Weblogbrief 9.16, 20 januari 2014
¡Buenas! ¿Qué tal bien? Het is een apart weekje geweest, vooral het eerste deel van de week met Trudie, tot zaterdagmiddag. Als het anders was, zou ik het (misschien) ook zeggen, maar we hebben het getweeën best leuk gehad. En wat hebben we veel gedaan, zij meer dan ik, dat weer wel! Trudie leeft pas echt, als ze van hot naar her kan rennen en zelfs in haar vakantieweek geeft ze dat gedaan. En ik moest af en toe mee, gelukkig niet altijd, en de week is me prima bevallen. En passant heeft ze mijn diepvries gevuld met twee kilo zuurvlees, bijna twee kilo goulash plus nog anderhalf pond gehaktbal, allemaal keurig ingepakt in tupperware doosjes van steeds ruim een volwassen portie. Ik kan een tijdje vooruit in het kwadraat.
Pas weer vanaf zaterdagmiddag had ik weer alle tijd om mijn eigen dingetjes te doen. Ik was het afgelopen weekend druk bezig om mijn tweede boek uit te lezen. Daar bovenop kwam het schrijven van deze weblogbrief, nummertje 16, en ook daar mogen jullie niet te licht over denken. Vandaag kan ik jullie verblijden met enkele recente wetenswaardigheden.
Muziek! Op speciaal verzoek van Trudie moest er iets Frans uit mijn computer komen. Ik zoeken en kwam, een beetje met haar hulp, op Gilbert Bécaud, monsieur 100.000 volt, omdat hij zo prominent aanwezig is bij zijn optredens. Hij is van 1927 en heeft op zijn oude dag - hij overleed in 2001 - nog eens een de bonbonnière in Maastricht opgetreden, staat mij bij. Wie toen naar binnen wou, moest geloof ik wel 275 gulden betalen, bepaald geen kattenpis. In zijn jonge jaren was hij bevriend met mijn jeugdliefde Caterina Valente; alleen daarom al zal ik hem niet afvallen.
Gilbert Bécaud is vooral bekend, beroemd mag ik wel zeggen, van drie nummers. Jullie kennen natuurlijk allemaal “Nathalie” uit 1964 (La Place Rouge était blanche; la neige faisait un tapis). Nog bekender is Gilbert Bécaud van zijn nummer uit 1961 “Et maintenaint” (Que vais-je faire de tout ce temps que sera ma vie). Dat werd een Franse hit in Europa en ook nog eens een hit in de Engelstalige landen onder de naam: “What now, my love?”. De mij bekendste versie is van Shirley Bassey, maar bijv. Sonny & Cher, Frank Sinatra, Elvis Presley en Andy Williams hebben het ook opgenomen. En dan komt nu nummertje drie, waarmee de man goud heeft verdiend, “J’appartiens”. Wisten jullie dat? Van dat liedje schreef hij de muziek (en Pierre Delanoe de tekst, geloof ik). Het is een wereldhit geworden van de Everly Brothers, in het Engels onder de titel “Let it be me”. Daarna werd het ook nog eens op de plaat gezet door o.a. James Brown, Jerry Butler, Willy Nelson, Bob Dylan en Nina Simone.
Van Gilbert Bécaud heb ik een cd met twintig van zijn bekendere nummers en ook nog de dubbel-cd “J’appartiens” met 12 plus 14 liedjes. Houdt het allemaal over? Nee dus, ik vind helaas van niet. En toch, sommige andere liedjes zijn best de moeite waard. Kennen jullie bijv. “Credo”, “L’important, c’est la rose”, “Monsieur le president”, “Rosy et John” of “T’est venu de loin”? Die zijn best in orde.
Gilbert Bécaud is van origine een pianist. Hij bedient zich graag van het instrument als begeleiding bij zijn uitbundig gezang. Dat geldt eveneens voor zijn alternatief, mijn tweede artiest, die ik uit het boek van La Palmen heb. In mijn boekenbijlage beneden geef ik daarover geen bescheid, maar het is wel zo. “Ergens” in Palmen’s boek gaat het over Professor Longhair en over die wou ik het hier ook hebben. Hij is alweer pianist, werd geborem in 1918 in het Amerikaanse New Orleans, heet eigenlijk Roy Byrd. Voor de kenners, althans sommige, is hij de “founding father of the New Orleans R&B”. Zijn muzikale hoogtijdagen zitten, als ik het wel heb, rond 1950 met vooral “Tipitina”, maar ook bijv. “In the night” en “Ball the wall”. Een opleving vond plaats in de jaren na zijn dood in 1980.
Ik heb zegge en schrijve maar één enkele cd van professor Longhair, “Live in London”. Het is een uitgave uit 1996 uit de immense serie The Blues Collection, nummertje 64. In totaal gaat het bij The Blues Collection over zo’n 90 artiesten, een serie die ik een paar jaar geleden van Jorge mocht kopiëren, maar waarvan ik later de cd’s beginnend met een a t/m d ben kwijtgeraakt. Die van Blind Willie McTell en van Blind Lemon Jefferson bijv. heb ik helaas niet meer, wel verderop ben ik nog helemaal bij de les.
Mag ik dan nu naar de klanken van professor Longhair, althans de weinige muziek die ik van hem heb? Eerlijk is eerlijk, er staat van alles op “Live in London”, waarvan ik – ik kan het niet helpen - wel eens een betere versie heb gehoord. Geef mij maar “Mess around” van Ray Charles, “Whole lotta Loving” van Fats Domino of “Shake rattle and roll” van Bill Haley. Echter, professor Longhair’s “Tipitina” vind ik wel en ook bijv. zijn “Go to the Mardi Gras”. De man’s stem heeft wel wat van die van Elvis the pelvis, maar alweer, overhouden doet het niet. Hij valt me eigenlijk een beetje tegen, in ieder geval op deze cd. Zij aardigste nummer is voor mij nog “Big chief”, waarop ik tevens verblijd word met zijn fluittoon.
Ik ga jullie eens iets vertellen dat “not done” is, “niet gedaan”, maar als ik dat zeg, begrijpt niemand het. Bij mij om de hoek, in de Vientinueve de Avril, is nog een ouderwetse bontzaak. In goed Spaans heet dat een “peleteria”; dat woord staat ook op een bord aan de deur. En dan zit ik te denken... Vreemd genoeg heeft het woord “pelete” niks met bont; een “pelete” is een armoedzaaier. En “en pelete” is spiernaakt, hoewel, meestal zeg je “en cueros”, “en pelota” of, in beter gezelschap, “completamente desnudo”. Het woord “peleteria” is etymologisch verwant aan het woord “piel”, huid, zoals in “piel roja”, roodhuid, maar ook in zijstraten zoals “piel de elefante”, olifantshuid en “piel de gallina”, kippenvel. Naast huid betekent “piel” echter ook leer en bont. “Piel de cerdo” is varkensleer en “piel de suecia” (of “ante”) suède. Als er op de huid van het beest genoeg haren zitten, spreek je niet van leer, maar van bont. “Piel de zorro” is vossenbont en een “cuello de piel” een bontkraag.
In Nederland is het dragen van bont vandaag de dag compleet taboe. Wie zich met een bontjas of zelfs met alleen een bontkraag op zijn jas op straat waagt, loopt het gevaar om met een spuitbus besmeurd te worden en anders toch op zijn minst te worden beschimpt en uitgelachen. Zelfs met carnaval kan een vrouw zich niet goed meer met een van de zolder gehaald bontje vertonen. Met leer is min of meer het tegenovergestelde aan de hand. Leer kan wel, heeft zelfs iets milieuvriendelijks. Een leren jasje of leren schoenen zijn boven alles duurzaam. Wie heeft ’s winters niet een leren jasje aan de kapstok hangen? Als het buiten koud is, is het dragen van een suède jas bepaald niet verkeerd. Idem dito, bij nette gelegenheden kun je niet op stoffen schoenen komen aanzetten; dan heb je leren schoenen aan je voeten, eventueel leren laarzen.
Ik vind dat wie voor leer en tegen bont is, met twee maten zit te meten. Hooguit kun je als actievoerder tegen bont volhouden dat het houden en doden van dieren op een onaangename manier verboden zou moeten zijn, of je de huid erna nou gebruikt als bontje of als leerstuk. Zo maar tegen bont zijn en wel leren schoenen dragen heeft iets fouts.
Uit het beneden te bespreken boek van Connie Palmen over (vooral) de dood van Hans van Mierlo haal ik een citaat van haar, dat ik jullie ter mijmering voorleg. Ik ga daarvoor naar bladzijde 234 van het boek: “Alcoholisme heeft niets te maken met het aantal glazen dat iemand drinkt. Een alcoholist definieer je door zijn verlangen. Een alcoholist drinkt om dronken te worden.”
Laat ik eens iets leuks vertellen over de donderdagmiddag. Trudie en ik hadden op mijn verzoek afgesproken met Noé en Lorena om te gaan lunchen bij Casa Carmelo. Zag ze die twee Canarische vrienden van mij, eentje (Noé) net terug uit Goa in India, ook eens een keer. En inderdaad, wij zaten maar net aan onze aperitief daar of ze kwamen eraan om ons overenthousiast te begroeten, mij als habitué en Trudie als nieuw verworven amiga holandesa. Wat eet je in het beste vleesresaurant, zo niet van heel Las Palmas, dan toch wel van dit deel van de stad? We begonnen maar eens met de drank: bier, rode wijn en spa, en de bekende broodjes met sausjes. Daarna kwam een grote, salade op tafel om de gezondheid in ere te houden. Om te vervolgen met grote biefstukken voor mijn compagnons en een stuk lam voor mezelf. De “cordero” was van hier, maar de “churrasco” net als de ober uit Argentinië, Toen Lorena hem vertelde dat ze ook Argentijns was en ze vervolgens allebei uit Buenos Aires bleken te zijn, hadden Trudie, Noé en ik geen kind meer aan haar. Met haar “camarero” nam ze het leven in hun geboortestad tot in detail door.
Het is een wonder, maar we kregen alle vier ons hoofdgerecht helemaal op. Daarna begon het natafelen, “la sobremesa”, onder het genot van wodkacaramel van de zaak. Ruim een halve fles Sobieski uit Polen kwam op tafel en bleef daar voor ons staan om bij te schenken. Een geslaagde middag!
Voor het toetje, koffie en taart, nodigden Noé en Lorena ons uit om ons te verplaatsen naar Mad Bread, een nieuw etablissement ietsje verderop aan de boulevard. Daar werden we bovendien getrakteerd op Noé’s vader die op Las Canteras voorbijkwam en naar binnen gehaald werd. Hij lijkt sprekend op Noé, heeft ook hetzelfde sympathieke voorkomen. Pas om bijna 6 uur waren Trudie en ik weer terug in de flat. Mijn “novia” verklaarde vervolgens dat het op het balkonnetje nogal waaide (hoe zo?) en viel prompt op het bed in slaap. Is dat nou wat de mensen hier verstaan onder een siësta?
Aan tafel moest Trudie uiteraard vertellen over haar geocaching. Het is denk ik oorspronkelijk een Engelstalig woord; het Engelse cache, betekent verbergen en ook een geheime opslagplaats. Trudie vroeg aan Lorena en Noé hoe geocaching in het Spaans heet. Eerst kwam het tweetal aanzetten met “busqueda del tesoro”, zonder een R achter de T, maar dat is mij teveel een omschrijving. Toen werd het woord “yincana” bedacht, maar in hoeverre dat ook klopte, wisten ze niet. Ik heb het opgezocht in mijn woordenboek. Het had kunnen staan tussen “yihad”, jullie welbekend, en “yira”, tippelaarster, maar daar staat het niet.
¡Yincana! Het is aan mij niet echt besteed, hoewel ik afgelopen vrijdag Trudie wel het halve eiland ben afgereisd per autootje om een paar caches te vinden; in Agaete en Puerto de Mogan. Ieder zijn meug, zal ik maar zeggen. Zo lang als ik een leesboek bij de hand heb, mag ze best op zijn tijd door de oerwouden lopen.
Groente- en fruitwinkels heb je hier de laatste jaren in overmaat. Mn probeert de grote winst van concerns zoals De Spar, HiperDino en El Corte Inglés af te romen door hetzelfde product voor een lagere prijs aan klanten aan te bieden. Soms kom je dan groentesoorten of soorten fruit tegen, waarmee wij in Nederland niet bekend zijn.
Met Trudie liep ik woensdag over de Tomás Miller naar de Mercado Central en toen zagen we in zo’n winkel, hier altijd helemaal open naar de straat toe, kakis liggen. Ze zien uit als grote tomaten, hebben wel een iets strakker vel. En allebei hadden we geen flauw idee hoe ze smaakten. De dame in de winkel kon het ons niet goed uitleggen en dus namen we er een mee om thuis te proeven.
Bij het woord “kaki” verwijst mijn woordenboek naar “caqui”, omdat het woorden met een K nauwelijks kent. Waarvoor staat “caqui”? De gangbare betekenis is de kleur, grauwgeel, en de katoenen textielstof kaki. Is het woord in oorsprong afkomstig van de kakiboom? Die boom heeft ook een vrucht en daar moet ik zijn: de kakivrucht ofwel de Chinese/Japanse dadelpruim. We hebben hem geprobeerd en de smaak heeft inderdaad wel iets van een pruim. Best lekker, onder ons gezegd!
In de buurt van El Corte Inglés kom je meer dan elders bedelaars tegen, mensen die met een bord voor zich hopen dat ze van voorbijgangers geld krijgen. Ik doe dat maar hoogst zelden, op de grond zittende niksdoeners fourneren. Vlak bij de Mercado Central zat een jongeman werkeloos te zijn met een bord: “sin techo”, dakloze. En toen dacht ik niet: laat ik die eens een leuke dag bezorgen, maar wel: welke woorden rijmen op “techo”? Het moesten wel echte rijmwoorden zijn. Woorden als “leche”, melk, en “Checo”, Tsjech, vielen af. Daarbij moesten het er niet teveel worden, dus mochten alleen woorden van twee lettergrepen meedoen. Woorden als “derecho”, recht, vielen eveneens af.
Ik kwam onderweg naar huis tot drie rijmwoorden, maar mijn Spaans-Nederlandse van Dale gaf er twee meer. Jullie mogen nu even nadenken, maar hier komen ze alle vijf al, als alternatief Spaans lesje.
Allereerst is er “fecho”, maar meestal zegt men “hecho”; de woorden betekenen allebei feit. Een voldongen feit (fait accompli) is hier een “hecho consumado”. Het staat als een paal boven water is Spanje “es un hecho indiscutable”. Dan komt van mijn vijftal er een die ik miste: “lecho”. Volgens mijn woordenboek staat dat allereerst voor ledikant. “Estar postrado en el lecho” is aan het ziekbed gekluisterd zijn. Volgens mij is het wel een ouderwets woord, dat “lecho”. Daarnaast kan het bodem betekenis, zoals in rivierbedding, “lecho de rio”, en zeebodem, “lecho de mar”. Gaan we naar het volgende waarvan ik eveneens onkundig was: “mecho”. Dat is Spaans voor (een stompje) kaars en een kandelaar. En dan is er nog het woord dat ik uiteraard als eerste in gedachte had: “pecho”. Ik heb iets met borsten, ik kan het niet helpen. Geef mij een “pecho opulento”, een volle boezem om naar te kijken en ik ben helemaal tevreden. Natuurlijk is de betekenis, borst, veel breder; “un pecho cóncavo” is een ingevallen borst en “a todo pecho” is uit volle borst. Zelfs overdrachetijk doet “pecho” zijn werk, zoals in zijn hart uitstorten, wat in het Spaans “abrir su pecho” is.
Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. “Lumbre de casa calienta y no abrasa.”, het vuur thuis verwarmt en gaat niet uit. Mijn klokje loopt aanhoudend een uur achter op dat van jullie en dat wil ik graag nog even zo houden. Ik ben niet iemand van de vier jaargetijden, de lente en de zomer zijn mij liever dan de herfst en de winter. Anders gezegd, ik zit hier prima in mijn zonnetje en zo lang als ik genoeg te lezen heb, hoef ik nog bepaald niet terug naar “Los Paises Bajos”. Voor mijn Maastrichtse pauze met carnaval heb ik nog vijf weken te gaan en pas dan moet het er maar weer eens van komen, eerder niet.
Ik wens jullie een prettige voorzetting van deze slappe winter en hoop met jullie dat je je dikke jas toch nog eens van de kapstok mag halen. Is Nederland aan het opwarmen door de overmaat aan knalpotten en al die spuitbusluchtjes? Hier zitten we nu in het interludium tussen de feestdagen en carnaval. We vullen het maar met onvolkomenheden als de Marathon Van Las Palmas, volgende week zondag, en de eerste uitprobeersels en testmatchen in achterafzaaltjes van de murga-groepen. Intussen is het in Maastricht nog twee weken voordat “ziene hoege hoeglöstigheid” van de Tempeleers eindelijk vanaf de Spilstraat de markt mag ronden om te zweren bij o.a. “’t nejkiske vaan vrouw Versjevee” dat hij Maastricht voor zal gaan “met die drei daog” (en de weken ervoor), al kost het hem “ziene leste dröppel blood”. Het ga jullie goed, mijn volgende brief komt a.s. vrijdag 24 januari en als dat niet lukt, de maandag erop.
Of ik daarin een boek te bespreken heb, staat nog te bezien, want ik ben net begonnen in een boek van een hier uiterst populaire schrijver, een werk van maar liefst 1237 bladzijden. En daarmee is het op. Wie nog ogen in zijn hoofd heeft, tot ziens, de rest moet het zonder doen, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Wie verschillende boek in een week gelezen heeft, begint normaliter met de bespreking van het eerste en dat zal ik ook maar doen. Mijn eerste boek is er eentje van de Limburgse schrijfster Connie Palmen, geboren in 1955. Ze woont intussen al zo’n 40 jaar in Amsterdam, maar dat mag de pret niet drukken: eens uit Sint Odiliënberg, altijd uit Sint Odiliënberg. Toch. Inmiddels al weer de nodige tijd terug las ik haar verhaal over haar jaren met Ischa Meyer, “I.M.”, en ik vond het een echt goed boek, veel beter dan ik vooraf gedacht had. Enkele maanden terug was mijn e-reader goed voor “De Wetten”, haar debuut en ook dat was de moeite waard. En dan kan haar verhaal over de jaren met Hans van Mierlo, HVM zeg ik hier maar, niet ongelezen blijven. “Logboek van een onbarmhartig jaar”, 275 bladzijden, is uit 2011.
Omstandig legt Connie Palmen uit waarom ze het een logboek vindt en zeker geen roman. Haar boek is vooral een verslag van het jaar na de dood van HVM. Hun liefdesrelatie begon in 1999 en eindigde op 11 maart 2010 in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis. In de anderhalve maand na zijn dood viel er voor haar niets te schrijven, maar vervolgens kwamen mondjesmaat de herinneringen en vooral de pijn na afloop op gang. Het boek begint op 29 april 2010 en eindigt (ongeveer) op 11 maart 2011.
Helaas ben ik persoonlijk meer in de herinneringen aan HVM geïnteresseerd: misschien al vanaf de oprichting in 1966 van D66 en de jaren van HVM als boegbeeld daarvan. Hij moet bij de oprichting ongeveer 35 jaar geweest zijn. Daarna komen zijn jaren als minister van Buitenlandse Zaken, minister van Defensie en minister van Staat en in het privé-vlak zijn chronisch wordende infectie met het hepatitis C-virus, uitmondend in een levertransplantatie in 2000. Ik had best wat meer over zijn privé-leven willen vernemen, zijn omgang met de kinderen Marie, Stagna en Olivier en met zijn vele vrienden, o.a. de Herenclub (o.a. Harry Mulisch en Marcel van Dam). Zelfs gaat het boek maar mondjesmaat over zijn zingen van “Un jour tu verras” op de vijftigste verjaardag van Connie in 2005, zijn heupoperatie in 2008 en hun prachtige trouwfeest in 2009, slechts vier maanden voor zijn dood. Boven alles staat het ziekbed van anderhalve maand en zijn overlijden, plus zoals gezegd de pijn van Connie in het jaar erna.
Voor de epidemiologen onder jullie: het vele jaren gebruik van immunosuppressiva na de levertransplantatie is er waarschijnlijk debet aan dat hij een non-Hodgkin lymfoom in de lever kreeg, dat hem teveel werd. Heel opvallend in het boek vind ik daarbij het aanhoudende doodgaan van vrienden en familieleden van HVM in dezelfde periode. Dat krijg je, roep ik vanaf de zijlijn, als je ver over de 70 bent.
Vind ik het boek net zo goed als bijv. “I.M.” van Connie Palmen? Nee, dit is m.i. ietsje minder, maar ik heb het wel in twee dagen uitgelezen. Connie Palmen, ze trekt toch aan me, ook met dit boek! Vanwege bovenstaande tekortkomingen, maar die zijn meer mijn schuld dan die van de schrijfster, is mijn recensiecijfer voor “Logboek van een onbarmhartig jaar “ niet heel hoog; Connie Palmen moet het doen met een 7, wel een volle 7. En ik zal toch eens een keer een echte biografie van HVM, Hans van Mierlo, gaan lezen.
Ruth Rendell is een thrillerschrijfster van wie je ieder jaar wel een boek wilt lezen. Ze is intussen over de 80, geloof ik, en bij mijn weten zit ze nog steeds niet achter de geraniums. Tien/elf jaar geleden was ze in ieder geval nog bij de pinken met een indrukwekkend verhaal uit Londen. Toen het verscheen, onder de titel “The Rottweiler”, kreeg het in het tijdschrift Red de vermelding: “In Rendell’s expert hands, you’ll want to keep reading until dawn – with the light on.” Trudie vond daarmee dat ik het moest lezen, wat ik de afgelopen dagen dus maar gedaan heb.
Veel in het boek speelt zich af in en rond Star Antiques, een winkel in de betere tweedehands spullen in de Star Street in de wijk Paddington. Eigenares van de winkel is de 55 jarige Inez met als hulpje Zeinab. Hoewel Inez daarvan niet op de hoogte is, is Zeinab getrouwd met Algy, heeft twee kinderen en een moeder, Reem, die alles van uitkeringen afweet. Vanuit de winkel houdt Zeinab er als extraatje twee verloofden op na, Rowly en Morton, die haar allebei paaien met cadeautjes. Vooral rijkaard Morton is uiterst gul met zijn dure sieraden. In de woning boven de winkel woont Inez zelf op een hoog, die op twee hoog is gesplitst in die van Will en van de Russische Ludmila met haar klassieke muziek en haar spraakzame vriend Freddy. Will is onderontwikkeld, om het eens netjes te zeggen, maar hij krijgt externe steun van zijn tante Becky, een vrouw met een drank- en een mannenprobleem. Boven de woningen van Will en van Ludmila is de grote dakwoning van Jeremy, een computerman, die vooral van zijn moeder houdt, en ook nog een andere woning heeft onder zijn eigen naam Alexander.
Zijn jullie daarmee voldoende bijgepraat over Star Antiques, dan mag ik nu naar bijv. de buren: juweliertje Khoury en inbreker Anwar (en diens vrienden). En laten we de werkbaas van Will, Keith, niet vergeten en diens zusje Kim, plus Becky’s nieuwe vriend James? Terzijde, Will gaat op zoek naar een schat, nadat hij de film “The treasure of Sixth Avenue” gezien heeft. En Inez kijkt ’s avonds naar de politieserie met haar overleden man Martin in de hoofdrol. Staat alles nu op zijn plaats? Dan is het eindelijk tijd voor een vijftal moorden, steeds meisjes met een bepaald parfum op. In volgorde gaat het om Gaynor, Nicole, Rebecca, Caroline en Jacky. De moordenaar wurgt ze en neemt steeds een kleinigheid mee om thuis om daar te koesteren (zoals een zakhorloge en een paar oorringen). De pers noemt de moordenaar al snel “The Rottweiler” (ten onrechte) en de politie, in de persoon van o.a. Crippen, Osnabrook, Zulueta en Jones, gaat naarstig op zoek naar de dader. Tegelijkertijd besluiten Anwar en zijn vrienden om de woningen van Star Antiques leeg te halen. Wordt de moordenaar ontdekt en opgepakt?
Ruth Rendell is met haar boek, ruim 400 bladzijden, in ieder geval goed voor de nodige glimlachjes bij mij. Er valt met de diverse personen het nodige te gniffelen. Echter, spannend is anders. Ik heb bij het lezen van “The Rottweiler” niet voortdurend zitten denken: wie zou het gedaan hebben of zou de politie nu doorhebben dat X de moordenaar is? Een leuk boek is en blijft het, dit zoveelste werk van Ruth Rendell, maar de zenuwen gierden me bij het lezen niet door mijn keel. Dat kost bij een thriller punten, weten jullie, en dus kom ik niet verder als een 7½ als recensiecijfer. Ruth Rendell is nog niet van me af, ik heb in Maastricht nog een Barbara Vine liggen (RR onder schuilnaam) en die ga ik t.z.t. zeker proberen.
maandag 20 januari 2014
dinsdag 14 januari 2014
Weblogbrief 9.15, 14 januari 2014
Weblogbrief 9.15, 14 januari 2014
Ilustres tios, doorluchtige vrienden, hebben jullie net de klap verwerkt dat ik pas weer de 20ste met een nieuwe brief op de proppen kom, en dan blijk ik ineens vandaag een busgaatje te hebben. Trudie is vanmorgen om half 10 naar het zuiden, Maspalomas vertrokken om daar achter geocashes aan te gaan, eerst in de buurt van San Agustín en vervolgens rond de “faro”. Dus heb ik de hele dag vrij en kan vanochtend deze brief afmaken en hem vanmiddag op de faculteit versturen: de tussenstand van haar bezoekweek.
Mijn “novia” is zaterdagmiddag, zelfs een half uurtje te vroeg, geland op het vliegveld hier en is vervolgens met bus 91 (mij niet bekend) en stadsbus 12 naar Santa Catalina gegaan. Ik kwam haar tegen, ik op weg naar het busstation, toen ze net wou gaan zitten op het terras van Café Santa Catalina. Haar tas werd thuis neergezet en toen moest ik met haar al de hele boulevard af naar rechts. Op het eind, bij El Carrito De Rita, zaten we aan een drankje, waarna we wel nog door moesten naar El Confital, zie mijn vorige brief, om daar een cache op te rapen. (Ik mocht daar op een bank gaan zitten, terwijl ze ergens tussen de stenen beneden zo lang tuurde tot ze hem gevonden had.) Daarna was thuis mijn makreelsoep aan de beurt. Ik vind die nog steeds uit de kunst, maar Trudie blijkt toch een voorkeur voor de gehaktvariant te hebben. Jammer, Ton, dan zal ik hem in mei maar niet voor je maken!
Zondagmorgen was het Trudie’s tijd voor een uurtje strand en daarna werd ik verondersteld mee te gaan naar de rommelmarkt, “el rastro”, om daar een portemonneetje voor 5 euro te bemachtigen plus een “Sevilla-kleidsje” voor de klerenmand van Renske & Anoek. Tussen de middag aten we haar kakelvers brood van de Duitse bakkerij Zipf, dat een tentje op de markt heeft. (Mag je dat wel zeggen: kakelvers, als het niet om eieren gaat?) Verfrist ging ze toen monter terug naar de “playa” voor een tweede laagje bruin op haar huid.
Afgelopen zaterdagavond was ik gebeld door vrienden van Harry & Greetje, te weten Puck en Egmond uit Oegstgeest. Via H&G hadden ze mijn Spaans telefoonnummer gekregen en wat ik vond van gezamenlijk eten op zondagavond. Het werd, met zijn vieren, restaurant TIPICO ESPAÑOL hier aan de boulevard. We werden heel aardig van drank en spijs voorzien, maar ik vond de bediening wederom aan de plakkerige kant. Het zijn leuke mensen, Puck & Egmond. Puck is een en al spontaniteit en Egmond, een voormalige admiraal, weet mij aardig in een hoek te drijven, als ik bijv. mijn afkeer van het koningshuis ventileer. Zijn ideeën over godsdienst en over de diverse koloniën zijn evenmin de mijne, maar hij weet het wel te brengen, dat moet ik hem nageven.
Maandagmorgen, maar nee, laat ik eerst wat muziek opzetten, anders wordt het wellicht een saaie bedoeling. Van Rocky kreeg ik in oktober een aparte vierdubbel-cd, ik bedoel vier cd’s, met dezelfde soort muziek: CAJUN: RARE AND AUTHENTIC, uit het gebied rond het Amerikaanse New Orleans. Bij elkaar is het 4½ uur muzikaal aanpoten, bijna 100 nummers. De uitgave is van 2008, maar de nummers zijn allemaal uit de periode 1928-1939. Er staat een heel rijtje artiesten op de rol; hier zijn de artiesten die ik minstens vijf keer heb aangetroffen:
Hackberry Ramblers
Armédé Ardoin
Jolly Boys Of Lafayette>BR> Louisiana Rounders
Joe Falcon
Guidry Brothers
Bij elkaar zijn alleen deze zes al goed voor ruim de helft van de nummers. Had ik misschien beter artiesten kunnen noemen die sporadisch op de albums staan? Zijn bijv. de Rockberry Ramblers, Armédé Ardoin en de Jolly Boys Of Lafayatte er meer voor de vulling of zijn dat nou juist de sterren van de cajun? Hoe dan ook, het is op de cd’s vooral accordeonmuziek met geregeld ook andere instrumenten, en uiteraard zang, dat de klok slaat. (Wisten jullie dat accordeon in het Engels met een i is, accordion?). Daarbij is de zang op de diverse nummers bij Cajun net zo vaak een soort Frans als Amerikaans. Ik beperk me hier tot drie voorbeelden van liedjes van bovenstaande drie artiesten: “Don’t ever trust a friend” (Rockberry Ramblers) resp. “Les blues de la prison” (Armédé Ardoin) en “Tant que tu est avec moi” (Jolly Boys Of Lafayette). Aparte muziek vind ik het, die cajun, maar of ik hem nog vaak hierna ga draaien, weet ik zo net nog niet.
Gaan we terug naar mijn maandag, nu met het Frans-Amerikaanse equivalent van “Es Sjeng späölt op de moneka” op de achtergrond. Trudie en ik liepen ’s ochtends op de boulevard, arm in arm, om boodschappen te gaan doen. Ze had haar zinnen gezet op zalm voor het avondeten, dus ging het op naar de markt van La Puntilla en ook nog de HiperDino daar in de buurt om proviand in te slaan. Bij het toeristenbureau vroeg ik waarom Las Palmas afgekort wordt tot LPA, met een A; was dat vanwege het vliegveld; Las Palmas Aeropuerto? De oplossing is nog eenvoudiger: de A is gewoon de tweede letter van Palmas. Na het “kemissies” doen mocht ik naar mijn balkon, terwijl Trudie haar geocache van de diverse metalen beelden van Las Canteras afrondde met tussendoor een winkelbezoekje aan Las Arenas.
Om half twee zaten we aan de lunch en daarop ging Trudie monter naar het strand met het John LeCarré-boek dat ik haar zondag aangeraden had om te lezen. “Een broze waarheid”. ’s Avonds werd thuis twee kilo zuurvlees klaargemaakt en wie moest de bijbehorende uien snijden? Ikke! Trudie was ongeveer tegelijkertijd met het zuurvlees maken doende om zalm, broccoli en rijst om te bouwen tot een warme maaltijd. Toen die op tafel stond en ook nog verwerkt was, was het al over 9 uur. We mochten nog even in onze boeken lezen en daarna was het bedtijd.
Nu, dinsdagochtend zit ze in de bus naar Playa Del Inglés en leg ik de laatste hand aan deze brief. Mijn tweede boek, zie beneden, heb ik net uitgelezen, dus dat kan nog mooi mee. Aan het werk, ¡A trabajar!
“And now for something completely different.”, op zijn Monty Pyton’s. De stadsbussen hier hebben een nieuwe manier van adverteren en ik vraag me af of die ook in Nederland al wordt toegepast. Op de zijkant van de bussen staan nu allerlei al dan niet goedbedoelde adviezen, ook op de ramen, maar zodanig dat je binnen in de bus gewoon naar buiten kunt kijken zonder ze te bespeuren. Van in de bus is niets opvallends te bespeuren. Is dat niet een aardige manier om eventueel reclamegeld op te strijken zonder dat de passagiers er last van hebben? Ik zit in bus 1 aan een raam, waarop aan de buitenkant met grote letters staat: HAZLE VISIBLE, zorg dat je goed zichtbaar bent, een blauw vlak met witte letters. Dat is dus niet voor mij bedoeld, maar voor de auto’s die naast de bus rijden. Ik zie het pas goed, nadat ik de bus verlaten heb.
Wisten jullie dat “visible” behalve zichtbaar ook voor toonbaar staat? Ik geef een voorbeeld. De bel gaat in de vroege morgen en voor de deur staat een “cartero” van de “correos” met een pakje. Dan doe je, voordat je hem te woord staat, wel even je kamerjas goed dicht, zorg je dat je “visible” bent.
In mijn boek van George Pelecanos (zie beneden) komt aan de orde dat je bij radiostemmen soms, wat zeg ik: vaak, een helemaal verkeerd gezicht voor je hebt. Als je de persoon dan vervolgens in het echt of op de televisie ziet, schrik je je plaatsvervangend een hoedje. Lang geleden was er op de radio een programma van Kees Schilperoort dat “kent u het geluid?” of zo heette. Ik mocht er graag naar luisteren. Pas toen ik de man vervolgens in een talkshow zag, had ik pas door hoe kogelrond hij was. (Wisten jullie trouwens dat hij een keer in het ziekenhuis beland is op nieuwjaarsnacht, toen hij met zijn sigaar een rotje aanstak en vervolgens de sigaar weggooide en het rotje in zijn mond stak? Dan verandert je stem geheid nog weer eens.)
Ik ben iemand die graag eens de luistervink speelt, voor zo ver me dat geven is in het Spaans, naar wat bij mij beneden op het terras van Carlos verteld wordt of wat iemand op straat bij mij in zijn mobieltje zit te toeteren. En dan is het van hetzelfde laken een pak; als ik vervolgens de persoon erbij zie, blijk ik er geregeld faliekant naast te zitten met mijn idee hoe hij of zij uitziet.
Een bijzonder voorbeeld betreft een hoertje dat hier in mijn autovrije straat ’s nachts wel eens mensen probeert te ronselen voor een kwartiertje of langer seks. Ik werd er vorige maand een keer wakker van en kon het toen niet laten. Ik haastte me naar het balkon, naast mijn bed, keek naar beneden en zag een m.i. uiterst fatsoenlijke zwarte vrouw staan, in een leren jasje (“chaqueta de piel”), broek (“pantalones”) en op naaldhakken (“tacones”), dat weer wel, die met verve de aandacht probeerde te trekken van een argeloze voorbijganger, op weg naar zijn slaapkamer. Ik heb het einde van haar aanmoedigende praatje niet afgewacht en ben weer subiet teruggekropen in mijn nog warme bedje.
Nou ik toch weer bezig ben over mijn straat, ik vind het interessant dat er banken staan, maar volgens mij hadden ze wel andersom moeten staan, met uitzicht op het middenstuk van de straat en niet op de stoep en winkels. Niettemin, er wordt binnen een paar dagen druk gebruik van gemaakt, zie ik vanaf mijn balkon. Voor mensen met etalagebenen (claudicatio intermittens) is het een uitkomst; hoeven ze niet steeds voor een foute etalage te blijven stilstaan, als ze nodig moeten pauzeren. Als patiënt ga je nu gewoon eventjes op een bank hier zitten, voordat je benen weer een stuk meekunnen.
Trouwnes, op de bank voor de deur van Dócil, ik moet nog wennen aan de nieuwe naam, zie ik zaterdagmiddag ook mijn vriend Negonzo zitten. Etalagebenen vanwege verstopte slagaders zie ik hem nog lang niet hebben. De eerdere eigenaar van de zaak is daarvoor te jong, daarbij mager en gespierd. Hij is in de zaak vervangen, of heeft zichzelf vervangen, door twee leuke dames en een heer van middelbare leeftijd. Volgens mij is de man zijn dikkere broer en een van de dames diens eega, maar in hoeverre dat klopt, weet ik niet. Hij, Negonzo, aait een voorbij komend hondje, het is en blijft een hondenvriend, en verdwijnt dan naar elders.
Mediamarkt is voor mij de winkelketen met verreweg de schreeuwlelijkste reclameborden. Ik zag er afgelopen week een met daarop de uitdrukking “Lo vamos a liar pardas”. Ik hoef het jullie niet verder uit te leggen: om een taal goed te kunnen volgen moet je een autochtoon zijn of ze op jonge leeftijd leren. “Liar” is vastbinden, maar waarvoor staat dat “pardas”? Ik heb geen idee en mijn woordenboeken bieden evenmin uitkomst. Een “pardal” is een mus (maar ik heb “gorrión” in mijn hoofd) en “pardo” is bruingrijs, maar “parda”? Dit lijkt me er een om aanstaande donderdagmiddag aan Noé en Lorena te vragen. Betekent “Lo vamos a liar parda” “we gaan de boel op stelten zetten”?
In mijn vriendenkring heb ik verschillende mensen zitten die een diploma “redden zwemmen” hebben. Voor Trudie en Susanne gaf het de mogelijkheid om als badmeesteres direct lid te worden van de zwemvereniging van het Jekerdal zonder eerst tien jaar of nog langer te hoeven wachten.
Hier in Las Palmas hebben we vandaag de dag ook een cursus reddend zwemmen, voor beginners, onder de naam: “primeros auxilios, salvamento y socorrismo acuático”. Zal ik daar een minilesje Spaans van brouwen? De cursus duurt 30 uur, 9 uur theorie en 21 uur praktijk, en kost 155 euri (om me voor het meervoud van euro bij Arno aan te sluiten). En daar gaan we: de “escuela de servicios sanitarios y sociales de Canarias” geeft in een annonce de volgende toelichting: “Dirigido a todas aquellas personas que desean aprender a identificar riesgos y prevenir accidentes. Ejercitar las técnicas y herramientas adecuadas para el rescate, salvamento y soporte vital básico en piscinas, instalaciones acuáticas, etc.”
Simpel, hè, het Spaans is met enige goede wil best te volgen. Dat etc. op het einde van de toelichting maakt mij een beetje huiverig, maar verder ziet het er redelijk uit. Voor meer informatie kunnen jullie bellen: 928117255, de aanmelding, althans het verzoek daartoe, “solicitud de inscripción”, gaat via www.essscan.es.
En daarmee is het weer op, supporters. Het was geen lange brief en jullie mogen nu weer met je Nederlandse bezigheden doorgaan. Wanneer mijn volgende eraan komt, is nog onzeker, maar ga maar uit van aanstaande maandag, eventueel dinsdag. En maak er geen potje van de komende dagen, tenminste als er geen dekseltje op past. Ik groet jullie vanuit het diepste van mijn hart, tot ziens maar weer, hasta luego, jullie penvriend, “amigo por carta” PaulK.
RINCÓN DE LIBROS
Mijn eerste boek van deze anderhalve week is er een van George P. Pelecanos, met een P., want het is uit de tijd dat hij nog dacht dat het zo moest (Olli S. Miettinen, George W. Bush, Willem O. Duys). Hij is geboren in 1957 en getogen in Washington DC. Intussen heeft hij ruim twintig boeken op zijn naam staan, waarvan “Nick’s Trip” uit 1993 een van de eerste is uit een serie van drie boeken rond Private Eye Nick Stefanos. Diens familie moge uit Griekenland afkomstig zijn, Nick is op en top een man van Washington, laat daar geen misverstand over bestaan.
In “Nick’s trip” is Nick behalve “black private dick” ook barkeeper in eetcafé The Spot. Daar zit hij, als hij aan het werk is, opgescheept met een handje vaste klanten. Het lijkt wel café de Poort, alleen heten ze hier Buddy, Bubba, Mel, Dave, Richard, Happy, Len en (Hollands!) Petra. Allereerst wordt Nick gevraagd door zijn vroegere vriendje Billy Goodrich om diens vrouw April op te sporen, die al een aantal dagen zoek is. Later blijkt dat Billy veel meer geïnteresseerd is in het geld dat ze van hem gestolen heeft dan in haar liefde. En wat heeft bijv. Joey DiGiordano met April uitgevreten en wat Tommie Crane? Met de hulp van o.a. keukenprins Russell evenals Darnell van het café en vaste klant Hendricks wordt de zaak tot zijn einde gebracht.
Er is nog een tweede raadsel. Nick’s vriend William Henry is vermoord en ook dat vraagt om opheldering. Het blijkt dat daar een klein netwerk van boeven achter zit: Bonanno, Frank en ex-cop Solaris, terwijl ook een politieman van nu bepaald niet vrijuit gaat. Hoe lost vooral Dan Boyle, ook van de politie, maar tevens vaste klant van The Spot, dit op samen met Nick Stefanos? Bevredigend? Ook dat staat allemaal in “Nick’s trip” te lezen.
Terzijde blijkt April een allergie te hebben voor druiven en van rum over haar nek te gaan. Ze kan alleen rum drinken uit Jamaica, maar dat doet ze bij leven en welzijn dan ook in overvloed. En Jackie, een lesbische vriendin van Nick, rust pas, als ze in verwachting is, waarvoor ze hem graag een avondje gebruikt. Dat vind ik een aardige zijstap, zeker als ongeveer tezelfdertijd Nick’s heterovriendin Lee de relatie met hem verbreekt!
Willen jullie als sluitstuk nog mijn privé-mening over “Nick’s trip”? Ik vind in alle oprechtheid dat George Pelecanos wel eens beter gepresteerd heeft. Misschien moest hij er met boeken als “Nick’s trip” nog inkomen, maar in dit “Sam Spade” verhaal zitten mij teveel zijlijntjes om de spanning erin te houden. Ik geef daarom geen hoog punt voor dit boek; met een 6½ vind ik het netjes betaald.
Op weg naar de Playa Chica kom ik geregeld langs een huis waar boeken op een lange tafel voor de deur liggen. Het gaat steevast om allerlei leesboeken in het Spaans, maar ook wel in andere talen. Eventueel geld dat je daarvoor in de plaats achterlaat, is bedoeld ter ondersteuning van de kerk van de Drie-eenheid”. Ik heb er vorig jaar al een kinderversie van Don Quijote buitgemaakt, met de nodige prachtige plaatjes. En wat zag ik er afgelopen week liggen, tussen weet ik hoeveel boeken van niks? Eentje in het Engels van Dick Francis, dat ik nog niet gelezen had: “Comeback” uit 1991. Dat snaai je dan schaamteloos mee, toch, en de afgelopen dagen heb ik de 400 bladzijden zitten lezen.
Hoofdpersoon is diplomaat Peter Darwin, geen familie van Charles Darwin, 32 jaar. Hij belandt in afwachting van zijn volgende post voor de overheid in de buurt van het Engelse Cheltenham. Te gast van dierenarts Ken McClure wordt hij geconfronteerd met een aantal paarden dat op de operatietafel of daaromtrent doodgaat. Als daar een brand in het dierenziekenhuis bijkomt met ook nog eens een (menselijke) dode, zijn de rapen gaar. Peter Darwin zoekt de zaak tot de bodem uit en betrekt daar zelfs allerlei oud leed bij. In de dierenpraktijk werken naast Ken als andere veterinairen Carey, Oliver. Lucy, Jay en Yvonne en als verpleegkundigen Belinda, de verloofde van Ken, en Scott. Later in het boek legt Scott ook nog eens het loodje. Bij de klanten kom ik namen tegen als Upjohn, Travers, Eaglewood, Lees, Nagrebb en Fitzwalter. En dan blijkt dat er ook nog een zaak van veel eerder speelt. Op het einde weten we niet alleen hoe de moorden op de paarden (en mensen) zijn uitgevoerd, maar ook wie ervoor verantwoordelijk is. Voor de details verwijs ik naar “Comeback”.
Of het niks is, ben ik en passant getuige van de maar matte liefde tussen Ken en Belinda, die voor mij niet in een huwelijksbootje hoeft uit te monden. Meer heb ik op met Peter Darwin, die eerst met Russet in de weer is, maar vooral gecharmeerd is van Annabel, de dochter van een Anglicaanse bisschop. Een aanstaand huwelijk tussen Peter en Annabel acht ik niet uitgesloten.
Dick Francis is steeds weer goed voor een acceptabele thriller. “Comeback” is daarop geen uitzondering. Het boek laat zich heel goed lezen, in beter Engels dan ik zelf voorhanden heb, en gaandeweg komt de nodige ellende boven de operatietafel. Echt spannend vind ik “Comeback” echter niet; het loopt als vanzelf naar zijn einde. Ik kan jullie het boek best aanraden om te lezen, zeker de dierenliefhebbers, maar heel geweldig is anders. Mijn recensiecijfer komt niet verder dan een 7, een ruime voldoende, maar ik vind: “Comeback” niet tot de top tien van Dick Francis behoren.
Ilustres tios, doorluchtige vrienden, hebben jullie net de klap verwerkt dat ik pas weer de 20ste met een nieuwe brief op de proppen kom, en dan blijk ik ineens vandaag een busgaatje te hebben. Trudie is vanmorgen om half 10 naar het zuiden, Maspalomas vertrokken om daar achter geocashes aan te gaan, eerst in de buurt van San Agustín en vervolgens rond de “faro”. Dus heb ik de hele dag vrij en kan vanochtend deze brief afmaken en hem vanmiddag op de faculteit versturen: de tussenstand van haar bezoekweek.
Mijn “novia” is zaterdagmiddag, zelfs een half uurtje te vroeg, geland op het vliegveld hier en is vervolgens met bus 91 (mij niet bekend) en stadsbus 12 naar Santa Catalina gegaan. Ik kwam haar tegen, ik op weg naar het busstation, toen ze net wou gaan zitten op het terras van Café Santa Catalina. Haar tas werd thuis neergezet en toen moest ik met haar al de hele boulevard af naar rechts. Op het eind, bij El Carrito De Rita, zaten we aan een drankje, waarna we wel nog door moesten naar El Confital, zie mijn vorige brief, om daar een cache op te rapen. (Ik mocht daar op een bank gaan zitten, terwijl ze ergens tussen de stenen beneden zo lang tuurde tot ze hem gevonden had.) Daarna was thuis mijn makreelsoep aan de beurt. Ik vind die nog steeds uit de kunst, maar Trudie blijkt toch een voorkeur voor de gehaktvariant te hebben. Jammer, Ton, dan zal ik hem in mei maar niet voor je maken!
Zondagmorgen was het Trudie’s tijd voor een uurtje strand en daarna werd ik verondersteld mee te gaan naar de rommelmarkt, “el rastro”, om daar een portemonneetje voor 5 euro te bemachtigen plus een “Sevilla-kleidsje” voor de klerenmand van Renske & Anoek. Tussen de middag aten we haar kakelvers brood van de Duitse bakkerij Zipf, dat een tentje op de markt heeft. (Mag je dat wel zeggen: kakelvers, als het niet om eieren gaat?) Verfrist ging ze toen monter terug naar de “playa” voor een tweede laagje bruin op haar huid.
Afgelopen zaterdagavond was ik gebeld door vrienden van Harry & Greetje, te weten Puck en Egmond uit Oegstgeest. Via H&G hadden ze mijn Spaans telefoonnummer gekregen en wat ik vond van gezamenlijk eten op zondagavond. Het werd, met zijn vieren, restaurant TIPICO ESPAÑOL hier aan de boulevard. We werden heel aardig van drank en spijs voorzien, maar ik vond de bediening wederom aan de plakkerige kant. Het zijn leuke mensen, Puck & Egmond. Puck is een en al spontaniteit en Egmond, een voormalige admiraal, weet mij aardig in een hoek te drijven, als ik bijv. mijn afkeer van het koningshuis ventileer. Zijn ideeën over godsdienst en over de diverse koloniën zijn evenmin de mijne, maar hij weet het wel te brengen, dat moet ik hem nageven.
Maandagmorgen, maar nee, laat ik eerst wat muziek opzetten, anders wordt het wellicht een saaie bedoeling. Van Rocky kreeg ik in oktober een aparte vierdubbel-cd, ik bedoel vier cd’s, met dezelfde soort muziek: CAJUN: RARE AND AUTHENTIC, uit het gebied rond het Amerikaanse New Orleans. Bij elkaar is het 4½ uur muzikaal aanpoten, bijna 100 nummers. De uitgave is van 2008, maar de nummers zijn allemaal uit de periode 1928-1939. Er staat een heel rijtje artiesten op de rol; hier zijn de artiesten die ik minstens vijf keer heb aangetroffen:
Hackberry Ramblers
Armédé Ardoin
Jolly Boys Of Lafayette>BR> Louisiana Rounders
Joe Falcon
Guidry Brothers
Bij elkaar zijn alleen deze zes al goed voor ruim de helft van de nummers. Had ik misschien beter artiesten kunnen noemen die sporadisch op de albums staan? Zijn bijv. de Rockberry Ramblers, Armédé Ardoin en de Jolly Boys Of Lafayatte er meer voor de vulling of zijn dat nou juist de sterren van de cajun? Hoe dan ook, het is op de cd’s vooral accordeonmuziek met geregeld ook andere instrumenten, en uiteraard zang, dat de klok slaat. (Wisten jullie dat accordeon in het Engels met een i is, accordion?). Daarbij is de zang op de diverse nummers bij Cajun net zo vaak een soort Frans als Amerikaans. Ik beperk me hier tot drie voorbeelden van liedjes van bovenstaande drie artiesten: “Don’t ever trust a friend” (Rockberry Ramblers) resp. “Les blues de la prison” (Armédé Ardoin) en “Tant que tu est avec moi” (Jolly Boys Of Lafayette). Aparte muziek vind ik het, die cajun, maar of ik hem nog vaak hierna ga draaien, weet ik zo net nog niet.
Gaan we terug naar mijn maandag, nu met het Frans-Amerikaanse equivalent van “Es Sjeng späölt op de moneka” op de achtergrond. Trudie en ik liepen ’s ochtends op de boulevard, arm in arm, om boodschappen te gaan doen. Ze had haar zinnen gezet op zalm voor het avondeten, dus ging het op naar de markt van La Puntilla en ook nog de HiperDino daar in de buurt om proviand in te slaan. Bij het toeristenbureau vroeg ik waarom Las Palmas afgekort wordt tot LPA, met een A; was dat vanwege het vliegveld; Las Palmas Aeropuerto? De oplossing is nog eenvoudiger: de A is gewoon de tweede letter van Palmas. Na het “kemissies” doen mocht ik naar mijn balkon, terwijl Trudie haar geocache van de diverse metalen beelden van Las Canteras afrondde met tussendoor een winkelbezoekje aan Las Arenas.
Om half twee zaten we aan de lunch en daarop ging Trudie monter naar het strand met het John LeCarré-boek dat ik haar zondag aangeraden had om te lezen. “Een broze waarheid”. ’s Avonds werd thuis twee kilo zuurvlees klaargemaakt en wie moest de bijbehorende uien snijden? Ikke! Trudie was ongeveer tegelijkertijd met het zuurvlees maken doende om zalm, broccoli en rijst om te bouwen tot een warme maaltijd. Toen die op tafel stond en ook nog verwerkt was, was het al over 9 uur. We mochten nog even in onze boeken lezen en daarna was het bedtijd.
Nu, dinsdagochtend zit ze in de bus naar Playa Del Inglés en leg ik de laatste hand aan deze brief. Mijn tweede boek, zie beneden, heb ik net uitgelezen, dus dat kan nog mooi mee. Aan het werk, ¡A trabajar!
“And now for something completely different.”, op zijn Monty Pyton’s. De stadsbussen hier hebben een nieuwe manier van adverteren en ik vraag me af of die ook in Nederland al wordt toegepast. Op de zijkant van de bussen staan nu allerlei al dan niet goedbedoelde adviezen, ook op de ramen, maar zodanig dat je binnen in de bus gewoon naar buiten kunt kijken zonder ze te bespeuren. Van in de bus is niets opvallends te bespeuren. Is dat niet een aardige manier om eventueel reclamegeld op te strijken zonder dat de passagiers er last van hebben? Ik zit in bus 1 aan een raam, waarop aan de buitenkant met grote letters staat: HAZLE VISIBLE, zorg dat je goed zichtbaar bent, een blauw vlak met witte letters. Dat is dus niet voor mij bedoeld, maar voor de auto’s die naast de bus rijden. Ik zie het pas goed, nadat ik de bus verlaten heb.
Wisten jullie dat “visible” behalve zichtbaar ook voor toonbaar staat? Ik geef een voorbeeld. De bel gaat in de vroege morgen en voor de deur staat een “cartero” van de “correos” met een pakje. Dan doe je, voordat je hem te woord staat, wel even je kamerjas goed dicht, zorg je dat je “visible” bent.
In mijn boek van George Pelecanos (zie beneden) komt aan de orde dat je bij radiostemmen soms, wat zeg ik: vaak, een helemaal verkeerd gezicht voor je hebt. Als je de persoon dan vervolgens in het echt of op de televisie ziet, schrik je je plaatsvervangend een hoedje. Lang geleden was er op de radio een programma van Kees Schilperoort dat “kent u het geluid?” of zo heette. Ik mocht er graag naar luisteren. Pas toen ik de man vervolgens in een talkshow zag, had ik pas door hoe kogelrond hij was. (Wisten jullie trouwens dat hij een keer in het ziekenhuis beland is op nieuwjaarsnacht, toen hij met zijn sigaar een rotje aanstak en vervolgens de sigaar weggooide en het rotje in zijn mond stak? Dan verandert je stem geheid nog weer eens.)
Ik ben iemand die graag eens de luistervink speelt, voor zo ver me dat geven is in het Spaans, naar wat bij mij beneden op het terras van Carlos verteld wordt of wat iemand op straat bij mij in zijn mobieltje zit te toeteren. En dan is het van hetzelfde laken een pak; als ik vervolgens de persoon erbij zie, blijk ik er geregeld faliekant naast te zitten met mijn idee hoe hij of zij uitziet.
Een bijzonder voorbeeld betreft een hoertje dat hier in mijn autovrije straat ’s nachts wel eens mensen probeert te ronselen voor een kwartiertje of langer seks. Ik werd er vorige maand een keer wakker van en kon het toen niet laten. Ik haastte me naar het balkon, naast mijn bed, keek naar beneden en zag een m.i. uiterst fatsoenlijke zwarte vrouw staan, in een leren jasje (“chaqueta de piel”), broek (“pantalones”) en op naaldhakken (“tacones”), dat weer wel, die met verve de aandacht probeerde te trekken van een argeloze voorbijganger, op weg naar zijn slaapkamer. Ik heb het einde van haar aanmoedigende praatje niet afgewacht en ben weer subiet teruggekropen in mijn nog warme bedje.
Nou ik toch weer bezig ben over mijn straat, ik vind het interessant dat er banken staan, maar volgens mij hadden ze wel andersom moeten staan, met uitzicht op het middenstuk van de straat en niet op de stoep en winkels. Niettemin, er wordt binnen een paar dagen druk gebruik van gemaakt, zie ik vanaf mijn balkon. Voor mensen met etalagebenen (claudicatio intermittens) is het een uitkomst; hoeven ze niet steeds voor een foute etalage te blijven stilstaan, als ze nodig moeten pauzeren. Als patiënt ga je nu gewoon eventjes op een bank hier zitten, voordat je benen weer een stuk meekunnen.
Trouwnes, op de bank voor de deur van Dócil, ik moet nog wennen aan de nieuwe naam, zie ik zaterdagmiddag ook mijn vriend Negonzo zitten. Etalagebenen vanwege verstopte slagaders zie ik hem nog lang niet hebben. De eerdere eigenaar van de zaak is daarvoor te jong, daarbij mager en gespierd. Hij is in de zaak vervangen, of heeft zichzelf vervangen, door twee leuke dames en een heer van middelbare leeftijd. Volgens mij is de man zijn dikkere broer en een van de dames diens eega, maar in hoeverre dat klopt, weet ik niet. Hij, Negonzo, aait een voorbij komend hondje, het is en blijft een hondenvriend, en verdwijnt dan naar elders.
Mediamarkt is voor mij de winkelketen met verreweg de schreeuwlelijkste reclameborden. Ik zag er afgelopen week een met daarop de uitdrukking “Lo vamos a liar pardas”. Ik hoef het jullie niet verder uit te leggen: om een taal goed te kunnen volgen moet je een autochtoon zijn of ze op jonge leeftijd leren. “Liar” is vastbinden, maar waarvoor staat dat “pardas”? Ik heb geen idee en mijn woordenboeken bieden evenmin uitkomst. Een “pardal” is een mus (maar ik heb “gorrión” in mijn hoofd) en “pardo” is bruingrijs, maar “parda”? Dit lijkt me er een om aanstaande donderdagmiddag aan Noé en Lorena te vragen. Betekent “Lo vamos a liar parda” “we gaan de boel op stelten zetten”?
In mijn vriendenkring heb ik verschillende mensen zitten die een diploma “redden zwemmen” hebben. Voor Trudie en Susanne gaf het de mogelijkheid om als badmeesteres direct lid te worden van de zwemvereniging van het Jekerdal zonder eerst tien jaar of nog langer te hoeven wachten.
Hier in Las Palmas hebben we vandaag de dag ook een cursus reddend zwemmen, voor beginners, onder de naam: “primeros auxilios, salvamento y socorrismo acuático”. Zal ik daar een minilesje Spaans van brouwen? De cursus duurt 30 uur, 9 uur theorie en 21 uur praktijk, en kost 155 euri (om me voor het meervoud van euro bij Arno aan te sluiten). En daar gaan we: de “escuela de servicios sanitarios y sociales de Canarias” geeft in een annonce de volgende toelichting: “Dirigido a todas aquellas personas que desean aprender a identificar riesgos y prevenir accidentes. Ejercitar las técnicas y herramientas adecuadas para el rescate, salvamento y soporte vital básico en piscinas, instalaciones acuáticas, etc.”
Simpel, hè, het Spaans is met enige goede wil best te volgen. Dat etc. op het einde van de toelichting maakt mij een beetje huiverig, maar verder ziet het er redelijk uit. Voor meer informatie kunnen jullie bellen: 928117255, de aanmelding, althans het verzoek daartoe, “solicitud de inscripción”, gaat via www.essscan.es.
En daarmee is het weer op, supporters. Het was geen lange brief en jullie mogen nu weer met je Nederlandse bezigheden doorgaan. Wanneer mijn volgende eraan komt, is nog onzeker, maar ga maar uit van aanstaande maandag, eventueel dinsdag. En maak er geen potje van de komende dagen, tenminste als er geen dekseltje op past. Ik groet jullie vanuit het diepste van mijn hart, tot ziens maar weer, hasta luego, jullie penvriend, “amigo por carta” PaulK.
RINCÓN DE LIBROS
Mijn eerste boek van deze anderhalve week is er een van George P. Pelecanos, met een P., want het is uit de tijd dat hij nog dacht dat het zo moest (Olli S. Miettinen, George W. Bush, Willem O. Duys). Hij is geboren in 1957 en getogen in Washington DC. Intussen heeft hij ruim twintig boeken op zijn naam staan, waarvan “Nick’s Trip” uit 1993 een van de eerste is uit een serie van drie boeken rond Private Eye Nick Stefanos. Diens familie moge uit Griekenland afkomstig zijn, Nick is op en top een man van Washington, laat daar geen misverstand over bestaan.
In “Nick’s trip” is Nick behalve “black private dick” ook barkeeper in eetcafé The Spot. Daar zit hij, als hij aan het werk is, opgescheept met een handje vaste klanten. Het lijkt wel café de Poort, alleen heten ze hier Buddy, Bubba, Mel, Dave, Richard, Happy, Len en (Hollands!) Petra. Allereerst wordt Nick gevraagd door zijn vroegere vriendje Billy Goodrich om diens vrouw April op te sporen, die al een aantal dagen zoek is. Later blijkt dat Billy veel meer geïnteresseerd is in het geld dat ze van hem gestolen heeft dan in haar liefde. En wat heeft bijv. Joey DiGiordano met April uitgevreten en wat Tommie Crane? Met de hulp van o.a. keukenprins Russell evenals Darnell van het café en vaste klant Hendricks wordt de zaak tot zijn einde gebracht.
Er is nog een tweede raadsel. Nick’s vriend William Henry is vermoord en ook dat vraagt om opheldering. Het blijkt dat daar een klein netwerk van boeven achter zit: Bonanno, Frank en ex-cop Solaris, terwijl ook een politieman van nu bepaald niet vrijuit gaat. Hoe lost vooral Dan Boyle, ook van de politie, maar tevens vaste klant van The Spot, dit op samen met Nick Stefanos? Bevredigend? Ook dat staat allemaal in “Nick’s trip” te lezen.
Terzijde blijkt April een allergie te hebben voor druiven en van rum over haar nek te gaan. Ze kan alleen rum drinken uit Jamaica, maar dat doet ze bij leven en welzijn dan ook in overvloed. En Jackie, een lesbische vriendin van Nick, rust pas, als ze in verwachting is, waarvoor ze hem graag een avondje gebruikt. Dat vind ik een aardige zijstap, zeker als ongeveer tezelfdertijd Nick’s heterovriendin Lee de relatie met hem verbreekt!
Willen jullie als sluitstuk nog mijn privé-mening over “Nick’s trip”? Ik vind in alle oprechtheid dat George Pelecanos wel eens beter gepresteerd heeft. Misschien moest hij er met boeken als “Nick’s trip” nog inkomen, maar in dit “Sam Spade” verhaal zitten mij teveel zijlijntjes om de spanning erin te houden. Ik geef daarom geen hoog punt voor dit boek; met een 6½ vind ik het netjes betaald.
Op weg naar de Playa Chica kom ik geregeld langs een huis waar boeken op een lange tafel voor de deur liggen. Het gaat steevast om allerlei leesboeken in het Spaans, maar ook wel in andere talen. Eventueel geld dat je daarvoor in de plaats achterlaat, is bedoeld ter ondersteuning van de kerk van de Drie-eenheid”. Ik heb er vorig jaar al een kinderversie van Don Quijote buitgemaakt, met de nodige prachtige plaatjes. En wat zag ik er afgelopen week liggen, tussen weet ik hoeveel boeken van niks? Eentje in het Engels van Dick Francis, dat ik nog niet gelezen had: “Comeback” uit 1991. Dat snaai je dan schaamteloos mee, toch, en de afgelopen dagen heb ik de 400 bladzijden zitten lezen.
Hoofdpersoon is diplomaat Peter Darwin, geen familie van Charles Darwin, 32 jaar. Hij belandt in afwachting van zijn volgende post voor de overheid in de buurt van het Engelse Cheltenham. Te gast van dierenarts Ken McClure wordt hij geconfronteerd met een aantal paarden dat op de operatietafel of daaromtrent doodgaat. Als daar een brand in het dierenziekenhuis bijkomt met ook nog eens een (menselijke) dode, zijn de rapen gaar. Peter Darwin zoekt de zaak tot de bodem uit en betrekt daar zelfs allerlei oud leed bij. In de dierenpraktijk werken naast Ken als andere veterinairen Carey, Oliver. Lucy, Jay en Yvonne en als verpleegkundigen Belinda, de verloofde van Ken, en Scott. Later in het boek legt Scott ook nog eens het loodje. Bij de klanten kom ik namen tegen als Upjohn, Travers, Eaglewood, Lees, Nagrebb en Fitzwalter. En dan blijkt dat er ook nog een zaak van veel eerder speelt. Op het einde weten we niet alleen hoe de moorden op de paarden (en mensen) zijn uitgevoerd, maar ook wie ervoor verantwoordelijk is. Voor de details verwijs ik naar “Comeback”.
Of het niks is, ben ik en passant getuige van de maar matte liefde tussen Ken en Belinda, die voor mij niet in een huwelijksbootje hoeft uit te monden. Meer heb ik op met Peter Darwin, die eerst met Russet in de weer is, maar vooral gecharmeerd is van Annabel, de dochter van een Anglicaanse bisschop. Een aanstaand huwelijk tussen Peter en Annabel acht ik niet uitgesloten.
Dick Francis is steeds weer goed voor een acceptabele thriller. “Comeback” is daarop geen uitzondering. Het boek laat zich heel goed lezen, in beter Engels dan ik zelf voorhanden heb, en gaandeweg komt de nodige ellende boven de operatietafel. Echt spannend vind ik “Comeback” echter niet; het loopt als vanzelf naar zijn einde. Ik kan jullie het boek best aanraden om te lezen, zeker de dierenliefhebbers, maar heel geweldig is anders. Mijn recensiecijfer komt niet verder dan een 7, een ruime voldoende, maar ik vind: “Comeback” niet tot de top tien van Dick Francis behoren.
vrijdag 10 januari 2014
Weblogbrief 9.14, 10 januari 2014
Weblogbrief 9.14, 10 januari 2014
¡Qué hermosisimo! Wat mooi! Dit is me het weekje wel. Heb ik van doen met twee jarigen, eerst Anoek op Driekoningen en gisteren ook nog eens Eva. Proficiat, meisjes, en dat er nog veel verjaardagen voor jullie op mogen volgen. Daarmee is wel de kop van mijn brief eraf. Het wordt deze veertiende keer geen heel complete Ilias plus Odyssee; jullie mogen, moeten het zelfs deze keer doen met een dichtbundeltje, een veredelde amuse, een kattenbelletje. Als het tot een kattenbel uitgroeit, is dat omdat ik, als ik eenmaal bezig ben, nou eenmaal moeilijk meer stop kom. Daar gaat-ie, op naar mijn tweede alinea. Met alle vaart die ik nog in me heb!
En die gaat nog niet over muziek – die komt er zo aan, mensen. Eerst vertel ik jullie over mijn stadsbus 12, die ik in alle rust op Santa Catalina wou nemen dinsdagmiddag. “Men” had, al op 7 januari, het plein afgezet vanwege het nakende hoogfeest van carnaval; de bushokjes stonden er maar verlaten bij. Nou is dat niks nieuws; ook in andere jaren wordt een deel van Santa Catalina geofferd aan een daar neer te zetten carnavalspodium en om er een aantal tribunes omheen te bouwen. Alleen, zo iets is gepiept in een week of drie, dus had men er best begin februari mee kunnen aanvangen. Ik vrees, en met mij de rest van Las Palmas, dat “we” in februari een aantal weken tegen een leeg podium en tribunes stadion aan gaan zitten kijken, voordat carnaval wordt geopend. Carnaval, je moet er iets voor over hebben, maar als het pas in maart carnavalszaterdag is, als Harry 70 wordt, is een paar weken uitstel na Driekoningen op zijn plaats. Laat ik maar zeggen dat het me verbaast dat ik nu al voor mijn bus of terug naar de BBVA moet of door in de richting van El Corte Inglés.
En voor de completering: na het bekende “daor hobste ze al, daor zien ze weer, de daog vaan karnevalsplezeer”, pakt men hier in het weekeinde erna nog eens uit. Vervolgens is het voor de gemeente eens afbreken van de handel geblazen en daarvoor zijn nog eens bijna drie weken uitgetrokken, Het plein is volgens een officiële aankondiging stadsbusvrij van 7 januari t/m 28 maart, in totaal bijna drie maanden. Ik heb het even nagekeken, 28 maart valt op een vrijdag; er zijn voorbije jaren geweest dat het dan al Goede Vrijdag was. Ik heb er nauwelijks woorden voor.
Daarom niet getreurd, nu is het dan toch tijd voor mijn artiest van de (tweede helft van de) week gaan. Harry K. (niet Webb) had de afgelopen week voor de zoveelste keer een aardig popverhaal op zijn website staan, deze keer over de kinderjaren van Cliff Richard. Die zat eerst als rijk kind in India (ergens bij Calcutta) en vanaf zijn achtste als arm kind in Engeland, in de buurt van Londen.
Maar ik wou het nu niet hebben over de jaren vóór “Move it!” en “Living doll”. Iedere dag is er op Harry’s site ook een muziekclip te downloaden van iemand met wie net op die dag iets aan het handje is. Op dinsdag jongstleden maakte hij ruimte voor Al Bowlly, met dubbele L, een Engelse crooner uit (min of meer) de begintijd van de grammofoonplaat. De man werd geboren in 1889 - dat is nog eens verleden tijd – in overleed door een Duitse bom op Londen in 1941. Zijn hoogtijdagen, zeker in de studio, waren de vroege jaren 30, toen hij vele honderden liedjes opnam, al te vaak met hitpotentie. Harry kwam als praatje bij zijn clip met drie nummers van de zanger aanzetten die ik nog niet kende: Blue moon, Heartaches en Melancholy baby. Het laatste nummer was ook als clip te zien, prima spul. Wie verkondigde ook al weer dat de Amerikaanse groep de Marcels in de jaren 60 fantastisch was? Was dat niet Jorge? De Marcels hebben hun hits wel van Al Bowlly.
Ik vervolgens thuis zoeken naar materiaal dat ik zelf van de vroegere zanger heb. Ik ken Al Bowlly van nummers van “The Singing Detective” en “Pennies From Heaven”, de uitstekende BBC-series van Dennis Potter. (Huur die eens bij Centre Ceramique, kan ik jullie aanbevelen.) Ook heb ik nog iets van hem op de dubbel-cd Café London staan en zo waar vind ik met mijn zoekmachine nog een nummer op “Hits From 36”. Hier zijn alle acht mijn nummers van Al Bowlly, alfabetisch:
- Fancy our meeting
- It’s a lovely day tomorrow
- Love Is the sweetest thing
- Roll over, prairie moon
- Sweet and lovely
- The echo of a song
- The touch of your lips
- The very thought of you
Dames en heren, jongens en meisjes, zo maken ze ze niet meer: wat een verzameling eersteklas muziek uit vervlogen tijden. Wie van jullie gaat eens voor mij achter de andere dozen muziek van Al Bowlly aan? Hij heeft volgens Allmusic negen originele albums op zijn naam staan, waarvan jullie de titels zelf mogen opzoeken. En Allmusic komt daarnaast tot acht compilaties van zijn muziek, van “The Very Thought Of You” uit 1990 tot “The Al Bowlly Story 1928-1941” uit 2003. Vooral de laatste maakt op mij een redelijk complete indruk. Ik vind Al Bowlly en zijn muziek als Choco Pasta, “beregoed”, en dat “avant la lettre”.
Eigenlijk had ik jullie deze keer willen verrassen met een tweede White, na Tony Joe White van vorige week. Al Bowlly heeft enige roet in het eten gegooid, maar hier is hij dan toch, met enige vertraging: Barry White. Deze zanger en liedjesschrijver is van 1944 en hij is niet echt oud geworden, 59 jaar; in 2003 overleed hij aan problemen met zijn slecht functionerende nieren (vanwege een torenhoge bloeddruk). Zijn platenperiode begint in 1973 en duurde voort tot aan het millennium. Wat heeft Barry White veel zoet vuurwerk afgeleverd. Ik ben de gelukkige eigenaar van vier albums van de man, alle vier verzamelwerk uit resp. 1988, 1904, 1995 en 2005. Laat ik hier alleen de laatste met naam memoreren: een dubbel-cd genaamd: “Gold. The Very Best Of Barry White”, 27 keer BW al dan niet met zijn Love Unlimited. In totaal loop ik tegen een nummertje of veertig van zijn liedjes aan, bijna allemaal in meervoud present op de vier cd’s. Zijn er niet wat erg veel compilaties van hetzelfde voorhanden, vraag ik me voorzichtig af (zoals wel vaker)?
Ik beperk me hier tot een aantal van zijn best verkopende meezingers. Daar komen er negen die ik (o.a.) op “Gold” heb staan:
- Love’s theme
- I’m gonna love you just a little bit more baby
- It’s ecstacy when you lay down next to me
- Playing your game baby
- I’ll do for you anything you want me to
- Sha la la means I love you
- You see the trouble in me
- Walking in the rain (with the one I love)
- Just the way you are
Er is natuurlijk nog divers ander hitwerk, vooral uit de tweede helft van de jaren 70. Bijv. “Can’t get enough of your love babe“ en “Your sweetness to my weakness” staan bijv. niet op “Gold”, maar wel op mijn verzamelplaat uit 1994. Compleet ben ik daarmee zeker niet, wat Barry White betreft, maar wie weet, is het wel een truc van zijn platenmaatschappij, om zijn tophits er steeds net niet allemaal op te zetten. Niettemin, aangenaam om naar te luisteren is Barry White best, maar persoonlijk hoeft hij voor mij niet vele dagen achter elkaar gedraaid te worden. Tegelijkertijd kunnen liedjes als “Just the way you are” er zeker mee door. Echter, in zijn genre vind ik bijv. Lionel Richie ietsje meer te pruimen. Zal ik die, inclusief zijn tijd bij de Commodores, ook eens voor het voetlicht halen?
Ik ga jullie niet met de details lastig vallen, maar dinsdagavond kwam ik op weg naar de Playa Chica langs mijn kippenbier met dezelfde naam, waaraan tegenwoordig een café aan vastzit met de naam “Átame”, maak me vast. “Atar” is een werkwoord dat ik wel eens vergeet. Bijv. als je de veters van je schoenen vast wil maken - niet verkeerd, als ze los zitten - zeg je hier: “atarse los cordones de los zapatos”. “Átame” komt me daarmee voor als een nering, waar ik mezelf eens moet vastmaken, waar ik eens wat geld moet brengen.
Kom ik elders, waar ben ik ven kwijt, een soortgelijke zaak tegen met de naam “Desatame”, maak me los. Gaat het om twee broers of twee zussen die elkaar beconcurreren? Of slaat dat “Desatame” misschien op het geld dat je daar nog gemakkelijker dan in “Átame” zou kunnen achterlaten?
Mijn ommetjes hier in de vroege avond kunnen diverse kanten op. Als ik in vorm ben, loop ik zonder meer naar Triana of, wat dichter bij, naar Parque Doramas. Soms is het tijd voor camembert en daarvoor ga ik naar de Carrefour in Las Arenas, waar trouwens ook lekkere “callos”, darmen en “morro”, tête de veau te krijgen is. Voor mijn Fanta Zero en Schweppes Limon Zero loop ik liever minder ver en dan is de grote kelderwinkel van El Corte Inglés een uitkomst. En voor mijn min of meer dagelijkse boodschappen ga ik heel soms naar de HiperDino (in La Puntilla), maar ben ik vooral vaste klant van de verschillende Sparwinkels hier, in de Alfredo Jones, in de Ripoche en in mindere mate ook de dubbelzaak in de Torres Quevedo. De Sparwinkel op de Tomás Miller is mij aan de te grote kant.
Vandaag de dag staan bij de diverse Spar en HiperDino-winkels voor de deur bedelende dames. Wat zal ik daar nou eens van vinden? Als iemand echt in nood is, geef ik graag mijn kleingeld (of zelfs meer) af, maar ik heb de oprechte indruk dat het niet meer is dan een vorm van oneerlijke werkverschaffing. De dikke vrouw in de Alfredo Jones is mijn type niet. Ik heb haar om de hoek ook wel eens op haar dooie gemak een sigaretje zien roken. En dan denk ik: het lijken wel Roemenen, zoals je ze tegenwoordig ook in Maastricht aantreft. Niet mijn ding!
Woensdagmorgen stond Etel om even voor 9 voor mijn deur om de flat eens goed in de zepen. Trudie komt morgenmiddag en dan is “spic en span” het bijvoeglijke naamwoord dat met voorrang over mijn lippen komt. Daarna mocht ik aan de “corned beef” met zilveruitjes en mayonaise. En de middag werd in zijn geheel besteed aan het lezen van de nieuwe Khaled Housseini, “En over de bergen komt de echo”; zie verder beneden.>BR> Om een uur of 6 ’s middags is het, zoals bijna dagelijks, tijd voor mijn promenade; omdat ik geen boodschappen te doen heb, banjer ik over de boulevard naar rechts in de richting van calle Ferreras. Meestal houdt mijn geschuifel daar op of in ieder geval daar om de hoek bij de Caleta, maar af en toe - een keer per anderhalve week? – loop ik nog een stuk verder. Ik kom dan allereerst bij “Bodegón La Tacita De Plata”, eethuisje Het Zilveren Koffiekopje, maar wisten jullie “una tacita de Plata” ook “spic en span” betekent? Op zondagmiddag is er levende muziek en dan is het daar goed toeven tussen de locale geesten. We gaan door, langs winkeltje “Los Nidillos”, de nestjes. “de amor” mag ik hopen, en daarna is het nog een kilometertje naar mijn eindpunt. Dat ligt bij Mirador El Balconcito, een uitkijkpunt dat er zijn mag, met daarachter “El Confital”, waar ik dan graag op een bankje naar de zee zit te kijken of mijn boek pak, als ik per se een hoofdstuk uit wil lezen. “Confital” is iets geconfijnts, ingelegd met suiker.(Mijn moeder maakte vroeger pruimen op sap in, uit de kunst. De potten in het keldertje op een plank zie ik nog voor me. Koken en zo, daar was mijn moeder een kampioen in.)
Op de terugweg nam ik maar weer eens plaats op mijn bank bij calle Ferreras. Het pleintje daar heet, als ik het bord bij “casa Suecia”, een Zweedse konditorei, op het hoekje mag geloven: “Plaza De La Cantante Maria Merida”. (Cantante is Spaans voor zangeres.) Het stevig vastgeschroefde bord is in het wit. Ik vraag me in alle ernst af of het dan wel een officieel bord van de gemeente is; die zijn normaliter in het blauw. Misschien hebben de “aficiados”, de “admiradores” van Maria Merida gedacht: als aan Mary Sanchez zelfs een beeld wordt besteed - het staat verderop op de boulevard, mag onze heldin op zijn minst met de naam van een pleintje vereerd worden.
En nou komt nog een staartje aan dit verhaaltje. Naast mij op de bank ging een oudere vrouw zitten, die eerst een minuutje voor zich uitkeek (naar het bord van de “Plaza De La Cantante Maria Merida”?) en toen uit haar “kalbas” een paar krasloten opdiepte. Met een sleutel kraste ze in de loten, maar iets winnen was er niet bij. Pas daarna sjokte ze vermoeid in de richting van Isleta, waar ze ongetwijfeld op een te klein flatje haar dagen slijt.
Bij een kleine brief past niet meer dan een klein Spaans lesje. Ik kijk wel eens op het grote bord bij de oude faculteit of daar nog iets van belang staat. Eventueel haal ik het er zelfs af om te kopiëren, maar dan hang ik het later altijd braaf terug, behalve als ze al over tijd is.
De afgelopen dinsdag loop ik daar tegen een aankondiging van de Club La Cornisa, waar is die nou weer?, aan op zaterdag 14 december, met telefoonnummer en al. Ze heeft alles in zich om in mijn jaszak te verdwijnen en te eindigen in deze weblogbrief. ArteCake staat bovenaan, met daaronder “Tartas Personalizadas” en enkele voorbeelden van wat ik maar fondanttaarten zal noemen. Opzij ervan wordt duidelijk dat het om een “Curso De Iniciación De Tartas Fondant” gaat. Dat is nog eens wat; als voorbereiding op de verjaardag van Lux zouden Eva en JW eigenlijk naar zo’n cursus toe moeten, om met het “fondant” op de taart sier te maken over ruim twee weken. De cursus behelst zowel de “elaboración de fondant” als de “toneado básico y alisado del bizcocho y relleno” en de “teñido del fondant” en het kan niet op, ook nog de “técnicas básicas para la decoración”. Maar als je die onder de knie hebt, ben je wel een echte fondanttaartenman of –vrouw. Er staat niet bij wat de cursus kost, maar:
*Se proporcionara todo el material necesario para trabajar durante el curso
*Dossier explicativo al inicio del curso
*Entrega de diploma al finalizar el curso
*Te llevaras a casa una deliciosa y hermosa tarta realizada por ti, para compartir con familiares y amigos.
Daarmee heb ik, lijkt me, genoeg gekletst om mijn brief een academisch tintje te geven. In afwachting van de komst van Trudie begeef ik me vanmiddag naar de universiteit om hem als “carta weblog” te posten. En dan is het wachten en de laatste hand aan mijn voorbereidingen leggen. Vanaf morgen op het eind van de middag dien ik Trudie met raad en daad bij te staan in mijn keuken hier en op haar glorieuze pad door Las Palmas en omgeving. Of dat er een is met de koperen ploert aan een blauwe hemel, weet ik zo net nog niet. Gisteren heb ik zo waar een paar keer een onweer op mijn dak gekregen, gelukkig niet op mijn bol, met eerst lichtflitsen en donder en daarna felle regenbuien. En werden in mijn autovrije stuk van de straat nog eens enkele zitbanken geïnstalleerd, dat weer wel. Voor mij is Las Palmas de stad van de zitbanken.
Laat er geen misverstand over zijn: de komende week heb ik geen tijd voor jullie. Een mens heeft meer te doen. Mijn volgende brief verschijnt niet eerder dan op maandagmiddag 20 januari, nadat ik die morgen ook nog eerst Etel weer aan het werk heb mogen zetten om de schillen en de dozen van Trudie op te ruimen (voor het aangenaam verpozen). En dan duurt het nog bijna twee weken, voordat ik op zondagmiddag verkleed als verpleegster de markt op draai om uitgeroepen te worden tot Prins Carnaval vaan Groet Mestreech in 2014. Maar daarover later...
Voor nu, wat zal ik jullie eens wensen? Kook eens een zachtgekookt ei, warm eens een pannetje soep op en zet eens een pot koffie. Dat moeten toch zaken zijn die ik jullie kan toevertrouwen. Hier is het stilte voor de storm. Ik bid voor een prettige voortzetting van jullie winter en tot de volgende keer maar weer, hasta la próxima vez, jullie toegenegen PaulK.
BOEKHOEK
Het was even aanpoten vanochtend, anders had ik, jullie, mijn trouwe lezers van deze bijlage, geen één boek kunnen presenteren. Ik heb er toch een, “En uit de bergen kwam de echo”, het derde boek, als ik het wel heb, van internist Khaled Hoisseini uit Californië, voorheen uit Afghanistan. Het is van zeer onlangs en het speelt in Shadbagh, een dorpje in het islamitische land in oorlog, in de hoofdstad Kabul op enkele dagen lopen ervandaan, in Parijs en in Californië en op een paar plekken. De vorige twee boeken van Hosseini vond ik heel geslaagd, hier is mijn gefundeerde oordeel over zijn nieuwe boek.
Eerst willen jullie iets over de inhoud vernemen. Die zal ik hier zeker niet in detail gaan verklappen, maar ik kan het niet laten: het boek speelt in 1949, 1952, 1974, 2003 en 2010, min of meer door elkaar heen, terwijl niets steeds dezelfde personen de ikfiguren zijn. Misschien vind ik dat wel de grote vondst in deze “Hosseini”, dat wisselen van ikfiguren in de verschillende hoofdstukken van het boek om het complete verhaal te vertellen.
In notendop gaat het als volgt. Abdullah en Pari zijn zoon en dochter van Saboor en zijn eerste vrouw, die bij de geboorte van Pari overleden is. Daarna trouwt Saboor met Parwana en zij krijgen samen nog zoon Izqul. Vanuit het dorpje verplaatst het leven zich naar Kabul en dat van Pari weer naar Parijs in 1955, als ze daar met haar stiefmoeder Nila heen verhuist. Veel later pleegt haar moeder zelfmoord en trouwt Pari met Eric. Ze krijgen drie kinderen en de nodige kleinkinderen. Zelf wordt Pari professor in de wiskundige, tot ze het werk niet meer aankan door haar reuma. Abdullah tref ik na de beginjaren in Shadbagh pas weer op het eind van het boek aan. Hij runt dan in Noord-Californië een kebabzaak tot hij dement wordt. Abdullah krijgt met zijn vrouw Sultana een dochter, die hij Pari noemt als ode aan zijn zusje dat hij tegen zijn zin heeft moeten verlaten, toen hij 10 was en zij 3. Als zus Pari in 2010 haar demente broer vindt en opzoekt, moet ondergetekende, dat ben ik, zowaar een traantje wegpinken.
En dan komen in het boek diverse bijfiguren voorbij, die ik hier niet allemaal zal noemen op een klein clubje na. Wie het boek nog gaat lezen, moet deze alinea maar overslaan. Parwana’s tweelingzus Massooma is razend knap, maar valt uit een boom. Parwana’s broer Nawi klimt op van chauffeur en kok tot partner van Nila’s man Suleiman in Kabul. Izqul’s zoon Gholam blijkt goed te kunnen voetballen en verwerft zo een shirt van Zidane. Dan is er ene Markos, eerst in Griekenland met zijn mamá en zijn min of meer aangenomen zusje, slimmerik en door een hond gebeten Thalia. Vanaf 2002 is Markos als plastisch chirurg actief in Kabul samen met o.a. de Bosnische verpleegster Amra. Zelfs de vroegere overbuurjongen van Abdullah en Pari, Idris, mag in het boek figureren, eerst als kind en twintig jaar later nog eens als internist uit Californië, die met zijn broer Timur teruggaat naar zijn oude huis in Afghanistan.
En dan is hier mijn oordeel over het boek. Ik vind het alweer uiterst geslaagd. Met een thriller heeft het niets van doen, mocht een van jullie dat denken. Met “En uit de bergen kwam de echo” (een nogal rare titel) zet Khaled Hosseini een meesterwerk op de plank, in mijn geval op mijn e-reader. Ik heb het boek met erg veel animo gelezen, het begint enigszins kinderlijk, maar wat wordt het mooi, heel mooi. Als recensiecijfer krijgt het van mij een 9, “heel goed” is dat een onderwijzerstaal. Het zal wat vroeg zijn, maar ik kijk nu al uit naar zijn volgende boek. Met zijn “And the mountains echoed”, om het eens op zijn Amerikaans te zeggen, zet Khaled Hosseini zijn rijtje meesterwerkjes voort.
¡Qué hermosisimo! Wat mooi! Dit is me het weekje wel. Heb ik van doen met twee jarigen, eerst Anoek op Driekoningen en gisteren ook nog eens Eva. Proficiat, meisjes, en dat er nog veel verjaardagen voor jullie op mogen volgen. Daarmee is wel de kop van mijn brief eraf. Het wordt deze veertiende keer geen heel complete Ilias plus Odyssee; jullie mogen, moeten het zelfs deze keer doen met een dichtbundeltje, een veredelde amuse, een kattenbelletje. Als het tot een kattenbel uitgroeit, is dat omdat ik, als ik eenmaal bezig ben, nou eenmaal moeilijk meer stop kom. Daar gaat-ie, op naar mijn tweede alinea. Met alle vaart die ik nog in me heb!
En die gaat nog niet over muziek – die komt er zo aan, mensen. Eerst vertel ik jullie over mijn stadsbus 12, die ik in alle rust op Santa Catalina wou nemen dinsdagmiddag. “Men” had, al op 7 januari, het plein afgezet vanwege het nakende hoogfeest van carnaval; de bushokjes stonden er maar verlaten bij. Nou is dat niks nieuws; ook in andere jaren wordt een deel van Santa Catalina geofferd aan een daar neer te zetten carnavalspodium en om er een aantal tribunes omheen te bouwen. Alleen, zo iets is gepiept in een week of drie, dus had men er best begin februari mee kunnen aanvangen. Ik vrees, en met mij de rest van Las Palmas, dat “we” in februari een aantal weken tegen een leeg podium en tribunes stadion aan gaan zitten kijken, voordat carnaval wordt geopend. Carnaval, je moet er iets voor over hebben, maar als het pas in maart carnavalszaterdag is, als Harry 70 wordt, is een paar weken uitstel na Driekoningen op zijn plaats. Laat ik maar zeggen dat het me verbaast dat ik nu al voor mijn bus of terug naar de BBVA moet of door in de richting van El Corte Inglés.
En voor de completering: na het bekende “daor hobste ze al, daor zien ze weer, de daog vaan karnevalsplezeer”, pakt men hier in het weekeinde erna nog eens uit. Vervolgens is het voor de gemeente eens afbreken van de handel geblazen en daarvoor zijn nog eens bijna drie weken uitgetrokken, Het plein is volgens een officiële aankondiging stadsbusvrij van 7 januari t/m 28 maart, in totaal bijna drie maanden. Ik heb het even nagekeken, 28 maart valt op een vrijdag; er zijn voorbije jaren geweest dat het dan al Goede Vrijdag was. Ik heb er nauwelijks woorden voor.
Daarom niet getreurd, nu is het dan toch tijd voor mijn artiest van de (tweede helft van de) week gaan. Harry K. (niet Webb) had de afgelopen week voor de zoveelste keer een aardig popverhaal op zijn website staan, deze keer over de kinderjaren van Cliff Richard. Die zat eerst als rijk kind in India (ergens bij Calcutta) en vanaf zijn achtste als arm kind in Engeland, in de buurt van Londen.
Maar ik wou het nu niet hebben over de jaren vóór “Move it!” en “Living doll”. Iedere dag is er op Harry’s site ook een muziekclip te downloaden van iemand met wie net op die dag iets aan het handje is. Op dinsdag jongstleden maakte hij ruimte voor Al Bowlly, met dubbele L, een Engelse crooner uit (min of meer) de begintijd van de grammofoonplaat. De man werd geboren in 1889 - dat is nog eens verleden tijd – in overleed door een Duitse bom op Londen in 1941. Zijn hoogtijdagen, zeker in de studio, waren de vroege jaren 30, toen hij vele honderden liedjes opnam, al te vaak met hitpotentie. Harry kwam als praatje bij zijn clip met drie nummers van de zanger aanzetten die ik nog niet kende: Blue moon, Heartaches en Melancholy baby. Het laatste nummer was ook als clip te zien, prima spul. Wie verkondigde ook al weer dat de Amerikaanse groep de Marcels in de jaren 60 fantastisch was? Was dat niet Jorge? De Marcels hebben hun hits wel van Al Bowlly.
Ik vervolgens thuis zoeken naar materiaal dat ik zelf van de vroegere zanger heb. Ik ken Al Bowlly van nummers van “The Singing Detective” en “Pennies From Heaven”, de uitstekende BBC-series van Dennis Potter. (Huur die eens bij Centre Ceramique, kan ik jullie aanbevelen.) Ook heb ik nog iets van hem op de dubbel-cd Café London staan en zo waar vind ik met mijn zoekmachine nog een nummer op “Hits From 36”. Hier zijn alle acht mijn nummers van Al Bowlly, alfabetisch:
- Fancy our meeting
- It’s a lovely day tomorrow
- Love Is the sweetest thing
- Roll over, prairie moon
- Sweet and lovely
- The echo of a song
- The touch of your lips
- The very thought of you
Dames en heren, jongens en meisjes, zo maken ze ze niet meer: wat een verzameling eersteklas muziek uit vervlogen tijden. Wie van jullie gaat eens voor mij achter de andere dozen muziek van Al Bowlly aan? Hij heeft volgens Allmusic negen originele albums op zijn naam staan, waarvan jullie de titels zelf mogen opzoeken. En Allmusic komt daarnaast tot acht compilaties van zijn muziek, van “The Very Thought Of You” uit 1990 tot “The Al Bowlly Story 1928-1941” uit 2003. Vooral de laatste maakt op mij een redelijk complete indruk. Ik vind Al Bowlly en zijn muziek als Choco Pasta, “beregoed”, en dat “avant la lettre”.
Eigenlijk had ik jullie deze keer willen verrassen met een tweede White, na Tony Joe White van vorige week. Al Bowlly heeft enige roet in het eten gegooid, maar hier is hij dan toch, met enige vertraging: Barry White. Deze zanger en liedjesschrijver is van 1944 en hij is niet echt oud geworden, 59 jaar; in 2003 overleed hij aan problemen met zijn slecht functionerende nieren (vanwege een torenhoge bloeddruk). Zijn platenperiode begint in 1973 en duurde voort tot aan het millennium. Wat heeft Barry White veel zoet vuurwerk afgeleverd. Ik ben de gelukkige eigenaar van vier albums van de man, alle vier verzamelwerk uit resp. 1988, 1904, 1995 en 2005. Laat ik hier alleen de laatste met naam memoreren: een dubbel-cd genaamd: “Gold. The Very Best Of Barry White”, 27 keer BW al dan niet met zijn Love Unlimited. In totaal loop ik tegen een nummertje of veertig van zijn liedjes aan, bijna allemaal in meervoud present op de vier cd’s. Zijn er niet wat erg veel compilaties van hetzelfde voorhanden, vraag ik me voorzichtig af (zoals wel vaker)?
Ik beperk me hier tot een aantal van zijn best verkopende meezingers. Daar komen er negen die ik (o.a.) op “Gold” heb staan:
- Love’s theme
- I’m gonna love you just a little bit more baby
- It’s ecstacy when you lay down next to me
- Playing your game baby
- I’ll do for you anything you want me to
- Sha la la means I love you
- You see the trouble in me
- Walking in the rain (with the one I love)
- Just the way you are
Er is natuurlijk nog divers ander hitwerk, vooral uit de tweede helft van de jaren 70. Bijv. “Can’t get enough of your love babe“ en “Your sweetness to my weakness” staan bijv. niet op “Gold”, maar wel op mijn verzamelplaat uit 1994. Compleet ben ik daarmee zeker niet, wat Barry White betreft, maar wie weet, is het wel een truc van zijn platenmaatschappij, om zijn tophits er steeds net niet allemaal op te zetten. Niettemin, aangenaam om naar te luisteren is Barry White best, maar persoonlijk hoeft hij voor mij niet vele dagen achter elkaar gedraaid te worden. Tegelijkertijd kunnen liedjes als “Just the way you are” er zeker mee door. Echter, in zijn genre vind ik bijv. Lionel Richie ietsje meer te pruimen. Zal ik die, inclusief zijn tijd bij de Commodores, ook eens voor het voetlicht halen?
Ik ga jullie niet met de details lastig vallen, maar dinsdagavond kwam ik op weg naar de Playa Chica langs mijn kippenbier met dezelfde naam, waaraan tegenwoordig een café aan vastzit met de naam “Átame”, maak me vast. “Atar” is een werkwoord dat ik wel eens vergeet. Bijv. als je de veters van je schoenen vast wil maken - niet verkeerd, als ze los zitten - zeg je hier: “atarse los cordones de los zapatos”. “Átame” komt me daarmee voor als een nering, waar ik mezelf eens moet vastmaken, waar ik eens wat geld moet brengen.
Kom ik elders, waar ben ik ven kwijt, een soortgelijke zaak tegen met de naam “Desatame”, maak me los. Gaat het om twee broers of twee zussen die elkaar beconcurreren? Of slaat dat “Desatame” misschien op het geld dat je daar nog gemakkelijker dan in “Átame” zou kunnen achterlaten?
Mijn ommetjes hier in de vroege avond kunnen diverse kanten op. Als ik in vorm ben, loop ik zonder meer naar Triana of, wat dichter bij, naar Parque Doramas. Soms is het tijd voor camembert en daarvoor ga ik naar de Carrefour in Las Arenas, waar trouwens ook lekkere “callos”, darmen en “morro”, tête de veau te krijgen is. Voor mijn Fanta Zero en Schweppes Limon Zero loop ik liever minder ver en dan is de grote kelderwinkel van El Corte Inglés een uitkomst. En voor mijn min of meer dagelijkse boodschappen ga ik heel soms naar de HiperDino (in La Puntilla), maar ben ik vooral vaste klant van de verschillende Sparwinkels hier, in de Alfredo Jones, in de Ripoche en in mindere mate ook de dubbelzaak in de Torres Quevedo. De Sparwinkel op de Tomás Miller is mij aan de te grote kant.
Vandaag de dag staan bij de diverse Spar en HiperDino-winkels voor de deur bedelende dames. Wat zal ik daar nou eens van vinden? Als iemand echt in nood is, geef ik graag mijn kleingeld (of zelfs meer) af, maar ik heb de oprechte indruk dat het niet meer is dan een vorm van oneerlijke werkverschaffing. De dikke vrouw in de Alfredo Jones is mijn type niet. Ik heb haar om de hoek ook wel eens op haar dooie gemak een sigaretje zien roken. En dan denk ik: het lijken wel Roemenen, zoals je ze tegenwoordig ook in Maastricht aantreft. Niet mijn ding!
Woensdagmorgen stond Etel om even voor 9 voor mijn deur om de flat eens goed in de zepen. Trudie komt morgenmiddag en dan is “spic en span” het bijvoeglijke naamwoord dat met voorrang over mijn lippen komt. Daarna mocht ik aan de “corned beef” met zilveruitjes en mayonaise. En de middag werd in zijn geheel besteed aan het lezen van de nieuwe Khaled Housseini, “En over de bergen komt de echo”; zie verder beneden.>BR> Om een uur of 6 ’s middags is het, zoals bijna dagelijks, tijd voor mijn promenade; omdat ik geen boodschappen te doen heb, banjer ik over de boulevard naar rechts in de richting van calle Ferreras. Meestal houdt mijn geschuifel daar op of in ieder geval daar om de hoek bij de Caleta, maar af en toe - een keer per anderhalve week? – loop ik nog een stuk verder. Ik kom dan allereerst bij “Bodegón La Tacita De Plata”, eethuisje Het Zilveren Koffiekopje, maar wisten jullie “una tacita de Plata” ook “spic en span” betekent? Op zondagmiddag is er levende muziek en dan is het daar goed toeven tussen de locale geesten. We gaan door, langs winkeltje “Los Nidillos”, de nestjes. “de amor” mag ik hopen, en daarna is het nog een kilometertje naar mijn eindpunt. Dat ligt bij Mirador El Balconcito, een uitkijkpunt dat er zijn mag, met daarachter “El Confital”, waar ik dan graag op een bankje naar de zee zit te kijken of mijn boek pak, als ik per se een hoofdstuk uit wil lezen. “Confital” is iets geconfijnts, ingelegd met suiker.(Mijn moeder maakte vroeger pruimen op sap in, uit de kunst. De potten in het keldertje op een plank zie ik nog voor me. Koken en zo, daar was mijn moeder een kampioen in.)
Op de terugweg nam ik maar weer eens plaats op mijn bank bij calle Ferreras. Het pleintje daar heet, als ik het bord bij “casa Suecia”, een Zweedse konditorei, op het hoekje mag geloven: “Plaza De La Cantante Maria Merida”. (Cantante is Spaans voor zangeres.) Het stevig vastgeschroefde bord is in het wit. Ik vraag me in alle ernst af of het dan wel een officieel bord van de gemeente is; die zijn normaliter in het blauw. Misschien hebben de “aficiados”, de “admiradores” van Maria Merida gedacht: als aan Mary Sanchez zelfs een beeld wordt besteed - het staat verderop op de boulevard, mag onze heldin op zijn minst met de naam van een pleintje vereerd worden.
En nou komt nog een staartje aan dit verhaaltje. Naast mij op de bank ging een oudere vrouw zitten, die eerst een minuutje voor zich uitkeek (naar het bord van de “Plaza De La Cantante Maria Merida”?) en toen uit haar “kalbas” een paar krasloten opdiepte. Met een sleutel kraste ze in de loten, maar iets winnen was er niet bij. Pas daarna sjokte ze vermoeid in de richting van Isleta, waar ze ongetwijfeld op een te klein flatje haar dagen slijt.
Bij een kleine brief past niet meer dan een klein Spaans lesje. Ik kijk wel eens op het grote bord bij de oude faculteit of daar nog iets van belang staat. Eventueel haal ik het er zelfs af om te kopiëren, maar dan hang ik het later altijd braaf terug, behalve als ze al over tijd is.
De afgelopen dinsdag loop ik daar tegen een aankondiging van de Club La Cornisa, waar is die nou weer?, aan op zaterdag 14 december, met telefoonnummer en al. Ze heeft alles in zich om in mijn jaszak te verdwijnen en te eindigen in deze weblogbrief. ArteCake staat bovenaan, met daaronder “Tartas Personalizadas” en enkele voorbeelden van wat ik maar fondanttaarten zal noemen. Opzij ervan wordt duidelijk dat het om een “Curso De Iniciación De Tartas Fondant” gaat. Dat is nog eens wat; als voorbereiding op de verjaardag van Lux zouden Eva en JW eigenlijk naar zo’n cursus toe moeten, om met het “fondant” op de taart sier te maken over ruim twee weken. De cursus behelst zowel de “elaboración de fondant” als de “toneado básico y alisado del bizcocho y relleno” en de “teñido del fondant” en het kan niet op, ook nog de “técnicas básicas para la decoración”. Maar als je die onder de knie hebt, ben je wel een echte fondanttaartenman of –vrouw. Er staat niet bij wat de cursus kost, maar:
*Se proporcionara todo el material necesario para trabajar durante el curso
*Dossier explicativo al inicio del curso
*Entrega de diploma al finalizar el curso
*Te llevaras a casa una deliciosa y hermosa tarta realizada por ti, para compartir con familiares y amigos.
Daarmee heb ik, lijkt me, genoeg gekletst om mijn brief een academisch tintje te geven. In afwachting van de komst van Trudie begeef ik me vanmiddag naar de universiteit om hem als “carta weblog” te posten. En dan is het wachten en de laatste hand aan mijn voorbereidingen leggen. Vanaf morgen op het eind van de middag dien ik Trudie met raad en daad bij te staan in mijn keuken hier en op haar glorieuze pad door Las Palmas en omgeving. Of dat er een is met de koperen ploert aan een blauwe hemel, weet ik zo net nog niet. Gisteren heb ik zo waar een paar keer een onweer op mijn dak gekregen, gelukkig niet op mijn bol, met eerst lichtflitsen en donder en daarna felle regenbuien. En werden in mijn autovrije stuk van de straat nog eens enkele zitbanken geïnstalleerd, dat weer wel. Voor mij is Las Palmas de stad van de zitbanken.
Laat er geen misverstand over zijn: de komende week heb ik geen tijd voor jullie. Een mens heeft meer te doen. Mijn volgende brief verschijnt niet eerder dan op maandagmiddag 20 januari, nadat ik die morgen ook nog eerst Etel weer aan het werk heb mogen zetten om de schillen en de dozen van Trudie op te ruimen (voor het aangenaam verpozen). En dan duurt het nog bijna twee weken, voordat ik op zondagmiddag verkleed als verpleegster de markt op draai om uitgeroepen te worden tot Prins Carnaval vaan Groet Mestreech in 2014. Maar daarover later...
Voor nu, wat zal ik jullie eens wensen? Kook eens een zachtgekookt ei, warm eens een pannetje soep op en zet eens een pot koffie. Dat moeten toch zaken zijn die ik jullie kan toevertrouwen. Hier is het stilte voor de storm. Ik bid voor een prettige voortzetting van jullie winter en tot de volgende keer maar weer, hasta la próxima vez, jullie toegenegen PaulK.
BOEKHOEK
Het was even aanpoten vanochtend, anders had ik, jullie, mijn trouwe lezers van deze bijlage, geen één boek kunnen presenteren. Ik heb er toch een, “En uit de bergen kwam de echo”, het derde boek, als ik het wel heb, van internist Khaled Hoisseini uit Californië, voorheen uit Afghanistan. Het is van zeer onlangs en het speelt in Shadbagh, een dorpje in het islamitische land in oorlog, in de hoofdstad Kabul op enkele dagen lopen ervandaan, in Parijs en in Californië en op een paar plekken. De vorige twee boeken van Hosseini vond ik heel geslaagd, hier is mijn gefundeerde oordeel over zijn nieuwe boek.
Eerst willen jullie iets over de inhoud vernemen. Die zal ik hier zeker niet in detail gaan verklappen, maar ik kan het niet laten: het boek speelt in 1949, 1952, 1974, 2003 en 2010, min of meer door elkaar heen, terwijl niets steeds dezelfde personen de ikfiguren zijn. Misschien vind ik dat wel de grote vondst in deze “Hosseini”, dat wisselen van ikfiguren in de verschillende hoofdstukken van het boek om het complete verhaal te vertellen.
In notendop gaat het als volgt. Abdullah en Pari zijn zoon en dochter van Saboor en zijn eerste vrouw, die bij de geboorte van Pari overleden is. Daarna trouwt Saboor met Parwana en zij krijgen samen nog zoon Izqul. Vanuit het dorpje verplaatst het leven zich naar Kabul en dat van Pari weer naar Parijs in 1955, als ze daar met haar stiefmoeder Nila heen verhuist. Veel later pleegt haar moeder zelfmoord en trouwt Pari met Eric. Ze krijgen drie kinderen en de nodige kleinkinderen. Zelf wordt Pari professor in de wiskundige, tot ze het werk niet meer aankan door haar reuma. Abdullah tref ik na de beginjaren in Shadbagh pas weer op het eind van het boek aan. Hij runt dan in Noord-Californië een kebabzaak tot hij dement wordt. Abdullah krijgt met zijn vrouw Sultana een dochter, die hij Pari noemt als ode aan zijn zusje dat hij tegen zijn zin heeft moeten verlaten, toen hij 10 was en zij 3. Als zus Pari in 2010 haar demente broer vindt en opzoekt, moet ondergetekende, dat ben ik, zowaar een traantje wegpinken.
En dan komen in het boek diverse bijfiguren voorbij, die ik hier niet allemaal zal noemen op een klein clubje na. Wie het boek nog gaat lezen, moet deze alinea maar overslaan. Parwana’s tweelingzus Massooma is razend knap, maar valt uit een boom. Parwana’s broer Nawi klimt op van chauffeur en kok tot partner van Nila’s man Suleiman in Kabul. Izqul’s zoon Gholam blijkt goed te kunnen voetballen en verwerft zo een shirt van Zidane. Dan is er ene Markos, eerst in Griekenland met zijn mamá en zijn min of meer aangenomen zusje, slimmerik en door een hond gebeten Thalia. Vanaf 2002 is Markos als plastisch chirurg actief in Kabul samen met o.a. de Bosnische verpleegster Amra. Zelfs de vroegere overbuurjongen van Abdullah en Pari, Idris, mag in het boek figureren, eerst als kind en twintig jaar later nog eens als internist uit Californië, die met zijn broer Timur teruggaat naar zijn oude huis in Afghanistan.
En dan is hier mijn oordeel over het boek. Ik vind het alweer uiterst geslaagd. Met een thriller heeft het niets van doen, mocht een van jullie dat denken. Met “En uit de bergen kwam de echo” (een nogal rare titel) zet Khaled Hosseini een meesterwerk op de plank, in mijn geval op mijn e-reader. Ik heb het boek met erg veel animo gelezen, het begint enigszins kinderlijk, maar wat wordt het mooi, heel mooi. Als recensiecijfer krijgt het van mij een 9, “heel goed” is dat een onderwijzerstaal. Het zal wat vroeg zijn, maar ik kijk nu al uit naar zijn volgende boek. Met zijn “And the mountains echoed”, om het eens op zijn Amerikaans te zeggen, zet Khaled Hosseini zijn rijtje meesterwerkjes voort.
dinsdag 7 januari 2014
Weblogbrief 9.13, 7 januari 2014
Weblogbrief 9.13, vrijdag 10 januari 2014
Queridos interesados, beste belangstellenden, met een beetje “foetele” (een Maastrichts woord, onvertaalbaar) is dit alweer mijn tweede brief van 2014, nummertje 9.13. Jullie mogen hem pas gaan lezen, nadat je nummertje 12, die ik ook vandaag pas kon versturen, in ieder geval vluchtig hebt doorgenomen.
Deze brief, niet a te lang, staat vooral in het teken van de wijzen uit het oosten, ons equivalent van sinterklaas en “Zie de maan schijnt dor de bomen”, met hier twee klazen en één piet. Gedrieën zijn ze afgelopen zondagmiddag in de stad aangekomen, wel ieder met hun eigen stoomboot. En gisteren is het illustere drietal, los Reyes Magos, weer huiswaarts gegaan. Het preklinische gebouw van de medische faculteit is weer open, dus laat hem maar komen, mijn weblogbrief 9.13.
Ik ben een aantal keren voor mijn werk in Schotland geweest, met Jos Kleijnen o.a. in Glasgow om een bekende homeopaat aan de tand te voelen, maar ook solo in de hoofdstad Edinburgh (spreek uit: Eddinboro). Ik kan me nog herinneren dat ik daar aan Princess Street de laatste Pink Floyd plaat kocht, “Division Bells”, die toen net uit was. En mij staat ook nog een sticker bij, die ik daar kocht, met het opschrift: “Keep clean. Throw your rubbish into England.” Zo diep zit kennelijk de onrust, de haat bij de Schotten, als ze het over hun benedenburen uit Engeland hebben.
In mijn zoveelste Ian Rankin boek, zie verder beneden, geeft detective inspector John Rebus een rake opsomming van de vele popartiesten uit Schotland. Ik leerde bij, want wist niet dat Frankie Miller daar ook bij hoorde. Ik had hem een verdieping lager, in Engeland gesitueerd (en verwar hem asjeblieft niet met zanger Frankie Miller uit Texas). Hij heeft wel het rauwe accent. Is dat een beetje een handelsmerk van de Schotten?
Hoe dan ook, ik bombardeer Schotse Frankie Miller uit het niets tot muzikant van de week. Hij is van 1949, uit Glasgow, en met mij heeft hij gemeen dat hij op vrij jonge leeftijd, hij was 45 jaar, een beroerte kreeg. Niettemin, ik begrijp van Allmusic dat hij toen en later nog steeds niet is gaan hemelen.
De man heeft een veertiental originele cd’s gemaakt, maar ik heb er maar een, “Full house” uit 1977, en die ook nog maar gedeeltelijk. Daarnaast heb ik wel twee compilaties van hem: “Love letters” uit 1996 en “The Very Best Of Frankie Miller” uit 1997 en dus valt er toch wat te draaien. Zijn beste nummers vind ik “Darlin” uit 1978, dat het jaar erop een echte hit werd. Enkele andere opvallende nummers vind ik (alfabetisch): “I can’t change it”, “Just like Tom Thump’s blues”, “Let the candlelight shine”, “Love letters”, Searchin’”, “Tears” en “The devil gun”. Zijn stem lijkt op die van Joe Cocker (uit Sheffield in Noord-Engeland), alleen was en is de laatste natuurlijk een stuk succesrijker. En toch, met name dat “Darlin” is en blijft een kaskraker (Darlin, I’m feeling pretty lonesome, I’d call you on the phone (chum), but I don’t have a dime.) Ik moet er toch eens een pakkende Maastrichtse tekst opplakken en het nummer dan door Beppie Kraft laten zingen. Als dat geen succes wordt, weet ik het niet meer.
Voor een tweetal heb je in het Nederlands een heelrijtje woorden: paar, stel, span, duo, koppel, noem maar op. In het Spaans zeg je meestal “pareja”, maar ook andere woorden mogen: yunta, dúo, unos. Als ik maar met één artiest kom aanzetten, en die bevalt niet, zitten jullie zonder muziek. Voor de bedaarde lezers onder jullie heb ik er daarom nog een: Tony Joe White. De man is van 1943, uit het Amerikaanse Louisiana, en hij is misschien wel bekender als de schrijver van een aantal deuntjes dan als zanger. Bijv. was hij intensief betrokken bij de cd “Foreign affair” van Tina Turner uit 1989, waarvoor hij vier nummers schreef. Zijn eerste eigen plaat is van 1969 en daarna volgden er nog ongeveer 25. Ik heb “Lake Placid Blues” van hem, uit 1995, maar daar gaat het nu niet om. Ik neem jullie mee naar een verzamelcd uit 1993: “The Best Of Tony Joe White”, een compilatie van twintig van zijn beste nummers. Die ligt op mijn elektronische pick-up annex cd-speler.
Ik heb zitten denken of ik jullie blij kan maken met ze allemaal te noemen, maar ik vind de verzamelplaat er typisch een waarbij de kwaliteit steeds verder afneemt, naarmate ze verder wordt afgespeeld. Hier zijn de eerste vijf nummers:
01. Polk Salad Annie
02. Soul Francisco
03. Willie And Laura Mea Jones
04. Rainy Night In Georgia
05. Roosevelt And Ira Lee.
Daar moeten jullie het maar voor doen, hoewel bijv. “Old Man Willie” van Tony Joe White, liedje 8, dat qua melodie nogal op “Polk Salad Annie” lijkt, er ook best mee door kan. Uiteraard zijn “Rainy Night In Georgia” een uitschieter naar boven, maar persoonlijk prefereer ik de versie van Brook Benton; dat is voor mij echt een evergreen. Als het om nummers van Tony Joe White zelf gaat, kies ik met stip voor zijn “Polk Salad Annie”. (Kan iemand mij eens vertellen waar dat “Polk” voor staat?) Dat zie ik als zijn gimmick.
Het blijft iets raars hebben. Een heel rijtje nummers van een artiest vind je maar zo zo en dan ineens komt er een voorbij waar je van uit je bol dreigt te gaan.
Carlos, bij mij beneden, doet tegenwoordig niet alleen in koffie en andere drank, maar getuige allerlei opschriften op de gevel kun je er ook iets te eten krijgen. Ik bespeur tussen alle benamingen van gerechten die ik ken, er eentje dat mij vreemd is: morcón. Dat is een “dikke bloedworst” volgens mijn woordenboek. Als afgeleide kan het ook een vetzak van een man of een smeerpoets zijn. En wat is dan een morcona? Dat is een “mujer gorda” of mujer sucia”, een dikke of een smerige vrouw. Vrouwelijke bloedworst staat bij Carlos niet op het menu.
Om in eetstijl te blijven, sommigen van jullie, zoals Marcel en Marc, zijn gaandeweg liefhebbers geworden van lunchen bij “100 (cien) Montaditos”. Dat is een eetzaak in El Muelle, aan de haven, die gespecialiseerd is in allerlei kleine broodjes. Ze is overdag best populair en wonderwel heeft men onlangs zijn prijs verlaagd naar 50 cent per broodje.
Ik heb een nieuwtje. Aan de boulevard lopen zaken wel of niet, en zo nee, dan dient iets anders geprobeerd te worden. Bijv. het restaurant dat nu “Kitchen Lovers” heet, vlakbij het locale Paviljoen 3, is iedere avond haast leeg, als ik erlangs kom voor mijn wandelingetje. Potentiële bezoekers, die in de rij staan om een plaatsje te bemachtigen, vergeet het maar. Vlakbij mijn zitje aan Ferreras is ook zo’n zaak, waar echt al van alles geprobeerd is. Ik herinner me dat ik er wel eens met Trudie en Eva Braziliaans heb gegeten, alle soorten vlees aan het spit, in een groot gezelschap met mijn vroegere Spaanse leraar Paco. Tot voor kort was het een Italiaanse zaak, maar alweer zonder veel klandizie. Sinds onlangs is er nu een tweede (?) vestiging van 100 Montaditos, eveneens met broodjes van niks voor 50 cent. Is het een idee om Trudie eens te trakteren volgende week op een schoteltje “montaditos”?
(Onder ons, montado is eigenlijk “te paard” van het werkwoord “montar”, “bestijgen”. Hoe men erbij komt om een “kleine sandwich” ook zo te noemen, weet ik niet. Echter, als een “montado” al pietepeuterig is, is een “montadito” dat zeker. Zelfs een matige eter moet toch gauw rekenen met drie, vier “montaditos” voordat zijn of haar hongergevoel weg is.)
Zaterdag op het einde van de middag tufte ik weer eens naar Las Arenas, het winkelcentrum op het westelijke einde van Las Canteras bij het auditorium. Ik ga jullie niet vermoeien met mijn boodschappen doen in de Carrefour (maar “morro” is een mengsel van stukjes snuit in een rode saus, het lijkt wel ouderwetse “tête de veau”.). Op de onderste etage trok een kleine tentoonstelling mijn aandacht. In diverse vitrines waren Canarische muziekinstrumenten te bezichtigen en vooruit, daarnaast ook nog enkele bijpassende kledingstukken en grammofoonplaten, o.a. een oude E.P van Mary Sanchez. (Weten de jongeren onder jullie wel wat een E.P. is?) Bijv. een “tambur” en een “percusion” lagen er uitnodigend bij; het zijn typische Canarische slaginstrumenten. Zo’n “percusion” heeft wel iets van een grote tamboerijn, zo eentje die ik met carnaval wel eens met me meesleep aan een touw voor mijn borst. Uiteraard zag ik ook enkele “cháracas” (castagnetten, komt dat woord van “castañas”, kastanjes?) en stenen, schelpen, die ongeveer hetzelfde geluid maken. Mijn oog werd echter vooral getrokken door de diverse minigitaren van de Canarische eilanden, de “timples”. Sommige met vier snaren, andere met vijf, en allemaal behoorlijk klein. En tussen de diverse “timples” lag zowaar een “timplillo”, een mini-mini-gitaar. Als ik die nou eens zou kunnen stelen en thuis aan de muur hangen... Terzijde, weten jullie wat een tenderete is? Dat is Spaans voor een marktkraampje. In een kraampje beneden in de hal van Las Arenas zag ik overheerlijke regionale oude kaas liggen.
Op de terugweg naar mijn huisje was ik getuige van (een stuk van) een prima optreden van een Canarische popgroep vlakbij de woning van Noé. Het speelde zich af voor café NYC Taxi, waar iedere zaterdagavond wel wat te doen is. Een mollige zangeres, drie jongens met gitaren en een drummer speelden de Canarische sterren (sterretjes) van de hemel en heel de meute voor de zaak sloot zich bij het leven aan. Kennelijk is er op de wereld meer muziek dan van mensen als Frankie Miller en Tony Joe White.
Zal ik dan toch iets over “Melchor, Gaspar y Baltazar” vertellen? Ze kwamen zondagavond weer voorbij in de bekende kleuren rood, blauw en groen, maar het duurde even. Om zes uur passeerde de cabalgata Santa Catalina, waar ik stond tussen weet ik hoeveel mensen, vele rijen dik, met de kleintjes in vooruitgeschoven positie. Dit jaar werd er geen snoep uitgedeeld of van de wagens gegooid; hoort dat bij de bezuiniging? Er kwamen achter elkaar elf vrachtwagens voorbij, met daarop steeds vooral kinderen in carnavalskleding. Ik ga ze niet allemaal voor jullie opsommen. De leukste vond ik nummertje 2: Arca de Noé (maar is dat. omdat ik met Noé bevriend ben?), nummertje 9: Deporte Español, Crisis1-España2, ¡¡Podemos!!, Wij kunnen het!, en nummertje 11, een grote arreslee van HiperDino met de bekende beesten op de bok. Na twintig minuten waren de wagens voorbij en viel een gat, een goot gat mag ik wel zeggen. Het leek wel of ik naar de carnavalsoptocht in Maastricht aan het kijken was, met zijn “loker”. Vijftien minuten niks en toen kwamen pas de drie koningen op hun dromedarissen aangekacheld. Het waren dezelfde koppen als in eerdere jaren, maar het blijft een mooi gezicht.
Zoals ieder jaar is de dag van 6 januari er een dat de Canarische kinderen met hun nieuw verworven speelgoed de boulevard hier onveilig mogen maken. Als ik laat in de middag mijn tour de force maak, kom ik – zo hoort het ook – om in de autopetten in enkele varianten, driewielers en fietsjes, al dan niet met extra wieltjes eraan vast. (Autopetten, dat is er zo een als bijdehanter. Het bijvoeglijk naamwoord bijdehand is met een D, het zelfstandig naamwoord autoped ook, maar de vergrotende trap van bijdehand is met een T en dat is m.i. ook het geval met het meervoud en werkwoord van autoped. Mijn woordenboek doet net of “autopetten” niet bestaat, maar zo zijn we niet getrouwd.) Terwijl de kleintjes hun kunsten vertonen, kijken de “padres y abuelos” evenals ondergetekende enthousiast toe.
En dan zie ik op een bankje een oma zitten die haar breipinnen in de aanslag heeft en al aardig gevorderd is met wat (waarschijnlijk) een zwarte sjaal moet worden. Ze zit er helemaal in haar eentje, wel met een plastic zak naast zich, waar ongetwijfeld de knot breiwol in verstopt zit. Het is een tafereel waar ik jullie graag deelgenoot van maak. Waar vind je ze nog, oma’s die aan het breien zijn? (Hoewel, Trudie kan op zijn tijd de pennen ook best hanteren.)
Heeft er nog iemand zitten nadenken over een Spaans rijmwoord op “próspero”? Mijn beste gok is “Bósforo”, de Bosporus, maar echt mooi vind ik het rijmwoord niet. Het is te weinig om een limerick van te maken. Er was eens een man aan de Bósforo... Wie heeft nog een ander woord, eentje waar ik maar niet op kan komen? (Voor de zoveelste keer hoop ik nog eens een Spaans rijmwoordenboek te bemachtigen. Een eerdere poging, met de hulp van Noé, is destijds gestrand. Maar wie weet, ligt het aanstaande zondag zo maar voor een halve euro op de rommelmarkt hier.)
Deze brief is beperkt en laat ik dat dan maar ook doen met mijn Spaans lesje. Wie van jullie weet een rijmwoord op het Spaanse woord voor koningen, “reyes”? Als je er niet uitkomt, mag je voor één keer uitwijken naar het Nederlands: koningen, dat is niet zo moeilijk om op te rijmen, of naar het Maastrichtse keuninge. Doe je best.
Het zit er weer op. Ik heb wel eens langere brieven geschreven, zie “zum Beispiel” de vorige, maar deze Driekoningenbrief is toch ook niet mis. Erger nog, ik beloof jullie er voor vrijdagmiddag nog een, omdat er daarna een week lang weinig van komt met Trudie in mijn nabijheid. Ik kan alleen maar hopen dat ik de komende dagen genoeg inspiratie heb om jullie te bedienen.
Voor nu, het lijkt me nog te vroeg om de carnavalskist al van de zolder te halen. En zo lauw weer als de laatste weken, dat is niks voor Nederland, het hoort daar nu te vriezen, ijskoud te zijn, te sneeuwen. Dus kruip maar eens gezellig bij elkaar aan de centrale verwarming en lees eens goed boek. Misschien dat mijn boekenbijlage van deze week en van de afgelopen twee maanden nog voor een paar aardige tips kunnen zorgen.
Ik wens het jullie, de dagen gaan weer lengen. Tot vrijdag, hasta viernes, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Wat vind ik het prettig dat ik nog net twee boeken heb kunnen uitlezen, in wat is het vier dagen. Het eerste van de “pareja” (zie boven) is een van de laatste van Adriaan van Dis, iemand van mijn leeftijd. Van hem heb ik in Maastricht een hele serie boeken, meer dan tien, maar de allerlaatste niet. Gelukkig kan ik zijn nieuwste over Zuid-Afrika eenvoudig van een e-lijst downloaden naar mijn e-reader: Tikkop uit 2010, 177 bladzijden dun.
Marten is in de jaren zeventig een enigszins alternatieve Nederlander, die in Parijs gaat wonen en daar in contact komt met het Zuid-Afrikaanse verzet. Hij wordt actief in de Fraternité, tussen mensen die elkaar ontmoeten in boekhandel Présence Africaine. In die tijd trekt hij op met twee jonge Zuid-Afrikanen, de wispelturige Catherine en medisch student Douglas. Hij gaat een keer op bezoek in het Kaapgebied, o.a. om daar brieven van het verzet op hun plek te brengen. Uit die tijd stamt ook zijn bezoek aan de wijnhoeve van de ouders van Douglas (Treghardt), die bevriend zijn met de ouders van Catherine. Die Catherine draait vlak daarop voor vijf jaar de bak in.
Nu, 38 jaar later en lang na het einde van de apartheid, gaat Marten, onder zijn echte naam Mulder, op bezoek bij dezelfde Douglas in Zuid-Afrika. Het blijkt dat er in het plaatsje aan de Kaap nog steeds sprake is van een blanke bovenklasse, terwijl de zwarte vissers onder veel slechtere omstandigheden in het onderdorp wonen. Echter, ze zijn bepaald niet langer gediend van blanke overheersing. FOK OF staat op het hek van het huis van Douglas en zijn vrouw Sarah. Er komen allerlei zwarten op bezoek, zoals Winston, de sleutelman, Charmein die oesters verkoopt en de prostituée speelt, en vooral haar tienerzoon Hendrik, een tikkop op roze gympjes. Tik is crystal meth, superspeed, waaraan hij langzaam onderdoor gaat. Na een storm, regen en modderbui blijkt dat Mulder wel een prima buurvrouw heeft, Stienie, ex-verpleegster, die blij is iets voor de mensen te kunnen doen. Charmein gaat met gebroken benen het ziekenhuis in. Als Hendrik wordt gevonden, onder de drugs, moet hij bij Douglas en Mulder gaan afkicken. Zijn muziekstijl verandert door de laptop van Mulder van rap in reggae, daarna punk en tenslotte postpunk. Of Hendrik het redt, staat te bezien.
En passant krijg ik hele rijen Zuid-Afrikaanse woordjes mee: bokkies, ’n druk, perlemoen, skollies, vonkelwyn, etc. Maar wat vind ik van het boek? De foto op de kaft is heel goed gekozen en het steeds terugkerende tekeningetje van een visje ook. Het boek heeft ook best een mooi onderwerp, maar of ik er weg van ben, dat lijkt me iets te veel van het goede. Het is aardig, best aardig, maar niet geweldig, vind ik. Als ik een rapportcijfer moet geven, kom ik op een 6½, vooruit een 7-, maar meer kan en wil ik er niet van maken.
Ik heb jullie een tweede boek beloofd en als je iets belooft, moet je het ook doen, Hier is mijn recensie van het zoveelste boek van Ian Rankin, de thrillerschrijver uit Edinburgh, die met de wederwaardigheden van politiemensen John Rebus en Siobhan (Shiv-awn) Clarke intussen multimiljonair moet zijn. Wie kent hem niet? Deze keer vraag ik jullie aandacht voor “A Question Of Blood” uit 2003, waarvoor hij een jaar later een Edgar kreeg, als beste Mystery Writer van het jaar in de VS.
In het boek spelen twee zaken. De eerste betreft de moord op twee schooljongens en de verwonding van een derde, met voormalige SAS-man Lee Herdman als dader. Het gebeurt op een middelbare school, Port Edgar Academy, waarna Lee zichzelf ook nog eens voor zijn kop schiet. Wat is het motief? Van de twee vermoorde jongens blijkt er een, Derek, de zoon te zijn van een neef van John Rebus en daarmee komt tevens een klein stukje familiegeschiedenis boven de tafel. De andere, Tony, is de zoon van een effectenmakelaar, en net als Derek is hij nogal fanatiek met het leger bezig, loopt zelfs als soldaat gekleed door het gebouw. De derde, James, is de zoon van een uiterst fanatieke MSP, Member of Scottish Parliament, Jack Bell, die niet weet hoe snel hij de pers daarna moet opzoeken om de politie onderuit te halen. Er zijn nog diverse andere namen te noemen, zoals van politiebaas Gill Templer, Teri Cotter met haar zwarte outfit en webcam (en haar moeder Charlotte), de nodige ingevlogen politiemensen van elders en journalist Steve Holly. En laat ik Donald Brimson met zijn vliegtuigjes niet vergeten, broer en zus Rod & Rachel en SAS-man Robert Niles, die net zijn vrouw heeft vermoord.
De tweede zaak is niet helemaal los te zien van de eerste. Nu gaat het om de moord op Martin Fairstone, hij komt in een brand om, waarvan John Rebus met de brandwonden aan zijn banden wordt verdacht. Gedurende een groot deel van het verhaal is John zelfs om die reden geschorst als politieman. In verband met Fairstone’s dood voeg ik o.a. Peacock Johnson, Evil Bob en de Lost Boys aan het namenlijstje toe. Hoe redt de onverwoestbare John Rebus, die NB op de avond van de moord als laatste bij Fairstone thuis gezien zou zijn, zich er deze keer uit?
Pas na 440 bladzijden mag ik het boek terzijde leggen en dan zijn er de nodige mensen dood. Ik heb dan een heel spannend boek achter mijn kiezen, zeker weten, en met een aparte afloop. Daarbij valt er ook best wel wat te gniffelen, soms zelfs te lachen, vooral met de dialogen tussen Siobhan en John. (Als ik nog eens een naam voor een meisje moest bedenken, komt de naam Shiv zeker in aanmerking.) Ian Rankin verrast me steeds weer, ook met dit boek, en dan kan een mooi cijfer niet uitblijven. Voor “A Question Of Blood” bedeel ik hem met een 8½ met de toevoeging dat ik de rest van zijn nog ongelezen boeken maar eens met enige voortang moet gaan afwerken.
Queridos interesados, beste belangstellenden, met een beetje “foetele” (een Maastrichts woord, onvertaalbaar) is dit alweer mijn tweede brief van 2014, nummertje 9.13. Jullie mogen hem pas gaan lezen, nadat je nummertje 12, die ik ook vandaag pas kon versturen, in ieder geval vluchtig hebt doorgenomen.
Deze brief, niet a te lang, staat vooral in het teken van de wijzen uit het oosten, ons equivalent van sinterklaas en “Zie de maan schijnt dor de bomen”, met hier twee klazen en één piet. Gedrieën zijn ze afgelopen zondagmiddag in de stad aangekomen, wel ieder met hun eigen stoomboot. En gisteren is het illustere drietal, los Reyes Magos, weer huiswaarts gegaan. Het preklinische gebouw van de medische faculteit is weer open, dus laat hem maar komen, mijn weblogbrief 9.13.
Ik ben een aantal keren voor mijn werk in Schotland geweest, met Jos Kleijnen o.a. in Glasgow om een bekende homeopaat aan de tand te voelen, maar ook solo in de hoofdstad Edinburgh (spreek uit: Eddinboro). Ik kan me nog herinneren dat ik daar aan Princess Street de laatste Pink Floyd plaat kocht, “Division Bells”, die toen net uit was. En mij staat ook nog een sticker bij, die ik daar kocht, met het opschrift: “Keep clean. Throw your rubbish into England.” Zo diep zit kennelijk de onrust, de haat bij de Schotten, als ze het over hun benedenburen uit Engeland hebben.
In mijn zoveelste Ian Rankin boek, zie verder beneden, geeft detective inspector John Rebus een rake opsomming van de vele popartiesten uit Schotland. Ik leerde bij, want wist niet dat Frankie Miller daar ook bij hoorde. Ik had hem een verdieping lager, in Engeland gesitueerd (en verwar hem asjeblieft niet met zanger Frankie Miller uit Texas). Hij heeft wel het rauwe accent. Is dat een beetje een handelsmerk van de Schotten?
Hoe dan ook, ik bombardeer Schotse Frankie Miller uit het niets tot muzikant van de week. Hij is van 1949, uit Glasgow, en met mij heeft hij gemeen dat hij op vrij jonge leeftijd, hij was 45 jaar, een beroerte kreeg. Niettemin, ik begrijp van Allmusic dat hij toen en later nog steeds niet is gaan hemelen.
De man heeft een veertiental originele cd’s gemaakt, maar ik heb er maar een, “Full house” uit 1977, en die ook nog maar gedeeltelijk. Daarnaast heb ik wel twee compilaties van hem: “Love letters” uit 1996 en “The Very Best Of Frankie Miller” uit 1997 en dus valt er toch wat te draaien. Zijn beste nummers vind ik “Darlin” uit 1978, dat het jaar erop een echte hit werd. Enkele andere opvallende nummers vind ik (alfabetisch): “I can’t change it”, “Just like Tom Thump’s blues”, “Let the candlelight shine”, “Love letters”, Searchin’”, “Tears” en “The devil gun”. Zijn stem lijkt op die van Joe Cocker (uit Sheffield in Noord-Engeland), alleen was en is de laatste natuurlijk een stuk succesrijker. En toch, met name dat “Darlin” is en blijft een kaskraker (Darlin, I’m feeling pretty lonesome, I’d call you on the phone (chum), but I don’t have a dime.) Ik moet er toch eens een pakkende Maastrichtse tekst opplakken en het nummer dan door Beppie Kraft laten zingen. Als dat geen succes wordt, weet ik het niet meer.
Voor een tweetal heb je in het Nederlands een heelrijtje woorden: paar, stel, span, duo, koppel, noem maar op. In het Spaans zeg je meestal “pareja”, maar ook andere woorden mogen: yunta, dúo, unos. Als ik maar met één artiest kom aanzetten, en die bevalt niet, zitten jullie zonder muziek. Voor de bedaarde lezers onder jullie heb ik er daarom nog een: Tony Joe White. De man is van 1943, uit het Amerikaanse Louisiana, en hij is misschien wel bekender als de schrijver van een aantal deuntjes dan als zanger. Bijv. was hij intensief betrokken bij de cd “Foreign affair” van Tina Turner uit 1989, waarvoor hij vier nummers schreef. Zijn eerste eigen plaat is van 1969 en daarna volgden er nog ongeveer 25. Ik heb “Lake Placid Blues” van hem, uit 1995, maar daar gaat het nu niet om. Ik neem jullie mee naar een verzamelcd uit 1993: “The Best Of Tony Joe White”, een compilatie van twintig van zijn beste nummers. Die ligt op mijn elektronische pick-up annex cd-speler.
Ik heb zitten denken of ik jullie blij kan maken met ze allemaal te noemen, maar ik vind de verzamelplaat er typisch een waarbij de kwaliteit steeds verder afneemt, naarmate ze verder wordt afgespeeld. Hier zijn de eerste vijf nummers:
01. Polk Salad Annie
02. Soul Francisco
03. Willie And Laura Mea Jones
04. Rainy Night In Georgia
05. Roosevelt And Ira Lee.
Daar moeten jullie het maar voor doen, hoewel bijv. “Old Man Willie” van Tony Joe White, liedje 8, dat qua melodie nogal op “Polk Salad Annie” lijkt, er ook best mee door kan. Uiteraard zijn “Rainy Night In Georgia” een uitschieter naar boven, maar persoonlijk prefereer ik de versie van Brook Benton; dat is voor mij echt een evergreen. Als het om nummers van Tony Joe White zelf gaat, kies ik met stip voor zijn “Polk Salad Annie”. (Kan iemand mij eens vertellen waar dat “Polk” voor staat?) Dat zie ik als zijn gimmick.
Het blijft iets raars hebben. Een heel rijtje nummers van een artiest vind je maar zo zo en dan ineens komt er een voorbij waar je van uit je bol dreigt te gaan.
Carlos, bij mij beneden, doet tegenwoordig niet alleen in koffie en andere drank, maar getuige allerlei opschriften op de gevel kun je er ook iets te eten krijgen. Ik bespeur tussen alle benamingen van gerechten die ik ken, er eentje dat mij vreemd is: morcón. Dat is een “dikke bloedworst” volgens mijn woordenboek. Als afgeleide kan het ook een vetzak van een man of een smeerpoets zijn. En wat is dan een morcona? Dat is een “mujer gorda” of mujer sucia”, een dikke of een smerige vrouw. Vrouwelijke bloedworst staat bij Carlos niet op het menu.
Om in eetstijl te blijven, sommigen van jullie, zoals Marcel en Marc, zijn gaandeweg liefhebbers geworden van lunchen bij “100 (cien) Montaditos”. Dat is een eetzaak in El Muelle, aan de haven, die gespecialiseerd is in allerlei kleine broodjes. Ze is overdag best populair en wonderwel heeft men onlangs zijn prijs verlaagd naar 50 cent per broodje.
Ik heb een nieuwtje. Aan de boulevard lopen zaken wel of niet, en zo nee, dan dient iets anders geprobeerd te worden. Bijv. het restaurant dat nu “Kitchen Lovers” heet, vlakbij het locale Paviljoen 3, is iedere avond haast leeg, als ik erlangs kom voor mijn wandelingetje. Potentiële bezoekers, die in de rij staan om een plaatsje te bemachtigen, vergeet het maar. Vlakbij mijn zitje aan Ferreras is ook zo’n zaak, waar echt al van alles geprobeerd is. Ik herinner me dat ik er wel eens met Trudie en Eva Braziliaans heb gegeten, alle soorten vlees aan het spit, in een groot gezelschap met mijn vroegere Spaanse leraar Paco. Tot voor kort was het een Italiaanse zaak, maar alweer zonder veel klandizie. Sinds onlangs is er nu een tweede (?) vestiging van 100 Montaditos, eveneens met broodjes van niks voor 50 cent. Is het een idee om Trudie eens te trakteren volgende week op een schoteltje “montaditos”?
(Onder ons, montado is eigenlijk “te paard” van het werkwoord “montar”, “bestijgen”. Hoe men erbij komt om een “kleine sandwich” ook zo te noemen, weet ik niet. Echter, als een “montado” al pietepeuterig is, is een “montadito” dat zeker. Zelfs een matige eter moet toch gauw rekenen met drie, vier “montaditos” voordat zijn of haar hongergevoel weg is.)
Zaterdag op het einde van de middag tufte ik weer eens naar Las Arenas, het winkelcentrum op het westelijke einde van Las Canteras bij het auditorium. Ik ga jullie niet vermoeien met mijn boodschappen doen in de Carrefour (maar “morro” is een mengsel van stukjes snuit in een rode saus, het lijkt wel ouderwetse “tête de veau”.). Op de onderste etage trok een kleine tentoonstelling mijn aandacht. In diverse vitrines waren Canarische muziekinstrumenten te bezichtigen en vooruit, daarnaast ook nog enkele bijpassende kledingstukken en grammofoonplaten, o.a. een oude E.P van Mary Sanchez. (Weten de jongeren onder jullie wel wat een E.P. is?) Bijv. een “tambur” en een “percusion” lagen er uitnodigend bij; het zijn typische Canarische slaginstrumenten. Zo’n “percusion” heeft wel iets van een grote tamboerijn, zo eentje die ik met carnaval wel eens met me meesleep aan een touw voor mijn borst. Uiteraard zag ik ook enkele “cháracas” (castagnetten, komt dat woord van “castañas”, kastanjes?) en stenen, schelpen, die ongeveer hetzelfde geluid maken. Mijn oog werd echter vooral getrokken door de diverse minigitaren van de Canarische eilanden, de “timples”. Sommige met vier snaren, andere met vijf, en allemaal behoorlijk klein. En tussen de diverse “timples” lag zowaar een “timplillo”, een mini-mini-gitaar. Als ik die nou eens zou kunnen stelen en thuis aan de muur hangen... Terzijde, weten jullie wat een tenderete is? Dat is Spaans voor een marktkraampje. In een kraampje beneden in de hal van Las Arenas zag ik overheerlijke regionale oude kaas liggen.
Op de terugweg naar mijn huisje was ik getuige van (een stuk van) een prima optreden van een Canarische popgroep vlakbij de woning van Noé. Het speelde zich af voor café NYC Taxi, waar iedere zaterdagavond wel wat te doen is. Een mollige zangeres, drie jongens met gitaren en een drummer speelden de Canarische sterren (sterretjes) van de hemel en heel de meute voor de zaak sloot zich bij het leven aan. Kennelijk is er op de wereld meer muziek dan van mensen als Frankie Miller en Tony Joe White.
Zal ik dan toch iets over “Melchor, Gaspar y Baltazar” vertellen? Ze kwamen zondagavond weer voorbij in de bekende kleuren rood, blauw en groen, maar het duurde even. Om zes uur passeerde de cabalgata Santa Catalina, waar ik stond tussen weet ik hoeveel mensen, vele rijen dik, met de kleintjes in vooruitgeschoven positie. Dit jaar werd er geen snoep uitgedeeld of van de wagens gegooid; hoort dat bij de bezuiniging? Er kwamen achter elkaar elf vrachtwagens voorbij, met daarop steeds vooral kinderen in carnavalskleding. Ik ga ze niet allemaal voor jullie opsommen. De leukste vond ik nummertje 2: Arca de Noé (maar is dat. omdat ik met Noé bevriend ben?), nummertje 9: Deporte Español, Crisis1-España2, ¡¡Podemos!!, Wij kunnen het!, en nummertje 11, een grote arreslee van HiperDino met de bekende beesten op de bok. Na twintig minuten waren de wagens voorbij en viel een gat, een goot gat mag ik wel zeggen. Het leek wel of ik naar de carnavalsoptocht in Maastricht aan het kijken was, met zijn “loker”. Vijftien minuten niks en toen kwamen pas de drie koningen op hun dromedarissen aangekacheld. Het waren dezelfde koppen als in eerdere jaren, maar het blijft een mooi gezicht.
Zoals ieder jaar is de dag van 6 januari er een dat de Canarische kinderen met hun nieuw verworven speelgoed de boulevard hier onveilig mogen maken. Als ik laat in de middag mijn tour de force maak, kom ik – zo hoort het ook – om in de autopetten in enkele varianten, driewielers en fietsjes, al dan niet met extra wieltjes eraan vast. (Autopetten, dat is er zo een als bijdehanter. Het bijvoeglijk naamwoord bijdehand is met een D, het zelfstandig naamwoord autoped ook, maar de vergrotende trap van bijdehand is met een T en dat is m.i. ook het geval met het meervoud en werkwoord van autoped. Mijn woordenboek doet net of “autopetten” niet bestaat, maar zo zijn we niet getrouwd.) Terwijl de kleintjes hun kunsten vertonen, kijken de “padres y abuelos” evenals ondergetekende enthousiast toe.
En dan zie ik op een bankje een oma zitten die haar breipinnen in de aanslag heeft en al aardig gevorderd is met wat (waarschijnlijk) een zwarte sjaal moet worden. Ze zit er helemaal in haar eentje, wel met een plastic zak naast zich, waar ongetwijfeld de knot breiwol in verstopt zit. Het is een tafereel waar ik jullie graag deelgenoot van maak. Waar vind je ze nog, oma’s die aan het breien zijn? (Hoewel, Trudie kan op zijn tijd de pennen ook best hanteren.)
Heeft er nog iemand zitten nadenken over een Spaans rijmwoord op “próspero”? Mijn beste gok is “Bósforo”, de Bosporus, maar echt mooi vind ik het rijmwoord niet. Het is te weinig om een limerick van te maken. Er was eens een man aan de Bósforo... Wie heeft nog een ander woord, eentje waar ik maar niet op kan komen? (Voor de zoveelste keer hoop ik nog eens een Spaans rijmwoordenboek te bemachtigen. Een eerdere poging, met de hulp van Noé, is destijds gestrand. Maar wie weet, ligt het aanstaande zondag zo maar voor een halve euro op de rommelmarkt hier.)
Deze brief is beperkt en laat ik dat dan maar ook doen met mijn Spaans lesje. Wie van jullie weet een rijmwoord op het Spaanse woord voor koningen, “reyes”? Als je er niet uitkomt, mag je voor één keer uitwijken naar het Nederlands: koningen, dat is niet zo moeilijk om op te rijmen, of naar het Maastrichtse keuninge. Doe je best.
Het zit er weer op. Ik heb wel eens langere brieven geschreven, zie “zum Beispiel” de vorige, maar deze Driekoningenbrief is toch ook niet mis. Erger nog, ik beloof jullie er voor vrijdagmiddag nog een, omdat er daarna een week lang weinig van komt met Trudie in mijn nabijheid. Ik kan alleen maar hopen dat ik de komende dagen genoeg inspiratie heb om jullie te bedienen.
Voor nu, het lijkt me nog te vroeg om de carnavalskist al van de zolder te halen. En zo lauw weer als de laatste weken, dat is niks voor Nederland, het hoort daar nu te vriezen, ijskoud te zijn, te sneeuwen. Dus kruip maar eens gezellig bij elkaar aan de centrale verwarming en lees eens goed boek. Misschien dat mijn boekenbijlage van deze week en van de afgelopen twee maanden nog voor een paar aardige tips kunnen zorgen.
Ik wens het jullie, de dagen gaan weer lengen. Tot vrijdag, hasta viernes, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Wat vind ik het prettig dat ik nog net twee boeken heb kunnen uitlezen, in wat is het vier dagen. Het eerste van de “pareja” (zie boven) is een van de laatste van Adriaan van Dis, iemand van mijn leeftijd. Van hem heb ik in Maastricht een hele serie boeken, meer dan tien, maar de allerlaatste niet. Gelukkig kan ik zijn nieuwste over Zuid-Afrika eenvoudig van een e-lijst downloaden naar mijn e-reader: Tikkop uit 2010, 177 bladzijden dun.
Marten is in de jaren zeventig een enigszins alternatieve Nederlander, die in Parijs gaat wonen en daar in contact komt met het Zuid-Afrikaanse verzet. Hij wordt actief in de Fraternité, tussen mensen die elkaar ontmoeten in boekhandel Présence Africaine. In die tijd trekt hij op met twee jonge Zuid-Afrikanen, de wispelturige Catherine en medisch student Douglas. Hij gaat een keer op bezoek in het Kaapgebied, o.a. om daar brieven van het verzet op hun plek te brengen. Uit die tijd stamt ook zijn bezoek aan de wijnhoeve van de ouders van Douglas (Treghardt), die bevriend zijn met de ouders van Catherine. Die Catherine draait vlak daarop voor vijf jaar de bak in.
Nu, 38 jaar later en lang na het einde van de apartheid, gaat Marten, onder zijn echte naam Mulder, op bezoek bij dezelfde Douglas in Zuid-Afrika. Het blijkt dat er in het plaatsje aan de Kaap nog steeds sprake is van een blanke bovenklasse, terwijl de zwarte vissers onder veel slechtere omstandigheden in het onderdorp wonen. Echter, ze zijn bepaald niet langer gediend van blanke overheersing. FOK OF staat op het hek van het huis van Douglas en zijn vrouw Sarah. Er komen allerlei zwarten op bezoek, zoals Winston, de sleutelman, Charmein die oesters verkoopt en de prostituée speelt, en vooral haar tienerzoon Hendrik, een tikkop op roze gympjes. Tik is crystal meth, superspeed, waaraan hij langzaam onderdoor gaat. Na een storm, regen en modderbui blijkt dat Mulder wel een prima buurvrouw heeft, Stienie, ex-verpleegster, die blij is iets voor de mensen te kunnen doen. Charmein gaat met gebroken benen het ziekenhuis in. Als Hendrik wordt gevonden, onder de drugs, moet hij bij Douglas en Mulder gaan afkicken. Zijn muziekstijl verandert door de laptop van Mulder van rap in reggae, daarna punk en tenslotte postpunk. Of Hendrik het redt, staat te bezien.
En passant krijg ik hele rijen Zuid-Afrikaanse woordjes mee: bokkies, ’n druk, perlemoen, skollies, vonkelwyn, etc. Maar wat vind ik van het boek? De foto op de kaft is heel goed gekozen en het steeds terugkerende tekeningetje van een visje ook. Het boek heeft ook best een mooi onderwerp, maar of ik er weg van ben, dat lijkt me iets te veel van het goede. Het is aardig, best aardig, maar niet geweldig, vind ik. Als ik een rapportcijfer moet geven, kom ik op een 6½, vooruit een 7-, maar meer kan en wil ik er niet van maken.
Ik heb jullie een tweede boek beloofd en als je iets belooft, moet je het ook doen, Hier is mijn recensie van het zoveelste boek van Ian Rankin, de thrillerschrijver uit Edinburgh, die met de wederwaardigheden van politiemensen John Rebus en Siobhan (Shiv-awn) Clarke intussen multimiljonair moet zijn. Wie kent hem niet? Deze keer vraag ik jullie aandacht voor “A Question Of Blood” uit 2003, waarvoor hij een jaar later een Edgar kreeg, als beste Mystery Writer van het jaar in de VS.
In het boek spelen twee zaken. De eerste betreft de moord op twee schooljongens en de verwonding van een derde, met voormalige SAS-man Lee Herdman als dader. Het gebeurt op een middelbare school, Port Edgar Academy, waarna Lee zichzelf ook nog eens voor zijn kop schiet. Wat is het motief? Van de twee vermoorde jongens blijkt er een, Derek, de zoon te zijn van een neef van John Rebus en daarmee komt tevens een klein stukje familiegeschiedenis boven de tafel. De andere, Tony, is de zoon van een effectenmakelaar, en net als Derek is hij nogal fanatiek met het leger bezig, loopt zelfs als soldaat gekleed door het gebouw. De derde, James, is de zoon van een uiterst fanatieke MSP, Member of Scottish Parliament, Jack Bell, die niet weet hoe snel hij de pers daarna moet opzoeken om de politie onderuit te halen. Er zijn nog diverse andere namen te noemen, zoals van politiebaas Gill Templer, Teri Cotter met haar zwarte outfit en webcam (en haar moeder Charlotte), de nodige ingevlogen politiemensen van elders en journalist Steve Holly. En laat ik Donald Brimson met zijn vliegtuigjes niet vergeten, broer en zus Rod & Rachel en SAS-man Robert Niles, die net zijn vrouw heeft vermoord.
De tweede zaak is niet helemaal los te zien van de eerste. Nu gaat het om de moord op Martin Fairstone, hij komt in een brand om, waarvan John Rebus met de brandwonden aan zijn banden wordt verdacht. Gedurende een groot deel van het verhaal is John zelfs om die reden geschorst als politieman. In verband met Fairstone’s dood voeg ik o.a. Peacock Johnson, Evil Bob en de Lost Boys aan het namenlijstje toe. Hoe redt de onverwoestbare John Rebus, die NB op de avond van de moord als laatste bij Fairstone thuis gezien zou zijn, zich er deze keer uit?
Pas na 440 bladzijden mag ik het boek terzijde leggen en dan zijn er de nodige mensen dood. Ik heb dan een heel spannend boek achter mijn kiezen, zeker weten, en met een aparte afloop. Daarbij valt er ook best wel wat te gniffelen, soms zelfs te lachen, vooral met de dialogen tussen Siobhan en John. (Als ik nog eens een naam voor een meisje moest bedenken, komt de naam Shiv zeker in aanmerking.) Ian Rankin verrast me steeds weer, ook met dit boek, en dan kan een mooi cijfer niet uitblijven. Voor “A Question Of Blood” bedeel ik hem met een 8½ met de toevoeging dat ik de rest van zijn nog ongelezen boeken maar eens met enige voortang moet gaan afwerken.
Weblogbrief 9.12, 3 januari 2014
Weblogbrief 9.12, 3 januari 2014
Is het alweer 2014, comediantes, en maar liefst 11 dagen na mijn vorige brief, 7 + 4. Voor de mensen in Nederland die mij trouw volgen, ook al is dat maar een handje mensen (of twee, of drie), is dat erg lang. Thuis hier heb ik geen internet, de faculteit is dicht en Noé is in de dagen van Oud op Nieuw en Driekoningen nog elders. Ik heb Lorena nog gesms’t om deze brief bij haar thuis te versturen, maar ook die gaf niet thuis, helaas. Toen dacht deze jongen: als ik nou eens net doe of deze brief van 3 januari is, de verjaardag van Greetje, proficiat, zouden jullie het dan merken, als je hem vier dagen later pas ontwaart? Dan moet ik hem wel zo in elkaar steken dat hij op de vrijdag inderdaad ophoudt. En bijv. mijn b.b.h.h. van het Reyes Magos weekeinde bewaren tot mijn volgende brief. Amiguitos, hier is hij, mijn weblogbrief 9.12 van 3 januari, pas verzonden op de 7de. ¡Adelante!
Het is, eerlijk is eerlijk, allereerst tijd voor een correctie op mijn vorige brief, die van 27 december. Daarin schreef ik welgemoed dat ik in november en december geen enkele brief of kaart uit Nederland heb gehad (en daar niet rouwig om was). Kom ik op die dag thuis, ligt er een brief van mijn kleindochter Lux op het tafeltje onder de inpandige brievenbussen. Die was veertien dagen eerder in Amsterdam gepost en bevat een kleurentekening van een kerstboom, met “alles” erop en eraan. (En wat is Lux keurig binnen de lijntjes gebleven met haar kleurpotloden.) De tekening hangt intussen te pronken op mijn prikbord, onder de grote zwartwitfoto van Lux en Dalí, die ik in oktober van Eva en Jan Willem gekregen heb. En op 30 december kwam daar nog eens een statiefoto van Dalí & Lux op ansichtkaartformaat bij. Enne... het houdt maar niet op, tot overmaat maar niet van ramp kreeg ik ook nog twee foto’s van het illustere damesduo per e-mail opgestuurd. Wat kan ik daar nog tegenover zetten? Op oudejaarsnacht, even over 12 uur Nederlandse tijd (hier is het dan nog een uur vroeger), heb ik Eva & JW een sms’je gestuurd en even later al kwam een sms’je terug met de beste wensen voor mij.
Hetzelfde heb ik met Trudie (en de twee Maria’s) gedaan met alweer in allerijl een sms’je terug van hun kant over hoe goed het mij wel niet moge gaan in 2014. Een paar dagen eerder werd ik trouwens al verrast door een belletje van Trudie, zo maar. En op oudejaarsdag kwam ook nog een kaartje uit Londen binnen van Trudie met Ellie Abels. Nog een week en dan komt mijn verloofde een week hierheen. En ze komt niet alleen om het winterzonnetje te trotseren, maar bijv. ook om met de tondeuse mijn haar te kortwieken en met “tuutsjes sajs” die nodig zijn om grote hoeveelheden zuurvlees en goulash voor me klaar te maken en die in volwassen porties in mijn diepvriesvak te zetten.
En dan wil ik aan het slot van dit stukje iets kwijt over het woord sms, kennelijk een afkorting van het Engelstalige “short message signal”, al heb ik over de laatste s mijn twijfels. Tegenwoordig zijn we massaal bezig om elkaar aanhoudend te sms’en (met een komma in de lucht), elkaar met een sms’je (alweer met een komma in de lucht) te bestoken. Ik vind het onder ons gezegd maar een woord van niks, dat woord sms. (In Spanje is het ook SMS, maar kennelijk met hoofdletters, maar meestal zegt men hier “mensaje”, ook wel “corto”.) Kunnen we van dat sms’je in het Algemeen Beschaafd Huilands niet smoesje van maken, met het bijpassende werkwoord smoezen? Of kom ik nu met iets dat diverse anderen al voor mij bedacht hebben. Ik vind het woord “smoesje” het idee van een sms’je best aardig weergeven. Wie van jullie gaat het mede namens mij opsturen naar het maandblad “Onze Taal”? En dan maar netjes afwachten, of Nederland er rijp voor is.
Ik vertel niets nieuws, als ik beweer dat in Nederland de huizen in een straat erg op elkaar lijken. Er zijn verschillen, minuscule zaken die de welstandscommissies per ongeluk over het hoofd hebben gezien, maar zelfs hele buurten zijn vooral uniform. Wie in Maastricht wel eens door Daalhof of De Heeg loopt of in Amsterdam door de Bijlmermeer of Osdorp, weet wat ik bedoel. Om huizen qua stijl en kleur van elkaar te laten afwijken, moet je niet in Nederland zijn. In België is veel meer variatie te bespeuren en hier in Las Palmas is dat ook zo. Het lijkt hier soms wel of eenvormigheid verboden is. En kleurverschillen tussen huizen naast elkaar zijn meer regel dan uitzondering.
Dit is, vind ik bij nader inzien, wel een erg lange intro voor een flinterdun verhaaltje. Maar goed, ik ben zo ver. Als je met stadsbus 12 naar het zuiden van de stad rijdt, kom je direct achter de markt van Vegueta op een weg, de Avenida Diaz Saavedra Navarra met alleen aan de rechterkant huizen. Links is de zee of voor wie dat interessant vindt om te lezen, de Atlantische oceaan. Langs de weg staan vlak achter de markt een paar huizen in het geel met daartussen, nou komt het, een huis in twee kleuren rood, café “Giulio’s”. Ik weet niet waarom, maar daar wil ik nog eens heen; dat lijkt me nou een nering waar ik aan mijn trekken kom. Daarbij, “Giulio’s”, dat is volgens mij geen Spaans. (De naam doet me vreemd genoeg wel aan “gilipollas” denken, wat voor “lul”, “trut” staat.) Er moet haast wel een Italiaan in zitten. Het lijkt me typisch een uitspanning (zonder terras, dus misschien moet ik inspanning zeggen), waar je geen “café solo” of een “cortado” bestelt, maar een “espresso” dan wel een “cappuccino”.
Trouwens, dat “Giu” aan het begin, dat heeft wel wat. Gaat het om het Italiaanse equivalent van de Spaanse keelklank “J” in woorden als Julio (Iglesias)? In een Italiaans-Spaans woordenboek is het Spaanse “justicia” inderdaad in het Italiaans “guistizia”. En “junio” (juni) is “giugno” Het wordt moeilijker, als ik (bij El Corte Inglés) ook naar de maand juli, “julio” kijk; dat is wonderwel in het Italiaans “luglio”. Zo blijf je aan de gang.>BR>
“Giulio’s” is de opmaat voor mijn bard van de week: Eros Ramazzotti. Ik ken hem als zanger vaagjes, zie hem vooral als de jongen van Cose Della Vita, dat hij in 1993 samen met Tina Turner zong, die er overigens “Can’t Stop Thinking Of You” van maakte. Afgelopen oktober zat ik in een vissersdorpje vlakbij Catania op Oost-Sicilië te eten met een groep medereizigers van KRAS, terwijl op de achtergrond een tv-concert van Eros Ramazzotti opstond. Toen al dacht ik: die man moet nog eens mijn snoepje van de week worden. Het duurde even, maar nu is het zo ver. Eros R. is van 1963, dus heeft hij net Abraham gezien, en hoewel hij uit Rome komt, is hij fan van voetbalclub Juventus. Een bekende Italiaan werd hij, toen hij als jongeman op het San Remo festival optrad, in 1985 met “Terra Promessa” en het jaar erop met “Una Storia Importante” Ik heb met enige moeite vijf cd’s van hem in mijn collectie kunnen vinden:
(1985-7) Cuori, Agitati
(1988) Musica E (ook 2002)
(1990) In Ogni Senso
(2003) Eros 9
(2005) Calma Apparente
Er ontbreken er nog de nodige, ik weet het. Jullie willen die ook braafjes opgetekend zien? Dat is niet gemakkelijk, want mijn verschillende bronnen op internet komen niet op hetzelfde lijstje uit. Als ik alleen zijn studioplaten mag noemen, zijn hier, denk ik, de ontbrekende zeven:
(1986) Nuovi Eroi
(1987) In Certi Momentos
(1993) Tutte Storie
(1996) Dove c’e Musica
(2000) Stilehbero
(2009) Ali E Radici
(2012) Noi
Voorlopig heb ik over de periode tot 1997 naast de vijf die ik heb, wel ook nog een mooie verzamelplaat: Eros, The Best Of Eros Ramazzotti. Die telt zestien nummers, die ik hier maar eens ga uitserveren:
01. Terra Promessa *
02. Una Storia Importante *
03. Adessu Tu *
04. Ma Che Bello Questo Amore
05. Musica E (& Andrea Bocelli)
06. Occhi Di Speranza
07. Più Bella Cosa *
08. Memorie
09. Cose Bella Vita/Can’t Stop Thinking Of You (& Tina Turner) *
10. L’Aurora *
11 Ancore Un Minuto Di Sole
12. Quasi Amore
13. Se Bastasse Una Canzone *
14. Un’Altra Te *
15. Favola *
16. Quanto Amore Sei
En uit 2007 heb ik ook nog “E2”, een dubbel-cd met op de eerste plaat negen nummers van het album Eros, die ik hierboven met een sterretje (*) heb aangegeven. Daarnaast staan op het deel van de cd nog eens negen andere, die ik ter completering ook maar zal memoreren:
01. Non Siamo Soli (& Ricky Martin)
02. Un Cuore Con Le Ali
03. Più Che Puoi (& Cher)
04. Non Ti Prometto Niente
05 I Belong To You/Il RitmoDella Passione (& Anastacia)
06. La Nostra Vita
07. Ci Parliamo Da Grande
08. Dove Si Nascondono Gli Angeli
09. Il Tempo Tra Di Noi
De tweede helft van “E2” is, vind ik, niks extra’s hebben, dezelfde nummers met vaak groot orkest erachter, dus die plaat sla ik hier even over. Mij dunkt dat de 16+9=25 bovenstaande nummers genoeg moeten zijn als kennismaking voor een beginnende Ramazzotti-fan als ik. Voor meer Ramazzotti verwijs ik naar de twaalf originele cd’s. Achter de zeven ontbrekende moet ik trouwens nog eens aangaan. Eros Ramazzotti, hij heeft wel wat!
Als tussenstukje vertel ik jullie over mijn gewoonte om maar een keer per week mijn haar te wassen, op de zaterdagochtend. De huidartsen tijdens mijn geneeskundeopleiding in Amsterdam hebben mij destijds al op het hart gedrukt dat je niet te vaak je haar met shampoo moet wassen, daar wordt het alleen maar steeds vettiger van. Een keer per week is voldoende. Nou ben ik een beetje in dubio hier, want de laatste keer dat Trudie mijn haar “gesnoje” heeft, wel heel kort, is al weer negen à tien weken terug. En langzaam aan tijd begin ik wel uit te zien als een Beatle. Dus dacht ik de afgelopen week: zal ik maar eens afwijken van mijn ritueel en het tussendoor, op “Nochevieja” een extra shampoobeurt geven? Heb ik dat ook gedaan?
Gaan we naar artiest 2 van de week, want op één been kun je niet staan, althans niet al te lang. In mijn tweede boek van de week, “Native tongue”, zie verder beneden, blijkt een van de hoofdpersonen, journalist Joe Winder, fan te zijn van de Amerikaanse singer-songwriter Warren Zevon. Kan het minder? Als jullie die nog niet kennen, wordt het wel tijd voor een kennismaking. Hij is van 1947 en overleed in 2003, toen hij 56 oud was, aan een mesothelioom. De man zal toch niet decennia eerder zijn huis met blauwe asbest hebben geïsoleerd of overdreven met remvoeringen voor zijn auto in de weer zijn geweest? De muziek van Warren Zevon zit “ergens” tussen folk en rock in; ik vind vooral de teksten van zijn liedjes er zeer mee door kunnen; af en toe hoor ik Bob Dylan, lijkt het wel. Hier zijn alle veertien originele cd’s van hem:
(1976) Warren Zevon
(1978) Excitable boy
(1980) Bad luck streak in dancing school
(1980) Stand in the fire (heb ik nog niet)
(1982) The envoy (heb ik nog niet)
(1987) Sentimental hygiene
(1989) Transverse city
(1991) Mr Bad Example (heb ik nog niet)
(1993) Learning to flinch (live)
(1995) Mutineer (heb ik nog niet)
(2000) Life’ll kill ya (heb ik nog niet)
(2002) My ride’s here (heb ik nog niet)
(2003) Dead or alive
(2003) The wind
Bij elkaar is het een hele doos platen, waarvan ik er acht van de veertien op mijn computer heb staan. Enne... ik heb er nog een van Warren Zevon, die volgens Allmusic een compilatie van zijn nummers bevat. “Preludes” heet ze en ze is verschenen in 2007, vier jaar na zijn dood. De ondertitel ervan luidt: “Rare and unreleased recordings”, maar zo erg “rare and unreleased” vind ik de “recordings” niet. (En alweer dringt zich een vergelijking met Bob Dylan op, die intussen goed is voor minstens tien bootlegs.) Ik ga hier voor jullie gewoon alle liedjes van die dubbel-cd achter elkaar opsommen; de vijf praatjes op cd 2 laat ik voor wat ze zijn:
01. Empty hearted town
02. Steady rain
03. Join me in L.A.
04. Hasten down the wind
05. Werewolves of London
06. Tule’s blues
07. The French inhaler,BR> 08. Going all the way
09. Poor poor pitiful me
10. Studebaker
11. Accidentally like a martyr
12. Carmelita
13. I used to ride so high
14. Stop rainin’ Lord
15. Desperados under the eaves
16. I was in the house when the house burned down
17. Back in the high life
Warren Zevon is oprecht een artiest die de moeite waard is. Ik doe geen moord voor hem, maar houd hem zeer in ere.
Mijn vraag hierboven was of ik afgelopen dinsdag mijn haar gewassen heb, omdat het misschien vettig begon te worden en omdat Oud op Nieuw in de maak was. Hier is mijn antwoord: natuurlijk niet! Als jullie op die manier over je haar wassen denken, kan ik wel haast iedere week wel een reden verzinnen om tussendoor naar de shampoofles te grijpen. Er is werkelijk geen schijn van kans dat ik mijn haar ga soppen, behalve op de zaterdagmorgen. Vooruit, ik beken dat ik dat bij uitzondering wel eens op vrijdagavond in plaats van zaterdagmorgen gedaan heb, maar daar houdt het mee op.
Intussen zie ik allerlei mannen van middelbare en ouder onder mijn balkon voorbij komen met bovenop hun kop niet of nauwelijks haar meer of anders in ieder geval enorme inhammen. Dan vraag ik me simpel af of je haar er niet ook van gaat uitvallen. Wie als man al te royaal is met shampoo - vrouwen blijven wonderwel gespaard - gaat wellicht op oudere leeftijd steeds meer een hoofd krijgen als een biljartbal en moet zich met goed fatsoen in het openbaar vertonen met een honkbalpet op zijn knar.
(Mijn vorige alinea begon met “intussen”. Is er een verschil tussen “intussen” en “ondertussen”? Of, wat ik vermoed, is “ondertussen” iets van boven de Moerdijk en zegt een rechtgeaarde Wiekeneer “intussen”?)
In deze tijd van het jaar, vooral op oudejaarsavond, kom je hier net als in Nederland om in de gillende keukenmeiden, verkeerde vuurpijlen en al dan niet doffe knaldingen. Ik heb het daar niet op en ben niet de enige, kijk maar naar de vele honden die dezer dagen niet weten waar ze het moeten zoeken. Dat de jeugd daar, in deze crisistijd, miljoenen aan uitgeeft, wordt het niet tijd dat de politie daar vooral in de dagen voor nieuwjaar achteraan gaat.
Als hermandad al iets doet en niet zelf aan het bommetjes gooien is, is het dat “ze” scherp controleren of de jeugd niet op straat aan een flesje bier of een colaatje rum lurkt. Het alcoholgebruik mag best de spuigaten uitlopen, maar wel in cafés en disco’s of binnenhuis. Er is zelfs voor de zoveelste keer een campagne opgezet, met grote borden her en der in de stad. Hier is een stukje onvervalst Spaans, maar ook een Engelstalige versie is voorhanden. “Hacer botellón no es rentable. Las sanciones van desde 150 a 300 euros. Marcha si, ruido no. LPA: una ciudad que respeta.”
Als ik op Nieuwjaarsdag ‘s morgens vanaf mijn balkon naar beneden kijk, zie ik aanhoudend groepjes jongeren die er kennelijk een lange nacht op hebben zitten, met de nodige drank “in hunne gieles”. Bijna zonder uitzondering zijn ze gekleed alsof ze op weg zijn naar een receptie, zo officieel. Ik zie veel zwarte pakken en idem jurken met nylonkousen. Vooral op de boulevard schijnt het nu te doen te zijn; daar is de laatste statie van de lange statieweg (maar dat idee hoort meer bij Pasen dan bij nu). Ik zie op Santa Catalina ook de nodige jeugd bij de bushaltes zitten, ik neem aan niet om daar nog eens de bloemetjes buiten te zetten, maar om eindelijk huiswaarts te keren.
In mijn vorige brief vertelde ik jullie over een koppel aan de overkant van mijn etage dat net als ik veel tijd op het balkon doorbrengt. Het waren zoals verwacht toeristen; in ieder geval is men weer vertrokken. Dat zie je hier toch veel nu: flats die leeg staan en wachten op af en toe bewoners voor korte tijd. Ik tel zo vlug vanaf mijn balkon vier of vijf flats aan de overkant waar niets te doen is. En ook bij mij in huis zijn er lege plekken. Het is als met allerlei winkels, hier en als ik Ton goed begrijp, ook in Maastricht: meer leegstand dan je in alle redelijkheid voor mogelijk houdt.
Tot slot van deze eerste brief van 2014 heb ik deze keer een vraag naar een Spaans rijmwoord voor jullie. De afgelopen dagen was het “felicidades”, prettige feestdagen op straat niet van de lucht. Met kerstmis en “feliz navidad” heb ik niet erg veel op; mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar alleen “gelukkig nieuwjaar”, “próspero año”. Hoeveel woordjes van twee lettergrepen kunnen jullie bedenken die eindigen op “año”? (Woordjes als extraño” (vreemd) en “tamaño” (grootte) mogen dus niet meedoen.) Ik kom met de nodige moeite op een drietal: “baño”, “daño” en “paño”, maar met de hulp van mijn onvolprezen woordenboek komen er nog drie bij:
Baño Bad(kamer)
Caño Rioolbuis
Daño Schade
Maño Iemand uit de provincie Aragon
Paño Doekje
Raño Schorpioenvis
Mijn huiswerk voor volgende keer is of jullie woorden weten die rijmen op “próspero”? Let wel, er staat wel een streepje op de o van próspero, dus woorden als “cero” (nul) en “pero” (maar) kan ik helaas niet goed rekenen. Het gevraagde woord of woorden dient te eindigen op “óspero”.
Mag ik daarmee mijn brief afsluiten? Ik weet het, in andere jaren mogen jullie en ik direct na nieuwjaar al aan carnaval gaan denken. Als dat op laten we zeggen officieel op 12-14 februari valt, inofficieel in Maastricht begint het dan op vrijdag 10 februari, staan we halverwege januari op de markt om “de groeten oonbekinde” en even later nog steeds “de groeten oonbekinde” toe te zwaaien. Dit jaar is carnaval pas in maart en dus zal ik daar in alle eerlijkheid daar niet nu al over beginnen. Laten we eerst maar eens de drie koningen gaan verwelkomen, die hier a.s. zondag en maandag twee keer sinterklaas en een keer zwarte piet komen spelen.
“In the meantime” hoop ik met jullie dat de komende Hollandse weken niet al te koud worden. Dan hoef ik Ton ook niet naar mijn Maastrichtse stulp te sturen om de verwarming een paar graden hoger te zetten. Verder heb ik eerlijk gezegd niks te verhapstukken. Het ga jullie goed, doe de ijzers alvast eens onder en trek eens een baantje door het huis, laat je niet gek maken door de rayonhoofden van de Friese Elfstedentocht en zoek de zon op, al was het maar onder je zonnebank. Hier doe ik mijn best om jullie weer een aantal dagen te vergeten, tot ziens, hasta luego, en “veer zien us”, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek is er een dat ik met name Bert van harte kan aanbevelen, omdat het over macro-economie gaat. Schrijver is de Duitser, Andreas Eschbach, het is gepubliceerd in 1996 en heet “De erfenis van Fontanelli”. Zoals wel vaker ben ik voor de oorspronkelijke titel, “Eine Billion Dollar”, maar de vertaling in “De erfenis van Fontanelli” is niet verkeerd. Tot de diverse locaties van het boek reken ik in ieder geval Florence, Londen en New York, maar ook diverse andere plekken.
In notendop: in 1495 heeft ene Giacomo Fontanelli in Florence 300 florijnen opzij gezet bij een bank, dat is ongeveer het equivalent van 10.000 dollar. (Eigenlijk had hij schulden en kwam het geld van zijn onbekende vader, Jacob Fugger de Rijke uit Augsburg). Vijf eeuwen lang bracht de rekening 4% rente per jaar op en hoeveel is dan het totale bedrag in 1995: duizend miljard dollar. (Vergelijk het verhaaltje van het schaakboord met op ieder nieuw veld het dubbele aantal graankorrels; dat worden er ook heel veel op veld 64).
Ze hebben het steeds voor zich gehouden, maar op 23 april 1995 maken de advocaten van de Fontanelli’s (padrone Cristoforo, zijn zoon en neef Gregorio en Alberto en de jonge Eduardo) bekend wie de erfenis gaat krijgen. De beoogde erfgenaam, de slimme tiener Lorenzo, is net twee weken eerder door bijensteken overleden, dus gaat het hele bedrag nu naar jongeman John Fontanelli. Op dat moment is hij pizzabezorger in New York en zijn fysieke leven verandert drastisch, om het maar eens zo eenvoudig mogelijk te zeggen. In het testament staat dat het geld er mede is om de mensen hun verloren toekomst terug te geven, dat hij de deuren naar de toekomst moet openen. En daar gaat hij nog werk van maken ook. John huurt een uiterst slimme (sluwe) zakenman in om hem daarbij te helpen, Malcolm McCaine, die zich een paar maanden al tot (zet-)baas van Fontanelli Enterprises uitroept, met een jaarsalaris van 100 miljoen. Zelfs haalt hij John over om hem “pro forma” tot zijn enge erfgenaam te benoemen. Als veel later blijkt dat Malcolm zich via een consultancybedrijf nog eens met een miljard verrijkt heeft, wordt hij door John ontslagen en wordt vervolgens wel diens belangrijke concurrent.
John Fontanelli heeft twee vrienden uit zijn New Yorkse tijd. Zijn voormalige huisgenoot, basgitarist Marvin Copeland mag best een beetje meeprofiteren van John’s rijkdom, dat doet hij met verve, maar vervolgens zien we Marvin alleen maar foute dingen met zijn geld doen. Dan is er John’s andere jeugdvriend, de briljante Paul Siegel; die wordt de opvolger van Malcolm in het concern. Ook zijn er diverse dames die om aandacht smeken. Het aantal aanzoeken van vrouwen om met John te trouwen is gigantisch, maar John wordt daarvan gevrijwaard. Hij houdt het in de jaren na 23 april 1995 bij slechts enkelen. Eerst komt Sarah Brickman nog even voorbij, dan Constantina Volpe (die hij overdoet aan Marvin), daarna schoonheid Patricia deBeers en tenslotte Ursula Valen, met wie het helemaal klikt.
Wie zal ik verder nog noemen? Natuurlijk is er de persoonlijke lijfwacht Marco Benetti en diens vele helpers, gluiperd Randolph Bleeker, die best een stuk van het vermogen wil hebben, Alain Broussard en zijn personeel van jacht Prophecy en dan vergeet ik de bemanning van vliegtuig Moneyforce One maar even. Last but not least is er ook nog een professor, Harlan Collins van het Instituut voor Toekomstonderzoek, die het hele boek door met zijn honderden medewerkers en idem dito computers bezig is om door middel van allerlei simulaties te voorspellen hoe erbarmelijk het met de wereld zal aflopen en hoe weinig daaraan te doen zal zijn. Het rapport van de club van Rome uit 1972 is er niks bij. Het boek van Andreas Eschbach eindigt met de verkiezing van de wereldpresident, als ik het wel heb, een beetje een abrupt slot.
Zal ik het boek de hemel in schrijven? Het begint allemaal ontzettend mooi, maar gaandeweg komt er een beetje de sleet in. Wat Andreas Eschbach met zijn “Eine Billion Dollar” idee voor ogen heeft, een heel milieuvriendelijke wereld, die niet van geld in elkaar hangt, gaat in de loop van het boek verloren in – ik kan het ook niet helpen - allerlei macro-economische beschouwingen. Het 550 bladzijden tellende werk wordt voor mij daarmee een schoolvoorbeeld van een boek dat te uitgesponnen is en daarmee zijn zeggingskracht langzaam, maar zeker verliest. Mijn recensiecijfer is navenant; dat daalt van een 9 in het begin naar een 8 naarmate het boek vordert, en tenslotte naar een 7, als ik aan de laatste honderd bladzijden bezig ben. Het is en blijft een aardig boek, maar overhouden doet het uiteindelijk toch niet.
Er is ook nog een boek 2: “Native Tongue” van Carl Hiaasen. Het is zijn vierde in een rij van 14 plus, uit 1991. Hiaasen was toen pas 38, want hij is van 1953. En hij is van Florida, daar speelt het boek dus ook, in Key Largo onder Miami.
Wie zal ik eens de hoofdrol toebedelen in het boek? Er zijn verschillende partijen. Eentje bestaat uit de inbrekers Bud Schwartz en Danny Pogue, die in opdracht van de bejaarde milieuactiviste Molly McNamara twee uiterst zeldzame mango woelmuizen stelen, met een blauwe tong, uit een dierenpretpark a la Disney World in Zuid-Florida. De woelmuizen gaan helaas even later er onderdoor en blijken trouwens meer rat dan woelmuis te zijn. Het pretpark heet Amazing Kingdom Of Thrills, de baas ervan heet Francis X. Kingsbury. Vroeger was hij in New York gewoon smeerlap Frankie King en de maffia zit nog steeds achter hem aan. Kingsbury’s rechterhand heet Charles Chelsea, diens PR man is journalist Joe Wilder en het hoofd beveiliging is een klerenkast genaamd Pedru Luz. Joe Wilder stapt tijdens het boek van zijn Nina, van de sextelefoon, over op Carrie Lamier, in het dierenpretpark verkleed als Robbie Raccoon (wasbeer). En dan is er woeldierspecialist Will Koocher, die ontdekt dat de woelmuizen (“voles” in het Engels) geen mango woelmuizen zijn en vervolgens voer wordt voor de orka, die daar zelf in stikt. In zijn plaats komt vervolgens Dickie the Dolphin.
Er zijn belangrijke bijrollen van ex-gouverneur Clinton Tyree, die sinds 15 jaar als zwerver Skink door het leven gaat, van de zwarte politieman en diens vriend Jim Tile en van golfprofessional Jake Harp. De laatste komt in beeld, als Frankie King naast zijn dierenpretpark ook nog een golfbaan met huisjes en alles erop en eraan wil beginnen en de politici daarvoor al over de streep heeft getrokken. Bindt Molly McNamara opnieuw de strijd aan evenals Skink en ook Joe Winder, want die werkt intussen niet meer tussen de dieren en schrijft stukken om het park in diskrediet te brengen. Leiden de slechteriken een smadelijke nederlaag en komen de goeden in het boek goed weg? Vallen er behalve Koocher nog meer doden? Dat spreekt vanzelf, hulpje Churrito van Pedro Luz legt het loodje door een schot van een baviaan. En huurmoordenaar Lou, door de New Yorkse maffia naar Zuid-Florida gestuurd, schiet per ongeluk Jake Harp het ziekenhuis in.
Als tussenstukje geef ik jullie een van de gedichten die Nina aan de sextelefoon onsterfelijk lijken te maken. “Your hands find me in the night, burrow for my warmth. Lift me, turn me, move me apart. The language of blind insistence, you speak with a slow tongue on my belly, an eyelash fluttering against my nipple. This is the moment of raw cries and murmurs when nothing matters in the vacuum of passion but passion itself...” Daarbij valt haar eerdere “dry-humping on the Amtrak” en het “sucky-fucky” van haar college Miriam in het niet. En mag ik ook Joe Winder eenmalig citeren? Hij vindt de geluidsinstallatie van Carrie matigjes, maar beter dan niks. “Low fidelity is better than no fidelity.” Die ga ik zelf ook nog eens gebruiken.
Hadden jullie het al door? Die Carl Hiaasen is mijn man, zijn “Native Tongue” moge dan geen hartverscheurende thriller zijn, het boek is zo komisch en zo vol met “kort Amerikaans” dat ik het in (haast) één ruk heb uitgelezen. Wat een boek! Mijn recensiecijfer is navenant: een 8½, wat zeg ik, een 9. Ik heb er eerder een paar van Carl Hiaasen gelezen, maar nu ga ik zeker achter andere boeken van hem aan.
Is het alweer 2014, comediantes, en maar liefst 11 dagen na mijn vorige brief, 7 + 4. Voor de mensen in Nederland die mij trouw volgen, ook al is dat maar een handje mensen (of twee, of drie), is dat erg lang. Thuis hier heb ik geen internet, de faculteit is dicht en Noé is in de dagen van Oud op Nieuw en Driekoningen nog elders. Ik heb Lorena nog gesms’t om deze brief bij haar thuis te versturen, maar ook die gaf niet thuis, helaas. Toen dacht deze jongen: als ik nou eens net doe of deze brief van 3 januari is, de verjaardag van Greetje, proficiat, zouden jullie het dan merken, als je hem vier dagen later pas ontwaart? Dan moet ik hem wel zo in elkaar steken dat hij op de vrijdag inderdaad ophoudt. En bijv. mijn b.b.h.h. van het Reyes Magos weekeinde bewaren tot mijn volgende brief. Amiguitos, hier is hij, mijn weblogbrief 9.12 van 3 januari, pas verzonden op de 7de. ¡Adelante!
Het is, eerlijk is eerlijk, allereerst tijd voor een correctie op mijn vorige brief, die van 27 december. Daarin schreef ik welgemoed dat ik in november en december geen enkele brief of kaart uit Nederland heb gehad (en daar niet rouwig om was). Kom ik op die dag thuis, ligt er een brief van mijn kleindochter Lux op het tafeltje onder de inpandige brievenbussen. Die was veertien dagen eerder in Amsterdam gepost en bevat een kleurentekening van een kerstboom, met “alles” erop en eraan. (En wat is Lux keurig binnen de lijntjes gebleven met haar kleurpotloden.) De tekening hangt intussen te pronken op mijn prikbord, onder de grote zwartwitfoto van Lux en Dalí, die ik in oktober van Eva en Jan Willem gekregen heb. En op 30 december kwam daar nog eens een statiefoto van Dalí & Lux op ansichtkaartformaat bij. Enne... het houdt maar niet op, tot overmaat maar niet van ramp kreeg ik ook nog twee foto’s van het illustere damesduo per e-mail opgestuurd. Wat kan ik daar nog tegenover zetten? Op oudejaarsnacht, even over 12 uur Nederlandse tijd (hier is het dan nog een uur vroeger), heb ik Eva & JW een sms’je gestuurd en even later al kwam een sms’je terug met de beste wensen voor mij.
Hetzelfde heb ik met Trudie (en de twee Maria’s) gedaan met alweer in allerijl een sms’je terug van hun kant over hoe goed het mij wel niet moge gaan in 2014. Een paar dagen eerder werd ik trouwens al verrast door een belletje van Trudie, zo maar. En op oudejaarsdag kwam ook nog een kaartje uit Londen binnen van Trudie met Ellie Abels. Nog een week en dan komt mijn verloofde een week hierheen. En ze komt niet alleen om het winterzonnetje te trotseren, maar bijv. ook om met de tondeuse mijn haar te kortwieken en met “tuutsjes sajs” die nodig zijn om grote hoeveelheden zuurvlees en goulash voor me klaar te maken en die in volwassen porties in mijn diepvriesvak te zetten.
En dan wil ik aan het slot van dit stukje iets kwijt over het woord sms, kennelijk een afkorting van het Engelstalige “short message signal”, al heb ik over de laatste s mijn twijfels. Tegenwoordig zijn we massaal bezig om elkaar aanhoudend te sms’en (met een komma in de lucht), elkaar met een sms’je (alweer met een komma in de lucht) te bestoken. Ik vind het onder ons gezegd maar een woord van niks, dat woord sms. (In Spanje is het ook SMS, maar kennelijk met hoofdletters, maar meestal zegt men hier “mensaje”, ook wel “corto”.) Kunnen we van dat sms’je in het Algemeen Beschaafd Huilands niet smoesje van maken, met het bijpassende werkwoord smoezen? Of kom ik nu met iets dat diverse anderen al voor mij bedacht hebben. Ik vind het woord “smoesje” het idee van een sms’je best aardig weergeven. Wie van jullie gaat het mede namens mij opsturen naar het maandblad “Onze Taal”? En dan maar netjes afwachten, of Nederland er rijp voor is.
Ik vertel niets nieuws, als ik beweer dat in Nederland de huizen in een straat erg op elkaar lijken. Er zijn verschillen, minuscule zaken die de welstandscommissies per ongeluk over het hoofd hebben gezien, maar zelfs hele buurten zijn vooral uniform. Wie in Maastricht wel eens door Daalhof of De Heeg loopt of in Amsterdam door de Bijlmermeer of Osdorp, weet wat ik bedoel. Om huizen qua stijl en kleur van elkaar te laten afwijken, moet je niet in Nederland zijn. In België is veel meer variatie te bespeuren en hier in Las Palmas is dat ook zo. Het lijkt hier soms wel of eenvormigheid verboden is. En kleurverschillen tussen huizen naast elkaar zijn meer regel dan uitzondering.
Dit is, vind ik bij nader inzien, wel een erg lange intro voor een flinterdun verhaaltje. Maar goed, ik ben zo ver. Als je met stadsbus 12 naar het zuiden van de stad rijdt, kom je direct achter de markt van Vegueta op een weg, de Avenida Diaz Saavedra Navarra met alleen aan de rechterkant huizen. Links is de zee of voor wie dat interessant vindt om te lezen, de Atlantische oceaan. Langs de weg staan vlak achter de markt een paar huizen in het geel met daartussen, nou komt het, een huis in twee kleuren rood, café “Giulio’s”. Ik weet niet waarom, maar daar wil ik nog eens heen; dat lijkt me nou een nering waar ik aan mijn trekken kom. Daarbij, “Giulio’s”, dat is volgens mij geen Spaans. (De naam doet me vreemd genoeg wel aan “gilipollas” denken, wat voor “lul”, “trut” staat.) Er moet haast wel een Italiaan in zitten. Het lijkt me typisch een uitspanning (zonder terras, dus misschien moet ik inspanning zeggen), waar je geen “café solo” of een “cortado” bestelt, maar een “espresso” dan wel een “cappuccino”.
Trouwens, dat “Giu” aan het begin, dat heeft wel wat. Gaat het om het Italiaanse equivalent van de Spaanse keelklank “J” in woorden als Julio (Iglesias)? In een Italiaans-Spaans woordenboek is het Spaanse “justicia” inderdaad in het Italiaans “guistizia”. En “junio” (juni) is “giugno” Het wordt moeilijker, als ik (bij El Corte Inglés) ook naar de maand juli, “julio” kijk; dat is wonderwel in het Italiaans “luglio”. Zo blijf je aan de gang.>BR>
“Giulio’s” is de opmaat voor mijn bard van de week: Eros Ramazzotti. Ik ken hem als zanger vaagjes, zie hem vooral als de jongen van Cose Della Vita, dat hij in 1993 samen met Tina Turner zong, die er overigens “Can’t Stop Thinking Of You” van maakte. Afgelopen oktober zat ik in een vissersdorpje vlakbij Catania op Oost-Sicilië te eten met een groep medereizigers van KRAS, terwijl op de achtergrond een tv-concert van Eros Ramazzotti opstond. Toen al dacht ik: die man moet nog eens mijn snoepje van de week worden. Het duurde even, maar nu is het zo ver. Eros R. is van 1963, dus heeft hij net Abraham gezien, en hoewel hij uit Rome komt, is hij fan van voetbalclub Juventus. Een bekende Italiaan werd hij, toen hij als jongeman op het San Remo festival optrad, in 1985 met “Terra Promessa” en het jaar erop met “Una Storia Importante” Ik heb met enige moeite vijf cd’s van hem in mijn collectie kunnen vinden:
(1985-7) Cuori, Agitati
(1988) Musica E (ook 2002)
(1990) In Ogni Senso
(2003) Eros 9
(2005) Calma Apparente
Er ontbreken er nog de nodige, ik weet het. Jullie willen die ook braafjes opgetekend zien? Dat is niet gemakkelijk, want mijn verschillende bronnen op internet komen niet op hetzelfde lijstje uit. Als ik alleen zijn studioplaten mag noemen, zijn hier, denk ik, de ontbrekende zeven:
(1986) Nuovi Eroi
(1987) In Certi Momentos
(1993) Tutte Storie
(1996) Dove c’e Musica
(2000) Stilehbero
(2009) Ali E Radici
(2012) Noi
Voorlopig heb ik over de periode tot 1997 naast de vijf die ik heb, wel ook nog een mooie verzamelplaat: Eros, The Best Of Eros Ramazzotti. Die telt zestien nummers, die ik hier maar eens ga uitserveren:
01. Terra Promessa *
02. Una Storia Importante *
03. Adessu Tu *
04. Ma Che Bello Questo Amore
05. Musica E (& Andrea Bocelli)
06. Occhi Di Speranza
07. Più Bella Cosa *
08. Memorie
09. Cose Bella Vita/Can’t Stop Thinking Of You (& Tina Turner) *
10. L’Aurora *
11 Ancore Un Minuto Di Sole
12. Quasi Amore
13. Se Bastasse Una Canzone *
14. Un’Altra Te *
15. Favola *
16. Quanto Amore Sei
En uit 2007 heb ik ook nog “E2”, een dubbel-cd met op de eerste plaat negen nummers van het album Eros, die ik hierboven met een sterretje (*) heb aangegeven. Daarnaast staan op het deel van de cd nog eens negen andere, die ik ter completering ook maar zal memoreren:
01. Non Siamo Soli (& Ricky Martin)
02. Un Cuore Con Le Ali
03. Più Che Puoi (& Cher)
04. Non Ti Prometto Niente
05 I Belong To You/Il RitmoDella Passione (& Anastacia)
06. La Nostra Vita
07. Ci Parliamo Da Grande
08. Dove Si Nascondono Gli Angeli
09. Il Tempo Tra Di Noi
De tweede helft van “E2” is, vind ik, niks extra’s hebben, dezelfde nummers met vaak groot orkest erachter, dus die plaat sla ik hier even over. Mij dunkt dat de 16+9=25 bovenstaande nummers genoeg moeten zijn als kennismaking voor een beginnende Ramazzotti-fan als ik. Voor meer Ramazzotti verwijs ik naar de twaalf originele cd’s. Achter de zeven ontbrekende moet ik trouwens nog eens aangaan. Eros Ramazzotti, hij heeft wel wat!
Als tussenstukje vertel ik jullie over mijn gewoonte om maar een keer per week mijn haar te wassen, op de zaterdagochtend. De huidartsen tijdens mijn geneeskundeopleiding in Amsterdam hebben mij destijds al op het hart gedrukt dat je niet te vaak je haar met shampoo moet wassen, daar wordt het alleen maar steeds vettiger van. Een keer per week is voldoende. Nou ben ik een beetje in dubio hier, want de laatste keer dat Trudie mijn haar “gesnoje” heeft, wel heel kort, is al weer negen à tien weken terug. En langzaam aan tijd begin ik wel uit te zien als een Beatle. Dus dacht ik de afgelopen week: zal ik maar eens afwijken van mijn ritueel en het tussendoor, op “Nochevieja” een extra shampoobeurt geven? Heb ik dat ook gedaan?
Gaan we naar artiest 2 van de week, want op één been kun je niet staan, althans niet al te lang. In mijn tweede boek van de week, “Native tongue”, zie verder beneden, blijkt een van de hoofdpersonen, journalist Joe Winder, fan te zijn van de Amerikaanse singer-songwriter Warren Zevon. Kan het minder? Als jullie die nog niet kennen, wordt het wel tijd voor een kennismaking. Hij is van 1947 en overleed in 2003, toen hij 56 oud was, aan een mesothelioom. De man zal toch niet decennia eerder zijn huis met blauwe asbest hebben geïsoleerd of overdreven met remvoeringen voor zijn auto in de weer zijn geweest? De muziek van Warren Zevon zit “ergens” tussen folk en rock in; ik vind vooral de teksten van zijn liedjes er zeer mee door kunnen; af en toe hoor ik Bob Dylan, lijkt het wel. Hier zijn alle veertien originele cd’s van hem:
(1976) Warren Zevon
(1978) Excitable boy
(1980) Bad luck streak in dancing school
(1980) Stand in the fire (heb ik nog niet)
(1982) The envoy (heb ik nog niet)
(1987) Sentimental hygiene
(1989) Transverse city
(1991) Mr Bad Example (heb ik nog niet)
(1993) Learning to flinch (live)
(1995) Mutineer (heb ik nog niet)
(2000) Life’ll kill ya (heb ik nog niet)
(2002) My ride’s here (heb ik nog niet)
(2003) Dead or alive
(2003) The wind
Bij elkaar is het een hele doos platen, waarvan ik er acht van de veertien op mijn computer heb staan. Enne... ik heb er nog een van Warren Zevon, die volgens Allmusic een compilatie van zijn nummers bevat. “Preludes” heet ze en ze is verschenen in 2007, vier jaar na zijn dood. De ondertitel ervan luidt: “Rare and unreleased recordings”, maar zo erg “rare and unreleased” vind ik de “recordings” niet. (En alweer dringt zich een vergelijking met Bob Dylan op, die intussen goed is voor minstens tien bootlegs.) Ik ga hier voor jullie gewoon alle liedjes van die dubbel-cd achter elkaar opsommen; de vijf praatjes op cd 2 laat ik voor wat ze zijn:
01. Empty hearted town
02. Steady rain
03. Join me in L.A.
04. Hasten down the wind
05. Werewolves of London
06. Tule’s blues
07. The French inhaler,BR> 08. Going all the way
09. Poor poor pitiful me
10. Studebaker
11. Accidentally like a martyr
12. Carmelita
13. I used to ride so high
14. Stop rainin’ Lord
15. Desperados under the eaves
16. I was in the house when the house burned down
17. Back in the high life
Warren Zevon is oprecht een artiest die de moeite waard is. Ik doe geen moord voor hem, maar houd hem zeer in ere.
Mijn vraag hierboven was of ik afgelopen dinsdag mijn haar gewassen heb, omdat het misschien vettig begon te worden en omdat Oud op Nieuw in de maak was. Hier is mijn antwoord: natuurlijk niet! Als jullie op die manier over je haar wassen denken, kan ik wel haast iedere week wel een reden verzinnen om tussendoor naar de shampoofles te grijpen. Er is werkelijk geen schijn van kans dat ik mijn haar ga soppen, behalve op de zaterdagmorgen. Vooruit, ik beken dat ik dat bij uitzondering wel eens op vrijdagavond in plaats van zaterdagmorgen gedaan heb, maar daar houdt het mee op.
Intussen zie ik allerlei mannen van middelbare en ouder onder mijn balkon voorbij komen met bovenop hun kop niet of nauwelijks haar meer of anders in ieder geval enorme inhammen. Dan vraag ik me simpel af of je haar er niet ook van gaat uitvallen. Wie als man al te royaal is met shampoo - vrouwen blijven wonderwel gespaard - gaat wellicht op oudere leeftijd steeds meer een hoofd krijgen als een biljartbal en moet zich met goed fatsoen in het openbaar vertonen met een honkbalpet op zijn knar.
(Mijn vorige alinea begon met “intussen”. Is er een verschil tussen “intussen” en “ondertussen”? Of, wat ik vermoed, is “ondertussen” iets van boven de Moerdijk en zegt een rechtgeaarde Wiekeneer “intussen”?)
In deze tijd van het jaar, vooral op oudejaarsavond, kom je hier net als in Nederland om in de gillende keukenmeiden, verkeerde vuurpijlen en al dan niet doffe knaldingen. Ik heb het daar niet op en ben niet de enige, kijk maar naar de vele honden die dezer dagen niet weten waar ze het moeten zoeken. Dat de jeugd daar, in deze crisistijd, miljoenen aan uitgeeft, wordt het niet tijd dat de politie daar vooral in de dagen voor nieuwjaar achteraan gaat.
Als hermandad al iets doet en niet zelf aan het bommetjes gooien is, is het dat “ze” scherp controleren of de jeugd niet op straat aan een flesje bier of een colaatje rum lurkt. Het alcoholgebruik mag best de spuigaten uitlopen, maar wel in cafés en disco’s of binnenhuis. Er is zelfs voor de zoveelste keer een campagne opgezet, met grote borden her en der in de stad. Hier is een stukje onvervalst Spaans, maar ook een Engelstalige versie is voorhanden. “Hacer botellón no es rentable. Las sanciones van desde 150 a 300 euros. Marcha si, ruido no. LPA: una ciudad que respeta.”
Als ik op Nieuwjaarsdag ‘s morgens vanaf mijn balkon naar beneden kijk, zie ik aanhoudend groepjes jongeren die er kennelijk een lange nacht op hebben zitten, met de nodige drank “in hunne gieles”. Bijna zonder uitzondering zijn ze gekleed alsof ze op weg zijn naar een receptie, zo officieel. Ik zie veel zwarte pakken en idem jurken met nylonkousen. Vooral op de boulevard schijnt het nu te doen te zijn; daar is de laatste statie van de lange statieweg (maar dat idee hoort meer bij Pasen dan bij nu). Ik zie op Santa Catalina ook de nodige jeugd bij de bushaltes zitten, ik neem aan niet om daar nog eens de bloemetjes buiten te zetten, maar om eindelijk huiswaarts te keren.
In mijn vorige brief vertelde ik jullie over een koppel aan de overkant van mijn etage dat net als ik veel tijd op het balkon doorbrengt. Het waren zoals verwacht toeristen; in ieder geval is men weer vertrokken. Dat zie je hier toch veel nu: flats die leeg staan en wachten op af en toe bewoners voor korte tijd. Ik tel zo vlug vanaf mijn balkon vier of vijf flats aan de overkant waar niets te doen is. En ook bij mij in huis zijn er lege plekken. Het is als met allerlei winkels, hier en als ik Ton goed begrijp, ook in Maastricht: meer leegstand dan je in alle redelijkheid voor mogelijk houdt.
Tot slot van deze eerste brief van 2014 heb ik deze keer een vraag naar een Spaans rijmwoord voor jullie. De afgelopen dagen was het “felicidades”, prettige feestdagen op straat niet van de lucht. Met kerstmis en “feliz navidad” heb ik niet erg veel op; mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar alleen “gelukkig nieuwjaar”, “próspero año”. Hoeveel woordjes van twee lettergrepen kunnen jullie bedenken die eindigen op “año”? (Woordjes als extraño” (vreemd) en “tamaño” (grootte) mogen dus niet meedoen.) Ik kom met de nodige moeite op een drietal: “baño”, “daño” en “paño”, maar met de hulp van mijn onvolprezen woordenboek komen er nog drie bij:
Baño Bad(kamer)
Caño Rioolbuis
Daño Schade
Maño Iemand uit de provincie Aragon
Paño Doekje
Raño Schorpioenvis
Mijn huiswerk voor volgende keer is of jullie woorden weten die rijmen op “próspero”? Let wel, er staat wel een streepje op de o van próspero, dus woorden als “cero” (nul) en “pero” (maar) kan ik helaas niet goed rekenen. Het gevraagde woord of woorden dient te eindigen op “óspero”.
Mag ik daarmee mijn brief afsluiten? Ik weet het, in andere jaren mogen jullie en ik direct na nieuwjaar al aan carnaval gaan denken. Als dat op laten we zeggen officieel op 12-14 februari valt, inofficieel in Maastricht begint het dan op vrijdag 10 februari, staan we halverwege januari op de markt om “de groeten oonbekinde” en even later nog steeds “de groeten oonbekinde” toe te zwaaien. Dit jaar is carnaval pas in maart en dus zal ik daar in alle eerlijkheid daar niet nu al over beginnen. Laten we eerst maar eens de drie koningen gaan verwelkomen, die hier a.s. zondag en maandag twee keer sinterklaas en een keer zwarte piet komen spelen.
“In the meantime” hoop ik met jullie dat de komende Hollandse weken niet al te koud worden. Dan hoef ik Ton ook niet naar mijn Maastrichtse stulp te sturen om de verwarming een paar graden hoger te zetten. Verder heb ik eerlijk gezegd niks te verhapstukken. Het ga jullie goed, doe de ijzers alvast eens onder en trek eens een baantje door het huis, laat je niet gek maken door de rayonhoofden van de Friese Elfstedentocht en zoek de zon op, al was het maar onder je zonnebank. Hier doe ik mijn best om jullie weer een aantal dagen te vergeten, tot ziens, hasta luego, en “veer zien us”, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek is er een dat ik met name Bert van harte kan aanbevelen, omdat het over macro-economie gaat. Schrijver is de Duitser, Andreas Eschbach, het is gepubliceerd in 1996 en heet “De erfenis van Fontanelli”. Zoals wel vaker ben ik voor de oorspronkelijke titel, “Eine Billion Dollar”, maar de vertaling in “De erfenis van Fontanelli” is niet verkeerd. Tot de diverse locaties van het boek reken ik in ieder geval Florence, Londen en New York, maar ook diverse andere plekken.
In notendop: in 1495 heeft ene Giacomo Fontanelli in Florence 300 florijnen opzij gezet bij een bank, dat is ongeveer het equivalent van 10.000 dollar. (Eigenlijk had hij schulden en kwam het geld van zijn onbekende vader, Jacob Fugger de Rijke uit Augsburg). Vijf eeuwen lang bracht de rekening 4% rente per jaar op en hoeveel is dan het totale bedrag in 1995: duizend miljard dollar. (Vergelijk het verhaaltje van het schaakboord met op ieder nieuw veld het dubbele aantal graankorrels; dat worden er ook heel veel op veld 64).
Ze hebben het steeds voor zich gehouden, maar op 23 april 1995 maken de advocaten van de Fontanelli’s (padrone Cristoforo, zijn zoon en neef Gregorio en Alberto en de jonge Eduardo) bekend wie de erfenis gaat krijgen. De beoogde erfgenaam, de slimme tiener Lorenzo, is net twee weken eerder door bijensteken overleden, dus gaat het hele bedrag nu naar jongeman John Fontanelli. Op dat moment is hij pizzabezorger in New York en zijn fysieke leven verandert drastisch, om het maar eens zo eenvoudig mogelijk te zeggen. In het testament staat dat het geld er mede is om de mensen hun verloren toekomst terug te geven, dat hij de deuren naar de toekomst moet openen. En daar gaat hij nog werk van maken ook. John huurt een uiterst slimme (sluwe) zakenman in om hem daarbij te helpen, Malcolm McCaine, die zich een paar maanden al tot (zet-)baas van Fontanelli Enterprises uitroept, met een jaarsalaris van 100 miljoen. Zelfs haalt hij John over om hem “pro forma” tot zijn enge erfgenaam te benoemen. Als veel later blijkt dat Malcolm zich via een consultancybedrijf nog eens met een miljard verrijkt heeft, wordt hij door John ontslagen en wordt vervolgens wel diens belangrijke concurrent.
John Fontanelli heeft twee vrienden uit zijn New Yorkse tijd. Zijn voormalige huisgenoot, basgitarist Marvin Copeland mag best een beetje meeprofiteren van John’s rijkdom, dat doet hij met verve, maar vervolgens zien we Marvin alleen maar foute dingen met zijn geld doen. Dan is er John’s andere jeugdvriend, de briljante Paul Siegel; die wordt de opvolger van Malcolm in het concern. Ook zijn er diverse dames die om aandacht smeken. Het aantal aanzoeken van vrouwen om met John te trouwen is gigantisch, maar John wordt daarvan gevrijwaard. Hij houdt het in de jaren na 23 april 1995 bij slechts enkelen. Eerst komt Sarah Brickman nog even voorbij, dan Constantina Volpe (die hij overdoet aan Marvin), daarna schoonheid Patricia deBeers en tenslotte Ursula Valen, met wie het helemaal klikt.
Wie zal ik verder nog noemen? Natuurlijk is er de persoonlijke lijfwacht Marco Benetti en diens vele helpers, gluiperd Randolph Bleeker, die best een stuk van het vermogen wil hebben, Alain Broussard en zijn personeel van jacht Prophecy en dan vergeet ik de bemanning van vliegtuig Moneyforce One maar even. Last but not least is er ook nog een professor, Harlan Collins van het Instituut voor Toekomstonderzoek, die het hele boek door met zijn honderden medewerkers en idem dito computers bezig is om door middel van allerlei simulaties te voorspellen hoe erbarmelijk het met de wereld zal aflopen en hoe weinig daaraan te doen zal zijn. Het rapport van de club van Rome uit 1972 is er niks bij. Het boek van Andreas Eschbach eindigt met de verkiezing van de wereldpresident, als ik het wel heb, een beetje een abrupt slot.
Zal ik het boek de hemel in schrijven? Het begint allemaal ontzettend mooi, maar gaandeweg komt er een beetje de sleet in. Wat Andreas Eschbach met zijn “Eine Billion Dollar” idee voor ogen heeft, een heel milieuvriendelijke wereld, die niet van geld in elkaar hangt, gaat in de loop van het boek verloren in – ik kan het ook niet helpen - allerlei macro-economische beschouwingen. Het 550 bladzijden tellende werk wordt voor mij daarmee een schoolvoorbeeld van een boek dat te uitgesponnen is en daarmee zijn zeggingskracht langzaam, maar zeker verliest. Mijn recensiecijfer is navenant; dat daalt van een 9 in het begin naar een 8 naarmate het boek vordert, en tenslotte naar een 7, als ik aan de laatste honderd bladzijden bezig ben. Het is en blijft een aardig boek, maar overhouden doet het uiteindelijk toch niet.
Er is ook nog een boek 2: “Native Tongue” van Carl Hiaasen. Het is zijn vierde in een rij van 14 plus, uit 1991. Hiaasen was toen pas 38, want hij is van 1953. En hij is van Florida, daar speelt het boek dus ook, in Key Largo onder Miami.
Wie zal ik eens de hoofdrol toebedelen in het boek? Er zijn verschillende partijen. Eentje bestaat uit de inbrekers Bud Schwartz en Danny Pogue, die in opdracht van de bejaarde milieuactiviste Molly McNamara twee uiterst zeldzame mango woelmuizen stelen, met een blauwe tong, uit een dierenpretpark a la Disney World in Zuid-Florida. De woelmuizen gaan helaas even later er onderdoor en blijken trouwens meer rat dan woelmuis te zijn. Het pretpark heet Amazing Kingdom Of Thrills, de baas ervan heet Francis X. Kingsbury. Vroeger was hij in New York gewoon smeerlap Frankie King en de maffia zit nog steeds achter hem aan. Kingsbury’s rechterhand heet Charles Chelsea, diens PR man is journalist Joe Wilder en het hoofd beveiliging is een klerenkast genaamd Pedru Luz. Joe Wilder stapt tijdens het boek van zijn Nina, van de sextelefoon, over op Carrie Lamier, in het dierenpretpark verkleed als Robbie Raccoon (wasbeer). En dan is er woeldierspecialist Will Koocher, die ontdekt dat de woelmuizen (“voles” in het Engels) geen mango woelmuizen zijn en vervolgens voer wordt voor de orka, die daar zelf in stikt. In zijn plaats komt vervolgens Dickie the Dolphin.
Er zijn belangrijke bijrollen van ex-gouverneur Clinton Tyree, die sinds 15 jaar als zwerver Skink door het leven gaat, van de zwarte politieman en diens vriend Jim Tile en van golfprofessional Jake Harp. De laatste komt in beeld, als Frankie King naast zijn dierenpretpark ook nog een golfbaan met huisjes en alles erop en eraan wil beginnen en de politici daarvoor al over de streep heeft getrokken. Bindt Molly McNamara opnieuw de strijd aan evenals Skink en ook Joe Winder, want die werkt intussen niet meer tussen de dieren en schrijft stukken om het park in diskrediet te brengen. Leiden de slechteriken een smadelijke nederlaag en komen de goeden in het boek goed weg? Vallen er behalve Koocher nog meer doden? Dat spreekt vanzelf, hulpje Churrito van Pedro Luz legt het loodje door een schot van een baviaan. En huurmoordenaar Lou, door de New Yorkse maffia naar Zuid-Florida gestuurd, schiet per ongeluk Jake Harp het ziekenhuis in.
Als tussenstukje geef ik jullie een van de gedichten die Nina aan de sextelefoon onsterfelijk lijken te maken. “Your hands find me in the night, burrow for my warmth. Lift me, turn me, move me apart. The language of blind insistence, you speak with a slow tongue on my belly, an eyelash fluttering against my nipple. This is the moment of raw cries and murmurs when nothing matters in the vacuum of passion but passion itself...” Daarbij valt haar eerdere “dry-humping on the Amtrak” en het “sucky-fucky” van haar college Miriam in het niet. En mag ik ook Joe Winder eenmalig citeren? Hij vindt de geluidsinstallatie van Carrie matigjes, maar beter dan niks. “Low fidelity is better than no fidelity.” Die ga ik zelf ook nog eens gebruiken.
Hadden jullie het al door? Die Carl Hiaasen is mijn man, zijn “Native Tongue” moge dan geen hartverscheurende thriller zijn, het boek is zo komisch en zo vol met “kort Amerikaans” dat ik het in (haast) één ruk heb uitgelezen. Wat een boek! Mijn recensiecijfer is navenant: een 8½, wat zeg ik, een 9. Ik heb er eerder een paar van Carl Hiaasen gelezen, maar nu ga ik zeker achter andere boeken van hem aan.
Abonneren op:
Posts (Atom)