, wat mij betreft, nu de prullenbak in. Dat doe ik bij dezen: hup!

En daarmee kom ik aan het eind van alweer een brief, de eerste na het hoogfeest van Sint Nicolaas. Hier staat intussen de mollige “papa Noel” in bijna iedere etalage, zelfs de geraniums van Negonza, pardon Dócil, zitten nu onder de lampjes en bij Carlos, pardon Nueve Murias, hangen zekfs een paar slingers. De donkere dagen voor kerstmis zijn hier meer dan begonnen. Is het in Los Países Bajos van hetzelfde laken een pak? Ik neem aan van wel. Gelukkig, over ruim twee weken kunnen we weer op 2014 aan.
Ik wens jullie zonder uitzondering een voedzame voortzetting van je feestmaand. Ze moeten nou eenmaal op, al die aangeschafte banketstaven, chocolade letters en taai taaipoppen, dus mijn voorstel is dat jullie dat met de nodige voortvarendheid gaan doen. De kerstkransjes en het kerstbrood met spijs staan al in de startblokken. Voor nu, laat het klokje thuis nog eens tikken, ik zie jullie over een dag of wat weer, waarschijnlijk vrijdag al. Tot ziens, hasta luego, senior PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Ik begin deze week mijn boekenbijlage met een alineaatje uit mijn afscheidsrede rede aan de Universiteit Maastricht in 2005. Daarin beweerde ik van alles, wat wel en niet deugde. Een zijstapje was de epidemie van HIV en AIDS in de derde wereld. Die zou niet met name veroorzaakt zijn door bovenmatige heteroseksuele promiscuïteit. Hij zou, in ieder geval deels, ook komen door de (toenmalige) onveilige medische zorg bij de zwarte bevolking, besmette injecties en dergelijke. In mijn praatje destijds gaf ik wel bijbehorende literatuur, maar meldde niet dat me die door bevriende collega Gerjo Kok van Gezondheidsvoorlichting was aangereikt. Bij dezen bedank ik hem er alsnog voor met terugwerkende kracht.

En dan ga ik nu naar een boek dat in 1998 verscheen. Het heet “Het geheim van de krokodil”, ook wel “De erfenis van vader Ramotswe”. Het is van ene Alexander McCall Smith en speelt in Botswana, vooral Gaborone. En waar het me als leesvoer is aanbevolen, weet ik niet meer. Hoe dan ook, de zwarte mannen komen er in het boek qua seks niet gunstig af en over besmette injecties lees ik geen woord.
In Gaborone begint Mma Ramotswe Het Beste Dames Detective Bureau, als ze 34 is, met het geld dat ze van haar vader geërfd heeft. (In Maastricht zouden we zeggen: georven.) Mma, mevrouw, geen voornaam, is kogelrond, godvruchtig en een uiterst actieve tante. Met haar kleine, witte bestelbusje trekt ze erop uit om tegen betaling allerlei kleine en minder kleine misdaden te ontrafelen. Daar zitten natuurlijk zaken over “zwakke mannen” bij, die niet van de dames af kunnen blijven, maar ander ongerief komt eveneens voorbij. Moet ik de diverse voorbeelden in het boek hier een voor een gaan opsommen? Nee, besluit ik, ik geef alleen een paar voorbeelden. Het zoontje van een onderwijzer uit Katsana wordt ontvoerd en zou vermoord zijn door een medicijnman om aldus botjes voor bij zijn muti, kruidendrank, te krijgen. De Nigeriaanse dokter Komoti doet zijn werk op de eerste hulp van het ziekenhuis soms heel goed en op andere dagen bakt hij er niets van. En om de titel van het boek te rechtvaardigen is er een verhaaltje over een man die door de rivier wordt opgeslokt en een maaltje blijkt te zijn geweest van een krododil.
Het boek van Alexander McCall Smith is m.i. best aardig. Ik heb de 178 bladzijden met plezier uitgelezen en ben zelfs iets wijzer geworden over het liefdes- en ander leven in Botswana. En ik herhaal: hoe kom ik aan dit boek, behalve dan dat het nu op mijn e-reader staat? Ik geef het zo maar een 7½ als recensiecijfer.

In boven genoemd boek drinkt de vrouwelijke detective aanhoudend rooibosthee. Dat zullen jullie mij niet zo snel zien doen, zelfs niet als ik diarree heb. Ik ben meer van de “americano”, koffie zonder suiker en melk, wel niet al te sterk. In boek twee drinkt de hoofdpersoon hele sloten koffie, als hij zich niet in de whisky verliest.
Van R.J. Ellory heb ik eerder al eens een boek gelezen, welk weet ik niet meer, maar een interessant boek vond ik het zeker. In 2012 kwam zijn “Saints of New York” uit, in Nederland enigszins foutief vertaald met “De helden van New York”. De plaats van handeling is vooral het zuiden van Brooklyn, New York.
Hoofdpersoon is rechercheur Frank Parrish, 44 jaar, gescheiden van Claire Baxter, met twee volwassen kinderen: Robert van 22 en Caitlin van 20. Frank is al vele jaren een prima politieman, maar is ook de oorzaal van allerlei ellende, ook in het recente verleden, die hem al bijna zijn baan gekost heeft. Tijdens dit boek, dat in 2008 speelt, heeft hij verplicht iedere morgen een gesprek met psychotherapeute Marie Griffin, over wat hij momenteel doet en over zijn verleden. Het leven van zijn bewierookte vader John Parrish, van o.a. het Organized Crime Control Bureau, en de dood van zijn collega Mike Vale zijn mede onderwerp van gesprek. Frank Parrish heeft een losvaste vriendin, Eve Challoners, een dure callgirl, en op het werk heeft hij vooral van doen met zijn nieuwe partner Jimmy Radick en hun chef Tony Valderas.
Dan nu de zaak waar het in het boek om draait. Een zestienjarig meisje, Rebecca, is gewurgd (en haar broer Danny, een junkie, gedood.) Later komt daar nog een ander meisje van dezelfde leeftijd, Kelly, bij en blijken er veel meer eerdere gevallen te zijn: Melissa, Jennifer, Nicole en Karen. Er zou misschien een link zijn met het circuit van de porno en snuffilms. De verdenking valt, na het nodige geharrewar, op een van de mensen, mannen eigenlijk, van het voormalige hoofdafdeling Gezinszaken Zuid, nu vooral adoptiebureau Zuid 2. Daarbinnen zou eventueel ene Richard McKee, die een liefhebber van tienerporno blijkt te zijn, als dader of indirecte dader in aanmerking komen. Richard is evenals Frank gescheiden; zijn ex-vrouw Carole Paretski is niet te beroerd om de politie en vooral Frank Parrish bij het werk behulpzaam te zijn. En de rest van het verhaal, dat verklap ik niet.
Vind ik het een mooi boek, net als de recensent voor Vrij Nederland, die het maar liefst vijf sterren gaf, het maximum? Ja, deze keer kan ik me er helemaal in vinden. Ik moet door 450 lange bladzijden heen, maar ze lezen lekker weg en spannend is het boek, om je vingers bij af te likken. Dat Frank de dag meestal eindigt met teveel whisky te drinken, neem ik voor lief, evenals zijn gesprekken ’s ochtends met de psychotherapeute. Het is gewoon een pracht van een boek, dat ik jullie allemaal ter lezing kan aanbevelen. Mijn recensiecijfer voor “De helden van New York” is een, denken, denken, een 8½. En ik ga zeker nog weer andere boeken van R.J. Ellory lezen; ik heb er trouwens nog een paar op mijn e-reader staan. De man is een echte aanwinst voor mijn thrillerliteratuur.

Wie veel leestijd heeft, kan over veel boeken zijn mening geven. Mijn e-reader leverde me nog een derde boek. Het is een dunnetje. maar 150 bladzijden, en de schrijfster is Alice Hoffman. Het is uit 2005 en heet, uit het Amerikaans vertaald, De ijskoningin. Het boek speelt een beetje in New Jersey en vooral in Orlon, een plaatsje in Florida.
Er zijn zeven hoofdstukken (net als dat van Connie Palmen vorige week): 1. Nimbus, 2. Vuurrood, 3. Stratus, 4. Verloren en gevonden, 6. Reisgids, 6. Schorpioen, 7. Het boek van de wolken. Veel wijzer word ik niet van die titels. Het verhaal gaat over een meisje, geen naam, dat door de bliksem getroffen wordt en sindsdien als halve invalide door het leven gaat. Tot tweederde van het boek kan ze de kleur rood niet meer zien, hetgeen breed uitgemeten wordt. In Florida komt ze in een medisch- wetenschappelijk project naar de gevolgen van blikseminslag terecht. Op die manier krijgt ze contact met diverse andere mensen die door de bliksem getroffen zijn en het hebben overleefd, maar niet helemaal. Ik noem hier dakdekker de Naakte Man, het meisje van twee verschillende sokken aan, de twee keer getroffen Draak, architectuurstudent Renny met zijn mismaakte handen en citrusfruitkweker Lazarus Jones vol bliksemafdrukken op zijn lijf. Vooral met de laatste twee heeft de ikpersoon goed contact, met Lazarus – even dood gewaand – krijgt ze zelfs een seksuele verhouding. En op het eind komt ook de broer van de ikpersoon nog eens uitgebreid in beeld, tussen duizenden koningsvlinders. Mag ik het daarbij laten? Wel wil ik na lezing bvan dit werkje wel eens iets meer over de chaostheorie vernemen.
Niet ieder boek is mij even lief. Hoe ik “De ijskoningin” op mijn verlanglijstje heb kunnen zetten, weet ik niet meer. Een thriller is het in ieder geval niet en als romannetje vond ik er niet veel aan. En dan druk ik me eufemistisch uit, eigenlijk was het boek niet de moeite van het lezen waard. Mijn recensiecijfers zitten meestal tussen de 7 en de 8½, maar dit boek van Alice Hoffman duikt er ver onder. Meer dan een 5 kan ik er niet voor over hebben. Er staat nog een boek van haar op mijn e-reader, maar dat verwijder ik bij dezen. Delete!

dinsdag 3 december 2013

Weblogbrief 9.07, 3 december 2013

Weblogbrief 9.07, dinsdag 3 december 2013

¡Buenos días! personas risueñas y culos protestones, goedendag, lachebekjes en mopperkonten, het is intussen december en hier is mijn zevende brief al weer van seizoen 2013-14. Als ik in dit tempo doorga, haal ik de dertig gemakkelijk dit jaar.

Ik begin bij een wel heel opmerkelijke gebeurtenis. Vrijdagavond is de naam Negonza boven de gelijknamige winkel verwijderd. De kleding- en aanverwante winkel heet nu “DÓCIL” en dat staat ook op een ellips van jewelste met lampen (en enig kerstspul) boven de zaak. “Dócil” is Spaans voor meegaand, volgzaam, zoals wel van sommige honden en dames wordt beweerd. Is het niet de naam van de hond van de vorige eigenaar, de overleden baas van Negonza? Nu wil ik nog weer de bakbeesten terugzien plus hun nieuw baasje en alles is weer rustig in mijn hoofd. Er staan alvast de nodige geraniums links en rechts van de entree.
En nou ik toch bezig ben met mijn buurtpraatje, de grond bij de bomen in de straat wordt, nu ze autovrij is, driftig gebruikt om sigarettenpeuken in te dumpen. Bij mijn palmboom ligt het aardig vol met “stumpkes”. Voor “Nuevo Murias”, staat op de plek van de beginnende palmboom nu een potplant. En ik heb een groter, nieuw wapenfeit: Carlos en zijn personeel (een dame en een heer!) hebben vier tafeltjes met asbakken, zestien stoelen, voor de zaak buiten gezet, met sinds maandag ook nog twee grote parasols. Daar vandaan omhoog moet ik aardig wat “geklasjeneer” aanhoren. Ik hou wel van een beetje leven, terwijl ik aan mijn koffie, boek en muziek lurk. (Op zaterdag heb ik eveneens vier tafeltjes met stoelen zien verschijnen bij het slecht lopende Azafrán aan de overkant.)
Vrijdag zijn trouwens wederom twee boomdokters van de “parques y jardines” met de bomen in de straat bezig geweest. Op Las Canteras staan er nu zelfs bordjes: “Estamos trabajando para mejorar los jardines. Disculpen las molestias.” Hier gaan ze nog steeds zonder pardon hun gangetje. Geloof het of niet, ik vind de Luis Morote een stuk opgeknapt.

Je bent oud en je wilt wat. Dat lijkt me niet de goede uitdrukking, beter is: je bent nooit te oud om te leren. In het voorjaar al zag ik een cd van Melendi in de platenwinkels hier liggen, “Lagrimas Desordenadas” uit 2012, die ik graag eens wilde beluisteren. De plaat stond, begreep ik, in de top 10 van de Spaanse hitparade. Het kwam er helaas niet van, maar deze week zag ik wel bij platenwinkel Daily Price een viertal oude cd’s van de man gebroederlijk in een minidoosje liggen voor een vriendenprijsje. En dan laat je het niet liggen. Ik kocht het kwartet en legde het op mijn draaitafel. Hier is het viertal “álbumes”:
(2003) Sin Noticias De Holanda
(2005) Que El Cielo Espere Santao
(2006) Mientras No Cueste Trabajo
(2008) Curiosa La Cara De Tu Padre
Voor wie van jullie nog meer over Melendi wil weten, na de vier genoemde cd’s kwam hij in 2010 nog met “Volvamos A Empezar”, voordat hij scoorde met “Lagrimas Desordenadas”. Melendi, hij kijkt niet op een tatouage meer of minder, heet voluit Ramón Melendi Espina, is afkomstig van Oviedo (in het Noord-Spaanse Asturië) en intussen 34 jaar oud. Op internet staat zijn muziekstijl gerubriceerd als iets tussen rumba en rock in. Voor mij brengt hij met zijn rockbandje de bekende hedendaagse Spaanse popmuziek. Vind ik hem wat? Het houdt niet over, mompel ik na enkele keren afluisteren voor me uit. Ik – zei de bejaarde - ben meer een fan van oudjes zoals Joaquín Sabina en Maria Dolores Pradera. Van de laatste moet ik mij trouwens de vrij recente dubbel-cd “Gracias A Vosotros” nog altijd eens zien toe te eigenen, vol met duetten met crooners (zoals Sabina). Zin om eruit stekende nummers van Melendi hier te gaan promoten heb ik niet. Misschien kan ik Noe een plezier doen met het stapeltje of Cristina.
Hoe komt dat toch, vraag ik mij wel vaker af, waarom ik sommige artiesten net niet interessant genoeg vind en dat ik voor andere, met maar een nuanceverschil in zang en begeleiding, wel waardering kan opbrengen. Als een ongeluk in een klein hoekje zit, geldt dat m.i. ook voor mijn al dan niet favoriete muziek. Sabina en Melendi, zo veel verschillen ze niet in “performance”, maar voor mij is er een wereld van verschil. Dat heb ik heel veel, dus kun je mij maar beter niet vooraf laten beoordelen welke platen het gaan “doen” en welke beter niet geperst hadden kunnen worden. Daar deug ik niet voor, helaas. Ik ben meer van “eerst goed kijken en dan pas toehappen of niet” als variant op “kijken, niet kopen”, waarvan Holanders hier wel beschuldigd worden.

Gaan we naar artiest twee, te beginnen met zo maar een mager rijtje losse nummers dat ik donderdagavond op mijn iPod heb afgeluisterd en dat wel wat had. Ik zoek een nummer van Pink Floyd, getiteld “One of these days” en constateer dat ik drie totaal verschillende nummers met die titel op mijn apparaat heb staan. Dan volgt “One of these nights” en daarna “One of us”. Vraag aan jullie: kunnen jullie mij eventueel de bijbehorende artiesten noemen?
Voordat ik met het antwoord kom, breng ik als tussenstukje een pracht van een nummer van een dikke dame aan de piano, geflankeerd door een heer op de bas, die de magerheid zelve is. Ik heb het over Martha Davis And Spouse, hoewel die “spouse”, echtgenoot, er maar een beetje bij staat. De dame speelt de boogie, zoals die gespeeld moet worden, en heeft er ook nog een tekst bij waar cabaretiers als Freek de Jonge of Youp van ‘t Hek een moord voor zouden doen, zo komisch. Het nummer waar ik het over heb, heet “Goodbye” en is uit 1951. Een wonderschoon (wunderschön) nummer! Hoort, zegt het voort!
En dan nu de oplossing van mijn boven genoemd raadsel. De betreffende andere uitvoerders van “One of these days” zijn Emmylou Harris (Elite Hotel, 1976) en Neil Young (Harvest Moon, 1992), naast Pink Floyd (Delicate Sound Of Thunder, 1988). “One of these nights” is van de Eagles (One of these nights, 1975) en “Two of us” heb ik van Abba (The Visitors, 1981)

En dan bedenk ik: waar is mijn totaal andere versie van “One of us” van Joan Osborne gebleven, van de plaat met relirock, genaamd “Relish”, bekoring, uit 1995? Hoewel ik het nummer al jaren koester, staat het zelfs niet op mijn extra harde schijf. Ik opnieuw naar Daily Price, waar ik het album gisteren heb zien liggen, voor de somma van 2 Euro 50. Gelukkig, “Relish” is nog voorhanden en nou het ik hem dus weer.
Die Joan Osborne, nu 51 jaar oud, heeft nog meer cd’s op haar naam staan. Op Allmusic zie ik nog acht andere, de laatste is uit 2012, “Bring it on home”. Maar goed, “Relish” mag er zijn en dat Onze-Lieve-Heer geregeld wordt aangeroepen, neem ik maar voor lief. Bijv. ook Bob Dylan heeft een periode van geflirt met “The Lord” gehad. Zo lang ik er maar niet in hoef te geloven, ik ben meer van erwtensoep, is het mij best. Hier zijn de twaalf nummers van “Relish”:
01. St. Teresa
02. Man in the long black veil
03. Right hand man
04. Pensacola
05. Dracula moon
06. One of us (daar is-t-ie)
07, Ladder
08. Spider web
09. Let’s just get naked
10. Help me
11. Crazy baby
12. Lumina
Dit is nou weer eens een album dat me bevalt. Het bevat een heel rijtje prima nummers, zoals “St. Teresa”, “Right hand man”, “Dracula moon”, “Let’s just get naked” en “Crazy baby”. Het absolute einde is en blijft toch, met de aparte intro, (What if God was) “One of us”. Daar doe je het voor, dat hoort toegevoegd te worden aan de muziek op mijn iPod.

Het gebeurt mij niet vaak dat ik droom, althans dat ik daar ’s ochtends weet van heb. En deze keer, donderdagnacht, kon ik me zelfs details voor de geest halen. In een zaaltje werd Pim Fortuin besproken, aan de hand van een aantal steekwoorden dat hij, meen ik, zelf had opgeschreven. Daarna kwam ik aan de beurt, in mijn droom, maar kon zo vlug niet op de juiste trefwoorden komen. Toen werd ik wakker, verbaasd, en sliep weer verder.
’s Ochtends op de vrijdagmorgen dacht ik: wat zijn dan bij mij passende karaktereigenschappen? Ik leg er hier tien aan jullie voor ter lering ende vermaak. Mocht iemand van jullie ze willen becommentariëren of er een onmisbare aan willen toevoegen, dan verneem ik dat graag. Naar mijn bescheiden (?) mening ben ik:
- eigengereid, moeilijk van een standpunt af te brengen
- vrij sociaal, maar niet overdreven
- bijzonder kritisch, op het dwarse af
- eerlijk en slim genoeg
- sober, doe maar gewoon
- secundair reagerend, niet erg extravert
- multiculti, globetrotter, niet aan Maastricht gebonden
- tegelijkertijd wel trots op mijn Maastrichtse afkomst
- (iets te) ordelijk, kom bijv. te vroeg op afspraken
- bepaald niet bang uitgevallen
Nadat ik bovenstaande heb opgetypt, denk ik: dit lijstje is wel nogal hapsnap gecomponeerd. Vanuit de psychologie en/of aanverwante wetenschap zal ongetwijfeld een vollediger, meer systematisch lijstje bestaan van diverse karaktertrekken waaraan aandacht dient te worden besteed. Alleen, dat heb ik niet bij de hand en dus moeten jullie het maar met mijn amateuristisch samenraapsel doen.

Ik ben een fan van koffie drinken, met name in de vroege ochtend. Het gaat bij mij niet zo ver dat ik koppijn krijg, als ik mijn koffie oversla, maar zoals hier; op het balkon plaatsnemen en aan je koffie lurken, is een vast ritueel. Als ik uit mijn bed kom, is koffie zetten zo ongeveer het eerste dat ik doe (naast plassen en mijn pillen innemen). Vanwege een mankement aan het apparaat laat ik hem eerst nog een paar keer doorlopen voordat mijn drie bekers tot me neem.
En nou komt het: ik drink “hem” het liefst nogal lauw. Ik heb dat ook, als ik elders koffie bestel. Bijv., op Schiphol een maand terug moest ik zoals gebruikelijk een hele tijd wachten voordat ik met Transavia kon gaan “boarden”. (Waarom zeg ik niet gewoon: instappen, aan boord gaan?) Ik nam bij Starbucks een middelgrote beker koffie, gloeiend heet, maar wachtte met de koffie te drinken totdat hij redelijk was afgekoeld. Dat heb ik hier ook. Het koffie lurken begint bij mij pas, als de ergste temperatuur ervan af is. Apart? Of doen een heleboel mensen dat?

Vrijdagavond stond een tweetal muzikanten zich uit te sloven vlakbij winkelcentrum Las Arenas, nog net aan de boulevard. Op de muur erachter stond een m.i. interessante spreuk: “Quien vive sin locura, no es tan cuerdo como lo imagina”. Ik heb begrepen dat iemand ze op Facebook heeft gezet en dat ze daarvandaan is geplukt. Voor wie hem net als ik niet helemaal doorheeft, er staat: Wie zonder gekte door het leven gaat, is zoveel raaf (?) als hij zich voorstelt.

Een broodjeszaak van niks in een zijstraat van de Ripoche heet “El buen gusto”, de goede smaak. Mag ik het ook vertalen met “de lekkere trek”? Echter, “trek”, dat is eigenlijk meer “apetito”. Hoe dan ook, de zaak staat geafficheerd als een “sandwichería”, het zoveelste Engels woord dat in de Spaanse taal is ingeslopen. Voor mij en andere puristen is een snee brood nog altijd een “rebanada” en als hij belegd is, een “emparedado” zoals in “emparedado tostado”, een tosti, maar je mag ook “tosti” zeggen of “bikini” (met ham en kaas). Aan de boulevard hebben we nu zelfs een eethuisje met de naam “Bikina”. Het gangbare Spaanse woord voor een broodje is voor mij nog altijd “bocadillo”, voor de jeugd “bocata”. Een broodjeszaak noem ik hier dus liever niet een “sandwicheria” of “snack bar”, maar een “bocatería”. (En wat is een afgelikte boterham? “Una mujer fácil”, “una cualquiera”.)

Zaterdag tegen het einde van de middag trok ik mijn wandelschoenen, mijn kuierlatten aan en liep langs de kust naar het zuiden, naar San Telmo, een uur lopen in mijn tempo. Onderweg kwam ik maar weinig mensen tegen en ook op het oude plein met het hondenlosloopgebied en het terras van “Quiosco” naast de grote kiosk was het rustig, als ik de jongelui buiten beschouwing laat. Ik heb er heerlijk mensen zitten uitkijken en muziek zitten luisteren, totdat ik om half 7 toe was aan de Calle Mayor De Triana”. Dat blijft, met of misschien ondanks de bekende winkels, een leuke straat om te flaneren en – alweer – de mensen uit te kijken vanaf d=een bankje. Mijn vaste stek is de laatste jaren een bank tegenover Iers café Mc Carthy’s.
Dat is nog eens wat. Hier zijn in de hoofdstraat nog twee cafés; kom daar maar eens om in de Grote Staat of de Kalverstraat. En hoe heet het andere café vlak achter McCarthy’s? Dat verandert nogal eens van eigenaar en heet vandaag de dag El Tiempo. Net als bij McCarthy’s wordt de gevel verlevendigd met een grote klok. Enne... tussen de twee zaken ligt op straat nog een paar rails, “railes”, van de oude tram, “el transvía”, “La Pepa”, het zaadje. Een dergelijk overblijfsel van vroeger mag zich in mijn belangstelling verheugen. Ik heb dat bijv. ook met de contouren van het voormalige Romeinse badhuisje in Maastricht.
Uiteraard kuierde ik even naar de plaza de las Ranas, zelfs om de hoek naar de plaza de Cairasco. Van daar heb je een keurig zijaanzicht (“en profil”?) van de torens van de kathedraal van Vegueta, maar dat terzijde. Even later zat ik weer op mijn bankje bij de “kaffees” en eindig voor jullie met een aardigheidje daar. Naast me neemt een al te dikke, maar aardige vrouw plaats, en even later komt haar dochter en vooral de bijbehorende hond eraan. Het is een zwartwit geval van een halve meter met een overmaat aan haren. En nou komt het: de leiband, “cadena”, waaraan hij of zij vastzit, bestaat uit een hele rij worstjes aan een halsband. Nog een klodder mosterd erbij en het beest kan aan zijn maaltijd beginnen.

Op mijn wandeling zondag ”tarde” langs El Paseo de las Canteras merkte ik dat mijn favoriete Chinees “Hong Kong” dicht was. Is zelfs die ten prooi gevallen aan de crisis? Nee, hij was “cerrado para reforme”, hij was dicht, omdat er binnen verbouwd wordt, zelfs op zondag.
Even verderop, voorbij La Puntilla, is een gymnastiekzaaltje dat toebehoort aan de firma Power Yoga, niet niks, roep ik dan. Boven de ingang van de zaak staat de volzin: “Quien no cree en la magía. nunca la encontrará”, vrij vertaald: om met magie te maken te krijgen moet je er wel in geloven. Zo’n kreet hoort 100% bij de mensen van “más fuerte, más flexible, más feliz”, hun (ongeveer) logo. Ik ben meer van “nada más”, niets meer, dat was het.

Ten slotte kom ik deze week uit op een uitje op Santa Catalina dat ik eerder al eens heb genoemd: de hondenshow, alleen is ze nu minder groot opgezet, “in afgeslankte vorm” noemen sommige mensen dat. (En terzijde, het interessante derdewereld muziekfestival WOMAC, dat hier altijd was op een novemberweekend, is helemaal geschrapt.) Op het plein en in het gebouw zie ik een heel legertje “animales de compañia”, gezelschapsdieren, huisdieren, rondhuppelen met hun respectievelijke baasjes. Ik heb me eerder af afgevraagd of er ook uitzonderingen zijn, honden die per se niet mogen van de “ayuntamiento” en nu heb ik een folder in handen die daarover gaat. Hier is een stukje tekst dat ik jullie graag als Spaans lesje aanbiedt.
“Tenencia responsable de perros considerados potencialmente peligrosos. Definición: Tienen la consideración de perros potencialmente peligrosos, las razas que a continuación se relacionan y sus cruces:
01. Pit Bull Terrier
02. Staffordshire Bull Terrier
03. American Staffordshire Terrier
04. Rottweiler
05. Dogo Argentino
06. Fila Brazileiro
07. Tosu Inu
08. Akita Inu
La tenencia de cualquier perro requerirá la previa obtención de una licencia administrativa que será otorgada por el ayuntamiento de residencia del solicitante. La licencia tendrá un periodo de validez de cinco años, pudiendo ser renovada por periodos sucesivos de igual duración. La licencia perderá su vigencia en el momento en que su titular deje de cumplir cualquiera de los requisitos exigidos.”
Dat valt me nou alleszins tegen van de stad. Wordt een rottweiler of zo hier zelfs niet standaard gemuilkorfd? (“Abozalar” is het bijbehorende werkwoord, dat ik moest opzoeken.) Persoonlijk ben ik geen fan van al die honden, zeker niet buitensporige zoals een pitbull, een Argentijnse dog of een “akita inu”. En wat raar dat onze herdershonden er niet bij staan, dat zijn toch ook notoire kuitenbijters en hoger; waarom blijven die, ook bij ons, buiten schot? Voor mij is een “cadena no extensible de menos de dos metros” verre van voldoende om de beesten in toom te houden. Zelfs loslopende katten zijn mijn ding niet.

Er is een tijd van komen en een tijd van gaan, en de tijd van gaan is nu gekomen. Nog even en de “Belén de Arena” kan bezichtigd worden, “de momio”, gratis en voor niks niemandal, van Surprisenavond (overmorgen) tot aan het hoogfeest van Driekoningen. Met Ton & Marion ben ik er donderdagmiddag langs gelopen, toen het eerste zand tot kunst werd verheven. Het tweetal is zondagmiddag weer op huis aan gegaan en leest deze brief, zeker Ton, weer als vanouds, vanuit de Siza-toren. Ellen en Jacques, heb ik van Trudie begrepen, zijn inmiddels weer naar het verre oosten afgereisd, maar komen wel deze winter met, of liever tijdens carnaval, weer terug naar Maastricht. En in Amsterdam zingt Lux de longen uit haar lijfje, zelfs voor de schimmel van de enige, echte Sinterklaas. En Dalí zet haar beste beentjes voor, ze kan vanuit zithouding nu gemakkelijk rechtop gaan staan en het begin van lopen is er.
Het ga jullie goed in de donkere weken voor kerstmis. Ik kom er weer in over zes dagen, denk ik. Dat er de komende dagen veel pepernoten gestrooid gaan worden en de roe niet nodig is, hoop en verwacht ik maar. Het is weer op, tot ziens, hasta luego, imprimátur PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Ik ben een fan van goede moordboeken en dus begin ik haast vanzelfsprekend deze bijlage met iets moorddadigs. Als we het over Zweedse schrijvers hebben, denk ik nog steeds in de eerste plaats aan Sjöwall & Wahlöö en aan Mankell. Echter, dat land heeft nog veel meer detectiveschrijvers opgeleverd. Eentje daarvan. Kjell Eriksson, staat al langer op mijn verlanglijstje en als je dan een heel rijtje boeken van hem op je e-reader kunt zetten, laat je dat niet. Zo maar, zonder verdere reden, begon ik aan zijn boek “De wrede sterren van de nacht” uit 2004. De plaats van handeling is Uppsala. Dat moet ik opzoeken, het ligt even boven Stockholm.
Zoals meestal bij de schrijver is Ann Lindell de hoofdpersoon. Ze is veertiger, heeft een zoontje van 4 jaar en werkt bij de recherche in de stad. Achtereenvolgens krijgt ze van doen met de dood van, moord op drie bejaarde mannen: Petrus Blomgren, Jan-Elis Andersson en Carl-Henrik Palmblad. Later komt daar, met terugwerkende kracht, nog de verdwijning van Ulrik Hindersten bij. Ann Lindell zoekt zich een ongeluk, net als haar baas Otto Ottorsson en samen met haar collega’s Ola Haver, Beatrice Andersson, Sammy Nilsson, Allan Frederiksson en ene Berglund. (Dat zijn intussen wel veel -sons, maar vooruit.) Bij de diverse slachtoffers horen vanzelf allerlei bekenden, zoals buurvrouw Dorotea Svahn, nicht Lovina Sundberg, kleinkind Ellinor respectievelijk Laura Hindersten, om van alle vier slachtoffers een persoon te noemen. Echter, bij Ulrik Hindersten kan ik er niet om heen om nog enkele andere mensen te vermelden, bijv. overleden echtgenote Alice van de botanische tuin en Laura’s collega’s Stig Franklin en diens vrouw Jessica. Is uiteindelijk het leven van koningin in gevaar?
Kjell Erikssson’s boek “De wrede sterren van de nacht” (maar een vreemde titel) leest aardig weg. Er wordt genoeg om het echte verhaal heen verteld om me bij de les te houden, maar heel spannend is anders, vind ik. En het einde is nogal gekunsteld; persoonlijk ben ik meer een liefhebber van een onderkoel toontje. Alle bij elkaar genomen zet ik het boek terug op mijn e-reader met een 7 als recensiecijfer, een ruime voldoende, maar geen “goed”.. Ik heb nog veel meer boeken van Kjell Eriksson op mijn e-reader, naast “De wrede sterren van de nacht”, maar die moeten even wachten.

Gaan we, ik in ieder geval, naar mijn tweede, alweer elektronische boek, een dunnetje van 141 bladzijden van Connie Palmen, sinds een week 58 jaar jong. Het betreft haar debuut, “De wetten” uit 1991, dat ze heeft geschreven, toen ze in Amsterdam net van school was, wat heet, nadat ze aan de (Gemeentelijke) Universiteit van Amsterdam net was afgestudeerd als filosoof in 1985, met haar voorliefde voor Foucault.
Het boek werd destijds een bestseller. Er staan zeven verhaaltjes in, opgeschreven door ene “Marie Deniet”, bijna allemaal uit de tijd, nadat ze de geborgenheid van het Limburgse Sint Odilienberg geruild had voor “de grote stad” om daar te gaan studeren. Hier zijn de titels van de met elkaar samenhangende hoofdstukken:
01. De astroloog
02. De epilepticus
03. De filosoof
04. De priester
05. De fysicus
06. De kunstenaar
07. De psychiater
Sommige stukjes zijn me beter bevallen dan andere; zo gaat dat. Het eerste vind ik te veel over flauwekul gaan, in het derde kan ik niet veel bijzonders ontdekken en het laatste is mij te filosofisch. Ik ben meer een lezer van verhalen, zoals over de kronkels van Daniël om inwendige en huidziektes te linken, de zondeval van Clemens, de kwantummechanica van Hugo en de eerste grote liefde van de hoofdpersoon, beeldhouwer Lucas. En ik heb moeten nadenken over de reden waarom een Limburgs meisje voor de filosofie als studie kiest, überhaupt wil gaan studeren. Ik ga met jullie naar bladzijde 113: “Het gaat niet primair om het opdoen van kennis, maar om het verkrijgen van uitstel en de daarmee gepaard gaande vrijheid van de twijfel.” Daar kan ik me meer in vinden dan jullie voor mogelijk houden. Misschien is dat ook de reden, waarom steeds meer jongeren na de middelbare school voor studeren kiezen.
Ik heb iets met Connie Palmen en beloon haar boekje “De wetten” met een ruime voldoende en een beetje, een 7+. Voor een filosofisch werkje is dat best hoog. Uiteraard heb ik eerder o.a. “I.M.” gelezen, uit 1998, maar ik vrees nu dat bijv. “Logboek van een onbarmhartig jaar” uit 2011 er ook aan zal moeten geloven.

Wie doet me wat, als ik jullie vertel dat ik nog een derde boek uitheb, nog wel het moordboek van het jaar 2013. Het heet “A delicate truth”, in het Nederlands “Een broze waarheid”, en is het zoveelste wapenfeit van John le Carré. Zijn beroemde derde, “Spion aan de muur, is al weer van precies vijftig jaar terug, De man, die eigenlijk David Cornwell heet, is intussen 82 jaar, dat is nog eens op leeftijd. Hij is blijkens een interview in de laatste thrillergids van Vrij Nederland nog steeds “alive and kicking”. Zijn nieuwste boek speelt op Gibraltar, maar nog meer in Londen en Noord-Cornwall.
Drie jaar eerder haalde een neosocialistische minister van Buitenlandse Zaken het in zijn hoofd om operatie Wildlife op te zetten. Op Gibraltar zou een jihadistische wapenhandelaar genaamd De Punter opgepakt kunnen worden door een viertal Britse commando’s over land en een stelletje Amerikaanse huurlingen over zee. Namens de minister hield ene Paul Anderson, in het echt Christopher (Kit) Probyn, daarbij ter plaatse toezicht. Was de operatie succesrijk, werd de buit binnengehaald, ja of nee?
Nu, drie jaar later, is het hek eindelijk van de dam. De leider van de Britse commando’s, Jeb Owens, is dood en de privé-secretaris van de minister destijds, Toby Bell, vindt het zo wel genoeg. Samen met de al genoemde Kit Probyn probeert hij de zaak uit de doofpot te halen. De huurlingen bij de rots van Gibraltar stonden onder supervisie van ene Elliot, die evenals Brad The Music Man voor het Amerikaanse privé-bedrijf Ethical Outcomes werkt, dat onder leiding staat van Jay Crispin. Voor de financiering van Ethical Outcomes staat de zeer rechtse Miss Maisie garant. Van de andere Britse commando’s noem ik hier nog Shorty Pike, bijna twee meter lang, terwijl Giles Oakley voor mij de mentor van Toby Bell is en blijft, zelfs als hij vanuit Buitenlandse Zaken naar het andere kamp is overgelopen. Er zijn ten slotte interessante bijrollen voor bijv. Brigid, de ex-vrouw van Jeb, voor Suzanne Prolyn, de vrouw van Kit, en niet te vergeten ook diens dochter Emily. Is het eind goed, al goed deze keer?
Het is moeilijk om aanmerkingen te maken op welk boek van John le Carré dan ook; daar zijn ze altijd weer te doortimmerd voor. “Een broze waarheid” is dus een mooi, spannend en onderkoeld verhaal dat jullie zeker moeten lezen, zeker als je de schrijver toch al ziet zitten. Persoonlijk vind ik het niet le Carré’s allerbeste boek, wel het zoveelste goede. Ik beloon het met een volle 8. En ik vraag me af: zou er nog meer uit de handen van John le Carré komen? Dan ben ik er als de kippen bij om me ook dat werk weer aan te schaffen.