dinsdag 14 januari 2014

Weblogbrief 9.15, 14 januari 2014

Weblogbrief 9.15, 14 januari 2014

Ilustres tios, doorluchtige vrienden, hebben jullie net de klap verwerkt dat ik pas weer de 20ste met een nieuwe brief op de proppen kom, en dan blijk ik ineens vandaag een busgaatje te hebben. Trudie is vanmorgen om half 10 naar het zuiden, Maspalomas vertrokken om daar achter geocashes aan te gaan, eerst in de buurt van San Agustín en vervolgens rond de “faro”. Dus heb ik de hele dag vrij en kan vanochtend deze brief afmaken en hem vanmiddag op de faculteit versturen: de tussenstand van haar bezoekweek.
Mijn “novia” is zaterdagmiddag, zelfs een half uurtje te vroeg, geland op het vliegveld hier en is vervolgens met bus 91 (mij niet bekend) en stadsbus 12 naar Santa Catalina gegaan. Ik kwam haar tegen, ik op weg naar het busstation, toen ze net wou gaan zitten op het terras van Café Santa Catalina. Haar tas werd thuis neergezet en toen moest ik met haar al de hele boulevard af naar rechts. Op het eind, bij El Carrito De Rita, zaten we aan een drankje, waarna we wel nog door moesten naar El Confital, zie mijn vorige brief, om daar een cache op te rapen. (Ik mocht daar op een bank gaan zitten, terwijl ze ergens tussen de stenen beneden zo lang tuurde tot ze hem gevonden had.) Daarna was thuis mijn makreelsoep aan de beurt. Ik vind die nog steeds uit de kunst, maar Trudie blijkt toch een voorkeur voor de gehaktvariant te hebben. Jammer, Ton, dan zal ik hem in mei maar niet voor je maken!
Zondagmorgen was het Trudie’s tijd voor een uurtje strand en daarna werd ik verondersteld mee te gaan naar de rommelmarkt, “el rastro”, om daar een portemonneetje voor 5 euro te bemachtigen plus een “Sevilla-kleidsje” voor de klerenmand van Renske & Anoek. Tussen de middag aten we haar kakelvers brood van de Duitse bakkerij Zipf, dat een tentje op de markt heeft. (Mag je dat wel zeggen: kakelvers, als het niet om eieren gaat?) Verfrist ging ze toen monter terug naar de “playa” voor een tweede laagje bruin op haar huid.
Afgelopen zaterdagavond was ik gebeld door vrienden van Harry & Greetje, te weten Puck en Egmond uit Oegstgeest. Via H&G hadden ze mijn Spaans telefoonnummer gekregen en wat ik vond van gezamenlijk eten op zondagavond. Het werd, met zijn vieren, restaurant TIPICO ESPAÑOL hier aan de boulevard. We werden heel aardig van drank en spijs voorzien, maar ik vond de bediening wederom aan de plakkerige kant. Het zijn leuke mensen, Puck & Egmond. Puck is een en al spontaniteit en Egmond, een voormalige admiraal, weet mij aardig in een hoek te drijven, als ik bijv. mijn afkeer van het koningshuis ventileer. Zijn ideeën over godsdienst en over de diverse koloniën zijn evenmin de mijne, maar hij weet het wel te brengen, dat moet ik hem nageven.

Maandagmorgen, maar nee, laat ik eerst wat muziek opzetten, anders wordt het wellicht een saaie bedoeling. Van Rocky kreeg ik in oktober een aparte vierdubbel-cd, ik bedoel vier cd’s, met dezelfde soort muziek: CAJUN: RARE AND AUTHENTIC, uit het gebied rond het Amerikaanse New Orleans. Bij elkaar is het 4½ uur muzikaal aanpoten, bijna 100 nummers. De uitgave is van 2008, maar de nummers zijn allemaal uit de periode 1928-1939. Er staat een heel rijtje artiesten op de rol; hier zijn de artiesten die ik minstens vijf keer heb aangetroffen:
Hackberry Ramblers
Armédé Ardoin
Jolly Boys Of Lafayette>BR> Louisiana Rounders
Joe Falcon
Guidry Brothers
Bij elkaar zijn alleen deze zes al goed voor ruim de helft van de nummers. Had ik misschien beter artiesten kunnen noemen die sporadisch op de albums staan? Zijn bijv. de Rockberry Ramblers, Armédé Ardoin en de Jolly Boys Of Lafayatte er meer voor de vulling of zijn dat nou juist de sterren van de cajun? Hoe dan ook, het is op de cd’s vooral accordeonmuziek met geregeld ook andere instrumenten, en uiteraard zang, dat de klok slaat. (Wisten jullie dat accordeon in het Engels met een i is, accordion?). Daarbij is de zang op de diverse nummers bij Cajun net zo vaak een soort Frans als Amerikaans. Ik beperk me hier tot drie voorbeelden van liedjes van bovenstaande drie artiesten: “Don’t ever trust a friend” (Rockberry Ramblers) resp. “Les blues de la prison” (Armédé Ardoin) en “Tant que tu est avec moi” (Jolly Boys Of Lafayette). Aparte muziek vind ik het, die cajun, maar of ik hem nog vaak hierna ga draaien, weet ik zo net nog niet.

Gaan we terug naar mijn maandag, nu met het Frans-Amerikaanse equivalent van “Es Sjeng späölt op de moneka” op de achtergrond. Trudie en ik liepen ’s ochtends op de boulevard, arm in arm, om boodschappen te gaan doen. Ze had haar zinnen gezet op zalm voor het avondeten, dus ging het op naar de markt van La Puntilla en ook nog de HiperDino daar in de buurt om proviand in te slaan. Bij het toeristenbureau vroeg ik waarom Las Palmas afgekort wordt tot LPA, met een A; was dat vanwege het vliegveld; Las Palmas Aeropuerto? De oplossing is nog eenvoudiger: de A is gewoon de tweede letter van Palmas. Na het “kemissies” doen mocht ik naar mijn balkon, terwijl Trudie haar geocache van de diverse metalen beelden van Las Canteras afrondde met tussendoor een winkelbezoekje aan Las Arenas.
Om half twee zaten we aan de lunch en daarop ging Trudie monter naar het strand met het John LeCarré-boek dat ik haar zondag aangeraden had om te lezen. “Een broze waarheid”. ’s Avonds werd thuis twee kilo zuurvlees klaargemaakt en wie moest de bijbehorende uien snijden? Ikke! Trudie was ongeveer tegelijkertijd met het zuurvlees maken doende om zalm, broccoli en rijst om te bouwen tot een warme maaltijd. Toen die op tafel stond en ook nog verwerkt was, was het al over 9 uur. We mochten nog even in onze boeken lezen en daarna was het bedtijd.
Nu, dinsdagochtend zit ze in de bus naar Playa Del Inglés en leg ik de laatste hand aan deze brief. Mijn tweede boek, zie beneden, heb ik net uitgelezen, dus dat kan nog mooi mee. Aan het werk, ¡A trabajar!

“And now for something completely different.”, op zijn Monty Pyton’s. De stadsbussen hier hebben een nieuwe manier van adverteren en ik vraag me af of die ook in Nederland al wordt toegepast. Op de zijkant van de bussen staan nu allerlei al dan niet goedbedoelde adviezen, ook op de ramen, maar zodanig dat je binnen in de bus gewoon naar buiten kunt kijken zonder ze te bespeuren. Van in de bus is niets opvallends te bespeuren. Is dat niet een aardige manier om eventueel reclamegeld op te strijken zonder dat de passagiers er last van hebben? Ik zit in bus 1 aan een raam, waarop aan de buitenkant met grote letters staat: HAZLE VISIBLE, zorg dat je goed zichtbaar bent, een blauw vlak met witte letters. Dat is dus niet voor mij bedoeld, maar voor de auto’s die naast de bus rijden. Ik zie het pas goed, nadat ik de bus verlaten heb.
Wisten jullie dat “visible” behalve zichtbaar ook voor toonbaar staat? Ik geef een voorbeeld. De bel gaat in de vroege morgen en voor de deur staat een “cartero” van de “correos” met een pakje. Dan doe je, voordat je hem te woord staat, wel even je kamerjas goed dicht, zorg je dat je “visible” bent.

In mijn boek van George Pelecanos (zie beneden) komt aan de orde dat je bij radiostemmen soms, wat zeg ik: vaak, een helemaal verkeerd gezicht voor je hebt. Als je de persoon dan vervolgens in het echt of op de televisie ziet, schrik je je plaatsvervangend een hoedje. Lang geleden was er op de radio een programma van Kees Schilperoort dat “kent u het geluid?” of zo heette. Ik mocht er graag naar luisteren. Pas toen ik de man vervolgens in een talkshow zag, had ik pas door hoe kogelrond hij was. (Wisten jullie trouwens dat hij een keer in het ziekenhuis beland is op nieuwjaarsnacht, toen hij met zijn sigaar een rotje aanstak en vervolgens de sigaar weggooide en het rotje in zijn mond stak? Dan verandert je stem geheid nog weer eens.)
Ik ben iemand die graag eens de luistervink speelt, voor zo ver me dat geven is in het Spaans, naar wat bij mij beneden op het terras van Carlos verteld wordt of wat iemand op straat bij mij in zijn mobieltje zit te toeteren. En dan is het van hetzelfde laken een pak; als ik vervolgens de persoon erbij zie, blijk ik er geregeld faliekant naast te zitten met mijn idee hoe hij of zij uitziet.
Een bijzonder voorbeeld betreft een hoertje dat hier in mijn autovrije straat ’s nachts wel eens mensen probeert te ronselen voor een kwartiertje of langer seks. Ik werd er vorige maand een keer wakker van en kon het toen niet laten. Ik haastte me naar het balkon, naast mijn bed, keek naar beneden en zag een m.i. uiterst fatsoenlijke zwarte vrouw staan, in een leren jasje (“chaqueta de piel”), broek (“pantalones”) en op naaldhakken (“tacones”), dat weer wel, die met verve de aandacht probeerde te trekken van een argeloze voorbijganger, op weg naar zijn slaapkamer. Ik heb het einde van haar aanmoedigende praatje niet afgewacht en ben weer subiet teruggekropen in mijn nog warme bedje.

Nou ik toch weer bezig ben over mijn straat, ik vind het interessant dat er banken staan, maar volgens mij hadden ze wel andersom moeten staan, met uitzicht op het middenstuk van de straat en niet op de stoep en winkels. Niettemin, er wordt binnen een paar dagen druk gebruik van gemaakt, zie ik vanaf mijn balkon. Voor mensen met etalagebenen (claudicatio intermittens) is het een uitkomst; hoeven ze niet steeds voor een foute etalage te blijven stilstaan, als ze nodig moeten pauzeren. Als patiënt ga je nu gewoon eventjes op een bank hier zitten, voordat je benen weer een stuk meekunnen.
Trouwnes, op de bank voor de deur van Dócil, ik moet nog wennen aan de nieuwe naam, zie ik zaterdagmiddag ook mijn vriend Negonzo zitten. Etalagebenen vanwege verstopte slagaders zie ik hem nog lang niet hebben. De eerdere eigenaar van de zaak is daarvoor te jong, daarbij mager en gespierd. Hij is in de zaak vervangen, of heeft zichzelf vervangen, door twee leuke dames en een heer van middelbare leeftijd. Volgens mij is de man zijn dikkere broer en een van de dames diens eega, maar in hoeverre dat klopt, weet ik niet. Hij, Negonzo, aait een voorbij komend hondje, het is en blijft een hondenvriend, en verdwijnt dan naar elders.

Mediamarkt is voor mij de winkelketen met verreweg de schreeuwlelijkste reclameborden. Ik zag er afgelopen week een met daarop de uitdrukking “Lo vamos a liar pardas”. Ik hoef het jullie niet verder uit te leggen: om een taal goed te kunnen volgen moet je een autochtoon zijn of ze op jonge leeftijd leren. “Liar” is vastbinden, maar waarvoor staat dat “pardas”? Ik heb geen idee en mijn woordenboeken bieden evenmin uitkomst. Een “pardal” is een mus (maar ik heb “gorrión” in mijn hoofd) en “pardo” is bruingrijs, maar “parda”? Dit lijkt me er een om aanstaande donderdagmiddag aan Noé en Lorena te vragen. Betekent “Lo vamos a liar parda” “we gaan de boel op stelten zetten”?

In mijn vriendenkring heb ik verschillende mensen zitten die een diploma “redden zwemmen” hebben. Voor Trudie en Susanne gaf het de mogelijkheid om als badmeesteres direct lid te worden van de zwemvereniging van het Jekerdal zonder eerst tien jaar of nog langer te hoeven wachten.
Hier in Las Palmas hebben we vandaag de dag ook een cursus reddend zwemmen, voor beginners, onder de naam: “primeros auxilios, salvamento y socorrismo acuático”. Zal ik daar een minilesje Spaans van brouwen? De cursus duurt 30 uur, 9 uur theorie en 21 uur praktijk, en kost 155 euri (om me voor het meervoud van euro bij Arno aan te sluiten). En daar gaan we: de “escuela de servicios sanitarios y sociales de Canarias” geeft in een annonce de volgende toelichting: “Dirigido a todas aquellas personas que desean aprender a identificar riesgos y prevenir accidentes. Ejercitar las técnicas y herramientas adecuadas para el rescate, salvamento y soporte vital básico en piscinas, instalaciones acuáticas, etc.”
Simpel, hè, het Spaans is met enige goede wil best te volgen. Dat etc. op het einde van de toelichting maakt mij een beetje huiverig, maar verder ziet het er redelijk uit. Voor meer informatie kunnen jullie bellen: 928117255, de aanmelding, althans het verzoek daartoe, “solicitud de inscripción”, gaat via www.essscan.es.
En daarmee is het weer op, supporters. Het was geen lange brief en jullie mogen nu weer met je Nederlandse bezigheden doorgaan. Wanneer mijn volgende eraan komt, is nog onzeker, maar ga maar uit van aanstaande maandag, eventueel dinsdag. En maak er geen potje van de komende dagen, tenminste als er geen dekseltje op past. Ik groet jullie vanuit het diepste van mijn hart, tot ziens maar weer, hasta luego, jullie penvriend, “amigo por carta” PaulK.

RINCÓN DE LIBROS

Mijn eerste boek van deze anderhalve week is er een van George P. Pelecanos, met een P., want het is uit de tijd dat hij nog dacht dat het zo moest (Olli S. Miettinen, George W. Bush, Willem O. Duys). Hij is geboren in 1957 en getogen in Washington DC. Intussen heeft hij ruim twintig boeken op zijn naam staan, waarvan “Nick’s Trip” uit 1993 een van de eerste is uit een serie van drie boeken rond Private Eye Nick Stefanos. Diens familie moge uit Griekenland afkomstig zijn, Nick is op en top een man van Washington, laat daar geen misverstand over bestaan.
In “Nick’s trip” is Nick behalve “black private dick” ook barkeeper in eetcafé The Spot. Daar zit hij, als hij aan het werk is, opgescheept met een handje vaste klanten. Het lijkt wel café de Poort, alleen heten ze hier Buddy, Bubba, Mel, Dave, Richard, Happy, Len en (Hollands!) Petra. Allereerst wordt Nick gevraagd door zijn vroegere vriendje Billy Goodrich om diens vrouw April op te sporen, die al een aantal dagen zoek is. Later blijkt dat Billy veel meer geïnteresseerd is in het geld dat ze van hem gestolen heeft dan in haar liefde. En wat heeft bijv. Joey DiGiordano met April uitgevreten en wat Tommie Crane? Met de hulp van o.a. keukenprins Russell evenals Darnell van het café en vaste klant Hendricks wordt de zaak tot zijn einde gebracht.
Er is nog een tweede raadsel. Nick’s vriend William Henry is vermoord en ook dat vraagt om opheldering. Het blijkt dat daar een klein netwerk van boeven achter zit: Bonanno, Frank en ex-cop Solaris, terwijl ook een politieman van nu bepaald niet vrijuit gaat. Hoe lost vooral Dan Boyle, ook van de politie, maar tevens vaste klant van The Spot, dit op samen met Nick Stefanos? Bevredigend? Ook dat staat allemaal in “Nick’s trip” te lezen.
Terzijde blijkt April een allergie te hebben voor druiven en van rum over haar nek te gaan. Ze kan alleen rum drinken uit Jamaica, maar dat doet ze bij leven en welzijn dan ook in overvloed. En Jackie, een lesbische vriendin van Nick, rust pas, als ze in verwachting is, waarvoor ze hem graag een avondje gebruikt. Dat vind ik een aardige zijstap, zeker als ongeveer tezelfdertijd Nick’s heterovriendin Lee de relatie met hem verbreekt!
Willen jullie als sluitstuk nog mijn privé-mening over “Nick’s trip”? Ik vind in alle oprechtheid dat George Pelecanos wel eens beter gepresteerd heeft. Misschien moest hij er met boeken als “Nick’s trip” nog inkomen, maar in dit “Sam Spade” verhaal zitten mij teveel zijlijntjes om de spanning erin te houden. Ik geef daarom geen hoog punt voor dit boek; met een 6½ vind ik het netjes betaald.

Op weg naar de Playa Chica kom ik geregeld langs een huis waar boeken op een lange tafel voor de deur liggen. Het gaat steevast om allerlei leesboeken in het Spaans, maar ook wel in andere talen. Eventueel geld dat je daarvoor in de plaats achterlaat, is bedoeld ter ondersteuning van de kerk van de Drie-eenheid”. Ik heb er vorig jaar al een kinderversie van Don Quijote buitgemaakt, met de nodige prachtige plaatjes. En wat zag ik er afgelopen week liggen, tussen weet ik hoeveel boeken van niks? Eentje in het Engels van Dick Francis, dat ik nog niet gelezen had: “Comeback” uit 1991. Dat snaai je dan schaamteloos mee, toch, en de afgelopen dagen heb ik de 400 bladzijden zitten lezen.
Hoofdpersoon is diplomaat Peter Darwin, geen familie van Charles Darwin, 32 jaar. Hij belandt in afwachting van zijn volgende post voor de overheid in de buurt van het Engelse Cheltenham. Te gast van dierenarts Ken McClure wordt hij geconfronteerd met een aantal paarden dat op de operatietafel of daaromtrent doodgaat. Als daar een brand in het dierenziekenhuis bijkomt met ook nog eens een (menselijke) dode, zijn de rapen gaar. Peter Darwin zoekt de zaak tot de bodem uit en betrekt daar zelfs allerlei oud leed bij. In de dierenpraktijk werken naast Ken als andere veterinairen Carey, Oliver. Lucy, Jay en Yvonne en als verpleegkundigen Belinda, de verloofde van Ken, en Scott. Later in het boek legt Scott ook nog eens het loodje. Bij de klanten kom ik namen tegen als Upjohn, Travers, Eaglewood, Lees, Nagrebb en Fitzwalter. En dan blijkt dat er ook nog een zaak van veel eerder speelt. Op het einde weten we niet alleen hoe de moorden op de paarden (en mensen) zijn uitgevoerd, maar ook wie ervoor verantwoordelijk is. Voor de details verwijs ik naar “Comeback”.
Of het niks is, ben ik en passant getuige van de maar matte liefde tussen Ken en Belinda, die voor mij niet in een huwelijksbootje hoeft uit te monden. Meer heb ik op met Peter Darwin, die eerst met Russet in de weer is, maar vooral gecharmeerd is van Annabel, de dochter van een Anglicaanse bisschop. Een aanstaand huwelijk tussen Peter en Annabel acht ik niet uitgesloten.
Dick Francis is steeds weer goed voor een acceptabele thriller. “Comeback” is daarop geen uitzondering. Het boek laat zich heel goed lezen, in beter Engels dan ik zelf voorhanden heb, en gaandeweg komt de nodige ellende boven de operatietafel. Echt spannend vind ik “Comeback” echter niet; het loopt als vanzelf naar zijn einde. Ik kan jullie het boek best aanraden om te lezen, zeker de dierenliefhebbers, maar heel geweldig is anders. Mijn recensiecijfer komt niet verder dan een 7, een ruime voldoende, maar ik vind: “Comeback” niet tot de top tien van Dick Francis behoren.

vrijdag 10 januari 2014

Weblogbrief 9.14, 10 januari 2014

Weblogbrief 9.14, 10 januari 2014

¡Qué hermosisimo! Wat mooi! Dit is me het weekje wel. Heb ik van doen met twee jarigen, eerst Anoek op Driekoningen en gisteren ook nog eens Eva. Proficiat, meisjes, en dat er nog veel verjaardagen voor jullie op mogen volgen. Daarmee is wel de kop van mijn brief eraf. Het wordt deze veertiende keer geen heel complete Ilias plus Odyssee; jullie mogen, moeten het zelfs deze keer doen met een dichtbundeltje, een veredelde amuse, een kattenbelletje. Als het tot een kattenbel uitgroeit, is dat omdat ik, als ik eenmaal bezig ben, nou eenmaal moeilijk meer stop kom. Daar gaat-ie, op naar mijn tweede alinea. Met alle vaart die ik nog in me heb!

En die gaat nog niet over muziek – die komt er zo aan, mensen. Eerst vertel ik jullie over mijn stadsbus 12, die ik in alle rust op Santa Catalina wou nemen dinsdagmiddag. “Men” had, al op 7 januari, het plein afgezet vanwege het nakende hoogfeest van carnaval; de bushokjes stonden er maar verlaten bij. Nou is dat niks nieuws; ook in andere jaren wordt een deel van Santa Catalina geofferd aan een daar neer te zetten carnavalspodium en om er een aantal tribunes omheen te bouwen. Alleen, zo iets is gepiept in een week of drie, dus had men er best begin februari mee kunnen aanvangen. Ik vrees, en met mij de rest van Las Palmas, dat “we” in februari een aantal weken tegen een leeg podium en tribunes stadion aan gaan zitten kijken, voordat carnaval wordt geopend. Carnaval, je moet er iets voor over hebben, maar als het pas in maart carnavalszaterdag is, als Harry 70 wordt, is een paar weken uitstel na Driekoningen op zijn plaats. Laat ik maar zeggen dat het me verbaast dat ik nu al voor mijn bus of terug naar de BBVA moet of door in de richting van El Corte Inglés.
En voor de completering: na het bekende “daor hobste ze al, daor zien ze weer, de daog vaan karnevalsplezeer”, pakt men hier in het weekeinde erna nog eens uit. Vervolgens is het voor de gemeente eens afbreken van de handel geblazen en daarvoor zijn nog eens bijna drie weken uitgetrokken, Het plein is volgens een officiële aankondiging stadsbusvrij van 7 januari t/m 28 maart, in totaal bijna drie maanden. Ik heb het even nagekeken, 28 maart valt op een vrijdag; er zijn voorbije jaren geweest dat het dan al Goede Vrijdag was. Ik heb er nauwelijks woorden voor.

Daarom niet getreurd, nu is het dan toch tijd voor mijn artiest van de (tweede helft van de) week gaan. Harry K. (niet Webb) had de afgelopen week voor de zoveelste keer een aardig popverhaal op zijn website staan, deze keer over de kinderjaren van Cliff Richard. Die zat eerst als rijk kind in India (ergens bij Calcutta) en vanaf zijn achtste als arm kind in Engeland, in de buurt van Londen.
Maar ik wou het nu niet hebben over de jaren vóór “Move it!” en “Living doll”. Iedere dag is er op Harry’s site ook een muziekclip te downloaden van iemand met wie net op die dag iets aan het handje is. Op dinsdag jongstleden maakte hij ruimte voor Al Bowlly, met dubbele L, een Engelse crooner uit (min of meer) de begintijd van de grammofoonplaat. De man werd geboren in 1889 - dat is nog eens verleden tijd – in overleed door een Duitse bom op Londen in 1941. Zijn hoogtijdagen, zeker in de studio, waren de vroege jaren 30, toen hij vele honderden liedjes opnam, al te vaak met hitpotentie. Harry kwam als praatje bij zijn clip met drie nummers van de zanger aanzetten die ik nog niet kende: Blue moon, Heartaches en Melancholy baby. Het laatste nummer was ook als clip te zien, prima spul. Wie verkondigde ook al weer dat de Amerikaanse groep de Marcels in de jaren 60 fantastisch was? Was dat niet Jorge? De Marcels hebben hun hits wel van Al Bowlly.
Ik vervolgens thuis zoeken naar materiaal dat ik zelf van de vroegere zanger heb. Ik ken Al Bowlly van nummers van “The Singing Detective” en “Pennies From Heaven”, de uitstekende BBC-series van Dennis Potter. (Huur die eens bij Centre Ceramique, kan ik jullie aanbevelen.) Ook heb ik nog iets van hem op de dubbel-cd Café London staan en zo waar vind ik met mijn zoekmachine nog een nummer op “Hits From 36”. Hier zijn alle acht mijn nummers van Al Bowlly, alfabetisch:
- Fancy our meeting
- It’s a lovely day tomorrow
- Love Is the sweetest thing
- Roll over, prairie moon
- Sweet and lovely
- The echo of a song
- The touch of your lips
- The very thought of you
Dames en heren, jongens en meisjes, zo maken ze ze niet meer: wat een verzameling eersteklas muziek uit vervlogen tijden. Wie van jullie gaat eens voor mij achter de andere dozen muziek van Al Bowlly aan? Hij heeft volgens Allmusic negen originele albums op zijn naam staan, waarvan jullie de titels zelf mogen opzoeken. En Allmusic komt daarnaast tot acht compilaties van zijn muziek, van “The Very Thought Of You” uit 1990 tot “The Al Bowlly Story 1928-1941” uit 2003. Vooral de laatste maakt op mij een redelijk complete indruk. Ik vind Al Bowlly en zijn muziek als Choco Pasta, “beregoed”, en dat “avant la lettre”.

Eigenlijk had ik jullie deze keer willen verrassen met een tweede White, na Tony Joe White van vorige week. Al Bowlly heeft enige roet in het eten gegooid, maar hier is hij dan toch, met enige vertraging: Barry White. Deze zanger en liedjesschrijver is van 1944 en hij is niet echt oud geworden, 59 jaar; in 2003 overleed hij aan problemen met zijn slecht functionerende nieren (vanwege een torenhoge bloeddruk). Zijn platenperiode begint in 1973 en duurde voort tot aan het millennium. Wat heeft Barry White veel zoet vuurwerk afgeleverd. Ik ben de gelukkige eigenaar van vier albums van de man, alle vier verzamelwerk uit resp. 1988, 1904, 1995 en 2005. Laat ik hier alleen de laatste met naam memoreren: een dubbel-cd genaamd: “Gold. The Very Best Of Barry White”, 27 keer BW al dan niet met zijn Love Unlimited. In totaal loop ik tegen een nummertje of veertig van zijn liedjes aan, bijna allemaal in meervoud present op de vier cd’s. Zijn er niet wat erg veel compilaties van hetzelfde voorhanden, vraag ik me voorzichtig af (zoals wel vaker)?
Ik beperk me hier tot een aantal van zijn best verkopende meezingers. Daar komen er negen die ik (o.a.) op “Gold” heb staan:
- Love’s theme
- I’m gonna love you just a little bit more baby
- It’s ecstacy when you lay down next to me
- Playing your game baby
- I’ll do for you anything you want me to
- Sha la la means I love you
- You see the trouble in me
- Walking in the rain (with the one I love)
- Just the way you are
Er is natuurlijk nog divers ander hitwerk, vooral uit de tweede helft van de jaren 70. Bijv. “Can’t get enough of your love babe“ en “Your sweetness to my weakness” staan bijv. niet op “Gold”, maar wel op mijn verzamelplaat uit 1994. Compleet ben ik daarmee zeker niet, wat Barry White betreft, maar wie weet, is het wel een truc van zijn platenmaatschappij, om zijn tophits er steeds net niet allemaal op te zetten. Niettemin, aangenaam om naar te luisteren is Barry White best, maar persoonlijk hoeft hij voor mij niet vele dagen achter elkaar gedraaid te worden. Tegelijkertijd kunnen liedjes als “Just the way you are” er zeker mee door. Echter, in zijn genre vind ik bijv. Lionel Richie ietsje meer te pruimen. Zal ik die, inclusief zijn tijd bij de Commodores, ook eens voor het voetlicht halen?

Ik ga jullie niet met de details lastig vallen, maar dinsdagavond kwam ik op weg naar de Playa Chica langs mijn kippenbier met dezelfde naam, waaraan tegenwoordig een café aan vastzit met de naam “Átame”, maak me vast. “Atar” is een werkwoord dat ik wel eens vergeet. Bijv. als je de veters van je schoenen vast wil maken - niet verkeerd, als ze los zitten - zeg je hier: “atarse los cordones de los zapatos”. “Átame” komt me daarmee voor als een nering, waar ik mezelf eens moet vastmaken, waar ik eens wat geld moet brengen.
Kom ik elders, waar ben ik ven kwijt, een soortgelijke zaak tegen met de naam “Desatame”, maak me los. Gaat het om twee broers of twee zussen die elkaar beconcurreren? Of slaat dat “Desatame” misschien op het geld dat je daar nog gemakkelijker dan in “Átame” zou kunnen achterlaten?

Mijn ommetjes hier in de vroege avond kunnen diverse kanten op. Als ik in vorm ben, loop ik zonder meer naar Triana of, wat dichter bij, naar Parque Doramas. Soms is het tijd voor camembert en daarvoor ga ik naar de Carrefour in Las Arenas, waar trouwens ook lekkere “callos”, darmen en “morro”, tête de veau te krijgen is. Voor mijn Fanta Zero en Schweppes Limon Zero loop ik liever minder ver en dan is de grote kelderwinkel van El Corte Inglés een uitkomst. En voor mijn min of meer dagelijkse boodschappen ga ik heel soms naar de HiperDino (in La Puntilla), maar ben ik vooral vaste klant van de verschillende Sparwinkels hier, in de Alfredo Jones, in de Ripoche en in mindere mate ook de dubbelzaak in de Torres Quevedo. De Sparwinkel op de Tomás Miller is mij aan de te grote kant.
Vandaag de dag staan bij de diverse Spar en HiperDino-winkels voor de deur bedelende dames. Wat zal ik daar nou eens van vinden? Als iemand echt in nood is, geef ik graag mijn kleingeld (of zelfs meer) af, maar ik heb de oprechte indruk dat het niet meer is dan een vorm van oneerlijke werkverschaffing. De dikke vrouw in de Alfredo Jones is mijn type niet. Ik heb haar om de hoek ook wel eens op haar dooie gemak een sigaretje zien roken. En dan denk ik: het lijken wel Roemenen, zoals je ze tegenwoordig ook in Maastricht aantreft. Niet mijn ding!

Woensdagmorgen stond Etel om even voor 9 voor mijn deur om de flat eens goed in de zepen. Trudie komt morgenmiddag en dan is “spic en span” het bijvoeglijke naamwoord dat met voorrang over mijn lippen komt. Daarna mocht ik aan de “corned beef” met zilveruitjes en mayonaise. En de middag werd in zijn geheel besteed aan het lezen van de nieuwe Khaled Housseini, “En over de bergen komt de echo”; zie verder beneden.>BR> Om een uur of 6 ’s middags is het, zoals bijna dagelijks, tijd voor mijn promenade; omdat ik geen boodschappen te doen heb, banjer ik over de boulevard naar rechts in de richting van calle Ferreras. Meestal houdt mijn geschuifel daar op of in ieder geval daar om de hoek bij de Caleta, maar af en toe - een keer per anderhalve week? – loop ik nog een stuk verder. Ik kom dan allereerst bij “Bodegón La Tacita De Plata”, eethuisje Het Zilveren Koffiekopje, maar wisten jullie “una tacita de Plata” ook “spic en span” betekent? Op zondagmiddag is er levende muziek en dan is het daar goed toeven tussen de locale geesten. We gaan door, langs winkeltje “Los Nidillos”, de nestjes. “de amor” mag ik hopen, en daarna is het nog een kilometertje naar mijn eindpunt. Dat ligt bij Mirador El Balconcito, een uitkijkpunt dat er zijn mag, met daarachter “El Confital”, waar ik dan graag op een bankje naar de zee zit te kijken of mijn boek pak, als ik per se een hoofdstuk uit wil lezen. “Confital” is iets geconfijnts, ingelegd met suiker.(Mijn moeder maakte vroeger pruimen op sap in, uit de kunst. De potten in het keldertje op een plank zie ik nog voor me. Koken en zo, daar was mijn moeder een kampioen in.)
Op de terugweg nam ik maar weer eens plaats op mijn bank bij calle Ferreras. Het pleintje daar heet, als ik het bord bij “casa Suecia”, een Zweedse konditorei, op het hoekje mag geloven: “Plaza De La Cantante Maria Merida”. (Cantante is Spaans voor zangeres.) Het stevig vastgeschroefde bord is in het wit. Ik vraag me in alle ernst af of het dan wel een officieel bord van de gemeente is; die zijn normaliter in het blauw. Misschien hebben de “aficiados”, de “admiradores” van Maria Merida gedacht: als aan Mary Sanchez zelfs een beeld wordt besteed - het staat verderop op de boulevard, mag onze heldin op zijn minst met de naam van een pleintje vereerd worden.
En nou komt nog een staartje aan dit verhaaltje. Naast mij op de bank ging een oudere vrouw zitten, die eerst een minuutje voor zich uitkeek (naar het bord van de “Plaza De La Cantante Maria Merida”?) en toen uit haar “kalbas” een paar krasloten opdiepte. Met een sleutel kraste ze in de loten, maar iets winnen was er niet bij. Pas daarna sjokte ze vermoeid in de richting van Isleta, waar ze ongetwijfeld op een te klein flatje haar dagen slijt.

Bij een kleine brief past niet meer dan een klein Spaans lesje. Ik kijk wel eens op het grote bord bij de oude faculteit of daar nog iets van belang staat. Eventueel haal ik het er zelfs af om te kopiëren, maar dan hang ik het later altijd braaf terug, behalve als ze al over tijd is.
De afgelopen dinsdag loop ik daar tegen een aankondiging van de Club La Cornisa, waar is die nou weer?, aan op zaterdag 14 december, met telefoonnummer en al. Ze heeft alles in zich om in mijn jaszak te verdwijnen en te eindigen in deze weblogbrief. ArteCake staat bovenaan, met daaronder “Tartas Personalizadas” en enkele voorbeelden van wat ik maar fondanttaarten zal noemen. Opzij ervan wordt duidelijk dat het om een “Curso De Iniciación De Tartas Fondant” gaat. Dat is nog eens wat; als voorbereiding op de verjaardag van Lux zouden Eva en JW eigenlijk naar zo’n cursus toe moeten, om met het “fondant” op de taart sier te maken over ruim twee weken. De cursus behelst zowel de “elaboración de fondant” als de “toneado básico y alisado del bizcocho y relleno” en de “teñido del fondant” en het kan niet op, ook nog de “técnicas básicas para la decoración”. Maar als je die onder de knie hebt, ben je wel een echte fondanttaartenman of –vrouw. Er staat niet bij wat de cursus kost, maar:
*Se proporcionara todo el material necesario para trabajar durante el curso
*Dossier explicativo al inicio del curso
*Entrega de diploma al finalizar el curso
*Te llevaras a casa una deliciosa y hermosa tarta realizada por ti, para compartir con familiares y amigos.

Daarmee heb ik, lijkt me, genoeg gekletst om mijn brief een academisch tintje te geven. In afwachting van de komst van Trudie begeef ik me vanmiddag naar de universiteit om hem als “carta weblog” te posten. En dan is het wachten en de laatste hand aan mijn voorbereidingen leggen. Vanaf morgen op het eind van de middag dien ik Trudie met raad en daad bij te staan in mijn keuken hier en op haar glorieuze pad door Las Palmas en omgeving. Of dat er een is met de koperen ploert aan een blauwe hemel, weet ik zo net nog niet. Gisteren heb ik zo waar een paar keer een onweer op mijn dak gekregen, gelukkig niet op mijn bol, met eerst lichtflitsen en donder en daarna felle regenbuien. En werden in mijn autovrije stuk van de straat nog eens enkele zitbanken geïnstalleerd, dat weer wel. Voor mij is Las Palmas de stad van de zitbanken.
Laat er geen misverstand over zijn: de komende week heb ik geen tijd voor jullie. Een mens heeft meer te doen. Mijn volgende brief verschijnt niet eerder dan op maandagmiddag 20 januari, nadat ik die morgen ook nog eerst Etel weer aan het werk heb mogen zetten om de schillen en de dozen van Trudie op te ruimen (voor het aangenaam verpozen). En dan duurt het nog bijna twee weken, voordat ik op zondagmiddag verkleed als verpleegster de markt op draai om uitgeroepen te worden tot Prins Carnaval vaan Groet Mestreech in 2014. Maar daarover later...
Voor nu, wat zal ik jullie eens wensen? Kook eens een zachtgekookt ei, warm eens een pannetje soep op en zet eens een pot koffie. Dat moeten toch zaken zijn die ik jullie kan toevertrouwen. Hier is het stilte voor de storm. Ik bid voor een prettige voortzetting van jullie winter en tot de volgende keer maar weer, hasta la próxima vez, jullie toegenegen PaulK.

BOEKHOEK

Het was even aanpoten vanochtend, anders had ik, jullie, mijn trouwe lezers van deze bijlage, geen één boek kunnen presenteren. Ik heb er toch een, “En uit de bergen kwam de echo”, het derde boek, als ik het wel heb, van internist Khaled Hoisseini uit Californië, voorheen uit Afghanistan. Het is van zeer onlangs en het speelt in Shadbagh, een dorpje in het islamitische land in oorlog, in de hoofdstad Kabul op enkele dagen lopen ervandaan, in Parijs en in Californië en op een paar plekken. De vorige twee boeken van Hosseini vond ik heel geslaagd, hier is mijn gefundeerde oordeel over zijn nieuwe boek.
Eerst willen jullie iets over de inhoud vernemen. Die zal ik hier zeker niet in detail gaan verklappen, maar ik kan het niet laten: het boek speelt in 1949, 1952, 1974, 2003 en 2010, min of meer door elkaar heen, terwijl niets steeds dezelfde personen de ikfiguren zijn. Misschien vind ik dat wel de grote vondst in deze “Hosseini”, dat wisselen van ikfiguren in de verschillende hoofdstukken van het boek om het complete verhaal te vertellen.
In notendop gaat het als volgt. Abdullah en Pari zijn zoon en dochter van Saboor en zijn eerste vrouw, die bij de geboorte van Pari overleden is. Daarna trouwt Saboor met Parwana en zij krijgen samen nog zoon Izqul. Vanuit het dorpje verplaatst het leven zich naar Kabul en dat van Pari weer naar Parijs in 1955, als ze daar met haar stiefmoeder Nila heen verhuist. Veel later pleegt haar moeder zelfmoord en trouwt Pari met Eric. Ze krijgen drie kinderen en de nodige kleinkinderen. Zelf wordt Pari professor in de wiskundige, tot ze het werk niet meer aankan door haar reuma. Abdullah tref ik na de beginjaren in Shadbagh pas weer op het eind van het boek aan. Hij runt dan in Noord-Californië een kebabzaak tot hij dement wordt. Abdullah krijgt met zijn vrouw Sultana een dochter, die hij Pari noemt als ode aan zijn zusje dat hij tegen zijn zin heeft moeten verlaten, toen hij 10 was en zij 3. Als zus Pari in 2010 haar demente broer vindt en opzoekt, moet ondergetekende, dat ben ik, zowaar een traantje wegpinken.
En dan komen in het boek diverse bijfiguren voorbij, die ik hier niet allemaal zal noemen op een klein clubje na. Wie het boek nog gaat lezen, moet deze alinea maar overslaan. Parwana’s tweelingzus Massooma is razend knap, maar valt uit een boom. Parwana’s broer Nawi klimt op van chauffeur en kok tot partner van Nila’s man Suleiman in Kabul. Izqul’s zoon Gholam blijkt goed te kunnen voetballen en verwerft zo een shirt van Zidane. Dan is er ene Markos, eerst in Griekenland met zijn mamá en zijn min of meer aangenomen zusje, slimmerik en door een hond gebeten Thalia. Vanaf 2002 is Markos als plastisch chirurg actief in Kabul samen met o.a. de Bosnische verpleegster Amra. Zelfs de vroegere overbuurjongen van Abdullah en Pari, Idris, mag in het boek figureren, eerst als kind en twintig jaar later nog eens als internist uit Californië, die met zijn broer Timur teruggaat naar zijn oude huis in Afghanistan.
En dan is hier mijn oordeel over het boek. Ik vind het alweer uiterst geslaagd. Met een thriller heeft het niets van doen, mocht een van jullie dat denken. Met “En uit de bergen kwam de echo” (een nogal rare titel) zet Khaled Hosseini een meesterwerk op de plank, in mijn geval op mijn e-reader. Ik heb het boek met erg veel animo gelezen, het begint enigszins kinderlijk, maar wat wordt het mooi, heel mooi. Als recensiecijfer krijgt het van mij een 9, “heel goed” is dat een onderwijzerstaal. Het zal wat vroeg zijn, maar ik kijk nu al uit naar zijn volgende boek. Met zijn “And the mountains echoed”, om het eens op zijn Amerikaans te zeggen, zet Khaled Hosseini zijn rijtje meesterwerkjes voort.

dinsdag 7 januari 2014

Weblogbrief 9.13, 7 januari 2014

Weblogbrief 9.13, vrijdag 10 januari 2014

Queridos interesados, beste belangstellenden, met een beetje “foetele” (een Maastrichts woord, onvertaalbaar) is dit alweer mijn tweede brief van 2014, nummertje 9.13. Jullie mogen hem pas gaan lezen, nadat je nummertje 12, die ik ook vandaag pas kon versturen, in ieder geval vluchtig hebt doorgenomen.
Deze brief, niet a te lang, staat vooral in het teken van de wijzen uit het oosten, ons equivalent van sinterklaas en “Zie de maan schijnt dor de bomen”, met hier twee klazen en één piet. Gedrieën zijn ze afgelopen zondagmiddag in de stad aangekomen, wel ieder met hun eigen stoomboot. En gisteren is het illustere drietal, los Reyes Magos, weer huiswaarts gegaan. Het preklinische gebouw van de medische faculteit is weer open, dus laat hem maar komen, mijn weblogbrief 9.13.

Ik ben een aantal keren voor mijn werk in Schotland geweest, met Jos Kleijnen o.a. in Glasgow om een bekende homeopaat aan de tand te voelen, maar ook solo in de hoofdstad Edinburgh (spreek uit: Eddinboro). Ik kan me nog herinneren dat ik daar aan Princess Street de laatste Pink Floyd plaat kocht, “Division Bells”, die toen net uit was. En mij staat ook nog een sticker bij, die ik daar kocht, met het opschrift: “Keep clean. Throw your rubbish into England.” Zo diep zit kennelijk de onrust, de haat bij de Schotten, als ze het over hun benedenburen uit Engeland hebben.
In mijn zoveelste Ian Rankin boek, zie verder beneden, geeft detective inspector John Rebus een rake opsomming van de vele popartiesten uit Schotland. Ik leerde bij, want wist niet dat Frankie Miller daar ook bij hoorde. Ik had hem een verdieping lager, in Engeland gesitueerd (en verwar hem asjeblieft niet met zanger Frankie Miller uit Texas). Hij heeft wel het rauwe accent. Is dat een beetje een handelsmerk van de Schotten?
Hoe dan ook, ik bombardeer Schotse Frankie Miller uit het niets tot muzikant van de week. Hij is van 1949, uit Glasgow, en met mij heeft hij gemeen dat hij op vrij jonge leeftijd, hij was 45 jaar, een beroerte kreeg. Niettemin, ik begrijp van Allmusic dat hij toen en later nog steeds niet is gaan hemelen.
De man heeft een veertiental originele cd’s gemaakt, maar ik heb er maar een, “Full house” uit 1977, en die ook nog maar gedeeltelijk. Daarnaast heb ik wel twee compilaties van hem: “Love letters” uit 1996 en “The Very Best Of Frankie Miller” uit 1997 en dus valt er toch wat te draaien. Zijn beste nummers vind ik “Darlin” uit 1978, dat het jaar erop een echte hit werd. Enkele andere opvallende nummers vind ik (alfabetisch): “I can’t change it”, “Just like Tom Thump’s blues”, “Let the candlelight shine”, “Love letters”, Searchin’”, “Tears” en “The devil gun”. Zijn stem lijkt op die van Joe Cocker (uit Sheffield in Noord-Engeland), alleen was en is de laatste natuurlijk een stuk succesrijker. En toch, met name dat “Darlin” is en blijft een kaskraker (Darlin, I’m feeling pretty lonesome, I’d call you on the phone (chum), but I don’t have a dime.) Ik moet er toch eens een pakkende Maastrichtse tekst opplakken en het nummer dan door Beppie Kraft laten zingen. Als dat geen succes wordt, weet ik het niet meer.

Voor een tweetal heb je in het Nederlands een heelrijtje woorden: paar, stel, span, duo, koppel, noem maar op. In het Spaans zeg je meestal “pareja”, maar ook andere woorden mogen: yunta, dúo, unos. Als ik maar met één artiest kom aanzetten, en die bevalt niet, zitten jullie zonder muziek. Voor de bedaarde lezers onder jullie heb ik er daarom nog een: Tony Joe White. De man is van 1943, uit het Amerikaanse Louisiana, en hij is misschien wel bekender als de schrijver van een aantal deuntjes dan als zanger. Bijv. was hij intensief betrokken bij de cd “Foreign affair” van Tina Turner uit 1989, waarvoor hij vier nummers schreef. Zijn eerste eigen plaat is van 1969 en daarna volgden er nog ongeveer 25. Ik heb “Lake Placid Blues” van hem, uit 1995, maar daar gaat het nu niet om. Ik neem jullie mee naar een verzamelcd uit 1993: “The Best Of Tony Joe White”, een compilatie van twintig van zijn beste nummers. Die ligt op mijn elektronische pick-up annex cd-speler.
Ik heb zitten denken of ik jullie blij kan maken met ze allemaal te noemen, maar ik vind de verzamelplaat er typisch een waarbij de kwaliteit steeds verder afneemt, naarmate ze verder wordt afgespeeld. Hier zijn de eerste vijf nummers:
01. Polk Salad Annie
02. Soul Francisco
03. Willie And Laura Mea Jones
04. Rainy Night In Georgia
05. Roosevelt And Ira Lee.
Daar moeten jullie het maar voor doen, hoewel bijv. “Old Man Willie” van Tony Joe White, liedje 8, dat qua melodie nogal op “Polk Salad Annie” lijkt, er ook best mee door kan. Uiteraard zijn “Rainy Night In Georgia” een uitschieter naar boven, maar persoonlijk prefereer ik de versie van Brook Benton; dat is voor mij echt een evergreen. Als het om nummers van Tony Joe White zelf gaat, kies ik met stip voor zijn “Polk Salad Annie”. (Kan iemand mij eens vertellen waar dat “Polk” voor staat?) Dat zie ik als zijn gimmick.
Het blijft iets raars hebben. Een heel rijtje nummers van een artiest vind je maar zo zo en dan ineens komt er een voorbij waar je van uit je bol dreigt te gaan.

Carlos, bij mij beneden, doet tegenwoordig niet alleen in koffie en andere drank, maar getuige allerlei opschriften op de gevel kun je er ook iets te eten krijgen. Ik bespeur tussen alle benamingen van gerechten die ik ken, er eentje dat mij vreemd is: morcón. Dat is een “dikke bloedworst” volgens mijn woordenboek. Als afgeleide kan het ook een vetzak van een man of een smeerpoets zijn. En wat is dan een morcona? Dat is een “mujer gorda” of mujer sucia”, een dikke of een smerige vrouw. Vrouwelijke bloedworst staat bij Carlos niet op het menu.
Om in eetstijl te blijven, sommigen van jullie, zoals Marcel en Marc, zijn gaandeweg liefhebbers geworden van lunchen bij “100 (cien) Montaditos”. Dat is een eetzaak in El Muelle, aan de haven, die gespecialiseerd is in allerlei kleine broodjes. Ze is overdag best populair en wonderwel heeft men onlangs zijn prijs verlaagd naar 50 cent per broodje.
Ik heb een nieuwtje. Aan de boulevard lopen zaken wel of niet, en zo nee, dan dient iets anders geprobeerd te worden. Bijv. het restaurant dat nu “Kitchen Lovers” heet, vlakbij het locale Paviljoen 3, is iedere avond haast leeg, als ik erlangs kom voor mijn wandelingetje. Potentiële bezoekers, die in de rij staan om een plaatsje te bemachtigen, vergeet het maar. Vlakbij mijn zitje aan Ferreras is ook zo’n zaak, waar echt al van alles geprobeerd is. Ik herinner me dat ik er wel eens met Trudie en Eva Braziliaans heb gegeten, alle soorten vlees aan het spit, in een groot gezelschap met mijn vroegere Spaanse leraar Paco. Tot voor kort was het een Italiaanse zaak, maar alweer zonder veel klandizie. Sinds onlangs is er nu een tweede (?) vestiging van 100 Montaditos, eveneens met broodjes van niks voor 50 cent. Is het een idee om Trudie eens te trakteren volgende week op een schoteltje “montaditos”?
(Onder ons, montado is eigenlijk “te paard” van het werkwoord “montar”, “bestijgen”. Hoe men erbij komt om een “kleine sandwich” ook zo te noemen, weet ik niet. Echter, als een “montado” al pietepeuterig is, is een “montadito” dat zeker. Zelfs een matige eter moet toch gauw rekenen met drie, vier “montaditos” voordat zijn of haar hongergevoel weg is.)

Zaterdag op het einde van de middag tufte ik weer eens naar Las Arenas, het winkelcentrum op het westelijke einde van Las Canteras bij het auditorium. Ik ga jullie niet vermoeien met mijn boodschappen doen in de Carrefour (maar “morro” is een mengsel van stukjes snuit in een rode saus, het lijkt wel ouderwetse “tête de veau”.). Op de onderste etage trok een kleine tentoonstelling mijn aandacht. In diverse vitrines waren Canarische muziekinstrumenten te bezichtigen en vooruit, daarnaast ook nog enkele bijpassende kledingstukken en grammofoonplaten, o.a. een oude E.P van Mary Sanchez. (Weten de jongeren onder jullie wel wat een E.P. is?) Bijv. een “tambur” en een “percusion” lagen er uitnodigend bij; het zijn typische Canarische slaginstrumenten. Zo’n “percusion” heeft wel iets van een grote tamboerijn, zo eentje die ik met carnaval wel eens met me meesleep aan een touw voor mijn borst. Uiteraard zag ik ook enkele “cháracas” (castagnetten, komt dat woord van “castañas”, kastanjes?) en stenen, schelpen, die ongeveer hetzelfde geluid maken. Mijn oog werd echter vooral getrokken door de diverse minigitaren van de Canarische eilanden, de “timples”. Sommige met vier snaren, andere met vijf, en allemaal behoorlijk klein. En tussen de diverse “timples” lag zowaar een “timplillo”, een mini-mini-gitaar. Als ik die nou eens zou kunnen stelen en thuis aan de muur hangen... Terzijde, weten jullie wat een tenderete is? Dat is Spaans voor een marktkraampje. In een kraampje beneden in de hal van Las Arenas zag ik overheerlijke regionale oude kaas liggen.
Op de terugweg naar mijn huisje was ik getuige van (een stuk van) een prima optreden van een Canarische popgroep vlakbij de woning van Noé. Het speelde zich af voor café NYC Taxi, waar iedere zaterdagavond wel wat te doen is. Een mollige zangeres, drie jongens met gitaren en een drummer speelden de Canarische sterren (sterretjes) van de hemel en heel de meute voor de zaak sloot zich bij het leven aan. Kennelijk is er op de wereld meer muziek dan van mensen als Frankie Miller en Tony Joe White.

Zal ik dan toch iets over “Melchor, Gaspar y Baltazar” vertellen? Ze kwamen zondagavond weer voorbij in de bekende kleuren rood, blauw en groen, maar het duurde even. Om zes uur passeerde de cabalgata Santa Catalina, waar ik stond tussen weet ik hoeveel mensen, vele rijen dik, met de kleintjes in vooruitgeschoven positie. Dit jaar werd er geen snoep uitgedeeld of van de wagens gegooid; hoort dat bij de bezuiniging? Er kwamen achter elkaar elf vrachtwagens voorbij, met daarop steeds vooral kinderen in carnavalskleding. Ik ga ze niet allemaal voor jullie opsommen. De leukste vond ik nummertje 2: Arca de Noé (maar is dat. omdat ik met Noé bevriend ben?), nummertje 9: Deporte Español, Crisis1-España2, ¡¡Podemos!!, Wij kunnen het!, en nummertje 11, een grote arreslee van HiperDino met de bekende beesten op de bok. Na twintig minuten waren de wagens voorbij en viel een gat, een goot gat mag ik wel zeggen. Het leek wel of ik naar de carnavalsoptocht in Maastricht aan het kijken was, met zijn “loker”. Vijftien minuten niks en toen kwamen pas de drie koningen op hun dromedarissen aangekacheld. Het waren dezelfde koppen als in eerdere jaren, maar het blijft een mooi gezicht.

Zoals ieder jaar is de dag van 6 januari er een dat de Canarische kinderen met hun nieuw verworven speelgoed de boulevard hier onveilig mogen maken. Als ik laat in de middag mijn tour de force maak, kom ik – zo hoort het ook – om in de autopetten in enkele varianten, driewielers en fietsjes, al dan niet met extra wieltjes eraan vast. (Autopetten, dat is er zo een als bijdehanter. Het bijvoeglijk naamwoord bijdehand is met een D, het zelfstandig naamwoord autoped ook, maar de vergrotende trap van bijdehand is met een T en dat is m.i. ook het geval met het meervoud en werkwoord van autoped. Mijn woordenboek doet net of “autopetten” niet bestaat, maar zo zijn we niet getrouwd.) Terwijl de kleintjes hun kunsten vertonen, kijken de “padres y abuelos” evenals ondergetekende enthousiast toe.

En dan zie ik op een bankje een oma zitten die haar breipinnen in de aanslag heeft en al aardig gevorderd is met wat (waarschijnlijk) een zwarte sjaal moet worden. Ze zit er helemaal in haar eentje, wel met een plastic zak naast zich, waar ongetwijfeld de knot breiwol in verstopt zit. Het is een tafereel waar ik jullie graag deelgenoot van maak. Waar vind je ze nog, oma’s die aan het breien zijn? (Hoewel, Trudie kan op zijn tijd de pennen ook best hanteren.)

Heeft er nog iemand zitten nadenken over een Spaans rijmwoord op “próspero”? Mijn beste gok is “Bósforo”, de Bosporus, maar echt mooi vind ik het rijmwoord niet. Het is te weinig om een limerick van te maken. Er was eens een man aan de Bósforo... Wie heeft nog een ander woord, eentje waar ik maar niet op kan komen? (Voor de zoveelste keer hoop ik nog eens een Spaans rijmwoordenboek te bemachtigen. Een eerdere poging, met de hulp van Noé, is destijds gestrand. Maar wie weet, ligt het aanstaande zondag zo maar voor een halve euro op de rommelmarkt hier.)
Deze brief is beperkt en laat ik dat dan maar ook doen met mijn Spaans lesje. Wie van jullie weet een rijmwoord op het Spaanse woord voor koningen, “reyes”? Als je er niet uitkomt, mag je voor één keer uitwijken naar het Nederlands: koningen, dat is niet zo moeilijk om op te rijmen, of naar het Maastrichtse keuninge. Doe je best.

Het zit er weer op. Ik heb wel eens langere brieven geschreven, zie “zum Beispiel” de vorige, maar deze Driekoningenbrief is toch ook niet mis. Erger nog, ik beloof jullie er voor vrijdagmiddag nog een, omdat er daarna een week lang weinig van komt met Trudie in mijn nabijheid. Ik kan alleen maar hopen dat ik de komende dagen genoeg inspiratie heb om jullie te bedienen.
Voor nu, het lijkt me nog te vroeg om de carnavalskist al van de zolder te halen. En zo lauw weer als de laatste weken, dat is niks voor Nederland, het hoort daar nu te vriezen, ijskoud te zijn, te sneeuwen. Dus kruip maar eens gezellig bij elkaar aan de centrale verwarming en lees eens goed boek. Misschien dat mijn boekenbijlage van deze week en van de afgelopen twee maanden nog voor een paar aardige tips kunnen zorgen.
Ik wens het jullie, de dagen gaan weer lengen. Tot vrijdag, hasta viernes, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Wat vind ik het prettig dat ik nog net twee boeken heb kunnen uitlezen, in wat is het vier dagen. Het eerste van de “pareja” (zie boven) is een van de laatste van Adriaan van Dis, iemand van mijn leeftijd. Van hem heb ik in Maastricht een hele serie boeken, meer dan tien, maar de allerlaatste niet. Gelukkig kan ik zijn nieuwste over Zuid-Afrika eenvoudig van een e-lijst downloaden naar mijn e-reader: Tikkop uit 2010, 177 bladzijden dun.
Marten is in de jaren zeventig een enigszins alternatieve Nederlander, die in Parijs gaat wonen en daar in contact komt met het Zuid-Afrikaanse verzet. Hij wordt actief in de Fraternité, tussen mensen die elkaar ontmoeten in boekhandel Présence Africaine. In die tijd trekt hij op met twee jonge Zuid-Afrikanen, de wispelturige Catherine en medisch student Douglas. Hij gaat een keer op bezoek in het Kaapgebied, o.a. om daar brieven van het verzet op hun plek te brengen. Uit die tijd stamt ook zijn bezoek aan de wijnhoeve van de ouders van Douglas (Treghardt), die bevriend zijn met de ouders van Catherine. Die Catherine draait vlak daarop voor vijf jaar de bak in.
Nu, 38 jaar later en lang na het einde van de apartheid, gaat Marten, onder zijn echte naam Mulder, op bezoek bij dezelfde Douglas in Zuid-Afrika. Het blijkt dat er in het plaatsje aan de Kaap nog steeds sprake is van een blanke bovenklasse, terwijl de zwarte vissers onder veel slechtere omstandigheden in het onderdorp wonen. Echter, ze zijn bepaald niet langer gediend van blanke overheersing. FOK OF staat op het hek van het huis van Douglas en zijn vrouw Sarah. Er komen allerlei zwarten op bezoek, zoals Winston, de sleutelman, Charmein die oesters verkoopt en de prostituée speelt, en vooral haar tienerzoon Hendrik, een tikkop op roze gympjes. Tik is crystal meth, superspeed, waaraan hij langzaam onderdoor gaat. Na een storm, regen en modderbui blijkt dat Mulder wel een prima buurvrouw heeft, Stienie, ex-verpleegster, die blij is iets voor de mensen te kunnen doen. Charmein gaat met gebroken benen het ziekenhuis in. Als Hendrik wordt gevonden, onder de drugs, moet hij bij Douglas en Mulder gaan afkicken. Zijn muziekstijl verandert door de laptop van Mulder van rap in reggae, daarna punk en tenslotte postpunk. Of Hendrik het redt, staat te bezien.
En passant krijg ik hele rijen Zuid-Afrikaanse woordjes mee: bokkies, ’n druk, perlemoen, skollies, vonkelwyn, etc. Maar wat vind ik van het boek? De foto op de kaft is heel goed gekozen en het steeds terugkerende tekeningetje van een visje ook. Het boek heeft ook best een mooi onderwerp, maar of ik er weg van ben, dat lijkt me iets te veel van het goede. Het is aardig, best aardig, maar niet geweldig, vind ik. Als ik een rapportcijfer moet geven, kom ik op een 6½, vooruit een 7-, maar meer kan en wil ik er niet van maken.

Ik heb jullie een tweede boek beloofd en als je iets belooft, moet je het ook doen, Hier is mijn recensie van het zoveelste boek van Ian Rankin, de thrillerschrijver uit Edinburgh, die met de wederwaardigheden van politiemensen John Rebus en Siobhan (Shiv-awn) Clarke intussen multimiljonair moet zijn. Wie kent hem niet? Deze keer vraag ik jullie aandacht voor “A Question Of Blood” uit 2003, waarvoor hij een jaar later een Edgar kreeg, als beste Mystery Writer van het jaar in de VS.
In het boek spelen twee zaken. De eerste betreft de moord op twee schooljongens en de verwonding van een derde, met voormalige SAS-man Lee Herdman als dader. Het gebeurt op een middelbare school, Port Edgar Academy, waarna Lee zichzelf ook nog eens voor zijn kop schiet. Wat is het motief? Van de twee vermoorde jongens blijkt er een, Derek, de zoon te zijn van een neef van John Rebus en daarmee komt tevens een klein stukje familiegeschiedenis boven de tafel. De andere, Tony, is de zoon van een effectenmakelaar, en net als Derek is hij nogal fanatiek met het leger bezig, loopt zelfs als soldaat gekleed door het gebouw. De derde, James, is de zoon van een uiterst fanatieke MSP, Member of Scottish Parliament, Jack Bell, die niet weet hoe snel hij de pers daarna moet opzoeken om de politie onderuit te halen. Er zijn nog diverse andere namen te noemen, zoals van politiebaas Gill Templer, Teri Cotter met haar zwarte outfit en webcam (en haar moeder Charlotte), de nodige ingevlogen politiemensen van elders en journalist Steve Holly. En laat ik Donald Brimson met zijn vliegtuigjes niet vergeten, broer en zus Rod & Rachel en SAS-man Robert Niles, die net zijn vrouw heeft vermoord.
De tweede zaak is niet helemaal los te zien van de eerste. Nu gaat het om de moord op Martin Fairstone, hij komt in een brand om, waarvan John Rebus met de brandwonden aan zijn banden wordt verdacht. Gedurende een groot deel van het verhaal is John zelfs om die reden geschorst als politieman. In verband met Fairstone’s dood voeg ik o.a. Peacock Johnson, Evil Bob en de Lost Boys aan het namenlijstje toe. Hoe redt de onverwoestbare John Rebus, die NB op de avond van de moord als laatste bij Fairstone thuis gezien zou zijn, zich er deze keer uit?
Pas na 440 bladzijden mag ik het boek terzijde leggen en dan zijn er de nodige mensen dood. Ik heb dan een heel spannend boek achter mijn kiezen, zeker weten, en met een aparte afloop. Daarbij valt er ook best wel wat te gniffelen, soms zelfs te lachen, vooral met de dialogen tussen Siobhan en John. (Als ik nog eens een naam voor een meisje moest bedenken, komt de naam Shiv zeker in aanmerking.) Ian Rankin verrast me steeds weer, ook met dit boek, en dan kan een mooi cijfer niet uitblijven. Voor “A Question Of Blood” bedeel ik hem met een 8½ met de toevoeging dat ik de rest van zijn nog ongelezen boeken maar eens met enige voortang moet gaan afwerken.

Weblogbrief 9.12, 3 januari 2014

Weblogbrief 9.12, 3 januari 2014

Is het alweer 2014, comediantes, en maar liefst 11 dagen na mijn vorige brief, 7 + 4. Voor de mensen in Nederland die mij trouw volgen, ook al is dat maar een handje mensen (of twee, of drie), is dat erg lang. Thuis hier heb ik geen internet, de faculteit is dicht en Noé is in de dagen van Oud op Nieuw en Driekoningen nog elders. Ik heb Lorena nog gesms’t om deze brief bij haar thuis te versturen, maar ook die gaf niet thuis, helaas. Toen dacht deze jongen: als ik nou eens net doe of deze brief van 3 januari is, de verjaardag van Greetje, proficiat, zouden jullie het dan merken, als je hem vier dagen later pas ontwaart? Dan moet ik hem wel zo in elkaar steken dat hij op de vrijdag inderdaad ophoudt. En bijv. mijn b.b.h.h. van het Reyes Magos weekeinde bewaren tot mijn volgende brief. Amiguitos, hier is hij, mijn weblogbrief 9.12 van 3 januari, pas verzonden op de 7de. ¡Adelante!

Het is, eerlijk is eerlijk, allereerst tijd voor een correctie op mijn vorige brief, die van 27 december. Daarin schreef ik welgemoed dat ik in november en december geen enkele brief of kaart uit Nederland heb gehad (en daar niet rouwig om was). Kom ik op die dag thuis, ligt er een brief van mijn kleindochter Lux op het tafeltje onder de inpandige brievenbussen. Die was veertien dagen eerder in Amsterdam gepost en bevat een kleurentekening van een kerstboom, met “alles” erop en eraan. (En wat is Lux keurig binnen de lijntjes gebleven met haar kleurpotloden.) De tekening hangt intussen te pronken op mijn prikbord, onder de grote zwartwitfoto van Lux en Dalí, die ik in oktober van Eva en Jan Willem gekregen heb. En op 30 december kwam daar nog eens een statiefoto van Dalí & Lux op ansichtkaartformaat bij. Enne... het houdt maar niet op, tot overmaat maar niet van ramp kreeg ik ook nog twee foto’s van het illustere damesduo per e-mail opgestuurd. Wat kan ik daar nog tegenover zetten? Op oudejaarsnacht, even over 12 uur Nederlandse tijd (hier is het dan nog een uur vroeger), heb ik Eva & JW een sms’je gestuurd en even later al kwam een sms’je terug met de beste wensen voor mij.
Hetzelfde heb ik met Trudie (en de twee Maria’s) gedaan met alweer in allerijl een sms’je terug van hun kant over hoe goed het mij wel niet moge gaan in 2014. Een paar dagen eerder werd ik trouwens al verrast door een belletje van Trudie, zo maar. En op oudejaarsdag kwam ook nog een kaartje uit Londen binnen van Trudie met Ellie Abels. Nog een week en dan komt mijn verloofde een week hierheen. En ze komt niet alleen om het winterzonnetje te trotseren, maar bijv. ook om met de tondeuse mijn haar te kortwieken en met “tuutsjes sajs” die nodig zijn om grote hoeveelheden zuurvlees en goulash voor me klaar te maken en die in volwassen porties in mijn diepvriesvak te zetten.
En dan wil ik aan het slot van dit stukje iets kwijt over het woord sms, kennelijk een afkorting van het Engelstalige “short message signal”, al heb ik over de laatste s mijn twijfels. Tegenwoordig zijn we massaal bezig om elkaar aanhoudend te sms’en (met een komma in de lucht), elkaar met een sms’je (alweer met een komma in de lucht) te bestoken. Ik vind het onder ons gezegd maar een woord van niks, dat woord sms. (In Spanje is het ook SMS, maar kennelijk met hoofdletters, maar meestal zegt men hier “mensaje”, ook wel “corto”.) Kunnen we van dat sms’je in het Algemeen Beschaafd Huilands niet smoesje van maken, met het bijpassende werkwoord smoezen? Of kom ik nu met iets dat diverse anderen al voor mij bedacht hebben. Ik vind het woord “smoesje” het idee van een sms’je best aardig weergeven. Wie van jullie gaat het mede namens mij opsturen naar het maandblad “Onze Taal”? En dan maar netjes afwachten, of Nederland er rijp voor is.

Ik vertel niets nieuws, als ik beweer dat in Nederland de huizen in een straat erg op elkaar lijken. Er zijn verschillen, minuscule zaken die de welstandscommissies per ongeluk over het hoofd hebben gezien, maar zelfs hele buurten zijn vooral uniform. Wie in Maastricht wel eens door Daalhof of De Heeg loopt of in Amsterdam door de Bijlmermeer of Osdorp, weet wat ik bedoel. Om huizen qua stijl en kleur van elkaar te laten afwijken, moet je niet in Nederland zijn. In België is veel meer variatie te bespeuren en hier in Las Palmas is dat ook zo. Het lijkt hier soms wel of eenvormigheid verboden is. En kleurverschillen tussen huizen naast elkaar zijn meer regel dan uitzondering.
Dit is, vind ik bij nader inzien, wel een erg lange intro voor een flinterdun verhaaltje. Maar goed, ik ben zo ver. Als je met stadsbus 12 naar het zuiden van de stad rijdt, kom je direct achter de markt van Vegueta op een weg, de Avenida Diaz Saavedra Navarra met alleen aan de rechterkant huizen. Links is de zee of voor wie dat interessant vindt om te lezen, de Atlantische oceaan. Langs de weg staan vlak achter de markt een paar huizen in het geel met daartussen, nou komt het, een huis in twee kleuren rood, café “Giulio’s”. Ik weet niet waarom, maar daar wil ik nog eens heen; dat lijkt me nou een nering waar ik aan mijn trekken kom. Daarbij, “Giulio’s”, dat is volgens mij geen Spaans. (De naam doet me vreemd genoeg wel aan “gilipollas” denken, wat voor “lul”, “trut” staat.) Er moet haast wel een Italiaan in zitten. Het lijkt me typisch een uitspanning (zonder terras, dus misschien moet ik inspanning zeggen), waar je geen “café solo” of een “cortado” bestelt, maar een “espresso” dan wel een “cappuccino”.
Trouwens, dat “Giu” aan het begin, dat heeft wel wat. Gaat het om het Italiaanse equivalent van de Spaanse keelklank “J” in woorden als Julio (Iglesias)? In een Italiaans-Spaans woordenboek is het Spaanse “justicia” inderdaad in het Italiaans “guistizia”. En “junio” (juni) is “giugno” Het wordt moeilijker, als ik (bij El Corte Inglés) ook naar de maand juli, “julio” kijk; dat is wonderwel in het Italiaans “luglio”. Zo blijf je aan de gang.>BR>
“Giulio’s” is de opmaat voor mijn bard van de week: Eros Ramazzotti. Ik ken hem als zanger vaagjes, zie hem vooral als de jongen van Cose Della Vita, dat hij in 1993 samen met Tina Turner zong, die er overigens “Can’t Stop Thinking Of You” van maakte. Afgelopen oktober zat ik in een vissersdorpje vlakbij Catania op Oost-Sicilië te eten met een groep medereizigers van KRAS, terwijl op de achtergrond een tv-concert van Eros Ramazzotti opstond. Toen al dacht ik: die man moet nog eens mijn snoepje van de week worden. Het duurde even, maar nu is het zo ver. Eros R. is van 1963, dus heeft hij net Abraham gezien, en hoewel hij uit Rome komt, is hij fan van voetbalclub Juventus. Een bekende Italiaan werd hij, toen hij als jongeman op het San Remo festival optrad, in 1985 met “Terra Promessa” en het jaar erop met “Una Storia Importante” Ik heb met enige moeite vijf cd’s van hem in mijn collectie kunnen vinden:
(1985-7) Cuori, Agitati
(1988) Musica E (ook 2002)
(1990) In Ogni Senso
(2003) Eros 9
(2005) Calma Apparente
Er ontbreken er nog de nodige, ik weet het. Jullie willen die ook braafjes opgetekend zien? Dat is niet gemakkelijk, want mijn verschillende bronnen op internet komen niet op hetzelfde lijstje uit. Als ik alleen zijn studioplaten mag noemen, zijn hier, denk ik, de ontbrekende zeven:
(1986) Nuovi Eroi
(1987) In Certi Momentos
(1993) Tutte Storie
(1996) Dove c’e Musica
(2000) Stilehbero
(2009) Ali E Radici
(2012) Noi
Voorlopig heb ik over de periode tot 1997 naast de vijf die ik heb, wel ook nog een mooie verzamelplaat: Eros, The Best Of Eros Ramazzotti. Die telt zestien nummers, die ik hier maar eens ga uitserveren:
01. Terra Promessa *
02. Una Storia Importante *
03. Adessu Tu *
04. Ma Che Bello Questo Amore
05. Musica E (& Andrea Bocelli)
06. Occhi Di Speranza
07. Più Bella Cosa *
08. Memorie
09. Cose Bella Vita/Can’t Stop Thinking Of You (& Tina Turner) *
10. L’Aurora *
11 Ancore Un Minuto Di Sole
12. Quasi Amore
13. Se Bastasse Una Canzone *
14. Un’Altra Te *
15. Favola *
16. Quanto Amore Sei
En uit 2007 heb ik ook nog “E2”, een dubbel-cd met op de eerste plaat negen nummers van het album Eros, die ik hierboven met een sterretje (*) heb aangegeven. Daarnaast staan op het deel van de cd nog eens negen andere, die ik ter completering ook maar zal memoreren:
01. Non Siamo Soli (& Ricky Martin)
02. Un Cuore Con Le Ali
03. Più Che Puoi (& Cher)
04. Non Ti Prometto Niente
05 I Belong To You/Il RitmoDella Passione (& Anastacia)
06. La Nostra Vita
07. Ci Parliamo Da Grande
08. Dove Si Nascondono Gli Angeli
09. Il Tempo Tra Di Noi
De tweede helft van “E2” is, vind ik, niks extra’s hebben, dezelfde nummers met vaak groot orkest erachter, dus die plaat sla ik hier even over. Mij dunkt dat de 16+9=25 bovenstaande nummers genoeg moeten zijn als kennismaking voor een beginnende Ramazzotti-fan als ik. Voor meer Ramazzotti verwijs ik naar de twaalf originele cd’s. Achter de zeven ontbrekende moet ik trouwens nog eens aangaan. Eros Ramazzotti, hij heeft wel wat!

Als tussenstukje vertel ik jullie over mijn gewoonte om maar een keer per week mijn haar te wassen, op de zaterdagochtend. De huidartsen tijdens mijn geneeskundeopleiding in Amsterdam hebben mij destijds al op het hart gedrukt dat je niet te vaak je haar met shampoo moet wassen, daar wordt het alleen maar steeds vettiger van. Een keer per week is voldoende. Nou ben ik een beetje in dubio hier, want de laatste keer dat Trudie mijn haar “gesnoje” heeft, wel heel kort, is al weer negen à tien weken terug. En langzaam aan tijd begin ik wel uit te zien als een Beatle. Dus dacht ik de afgelopen week: zal ik maar eens afwijken van mijn ritueel en het tussendoor, op “Nochevieja” een extra shampoobeurt geven? Heb ik dat ook gedaan?

Gaan we naar artiest 2 van de week, want op één been kun je niet staan, althans niet al te lang. In mijn tweede boek van de week, “Native tongue”, zie verder beneden, blijkt een van de hoofdpersonen, journalist Joe Winder, fan te zijn van de Amerikaanse singer-songwriter Warren Zevon. Kan het minder? Als jullie die nog niet kennen, wordt het wel tijd voor een kennismaking. Hij is van 1947 en overleed in 2003, toen hij 56 oud was, aan een mesothelioom. De man zal toch niet decennia eerder zijn huis met blauwe asbest hebben geïsoleerd of overdreven met remvoeringen voor zijn auto in de weer zijn geweest? De muziek van Warren Zevon zit “ergens” tussen folk en rock in; ik vind vooral de teksten van zijn liedjes er zeer mee door kunnen; af en toe hoor ik Bob Dylan, lijkt het wel. Hier zijn alle veertien originele cd’s van hem:
(1976) Warren Zevon
(1978) Excitable boy
(1980) Bad luck streak in dancing school
(1980) Stand in the fire (heb ik nog niet)
(1982) The envoy (heb ik nog niet)
(1987) Sentimental hygiene
(1989) Transverse city
(1991) Mr Bad Example (heb ik nog niet)
(1993) Learning to flinch (live)
(1995) Mutineer (heb ik nog niet)
(2000) Life’ll kill ya (heb ik nog niet)
(2002) My ride’s here (heb ik nog niet)
(2003) Dead or alive
(2003) The wind
Bij elkaar is het een hele doos platen, waarvan ik er acht van de veertien op mijn computer heb staan. Enne... ik heb er nog een van Warren Zevon, die volgens Allmusic een compilatie van zijn nummers bevat. “Preludes” heet ze en ze is verschenen in 2007, vier jaar na zijn dood. De ondertitel ervan luidt: “Rare and unreleased recordings”, maar zo erg “rare and unreleased” vind ik de “recordings” niet. (En alweer dringt zich een vergelijking met Bob Dylan op, die intussen goed is voor minstens tien bootlegs.) Ik ga hier voor jullie gewoon alle liedjes van die dubbel-cd achter elkaar opsommen; de vijf praatjes op cd 2 laat ik voor wat ze zijn:
01. Empty hearted town
02. Steady rain
03. Join me in L.A.
04. Hasten down the wind
05. Werewolves of London
06. Tule’s blues
07. The French inhaler,BR> 08. Going all the way
09. Poor poor pitiful me
10. Studebaker
11. Accidentally like a martyr
12. Carmelita
13. I used to ride so high
14. Stop rainin’ Lord
15. Desperados under the eaves
16. I was in the house when the house burned down
17. Back in the high life
Warren Zevon is oprecht een artiest die de moeite waard is. Ik doe geen moord voor hem, maar houd hem zeer in ere.

Mijn vraag hierboven was of ik afgelopen dinsdag mijn haar gewassen heb, omdat het misschien vettig begon te worden en omdat Oud op Nieuw in de maak was. Hier is mijn antwoord: natuurlijk niet! Als jullie op die manier over je haar wassen denken, kan ik wel haast iedere week wel een reden verzinnen om tussendoor naar de shampoofles te grijpen. Er is werkelijk geen schijn van kans dat ik mijn haar ga soppen, behalve op de zaterdagmorgen. Vooruit, ik beken dat ik dat bij uitzondering wel eens op vrijdagavond in plaats van zaterdagmorgen gedaan heb, maar daar houdt het mee op.
Intussen zie ik allerlei mannen van middelbare en ouder onder mijn balkon voorbij komen met bovenop hun kop niet of nauwelijks haar meer of anders in ieder geval enorme inhammen. Dan vraag ik me simpel af of je haar er niet ook van gaat uitvallen. Wie als man al te royaal is met shampoo - vrouwen blijven wonderwel gespaard - gaat wellicht op oudere leeftijd steeds meer een hoofd krijgen als een biljartbal en moet zich met goed fatsoen in het openbaar vertonen met een honkbalpet op zijn knar.
(Mijn vorige alinea begon met “intussen”. Is er een verschil tussen “intussen” en “ondertussen”? Of, wat ik vermoed, is “ondertussen” iets van boven de Moerdijk en zegt een rechtgeaarde Wiekeneer “intussen”?)

In deze tijd van het jaar, vooral op oudejaarsavond, kom je hier net als in Nederland om in de gillende keukenmeiden, verkeerde vuurpijlen en al dan niet doffe knaldingen. Ik heb het daar niet op en ben niet de enige, kijk maar naar de vele honden die dezer dagen niet weten waar ze het moeten zoeken. Dat de jeugd daar, in deze crisistijd, miljoenen aan uitgeeft, wordt het niet tijd dat de politie daar vooral in de dagen voor nieuwjaar achteraan gaat.
Als hermandad al iets doet en niet zelf aan het bommetjes gooien is, is het dat “ze” scherp controleren of de jeugd niet op straat aan een flesje bier of een colaatje rum lurkt. Het alcoholgebruik mag best de spuigaten uitlopen, maar wel in cafés en disco’s of binnenhuis. Er is zelfs voor de zoveelste keer een campagne opgezet, met grote borden her en der in de stad. Hier is een stukje onvervalst Spaans, maar ook een Engelstalige versie is voorhanden. “Hacer botellón no es rentable. Las sanciones van desde 150 a 300 euros. Marcha si, ruido no. LPA: una ciudad que respeta.”
Als ik op Nieuwjaarsdag ‘s morgens vanaf mijn balkon naar beneden kijk, zie ik aanhoudend groepjes jongeren die er kennelijk een lange nacht op hebben zitten, met de nodige drank “in hunne gieles”. Bijna zonder uitzondering zijn ze gekleed alsof ze op weg zijn naar een receptie, zo officieel. Ik zie veel zwarte pakken en idem jurken met nylonkousen. Vooral op de boulevard schijnt het nu te doen te zijn; daar is de laatste statie van de lange statieweg (maar dat idee hoort meer bij Pasen dan bij nu). Ik zie op Santa Catalina ook de nodige jeugd bij de bushaltes zitten, ik neem aan niet om daar nog eens de bloemetjes buiten te zetten, maar om eindelijk huiswaarts te keren.

In mijn vorige brief vertelde ik jullie over een koppel aan de overkant van mijn etage dat net als ik veel tijd op het balkon doorbrengt. Het waren zoals verwacht toeristen; in ieder geval is men weer vertrokken. Dat zie je hier toch veel nu: flats die leeg staan en wachten op af en toe bewoners voor korte tijd. Ik tel zo vlug vanaf mijn balkon vier of vijf flats aan de overkant waar niets te doen is. En ook bij mij in huis zijn er lege plekken. Het is als met allerlei winkels, hier en als ik Ton goed begrijp, ook in Maastricht: meer leegstand dan je in alle redelijkheid voor mogelijk houdt.

Tot slot van deze eerste brief van 2014 heb ik deze keer een vraag naar een Spaans rijmwoord voor jullie. De afgelopen dagen was het “felicidades”, prettige feestdagen op straat niet van de lucht. Met kerstmis en “feliz navidad” heb ik niet erg veel op; mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar alleen “gelukkig nieuwjaar”, “próspero año”. Hoeveel woordjes van twee lettergrepen kunnen jullie bedenken die eindigen op “año”? (Woordjes als extraño” (vreemd) en “tamaño” (grootte) mogen dus niet meedoen.) Ik kom met de nodige moeite op een drietal: “baño”, “daño” en “paño”, maar met de hulp van mijn onvolprezen woordenboek komen er nog drie bij:
Baño Bad(kamer)
Caño Rioolbuis
Daño Schade
Maño Iemand uit de provincie Aragon
Paño Doekje
Raño Schorpioenvis
Mijn huiswerk voor volgende keer is of jullie woorden weten die rijmen op “próspero”? Let wel, er staat wel een streepje op de o van próspero, dus woorden als “cero” (nul) en “pero” (maar) kan ik helaas niet goed rekenen. Het gevraagde woord of woorden dient te eindigen op “óspero”.

Mag ik daarmee mijn brief afsluiten? Ik weet het, in andere jaren mogen jullie en ik direct na nieuwjaar al aan carnaval gaan denken. Als dat op laten we zeggen officieel op 12-14 februari valt, inofficieel in Maastricht begint het dan op vrijdag 10 februari, staan we halverwege januari op de markt om “de groeten oonbekinde” en even later nog steeds “de groeten oonbekinde” toe te zwaaien. Dit jaar is carnaval pas in maart en dus zal ik daar in alle eerlijkheid daar niet nu al over beginnen. Laten we eerst maar eens de drie koningen gaan verwelkomen, die hier a.s. zondag en maandag twee keer sinterklaas en een keer zwarte piet komen spelen.
“In the meantime” hoop ik met jullie dat de komende Hollandse weken niet al te koud worden. Dan hoef ik Ton ook niet naar mijn Maastrichtse stulp te sturen om de verwarming een paar graden hoger te zetten. Verder heb ik eerlijk gezegd niks te verhapstukken. Het ga jullie goed, doe de ijzers alvast eens onder en trek eens een baantje door het huis, laat je niet gek maken door de rayonhoofden van de Friese Elfstedentocht en zoek de zon op, al was het maar onder je zonnebank. Hier doe ik mijn best om jullie weer een aantal dagen te vergeten, tot ziens, hasta luego, en “veer zien us”, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Mijn eerste boek is er een dat ik met name Bert van harte kan aanbevelen, omdat het over macro-economie gaat. Schrijver is de Duitser, Andreas Eschbach, het is gepubliceerd in 1996 en heet “De erfenis van Fontanelli”. Zoals wel vaker ben ik voor de oorspronkelijke titel, “Eine Billion Dollar”, maar de vertaling in “De erfenis van Fontanelli” is niet verkeerd. Tot de diverse locaties van het boek reken ik in ieder geval Florence, Londen en New York, maar ook diverse andere plekken.
In notendop: in 1495 heeft ene Giacomo Fontanelli in Florence 300 florijnen opzij gezet bij een bank, dat is ongeveer het equivalent van 10.000 dollar. (Eigenlijk had hij schulden en kwam het geld van zijn onbekende vader, Jacob Fugger de Rijke uit Augsburg). Vijf eeuwen lang bracht de rekening 4% rente per jaar op en hoeveel is dan het totale bedrag in 1995: duizend miljard dollar. (Vergelijk het verhaaltje van het schaakboord met op ieder nieuw veld het dubbele aantal graankorrels; dat worden er ook heel veel op veld 64).
Ze hebben het steeds voor zich gehouden, maar op 23 april 1995 maken de advocaten van de Fontanelli’s (padrone Cristoforo, zijn zoon en neef Gregorio en Alberto en de jonge Eduardo) bekend wie de erfenis gaat krijgen. De beoogde erfgenaam, de slimme tiener Lorenzo, is net twee weken eerder door bijensteken overleden, dus gaat het hele bedrag nu naar jongeman John Fontanelli. Op dat moment is hij pizzabezorger in New York en zijn fysieke leven verandert drastisch, om het maar eens zo eenvoudig mogelijk te zeggen. In het testament staat dat het geld er mede is om de mensen hun verloren toekomst terug te geven, dat hij de deuren naar de toekomst moet openen. En daar gaat hij nog werk van maken ook. John huurt een uiterst slimme (sluwe) zakenman in om hem daarbij te helpen, Malcolm McCaine, die zich een paar maanden al tot (zet-)baas van Fontanelli Enterprises uitroept, met een jaarsalaris van 100 miljoen. Zelfs haalt hij John over om hem “pro forma” tot zijn enge erfgenaam te benoemen. Als veel later blijkt dat Malcolm zich via een consultancybedrijf nog eens met een miljard verrijkt heeft, wordt hij door John ontslagen en wordt vervolgens wel diens belangrijke concurrent.
John Fontanelli heeft twee vrienden uit zijn New Yorkse tijd. Zijn voormalige huisgenoot, basgitarist Marvin Copeland mag best een beetje meeprofiteren van John’s rijkdom, dat doet hij met verve, maar vervolgens zien we Marvin alleen maar foute dingen met zijn geld doen. Dan is er John’s andere jeugdvriend, de briljante Paul Siegel; die wordt de opvolger van Malcolm in het concern. Ook zijn er diverse dames die om aandacht smeken. Het aantal aanzoeken van vrouwen om met John te trouwen is gigantisch, maar John wordt daarvan gevrijwaard. Hij houdt het in de jaren na 23 april 1995 bij slechts enkelen. Eerst komt Sarah Brickman nog even voorbij, dan Constantina Volpe (die hij overdoet aan Marvin), daarna schoonheid Patricia deBeers en tenslotte Ursula Valen, met wie het helemaal klikt.
Wie zal ik verder nog noemen? Natuurlijk is er de persoonlijke lijfwacht Marco Benetti en diens vele helpers, gluiperd Randolph Bleeker, die best een stuk van het vermogen wil hebben, Alain Broussard en zijn personeel van jacht Prophecy en dan vergeet ik de bemanning van vliegtuig Moneyforce One maar even. Last but not least is er ook nog een professor, Harlan Collins van het Instituut voor Toekomstonderzoek, die het hele boek door met zijn honderden medewerkers en idem dito computers bezig is om door middel van allerlei simulaties te voorspellen hoe erbarmelijk het met de wereld zal aflopen en hoe weinig daaraan te doen zal zijn. Het rapport van de club van Rome uit 1972 is er niks bij. Het boek van Andreas Eschbach eindigt met de verkiezing van de wereldpresident, als ik het wel heb, een beetje een abrupt slot.
Zal ik het boek de hemel in schrijven? Het begint allemaal ontzettend mooi, maar gaandeweg komt er een beetje de sleet in. Wat Andreas Eschbach met zijn “Eine Billion Dollar” idee voor ogen heeft, een heel milieuvriendelijke wereld, die niet van geld in elkaar hangt, gaat in de loop van het boek verloren in – ik kan het ook niet helpen - allerlei macro-economische beschouwingen. Het 550 bladzijden tellende werk wordt voor mij daarmee een schoolvoorbeeld van een boek dat te uitgesponnen is en daarmee zijn zeggingskracht langzaam, maar zeker verliest. Mijn recensiecijfer is navenant; dat daalt van een 9 in het begin naar een 8 naarmate het boek vordert, en tenslotte naar een 7, als ik aan de laatste honderd bladzijden bezig ben. Het is en blijft een aardig boek, maar overhouden doet het uiteindelijk toch niet.

Er is ook nog een boek 2: “Native Tongue” van Carl Hiaasen. Het is zijn vierde in een rij van 14 plus, uit 1991. Hiaasen was toen pas 38, want hij is van 1953. En hij is van Florida, daar speelt het boek dus ook, in Key Largo onder Miami.
Wie zal ik eens de hoofdrol toebedelen in het boek? Er zijn verschillende partijen. Eentje bestaat uit de inbrekers Bud Schwartz en Danny Pogue, die in opdracht van de bejaarde milieuactiviste Molly McNamara twee uiterst zeldzame mango woelmuizen stelen, met een blauwe tong, uit een dierenpretpark a la Disney World in Zuid-Florida. De woelmuizen gaan helaas even later er onderdoor en blijken trouwens meer rat dan woelmuis te zijn. Het pretpark heet Amazing Kingdom Of Thrills, de baas ervan heet Francis X. Kingsbury. Vroeger was hij in New York gewoon smeerlap Frankie King en de maffia zit nog steeds achter hem aan. Kingsbury’s rechterhand heet Charles Chelsea, diens PR man is journalist Joe Wilder en het hoofd beveiliging is een klerenkast genaamd Pedru Luz. Joe Wilder stapt tijdens het boek van zijn Nina, van de sextelefoon, over op Carrie Lamier, in het dierenpretpark verkleed als Robbie Raccoon (wasbeer). En dan is er woeldierspecialist Will Koocher, die ontdekt dat de woelmuizen (“voles” in het Engels) geen mango woelmuizen zijn en vervolgens voer wordt voor de orka, die daar zelf in stikt. In zijn plaats komt vervolgens Dickie the Dolphin.
Er zijn belangrijke bijrollen van ex-gouverneur Clinton Tyree, die sinds 15 jaar als zwerver Skink door het leven gaat, van de zwarte politieman en diens vriend Jim Tile en van golfprofessional Jake Harp. De laatste komt in beeld, als Frankie King naast zijn dierenpretpark ook nog een golfbaan met huisjes en alles erop en eraan wil beginnen en de politici daarvoor al over de streep heeft getrokken. Bindt Molly McNamara opnieuw de strijd aan evenals Skink en ook Joe Winder, want die werkt intussen niet meer tussen de dieren en schrijft stukken om het park in diskrediet te brengen. Leiden de slechteriken een smadelijke nederlaag en komen de goeden in het boek goed weg? Vallen er behalve Koocher nog meer doden? Dat spreekt vanzelf, hulpje Churrito van Pedro Luz legt het loodje door een schot van een baviaan. En huurmoordenaar Lou, door de New Yorkse maffia naar Zuid-Florida gestuurd, schiet per ongeluk Jake Harp het ziekenhuis in.
Als tussenstukje geef ik jullie een van de gedichten die Nina aan de sextelefoon onsterfelijk lijken te maken. “Your hands find me in the night, burrow for my warmth. Lift me, turn me, move me apart. The language of blind insistence, you speak with a slow tongue on my belly, an eyelash fluttering against my nipple. This is the moment of raw cries and murmurs when nothing matters in the vacuum of passion but passion itself...” Daarbij valt haar eerdere “dry-humping on the Amtrak” en het “sucky-fucky” van haar college Miriam in het niet. En mag ik ook Joe Winder eenmalig citeren? Hij vindt de geluidsinstallatie van Carrie matigjes, maar beter dan niks. “Low fidelity is better than no fidelity.” Die ga ik zelf ook nog eens gebruiken.
Hadden jullie het al door? Die Carl Hiaasen is mijn man, zijn “Native Tongue” moge dan geen hartverscheurende thriller zijn, het boek is zo komisch en zo vol met “kort Amerikaans” dat ik het in (haast) één ruk heb uitgelezen. Wat een boek! Mijn recensiecijfer is navenant: een 8½, wat zeg ik, een 9. Ik heb er eerder een paar van Carl Hiaasen gelezen, maar nu ga ik zeker achter andere boeken van hem aan.

vrijdag 27 december 2013

Welogbrief 9.11, 27 december 2013

Weblogbrief 9.11, 27 december 2013

Laat ik eens beleefd beginnen, zelfs met een beetje terugwerkende kracht: ¡Feliz Navidad, Próspero Año, Felicidad! Misschien weten sommige van jullie het nog: “Feliz navidad” en wat erop volgt, is al vele jaren de grote kersthit hier. “Stille nacht, heilige nacht” (Noche de paz, noche de amor) kan daar absoluut niet tegen op, laat staan “De herdertjes lagen bij na-a-achte” of “Venite adoremus”. Alleen het uit de VS overgewaaide “Jingle bells” (Dulce navidad) is nog met “Feliz navidad” in de race voor de eerste plaats.
Aan de andere kant, de kerst is alweer voorbij; we gaan op “Nochevieja” en “Año nuevo” aan. Dan rest mij om jullie allemaal langs deze, mij sympathieke weg alleen nog “‘ne gooie roetsj en e zaolig nuijaor” te wensen, “and many happy returns of the year”.

Een kleine correctie, of liever gezegd een kleine aanvulling op een verhaaltje uit een vorige brief moet kunnen. Een paar weken terug heb ik jullie gewezen op de indrukwekkende inscriptie, in uitgebeitelde hoofdletters, bij de ingang van het oude faculteitsgebouw. Ik ga ze niet herhalen; voor de ingang rechts wordt het “PATRONADO” keurig tot in detail benoemd. Vertel ik het aan Cristina, blijk ik en ander onvolledig te hebben opgedist. De linkerkant is over het hoofd gezien; daar staat in dezelfde belettering: DIVISION DE MEDICINA. Wat een misser! Bij dezen maak ik het goed.
(Hoewel ik me serieus afvraag of les geven en onderzoek doen in al die preklinische vakgebieden in hun huidige omvang wel thuishoort in de geneeskunde. Als ik de baas en alleenheerser was van een medische faculteit, maar dat ben ik niet, zou ik veel minder aandacht besteden aan vakken als histologie, biochemie, virologie, farmacologie en noem ze maar op. . Een centrale vraag voor mij zou zijn of een vooruitgang in de geneeskunde vooral geboekt wordt door een beter pathofysiologisch inzicht of veel meer komt door het in de praktijk uitproberen van dingen met als sluitstuk clinical trials.

Muziek! De eer om muzikant van de week te zijn komt deze keer toe aan Carlos Gardel (eigenlijk heet hij Charles Gardes). Daar hoort een verhaaltje vooraf bij. Al de nodige jaren heb ik een dubbel-cd van hem in mijn collectie, “Grandes de Gardel”, met de 30 bekendste nummers. Ik draai zijn gefleemde zang nog steeds met alle genoegen af, al was het maar om mijn week Buenos Aires in 1992 (?) te laten herleven, waar ik een cassettebandje van hem kocht. De man, geboren in 1890 in Buenos Aires, maakte zijn eerste plaat, een “tango canción”, in 1917, “Mi Noche Triste”. Wat heeft hij daarna ontzettend veel mooie liedjes geschreven (met teksten van Alfredo la Pera) en er nog meer gezongen. En vergeet de meer dan twintig films niet, waarin hij speelde! Het is heel jammer dat de man in 1935 om het leven kwam bij een vliegtuigongeluk. Liedjes als “Mi Buenos Aires Querido”, “Volver”, “Por una cabeza” en “Caminito” staan in mijn geheugen gegrift.
Jorge heb ik de afgelopen jaren een paar keer gevraagd om voor mij muziek van Carlos Gardel op het internet te zoeken, maar zonder enig succes. “Die is van voor de oorlog” (zelfs de Spaanse burgeroorlog, denk ik dan), hoor ik hem nog roepen “en niet echt te vinden”. Bovendien is Jorge zo iemand die, als hij zelf iets maar pet vindt, hij niet erg bereid is om het op te zoeken. Ik ben Jorge deze winter nog niet tegengekomen op de universiteit of daarbuiten, dus nog weer eens opnieuw ernaar vragen laat ik uit mijn hoofd.
Afgelopen zaterdagmiddag liep ik van Santa Catalina naar Santa Ana, om het eens van plein tot plein te zeggen. Ik ging deze keer boven langs, over de Tomás Miller, de Pius XII en de Tomás Morales, op weg naar de Daily Price van Triana. Laat nou intussen precies ernaast een andere tweedehandse platenwinkel zijn deur hebben geopend, met vooral lp’s, maar ook wel cd-tjes. De zaak heet 33Revoluciones en wat schetst mijn verbazing, toen ik me daar voor de somma van €7 drie cd’s van Carlos Gardel kon aanschaffen van “Su Obra Integral”, een Spaanse serie uit 1990-91 van uitgever/platenmaatschappij El Bandoneon: zestien cd’s met daarop aan een stuk door nummers die ik niet ken. Het gaat om volume 8, 11 en 15 uit het rijtje, resp. “Garçonniere, carreras, timba...”, “Pobres chicas” en “Bandoneón arrabalero”. Bij elkaar heb ik het over 57 nummers, het ene nog ouderwetser dan het andere en wat zitten er weer pareltjes tussen. Het zijn er zoveel dat ik ze maar eens niet ga noemen; bovendien, ik neem aan dat jullie toch van niks weten.
Mijn afgelopen kerst is er vooral een geweest met Carlos Gardel op de boxen. Wat ouderwets “soberbio”! Nu nog even de andere 13 cd’s van Su Obra Integral bij elkaar harken en ik ben, wat Carlos Gardel betreft, helemaal op sterkte.

Stel, je bent iemand die niet erg warm loopt voor geschiedenis en daarbij die Gardel maar niets vindt. Je bent meer een fan van de keiharde beat van de laatste decennia. Dan heb ik hier en nu een alternatief. Om duistere reden heb ik een zwak voor de Smashing Pumpkins van Billy Corgan. Van hem solo heb ik een cd, “The Future Embrace”, maar als frontman van de Pumpkins kom ik onderhand tot een aardige serie. Hier zijn de albums die op mijn Verbatim staan en dan laat ik een “Disco Raro” zonder verdere aanduiding maar even buiten beschouwing:
(1991) Gish
(1991?) Gish 2. Trippin’ Through The Stars
(1993) Siamese Dream
(1994) Pisces Iskariot
(1999) Machina. The Machines Of God
(C2001) Rotten Apples, verzamel-cd
(2007) Zeitgeist
Sta ik bij 33Revoluciones in de bakken te kijken of ik nog weer een “Carlos Gardel” vind, zie ik zomaar, uit het niets, “Zero” van de Smashing Pumpkins voorbijkomen. De cd is van 1996 en voor drie eurootjes kun je een ontbrekende Pumpkinsplaat niet laten liggen. Billy Corgan en zijn maten, wat een onwaarschijnlijke pokkenherrie weten ze ook nu weer met smaak voort te brengen. Voor wie het naadje van de kous wil, zijn hier alle zeven nummers van de cd “in chronological order”:
01. Zero
02. God
03. Mouths Of Babies
04. Tribute To Johnny
05. Marquis In Spades
06. Pennies
07. Pastichio Medley
De eerste zes nummers van “Zero” duren een minuutje of 3 en daarna komt nog 23 minuten lang een orkaan voorbij. Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar “Zero” en nog meer naar “Pennies”, dat m.i. de concurrentie aankan met de beste nummers van het clubje.

Ik had eigenlijk een andere reden om op zaterdagavond in Triana/ Vegueta te belanden. Daar zou een “gran cabalgata de navidad de Triana” uittrekken. Echter, mijn gerommel in de zaak van 33Revoluciones hield me nogal op, zodat ik in de hoofdstraten aangekomen alleen het staartje van de optocht kon meepakken, meer niet. Het was wel heel druk in de buurt, met name in de calle mayor de Triana op nummer 89, waar binnen de “casa de navidad” voor de kinderen zijn deuren had geopend. De rij buiten was, toen ik erlangs kwam, meer dan tien meter, kleine kinderen met mama en papa dan wel opa en oma. Als allochtoon op leeftijd ga je in je eentje niet naar binnen. Ik liep dus door naar mijn bank bij de cafés in de straat, mijn uitkijkpunt van mensen daar. En nam op tijd de bus terug naar de Luis Morote.

Kerstmis tegenwoordig, dat is meer een zaak voor kerstmannen en -ballen dan voor de onbevlekte ontvangenis met het kindeke Jezus. Afgelopen woensdag mocht het weer eens zijn verjaardag vieren, met de “voedstervader” op gepaste afstand. Bij mij in de straat is het op de balkons opvallend rustig dit jaareinde. Ik moet al een meter of vijftig naar rechts gaan, voordat ik bij een helemaal fout balkon uitkom, met een grote “papá Noel” en nog drie minikerstmannen (kerstlui?) aan een touw plus een serie slingers en namaakkransen. Bij mij in huis hebben alleen de directe benedenburen van één hoog enige kerstversiering aan het buitenraam hangen: een arreslee in een doorzichtige plastic hoes, met een variant van Rudolf The Rednose Reindeer ervoor. Om het af te maken hangen op de trap binnen met plakband ook nog eens een kartonnen kerstboom op de deur bevestigd en daarnaast een tweede arreslee. Mijn zegen hebben ze, als ze de rommel na nieuwjaar maar in een vuilnisbak droppen.

En nu ik toch bezig ben met mijn straatje schoon te vegen, sinds nog niet zo lang woont bij mij tegenover, op nummertje 17op drie hoog links (van mij uit gezien) een stel, man en vrouw, dat mij wel bevalt. Het zijn veertigers, schat ik, hij ziet er bona fide uit met zijn kop zwart haar en zij is een te pruimen blondine, volgens mij niet uit een flesje. Zijn het Oost-Europeanen die hier overwinteren? Bijzonder aan de twee vind ik dat ze net zoals ik aanhoudend op het balkon plaatsnemen, daar eigenlijk min of meer bivakkeren, vooral hij. En nou komt het: hij zit de godganselijke dag te timmeren op wat volgens mij een laptopje is. Zij komt geregeld kijken, voorziet hem dan ook wel van koffie en zo. Enne... soms als hij er niet is, zit zij aan de computer op het balkon haar best te doen. De vraag dringt zich op wat hen bezighoudt, wat voor werk ze eigenlijk hebben. Het lijkt op een steenworp afstand wel een schrijversduo van thrillers zoals bijv. Nicci French of (vroeger) Sjöwall & Wahlöö?
Wat me vanzelf op de vraag brengt: zou ik dat kunnen, samen met iemand anders een boek schrijven? Als het er ooit nog eens van zou komen dat ik begin aan het neerpennen van een ongetwijfeld meesterwerkje, en dan mag ik wel opschieten. Ik vrees trouwens dat ik dat sowieso alleen maar in mijn eentje zou kunnen doen; zo zit ik nou eenmaal in elkaar. (En als ik vervolgens lees hoeveel mensen er al mee bezig zijn om hun kronkels aan het papier toe te vertrouwen, gaat het idee weer even snel over als het bij me opkomt.)

Wat is het nut ervan is dat “we”, niet “ik”, steeds maar weer uitgaan van en hopen op verdere economische groei. In mijn hoofd leidt dat vooral tot de aanschaf van steeds meer weinig nuttige dingen zoals (tweede) personenauto’s, overdreven hoeveelheden kleding en vooruit, ook allerlei weinig geslaagde apparaten zoals vaatwasmachines. In mei van dit jaar was ik, net in Nederland terug uit Las Palmas, op bezoek bij Harry in Oegstgeest. Greetje was op dat moment wandelen in de Ardennen en Trudie zat met Math op mijn buureiland Fuerteventura hier, “of all places”. Met zijn tweeën gingen Harry en ik, op de fiets nog wel, naar Leiden op bezoek bij voormalige Amsterdamse vrienden van mij, Bert & Ada. Om ze voor jullie te plaatsen, Ada is iemand die veel meer dan ik weet van Engelse literatuur en Bert is een net gepensioneerde econoom van het Centraal Plan Bureau in Den Haag. Bij Bert moest ik zijn voor mijn vraag over het nut van economische groei, vond ik. Ik vroeg het hem en kreeg uitgebreid antwoord, maar echt bevredigend vond ik zijn verhaal niet. Wie weet, had ik er weer eens niets van begrepen. Dus e-mailde ik hem er later nog eens over.
Bij iemand als Bert is het dan alleen nog maar wachten op zijn respons. Die kan even op zich laten wachten, maar komen doet hij. Omdat ik zelf al in mijn mail had gezegd dat er geen haast bij was, kreeg ik hem nu pas, als kerstcadeautje opgestuurd. Het blijkt dat ik twee economische begrippen door elkaar haal, te weten koopkracht en Bruto Binnenlands Product (BBP). Ik ben bepaald niet de enige die de fout maakt, als ik hem mag geloven. Koopkracht is het bruto loon minus belastingen en dat verschil gedeeld door de consumptieprijs. Bijv., wie meer verdient, heeft meer te besteden. Hetzelfde is waar, als er minder belasting geheven wordt en/of dingen goedkoper worden. Echter, economische groei en koopkracht hebben weinig tot niets met elkaar uitstaande. Economische groei verwijst naar het BBP, oftewel de som van consumptie, investeringen en export minus import. Bijv., als de export toeneemt en de andere componenten van het BBP blijven gelijk, is er sprake van economische groei. Het BBP is veel meer dan alleen consumptie, is een veel ruimer begrip dat volgens economen veel dichter tegen welvaart aan ligt. In de vorm van nog maar weer een voorbeeld: als de belasting verhoogd wordt om meer zorg aan chronische zieken te kunnen spenderen, daalt de koopkracht, maar stijgt het BBP door een toename van de investering in de chronische zorg. In het BBP zit niet alleen de consumptie van apparaten die althans volgens mij weinig nut hebben, maar ook allerlei dingen die algemeen als zeer nuttig worden gezien.
Er zijn, zoals dat hoort, ook problemen. Zo zit nuttig onbetaald werk er niet in en evenmin (plezier in) vrije tijd. Misdaad doet ook niet mee, omdat dat je die moeilijk in “officieel” geld kunt vangen. Daarbij, het idee van nut zit niet verweven in het BBP, tenzij iets als een collectief nut wordt gezien en als zodanig wordt geaccordeerd door het parlement, bijv. autogordels of accijns op sigaretten. Persoonlijk gepercipieerd “nut” is in de ogen van economen een te subjectief begrip en verschilt teveel tussen mensen. Een andere vraag is hoe je het BBP moet meten, om het niet erg te laten afwijken van het ideale BBP. Op de korte termijn zou dat voor het idee van groei kennelijk niet zoveel uitmaken. En wie in een speciaal onderwerp geïnteresseerd is, bijv. de CO2-uitstoot, kan zijn studie beter daarop toespitsen.
Wat zal ik verder van Bert’s uitgebreide antwoord, nog met referenties ook, zeggen? Het verbaast me hoe weinig ik van sommige vakken blijk te weten die ik op school niet gehad heb. Economie is er daar een van. Met bijv. “rechten”, het vak van mijn dochter, is het ook het geval. Je praat erover mee in gezelschap, maar beter kun je eerst eens een boekje erover gaan lezen. Dan kun je daarna altijd nog en veel gefundeerder roepen dat je het met de mensen die op een vakgebied aan de touwtjes trekken, niet eens bent. Wie van jullie heeft voor mij een recent boekje om mij de beginselen van de economie eigen te maken?

Mag ik terug naar een klein onderwerp? Ik ben een aanhanger, zelfs bewonderaar van de gele stadsbussen hier, wonderwel door de Palmezen “guaguas” genoemd. Ik vind het allemaal best, ook als ze hun vernieuwingen op borden aangeven. Bijv., bus 13 vertrekt niet meer van het plein op het einde van de Juan Rejón in Las Palmas-Noord, maar vangt zijn route op weg naar Las Palmas-Zuid aan bij de markt van Vegueta. Voor mij hoeft het busbedrijf niet ook nog eens met allerlei goedbedoelde slogans (op zijn namaakengels heet dat hier “eslogans”) te komen; het op gezette tijden voorrijden van de diverse lijnen is mij genoeg.
Dus wat moet ik vinden van de uitgeserveerde leuze: “ACERCAMOS ILUSIONES”, wij brengen illusies dichterbij, met daaronder het embleem van het busbedrijf, een soort van G met knopen? Vooruit, zo lang als mijn bussen maar vaak genoeg en tot ’s avonds laat op Santa Catalina stoppen, neem ik het voor lief, dat “acercamos ilusiones”, maar met enige moeite

Ik zit nou al weer twee maanden hier, maar heb nog geen een enkele brief of briefkaart ontvangen. Erg vind ik dat niet, tegenwoordig communiceren we vooral via e-mail en met SMS, als we elkaar al niet gewoon opbellen. Helaas, maar waar, postbodes (“carteros”) verdwijnen langzaam uit het straatbeeld. Toch staan hier in Spanje nog wel overal brievenbussen, groot en geel met langs de zijkant het woord CORREOS. En let nu goed op: er zijn ook iets kleinere, egaal groene postbussen. Die zijn alleen bedoeld voor de postbode, om tijdelijk post in te bewaren. Niet voor niets staat op zo’n bus: “Para uso exclusivo del cartero”. Doe daar dus niet je ansichtkaarten naar Nederland in, mocht je hier een keer op bezoek komen.

Ik heb jullie eerder toegezegd dat ik de kerststal van zand, de “belén de arena”, die deze winter al weer voor de achtste keer aan de “playa de Las Canteras” gereed staat voor een horde bezoekers, op eerste kersdag met een bezoekje zou vereren. Dat is intussen gebeurd en meevallen deed het mij ook dit jaar niet. Ik zag er wel een Spaans lesje in, daar gaan we:
“Bienvenidos a una nueva edición del Belén de Arena de Las Palmas de Gran Canaria, que abre las puertas a la Navidad más cálida y acogedora de Europa. La playa de Las Canteras se convierte de nuevo en un gran museo bajo el sol en el que nuestros visitantes pueden disfrutar del arte de los mejores escultores de arena del mundo y ver n directo cómo se modelan imponentes obras de más de veinte toneladas cada una.
Representantes de Italia, Dinamarca, Rusia y, por supuesto, España, recrean las escenas y lugares más representativos en torno al nacimiento de Jesús de Nazaret, convirtiendo nuestra playa en un mágico viaje en el tiempo. Acompáñanos y sumérgete en la Historia recreada con millones de granos de arena, arte e ilusión.”
Zo mooi zou ik het zelf niet kunnen verwoorden. Het letterlijke schouwspel is alle dagen open van 10 tot 10, tot en met 7 januari, als Driekoningen net is geweest. En willen jullie ook nog weten wat er te zien is. Het gaat deze winter om zes constructies, te weten de volgende:
1. El mar y sus gentes. Escena costumbrista en la que podemos ver un día cualquiera en la costa de Jerusalén durante la época del nacimiento de Jesús. Autora: Michela Ciappini (Italia)
2. Aguador fuente. Un anciano empuja a su mula hacia la fuente para llenar sus tinajas de agua. Autor: Mikhail Fedotov (Rusia)
3. A las afueras de belén. Vista desde la lejanía de las casas que predecián la proximidad de la Ciudad Santa. Autor: Jonay Ruiz (España)
4. Anunciación a la Virgen María. Arcángel San Gabriel anuncia a la Virgen María que está encinta del Hijo de Dios Autor: Vadim Gryadov (Rusia)
5. Ofrenda de los Reyes Magos. Recién llegados de oriente, Sus Majestades Melchor, Gaspar y Baltasar se disponen a ofrecer sus presentes a Niño Jesús. Autor: Alexey Dyakov (Rusia)
6. Nacimiento. El Niño Jesús acaba de nacer al abrigo de un buey y una mula en un humilde portal. Autor: Meter Busch-Jensen (Dinamarca)

En dat was hem dan weer, mijn laatste brief van dit jaar. Mijn volgende is gepland voor 7 januari, over 11 dagen, op de dag dat mijn oma Mai vroeger jarig was. Eerder lukt het me niet om er een te versturen, tenzij buiten de universiteit om (maar bijv. Noé zit dan op Goa in India). Immers, ze houdt vanaf 2014 zijn poorten een aantal dagen dicht in het begin van het jaar, mede uit zuinigheid? En daarbij is Driekoningen hier een feestdag, te vergelijken met in Nederland Sinterklaas, dus 6 januari is eveneens taboe. Ik vraag me zelfs af of ik vandaag, 27 december, nog wel binnenkom, in het oude faculteitsgebouw. Als jullie deze brief kunnen lezen, is me dat kennelijk gelukt.
Nog een paar dagen en het jaar is alweer om. Ik reken op een alcoholisch uiteinde bij jullie en hopelijk geen knallende hoofdpijn-begin. Voor wie dat aangaat, is er, neem ik aan, op nieuwjaarsdag erwtensoep en tomatensoep bij Marja thuis, en ik wil niet achterblijven. Voor de eerste dag van 2014 heb ik een heerlijke met groente gebonden makreelsoep op het programma staan. Van je hela hola, houd er de moed maar in de komende dagen en we kruisen elkaar weer over elf dagen. Hasta la basta, tot ziens in 2014, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Elia Barceló reken ik tot de betere Spaanse thrillerschrijvers, als ik afga op de twee boeken die ik eerder van haar heb gelezen, in het voorjaar “Bal masqué” uit 2004 en dit najaar “Tangohart” uit 2007. Waar ik haar naam voor het eerst ben tegengekomen, weet ik niet meer, maar leuk is ze op de foto. Ze is van 1957, uit Alicante, en werkt in het Oostenrijkse Innsbruck als docente Spaans op de universiteit daar. De afgelopen dagen was ik toe aan “El vuelo del hipografo” dat wonderwel in het Nederlands “Stemmen uit het verleden” heet, uit 2002. Het boek is meer dan 500 bladzijden dik, maar een man in ruste, zittend op zijn balkon in Las Palmas, doet er dan niet langer dan dag of drie, vier over. Hier is mijn recensie. Het boek speelt in Rome, Innsbruck en Umbria en daarbij in enkele andere werelden.
Hoofdpersoon is de 39-jarige Katia Steiner. Ze is filoloog, taalkundige (?), en komt van haar woonplaats Wenen over naar Rome om haar vriendin en antiquair Marianna (en haar Pia) te bezoeken. Niet veel later is ze de beheerder van het erfgoed van de net overleden hoogbejaarde José Maria (Chémari) Valcárcel. De man komt oorspronkelijk uit een plaatsje in het Spaanse Umbria, maar is (of beter was) al tijden professor filologie in Rome. In zijn nalatenschap vindt Katia informatie over de “club van 13”, een klein gezelschap geleerden dat graag naar andere werkelijkheden gaat behalve de huidige. De doorgang naar een dergelijke wereld gaat via een poort in bepaalde schilderijen, met een bijbehorende spreuk. In Rome wordt Katia verliefd op ene Rocco, die uit zo’n andere wereld afkomstig zou zijn. Intussen komen in de huidige tijd verschillende boeven op haar pad, zoals filoloog Fernando Cabrera uit Palencia, maar hij is in het echt Marino Garcia, en paragnost Pierluigi Bellochi, Il Divino, de ivoren man, die zich met eccellenza laat aanspreken, zo bekend is hij in de Romeinse glamourwereld. Bellochi zoekt mijn hele boek door naar mogelijkheden, wegen, om in andere werelden te geraken, als het moet kwaadschiks.
Een van de leden van de “club van 13” is Helmut Fink en om hem op te zoeken gaat ze naar Innsbruck. Dan maakt Katia met hem haar eerste uitstapje naar Terra Incognita in de andere wereld, waarna in het boek nog meer reisjes volgen. In het huidige Innsbruck krijgt ze van doen met politievrouw Gabi Mayr en nog meer met commissaris Wolf Altmann. De verschillende andere werelden laat ik verder voor wat ze zijn. Het einde, in de huidige tijd, is op een eilandje in Umbria, waar de broer, of is het de zus, van Chémari in een kasteel woont, met haar huishoudster en vriendin Ílida. Heel vroeger in hun jeugd zouden Chémari en zijn broer/zus stapelverliefd op elkaar zijn geweest, eindigend met het vertrek van Chémari naar Rome. En heeft het epos een pakkend einde?
Nou zou ik daarachter moeten schrijven: lees dit boek en je weet het, maar – eerlijk is eerlijk – echt een aanrader vind ik het boek niet. Wellicht heb ik het niet zo op allerlei parapsychologische verhandelingen en ongelooflijke andere werelden, ben ik teveel een man die genoeg heeft aan de huidige wereld en “doe maar gewoon”. Het is niet anders, maar dat vertaalt zich in nogal wat meewarig gemompel bij het afwerken van het verhaal. Ik ben de recensent en dus ben ik ook degene die het boek van een cijfer mag voorzien. Ik kom voor “Stemmen uit het verleden” van Elia Barceló niet verder dan een 6-, met de toevoeging dat ze wel leuk schrijft, dat blijft staan. Ga ik nog andere boeken van haar lezen, zoals “Donker geheim”? Ik denk het wel, maar nu even niet. Met “Stemmen uit het verleden” heb ik voorlopig genoeg Elia Barceló tot mij genomen.

Als je in twee boeken tegelijk bezig bent, is niet helemaal duidelijk meer wat boek 2 en wat boek 3. Zoals ik met mezelf had afgesproken, heb ik op 25 december het boek van Michel van Egmond gelezen, een biografie van het voetbalfenomeen (René van der) “Gijp”. Het was 245 bladzijden dik (of dun, wat jullie willen), met nogal wat wit, dus zoals verwacht kreeg ik het in één dag uit. “Gijp” was het populairste Nederlandse boek van 2013.
We gaan terug naar (ongeveer) 1961, als René geboren wordt in een Dordrechts gezin dat hem ruim 50 jaar later nog steeds bevalt, met een zorgzame moeder en vader Wim, een binnenvetter die wel heel goed kan voetballen. Dat kunnen een aantal van diens broers ook, vooral oom Cor van de Gijp, die qua karakter wel wat van Gijp weg heeft: neem jezelf niet te serieus, doe het rustig aan. De jonge René, geen gemakkelijke, wordt al op 17-jarige leeftijd voltijds prof bij Sparta, een rechtsbuiten die opvalt. Daarna volgen Lokeren in België, in de jaren 80 een droomperiode bij PSV, met o.a. Ruud Gullit, en daarna nog een paar clubs in Zwitserland. In het Nederlands elftal mag hij in de tachtiger jaren vijftien keer opdraven.
In zijn privé-leven heeft Gijp twee keer een langdurige relatie, eerst met Jacqueline (en zoon Sammy) en nu al weer achttien jaar met Daniëlle (en zoontje Nicky). Niettemin is René het liefst op zichzelf, thuis hangt hij graag voor de televisie, als hij niet aan het opruimen of in de sauna is. Zijn beste vrienden zijn er vier: journalist Maarten Spanjer, oncoloog Casper van Eijk, voetbalgek Mario Been en voetbalmakelaar Rob Jansen. Trainers (met als uitzondering Barry Hughes) krijgen van hem veel te veel krediet; hun bijdrage wordt, vindt hij, zwaar overschat. Zijn min of meer vriendschap met Johan Derksen dateert al van zijn Sparta-tijd en zet zich voort, als hij al lang en breed uitgevoetbald is.
Gijp’s tweede top komt, als hij voor RTL 4 in het programma Voetbal International van Wilfred Genee commentaar gaat geven op de voetbalwedstrijden, naast genoemde Derksen. Dan blijkt hij een ongekend talent te hebben voor kort en bondig en origineel analyseren van het spelletje, met de nodige grappen ertussendoor. In de zomer van 2010 is VI Oranje een dagelijks terugkerend programma, waarbij zijn naam en faam tot grote hoogte stijgt, terwijl het Nederlands elftal zowaar in Zuid-Afrika bijna wereldkampioen wordt. Daarvóór al en daarna helemaal kan hij het aantal dik betaalde lezingen niet of nauwelijks meer aan. Hij verdient in korte tijd “goud”. Echter, het aflopen van zaaltjes en zalen loopt uit de hand, hij wordt te aaibaar en krijgt last van paniekaanvallen. Ziek zit hij dan thuis, ook de tv-programma’s doet hij niet meer. Het duurt vele maanden, voordat hij daar weer van opknapt.
Ik vind, met de rest van Nederland, dat Michel van Egmond een pracht van een verhaal heeft geschreven over René van der Gijp, met heel veel humor, maar ook met oog voor de ups en downs in het privé-leven van hem. Een zeer goed gelukt portret! Mijn recensiecijfer is navenant: een 8½. Heeft die Michel van Egmond nog meer wapenfeiten op zijn conto? Dan moet ik daar toch eens achteraan.

Three is a crowd, dus heb ik, zoals trouwens al aangekondigd, ook nog boek 3 voor jullie, van een van mijn favoriete thrillerschrijvers: Robert Littell. Eerder besprak ik hier al een heel rijtje boeken van hem, om er eens twee te noemen die minder bekend zijn: “The October circle” en “The sisters”. En ik ben nog steeds op zoek naar andere. Soms vind ik er weer een, zoals deze keer “Walking back the cat”. Het is uit 1996 en speelt in de staat New Mexico in de VS.
Laat ik de inhoud beginnen met een wijsheid die commanding officer Pilgrim zijn helper Finn in de Golfoorlog voorhoudt: “War doesn’t decide who’s right, it decides who’s left.” Finn is een ex-militair en ballonvaarder, die met zijn “Spirit of Saint Louis” ballon in New Mexico belandt in een kleine gemeenschap Suma Apaches. Hij wordt daar goede maatjes met hoofdman Eskeltsetle, diens vrouw Shenandoah en hun kinderen Alchise en Doubting Thomas. De indianengemeenschap runt het Rattlesnake casino, waarmee ze heel wat geld verdient, maar de inkomsten worden behoorlijk afgeroomd door een maffiaclub. Op locaal niveau is Early, een journalist, erbij betrokken; iets hogerop vinden we “Green Bow Tie” Harry Lahr en daar weer boven komt ene Dewey (Egidio de Weij). Hoe veel verder omhoog strekt de organisatie, het Consortium, zich uit?
Finn wordt al vrij vooraan in het boek bijna vermoord door ene Parcifal, Edouard Chekladovilli, een ex KGB-er, die tegenwoordig beroepsmoordenaar is en zijn opdrachten krijgt van ene Le Juif. Dan blijken de orders niet meer uit Moskou te komen, maar zonder dat hij het weet, van hetzelfde Consortium, met dezelfde baas als die van Dewey aan het hoofd. Vervolgens zijn Parcifal en Finn samen bijna het hele boek door bezig om het verhaal terug te ontrafelen, “walking back the cat”, een CIA-term, en de baas van het Consortium te torpederen. In hoeverre dat lukt, moeten jullie maar zelf uitzoeken.
Hoe kan het anders, “Walking back the cat” van Robert Littell haalt voor de zoveelste keer met gemak het vereiste niveau. Het verhaal is spannend en de inkijk in het dagelijkse leven van de Suma Apaches geeft het boek zijn “twist”. Af en toe is het Engels mij iets te machtig, maar vooruit, dat ligt meer aan mij dan aan Robert Littell. Ik geef “Walking back the cat” een volle 8 als recensiecijfer. Rest me jullie te vragen: wie kan mij eindelijk het boek “Mother Russia” van Robert Littell eens bezorgen? Daar zoek ik al jaren naar.