vrijdag 14 februari 2014

Weblogbrief 9.20, 14 februari 2014

Weblogbrief 9.20, 14 februari 2014

“¡Buen día! Hoy estoy de buenas”, goedendag, vandaag ben ik in een goede bui! Dat komt niet, omdat het vandaag Valentijnsdag is. In de etalages van diverse winkels hangen de rode hartjes in veelvoud te pronken, je kunt hier vannacht voor een prikje naar de dierentuin en El Corte Inglés heeft het vandaag over “precios de color de rosa”, roze prijzen. Dat zullen wel niet de gangbare zijn. Onder ons gezegd, wie is die San Valentin, die Heilige Valentijn nou helemaal? Is het überhaupt wel een echte heilige of hoort hij thuis in het rijtje van Sint Bernard, Sint Juttemis en voor de Maastrichtenaren onder jullie Sint Kerfitsel?
Nee, de reden dat ik zo goedgeluimd ben, is omdat morgen – eindelijk – ook hier “de” carnaval begint. Opdat jullie niets missen, heb ik hieronder het hele programma voor jullie gekopieerd. Echter, vanaf maandag 24 februari zit ik in Maastricht tot aan de dag dat de festiviteiten hier net voorbij zijn. Belangrijke gebeurtenissen zoals de verkiezing van de koningin (28 februari), de grote optocht (1 maart) en de uitverkiezing van de drag queen (7 maart), zelfs de entierro de la sardina (8 maart) laat ik alweer aan mijn neus voorbijgaan en daar ga ik jullie dus niet bij voorbaat mee lekker maken. Hier is het deel van het programma van 15 t/n 23 februari; waar ik per se heen wil, heb ik aangegeven met het tijdstip erbij. Alle gebeurtenissen behalve de opening zijn op Santa Catalina, bij mij om de hoek, waar al een prachtig kasteel als achtergrond is opgetrokken.
15 februari Pregón (opening) (plaza Santa Ana, 13 uur)
16.februari Carnaval Canino, 12 uur, Comparsas Infantiles
17 februari Murgas 1, 20.30 uur
18 februari Murgas 2, 20.30 uur
19 februari Murgas 3, 20.30 uur
20 februari Niets bijzonders (het kan niet altijd feest zijn)
21 februari Verkiezing Gran Dama + Disfraces Adultos
22 februari Finale Murgas, 21 uur
23 februari Concurso Comparsas Adultos
Sinds ik een habitué in Las Palmas ben, heb ik de finale van de murgaswedstrijd nooit gemist. Dit jaar wordt het de negende keer dat ik mij een beetje op tijd (om 7 uur of zo) op Santa Catalina ga melden om op tijd een stoel te bemachtigen. Op 22 februari ’s avonds staat het plein hier op zijn kop!

Als je als Maastrichtenaar iets een keer of twee, drie achter elkaar doet, spreekt de goegemeente van een traditie. Afgelopen vrijdagmiddag deed ik zoals dat door jullie van mij verlangd wordt, eerst mijn vorige brief op de bus en vervolgens zat ik aan mijn tweezijdige e-mail. Toen ook die geweest was, zowel in- als uitpost, dacht ik: op mijn computer heb ik allerlei muziekfilms staan, maar die krijg ik zonder een internetverbinding niet aan de praat. En thuis hier heb ik van alles, maar een internetverbinding zit daar niet bij. Laat ik er dan gewoon eens eentje uit lichten, dacht ik toen op de universiteit, een concert van een van mijn favoriete dames: Chavela Vargas. In geen tijd had ik een “concierto completo” opgezocht.
Chavela Vargas, vorig jaar of zo is ze op 90-jarige leeftijd overleden en wat heeft ze een plezier in haar lange leven gehad. En zingen, als een kanariepit of liever nog, als een bosuil met haar door rum aangetaste keel. Toen ze net in de 70 was, in 1993, trad ze op in een zaaltje in Madrid, een uitverkocht huis, en zong daar de ene ster na de andere van de hemel, 70 minuten lang (met tussendoor enkele verhaaltjes). In haar roodzwarte poncho om, zeg maar tafelkleed met franje, was ze precies wat ik me van haar had voorgesteld. Vooruit, haar gezicht zag er toen al gegroefd uit, meer rimpels dan strakke huid, maar als ik mezelf tegenwoordig in de spiegel zie, is het verschil met mij kleiner dan jullie vermoeden. Wat een power! En ik wis het, van dat concert in 1993 heb ik op mijn extra harde schijf ook een opname, in MP3. Doe kan ik jullie hier nog eens voorspelen, als plaat van de week. Daar gaan we:
01. Cruz De Olvido
02. Sombras
03. Rogaciano
04. La China
05. Amaneci En Tus Brazos
06. Luz De Luna
07. De Un Mundo Raro
08. La Llorona
09. Toda Una Vida
10. A Prision Perpetua
11. El Andariego
Bij nadere beschouwing vraag ik me af of bovenstaand lijstje wel helemaal conform de video is. Zelfs als het niet helemaal klopt, blijf ik deze plaat en ook de heel veel andere die ik van Chavela Vargas heb, uit de bovenste kunst vinden. Wat Edith Piaf is voor Frankrijk, is Chavela Vargas voor Mexico en omstreken, ik denk zelfs voor de hele Spaanstalige wereld. En er zijn 300 miljoen Spaans sprekenden, dus dat is niet niks. Schaf jullie eens wat aan van deze godheid, is mijn dringende advies.

Een alternatief voor Chavela Vargas heb ik niet, hoogstens een aanvulling. Daarvoor ga ik terug in de tijd naar 1963, als de Amerikaanse tenorsaxofonist Stan Getz, 36 jaar oud, een plaat maakt met de Braziliaanse gitarist en zanger Joao Gilberto, 32 jaar. Is die muziek nou wat ze sambajazz noemen? Is dit de oorsprong van de bossa nova? Hoe het ook zij, ik vind dat ze hun uiterste best hebben gedaan, op de plaat met als titel Getz/Gilberto. Hier zijn de acht nummers:
01. Garota De (The Girl From) Ipanema
02. Dolalice
03. P’ra Machucar Mea Coracao
04. Desafinado
05. Corcovado
06. So Danco Samba
07. O Grande Amor
08. Vivo Sonhando
En het kan niet op, in 1964 doen ze het nog eens dunnetjes over met zijn tweeën, als plaat Getz/Gilberto #2 wordt geboren. Ook daarvan geef ik de tien nummers graag aan jullie door:
01. Grandfather’s Waltz
02. Tonight I Shall Sleep With A Smile On My Face
03. Stan’s Blues
04. Here’s That Rainy Day
05. Samba Da Minha Terra
06. Rosa Moreña
07. Um Braco No Bronca
08. Bim Bom
09. Meditation
10. O Pato
Op mijn versie van Getz/Gilberto #2 staan, ik kan het niet helpen, nog vijf extra nummers die vooral door Joao’s vrouw Astrud, dan 23 0f 24 jaar, worden bij elkaar gezongen. Astrud Gilberto’s The Girl From Ipanema, een nummer van schrijver en zanger Antonio Carlos Jobim, wordt vervolgens een wereldhit. Twintig jaar later wordt ook dochter Bebel van Joao & Astrud als zangeres een bekendheid. Echt prachtig allemaal (voor zo ver ik het heb kunnen uitpluizen)! Voor de volledigheid zijn hier nog de toegevoegde nummers van Astrud:
11. It Might As Well Be Spring
12. Only Trust Your Heart
13. Corvorado (Quiet Nights Of Quiet Stars)
14. Garota De Ipanema (The Girl From Ipanema)
15. Eu E Voce

Ander onderwerp. Op de universiteit heb ik helaas pindakaas weinig aanspraak meer, nou Jorge in een ander gebouw zit en daar niet vandaan te halen is. Noé is al tijden weg bij Lluis, dus om die te zien kan ik beter terecht bij Tasquita Cambullonera dan achter het San José-ziekenhuis. En wat doet een man alleen dan? Die gaat tussendoor op zijn werk naar de kantine om daar in zijn eentje een café americano te drinken. Je krijgt er steevast twee zakjes suiker bij, ook als je “hem” zonder suiker drinkt. Een paar weken terug had ik het al met jullie over Canarische woordjes, die je op de suikerzakjes hier vindt. Het komt van de firma Ortega in Lomo Blanco hier. Willen jullie nog een aantal voorbeelden?
01. Ventorillo
Eettentje, ook voor drank
02. Sopladera
Luchtballon
03 Bembas
(Dikke) lippen
04. Mago
Landbouwer, boer
05. Nombrete
Bijnaam?
06. Tenderete
Marktkraampje, feestje
07. Matraquilla
Zaniker?
08. Amañado
Sjoemelaar
Het wachten is er nog steeds op dat Trudie en Marij eenzelfde serie maken en uitbrengen in het Maastrichtse dialect. Als ze met carnaval nog steeds geen echte aanstalten gemaakt hebben, geef ik het stokje over aan anderen, die ik dan ter plekke in café de Poort of in de Tribunal zal benoemen.

Zaterdagmorgen zat ik om kwart over 10 in de bus naar Telde, het plaatsje aan de oostkust hier waar dan markt is. Op weg erheen zag ik in het zuiden van de stad weer eens het bekende bord “control de galibo”, dat aangeeft dat voertuigen die hoger zijn dan vijf meter, daar niet mogen rijden. Verderop staan grote verkeersborden boven de weg op inderdaad vijf meter hoogte.
In Telde begon mijn wandeling bij de slagerij van Guillermo (“Wum”) en daarna liep ik monter de María Incarnación E Navarra in. Ongeveer halverwege in die straat ligt een bakkerij, “panadería bollería Molino De Fuego”, waar ik nog eens naar binnen moet gaan om een broodje te kopen. Op een groot tegelbord buiten staan enkele details over de zaak: “Edificio que alberga desde 1903 el Molino de Fuego, primero en su género instalado en esta ciudad.”
Op het plein bij de kerk staat een oud rond fonteintje van twee meter doorsnee, met in het midden een waterspuwende vis. Waarom ik die eerder niet heb opgemerkt (of weer verdrongen heb), is me onduidelijk. Ertegenover staat de bekende koperen “betunero” met op het bankje de man die een krantje leest, maar wel zijn schoenen uitgestoken houdt. In de hoofdstraat is alles bij het oude. De enige verandering die ik zie, is de toevoeging van een bakkerij en terras van Granier (“panes artesanos”).
De rommelmarkt achter de gewone markt is er een om subiet weer te vergeten. Ik begrijp niet waarom Trudie en Marij er vorig jaar nog eens heen gegaan zijn. Wel heb ik nog best wat op met de gewone, overdekte markt van de stad. Op een hoog zag ik deze keer een heel rijtje borden naast elkaar aan de muur hangen van de visboeren die daar hun waar aan de man brengen. Ik noem jullie hier de “mariscos, bivaldos, especies cultivadas, túnidos, pescados planos, gádidos, merlúcidos, especies interés comercial I, II y III, moluscos I y II, equinodermos, crustáceos I y II.” Beneden kocht ik in een van de stalletjes, een kaaskraampje, een grote plak Hollandse oude kaas en “majorero gofio”, vervolgens bij mijn favoriete bakker daar twee grote broodbollen. Even later was het smullen geblazen op een bankje bij de fontein daar voor de markt. Nodeloos te zeggen dat enkele voorbijgangers mij “buen provecho” toeriepen.
Ten slotte bracht ik in Telde nog een klein uurtje door in de Daily Price winkel daar. Ik kocht er alleen een cd-tje (van Frankie Laine) plus een paar DVD-tjes. Daarna heb ik op een bank zitten lezen, voordat ik om even over half 4 de tijd rijp vond om terug in de bus te stappen op weg naar de hoofdstad. Met mijn strapatsen (“locuras”) daarna in Triana zal ik jullie niet verder vermoeien. Vooruit, ik maak een uitzondering voor mijn bezoek aan McDonalds daar. Ik kocht er een grote “frappé” chocolade. Weet iedereen wel wat een “frappé” is? Volgens mijn Franse woordenboek staat het voor getikt, kierewiet, maar het is een veredelde smoothy. Is de “frappé” de royale laag slagroom met chocoladesaus die erop gedrapeerd is?

Lluis, de baas hier van mijn flat en op het werk, reist veel, soms naar mijn en zijn mening te veel. Tot de vele landen waar hij geregeld heen gaat, hoort ook Gambia, waar hij in de stad Banjul actief is met een voedselproject. Vandaag de dag leef je pas echt, als je op zijn tijd ook congressen organiseert en dus is Lluis momenteel al een beetje in de weer met het organiseren van het “III World Congress Of Public Health Nutrition WCPHN 2014”. Hij doet dat samen met zijn vrienden in Gambia. Een en ander gaat in het najaar in Las Palmas plaatsvinden, in het Alfredo Kraus Auditorium, op 7-11 november 2014. Het thema is “the core of the international cooperation for development. Arriving together.”, Ik zou een dergelijke ondertitel van zijn leven nooit kunnen bedenken. De belangrijkste onderwerpen zullen zijn:
-Advancing international public-private partnerships for health
-Nutrition and well-being
-Strengthening and harmonizing capacities in community nutrition to address the existing nutritional gaps
-Nutrition as a result of a cultural and sustainable food process
-Nutrition and food security: successes and emerging challenges
Het congres alleen al zou een reden voor mij kunnen zijn om de volgende winter opnieuw hierheen te komen. Aan de andere kant denk ik ook wel eens: wat koop je ervoor?

Mosterd! Iedereen heeft recht op een tic, een afwijking waar hij al dan niet sier mee kan maken. Ik heb er helaas meer en op eentje ben ik bijzonder trots: mosterd. Als jullie mij laten kiezen tussen iets zoets en iets hartigs, kies ik zonder meer voor het hartige gerecht. En hoe sterker de kruiden, hoe dichter sta ik erbij: pepers, sambal, peterselie, worchestershire saus, knoflook, ik lust er wel pap van. Zelden komt bij mij een maaltijd op tafel zonder dat er een pot mosterd naast staat, bij voorkeur van de sterke soort.
Hoe is mij deze afwijking overkomen? Ik ga daarvoor terug naar mijn vroege jeugd, toen ik een jaar of 8, 9 was, denk ik. Op het Cörversplein in Maastricht hadden we thuis wel mosterd, maar die werd alleen uitgehaald, als er kaas was. Om mijn leven een katholieke draai te geven was ik, net als Harry, lid van het zangkoor van de Sint Martinuskerk. Ik herinner me als de dag van vandaag dat we een keer na de Kerstmis, de echte mis, ’s ochtends in alle vroegte, een ontbijt kregen aangeboden: lekker brood met kaas, druugweurs en leverworst. En er stond een grote pot mosterd op tafel, waarvan ik me ook bij de worsten kon bedienen. Dat beviel me toen zo goed dat ik het mosterd eten nooit meer echt heb afgeleerd.
Nu ben ik zo ver dat er in Maastricht altijd wel enkele soorten sterke mosterd voorhanden zijn. Sowieso is die van de Lidl er, de rode tube. Daarnaast zijn er de bekende mosterds van Düsseldorf en Dijon, maar op zijn tijd ook uit diverse andere landen, zoals België (bijv. Gent, Mechelen), maar voor een of meer tubes of potjes uit = ik noem maar een zijstraat - Engeland, Rusland, Iran, Myanmar, Thailand, Syrië, China, Nicaragua, Mexico ga ik evenmin niet opzij. In juli a.s. ga ik met Trudie een rondreis door Cuba maken. Natuurlijk willen we het nodige bezichtigen, gaan we ongetwijfeld naar een fabriekje waar sigaren gemaakt worden en ik voorspel jullie dat er ook meer dan één fles Cubaanse rum doorheen gaat. Echter, waarnaar gaat deze jongen in ieder geval ook nog op zoek? Mostaza fuerte!
Spanje is helaas geen land met een mosterdtraditie en dat is “tampoco” het geval op de Canarische eilanden. Het is hier wel vergeven van de kruiden voor in de keuken, maar wat je aan mosterd in de schappen vindt, kan er maar net mee door. Sterke Spaanse mosterd, dat geeft het niet, jongens en meisjes. Het heeft me enige tijd gekost, maar uiteindelijk heb ik het correcte spul bij de Arabier hier kunnen inslaan. Ik vrees echter dat de “Dijona”, “fuerte con vinagre”, geen locaal product is, ook niet uit een Arabisch land komt, maar rechtstreeks uit het Dijonse. (Terzijde, interessant vind ik het verhaal of de bekende Franse mosterd nou oorspronkelijk uit Parijs komt of uit Dijon. Daar zijn de geleerden nog niet helemaal uit.) Hoe dan ook, voor het moment ben ik uit de zorgen en eventueel kan ik na de carnaval wat potjes en tubes uit het Maastrichtse mee naar hier nemen.

En dan wil ik graag nog iets kwijt over een tijdelijke overbuurvrouw. Aan de overkant zie ik af en toe mensen verschijnen en weer vertrekken. Op een hoog rechts (van mij uit, zou professor Diepenhorst zaliger erbij gezegd hebben) bivakkeert momenteel een echtpaar van rond de vijftig. Op hem is weinig aan te merken, laat staan af te dingen, Maar zij is een type dat echt de hele tijd bezig is met gluren. Als ik ’s ochtends vroeg de mensen van “Vuele latir” met het hartje voorbij hoor komen, staat ze al aan het raam om de dreklui uitgebreid gade te slaan. Er wordt een kopje koffie uitgeserveerd voor een klant van Carlos en zij controleert vanaf één hoog rechts of er wel twee zakjes suiker bij gedaan zijn. Een hondje van niks doet zijn minibehoefte bij een boom hier en wie kan nauwelijks wachten of de troep wel door het baasje wordt opgeruimd, mijn vrouw van de overkant. Lelijk kan ik haar niet noemen, maar al te oplettend vind ik van wel. Het scheelt niet veel, maar het woord “bemoeial” ligt me voor op mijn tong. Er kan hier op mijn stukje straat echt niets gebeuren hier of ze steekt haar neus erin.
(En nou vragen jullie natuurlijk: hoe komt het dat ik dat allemaal weet? Daar wil ik het nu even liever niet over hebben.)

Jullie zijn toch wel bekend met de firma Hopupu Surf? Die club was uiterst actief op het strand en de boulevard hier, afgelopen weekend. Ik heb er zelfs een mooie balpen en een donkerblauwe honkbalpet aan overgehouden. Plus, speciaal voor jullie, ook nog een Spaans lesje, “Hopupu Surf es en club deportivo que aparte de ofrecer los servicios propios de un club de surf, desarrolla el programa “SURF PARA TODOS”, cuya misión es ofrecer una actividad terapéutica diferente. Su objetivo es favorecer las capacidades y el desarrollo global de las personas con discapacidad intelectual, motórica y necesidades educativas especiales, mediante actividades lúcidas que promuevan su crecimiento personal, normalización e integración.”
Ik sla een stukje van de fólder over en komt uit bij het bekende “¿Qué ofrecemos? El material necesario para realizar la actividad: tabla de surf, neopreno, amarradera. Material específico de piscina: tapices, manguitos, collarines, churritos, pelotas… Material psicomotriz: pelotas de pilates, colchonetas, picas, aros, cuerdas, discos sensoriales… De cursussen vinden plaats in de “aula de psicomotricidad, piscina, playa de la laja.” uiteraard in aanwezigheid van “pedagogos terapéuticos, maestros de educación fisica, psicomotricistas, monitor titulado por la federación española de surf, terapeutas acuáticos, socorristas acuáticos.” Bel eens met die mensen, zou ik zeggen, de baas ervan heet Diego Pablo Álvarez Galindo, tlf: (0034) 670510913.

En dan ben ik al weer toe aan de laatste alinea, die ik doorgaans gebruik om jullie een beetje op te peppen. Deze keer laat ik dat voor de variatie eens uit mijn hoofd en constateer met jullie een “stilte voor de (bonte) storm”. Over twee weken moeten we er weer vol tegenaan. Voor mij is het uitkijken naar een nieuw “pekske”; mijn lichtgroene, bijna lichtgevende carnavalsjas met extra zakken heb ik afgelopen zomer per ongeluk in een vuilniszak gestopt. Nog even geduld dus, hoewel: hier begint het morgen al te vlammen (voor details, zie het begin van deze brief).
Ik kom er vóór carnaval nog een keer in met een brief, over precies een week, denk ik. Daarna reis ik op maandag 24 februari af naar Maastricht. Voor nu, tot ziens maar weer, hasta luego, vamonos, Pobrecito Paulito.

BOEKENBIJLAGE

Ik heb iets met Henning Mankell. Zonder uitzondering heb ik al zijn detectives met inspecteur Wallander gelezen, op de allerlaatste na. Zijn vijfde in die serie, “Dwaalsporen”, zou zelfs verkozen zijn tot thriller van de eeuw. En hoe heet zijn allernieuwste, uit 2013? In het Spaans is het “Huesos en el jardin”, botten in de tuin. Mankell, vorige week werd hij 66, heeft daarnaast ook een aantal andere boeken geschreven. Sommige zijn op zichzelf staande politieboeken, andere gaan over leven in Afrika. Tot de laatste reken ik ook “Geschiedenis van een gevallen engel”, 231 bladzijden, uit 2011, dat ruim honderd jaar terug (1904-05) vooral in Mozambique speelt, in de hoofdstad Maputo (dat toen nog Lourenco Marques heette).
Het verhaal begint ergens in een dorp in Zweden, waar Hanna Benström haar moeder en broertjes en zusjes verlaat om uiteindelijk aan te monsteren op een boot dat naar Australië opstoomt. Ze trouwt twee keer, maar beide keren gaan de echtgenoten snel dood. In Lourenco Marques wordt ze via haar tweede man de baas van een groot bordeel. Ze gaat zich daar Ana Branca, blanke Ana, noemen. Interessante dames in het bordeel zijn o.a. Felicia, Laurinda, Belinda Bonita en Esmeralda, maar vergeet ook de aap niet, Carlos, die de drank verzorgt. Andere figuren in het boek zijn bijv. de blanke Pedro Pimenta met zijn zwarte vrouw Isabel, haar broer Moses en diverse andere mensen die ik in deze samenvatting maar zal weglaten. Ruim een jaar later gaat Hanna, Ana weer terug naar Zweden.
Het hele boek door gaat het over de blanke overheersers van de vele zwarten in het land. In de woorden van Mankell zijn de blanken er vooral “ongenode gasten” en is er geen enkele reden waarom ze de baas zouden moeten spelen over de bevolking die er altijd gewoond heeft. Het boek is een langgerekte aanklacht tegen de onderdrukking van de zwarten.
Wat vind ik ervan? Henning Mankell is voor mij niet alleen goed in het schrijven van thrillers, maar kan zeer wel ook uit de voeten met het schrijven van boeken zoals “Geschiedenis van een gevallen engel”. Ik heb het in ieder geval in een vlot tempo uitgelezen en geef er zo maar als recensiecijfer een 8 voor. Misschien moet ik zijn Afrika-boeken maar eens allemaal gaan doornemen.

Op één consumptie kun je niet met goed fatsoen vertrekken. Dus heb ik nu een boek van een oude rot in het vak, Charles McCarry, voor jullie ter bespreking. De man, met zijn wel heel kale kop, is van 1930. Als hij nog leeft, en daar ziet het volgens de Wikipedia naar uit, is hij intussen al aardig in de tachtig; het lijkt Chavela Vargas wel. Hij schreef, toen hij een stuk jonger was, de nodige spionnenboeken, vooral rond de figuur van Paul Christopher. Er heb er al de nodige gelezen en hier ook besproken. Echter, The Secret Lovers, in goed Nederlands “De Geheime Minnaars”, zat daar niet bij. Wat schetst mijn verwondering toen ik het boek, uit 1977, tussen allerlei ander leesspul op mijn e-reader aantrof. Dan kan het niet ongelezen blijven, vrienden. Het speelt in Europa, vooral in hoofdsteden Berlijn, Parijs, Rome en Madrid. En let op de tijd: hoewel het in 1977 uitkwam, speelt het in 1960 (en nog even in 1936).
In dit verhaal krijgt Paul Christopher een manuscript van een boek toegespeeld dat afkomstig is van een heel bekende Russische schrijver, Kiril Kamenski. Bij de overdracht van het manuscript door zijn agent, Horst Bülow, wordt die Bülow vermoord. Paul en zijn Amerikaanse baas David Patchen tasten min of meer in het duister. Zijn het, zoals voor de hand ligt, de Russen zijn geweest, die Bülow hebben omgebracht of speelt een westerse dienst een rol? Al snel komen ze uit bij een voormalige agent van de eigen “agency”, de nu oude en invalide Otto Rothchild, een overgelopen Rus, die met zijn vrouw, voormalige Amerikaanse agente Maria Custer, in Parijs woont. Moet het overigens voor Rusland vernietigende manuscript worden uitgegeven en wanneer dan wel, pas na de dood van Kamenski of nu al? In het laatste geval staat wel het leven van de schrijver wel op het spel.
En dan gaat het ineens over heel vroeger, in 1936 in Madrid, toen een groepje mensen met elkaar optrok. De belangrijkste daarvan zijn dezelfde (?) Kiril Kamenski, Kolka Zhigalko en ene Carlos. Toen blijkt iets heel belangrijks gebeurd te zijn. Bijna op het einde van mijn boek vertelt Spanjaard en ex-agent Jorge de Rodegas het verhaal uit 1936 aan Paul Christopher, mede op aandringen van diens vrouw Cathy. (Die Cathy is trouwens degene naar wie het boek is vernoemd: De geheime minnaars. Zij kan het niet laten om er naast haar man Paul nog meer minnaars op na te houden, zie blz. 283.) Voor een belangrijke bijrol komt met stip agent Bud Wilson in aanmerking. Wie dat te weinig vindt, kan zich ook eens verdiepen in de ziel van uitgever Claude Cerutti of filmbaas Franco Moroti dan wel eens een bezoekje brengen aan Schaefer’s sauna gaan.
Zoals steeds bij Charles McCarrrie heeft het boek een zeker vaart. Wie van verhalen met spionnen over en weer tussen west en oost houdt, komt in dit verhaal beslist aan zijn trekken. Met Paul Christopher en Cathy’s geheime minnaars is het zoveelste mooie boek geschreven, dat ik best kan waarderen. En toch, op het einde vind ik het verhaal eerlijk gezegd een beetje verzanden, vooral als de oude geschiedenis uit 1936 wordt opgerakeld. En hoe het precies met de mensen afloopt met de mensen die zich misdragen, wordt daarna evenmin helemaal helder. Jullie weten het, dat kost punten bij mij. Dus daalt mijn recensiecijfer van een 8, 8½ voor de eerste helft van “De geheime minnaars” naar niet meer dan een 7 op het einde. Jammer, Charles McCarrie, maar niet getreurd. Ik ben graag bereid nog weer andere boeken over Paul Christopher en zijn maten te lezen.

Het geeft mij altijd voldoening, als ik in een week Las Palmas meer dan twee boeken uitkrijg. Deze keer lukte het me zonder probleem. Hier is mijn mening over boek 3, “Praag fataal” van Philip Kerr uit 2011. De titel verwijst naar een stukje tekst helemaal op het einde van het boek, op blz. 310. Het verhaal speelt zich inderdaad af in Praag en omgeving, maar – hoe kan het anders bij de kampioen van de WOII-verhalen - daarnaast ook in Berlijn.
Hoofdpersoon Bernhard (Bernie) Gunther zit in september 1941 op het hoofdpolitiebureau Alexanderplatz in Berlijn, als hij te maken krijgt met achter elkaar de dood van Gert Vranken en even later ook van Franz Koci. De tweede zou eerst de eerste vermoord hebben en later, na een ontmoeting met Arianne Tauber, door een taxi zijn aangereden, met fataal gevolg. Terzijde, Arianne wordt vervolgens de vriendin van Gunther. Dan verplaatst de handeling zich naar een kasteel bij Praag, waar generaal Reinhard Heydrich woont. Die is onlangs benoemd tot baas, rijksprotector van Bohemen en Moravië. Hij nodigt Gunther uit, sommeert hem eigenlijk, om zijn bodyguard te worden, naast de vier adjudanten en ander personeel dat hij al heeft rondlopen in zijn villa. In het weekend komen diverse hooggeplaatste militairen op bezoek. Dan wordt een van de vier adjuncten vermoord, Albert Kuttner. Wie heeft het gedaan? En daarnaast, wie van de bobo’s is degene die met de Tsjechen heult, want naar die verrader is Heydrich eigenlijk meer op zoek? Voor de moord op Kuttner wordt moordcommissaris Bernhard Gunther ingeschakeld, hij is er nu toch, samen met ene Kurt Kahlo. De diverse kopstukken van het weekend worden een voor een op de pijnbank gelegd. Enz.
Al lezende dacht ik: ik heb een verhaal dat hierop lijkt, al eens gelezen. Het wordt mij later in het boek verklapt: “The murder of Roger Ackroyd” van Agatha Christie. (Misschien heeft die dat wel in Las Palmas geschreven, waar ze graag aan haar detectives werkte.) In “Praag fataal” wordt het mij allemaal iets te dikjes overgedaan.
Over Philip Kerr heb ik in deze rubriek eerder en bij herhaling uiterst lovend gesproken. Echter, “Praag fataal” vind ik minder dan sommige van zijn andere boeken, soms echte meesterwerkjes. En – dat heb ik in de samenvatting hierboven niet vermeld – de geslaagde aanslag op Reinhard Heydrich in 1942, waarmee het boek begint en eindigt, had voor mij er niet in gehoeven. Dat verhaal had hier beter weggelaten kunnen worden, was goed genoeg geweest voor een eigen boek. Nu ben ik alles bij elkaar minder content over Philip Kerr’s “Praag fataal”. En mijn recensiepunt is navenant: ik kom helaas voor hem niet verder dan een 6½. Dat de man kan schrijven, weet ik maar al te goed; ik heb zoveel beters op de boekenplank liggen dan “Praag fataal”.

vrijdag 7 februari 2014

Weblogbrief 9.19, 7 febrero 2014

Weblogbrief 9.19, 7 februari 2014(

¡Hola! ¿Qué hay, chiriperitos y fracasados? Hallo, hoe hangt de vlag erbij, geluksvogeltjes en mislukkelingen? Alles kits achter de rits, bij de knopen niet te veel open? Jullie verre vriend dient zich weer aan, op ruim 3000 km van jullie huis en haard, met verse munitie voor een Weblogbrief. Het is potdomme alweer de 19de; wie durft te beweren dat het niet opschiet?
Laat ik die beginnen met (alweer) een correctie. Wat is: “Op de plaats, klaar, af” in het Spaans? Ik heb het Noé gevraagd en die zei zonder blikken of blozen: “Preparados, listos, ya”. Dat lijkt wel enigszins op “Separado, listo, ya”, maar je merkt als Spanjaard direct dat je met een rare buitenlander van doen hebt. En nou ik toch over Noé bezig ben: een drukproef (van ons artikel over het nut van – locaal – Arnica montana) heet hier een “prueba (de imprenta)”, maar het meer gangbare woord is “galerada”. De “galerada” van ons gezamenlijke artikel is gecorrigeerd en het wachten is nu op het echte artikel.

Net als vorige keer begin ik met een wapenfeit te vermelden van de afgelopen vrijdagmiddag. Deze keer gaat het over het einde van de Beatles. Ik wist niet beter of John Lennon zou in 1969-70 de spelbreker was geweest, de man die voor het ophouden van de Beatles verantwoordelijk moet worden gehouden. Hij zou zijn vriendin Yoko Ono per se in de groep willen hebben en dat zou met name Paul McCartney in het verkeerde keelgat zijn geschoten. Het uiteindelijke gevolg zou zelfs het uit elkaar gaan van de groep zijn.
Afgelopen vrijdagmiddag zag ik op You Tube diverse filmpjes over wat John, Paul en ook George Harrison achteraf van de “break-up” hadden gevonden. Paul McCartney, best openhartig, lijkt het, wees in zijn gesprekken met persmensen op heel andere dingen. Toen de vier Beatles, ook Ringo Starr, nog jong waren, in de beginjaren 60, waren hun platen en optredens echt het enige waarvoor ze leefden. Gaandeweg werd de animo echter minder, steeds minder. Bij veel populaire groepen ging dat zo volgens hem. Je kunt wel de beroemdste popgroep van de wereld worden, maar het ook nog blijven? Er ontstaat verzadiging. Het werd trouwens steeds moeilijker om steeds weer opnieuw met iets anders te komen.
John zou de eerste zijn geweest die openlijk vertelde dat hij wellicht beter op de solotoer kon gaan, in ongeveer 1967, ten tijde van het maken van het “White album”. Hij was bovendien iemand die al te gemakkelijk vertelde wat hij van de dingen vond; dat was typisch voor hem. Echter, in delfde periode zou de animo om met de groep door te gaan ook bij George en bij Paul al minder zijn geweest. Zij zouden daar intern en met elkaar toen ook al over gesproken hebben.
Dan was er de geldkwestie. John en George waren daar veel minder mee bezig dan Paul. Die zou, als het over geld ging, zich er altijd veel meer mee hebben bemoeid dan de anderen. Hij was bijv. degene die het percentage van Allan Klein, de nieuwe manager van de groep begin 1969, op 15% wilde houden (en niet de 20%, zoals die voorgesteld had). Dezelfde Paul had zich tevens meer en meer opgeworpen als de leider van het viertal, nogal eens tot verdriet van de anderen. Volgens Paul achteraf zou vooral echter de grote verandering van vrijgezel zijn naar vaste verkering alle vier leden van de Beatles hebben opgebroken. Volgens zijn zeggen wilden dames als Yoko, Linda en die van George en Ringo niet dat hun mannen bijna alleen maar met de groep en zijn muziek bezig waren. Er moest meer tijd en moeite aan hun gezin besteed worden. Dat was voor hem misschien wel het belangrijkste breekpunt.
In een interview in 1975, vijf jaar na het uiteengaan, heeft John Lennon het over nog eens samen een plaat maken. Dat zou zo maar kunnen, zegt hij dan, als Paul en hij daar beiden zin in hadden, maar de pers of de fans hadden daar volgens hem geen enkele stem in. Echter, samen optreden, een reünie, zat er in 1975 voor John niet meer in. Paul McCartney wijst er in zijn interviews na 1970 nog op dat hij het best erg heeft gevonden dat de groep ermee opgehouden was, maar, zei hij, het leven gaat door. “Ik ben nu niet echt meer met de Beatles bezig, maak nu muziek zonder dat John over mijn rug wil meekijken.” En had Yoko hem niet na de dood van John in 1980 nog verteld hoe dierbaar Paul voor John al die jaren was geweest? Op het persoonlijke vlak was er volgens Paul nooit iets mis geweest tussen de twee kopstukken van de Beatles.

Als – toch weer – hommage aan de “Fabulous Four”, op hun laatste benen, zet ik deze week hun “White Album” in de etalage, hoewel het eigenlijk een dubbelalbum is. De plaat is uit 1968, maar deze week ik laat jullie de opgepimpte versie (“totally remastered”) van een paar jaar terug horen. En nou kan ik alle 17 plus 13 onder elkaar gaan schrijven, maar ik vermoed dat een meerderheid van jullie het “White Album” thuis wel in de kast heeft staan of op zijn minst ergens een kopietje heeft getrokken. Ik beperk me daarom tot mijn favoriete rijtje nummers, 1 op 3, en laat de andere even voor wat ze zijn. Jullie kunnen eventueel zelf de plaat erbij halen om mij te kapittelen, omdat ik het in mijn hoofd heb gehaald om bijv. “Back in the USSR” en “Helter Skelter” weg te laten. Dat gaat overigens heel simpel op mijn iTunes. Je vinkt gewoon de v-tjes links vooraan weg van de muziek die je even niet aanstaat, meer hoeft niet. Hier is, met permissie, mijn “White album” top 10:
02A. Dear Prudence
07A. While my guitar gently weeps
08A. Happiness is a warm gun
10A. I’m so tired
12A. Piggies
16A. I will
02B. Yer blues
05B. Sexy Sadie
09B. Honey pie
11B. Cry baby cry
Mooi blijven ze, de diverse nummers van de Beatles, ook op het “White album”. Ik kan het ook niet helpen.

Op Harry’s website kwam ik de naam van de Rooftop Singers tegen. Dat is nog eens een relikwie uit vergane tijden. Eind jaren 50 en begin jaren 60 was een aantal folkgroepen in de VS erg populair. Ik noem hier de Weavers (“Goodnight Irene”, “On top of old Smokey”), het Kingston Trio (Tom Dooley”, “M.T.A.”) en Peter, Paul & Mary (“Blowing in the wind”, “Puff, the magic dragon”). En dan was er in 1963 de Rooftop Singers: Erik (van de Weavers), Bill & Lynne. De groep ken ik van het nummer “Cool water” en uiteraard van hun enige echte hit: “Walk right in”. Hadden wij die plaat niet thuis in Maastricht? Hoe dan ook, het was en is voor mij wel een nummer met een platina randje. Ik kan het nummer nog zo meezingen, inclusief mijn verbastering van de tweede regel die ik ook nu, zelfs op een You Tube filmpje, niet helemaal kan vatten: Walk right in, ..., Daddy let your mind roll on. En verderop in het nummer: Walk right in, ..., Baby let your hair hang down. Na “Walk right in “ probeerden de Rooftop Singers het succes uiteraard te herhalen, o.a. met “Tom Cat”, maar toen dat niet op de radio mocht worden gespeeld vanwege de vermeende dubieuze tekst, was het met de groep gebeurd.
Die Lynne, een voormalige jazz-zangeres, heeft op het You Tube filmpje wel iets van onze Teddy Scholten.

De afgelopen vrijdagavond stond in het teken van iets heel anders dan de Beatles. Noé nodigde mij uit voor een bezoek die avond aan het “Observatorio” in Temisas. Eerder hadden we het wel eens gehad over sterrenkunde en hoe weinig we daar eigenlijk van afwisten. Noé heeft intussen twee Engelstalige e-boeken van Stephen Hawking voor me gedownload, maar het overzetten op mijn e-apparaat gaat later gebeuren.
Om kwart voor 8 haalde hij me met de auto op en toen bleek dat we met een aardige delegatie en twee auto’s richting Temisas tuften, in totaal acht man, d.w.z. drie dames, onder wie Lorena, en vijf heren met o.a. Cucu en wij. Temisas ligt in het binnenland van het eiland. Je rijdt langs de oostkust, buigt af naar Agüimes, ten zuiden van het vliegveld (“Gando” voor de ouderen onder ons), en dan is het nog zo’n 15 km. Het observatorium ligt nog weer eens een klein stukje buiten het dorpje Temisas. Ik moest me warm kleden, wist Noé, want het kon daar verrekte koud zijn ’s avonds laat. Het bleek vooral te gaan om een sterrenkundige bezichtiging van de lucht onder leiding van een deskundige van de sterrenwacht. Ter plekke bleek trouwens dat niemand van ons gezelschap er eerder was geweest.
Noé wist er overigens wel al een beetje van af, van al die sterrenkunde, in ieder geval meer dan ik (hoewel ik van de zomer nog in een sterrenkundeboek voor kinderen heb zitten lezen). In de auto werd er druk gekeuveld met het tweetal achter ons, maar hadden we ook een (herhaalde) discussie over het verschil tussen een “via láctea” en een “galaxia”. Een “galaxia” staat voor een sterrenstelsel in het algemeen, weet ik nu, terwijl het specifieke waar de aarde deel vanuit maakt, de “via láctea” is, het melkwegstelsel. Ik had tot dan gedacht dat er zeer veel melkwegstelsels waren in het heelal, maar dat idee moet ik bijstellen, herzien. Overigens, heelal heet op zijn Spaans “universo” of “cosmos”.
Om even over 9 waren we er, maar het kleine gebouwtje ging pas open om 10 uur en dan tot tot half 12 (of ietsje later). Dus togen we met zijn achten eerst terug naar het dorpje om daar in het volkscafé uitgebreid aan twee soorten wijn en diverse tapas te gaan. Er kwamen als tapas twee soorten olijven op tafel, een bord locale olijfolie, wel vier borden gemengde kaas (jong, jongbelegen en oud), stukjes varkensvlees in een saus en daarbij een overmaat aan stukjes stokbrood. Het café was en is een zaak naar mijn hart. En goedkoop...
We hadden ons er nog eens van gewist dat er in het observatorium inderdaad “leven” zou zijn en om kwart over 10 werd de weg naar boven nogmaals gemaakt. Wat kregen we te zien? Eerst en vooral: het was helder weer, volgens de deskundige een 7 op een schaal van 0 tot 10. De hemel zat boordevol sterren (terwijl je daar in Las Palmas nauwelijks iets van meekrijgt). Met een grote kijker werden ons enkele sterren en planeten in volgorde getoond. Ik kon ze ook best al met het blote oog zien, maar minder duidelijk. Willen jullie namen? Dan ging het eerst om Orion, daarna Sirius en tenslotte Jupiter met zijn manen. Vervolgens werd een stuk hemel getoond waar wij alleen maar blauw zagen, geen sterren. Met de verrekijker bleek dat stuk net zo goed en boordevol allerlei stipjes te zitten. Als sluitstuk werd met een lampje langzaam de hele hemel afgetuurd, te beginnen met de omgeving van de poolster in het noorden met daarna een compleet rondje. Zelfs weet ik nu dat een rood puntje voor iets heel kouds staat en een blauw puntje voor hitte. Als mosterd na de maaltijd kregen we binnen nog een serie foto’s van sterren en planeten te zien, maar toen was het kwart voor 12 en op. Ik hoorde mezelf na afloop tegen de uitlegger van het “Observatorio” zeggen dat ik het “muy interesante” had gevonden en zo iets doe ik alleen maar, als het ook zo is.
Enigszins verkleumd ging ik bijna om middernacht met Noé en het koppel dat we vele uren eerder bij mij in de buurt hadden opgepikt, terug naar de bewoonde wereld. Om kwart voor 1 werd ik bijna voor mijn deur afgezet en niet veel later lag ik in mijn bedje.

Op de autoweg op weg naar de kleine sterrenwacht bij Temisas zag ik een groot bord bij een volgens mij Chinees restaurant staan, met daarop de kreet: ¡CACHO TROLA! En dan heb ik voor de zoveelste keer geen flauw idee wat er staat. Volgens mijn woordenboek staat het letterlijk voor: gebogen smoes. Daar heb je dan vrienden zoals Noé ook voor. Hij keek mij eerst bevreemdend aan en zei toen dat het slang was voor “wat een leugen”.

Genoeg over de vrijdag. Zaterdag had ik vooral een rustig dagje. Overdag zat ik op mijn balkon te lezen en begon aan deze nieuwe weblogbrief te schrijven. In de vroege avond paradeerde ik naar El Corte Inglés, omdat ik mijn voorraadje Fanta Zero Naranja nodig moest aanvullen en ook door mijn knäckebröd heen was, Wasa Vitalité, dat is en blijft de lekkerste. Maar eerst ging ik naar de overkant, naar de andere El Corte Inglés, om een cd te kopen die ik al een paar keer in mijn handen had gehad, van een optreden van Oum Kalsoum, “de ster uit het oosten”, uit 1931.
Afgelopen zomer heb ik een boekje over Oum, Omme of hoe ze heet in de bibliotheek geleend en de enige daar aanwezige cd van haar kunnen kopiëren, “La diva”. Nu heb ik dus mijn tweede binnen, simpelweg “Oum Kalsoum” getiteld. De “gran dama” van Egypte heet in alle volledigheid Oum Kalthoum Ibrahim al-Sayyid al-Beltaguie, maar bij Arabische namen weet je dat nooit helemaal zeker. Haar geboortejaar is 1899 of 1904, ook dat is onduidelijk, maar ze ging dood op 3 februari 1975, afgelopen maandag 39 jaar geleden. Bij leven en welzijn heeft Oum - moeder is dat letterlijk – bijna vijftig elpees gemaakt in de periode 1925-1975. Mijn tweede van haar schalt door mijn flat en voor wie met me mee wil doen, zijn hier de elf nummers:
01. Rohi Wa Rohek
02. Ya Ma Amar Elforaq
03. Yalli Gafak Elmanam
04. Charraf Habib Elqab
05. Khassamatni
06. Mahtar Ya Nas
07. Ya Fayetni
08. Ya Qalbi Kan Malek
09. Youm Elhana
10. Koli Mayezdad
11. Elli Habbak Ya Hanah
Vang me niet op een letter in de bovenstaande opsomming; ik ben blanco, als het om Oum’s taaltje, Egyptisch, gaat. Nummers als bijv. “Yalli Gafak Elmanam” of “Mahtar Ya Nas”, ze zeggen me weinig of helemaal niks en toch vind ik ze iets hebben. Het is wel aanpoten, voor niks gaat hier de zon op. Toen ik enkele jaren terug naar Arabische landen ging, zoals Marokko, Syrië en Jordanië, ben ik wel eens voorzichtig begonnen aan een beginnerscursus Arabisch op het internet. Maar zelfs maar een beetje beklijven doet zo iets niet. Wel denk ik er nu serieus over om via de cd-bieb in Rotterdam nog enkele andere cd’s van Oum Kalsoum en van soortgelijke artiesten buit te gaan maken.

Op de cd-afdeling van El Corte Inglés heb ik voor de zoveelste keer ook weer eens gekeken of er nog cd’s van Mary Sánchez te koop waren, het boegbeeld van de volksmuziek hier. Helemaal niks lag er, nada de nada, trouwens ook bij mijn diverse bezoeken aan Daily Price winkels ving ik tot dusver meestal bot. Ik heb helaas nog steeds niet meer dan negentien nummers in huis. Een cd-tje met tien nummers zingt ze vol met Los Bandama als begeleiders: “Canarias en sol mayor”. Op een andere, “Canarias canta 2” vult ze helft van de plaat, de andere vijf nummers komen van Olga Ramos. En dan is er nog eentje samen met Los Gofiones, “Los Gofiones y Mary Sánchez cantan a Nestor Álamo 1”, waarop vier nummers van haar staan.
De laatste keer dat ik Mary Sánchez in het echt zag, is alweer een jaar of vier terug, toen ze het carnaval hier op Santa Catalina mocht openen met een verhaal over vooral haar jeugd in de stad. Daarvóór ben ik haar eens tegengekomen op Las Canteras bij een optreden van Los Panchos daar. De locale diva wordt er trouwens niet jonger op met haar intussen 79 jaar. En voor wie het wil weten: bekend is Mary Sánchez al vanaf de jaren 50, toen ze, zoals dat heet, ontdekt werd door componist Néstor Álamo, die in al die jaren heel wat muziek voor haar schreef. Sinds 2005, het jaar dat ik hier voor het eerst ’s winters bivakkeerde, staat zelfs een bronzen beeld van haar op Las Canteras, gemaakt door Ana Luisa Benitez.
Als ik één nummer hier eruit mag lichten, kom ik haast automatisch op haar versie van “Pasodoble Islas Canarias”, het inofficiële lijflied van mijn eilanden. Dat kan zelfs ik meehummen.

De zondag stond bij jullie meer dan bij mij in het teken van het uitroepen van Prins Carnaval van “Groet Mestreech”. Helaas kon ik hem, dan nog onherkenbaar verkleed, niet verwelkomen op mijn vaste stek: hoek Grote Staat en Spilstraat. Ook de Markt moest het alweer zonder mij doen. Maar wat was het volgens een internetbericht in de Limburger poepie druk, En wie werd op het schild gehesen? Niemand minder dan de uitbater van café “In d’n awe Vogelstruys” aan het Vrijthof, Henri Hochstenbach. Als de krant het zegt, zal het waar zijn: hij gaat de komende weken, tot 4 maart om middernacht, door het leven als Prins Henri d’n Ierste. Mijn vraag vanuit Las Palmas: spreek je dat “Henri” uit als Henrie of als Horrie?

Woensdagavond zag ik op een muur bij Playa Chica een uitspraak van Nelson Mandela “die me wel wat deed”. Weten jullie dat ik hem, toen ik voorzitter was van Studium Generale in Maastricht, nog eens naar Maastricht heb willen halen voor de lezing van het jaar (genoemd naar Sjeng Tans?) Hij was toen nog niet zo heel erg beroemd, was nog met Winnie en net uit de gevangenis. Ik herinner me dat de baas van Studium Generale, Jacques Reiners, het me toen met alles wat j=hij in zich had, uit mijn hoofd heeft proberen te praten. Een brief naar Zuid-Afrika is nooit verstuurd.
We waren bij de uitspraak van Nelson Mandela, die hij ongetwijfeld niet in het Spaans gedaan heet. Niettemin, ik zag hem staan in het Spaans en dan geef ik hem ook zo door aan jullie.
Si no hay comida, cuando se tiene hambre
Si no hay medicamento cuando se está enfermo
Si hay ignorancia y no se respectan los derechos elementales de las personas
La democracia es una cáscara vacía, aunque los ciudadanos voten y tengan parlamento
Horen jullie het eens van een andere. Terzijde, als je hier je “cáscara” niet op hebt, als je op je motor of brommer door de stad rijdt, krijgt je, als je door de politie betrapt wordt, behalve een bekeuring ook drie strafpunten. Zit je op twaalf of hoger, dan ben je je rijbewijs een tijdje kwijt.

Wat voor mensen van mijn leeftijd de boeken van Kuifje en Lucky Luke zijn, zijn hier de legio boeken met tekeningetjes van Mafalda. Een vergelijking met de Amerikaanse Peacocks is wellicht beter dan met Tintin of de Daltons. De strips van meisje Malfalda komen uit Argentinië, maar worden, als ik het wel heb, ook in Las Palmas nog altijd driftig gelezen door zowel de kleintjes als degenen die ze voor de kleintjes aanschaffen. Dan kan het haast niet anders of er moet ook een kinderopvang met die naam zijn, een “Escuela Infantil Mafalda”. Van een folder van die school ga ik mijn Spaanse lesje maar eens maken. Hier is alvast de inleiding:
“Con más de 40 años de experiencia en la educación de los niños “Mafalda” dispone de unas amplias y adaptadas instalaciones, en una zona muy tranquila y con amplios espacios al aire libre. Un programa educativo integral que potencia el desarrollo de las capacidades del niño-a.”
Wat is het aanbod van de opvang? Waar gaat de “Escuela Infantil Mafalda” prat op?
“Servicio de recogida temprana (7.00 a las 21.00h)
-Cocina natural casera (alimentos de primera calidad)
-Huertos de aprendizaje
-Escuela de familia
-Ludoteca
-Amplia zona de aparcamiento”
En dat allemaal voor een basisprijs van 155€. Maar we zijn er nog niet, kijk vooral ook eens naar de “Pandilla Educativa”:
-Grupos educativos con profesores especializados
-Actividades: apoyo escolar, inglés, teatro, juegos deportivos, manualidades. Además de campanarios intensivos de idiomas
-Horario opcional: lunes e jueves (16.30 e 19.30)
-Edades: 2 a 12 años
-Precio: 80€ (programa completo); 30€ (por actividad)
Het kan niet op. En is de school alleen bedoeld voor de kleintjes? Nee, ¡claro que no! Natuurlijk mogen ook de familie e.d. meedoen.
-Talleres divertidos para disfrutarlos en familia
-Temas: Moda infantil con fieltro, confección máscaras y disfraces, moda infantil patchwork primavera, bisutería infantil, goma eva
-Frecuencia: mensual
-Edades: adultos y niños-as
-Precio: 20€
Voor uitgebreidere informatie verwijs ik naar www.escuelainfantilmafalda.org, maar jullie mogen ook bellen met de Recta de los Tarahales, 0034-928410375. Of zelfs de kinderopvang opzoeken op Facebook.

Rest mij nog om jullie een prettige voortzetting van deze week te wensen. Laat je zondag eens bij de Kemeleers zien, als de grootvorst van Wieck op het pleintje bij de Poshoorn gehuldigd wordt, is mijn voorstel. En verder is het van: “vaank uuch mer e beerke!” (beerke staat voor beertje en niet voor pilsje) en “welt geer neet, knasj boem, naor de pieringe” Het ga jullie voor de wind, zeker Marcel die op de veertig aan gaat. In mijn volgende brief, die ik over precies een week hoop te posten, zal ik iets over de nakende festiviteiten hier vertellen; nu is me dat nog aan de vroege kant. Gedraagt jullie, tot god, adios, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Mijn boekenbijlage begin ik deze week met het boek van de maand van El Corte Inglés. Vergelijk dat maar met de alarmschijf vroeger naast de hitparade van Veronica. Het betreft “El juego del Ripper”, het spel van de Ripper, van Isabel Allende. Ligt het in Nederland in vertaling ook al in de winkel?

Een mens heeft zo zijn voor- en afkeuren. Tot mijn rijtje favoriete thrillerschrijvers (m/v) reken ik zonder meer de uit Boston afkomstige Dennis Lehane, geboren in 1965. Hoewel hij best al een tijdje meeloopt als auteur, is zijn oeuvre relatief beperkt. Bij mijn weten heeft hij zes boeken geschreven rond het detectiveduo Kenzie & Gennaro en daarnaast vijf losstaande boeken. In 2008 kwam zijn “The Given Day” uit en wat vond ik dat adembenemend mooi. In deze rubriek heb ik het zomaar een 9 als recensiecijfer toebedeeld. En voor wie zich zo iets herinnert, ik heb vorig jaar al verteld dat ik me het vervolg daarop zeker ging aanschaffen. In 2012, vier jaar later, kwam “Live by night” op de markt en dat boek ga ik nu bespreken. Het is “live” met een i, niet met een ai, zie daarvoor blz. 22 of 363 in het boek. Het verhaal speelt, zoals dat bij Lehane hoort, in Boston, maar deze keer ook in Tampa en omgeving. We hebben het over de periode 1926-1935.
Hoofdpersoon is de jongste van de MCoughlins, Joe (Joseph), kinderen van een hoge politie-ome. Al als opgeschoten knul komt Joe in het criminele circuit van Boston terecht en samen met de broertjes Bartolo overvalt hij een clandestiene pokertafel, met o.a. Albert White en Emma Gould. Met de eerste krijgt hij in het boek nog heel wat te stellen en Emma wordt zijn vriendin. Vervolgens wordt jacht op het drietal gemaakt, een broertje dood, eentje vlucht naar Canada en Joe draait voor enkele jaren de bak in, de Charlestown Penetentiary. Daar leert hij Maso Pescatore kennen, leider van een concurrerende boevenorganisatie. Als hij de gevangenis mag verlaten, gaat Joe voor hem werken in Miami, Tampa om precies te zijn, waar hij verenigd wordt met de overgebleven Bartolo, Dion. Joe zet er, samen met Esteban Suarez, een handel in Cubaanse rum op, die hem in de tijd van de drooglegging miljonair maakt. Terzijde komt een gloednieuwe vriendin om de hoek kijken, Graciela Corrales, actief in de Circulo Cubano. Op het einde van het boek vechten Joe en zijn vrienden het uit met de groep van Albert White en ook met die van Maso Pescatore.
Heb ik het verhaaltje zo aardig samengevat? Om te laten zien dat ik het helemaal gelezen heb, alle ruim 400 bladzijden, krijgen jullie nu ook nog een aantal namen van bijfiguren: Tom Hickey, Brenny Loomis, vader Thomas Coughlin, Emil Lawson, Dom Polanski, Irving Figgis + Loretta, RD Pruitt + Kelvin Beauregard (KKK) en zoon Digger van de al genoemde Maso Pescatore. Het wordt een ware, maar enigszins met de haren erbij gesleepte slachtpartij.
Wat vind ik van het boek? Is het net als “The Given Day” van dezelfde Dennis Lehane goed voor een volle 9 als recensiecijfer? Als ik de vele krantenstukjes voor in het boek mag geloven, zeker. Ik citeer er hier uit één voor jullie, van de Minneapolis Star Tribune: “”Live by night” is, for and foremost, a great story. But it is also proof positive that Lehane’s 2008 novel, “The Given Day”, was no fluke. More than just a crime writer, Lehane is an author who works on a higher literary plane… “Live by night” is a morality tale in which, as one character notes, “no one’s good, no one’s bad”, Except for the author, who once again shows just how good he is.” En toch, vrienden van me, ben ik ietsje gereserveerder. Ik vind dat Dennis Lehane in dit boek af en toe uit de bocht vliegt, iets jet e gemakkelijk weg wil komen. De voortgang van het verhaal lijdt daar een beetje onder, er zijn mij ietsje teveel losse eindjes. Natuurlijk is “Live by night” best een spannend vervolg op “The given day”, maar het moet het met iets minder roem van mij doen. Ik geef Lehane er een 7½ voor. Ik blijf wel uitkijken naar Colorado stories uit 2006, het enige van hem dat ik nog niet heb gelezen.

Boek nummertje 2 moet ik wel haast van Rocky gekregen hebben voor op mijn e-reader. Hij is een grote fan van José Saramago en spoort me door de jaren heen aan om weer eens een boek van die Portugese auteur te lezen. De schrijver is van 1922 en overleed in 2010, maar enkele jaren terug, op eiland Lanzarote hier vlakbij. Daarachter zit dat Saramago als auteur in Portugal compleet leek te hebben afgedaan, toen hij in 1991 zijn “Bijbel van Jezus Christus” publiceerde, dat een iets vrolijkere kijk op “het meest gelezen boek” geeft. Het staat in Maastricht bij mij in de boekenkast. Met name het katholieke volksdeel liep toen zo erg te hoop dat José Saramago verhuisde naar de Canarische eilanden. Van daaruit ging hij wel gewoon door met schrijven, ook van het boek dat ik nu bespreek, “Alle namen” uit 1997. Het jaar erop, in 1998, kreeg hij in Noorwegen de Nobelprijs voor literatuur uitgereikt.
Het is het verhaal, tegen de 300 bladzijden, van een ambtenaar bij het algemeen archief, van de burgerlijke stand (in een onbekende stad). Hij heet meneer José, is 50 en is een van de acht schrijvers, waarboven vier klerken staan, daarboven twee souschefs en aan top van de piramide de chef. In zijn vrije tijd verzamelt hij op het archief gegevens over beroemdheden tot hij op een dag per ongeluk ook de persoonskaart van een onbekende 36-jarige vrouw mee naar huis neemt. Achter haar gaat hij dan ook aan. Hij spreekt o.a. met een oudere vrouw die haar van vroeger kende, hij breekt in bij de school waar ze heeft gezeten, doet navraag in vroegere buurtwinkels. Dan blijkt dat ze net overleden is. Waarop hij zich naar de begraafplaats begeeft en me kennis laat maken met de personele overeenkomsten en verschillen tussen het archief en de begraafplaats. Enz., enz. Ik zit de inhoud van het boek aardig te verklappen en dus houd ik er nu mee op. Overigens, meneer José doet in een schriftje zelf keurig verslag van zijn naspeuringen.
José Samarago schrikt niet terug voor af en toe wat lange zinnen, maar ze komen wel steeds op hun pootjes terecht. In het boek houdt hij aardig vol dat het leven meer uit toevalligheden bestaat dan wij mensen voor mogelijk houden. Besluiten serieus motiveren doen we vaak na afloop met zogenaamde ronde, kloppende redeneringen.
Net als de eerdere boeken die ik van José Samarago heb gelezen, vind ik ook dit weer best te pruimen, maar heel apart is anders. Het kabbelt mij iets te vrolijk weg zonder dat ik er erg wijzer van wordt. Het gaat naar huis met een 7, best een acceptabel cijfer, maar een Nobelprijs zou ik er niet aan vergeven.

vrijdag 31 januari 2014

Wevblogbrief 9.18, 31 januari 2014

Weblogbrief 9.18, 31 januari 2014

Hola, dat gaat zo maar niet! “¡Eh!, eso no se hace.” Of wat vinden jullie van het laag bij de grondse “¡Hola, hola!”, nou moe! Dat zijn allebei in ieder geval originelere openingen dan “¡Hola!, ¿qué pasó?” of “queridos amigos y familia”. Ik ben toe aan mijn eerste volwassen brief van deze winter, nummertje 9.18, als het gepermitteerd is. En eindelijk, eindelijk gaan we in Maastricht op de carnaval aan. A.s. zondag wordt de nieuwe prins van de Tempeleers uitgeroepen en ik weet nu al dat hij, als hij de markt opkomt, bij een hele bups mensen bekend zal zijn; kijk maar eens op Facebook zondag tussen de middag. Hier in Las Palmas is het wel nog twee weken geduld hebben, tot 15 februari. Aan de andere kant, in het weekend na onze carnaval is hier wel nog het nodige te beleven.
Kennen jullie het winnende liedje van dit jaar nog steeds niet? Dan wordt het wel tijd om het te leren. Leon Aarts en Roger Villevoye hebben het de titel “Gekleurd op stap” meegegeven, waarschijnlijk omdat “Roed, geel en greun” al eerder vergeven was aan Frans Theunisz. Of het nummer veel voorstelt, nou, eigenlijk niet, maar voor de “die-hards” heb ik hier het begin van een variant op de tekst paraat. Hoe erg hij klopt, weet ik zo net nog niet, maar met een “zaat hermenieke” erachter is het net vol te houden: “Koed, sjeel en meu, al dat gespring deit miech pijn aon m’n veu”.

Niettemin, bij het weekend van het “oetrope, es de groeten onbekende vanoet de Spèlstraot de Merret op kump kachele” hoort wel muziek uit mijn geboortestad. Even denken... Dan vraag ik nu jullie aandacht voor The Walkers. Maastrichtser kan haast niet. (Walkers? Lopers? Klaplopers zullen ze bedoelen.) De groep is in 1963 ontstaan uit de Mosam Skiffle Group, met Jean Innemee als boegbeeld. Tien jaar later werd zijn broer René ook lid van de groep, tot eind 1979 toen The Walkers weer ophielden te bestaan. Anders gezegd: het is een groep geweest die in Maastricht in omgeving actief was in de jaren dat ik in Amsterdam woonde. Hun muziek was min of meer country en zo waar had de groep één hit: “There’s no more corn on the brazos”. Brazos? Dat zijn niet alleen de armen aan je lijf, maar ook van een rivier of zee. Op een verzamel-cd van The Walkers, die de naam Hitstory of History heeft meegekregen, het jaar van uitgave weet ik niet, staan achttien best te pruimen nummers. Hier zijn ze:
01. There’s no more corn on the brazos
02. Oh lonesome me
03. Dance of love
04. Telephone blues
05. Go down old Hannah
06. Don’t mess with mama
07/ I’m almost done
08 Taboo
09. Indian dance
10. I wasn’t born in Tennessee
11. High time we went
12. I adore her
13. Memphis Tennessee
14. I’ve got a tiger by the tail
15. My darling Helena
16. Jack O’Diamond
17. My sweet Rosalie
18. Ooh aah song
Van de andere nummers, naast de “Brazos”, noem ik hier speciaal “Oh lonesome me” (Don Gibson) en “Memphis Tennessee” (Chuck Berry). En dan zijn er de eigen nummers van The Walkers, zoals “High time we went” en ”Don’t mess with mama”. Het beste nummer van de achttien vind ik met een bel erbij “I’m almost done” en hoor ik daar een voorloper van Tren van Eckevort op de trekzak? Het zal toch niet waar zijn.

Nou zijn er zeker mensen onder jullie (niet: boven jullie) die al dat Maastrichtse gedoe maar knap waardeloos vinden. Enkel en alleen om ook die “iets” te gunnen wijk ik nog eens uit naar onze (voor mij alleen in de zomer) oosterburen. Ergens in het centrum van Duitsland ligt de stad Göttingen, waar Herbert Grönemeyer in 1956 het levenslicht zag. Vanaf halverwege de jaren 80 werd de man een overbekende Duitse muzikant, te beginnen met zijn album “4630 Bochum” in 1984 en daarna volgde nog een cd of twintig. Ik heb er zelf acht van hem en om nou te zeggen dat ik met de Duitse gekte meega, nee. En toch, zijn cd “Mensch” uit 2002 vind ik boven verwachting in orde. Hier zijn de nummers:
01. Mensch
02 Neuland
03. Der Weg
04. Viertel vor
05. Lache, wenn es nicht zum weinen reicht
06. Unbewohnt
07. Dort und hier
08. Blick zurück
09. Kein Pokal
10. Zum Meer
11. Demo (Letzer Tag)
Wat zal ik over “Mensch” verder delibereren? Die cd van Herbert Grönemeyer, met liedjes als het titelnummer “Mensch”, “Unbewohnt”, “Blick zurück” en vooral “Der Weg”, hoort voor deze criticaster wel thuis in het rijtje cd’s in het rekje naast jullie cd-speler.

Deze week begon afgelopen vrijdag, toen ik nog op de universiteit was. Ik vergewiste mij er er plekke van dat Don Everly, de oudere broer van Phil, niet ook of zelfs eerder was gaan hemelen, want dan had ik hem in een adem met Phil moeten uitluiden in mijn vorige brief. Het beroemde duo bestaat immers uit Don als leadzanger en met Phil voor de harmony. Terecht schrijf ik in mijn vorige brief “The air that I breathe” (met breathe op het einde en niet breeze) vooral aan Phil toe; de bijdrage van Don daaraan is beperkt. Of het zo moest zijn, keek ik vervolgens op You Tube naar een documentaire van bijna 43 minuten over de Everly Brothers. Belangrijke mensen in hun muzikale leven waren bovenal vader Ike en gitarist Chet Atkins. Nogal wat van hun tophits zijn geschreven door het echtpaar Boudleaux en Felice Bryant; die mag ik hier niet vergeten. Hun hoogtijdagen vierden de Everly’s in de jaren vlak voor en na 1960, daarna werd het, mede door de British wave die Amerika overspoelde, minder. In de periode 1973-1983 probeerden Don en vooral Phil het solo, zonder succes, en daarna kwam nog een aantal jaren een opleving als duo op leeftijd. Als ik het over begin van de rock & rolltijd heb, spelen de Everly Brothers daarin m.i. een prominente rol.

De stap van de Everly’s naar het Castillo de la Luz is kleiner dan jullie denken. Je hoeft bij de universiteit maar in stadsbus 12 te stappen en je bent er binnen een half uurtje. In het park nam ik een leespauze, voordat ik om 8 uur naar uitspanning Tasquita Cambullonera mocht marcheren, waar ik met Noé had afgesproken. Ik ben altijd ietsje te vroeg en hij ietsje te laat, maar even voor half 9 zaten we samen aan de Paulaner met ook nog een viertal goede vrienden van hem (en een beetje van mij): Agu 1, Agu 2, David en Nene. Van het clubje kreeg ik een paar andere woorden voor oudere mannen (“mayores”) mee: “señores”, maar dat kennen jullie in Nederland, maar ook “carrozas” en “puretas”. Ouwe zakken lijkt me daarvan een correcte vertaling. En ik dacht toen ineens: bestaat er niet een uitdrukking: nieuwe wijn in oude zakken? Helaas het is omgekeerd: “vino viejo en odres nuevos”, oude wijn in nieuwe zakken. Als extraatje geef ik dan maar “una joven carroza”. Dat is een jongere oudere, schertsend, staat erbij in mijn woordenboek

De crisis dringt hier door tot in de kleinste hoeken en gaten. Agu 1, voluit Agustino, heeft doorgeleerd voor wiskundige en werkt sinds jaren hier voor een naar verhouding kleine bank. Hij heeft er een vast contract en dat is niet niks. Zo is hij, tenminste zolang als de bank hier bestaansrecht heeft, verzekerd van een baan op de Canarische eilanden. Donderdagmiddag, op de dag voordat ik hem zag, werd hem pontificaal meegedeeld dat hij vanaf de vrijdag in Aldea moest gaan werken. Nu heeft dat plaatsje van niks aan de westkant van Gran Canaria een pracht van een rumfabriek, maar vanuit Las Palmas erheen en terug rijden met de auto kost hem twee keer anderhalf uur. Na het weekend gaat hij maar eens zijn uitgebreide beklag doen bij zijn baas, maar of het helpt, staat zeer te bezien.

Nu ik toch over banken bezig ben, overal op de beste plekken hier zie je vestigingen van die foute handel, met ook nog eens op de diverse ruiten de nodige (e)slogans. De ING ligt op twee van de beste punten van de stad, bij het theater en bij El Corte Inglés en adverteert met de kleur oranje, om de mensen over te halen daar hun geld daarheen te brengen. En allemaal hebben ze hun motto; hier is dat van een aantal Spaanse banken. De BBVA heeft het over “crédito”, Sabadell Atlántico over “tu cocinas”, Banco Popular over “invertir”, Bankinter over “tranquilidad”, Bankia over “volver a ganar” en (ik doe ik ook een buitenlandse) Barclays over “respaldo”. Om jullie op het verkeerde been te zetten, heb ik wel de diverse motto’s door elkaar gehusseld. Hebben jullie ook maar enig idee wat bij wat hoort? In de goede oude tijd van voormalig reclameman Heinz Polzer (drs P) had reclame nog van doen met productvoorlichting, maar die tijd is echt finito. Ik doe er nog een: “No 1 en líneas ico para pymes y autónomos”. (ICO is de nationale kredietbank en PYME staat voor het midden- en kleinbedrijf.) Hebben jullie ook maar enig idee van welke bank die is?

Zondagmorgen zat ik veel te vroeg gereed om Lux te feliciteren met haar vierde verjaardag. Dus kreeg ik eerst het begin mee van de “maratón de Las Palmas 2014”. Daarvoor kon ik op mijn balkon blijven zitten. Om half 10 draaide de zwarte kater van een overbuurman op zeven hoog – zijn moede hoofd in de richting van Santa Catalina, op het punt waar het plein overgaat in de Sagasta. Zo waar begonnen daar allerlei mensen ineens te schreeuwen en te klappen. Kennelijk waren de eerste marathondeelnemers toen net voorbij gekomen. “Vamos”, ging het ook door de Luis Morote en vanaf het balkon was ik toeschouwer.
Toen was het tijd om Lux te bellen. En piepjong als ze nog is, we hebben door de telefoon een aardig woordje kunnen wisselen. Een beetje hyper was ze wel, net als haar moeder trouwens, omdat haar was toegezegd dat die dag haar grote dag zou zijn. En dan heb ik het een taart met vier kaarsjes, sloten appelsap en te veel cadeautjes in fantasierijke verpakking. Mede namens mij kreeg ze van Trudie – uiteraard present – een prinsessenhuisje van Playmobiel.
Toen Lux en ik waren uitgediscussieerd, mocht ik buiten hier een kijkje gaan nemen. Op mijn hoek, Santa Catalina en Sagasta, had zich een 18-koppige muziekgroep genesteld die – met o.a. timples, gitaren en trommels – allerlei volksmuziek ten gehore bracht. En de dames met strooien hoeden op maar kwelen. Enkele nodigden zo waar mannelijke omstanders uit voor een dansje. Zo ver heb ik het niet laten komen; een mens moet wel zijn plaats weten.
De hele middag heb ik in mijn boek zitten lezen. Laat ik alvast verklappen dat het van Ken Follett en van 2007. Het heet: “World without end”. Die titel vind ik niet helemaal passen, maar hij komt van bladzijde 882, waar een monnik zijn psalm eindigt met de woorden: Glory be to the Father/And to the Son/And to the Holy Ghost/As it was in the beginning/Is now/And ever shall be/World without end/Amen. Tussendoor heb ik nog twee wassen gedraaid. Zeg je dat zo: een was, twee wassen? Of is het dan wasjes?>BR> Om 6 uur was ik toe aan mijn wandeling langs de zee. Het aantal joggers was deze keer miniem, in ieder geval stukken minder dan normaal. Dat krijg je ervan, als je ze ’s ochtends een oeverloze afstand laat rennen; dan zit er dezelfde avond weinig schot meer in. Bij het kienhuis bij Ferreras stond beneden een groep mensen druk te keuvelen, terwijl twee ukkies van zeg twee jaar, een jongen en een meisje, langzaam maar zeker de schuine helling van zo’n vijftien meter waren opgedrenteld. Nu stonden ze boven te wachten op een startsein, tot een van de volwassenen “Op de plaats, klaar, af” riep, maar dan in het Spaans. Volgens mij zei beneden de Canariër met het denkbeeldige knakkerpistool: “Separado, listo, ya”, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. Hoe dan ook, daar ging het miniduo. Het kwam werkelijk in een sneltreinvaart naar beneden, gadegeslagen door intussen tientallen supporters, onder wie ondergetekende. Een mooie race!

Voor de maandag heb ik een opschrift op een T-shirt voor jullie. Op weg naar de Spar kwam ik een jongedame tegen met een bijzonder opschrift op haar prominente voorgevel. Als daar had gestaan: “ik ben de kwaadste niet” of op zijn Spaans: “no soy mal tipo”, had ik dat aardig gevonden, maar te weinig om aan jullie door te geven. Echter, er stond in dubbelzinnig Engels: “NO HARD FEELINGS” en dat is en blijft andere kost.

Ik ben een man van gewoontes, wie niet trouwens. Televisie kijken is iets dat ik in Maastricht wel doe, maar hier in Las Palmas niet, zelfs al heb ik er een in de tussenkamer staan. Heel sporadisch zie ik op een terras wel eens een (deel van een) voetbalwedstrijd, zoals bijv. Ajax-Barcelona in de Amsterdam Arena.
Films volgen in het Spaans gaat me nog steeds niet gemakkelijk af en rolprenten in de oorspronkelijke taal zijn haast verboden. Voor alle speelfilms wordt hier een hoorspelteam ingehuurd, zoals overigens in de meeste landen. Als ik er dus al eentje kijk, is het bij voorkeur per DVD in het Engels. De laatste keer dat ik achter mijn laptopje er een zag, was meer dan een maand terug, “Un día inolvidable”, hoe hij in het Engels heet, ben ik even kwijt. “Hiel sjoen”. Ik zal hem meenemen naar Maastricht, dan kunnen liefhebbers hem daar van me lenen.
Afgelopen maandagavond was het, vond ik, weer eens tijd voor amusement op mijn computer. Om kwart voor 9 ging ik er eens goed voor zitten en startte de DVD van “Sequestrada”. Hebben jullie nog nooit van die film gehoord? Hij is van 1993 en heet in het Engels “The Vanishing”. De regisseur heet George Sluizer en dat klinkt mij heel erg Nederlands in de oren. Het verhaal is gebaseerd op het boek “Het gouden ei” van Tim Krabbé. (Die ken ik nog van zijn fietsprestaties in het Amsterdamse Coronel Laboratorium in de jaren 70 en uiteraard van zijn boek “De renner”.) De hoofdrollen van “The Vanishing” zijn - of liever waren, want de opnames waren meer dan twintig jaar terug - voor Jeff Bridges, de boef, en Kiefer Sutherland, de vriend van het slachtoffer. Voor de belangrijkste bijrollen tekenen slachtoffer Sandra Bullock en de nieuwe vriendin van “Kiefer”, Nancy Travis. Ik ga het verhaal hier niet verklappen en volsta ermee te vertellen dat de overgeblevenen van de vier op het einde het drinken van koffie compleet hebben afgezworen. Alweer vind ik het een heel acceptabele film (maar niet zo “sjiek” als “Un día inolvidable”. Ik zal hem als “second best” in mijn koffer proppen die over drie weken meegaat naar het Maastrichtse carnaval.

De dinsdag moet het doen met een niemendalletje. Bij mij beneden op het terras van Carlos zit die middag een “negerse” (woord van Trudie) met een dito jongetje dat kennelijk zijn flesje prik al op heeft. Op zijn T-shirt staat met grote letters: AFRICA VIVE. Zou hij weten hoeveel leed uit het verleden daarachter schuilgaat?

Woensdag (“anteayer” in het Spaans) was het hier geen best weer, met af en toe een regenbui en wat waaide het. Om de gewrichten soepel te houden ging ik op het einde van de middag toch op pad, naar de Carrefour in winkelcentrum Las Arenas voor een portie “callos” en twee porties “morro”. Voor de vertaling van “callos” verwijs ik naar eerdere brieven; voor die van “morro” kunnen jullie ook verderop in deze brief terecht. Onderweg langs de boulevard, vlakbij het speeltuintje bij Las Arenas en de flat van Noé, zag ik dat daar twee cafés vernieuwd zijn. Die heten nu respectievelijk El point (of zo iets, ik vind het opschrift maar onduidelijk) met ernaast Diecisiete Pecados, Zeventien zonden. De zaak was gesloten vanwege het harde waaien, maar ik moet Noé toch eens vragen of hij weet waarom Zeventien zonden zo heet. Daar in de buurt bij Noé is het trouwens vergeven van de graffiti op muren en schuttingen. Een al wat oudere grote spuitbustekening is een heel aardige kopie van het “Poema Del Atlántico” van de Canarische schilder Nestor Martin de la Torre. Aan de man is bij Parque Doramas zelfs een museumpje gewijd, waar ik, met Trudie geloof ik, wel eens geweest ben. Het museum is best de moeite waard om eens heen te gaan, maar dan moet je hier wel in de buurt zijn.
Op de terugweg kwam ik, met een aantal boodschapjes van de Carrefour in mijn “bolsa”, langs de HiperCor op de Guanarteme. Even dacht ik: dit is mijn kans om te kijken of er soms mijn Schweppes Naranja Zero ligt, maar ik liep wind tegen en dus maar door. Wel sloeg ik in de Ripoche nog een behoorlijke pot sterke Dijonmosterd in bij de Arabier, voordat ik weer op mijn balkon mocht plaatsnemen.

En dan was er nog gisteren, Trudie’s grote dag dat ze 64 werd. Ik heb haar aan het begin van de avond gebeld en ze vond het nog leuk ook. Het huis in Maastricht-Oost (Randwiek) zat vol met “de femilie”. “Iech bin d’n nisjeke” of “Gekleurd op stap” hoefde deze “novio” door de telefoon niet voluit te zingen; er moest in Maastricht met drank en eten rondgegaan worden en dat had even voorrang. Terzijde, ik wil ik het toetje proeven dat Damaris had gemaakt: taart met witte en bruine chocolade, best eens proeven, als ik in Maastricht ben. Marcel’s eega hoort in het rijtje thuis van Ans en Marja, de keukenprinsessen van Trudie’s familie. Over het cadeautje van mij hebben we het nog even gehad, maar ze heeft het te druk met haar werk gehad, beweert ze, om al een keus te kunnen maken. “’t Kump”.
Verder stond de 30ste januaridit jaar vooral in het teken van mijn middagmaal. Na het hebben gedoucht trok ik eerst de polo aan die Trudie zoveel jaar geleden voor me in Malaga gekocht heeft, een rode Lacoste (met het krokodilletje), en daarna was eerst het tijd om een verrukkelijke salade te fabriceren. Een mens kan niet zonder groente op zijn tijd en met de vitamines en mineralen uit een Kruitvatflesje is het maar behelpen. Men neme drie sappige tomaten van het eiland en een grote, rode paprika. Die worden alle vier eerst gewassen en dan in kleine stukjes gesneden en in een kom gedaan. Doe daarbij twee in kleine stukjes gesneden witte uien, die volgens Trudie niet gewassen hoeven te worden. Voeg olie, azijn en peper toe en de salade is kant-en-klaar en uit de kunst, kan zo op tafel. Hij is goed voor zeker drie eetbeurten.
Op Trudie’s verjaardag bestond mijn verdere hoofdmaaltijd uit foutloos opgewarmde tête de veau, de originele, in een rode saus: “morro guisado”. Dat “guisado” staat volgens mijn woordenboek voor gestoofd. Ik at er overheerlijk Duits brood bij en sloot af met twee kleintjes volle yoghurt.

Op een einde van een middagrondje vorige week kwam ik langs het Pauluskerkje bij de Ripoche en wie ben ik dat ik daar dan niet toch eens even naar binnenloop. Bleek ik midden in een mis terecht te zijn gekomen, die net aan de consecratie toe was. Enkele tientallen gelovigen zagen een man van God in kazuifel net een flinterdun stukje brood breken en daarna een beker met miswijn de lucht in tillen. Dan ben zelfs ik, toch de antichrist, even stil. Niet lang nadat het wonder was voltrokken, klonk het “ite, missa est” en mocht ik me weer in het wereldse storten. Wel snaaide ik bij de kerkuitgang, altijd met twee zijdeuren en nooit eens één grote middendeur, nog een folder mee. Die behelsde de kerkelijke variant van “kinderen voor kinderen”, “los niños ayudan a los niños”. 26 de enero de 2014, jornada de la infancia misionera”. De “obra pontificia infancia misionera” erin geeft me genoeg munitie voor een Spaans lesje, dus dat komt er nu aan.
“Es una institución de la iglesia universal para promover la ayuda reciproca entre los niños del mundo.” Reciproca? Niet zeuren, laten we verder gaan. “Nació en 1843, por iniciativa del obispo francés Forbin-Janson, que invitó a los niños de su diócesis a colaborar con sus hermanos de China. Desde 1922 tiene el rango de obra misional pontificia, garantía de su plena eclesialidad. En ella participan miles de niños de los cinco continentes.” Ik heb er Harry naar gevraagd en die weet er echt alles van. In zijn boek over Ferdinand Hamer en de missie in China wordt aan de Heilige Kindsheid een heel hoofdstuk gewijd. En wat doet ze? “(La infancia misionera) informa de las condiciones de vida de los niños que nacen y sobreviven en los países más empobrecidos y necesitados, ayuda a colegios, parroquias y movimientos en la formación misionera de los niños, y promueve la participación de estos en actividades de cooperación y – het kan niet op – envía íntegramente a los misioneros los donativos para la ayuda de los niños más necesitados.” Vorig jaar is door de Kerk met een hoofdletter bijna 22 miljoen dollar opgehaald, waarvan 10% in Spanje. Rest ons, jullie en mij, om nu naar onze bank te internetten en de nodige eurootjes, liefst maandelijks, te storten op rekening van de OMP, de “obras misionales pontificias”.
Om in stijl te blijven eindig ik met een citaat van niemand minder dan de heilige Franciscus: “No os canséis de educar a cada cristiano, desde la infancia, es un espíritu verdaderamente universal y misionero, y de sensibilizar a toda la comunidad para que sostenga y ayude a las misiones.”
En daar moeten jullie het in deze brief maar voor doen. Ik zit op 31 januari vandaag, de verjaardag van Rik en vier voor die van Marcel. Daarbij zit ik precies op de helft van mijn negende winter hier. Jullie zijn benieuwd naar de tussenstand? De afgelopen maanden zijn me best bevallen. Aan de andere kant wordt het langzaam aan tijd om mijn gezicht weer eens in Holanda te laten zien, en me – hopelijk samen met jullie – in het Maastrichtse carnaval te begeven. Het is nog 3½ week hier van het betere weer genieten en dan kom ik eraan. En mag ik dan nu naar de universiteit om deze brief te versturen? Verwacht de volgende pas over zes of zeven dagen, niet eerder. Toedeloe, hasta la vista, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Het kon niet uitblijven, afgelopen dinsdagavond had ik “World without end” van Ken Follett uit. Het boek is van 2007 en ik kocht het op de rommelmarkt hier, bij Pedro Jorge, een van de aardigste verkopers daar, met zijn “Librería de cine y libro usado collecctonismo” De schrijver is van 1949, uit Wales en zijn boek, dat in de veertiende eeuw speelt, is daar ook ergens gesitueerd, vooral in het stadje Kingsbridge.
Ik heb het boek, 1237 bladzijden op bijbelpapier, in ruim een week gelezen oftewel in bijna 150 bladzijden per dag. Laat ik hier eens over mijn kennis van Engelse woordjes schrijven. Die is best in orde, maar af en toe heb ik toch behoefte om een woordje even op te zoeken. En als je over de duizend bladzijden voor je kiezen krijgt, telt dat toch aardig op, zelfs als je direct doorhebt wat “lay with” betekent. Hier is mijn Engelse opzoeklijstje: aisle, bailiff, barley, blithe, cockerel, coerce, currant, congress, debauchery, deference, defiance, frumpy, gloat, harrow, hemp, heriot, hubbub, indignant, jilt, josh, Lent, lofty, madder, mitten, ostler, parapet, parched, parchment, pike, predatory, reap, renege, sentry, serf, snit, spire, squire, tankard, trencher, wench, Whitsum, wily, wimple, woo. Ik kom, netjes geteld, tot 44 keer een woordje opzoeken, maar ik wil hier best ook toegeven dat ik bepaalde onbelangrijke woordjes, die ik (niet goed) kende, toch maar niet heb opgezocht. Zijn er veel woordjes tussen die jullie wel weten? (Ada, dat lijkt me iets voor jou om je kennis van Engelse woordjes te toetsen.) En mag ik dan riposteren dat er waarschijnlijk ook een aantal is dat jullie niet weten en ik wel?
Moet ik nu de inhoud van “World without end” gaan verklappen. Nee, dus. Laat ik wel vertellen dat het boek speelt in de jaren 1327, 1337, 1338-39, 1346-48, 1349-51 en 1361. Wie vooral in futuristische literatuur geïnteresseerd is, zal aan het boek geen boodschap hebben. Het begint met een bijeenkomst van vier kinderen en een jongvolwassene in 1327. De volwassene is een ridder, die een brief van koning Edward II in het bos gaat verbergen. De vier kinderen zijn de broertjes Merthin en Ralph en de meisjes Caris en Gwenda. Merthin wordt later bouwmeester, Ralph ridder, Caris verpleegkundige en Gwenda boerin. En om hen heen treffen we mensen van echt allerlei slag aan, zoals de abten Anthony, Godwyn en Philemon, heel veel gewoon volk, dokters en andere medisch geschoolden zoals Cecilia, Mair, Mattie, Matthew en Martin, de nodige edelen en ridders en ga zo maar door. Op het einde van het boek, in 1361, zijn de vier kinderen vooraan in de veertig. Mensen van nog veel oudere leeftijd zijn er haast niet; bijna iedereen boven de vijftig is aan zijn laatste jaren bezig. Enne... rond 1350 en 1360 zijn er epidemieën van “la moria grande”, de pest.
Vooral het contrast tussen de universitaire dokters, in het boek ook geestelijken, en de andere mensen die met ziekte in de weer zijn, heeft mij bijzonder getroffen. In mijn gedachte waren de anderen zeer ondergeschikt aan de dokters, maar in dit boek is evident het omgekeerde het geval. De dokters blijven volharden in purgeren en aderlaten en dergelijke, daarbij terugvallend op theorieën over de verschillende lichaamssappen. De anderen zoals de kruidenmengsters, bottenzetters, chirurgijnen en vooral verpleegkundigen en ziekenverzorgsters komen veel praktischer over. Zij bepalen hun therapieën en ook preventie vooral aan de hand van wat ze in het recente verleden zelf meegemaakt hebben of in handzame boekjes hebben gelezen. Een verademing, denk ik dan!
Wie een boek van ruim 1200 bladzijden in een week uitleest, kan niet anders dan concluderen dat het een pracht van een boek is. Ken Follett heeft met zijn historische verhaal een meesterwerk geschreven, vrees ik. Zijn “World without end” vind ik goed genoeg voor een dikke 9, een 9+. En uiteraard ga ik t.z.t. de voorloper van dit boek: “The pillars of the earth” ook lezen. Ik hoop maar dat ik dan ietsje minder woordjes hoef op te zoeken. En laat ik dat boek nu in het Nederlands op mijn e-reader hebben staan. Deze zomer moet het eraan geloven.

En dan had ik vervolgens best een leespauze kunnen gebruiken. Maar hoe gaat het? Je hebt een mooi boek uit en je kijkt in de kast en op je e-reader naar wat er vervolgens komen gaat. Vooruit, dacht ik woensdagmorgen, laat ik weer eens een boek van Heleen van Royen nemen. Ik opende op mijn e-reader “Vulpen”, blijkt dat maar 17 bladzijden dun te zijn, niet meer dan 1,3 % van “World without end”. Ik heb het over zegge en schrijve elf stukjes over haar ontmoeting met een bekende schrijver, wie blijft in het ongewisse. In een hotel in Lelystad komt puntje bijna bij paaltje en dat was het dan. Het is mij eerlijk gezegd te weinig om iets van een oordeel over te vellen.

Gelukkig vind ik op mijn e-reader nog een ander boek van Heleen van Royen, alweer geen epos , maar even goed deze keer wel 180 bladzijden. Dat kan net ermee door. Het heet “De naaimachine”, met als ondertitel Heleen van Royen over moederschap. Je kunt van deze jongere uitvoering van Yvonne Kroonenberg veel zeggen, maar soms zijn haar stukjes best leuk. In “De naaimachine” staan er vele tientallen uit de periode 2000-2010. De royale eerste helft van het boek uit 2010 gaat inderdaad over Heleen als moeder, maar het laatste stuk is vooral over haar leven in Zuid-Portugal, samen met Ton en haar kinderen Olivia en Sam. De kinderen zijn dan al tieners.
Hoe ga je een hele serie stukjes samenvatten? Dat is niet goed te doen, vind ik. Ik volsta hier met wat kreten over de kinderen: wekkerradio (want ze halen je uit je slaap), cheek to cheek (met zo’n kleintje kun je ouderwets door de kamer dansen), bietjespotjes (als je pech hebt, lusten ze jarenlang haast niks), heitje voor een karweitje (zeer aan inflatie onderhevig) en tenslotte nog de cadeautjesrage bij een verjaardag. Net als Heleen van Royen vind ik het presentjes geven aan broertjes of zusjes van de jarige maar zo zo en aan de gastkinderen is het echt uit den boze. De schrijfster geeft eerlijk toe dat ze in haar opvoeding niet altijd even “duidelijk” en “consequent’ is; ook het met de kinderen vooraf dingen afspreken gaat haar niet goed af. Misschien dat ik het juist daarom juist een aardig boekje vind, zo eentje waar ik, na ampel overwegen, toch best een volle 8 voor over heb. Eva, Susanne, Desirée, Tanja, Mariëlle en andere dames met klein grut in huis of in wording (Damaris), dit is een werkje dat jullie je maar eens dienen aan te schaffen (of op je e-reader te zetten). De bijbehorende mannen mogen er uiteraard ook kennis van nemen.

vrijdag 24 januari 2014

Weblogbrief 9.17, 24 januari 2014

Weblogbrief 9.17, 24 januari 2014

Hiep, hiep hoera, daar ben ik weer! ¡Hip hip hurra, he venido otra vez! Die vertaling heb ik net zelf bedacht. Voor commentaar houd ik mij aanbevolen.) Zal ik het deze brief 9.17 eens zonder intro doen, gewoon beginnen met mijn dingetjes en zien waar ik uit kom? Dat moet maar eens kunnen voor een brief over een periode van maar vier dagen. Daar gaan we.

Eerst maar een “meziekske”, maar voordat ik mijn artiest van de week – het wordt een man – aankondig, heb ik eerst een minder vrolijke mededeling. Enkele weken terug al weer, op 3 januari, is Phil Everly overleden, op 74-jarige leeftijd. Hij was de helft van het fantastische close harmony duo The Everly Brothers, Don & Phil. Als verzamelaar van popmuziek heb ik zo ongeveer alles wat de twee hebben uitgevent, van “Don’t let our love die” en Keep a’lovin’ me”, gevolgd door hun grote doorbraak “Bye bye love” met op de B-kant “I wonder if I care as much” uit, wat is het, 1955-56, tot aan hun nog steeds overdonderende muziekklanken uit de jaren 90. Van Phil alleen heb ik ook een aantal platen. Ik noem hier “A portrait of Phil Everly” uit 1993 en “Rare solo classics” uit 1995 met divers solowerk. Ik gedenk hem - ik neem haast aan, mede namens jullie – met een liedje van formaat. Het nummer “The air that I breeze” staat op de cd “Sweet memories” uit 1990. Het is oorspronkelijk van de Hollies, maar wat weten de Everly Brothers, met Phil in een glansrol, er een klassieker van te maken.

En pas nu ik Phil Everly enig recht heb gedaan, mag ik naar de artiest van de week. Hij komt oorspronkelijk uit een buitenwijk van Glasgow, waar hij in 1946 geboren is (een goed jaar). De jongen werd Donovan genoemd, Leitch is zijn achternaam, en een kleine twintig jaar later mocht er, wat mij betreft, een standbeeld voor hem worden opgericht. Daarvóór was hij als kind verhuisd naar Londen, waar hij helaas polio opliep. De rest van zijn leven is hij altijd met een been blijven trekken. Als jongeman werd hij het liefje van Brian Jones’s ex-vriendin Linda, met wie hij uiteindelijk in 1970 trouwde. (En jullie gaan me nu niet vragen wie in godsnaam Brian Jones is of was.)
Voor mij was Donovan met zijn zang en gitaar en eigen muziek zeker in zijn beginjaren “het Britse antwoord op Bob Dylan”. Ik weet het, de best verkopende albums van hem waren niet de eerste, maar die erna: “Sunshine superman” en “Mellow yellow” uit 1967 en . Niettemin, ik vind vooral zijn muziek uit 1965-1966 royaal boven het maaiveld uitsteken. Zijn LP “Catch the wind” uit 1965 had, vind ik nu, zelfs in mijn album top 20 moeten staan, zo mooi zijn voor mij eigenlijk alle nummers op die plaat, zonder uitzondering. Hier zijn ze nog eens voor wie aan het dementeren of anderszins kort van memorie is, op volgorde:
Catch the wind
Josie
Jersey Thursday
Oh deed I do
Belated forgiveness plea
Colours
Sunny Goodge street
Ballad of Geraldine
Ballad of a crystal man
Universal soldier
Do you hear me now>BR> To sing for you
Hey gyp (dig the slowness)
Tangerine puppet
Turquoise
You’re gonna need somebody on your bond
The little tin soldier
Ik weet het, destijds in 1965 hadden we nog LP’s met een mooie hoes en op een plaat stonden niet meer dan twaalf nummers, twee keer zes. De andere vijf heb ik dus maar even cursief voor jullie gezet, ook “The universal soldier” (een nummer van Buffie Saint Marie, niet van ene D.P.Leitch). Dat nummer stond bij mijn ernstige weten niet op “Catch the wind” en ik vind het ook ietsje minder. En laat ik van de plaat hier vooral “The little tin soldier” nog eens memoreren; wat was en is dat een beauty!
Zijn jullie intussen toe aan de complete verzameling cd’s van Donovan? Die ga ik hier nou eens niet voor jullie opsommen. Ik verwijs daarvoor voor de variatie eens naar de Engelse wikipedia op je internet, waar de hele meute keurig op een rijtje staat. Ik heb er zo’n 20 van de ruim 30 op mijn computer. En via Henk ben ik tevens de trotse bezitter van een “unreleased collection” van ene Bradipori met een heleboel extra nummers uit de begintijd. Ik kan het niet laten om die voor jullie eens op te zetten en met de flower power mysticus de liedjes een voor een mee te brommen.
01. Catch the wind (met violen)
02. Why do you treat me like you do
03. Every man has his chain
04. Colours (Alternatieve Versie)
05. Hey gyp (dig the slowness) (AV)
06. The ballad of a crystal man (AV)
07. London town
08. Codine
09. Breezes of Patchulie
10. Super lungs
11. Winter in the sun
12. Epistle to Dippy
13. There is a mountain
14. Poor cow
15. Teen angel
16. Laleña
17. Claira Claivoyant
18. Age of treason
19. What the soul desires
20. Dark-eyed blue jean angel (BR> 21. Laleña (live + Paul McCartney)
22. Children of the world
23. Black widow
24. Liberation rag
Donovan is misschien een beetje een softie en wie weet, is het zelfs wel een beetje een langharige zemelaar. Vind ik dat erg? Niet dus, ik beoordeel muzikanten op hun muziek en niet op hun andere kwaliteiten. Donovan’s muziek vooral uit zijn beginjaren is zeer uit de kunst. Bij mij kan de man om die reden niet meer stuk.

Afgelopen dinsdag ging ik met lijn 12 naar huis en liet me, zoals wel vaker, doorrijden naar het “Castillo de la luz”. Daar ging ik op een bank bij het terras van het restaurantje zitten lezen. Waarom daar? In het park bij het kasteel zijn drie grote grasvelden met banken, naast het kasteel en het schip. (Het schip is een min of meer een kopie van een dergelijk schip uit de tijd van Columbus,) Een grasveld is bij het terras en de speeltuin, het tweede is bij het schip en het derde aan de achterkant van het restaurant.
Voor jullie ga ik nu een indeling mag maken die meer bij het publiek past. Die bij en voor het terras vooral voor mensen met kleine kinderen. Het grut kan in de buurt spelen en klimmen, of elkaar pesten, terwijl de volwassenen aan de koffie of het bier zitten. Die bij het schip is vooral voor verliefde stelletjes, daar heb ik in mijn eentje weinig te zoeken. En het derde stuk is de plek waar vooral oudere mensen graag gaan zitten om voor zich uit te staren, te lezen of met elkaar te kletsen. Waar neem ik dus bij voorkeur plaats? Vreemd genoeg is dat bij voorkeur een bankplek bij het terras. Ik vind het wel wat hebben dat ik onder de jongere mensen ben, kleintjes incluis. Daar bij het terras ben ik een fervente lezer, als ik niet de mensen zit uit te kijken.
Op de terugweg naar La Puntilla over de calle Juan Rejón ken ik de diverse neringen langzaamaan min of meer uit mijn hoofd. Een van de minst geslaagde is een “Salon recreativo” op een hoek halverwege, genaamd “Los Polos”, het poolcentrum. Er staat niet meer dan één biljarttafel, naast een kleine bar en ernaast is bovenal een ruimte met legio gokautomaten en ook nog een grote roulettetafel. Kom, dacht ik afgelopen dinsdag om 7 uur, een keer zal ik toch eens binnen moeten kijken. Er zaten diverse mensen, vooral ouderen, aan de eenarmige bandiet, bereid om hun geld in een mum van tijd te verbrassen. Aan de roulettetafel, toen ik er langs liep, zag ik maar een persoon, een Chinees; hij zat somber voor zich uit zat te mijmeren. Had hij net zijn winst van die dag in zijn derdehands klerenwinkeltje erdoor gedraaid?
Aan mij is een casino, hoe petieterig ook, absoluut niet besteed. Ik herinner me dat ik ooit eens, meer dan twintig jaar terug, een dagje Las Vegas deed, in een groepje geleerden en journalisten. Ter plekke ging prompt iedereen zijn geld verspillen, maar ondergetekende was te beroerd om zelfs maar een dubbeltje te spenderen. Idem dito hier; in salon recreativo Los Polos ging mijn voornaamste belangstelling niet uit naar de sinaasappeltjes naast de trekarmen, ook niet naar de slinkse weg van het balletje op de roulettetafel, maar naar een aankondiging bij de deur. Ik moet toch wat, zal ik die dan maar voor jullie kopiëren? Hier is ze: “Queda. Totalmente prohibido jugar en varias máquinas a la vez. Igual que jugar en la ruleta en más de una estación.” Zo er nou echt ook maar één enkele gokklant zijn die zich dit soort waarschuwingen laat aanleunen? Die nooit meer dan een gokkast tegelijk bedient en het wel uit zijn hoofd laat om zijn geld op oneven nummers te zetten en ook nog eens nummertje 14 met een bedrag vereert? Ik vrees van niet en anders, dan doe je het in twee keer, toch. (Helaas, aan gokken heb ik een hekel en wil de mensheid graag tegen zichzelf beschermen. Ook het gokken op de computer zou voor mij acuut afgeschaft mogen worden. En dan heb ik het nog niet over die vele loterijen hier en in Nederland. Vanaf vandaag: weg ermee!)

Deze week is het zo ver. Lux wordt aanstaande maandag 4 en dus mag ze dan “officieel” naar de kleuterschool. (Hier is dat een jaar eerder, maar vooruit.) In het Spaans heet een kleuterschool een “jardín de infancia” en ook wel een “parvulario”. (Een párvulo/a is een kleuter. Weten jullie dat je, als het over mannen en vrouwen samen gaat, hier ook wel een @-teken wordt gebruikt? Een parvel@ is een kleuter.) Het Duitse woord “Kindergarten” is hier eveneens in trek, maar haalt het niet echt bij de Spaanse woorden. En hoe heet een kleuterschool in Maastricht? “’n Bewaorsjoul!” Lux is in alle staten, zeker nu ze afgelopen week al een beetje mocht voorproeven. Eva heeft afgelopen maandag met haar in de vroege ochtend in de kring gezeten, de “mesa redonda”, voor een goed gesprek, samen met de juf en een stel al echt vierjarigen. In de uren (tot ongeveer 6 uur) na de kleuterschool is Lux ook vanaf nu wel nog aangewezen op de naschoolse kinderopvang, de “acogida postescolar”.
Dalí kan intussen al lopen en is al naar een oudere groep van het kinderdagverblijf, de crèche in goed Maastrichts, “guardería” in het Algemeen Beschaafd Spaans. Is ze nu baby af en een dreumes of al een echte peuter? Of is peuter hetzelfde als een kleuter? Ik kom er niet uit en ga het Trudie nog eens vragen, die weet van de hoed en de rand, als het om babysitten gaat. Hoe dan ook, kennelijk is ook op het niveau van de allerkleinsten allerlei onderscheid gewenst. En de opvang - tegenwoordig is dat usance - was in mijn tijd nog uit den boze. Toen bleven de meeste moeders nog gewoon thuis, zo lang als hun kinderen in de luiers zaten. Ik vind het heel erg te prijzen van Eva dat ze de vrijdagen vrij heeft om met de kinderen “iets te doen”. En ook vind ik het wel wat hebben dat Lux en Dalí, nu alleen nog Dalí, één dag per week thuisopvang hebben van een kinderoppas, een “niñera”, ook wel een “cangur@” genoemd. en niet naar de crèche gaan.

Voor mijn volgende onderwerp ga ik terug in de tijd. Al in de periode dat Jorge op de universiteit altijd ging lunchen, stamt onze belangstelling voor bepaalde Canarische zinnetjes op suikerzakjes. Zoals “Mestreechs” en “Oud-Amsterdams” is er ook “Canarisch”. De mensen spreken hier Spaans, maar willen zich daarbij nogal eens van iets regionaals bedienen. Er zijn zelfs boekje in de handel met allemaal Canarische woordjes. Ik heb er wel eens eentje gekocht voor mijn Spaanse leraar Paco en er ook wel eens een ingezet bij een “amigo invisible” na een etentje van de vakgroep van Lluis. Misschien moet ik nog maar eens terug naar de boekwinkel om er eentje voor mezelf aan te schaffen.
Met Trudie, Noé en Lorena zat ik vorige week bij restaurante Casa Carmelo en daarna bij cafetería Mad Bread. Bij de koffie daar kwamen suikerzakjes op tafel, van de firma Amagoldi, met op de achterkant een Canarisch zinnetje. Ik heb er eentje mee naar huis genomen en die maak ik hierbij wereldkundig: “Vaya chuso, tiro p’al chozo”. Het is Oud-Arabisch voor jullie, omdat je onbekend bent met de woorden “chuso” en “chozo”. Zal ik die dan maar verklappen? “Chuzo” zeg je, als het pijpenstelen regent, en “chozo” is je thuis. Er staat in goed Spaans: “Está lloviendo demasiado, me vuelvo a casa” en in het Nederlands: “het regent zo hard, ik ga terug naar huis.” Leuk, hè?
Ik vind intussen, en daarom kom ik er hier mee, dat ik iets dergelijks met gemak ook in het Maastrichts kan organiseren. Laat ik in het meervoud praten. Ook daar kunnen “we” eveneens met suikerzakjes aan de slag gaan, maar bierviltjes of nog weer iets anders mag net zo goed. “’t Regent aw wiever, iech gaon ‘ns op m’n barak aon.” “Sjijgelentere leep heer, meh z’ne sjijgel zaot wie ’t z’ch huurt.” Binnen een mum van tijd heb ik er enkele honderden voor jullie in die sfeer bedacht, van die zeer Maastrichtse zinnetjes (met daaronder in het klein de Nederlandse vertaling). Maar ik als halve Palmees en ook nog een beetje Mokummer vind dat mensen die meer getrouwd zijn met Maastricht, dat maar eens moeten gaan doen. Trudie en Marijke, is dat niets voor jullie? Rijkdom of in ieder geval roem zal jullie deel zijn.

Het is intussen vaste prik: aan het begin van ieder jaar opnieuw besluit de gemeenteraad dat de tarieven van de stadsbus enigszins omhoog mogen. De stad heeft het bepaald niet breed en dan is iedere euro zeker mooi meegenomen. En dus kost een los ritje met de bus sinds 15 januari 2014 1 euro 40. Waarom zou je die als Palmees kopen, als een tienrittenkaart veel goedkoper is? Voor een bono, een tienrittenkaart, is de prijs nu 8 euro 50. Dat is ruim 10% meer dan afgelopen jaar, helaas pindakaas. Gelukkig heb ik aan het begin van het jaar nog een bono extra gekocht, dus voor mij gaat de verhoging pas ergens in februari in. Niettemin, goedkoop blijft het allemaal, dat vervoer hier, vergeleken met wat wij in Nederland voor een bus- en tramkaartje betalen. En je mag mee overstappen ook!

Eerder had ik bedacht, en met mij meer mensen in de Luis Morote, dat de splinternieuwe banken verkeerd om stonden. De zitjes op het hout van de banken zouden beter in de richting van het middenstuk van de straat kunnen staan. Afgelopen donderdagmorgen werden wij op onze wenken bediend. Er kwam een immense “camión” de Luis Moote inrijden die de banken zonder pardon 180 graden draaide. Die bij Negonzo werd zelfs een metertje of tien in de richting van mijn flat verplaatst. Ik neem aan dat de nering van Carlos daar iets mee van doen heeft, omdat de beginnende palmboom daar is weggehaald.
De dames en heren van de gemeente hier doen hun dingen soms aan de langzame kant en heel vaak in stappen, maar ze doen het wel. Mijn stukje straat is nu om door een ringetje te halen. Ik denk dat de prijs van mijn flat navenant aardig wat omhoog is gegaan. Nu nog even afwachten tot de “crisis” voorbij is en dan kan mijn huisbaas, als hij dat wil, gaan incasseren.

En dan nu een moeilijk onderwerp! Het gaat volgens veel mensen niet om het gelijk hebben, maar om het ook te krijgen. Men is zelfs bereid om de waarheid enigszins naar zijn of haar hand te zetten om het gelijk krijgen af te dwingen. Ik heb daar niks van, niet in het minst. Voor mij gaat het in ons leven boven alles om de waarheden en onwaarheden boven de tafel te krijgen, altijd en overal. Gelijk hebben of niet, dat is waar het mij om gaat. Het krijgen of niet laat ik graag over aan anderen. Ik sta aan de kant van de bèta-figuren, het krijgen vind ik meer iets voor advocaten en politici.
Wat is dit een klein stukje, denk ik achteraf. Maar daarmee is het niet minder waar.

Iedere avond maak ik mijn rondje, naar voren, naar achteren, dan weer opzij (zegt een liedje, waarvan ik verder niets weer weet). Afgelopen woensdag was een stuk van de boulevard links aan de beurt. Op de min of meer terugweg kwam ik langs Plazoleta Farray, dat is en blijft een aardig rustpunt, ook in mijn alweer negende jaar hier. Vanaf het plein(tje) aan doorgangsstraat (Fernando) Guarteneme zijn er twee straten die naar de boulevard en de zee leiden. Eentje heb ik hier vaak gememoreerd, zeker in de eerste jaren van mijn verblijf, de Dr. Grau Bassas, waar (o.a.) mijn Spaans schooltje gevestigd is. Deze week is de andere aan de beurt, de calle Kant, en dan vooral het middenstuk met het parkje.
Daar is het prima zitten op een van de bankjes, met een boek en om de mensen uit te kijken. Het parkje is genoemd naar de vrouw die het aan de gemeente geschonken heeft, Doña Pilo Apolinario. (Moet dat niet Pila zijn? Nee, Pilo is de naam.) Het bestaat uit drie delen. Allereerst is er de stadstuin, “huerto urbano”, met twaalf minilapjes grond, “parcelas”, van 25 m2 plus enig ander spul: eentje tuintje voor “aromáticas”, eentje voor compostering en een kleedruimte. Dan is er het onvermijdelijke speeltuintje, met de bekende werktuigen en de familie op een bankje. Het grootste deel bestaat echter uit het park in sensu strictu, ongetwijfeld heel verantwoord met haar vele planten, struiken en boompjes, maar aan mij maar beperkt besteed. Niettemin, ik vind het wel leuk om tussen het diverse groen te zitten op een van de vele banken daar, met mijn boek graag.
En nu willen jullie natuurlijk weten hoe het een en ander “gekomen is”. Daarvoor dienen jullie je dan wel door mijn Spaans lesje van deze week te worstelen. Hier is het. “Este solar fue cedido para el uso y disfrute de la cuidad y sus vecinos por Dña Pino Apolinario Placeres (1870-1953). De reconocido talante caritativo y solidario, era hija de una acomodada familia de LPGC, dueños a su vez de extensos terrenos en la calle Mesa y López y sus alrededores hasta lo que hoy se conocen como Lomo Apolineario. La familia cedió los terrenos de este espacio para uso público. En un principio se destinó su uso a un reformatorio y, posteriormente, a la Escuela de Artes y Oficios. La Escuela tuvo su sede en este lugar hasta 2000, centrando el desarrollo de diferentes modalidades culturales de nuestro municipio. En noviembre de 2012, el Parque Apolinario fue objeto de una rehabilitación integral y de la incorporación huerto urbano ecológico.” Horen jullie het eens van een ander, want ik heb bovenstaand stukje uit een plakkaat in het parkje. Het is afkomstig van de gemeente, dus dan moet het wel waar zijn. De renovatie is van zo recent dat ik in alle oprechtheid het gevoel heb dat ik een compleet nieuw zithoekje ontdekt heb, nog “ecologisch” ook. Neem van me aan dat ik er nog wel eens vaker plaats zal nemen.

En dan zou ik nu mogen afsluiten met daarna mijn boekenbijlage. Echter, negen jaar terug heb ik met jullie afgesproken dat ik een boek pas recenseer, als ik het uit heb. (Of het moet zo waardeloos zijn dat ik binnen 50 bladzijden de brui eraan geef, wat me in alle jaren nog nauwelijks overkomen is.) In mijn vorige brief kondigde ik aan dat deze brief het wel eens zonder boekbespreking zou moeten doen en dat bevestig ik hier. Mijn onderhavige boek telt 1237 dichtbedrukte bladzijden en nu, op de vrijdagmorgen ben ik over de 600, maar niet veel verder, ongeveer op de helft. Laat ik eens een tipje van de sluier oplichten: ik zit in het jaar 1346. Weet iemand van jullie nu al over welk boek ik het heb?
Er valt halverwege het boek nog weinig te recenseren. Niettemin, ik beloof jullie hier en nu plechtig dat ik het boek over een week uit heb. Volgende week vrijdag ben ik voornemens om mijn volgende brief te versturen. De dag daarop zitten we trouwens alweer in februari.

Dat gezegd hebbende hoop ik dat jullie met mij de komende dagen extra vrolijk willen zijn ter ere van Lux, op maandag jarig, en Trudie, drie dagen later. Ik begrijp van Eva & Jan Willem dat Lux a.s. zondag thuis al resideert. Harry & Greetje, Ton & Marion en Trudie mede namens mij maken dan hun opwachting voor een aimabele lunch en “sobremesa”. Daarna komen allerlei jongeren, ook leeftijdgenoten van Lux, hun opwachting maken. En laat ik Dalí, als jongere zuster van de jarige, ook maar in het zonnetje zetten. Mijn bijdrage aan de feestvreugde moet noodzakelijker wijs beperkt zijn. Ik ga Lux in de ochtend al opbellen vanaf mijn balkon, waarna haar in Amsterdam het cadeautje van Trudie en mij zal worden overhandigd.
Donderdag is mijn Trudie aan de beurt om in het middelpunt te staan. Op haar en mijn leeftijd is dat ietsje minder bijzonder, maar - zou Paul McCartney zeggen – een mens wordt maar een keer 64. Als ik het wel heb, komen bij haar thuis vooral veel familieleden op audiëntie, maar ik sluit niet uit dat zich ook enkele vrienden en de buurvrouw met presentjes gaan melden. Perfisia, Trudie, noe al! En ook haar zal ik van afstand geluk moeten wensen en per telefoon een hart onder de riem moeten steken. Dat ga ik doen ook!
(Zo wordt ik wel op kosten gejaagd, met “al” die belletjes. Gelukkig heeft Rik, die a.s. vrijdag 29 wordt, genoeg aan een felicitatie per e-mail. Hem zal ik per internet het beste wensen voor de komende vijftig jaar.)

En dan ik met echt aan het einde van mijn brief, zonder bijlage. Ik hoop maar dat jullie ook de laatste week van januari heelhuids zullen doorkomen. Zelfs al is het maar een beetje koud is buiten, doe vooral ook je handschoenen, “guantes” of wanten, “manoplas” aan op de fiets. En helaas, fietsen, “bicis”, zie je hier haast niet, laat staan wanten; ik zou zelfs niet weten waar je hier wanten zou kunnen kopen.
“En casa propria, el alma en gloria” oftewel “Oost, west, thuis best”. Deze jongen heeft warempel nog wel meer te doen, dus: veer zien us, hasta luego, winterkoning PaulK.

maandag 20 januari 2014

Weblogbrief 9.16, 20 januari 2014

Weblogbrief 9.16, 20 januari 2014 ¡Buenas! ¿Qué tal bien? Het is een apart weekje geweest, vooral het eerste deel van de week met Trudie, tot zaterdagmiddag. Als het anders was, zou ik het (misschien) ook zeggen, maar we hebben het getweeën best leuk gehad. En wat hebben we veel gedaan, zij meer dan ik, dat weer wel! Trudie leeft pas echt, als ze van hot naar her kan rennen en zelfs in haar vakantieweek geeft ze dat gedaan. En ik moest af en toe mee, gelukkig niet altijd, en de week is me prima bevallen. En passant heeft ze mijn diepvries gevuld met twee kilo zuurvlees, bijna twee kilo goulash plus nog anderhalf pond gehaktbal, allemaal keurig ingepakt in tupperware doosjes van steeds ruim een volwassen portie. Ik kan een tijdje vooruit in het kwadraat.
Pas weer vanaf zaterdagmiddag had ik weer alle tijd om mijn eigen dingetjes te doen. Ik was het afgelopen weekend druk bezig om mijn tweede boek uit te lezen. Daar bovenop kwam het schrijven van deze weblogbrief, nummertje 16, en ook daar mogen jullie niet te licht over denken. Vandaag kan ik jullie verblijden met enkele recente wetenswaardigheden.

Muziek! Op speciaal verzoek van Trudie moest er iets Frans uit mijn computer komen. Ik zoeken en kwam, een beetje met haar hulp, op Gilbert Bécaud, monsieur 100.000 volt, omdat hij zo prominent aanwezig is bij zijn optredens. Hij is van 1927 en heeft op zijn oude dag - hij overleed in 2001 - nog eens een de bonbonnière in Maastricht opgetreden, staat mij bij. Wie toen naar binnen wou, moest geloof ik wel 275 gulden betalen, bepaald geen kattenpis. In zijn jonge jaren was hij bevriend met mijn jeugdliefde Caterina Valente; alleen daarom al zal ik hem niet afvallen.
Gilbert Bécaud is vooral bekend, beroemd mag ik wel zeggen, van drie nummers. Jullie kennen natuurlijk allemaal “Nathalie” uit 1964 (La Place Rouge était blanche; la neige faisait un tapis). Nog bekender is Gilbert Bécaud van zijn nummer uit 1961 “Et maintenaint” (Que vais-je faire de tout ce temps que sera ma vie). Dat werd een Franse hit in Europa en ook nog eens een hit in de Engelstalige landen onder de naam: “What now, my love?”. De mij bekendste versie is van Shirley Bassey, maar bijv. Sonny & Cher, Frank Sinatra, Elvis Presley en Andy Williams hebben het ook opgenomen. En dan komt nu nummertje drie, waarmee de man goud heeft verdiend, “J’appartiens”. Wisten jullie dat? Van dat liedje schreef hij de muziek (en Pierre Delanoe de tekst, geloof ik). Het is een wereldhit geworden van de Everly Brothers, in het Engels onder de titel “Let it be me”. Daarna werd het ook nog eens op de plaat gezet door o.a. James Brown, Jerry Butler, Willy Nelson, Bob Dylan en Nina Simone.
Van Gilbert Bécaud heb ik een cd met twintig van zijn bekendere nummers en ook nog de dubbel-cd “J’appartiens” met 12 plus 14 liedjes. Houdt het allemaal over? Nee dus, ik vind helaas van niet. En toch, sommige andere liedjes zijn best de moeite waard. Kennen jullie bijv. “Credo”, “L’important, c’est la rose”, “Monsieur le president”, “Rosy et John” of “T’est venu de loin”? Die zijn best in orde.

Gilbert Bécaud is van origine een pianist. Hij bedient zich graag van het instrument als begeleiding bij zijn uitbundig gezang. Dat geldt eveneens voor zijn alternatief, mijn tweede artiest, die ik uit het boek van La Palmen heb. In mijn boekenbijlage beneden geef ik daarover geen bescheid, maar het is wel zo. “Ergens” in Palmen’s boek gaat het over Professor Longhair en over die wou ik het hier ook hebben. Hij is alweer pianist, werd geborem in 1918 in het Amerikaanse New Orleans, heet eigenlijk Roy Byrd. Voor de kenners, althans sommige, is hij de “founding father of the New Orleans R&B”. Zijn muzikale hoogtijdagen zitten, als ik het wel heb, rond 1950 met vooral “Tipitina”, maar ook bijv. “In the night” en “Ball the wall”. Een opleving vond plaats in de jaren na zijn dood in 1980.
Ik heb zegge en schrijve maar één enkele cd van professor Longhair, “Live in London”. Het is een uitgave uit 1996 uit de immense serie The Blues Collection, nummertje 64. In totaal gaat het bij The Blues Collection over zo’n 90 artiesten, een serie die ik een paar jaar geleden van Jorge mocht kopiëren, maar waarvan ik later de cd’s beginnend met een a t/m d ben kwijtgeraakt. Die van Blind Willie McTell en van Blind Lemon Jefferson bijv. heb ik helaas niet meer, wel verderop ben ik nog helemaal bij de les.
Mag ik dan nu naar de klanken van professor Longhair, althans de weinige muziek die ik van hem heb? Eerlijk is eerlijk, er staat van alles op “Live in London”, waarvan ik – ik kan het niet helpen - wel eens een betere versie heb gehoord. Geef mij maar “Mess around” van Ray Charles, “Whole lotta Loving” van Fats Domino of “Shake rattle and roll” van Bill Haley. Echter, professor Longhair’s “Tipitina” vind ik wel en ook bijv. zijn “Go to the Mardi Gras”. De man’s stem heeft wel wat van die van Elvis the pelvis, maar alweer, overhouden doet het niet. Hij valt me eigenlijk een beetje tegen, in ieder geval op deze cd. Zij aardigste nummer is voor mij nog “Big chief”, waarop ik tevens verblijd word met zijn fluittoon.

Ik ga jullie eens iets vertellen dat “not done” is, “niet gedaan”, maar als ik dat zeg, begrijpt niemand het. Bij mij om de hoek, in de Vientinueve de Avril, is nog een ouderwetse bontzaak. In goed Spaans heet dat een “peleteria”; dat woord staat ook op een bord aan de deur. En dan zit ik te denken... Vreemd genoeg heeft het woord “pelete” niks met bont; een “pelete” is een armoedzaaier. En “en pelete” is spiernaakt, hoewel, meestal zeg je “en cueros”, “en pelota” of, in beter gezelschap, “completamente desnudo”. Het woord “peleteria” is etymologisch verwant aan het woord “piel”, huid, zoals in “piel roja”, roodhuid, maar ook in zijstraten zoals “piel de elefante”, olifantshuid en “piel de gallina”, kippenvel. Naast huid betekent “piel” echter ook leer en bont. “Piel de cerdo” is varkensleer en “piel de suecia” (of “ante”) suède. Als er op de huid van het beest genoeg haren zitten, spreek je niet van leer, maar van bont. “Piel de zorro” is vossenbont en een “cuello de piel” een bontkraag.
In Nederland is het dragen van bont vandaag de dag compleet taboe. Wie zich met een bontjas of zelfs met alleen een bontkraag op zijn jas op straat waagt, loopt het gevaar om met een spuitbus besmeurd te worden en anders toch op zijn minst te worden beschimpt en uitgelachen. Zelfs met carnaval kan een vrouw zich niet goed meer met een van de zolder gehaald bontje vertonen. Met leer is min of meer het tegenovergestelde aan de hand. Leer kan wel, heeft zelfs iets milieuvriendelijks. Een leren jasje of leren schoenen zijn boven alles duurzaam. Wie heeft ’s winters niet een leren jasje aan de kapstok hangen? Als het buiten koud is, is het dragen van een suède jas bepaald niet verkeerd. Idem dito, bij nette gelegenheden kun je niet op stoffen schoenen komen aanzetten; dan heb je leren schoenen aan je voeten, eventueel leren laarzen.
Ik vind dat wie voor leer en tegen bont is, met twee maten zit te meten. Hooguit kun je als actievoerder tegen bont volhouden dat het houden en doden van dieren op een onaangename manier verboden zou moeten zijn, of je de huid erna nou gebruikt als bontje of als leerstuk. Zo maar tegen bont zijn en wel leren schoenen dragen heeft iets fouts.

Uit het beneden te bespreken boek van Connie Palmen over (vooral) de dood van Hans van Mierlo haal ik een citaat van haar, dat ik jullie ter mijmering voorleg. Ik ga daarvoor naar bladzijde 234 van het boek: “Alcoholisme heeft niets te maken met het aantal glazen dat iemand drinkt. Een alcoholist definieer je door zijn verlangen. Een alcoholist drinkt om dronken te worden.”

Laat ik eens iets leuks vertellen over de donderdagmiddag. Trudie en ik hadden op mijn verzoek afgesproken met Noé en Lorena om te gaan lunchen bij Casa Carmelo. Zag ze die twee Canarische vrienden van mij, eentje (Noé) net terug uit Goa in India, ook eens een keer. En inderdaad, wij zaten maar net aan onze aperitief daar of ze kwamen eraan om ons overenthousiast te begroeten, mij als habitué en Trudie als nieuw verworven amiga holandesa. Wat eet je in het beste vleesresaurant, zo niet van heel Las Palmas, dan toch wel van dit deel van de stad? We begonnen maar eens met de drank: bier, rode wijn en spa, en de bekende broodjes met sausjes. Daarna kwam een grote, salade op tafel om de gezondheid in ere te houden. Om te vervolgen met grote biefstukken voor mijn compagnons en een stuk lam voor mezelf. De “cordero” was van hier, maar de “churrasco” net als de ober uit Argentinië, Toen Lorena hem vertelde dat ze ook Argentijns was en ze vervolgens allebei uit Buenos Aires bleken te zijn, hadden Trudie, Noé en ik geen kind meer aan haar. Met haar “camarero” nam ze het leven in hun geboortestad tot in detail door.
Het is een wonder, maar we kregen alle vier ons hoofdgerecht helemaal op. Daarna begon het natafelen, “la sobremesa”, onder het genot van wodkacaramel van de zaak. Ruim een halve fles Sobieski uit Polen kwam op tafel en bleef daar voor ons staan om bij te schenken. Een geslaagde middag!
Voor het toetje, koffie en taart, nodigden Noé en Lorena ons uit om ons te verplaatsen naar Mad Bread, een nieuw etablissement ietsje verderop aan de boulevard. Daar werden we bovendien getrakteerd op Noé’s vader die op Las Canteras voorbijkwam en naar binnen gehaald werd. Hij lijkt sprekend op Noé, heeft ook hetzelfde sympathieke voorkomen. Pas om bijna 6 uur waren Trudie en ik weer terug in de flat. Mijn “novia” verklaarde vervolgens dat het op het balkonnetje nogal waaide (hoe zo?) en viel prompt op het bed in slaap. Is dat nou wat de mensen hier verstaan onder een siësta?

Aan tafel moest Trudie uiteraard vertellen over haar geocaching. Het is denk ik oorspronkelijk een Engelstalig woord; het Engelse cache, betekent verbergen en ook een geheime opslagplaats. Trudie vroeg aan Lorena en Noé hoe geocaching in het Spaans heet. Eerst kwam het tweetal aanzetten met “busqueda del tesoro”, zonder een R achter de T, maar dat is mij teveel een omschrijving. Toen werd het woord “yincana” bedacht, maar in hoeverre dat ook klopte, wisten ze niet. Ik heb het opgezocht in mijn woordenboek. Het had kunnen staan tussen “yihad”, jullie welbekend, en “yira”, tippelaarster, maar daar staat het niet.
¡Yincana! Het is aan mij niet echt besteed, hoewel ik afgelopen vrijdag Trudie wel het halve eiland ben afgereisd per autootje om een paar caches te vinden; in Agaete en Puerto de Mogan. Ieder zijn meug, zal ik maar zeggen. Zo lang als ik een leesboek bij de hand heb, mag ze best op zijn tijd door de oerwouden lopen.

Groente- en fruitwinkels heb je hier de laatste jaren in overmaat. Mn probeert de grote winst van concerns zoals De Spar, HiperDino en El Corte Inglés af te romen door hetzelfde product voor een lagere prijs aan klanten aan te bieden. Soms kom je dan groentesoorten of soorten fruit tegen, waarmee wij in Nederland niet bekend zijn.
Met Trudie liep ik woensdag over de Tomás Miller naar de Mercado Central en toen zagen we in zo’n winkel, hier altijd helemaal open naar de straat toe, kakis liggen. Ze zien uit als grote tomaten, hebben wel een iets strakker vel. En allebei hadden we geen flauw idee hoe ze smaakten. De dame in de winkel kon het ons niet goed uitleggen en dus namen we er een mee om thuis te proeven.
Bij het woord “kaki” verwijst mijn woordenboek naar “caqui”, omdat het woorden met een K nauwelijks kent. Waarvoor staat “caqui”? De gangbare betekenis is de kleur, grauwgeel, en de katoenen textielstof kaki. Is het woord in oorsprong afkomstig van de kakiboom? Die boom heeft ook een vrucht en daar moet ik zijn: de kakivrucht ofwel de Chinese/Japanse dadelpruim. We hebben hem geprobeerd en de smaak heeft inderdaad wel iets van een pruim. Best lekker, onder ons gezegd!

In de buurt van El Corte Inglés kom je meer dan elders bedelaars tegen, mensen die met een bord voor zich hopen dat ze van voorbijgangers geld krijgen. Ik doe dat maar hoogst zelden, op de grond zittende niksdoeners fourneren. Vlak bij de Mercado Central zat een jongeman werkeloos te zijn met een bord: “sin techo”, dakloze. En toen dacht ik niet: laat ik die eens een leuke dag bezorgen, maar wel: welke woorden rijmen op “techo”? Het moesten wel echte rijmwoorden zijn. Woorden als “leche”, melk, en “Checo”, Tsjech, vielen af. Daarbij moesten het er niet teveel worden, dus mochten alleen woorden van twee lettergrepen meedoen. Woorden als “derecho”, recht, vielen eveneens af.
Ik kwam onderweg naar huis tot drie rijmwoorden, maar mijn Spaans-Nederlandse van Dale gaf er twee meer. Jullie mogen nu even nadenken, maar hier komen ze alle vijf al, als alternatief Spaans lesje.
Allereerst is er “fecho”, maar meestal zegt men “hecho”; de woorden betekenen allebei feit. Een voldongen feit (fait accompli) is hier een “hecho consumado”. Het staat als een paal boven water is Spanje “es un hecho indiscutable”. Dan komt van mijn vijftal er een die ik miste: “lecho”. Volgens mijn woordenboek staat dat allereerst voor ledikant. “Estar postrado en el lecho” is aan het ziekbed gekluisterd zijn. Volgens mij is het wel een ouderwets woord, dat “lecho”. Daarnaast kan het bodem betekenis, zoals in rivierbedding, “lecho de rio”, en zeebodem, “lecho de mar”. Gaan we naar het volgende waarvan ik eveneens onkundig was: “mecho”. Dat is Spaans voor (een stompje) kaars en een kandelaar. En dan is er nog het woord dat ik uiteraard als eerste in gedachte had: “pecho”. Ik heb iets met borsten, ik kan het niet helpen. Geef mij een “pecho opulento”, een volle boezem om naar te kijken en ik ben helemaal tevreden. Natuurlijk is de betekenis, borst, veel breder; “un pecho cóncavo” is een ingevallen borst en “a todo pecho” is uit volle borst. Zelfs overdrachetijk doet “pecho” zijn werk, zoals in zijn hart uitstorten, wat in het Spaans “abrir su pecho” is.

Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. “Lumbre de casa calienta y no abrasa.”, het vuur thuis verwarmt en gaat niet uit. Mijn klokje loopt aanhoudend een uur achter op dat van jullie en dat wil ik graag nog even zo houden. Ik ben niet iemand van de vier jaargetijden, de lente en de zomer zijn mij liever dan de herfst en de winter. Anders gezegd, ik zit hier prima in mijn zonnetje en zo lang als ik genoeg te lezen heb, hoef ik nog bepaald niet terug naar “Los Paises Bajos”. Voor mijn Maastrichtse pauze met carnaval heb ik nog vijf weken te gaan en pas dan moet het er maar weer eens van komen, eerder niet.
Ik wens jullie een prettige voorzetting van deze slappe winter en hoop met jullie dat je je dikke jas toch nog eens van de kapstok mag halen. Is Nederland aan het opwarmen door de overmaat aan knalpotten en al die spuitbusluchtjes? Hier zitten we nu in het interludium tussen de feestdagen en carnaval. We vullen het maar met onvolkomenheden als de Marathon Van Las Palmas, volgende week zondag, en de eerste uitprobeersels en testmatchen in achterafzaaltjes van de murga-groepen. Intussen is het in Maastricht nog twee weken voordat “ziene hoege hoeglöstigheid” van de Tempeleers eindelijk vanaf de Spilstraat de markt mag ronden om te zweren bij o.a. “’t nejkiske vaan vrouw Versjevee” dat hij Maastricht voor zal gaan “met die drei daog” (en de weken ervoor), al kost het hem “ziene leste dröppel blood”. Het ga jullie goed, mijn volgende brief komt a.s. vrijdag 24 januari en als dat niet lukt, de maandag erop. Of ik daarin een boek te bespreken heb, staat nog te bezien, want ik ben net begonnen in een boek van een hier uiterst populaire schrijver, een werk van maar liefst 1237 bladzijden. En daarmee is het op. Wie nog ogen in zijn hoofd heeft, tot ziens, de rest moet het zonder doen, hasta luego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Wie verschillende boek in een week gelezen heeft, begint normaliter met de bespreking van het eerste en dat zal ik ook maar doen. Mijn eerste boek is er eentje van de Limburgse schrijfster Connie Palmen, geboren in 1955. Ze woont intussen al zo’n 40 jaar in Amsterdam, maar dat mag de pret niet drukken: eens uit Sint Odiliënberg, altijd uit Sint Odiliënberg. Toch. Inmiddels al weer de nodige tijd terug las ik haar verhaal over haar jaren met Ischa Meyer, “I.M.”, en ik vond het een echt goed boek, veel beter dan ik vooraf gedacht had. Enkele maanden terug was mijn e-reader goed voor “De Wetten”, haar debuut en ook dat was de moeite waard. En dan kan haar verhaal over de jaren met Hans van Mierlo, HVM zeg ik hier maar, niet ongelezen blijven. “Logboek van een onbarmhartig jaar”, 275 bladzijden, is uit 2011.
Omstandig legt Connie Palmen uit waarom ze het een logboek vindt en zeker geen roman. Haar boek is vooral een verslag van het jaar na de dood van HVM. Hun liefdesrelatie begon in 1999 en eindigde op 11 maart 2010 in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis. In de anderhalve maand na zijn dood viel er voor haar niets te schrijven, maar vervolgens kwamen mondjesmaat de herinneringen en vooral de pijn na afloop op gang. Het boek begint op 29 april 2010 en eindigt (ongeveer) op 11 maart 2011.
Helaas ben ik persoonlijk meer in de herinneringen aan HVM geïnteresseerd: misschien al vanaf de oprichting in 1966 van D66 en de jaren van HVM als boegbeeld daarvan. Hij moet bij de oprichting ongeveer 35 jaar geweest zijn. Daarna komen zijn jaren als minister van Buitenlandse Zaken, minister van Defensie en minister van Staat en in het privé-vlak zijn chronisch wordende infectie met het hepatitis C-virus, uitmondend in een levertransplantatie in 2000. Ik had best wat meer over zijn privé-leven willen vernemen, zijn omgang met de kinderen Marie, Stagna en Olivier en met zijn vele vrienden, o.a. de Herenclub (o.a. Harry Mulisch en Marcel van Dam). Zelfs gaat het boek maar mondjesmaat over zijn zingen van “Un jour tu verras” op de vijftigste verjaardag van Connie in 2005, zijn heupoperatie in 2008 en hun prachtige trouwfeest in 2009, slechts vier maanden voor zijn dood. Boven alles staat het ziekbed van anderhalve maand en zijn overlijden, plus zoals gezegd de pijn van Connie in het jaar erna.
Voor de epidemiologen onder jullie: het vele jaren gebruik van immunosuppressiva na de levertransplantatie is er waarschijnlijk debet aan dat hij een non-Hodgkin lymfoom in de lever kreeg, dat hem teveel werd. Heel opvallend in het boek vind ik daarbij het aanhoudende doodgaan van vrienden en familieleden van HVM in dezelfde periode. Dat krijg je, roep ik vanaf de zijlijn, als je ver over de 70 bent.
Vind ik het boek net zo goed als bijv. “I.M.” van Connie Palmen? Nee, dit is m.i. ietsje minder, maar ik heb het wel in twee dagen uitgelezen. Connie Palmen, ze trekt toch aan me, ook met dit boek! Vanwege bovenstaande tekortkomingen, maar die zijn meer mijn schuld dan die van de schrijfster, is mijn recensiecijfer voor “Logboek van een onbarmhartig jaar “ niet heel hoog; Connie Palmen moet het doen met een 7, wel een volle 7. En ik zal toch eens een keer een echte biografie van HVM, Hans van Mierlo, gaan lezen.

Ruth Rendell is een thrillerschrijfster van wie je ieder jaar wel een boek wilt lezen. Ze is intussen over de 80, geloof ik, en bij mijn weten zit ze nog steeds niet achter de geraniums. Tien/elf jaar geleden was ze in ieder geval nog bij de pinken met een indrukwekkend verhaal uit Londen. Toen het verscheen, onder de titel “The Rottweiler”, kreeg het in het tijdschrift Red de vermelding: “In Rendell’s expert hands, you’ll want to keep reading until dawn – with the light on.” Trudie vond daarmee dat ik het moest lezen, wat ik de afgelopen dagen dus maar gedaan heb.
Veel in het boek speelt zich af in en rond Star Antiques, een winkel in de betere tweedehands spullen in de Star Street in de wijk Paddington. Eigenares van de winkel is de 55 jarige Inez met als hulpje Zeinab. Hoewel Inez daarvan niet op de hoogte is, is Zeinab getrouwd met Algy, heeft twee kinderen en een moeder, Reem, die alles van uitkeringen afweet. Vanuit de winkel houdt Zeinab er als extraatje twee verloofden op na, Rowly en Morton, die haar allebei paaien met cadeautjes. Vooral rijkaard Morton is uiterst gul met zijn dure sieraden. In de woning boven de winkel woont Inez zelf op een hoog, die op twee hoog is gesplitst in die van Will en van de Russische Ludmila met haar klassieke muziek en haar spraakzame vriend Freddy. Will is onderontwikkeld, om het eens netjes te zeggen, maar hij krijgt externe steun van zijn tante Becky, een vrouw met een drank- en een mannenprobleem. Boven de woningen van Will en van Ludmila is de grote dakwoning van Jeremy, een computerman, die vooral van zijn moeder houdt, en ook nog een andere woning heeft onder zijn eigen naam Alexander.
Zijn jullie daarmee voldoende bijgepraat over Star Antiques, dan mag ik nu naar bijv. de buren: juweliertje Khoury en inbreker Anwar (en diens vrienden). En laten we de werkbaas van Will, Keith, niet vergeten en diens zusje Kim, plus Becky’s nieuwe vriend James? Terzijde, Will gaat op zoek naar een schat, nadat hij de film “The treasure of Sixth Avenue” gezien heeft. En Inez kijkt ’s avonds naar de politieserie met haar overleden man Martin in de hoofdrol. Staat alles nu op zijn plaats? Dan is het eindelijk tijd voor een vijftal moorden, steeds meisjes met een bepaald parfum op. In volgorde gaat het om Gaynor, Nicole, Rebecca, Caroline en Jacky. De moordenaar wurgt ze en neemt steeds een kleinigheid mee om thuis om daar te koesteren (zoals een zakhorloge en een paar oorringen). De pers noemt de moordenaar al snel “The Rottweiler” (ten onrechte) en de politie, in de persoon van o.a. Crippen, Osnabrook, Zulueta en Jones, gaat naarstig op zoek naar de dader. Tegelijkertijd besluiten Anwar en zijn vrienden om de woningen van Star Antiques leeg te halen. Wordt de moordenaar ontdekt en opgepakt?
Ruth Rendell is met haar boek, ruim 400 bladzijden, in ieder geval goed voor de nodige glimlachjes bij mij. Er valt met de diverse personen het nodige te gniffelen. Echter, spannend is anders. Ik heb bij het lezen van “The Rottweiler” niet voortdurend zitten denken: wie zou het gedaan hebben of zou de politie nu doorhebben dat X de moordenaar is? Een leuk boek is en blijft het, dit zoveelste werk van Ruth Rendell, maar de zenuwen gierden me bij het lezen niet door mijn keel. Dat kost bij een thriller punten, weten jullie, en dus kom ik niet verder als een 7½ als recensiecijfer. Ruth Rendell is nog niet van me af, ik heb in Maastricht nog een Barbara Vine liggen (RR onder schuilnaam) en die ga ik t.z.t. zeker proberen.