vrijdag 8 januari 2016

Weblogbrief 11.12, 8 januari 2016

Weblogbrief 11.12, 8 januari 2016

Queridos Países Bajeros, beste Hollanders, hier is alweer mijn twaalfde brief in deze subtropische Palmese winter. Ik weet niet wanneer jullie de vorige hebben ontvangen, laat staan gelezen, maar afgelopen maandagmiddag heb ik hem met alles wat ik in me had, verstuurd vanaf de universiteit. Deze twaalfde keer is het mijn Driekoningenweek, ter ere van het hoogfeest voor de kinderen hier. El Corte Inglés zet zich in de kijker met “Felices Reyes” en op diverse plaatsten in de stad zie ik de speciale brievenbussen staan waarin het grut zijn liefde voor de “three wise men” alsmede zijn cadeauwensen schriftelijk kenbaar kan maken. De kinderfeestdagen zijn op 5 en 6 januari, maar als ik deze alinea schrijf, is het pas 3 januari.

Het leven hier, zeker dat van het overheidspersoneel, staat nog steeds op een laag pitje en dat blijft zo nog even. Het is druk op de boulevard, er is geen tafeltje onbezet in de cafés annex restaurants en werken, ho maar. Ik denk oprecht dat mensen van bijv. de universiteit betaald verlof hebben van zeg 23 december tot na Driekoningen. Dat is nog eens extra vakantietijd.
Bij mijn uitstaphalte zie ik een advertentie van een man in zijn onderbroek, zijn “geval”in de aanslag. “Si te gustó el primer agujero”, als je het eerste gat kon waarderen, staat erbij, dan vind je dit gat ook wel in orde. Laat ik maar vlug doorlopen naar de universiteit, denk ik dan, voordat ik een klacht wil indienen.

In mijn eerste boek, zie verder beneden, kom ik een paar keer de uitdrukking“Zo gewonnen, zo geronnen” tegen. Ik heb hier geen Grote Van Dale woordenboek hier bij de hand en de uitdrukking staat ook niet in mijn Nederlands-Spaanse woordenboek. Wel in het Nederlands-Engelse, dat het over: “Easy come, easy go”heeft, terwijl ik in het Nederlands-Franse als vertaling vind: “Ce qui vient de la flute, s’en retourne au tambour”. Ben ik nu helemaal bijgepraat? Eerlijk gezegd, nog steeds niet. Geronnen, “coagulado”?

“Zoals de ouden zongen, piepen de jongen”. Dat lijkt me een aardig begin voor mijn eerste muzikale uitstapje: nieuwe Country & Westernmuziek in een oud jasje, dat van Buck Owens (1929-2006). Het allereerste album dat ik van Buck Owens heb, dateert van 1961. Het heet “Buck Owens” en dan zal het ook wel in het echt diens eerste plaat zijn, samen met zijn begeleidingsgroep The Buckaroos. Daarna volgen er nog een heleboel, o.a. een achttal Cd’s over zijn periode 1969-1975, die ik in zijn totaliteit heb en zijn “The Buck Owens Collection” en “The Very Best Of Buck Owens”, waarvan ik een deel in mijn verzameling heb zitten.
Vergeleken met Buck Owens is Dwight Yoakam, geboren in 1956, een jong ventje. Diens eerste Cd dateert bij mijn weten van 1986, maar ik heb er nog veel meer van hem. Hier staan ze onder elkaar:
(1986) Guitars, Cadillacs, Etc., Etc.
(1987) Hillbilly Deluxe
(1988) Buenas Noches From A Lonely Room
(1990) If There Was A Way
(1993) This Time
(2007) Dwight Sings Buck
(2012) 3 Pears
(C2013) 21th Century Hits. Best Of 2000-2012
Waar het me in deze toevoeging vooral om te doen is, is Dwight Yoakam’s Cd uit 2007, een jaar na het overlijden van Buck Owens: “Dwight Sings Buck”. Ik vind dat een heel mooie plaat en dan begint deze jongen zich wel af te vragen hoe de vijftien oorspronkelijke nummers stuk voor stuk ook al weer waren. Ik heb er veertien van de vijftien op mijn harde schijf; alleen nummertje 6 ontbreekt. Hier is de hele serie nummers van Dwight Yoakam’s Cd, maar dan gezongen door Buck Owens zelf. Uiteraard zijn ook The Buckaroos van de partij en op vier van de nummers uit 1970-71 komt ook Buck’s beschermelinge Susan Raye aan bod. Daar gaan we:
01.My heart skipt a beat
02.Foolin’ around
03.I don’t care (just as long as you love me)
04.Only you
05.Act naturally
06.Down on the corner of love (DY)
07.Cryin’ time (& Susan Raye)
08.Above andbeyond
09.Love’s gonna live here
10.Close upthehonkytonks
11.Under yourspellagain
12.Your tender lovin‘ care (& Susan Raye)
13.Excuse me (I think I’ve got a heartache)
14.Think of me (& Susan Raye)
15.Together again (& Susan Raye)
Uiteraard komen op de plaat heel wat hits voorbij, waarvan ik de laatste, “Together again”, dat hij met Susan Raye zingt, misschien wel de mooiste vind. (Voor wie dat interesseert, kan ik het nummer ook laten horen in bijv. de versie van Chris Hillman, Dean Martin, Emmylou Harris, Gram Parsons, RayCharles en Rod Stewart.). Een pareltje van een eigen compilatie vind ik het!

Eerder heb ik hier een reclame van vliegtuigmaatschappij Binter eens de ruimte gegeven, de regionale vliegmaatschappij, die sinds een paar jaar voorzichtig ook uitstapjes naar het buitenland maakt. Eerlijk gezegd vind ik die uitstapjes hiervandaan naar bijv. Lissabon en Agadir aan de dure kant.
In dezelfde sfeer, maar wel goedkoper, dient zich nu ook in Spanje Iberia Express aan. Via die dochter van Iberia, neem ik maar aan, kun je nu kennelijk goedkoop naar Madrid vliegen en vandaaruit verder de wijde wereld in. Aan de andere kant, het zijn m.i. allemaal pogingen van het establishment om echte prijsvechters zoals Ryanair bij te benen. Als je met de laatste minder comfortabel en soms op een fout tijdstip, maar wel heel goedkoop kunt vliegen, dan kiezen de meeste mensen niet langer voor een reguliere maatschappij zoals KLM, Iberia of zelfs Condor, ook al krijg je daar nog je bakje koffie en broodje inclusief. Het is niet anders.

Bij de Everly Brothers weet ik niet of ik ze onder Country of onder Pop moet rangschikken, maar mooi waren ze en blijven ze. De eerste single van Don & Phil is geloof ik niet “Bye bye love” (met het wonderschone “I Wonder if I care as much” op de B-kant), maar net daarvóór nog “Keep a’lovin’ me” met “Don’t let our love die”. Bij mijn weten deed die plaat niks, in ieder geval niet landelijk. Met “Bye bye love” kwamen de diverse wereldhits bij Cadence records - zie de Cd “Cadence classics” van het duo, 20 nummers. Interessant is ook Harry’s recente artikel over de kleine platenmaatschappij, waarbij ik hier speciaal nog Vaughn Meader’sLp “First family” uit 1962 moet noemen.
Vanaf begin jaren zestig gingen de Everlys met een vet nieuw contract over naar Warner. Hun carrière liep ergens dood eind jaren zestig. Dan, eerst in 1988 en daarna in 1990, kwamenuit het niets twee nieuwe Cd’s van ze uit, die me na aan het hart gaanen die ik hier met enige trots aan jullie noem. Ik moet kiezen tussen “I want you to know”en “Sweet memories” en de laatste wordt het. Kennen jullie de nummers daarvan (nog):
01.Sweet memories
02.The brandnew Tennessee waltz
03.Somebody nobodyknows
04.Breakdown
05.Not fade away
06.Mandolin wind
07.The airthat I breathe
08.Lay it down
09.Stories we couldtell
10.Paradise
11.Watching itgo
12.Husbands andwives
13.Rocky top
14.Our song
15.Up in Mabel’s room
16.Woman, don’t try to tie me down
Over de Everly brothers wil ik van niemand een kwaad woord horen, ook niet over de decennia na hun grote hits, toen ze solo nog wat probeerden. Wat is het jammer dat Phil met zijn prachtige tweede stem dood is, maar zo gaat dat helaas. Op de Cd “Sweet memories” heb ik uiteraard iets met het titelnummer, prachtig is het woord, maar ook met bijv. “Somebody nobody knows”, “Mandolin wind” (de eerdere hit van Rod Stewart), “Stories that we could tell” en “Our song”. En de oude hit van The Hollies “The air that I breathe” is in het jasje van de Everly brothers een klassieker om nooit meer te vergeten. Bij dat nummer heeft Trudie me wel eens aan het meezingen gekregen en dat wil wat zeggen: bovenaardse klasse!

In Nederland wil het nog wel eens de hele dag door regenen. Hier is het omgekeerde aan de hand. Het kan weken achter elkaar echt kurkdroog blijven, ook in de winter, en dan niet alleen tot schande van de boeren, maar ook van de Palmezen. Die snakken ook af en toe naar een mals buitje. Als dat omlaag komt, zie je de stadse meute opleven.
Afgelopen dinsdagmiddag was het eindelijk zo ver, en niet één keer, maar bij herhaling. Toen ik om kwart over 5 op het punt stond om op Santa Catalina naar de Driekoningenoptocht te gaan kijken, viel het met bakken uit de hemel. Gelukkig voor mij en de drie koningen was het even later weer over en kon ik me zonder paraplu en poncho – die heb ik hier niet - tussen het Canarische volksdeel opstellen. Ik keek uit op een woud van poncho’s; Trudie zou ervan gesmuld hebben. Een aardig deel van de mensen, van ongeveer baby’s nog tot stokoude opa’s en oma’s, was gehuld in iets van plastic, in alle kleuren van de regenboog, zowel preventief als nu ook om het hemelwater tegen te houden. Even later - de eerste “carroza”, praalwagen, kwam net aanzetten - begon het opnieuw te plenzen. Nu werden ook honderden, wat zeg ik: duizenden paraplu’s tegelijkertijd de lucht in gestoken. Ik was blij dat ik een overdekt plekje vond net voor het gebouwtje van de “guaguasmunicipales”.
De optocht bestond uit twee delen. Eerst kwamen er in de stromende regen ongeveer 15 a 20 “carrozas” voorbij. Omdat ze in kolonne kwamen en gingen, liep de muziek van de ene wagen zonder mankeren over in de andere. Dat is met het meeblèren wel eens hinderlijk, ja. De zanglustige toeschouwers zetten net in op het ene deuntje, komt er alweer andere muziek uit andere luidsprekers. Alles is hier “industry driven”: Kalise, Tirma, Caser, het bekende rijtje. El Corte Inglés had misschien wel de toepasselijkste “carrozo”, die ik ook nog met carnaval goed wil keuren: een Aladin-wagen met oliekannetje, die nu nog “Jingle bells rock” speelde, twee weken na kerstmis, dat weer wel. En de leukste wagen - ik kan het niet helpen - was ook deze keer van Hiperdino met zijn dansende vooraardse monsters. Zij deinden mee op iets Spaans dat mij onbekend was, maar het publiek om mij heen grote lol bezorgde.
Vervolgens viel er “e look” van wel tien minuten, het lijkt wel “de groeten optoch in Mestreech”, maar toen was het wel droog. Het begon pas weer opnieuw te gieten, toen het tweede deel van de “cabalgata”, de glorieuze intocht, in zicht kwam. Vanonder mijn afdak, opnieuw, zag ik eerst een harmonie doedelzakspelers (op zijn Galicisch?) voorbij komen met pal daarachter een hele meute Romeinen –“olé, olé, de Romeine zien oké”, maar dan op zijn Spaans.Tenslotte denderden de drie wijzen uit het oosten met hun bedienden en dromedarissen in marstempo langsin rood, blauw en groen. Volgens mij waren Melchor, Gaspar en Baltasar dezelfde drie hotemetoten die in de vorige jaren ook al naar mij en vooral naar de kleintjes van LasPalmas gezwaaid hadden, maar leuk blijft het. Er werden nog de nodige laatste moment brieven aan het drietal overhandigd, intussen aardig nat, voordat we terug naar haard en huis mochten. Een triomfantelijke mars over de boulevard zat er vanwege de weersomstandigheid voor mij niet in, deze keer.Ik was nog net voor het donker weer op mijn appartement.

Op de feestdag zelf zit ik ’s ochtendseen beetje beteuterd voor me uit te kijken. Is het omdat ik geen kadootje van het drietal heb gekregen, zelfs niet in aanmerking kom voor een portie “carbón”? Of omdat ik in toenemende mate gemengde gevoelens bij mijn (Ierse) boek heb? In ieder geval regent het niet en lijkter ook geen regen op komst. Het is op Driekoningen hier nog rustiger dan het hier doorgaans op een zondagochtend is. Pas om 11 uur zie ik de eerste kinderen met hun speelgoed op straat verschijnen. Een jongetje van lagere school leeftijd loopt om zich heen te schieten met een kalasjnikov. Even later zie ik een ander jongetje, meer van kleuterschoolleeftijd, met een rode trapauto voor bij komen. Het apparaat heeft alles weg had van een rode sportwagen (en ik denk aan “Little red Corvette” van Prince). Zijn vader duwt hem voorzichtig over de Luis Morote bij mij onder langs in de richting van Santa Catalina.

Dit jaar - nieuw ten opzichte van eerdere jaren - is dat de stadsbussen gewoon over Santa Catalina blijven rijden. Er wordt druk gewerkt aan het opzetten van het carnavalspodium, alleen staan de stoelen nog opgestapeld en zie ik nog steeds geen tribunes. Dus kunnen we tot vandaag nog steeds gewoon op Santa Catalina opstappen op onze favoriete bus. Pas morgen, heb ik begrepen, is het plein pas voor bussen taboe en moeten ze onder het plein door.

Juli verklaarde mij onlangs dat hij helemaal niets ziet in vegetarisme. “Als je daaraan gaat toegeven, dat je alleen nog maar groente en dergelijke mag eten…”, was zijn ongezouten mening hierover. Hij en ik believen graag een stukje vlees op zijn tijd en dat laten wij ons liever niet afnemen door mensen die zich in sojabonen en foute rijst moeten. Juli kiept liever een kalfsruggetje, een lamspoot of een volledige zeebaars in de pan.
Stel dat binnenkort een of andere wetenschapper onomstotelijk aantoont dat watermeloenen, bloemkolen en aardappelen ook gevoelens hebben, zelfs pijn kunnen lijden. En dat de bond van vegetariërs die uitkomst wil doortrekken naar steeds meer “frutas y verduras”. Zou dat dan betekenen dat er nog minder overblijft om met een gerust hart bij een stukje stokbrood weg te werken? Vegetariërs hebben m.i. volkomen gelijk, als ze beweren dat wij rijkaards te veel koeien, varkens en dergelijke eerst vet laten mestenom ze vervolgens met huid en haar te consumeren. Hier zie ik persoonlijk een mooi voorbeeld van iets waarbij ietsje minder een stuk beter is. Maar lekker blijft het, zo’n halve gegrilde kip of een portie zuurvlees, daar is niets aan af te dingen. Aan de andere kant, de massale bio-industrie mag wat mij betreft best verboden worden. Laten we terugkeren naar eenvoudige (landbouw en) veeteelt dichtbij huis en haard.De overheid zou zich daar best voor mogen inzetten.

Het is woensdagmiddag en dan is het mij toegestaan om weer voor een nieuwe muzikant kiezen. Kennen jullie de Texaanse Nanci Griffith al? De dame is van 1953, dus maar ietsje jonger dan Ton, bijna aan de AOW toe. Wat heeft ze me de afgelopen decennia al met Country van de bovenste klas bestookt. Haar hit “From a distance” is wellicht een “eye opener”, zelfs voor de mindere liefhebbers onder jullie. Ongelukkigerwijs heb ik nog maar weinig muziek van haar in mijn bezit, van haar studiocd’s moet ik vooralsnog genoegen nemen met een recent drietal: “Winter marquee” uit 2002, “The loving kind” uit 2009 en “Intersection” uit 2012. Echter, Nanci Griffith maakt al platen vanaf 1978 en van de zomer ga ik er zeker nog meer van haar bemachtigen, meer het oudere werk. Gelukkig heb ik wel nog twee verzamelplaten van haar: “The MCA years, a retrospective” uit 1993 en “From a distance” uit 2002 en daarbij gaf ik denk Peter me met een live Cd uit 1992 (Cambridge, U.K.) “ter lering ende vermaak”.
Kiezen welke Cd ik voor jullie ga opzetten, is een klus. Laat ik eens niet voor iets recents kiezen, maar haar “Retrospective” uit 1993 bij jullie uitproberen. Hier zijn achttien nummers uit haar MCA jaren:
01.Trouble in the fields
02.From a distance
03.I don’t wanna talk about love
04.Deadwood, South Dakota
05.Love at the Five andDime
06.Listen to the radio
07.Gulf coast highway
08.I wishitwouldrain
09.Ford Ecoline
10.So longago
11.If wisheswerechanges
13.Late night Grande Hotel
14.It’s just anothermorninghere
15.Drive-in moviesanddashboardlights
16.There’s a light beyond these woods (Mary Margaret)
17.Outbound plane
18.It’s a hard life whereveryougo
Als ik jullie eens de naam van een rijpe vrouw met een kinderstem moet noemen, komt Nanci Griffith daarvoor in aanmerking (zelfs op haar Cd van 2012). Voor wie haar eens op YouTube wil aanschouwen, doe dat zeg ik, luister en kijk eens naar “Spanish boots of Spanish leather”(geschreven door Bob Dylan), “Across the great divide”samen met Emmylou Harris of Buddy Holly’s “Well, all right” dat ze een keer samen met The Crickets deed in de David Lettermanshow. De “tribute to Buddy Holly” Cd “Not Fade Away” van Nanci Griffith met The Crickets behoort tot de albums die ik nog niet heb; die moet ik zeker nog eens te pakken zien te krijgen.
Maar goed, op de verzamelcd “The MCA years - A Retrospective” zijn er nog weer nummers die boven de andere uitsteken, hoewel ik moeite heb om ze te benoemen (“het beste van het beste”). Ik beperk me hier tot “I don’t wanna talk about love”, “I wish it would rain”, “If wishes were changes”, “It’s just another morning here” en “It’s a hard life wherever you go”. Laat ik bovenal het beste paard van de stal niet vergeten: “Love at the Five and Dime”, een waar feest van een C&W-nummer met een lengte van meer dan zeven minuten. Op dat liedje kom ik terzijde te weten dat een lift in het Engels ook een “lift” is, maar in de Verenigde Staten een “elevator”. En dat de deur van de Woolworth winkellift een ping in zich heeft, voordat ze omhoog of omlaag gaat.

Op Driekoningenavond is het ook op Las Canteras niet druk. Ik zie een “Elsa” voorbijkomen met haar moeder, in een lichtblauwe lange jurk. Charmanter vind ik een iets oudere jongen, die rondrijdt op een plank van twee stukken met aan de uiteinden kleine wielen. Zijn voertuig doet mij denken aan een Segway zonder stuur en stuurstang. Het hangt wel van flitsende lampjes aan elkaar.
Dan zijn er, toch weer, twee piepjonge meisjes, allebei in het roze enmet helm, die hun eerste metalen step, met zijwieltjes, op de boulevard mogen uitproberen. Het ene meisje heeft de dubbele wieltjes aan de voorkant zitten en de andere aan de achterkant. Welke van de twee (“Op een step, op een step, ik ben zo blij dat ik hem heb” van Wim Sonneveld) zou ongevaarlijker zijn? Later komt ook een lagere schooljongen met een V-vormige step voorbij; door je benen op de twee zijstukken te bewegen krijg je hem vooruit. Mag dat wel hier? Echt fietsen is uiteraard helemaal taboe op Las Canteras (behalve voor de politie); vanaf welke leeftijd is ook het steppen niet meer toegestaan?
Los daarvan: waar blijft de tijd, toen een kleine step nog iets raars was en wij, Maastrichtse kinderen een grote autoped als voertuig hadden, met banden die je moest oppompen, een “roller” om het eens op zijn ouderwets te zeggen.
Zoals haast iedere avond probeert de ijverigeman van de loterijen mij onder het luidkeels roepen van “Suerte” een lot te verkopen. Die maakt wat kilometers op een middag en avond; Trudie met haar geocaching is er niks bij! Lieve lezers, als je de gigantische Kerstmis-loterij (El Gordo) zonder dat je prijs hebt, net achter de rug hebt, ook bij de Nieuwsjaars-loterij alleen maar nieten hebtgetrokken en tot overmaat niet eens je eigen geld hebt terugverdiendin de Driekoningen-loterij, waarom zou je dan monter weer een vers lot gaan kopen voor een trekking aanstaand weekend? Zelfs een kraslot is aan mij nooit besteed geweest.

Donderdagavond7 januariis de heilige zandhoop hier, ook wel de “belén de Arena” geheten, eindelijk opgeruimd.Ik ben blij dat de feestdagen nu echt voorbij zijn en we met een gerust hart aan de voorpret van carnaval kunnen beginnen. Hier is het nog even wachten, maar in Maastricht is het a.s. zondag al prijs, als “’t benkelik momint” de nieuwe prins carnaval tevoorschijn tovert. Ik wil al te graag van jullie horen wie dit jaar de eer tebeurt is gevallen. Prins carnaval worden in Maastricht, het blijft “iets” hebben, ondanks de Tempeleers zeg ik erbij, net als hier de uitverkiezing van de carnavalskoningin.
Wat ik helaas ook ga missen, is de nieuwe uitvoering van het illustere “Veldeke kabberèt”. Trudie gaat er met Marij de komende zondagavond heen, geloof ik. Ze mogen allebei één iemand meenemen en jammer is en blijft het dat Trudie voor die avond een andere compagnon in gedachte heeft. Over een goeie week zit ze wel weer hier in Las Palmas, samen met Marcel, Damaris & Yves.

Het is echt een week van verjaardagen. Zondag was Greetje jarig, woensdag Anoek en op 9 januari, morgen dus, is Eva aan de beurt.¡Cumpleaños feliz, muchachas! Intussen word ik er ook niet jonger op.Met carnaval, als ik in Maastricht ben, zal ik proberen mijn rimpels met schmink weg te werken. En als dat niet lukt, is het voor mij botoxen geblazen, of natuurlijk met een maske(s) oplopen van iemand die gebotoxt is.
En daar laat ik het bij voor deze week. Ik zie jullie hopelijk terug over een week, waarschijnlijk op donderdag 14 of vrijdag 15 januari. Maastrichtenaren, beloof me dat jullie wel in de Grote Staat staan, als de Groeten Oonbekinde voorbij komt op weg naar de Spilstraat (“Spèlstraot”?) en dan langs McDonalds naar de Markt afdaalt. Het is nog maar een maand en dan kunnen we er weer vol tegenaan. Ik ook, laat er zelfs de “gran cabalgata” hier voor schieten. Tot ziens maar weer, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Hier is mijn eerste boek van deze door-de-week. Het is er een van de Engelsman R.J. Ellory, van wie ik er in deze rubriek al vele in positieve zin heb mogen bespreken. Deze keer is “Een ongenode gast” uit 2014 aan de beurt. In het Engels heet het “Ghostheart”, maar ik had de Nederlandse vertaling op weg naar Las Palmas in mijn koffer zitten, dus moet die er hier aan geloven.
Het is het verhaal van de New Yorkse Annie O’Neill. Ze is 30 en woont drie hoog in een flat met als overbuurman Jack Sullivan, een dronkenlap van 55 jaar, met wie ze het heel goed kan vinden. Haar spaarzame geld verdient ze met het runnen van een tweedehands boekwinkel in de buurt, The Reader’s Rest (hoek West107th en Duke Ellington in Manhattan). Naast het vasthouden van een handje vaste klanten plus enkele toevallige bezoekersheeft ze niet veel omhanden. Dan verschijnt de bejaarde (Robert) Forrester ten tonele, die iets over haar lang geleden overleden vader weet en haar een deel van een niet uitgegeven manuscript ter lezing achterlaat. Dat gaat over het turbulente leven van ene Haim Kolzac of Rosen, die zich in New York Harry Rose is gaan noemen. Die wordt de “partner in crime” van Johnnie Redbird, ook al een aanvankelijk onbenullig boefje, maar later worden ze echte boeven. Er gebeurt van alles, dat ik hier niet ga vertellen. Veel later, als ze in de veertig zijn, worden de twee voor een moord opgepakt; Johnnie neemt de schuld op zich en draait de bak in, Rikers Island, tot hij – hoe kan het anders - zeven jaar later weet te ontsnappen. Dan zoekt hij zijn vroegere maat Harry Rose op om de helft van de poen van de twee alsnog terug te krijgen.
Intussen wordt Annie in de werkelijkheid smoorverliefd op ene David Quinn, met wie ze stante pede een gepassioneerde verhouding begint. Echter, na een paar wekengeeft hij er alweer de brui aan en laat Annie uiterst beteuterd achter. Gelukkig is haar buurman Jack Sullivan dan present om haar weer op te peppen.
Daar laat ik het voor de samenvatting bij. Ik heb het boek, bijna 400 bladzijden, in één ruk uitgelezen en spannend is het en blijft het. Ellory maakt van “Ghostheart” een novelle - het hele verhaal speelt zich af in maar een paar maanden – waarbij je je (ik dus) geregeld afvraagt waar het heen zal gaan. Ik beken dat ik het me allemaal ietsje te uitgesponnen voorkwam, maar bij de les bleef ik wel. Ik geef als recensiecijfer een 8 voor het boek, eerlijk verdiend. Alle andere boeken van R.J. Ellory die ik nog niet heb gelezen, krijgen bij dezen ook een toekomstige beurt, besluit ik.

Min of meer zonder bijbedoeling had ik begin november ook het boek “The Sirius crossing” van John Creed in mijn koffer hierheen zitten. John Creed is een Ierse schrijver van thrillers en dit boek, met Jack Valentine in de hoofdrol, is van 2002. Hij won er een Ian Fleming Steel Dagger mee. Het speelt vooral op de grens tussen Ulster en Ierland.
Jack – pas op bladzijde 144 zie ik voor het eerst zijn “surname” Valentine staan– is een secret service agent die er door zijn bazen Sommerville en Curley op uit gestuurd wordt om ergens in Noord-Ierland een zeer dode Amerikaan op te sporen. Diens leven zou decennia terug in een grot (“souterrain”) geëindigd zijn. Zewaren destijds als parachutisten met hun tweeën, de ander kon zijn opdracht wel uitvoeren, maar de dode zou wel allerlei papieren bij zich hebben gehad die nog steeds niet openbaar mogen zijn. Jack Valentine komt op zijn missie in contact met diverse mensen aan de kant van de Britse oppressor, o.a. Ronnie Whitcraft en het koppel Marks & Canning. Eigenlijk heeft Jack Valentine minstens zo veel op met de tegenpartij, de IRA. Namen in dit boek van mensen uit die hoek zijn o.a. Liam Mellows, Paddy Regan en ene Eamon van een pub in Dundalk. Voor wie ook in namen van Amerikanengeïnteresseerd is, noem ik hier John Stone, een heel hoge ambtenaar, en Sirius van de US Special Forces, wiens ware identiteit pas op het einde van het boek bekend wordt. Nogal wat bladzijden in het boek spelen overigens niet in Noord-Ierland of op de Schotse kust, maar op Het Kanaal daartussen - het woord crossing staat voor de oversteek. Twee boten, de Castledawn van Jack Valentine en Quo Vadis van de Britse overheid, allebei in het boek aangesproken met “she”,komen daar uiteindelijk met elkaar en vooral met de woeste zee in aanvaring. De vrouwelijke rol gaat o.a. naar de zus van Liam, Deirdre, en verder naar ene Eva in Berlijn en Kate op een van de Shetland eilanden.
Ik heb John Creed’s boek “The Sirius crossing” in twee dagen helemaal uitgelezen, maar echt mooi kon en kan ik het niet vinden. Halverwege (woensdagmorgen) dacht ik erover om het maar te laten voor wat het was, maar dan had ik jullie maar een halve recensie kunnen bezorgen, grapje. Ik vind dit meer een boek voor bijv. botenliefhebbers dan dat me nu eens haarfijn wordt uitgelegd waarom de IRA het gelijk altijd aan zijn kant heeft gehad dan wel waarom spioneren in de grond een uiterst saaie bezigheid is. Als recensiecijfer kom ik niet verder dan een 6, een voldoende, maar niet meer dan dat. Voor mij hoeven andere boeken van John Creed niet meer. Weblogbrief 11.12, 8 januari 2016

Queridos Países Bajeros, beste Hollanders, hier is alweer mijn twaalfde brief in deze subtropische Palmese winter. Ik weet niet wanneer jullie de vorige hebben ontvangen, laat staan gelezen, maar afgelopen maandagmiddag heb ik hem met alles wat ik in me had, verstuurd vanaf de universiteit. Deze twaalfde keer is het mijn Driekoningenweek, ter ere van het hoogfeest voor de kinderen hier. El Corte Inglés zet zich in de kijker met “Felices Reyes” en op diverse plaatsten in de stad zie ik de speciale brievenbussen staan waarin het grut zijn liefde voor de “three wise men” alsmede zijn cadeauwensen schriftelijk kenbaar kan maken. De kinderfeestdagen zijn op 5 en 6 januari, maar als ik deze alinea schrijf, is het pas 3 januari.

Het leven hier, zeker dat van het overheidspersoneel, staat nog steeds op een laag pitje en dat blijft zo nog even. Het is druk op de boulevard, er is geen tafeltje onbezet in de cafés annex restaurants en werken, ho maar. Ik denk oprecht dat mensen van bijv. de universiteit betaald verlof hebben van zeg 23 december tot na Driekoningen. Dat is nog eens extra vakantietijd.
Bij mijn uitstaphalte zie ik een advertentie van een man in zijn onderbroek, zijn “geval”in de aanslag. “Si te gustó el primer agujero”, als je het eerste gat kon waarderen, staat erbij, dan vind je dit gat ook wel in orde. Laat ik maar vlug doorlopen naar de universiteit, denk ik dan, voordat ik een klacht wil indienen.

In mijn eerste boek, zie verder beneden, kom ik een paar keer de uitdrukking“Zo gewonnen, zo geronnen” tegen. Ik heb hier geen Grote Van Dale woordenboek hier bij de hand en de uitdrukking staat ook niet in mijn Nederlands-Spaanse woordenboek. Wel in het Nederlands-Engelse, dat het over: “Easy come, easy go”heeft, terwijl ik in het Nederlands-Franse als vertaling vind: “Ce qui vient de la flute, s’en retourne au tambour”. Ben ik nu helemaal bijgepraat? Eerlijk gezegd, nog steeds niet. Geronnen, “coagulado”?

“Zoals de ouden zongen, piepen de jongen”. Dat lijkt me een aardig begin voor mijn eerste muzikale uitstapje: nieuwe Country & Westernmuziek in een oud jasje, dat van Buck Owens (1929-2006). Het allereerste album dat ik van Buck Owens heb, dateert van 1961. Het heet “Buck Owens” en dan zal het ook wel in het echt diens eerste plaat zijn, samen met zijn begeleidingsgroep The Buckaroos. Daarna volgen er nog een heleboel, o.a. een achttal Cd’s over zijn periode 1969-1975, die ik in zijn totaliteit heb en zijn “The Buck Owens Collection” en “The Very Best Of Buck Owens”, waarvan ik een deel in mijn verzameling heb zitten.
Vergeleken met Buck Owens is Dwight Yoakam, geboren in 1956, een jong ventje. Diens eerste Cd dateert bij mijn weten van 1986, maar ik heb er nog veel meer van hem. Hier staan ze onder elkaar:
(1986) Guitars, Cadillacs, Etc., Etc.
(1987) Hillbilly Deluxe
(1988) Buenas Noches From A Lonely Room
(1990) If There Was A Way
(1993) This Time
(2007) Dwight Sings Buck
(2012) 3 Pears
(C2013) 21th Century Hits. Best Of 2000-2012
Waar het me in deze toevoeging vooral om te doen is, is Dwight Yoakam’s Cd uit 2007, een jaar na het overlijden van Buck Owens: “Dwight Sings Buck”. Ik vind dat een heel mooie plaat en dan begint deze jongen zich wel af te vragen hoe de vijftien oorspronkelijke nummers stuk voor stuk ook al weer waren. Ik heb er veertien van de vijftien op mijn harde schijf; alleen nummertje 6 ontbreekt. Hier is de hele serie nummers van Dwight Yoakam’s Cd, maar dan gezongen door Buck Owens zelf. Uiteraard zijn ook The Buckaroos van de partij en op vier van de nummers uit 1970-71 komt ook Buck’s beschermelinge Susan Raye aan bod. Daar gaan we:
01.My heart skipt a beat
02.Foolin’ around
03.I don’t care (just as long as you love me)
04.Only you
05.Act naturally
06.Down on the corner of love (DY)
07.Cryin’ time (& Susan Raye)
08.Above andbeyond
09.Love’s gonna live here
10.Close upthehonkytonks
11.Under yourspellagain
12.Your tender lovin‘ care (& Susan Raye)
13.Excuse me (I think I’ve got a heartache)
14.Think of me (& Susan Raye)
15.Together again (& Susan Raye)
Uiteraard komen op de plaat heel wat hits voorbij, waarvan ik de laatste, “Together again”, dat hij met Susan Raye zingt, misschien wel de mooiste vind. (Voor wie dat interesseert, kan ik het nummer ook laten horen in bijv. de versie van Chris Hillman, Dean Martin, Emmylou Harris, Gram Parsons, RayCharles en Rod Stewart.). Een pareltje van een eigen compilatie vind ik het!

Eerder heb ik hier een reclame van vliegtuigmaatschappij Binter eens de ruimte gegeven, de regionale vliegmaatschappij, die sinds een paar jaar voorzichtig ook uitstapjes naar het buitenland maakt. Eerlijk gezegd vind ik die uitstapjes hiervandaan naar bijv. Lissabon en Agadir aan de dure kant.
In dezelfde sfeer, maar wel goedkoper, dient zich nu ook in Spanje Iberia Express aan. Via die dochter van Iberia, neem ik maar aan, kun je nu kennelijk goedkoop naar Madrid vliegen en vandaaruit verder de wijde wereld in. Aan de andere kant, het zijn m.i. allemaal pogingen van het establishment om echte prijsvechters zoals Ryanair bij te benen. Als je met de laatste minder comfortabel en soms op een fout tijdstip, maar wel heel goedkoop kunt vliegen, dan kiezen de meeste mensen niet langer voor een reguliere maatschappij zoals KLM, Iberia of zelfs Condor, ook al krijg je daar nog je bakje koffie en broodje inclusief. Het is niet anders.

Bij de Everly Brothers weet ik niet of ik ze onder Country of onder Pop moet rangschikken, maar mooi waren ze en blijven ze. De eerste single van Don & Phil is geloof ik niet “Bye bye love” (met het wonderschone “I Wonder if I care as much” op de B-kant), maar net daarvóór nog “Keep a’lovin’ me” met “Don’t let our love die”. Bij mijn weten deed die plaat niks, in ieder geval niet landelijk. Met “Bye bye love” kwamen de diverse wereldhits bij Cadence records - zie de Cd “Cadence classics” van het duo, 20 nummers. Interessant is ook Harry’s recente artikel over de kleine platenmaatschappij, waarbij ik hier speciaal nog Vaughn Meader’sLp “First family” uit 1962 moet noemen.
Vanaf begin jaren zestig gingen de Everlys met een vet nieuw contract over naar Warner. Hun carrière liep ergens dood eind jaren zestig. Dan, eerst in 1988 en daarna in 1990, kwamenuit het niets twee nieuwe Cd’s van ze uit, die me na aan het hart gaanen die ik hier met enige trots aan jullie noem. Ik moet kiezen tussen “I want you to know”en “Sweet memories” en de laatste wordt het. Kennen jullie de nummers daarvan (nog):
01.Sweet memories
02.The brandnew Tennessee waltz
03.Somebody nobodyknows
04.Breakdown
05.Not fade away
06.Mandolin wind
07.The airthat I breathe
08.Lay it down
09.Stories we couldtell
10.Paradise
11.Watching itgo
12.Husbands andwives
13.Rocky top
14.Our song
15.Up in Mabel’s room
16.Woman, don’t try to tie me down
Over de Everly brothers wil ik van niemand een kwaad woord horen, ook niet over de decennia na hun grote hits, toen ze solo nog wat probeerden. Wat is het jammer dat Phil met zijn prachtige tweede stem dood is, maar zo gaat dat helaas. Op de Cd “Sweet memories” heb ik uiteraard iets met het titelnummer, prachtig is het woord, maar ook met bijv. “Somebody nobody knows”, “Mandolin wind” (de eerdere hit van Rod Stewart), “Stories that we could tell” en “Our song”. En de oude hit van The Hollies “The air that I breathe” is in het jasje van de Everly brothers een klassieker om nooit meer te vergeten. Bij dat nummer heeft Trudie me wel eens aan het meezingen gekregen en dat wil wat zeggen: bovenaardse klasse!

In Nederland wil het nog wel eens de hele dag door regenen. Hier is het omgekeerde aan de hand. Het kan weken achter elkaar echt kurkdroog blijven, ook in de winter, en dan niet alleen tot schande van de boeren, maar ook van de Palmezen. Die snakken ook af en toe naar een mals buitje. Als dat omlaag komt, zie je de stadse meute opleven.
Afgelopen dinsdagmiddag was het eindelijk zo ver, en niet één keer, maar bij herhaling. Toen ik om kwart over 5 op het punt stond om op Santa Catalina naar de Driekoningenoptocht te gaan kijken, viel het met bakken uit de hemel. Gelukkig voor mij en de drie koningen was het even later weer over en kon ik me zonder paraplu en poncho – die heb ik hier niet - tussen het Canarische volksdeel opstellen. Ik keek uit op een woud van poncho’s; Trudie zou ervan gesmuld hebben. Een aardig deel van de mensen, van ongeveer baby’s nog tot stokoude opa’s en oma’s, was gehuld in iets van plastic, in alle kleuren van de regenboog, zowel preventief als nu ook om het hemelwater tegen te houden. Even later - de eerste “carroza”, praalwagen, kwam net aanzetten - begon het opnieuw te plenzen. Nu werden ook honderden, wat zeg ik: duizenden paraplu’s tegelijkertijd de lucht in gestoken. Ik was blij dat ik een overdekt plekje vond net voor het gebouwtje van de “guaguasmunicipales”.
De optocht bestond uit twee delen. Eerst kwamen er in de stromende regen ongeveer 15 a 20 “carrozas” voorbij. Omdat ze in kolonne kwamen en gingen, liep de muziek van de ene wagen zonder mankeren over in de andere. Dat is met het meeblèren wel eens hinderlijk, ja. De zanglustige toeschouwers zetten net in op het ene deuntje, komt er alweer andere muziek uit andere luidsprekers. Alles is hier “industry driven”: Kalise, Tirma, Caser, het bekende rijtje. El Corte Inglés had misschien wel de toepasselijkste “carrozo”, die ik ook nog met carnaval goed wil keuren: een Aladin-wagen met oliekannetje, die nu nog “Jingle bells rock” speelde, twee weken na kerstmis, dat weer wel. En de leukste wagen - ik kan het niet helpen - was ook deze keer van Hiperdino met zijn dansende vooraardse monsters. Zij deinden mee op iets Spaans dat mij onbekend was, maar het publiek om mij heen grote lol bezorgde.
Vervolgens viel er “e look” van wel tien minuten, het lijkt wel “de groeten optoch in Mestreech”, maar toen was het wel droog. Het begon pas weer opnieuw te gieten, toen het tweede deel van de “cabalgata”, de glorieuze intocht, in zicht kwam. Vanonder mijn afdak, opnieuw, zag ik eerst een harmonie doedelzakspelers (op zijn Galicisch?) voorbij komen met pal daarachter een hele meute Romeinen –“olé, olé, de Romeine zien oké”, maar dan op zijn Spaans.Tenslotte denderden de drie wijzen uit het oosten met hun bedienden en dromedarissen in marstempo langsin rood, blauw en groen. Volgens mij waren Melchor, Gaspar en Baltasar dezelfde drie hotemetoten die in de vorige jaren ook al naar mij en vooral naar de kleintjes van LasPalmas gezwaaid hadden, maar leuk blijft het. Er werden nog de nodige laatste moment brieven aan het drietal overhandigd, intussen aardig nat, voordat we terug naar haard en huis mochten. Een triomfantelijke mars over de boulevard zat er vanwege de weersomstandigheid voor mij niet in, deze keer.Ik was nog net voor het donker weer op mijn appartement.

Op de feestdag zelf zit ik ’s ochtendseen beetje beteuterd voor me uit te kijken. Is het omdat ik geen kadootje van het drietal heb gekregen, zelfs niet in aanmerking kom voor een portie “carbón”? Of omdat ik in toenemende mate gemengde gevoelens bij mijn (Ierse) boek heb? In ieder geval regent het niet en lijkter ook geen regen op komst. Het is op Driekoningen hier nog rustiger dan het hier doorgaans op een zondagochtend is. Pas om 11 uur zie ik de eerste kinderen met hun speelgoed op straat verschijnen. Een jongetje van lagere school leeftijd loopt om zich heen te schieten met een kalasjnikov. Even later zie ik een ander jongetje, meer van kleuterschoolleeftijd, met een rode trapauto voor bij komen. Het apparaat heeft alles weg had van een rode sportwagen (en ik denk aan “Little red Corvette” van Prince). Zijn vader duwt hem voorzichtig over de Luis Morote bij mij onder langs in de richting van Santa Catalina.

Dit jaar - nieuw ten opzichte van eerdere jaren - is dat de stadsbussen gewoon over Santa Catalina blijven rijden. Er wordt druk gewerkt aan het opzetten van het carnavalspodium, alleen staan de stoelen nog opgestapeld en zie ik nog steeds geen tribunes. Dus kunnen we tot vandaag nog steeds gewoon op Santa Catalina opstappen op onze favoriete bus. Pas morgen, heb ik begrepen, is het plein pas voor bussen taboe en moeten ze onder het plein door.

Juli verklaarde mij onlangs dat hij helemaal niets ziet in vegetarisme. “Als je daaraan gaat toegeven, dat je alleen nog maar groente en dergelijke mag eten…”, was zijn ongezouten mening hierover. Hij en ik believen graag een stukje vlees op zijn tijd en dat laten wij ons liever niet afnemen door mensen die zich in sojabonen en foute rijst moeten. Juli kiept liever een kalfsruggetje, een lamspoot of een volledige zeebaars in de pan.
Stel dat binnenkort een of andere wetenschapper onomstotelijk aantoont dat watermeloenen, bloemkolen en aardappelen ook gevoelens hebben, zelfs pijn kunnen lijden. En dat de bond van vegetariërs die uitkomst wil doortrekken naar steeds meer “frutas y verduras”. Zou dat dan betekenen dat er nog minder overblijft om met een gerust hart bij een stukje stokbrood weg te werken? Vegetariërs hebben m.i. volkomen gelijk, als ze beweren dat wij rijkaards te veel koeien, varkens en dergelijke eerst vet laten mestenom ze vervolgens met huid en haar te consumeren. Hier zie ik persoonlijk een mooi voorbeeld van iets waarbij ietsje minder een stuk beter is. Maar lekker blijft het, zo’n halve gegrilde kip of een portie zuurvlees, daar is niets aan af te dingen. Aan de andere kant, de massale bio-industrie mag wat mij betreft best verboden worden. Laten we terugkeren naar eenvoudige (landbouw en) veeteelt dichtbij huis en haard.De overheid zou zich daar best voor mogen inzetten.

Het is woensdagmiddag en dan is het mij toegestaan om weer voor een nieuwe muzikant kiezen. Kennen jullie de Texaanse Nanci Griffith al? De dame is van 1953, dus maar ietsje jonger dan Ton, bijna aan de AOW toe. Wat heeft ze me de afgelopen decennia al met Country van de bovenste klas bestookt. Haar hit “From a distance” is wellicht een “eye opener”, zelfs voor de mindere liefhebbers onder jullie. Ongelukkigerwijs heb ik nog maar weinig muziek van haar in mijn bezit, van haar studiocd’s moet ik vooralsnog genoegen nemen met een recent drietal: “Winter marquee” uit 2002, “The loving kind” uit 2009 en “Intersection” uit 2012. Echter, Nanci Griffith maakt al platen vanaf 1978 en van de zomer ga ik er zeker nog meer van haar bemachtigen, meer het oudere werk. Gelukkig heb ik wel nog twee verzamelplaten van haar: “The MCA years, a retrospective” uit 1993 en “From a distance” uit 2002 en daarbij gaf ik denk Peter me met een live Cd uit 1992 (Cambridge, U.K.) “ter lering ende vermaak”.
Kiezen welke Cd ik voor jullie ga opzetten, is een klus. Laat ik eens niet voor iets recents kiezen, maar haar “Retrospective” uit 1993 bij jullie uitproberen. Hier zijn achttien nummers uit haar MCA jaren:
01.Trouble in the fields
02.From a distance
03.I don’t wanna talk about love
04.Deadwood, South Dakota
05.Love at the Five andDime
06.Listen to the radio
07.Gulf coast highway
08.I wishitwouldrain
09.Ford Ecoline
10.So longago
11.If wisheswerechanges
13.Late night Grande Hotel
14.It’s just anothermorninghere
15.Drive-in moviesanddashboardlights
16.There’s a light beyond these woods (Mary Margaret)
17.Outbound plane
18.It’s a hard life whereveryougo
Als ik jullie eens de naam van een rijpe vrouw met een kinderstem moet noemen, komt Nanci Griffith daarvoor in aanmerking (zelfs op haar Cd van 2012). Voor wie haar eens op YouTube wil aanschouwen, doe dat zeg ik, luister en kijk eens naar “Spanish boots of Spanish leather”(geschreven door Bob Dylan), “Across the great divide”samen met Emmylou Harris of Buddy Holly’s “Well, all right” dat ze een keer samen met The Crickets deed in de David Lettermanshow. De “tribute to Buddy Holly” Cd “Not Fade Away” van Nanci Griffith met The Crickets behoort tot de albums die ik nog niet heb; die moet ik zeker nog eens te pakken zien te krijgen.
Maar goed, op de verzamelcd “The MCA years - A Retrospective” zijn er nog weer nummers die boven de andere uitsteken, hoewel ik moeite heb om ze te benoemen (“het beste van het beste”). Ik beperk me hier tot “I don’t wanna talk about love”, “I wish it would rain”, “If wishes were changes”, “It’s just another morning here” en “It’s a hard life wherever you go”. Laat ik bovenal het beste paard van de stal niet vergeten: “Love at the Five and Dime”, een waar feest van een C&W-nummer met een lengte van meer dan zeven minuten. Op dat liedje kom ik terzijde te weten dat een lift in het Engels ook een “lift” is, maar in de Verenigde Staten een “elevator”. En dat de deur van de Woolworth winkellift een ping in zich heeft, voordat ze omhoog of omlaag gaat.

Op Driekoningenavond is het ook op Las Canteras niet druk. Ik zie een “Elsa” voorbijkomen met haar moeder, in een lichtblauwe lange jurk. Charmanter vind ik een iets oudere jongen, die rondrijdt op een plank van twee stukken met aan de uiteinden kleine wielen. Zijn voertuig doet mij denken aan een Segway zonder stuur en stuurstang. Het hangt wel van flitsende lampjes aan elkaar.
Dan zijn er, toch weer, twee piepjonge meisjes, allebei in het roze enmet helm, die hun eerste metalen step, met zijwieltjes, op de boulevard mogen uitproberen. Het ene meisje heeft de dubbele wieltjes aan de voorkant zitten en de andere aan de achterkant. Welke van de twee (“Op een step, op een step, ik ben zo blij dat ik hem heb” van Wim Sonneveld) zou ongevaarlijker zijn? Later komt ook een lagere schooljongen met een V-vormige step voorbij; door je benen op de twee zijstukken te bewegen krijg je hem vooruit. Mag dat wel hier? Echt fietsen is uiteraard helemaal taboe op Las Canteras (behalve voor de politie); vanaf welke leeftijd is ook het steppen niet meer toegestaan?
Los daarvan: waar blijft de tijd, toen een kleine step nog iets raars was en wij, Maastrichtse kinderen een grote autoped als voertuig hadden, met banden die je moest oppompen, een “roller” om het eens op zijn ouderwets te zeggen.
Zoals haast iedere avond probeert de ijverigeman van de loterijen mij onder het luidkeels roepen van “Suerte” een lot te verkopen. Die maakt wat kilometers op een middag en avond; Trudie met haar geocaching is er niks bij! Lieve lezers, als je de gigantische Kerstmis-loterij (El Gordo) zonder dat je prijs hebt, net achter de rug hebt, ook bij de Nieuwsjaars-loterij alleen maar nieten hebtgetrokken en tot overmaat niet eens je eigen geld hebt terugverdiendin de Driekoningen-loterij, waarom zou je dan monter weer een vers lot gaan kopen voor een trekking aanstaand weekend? Zelfs een kraslot is aan mij nooit besteed geweest.

Donderdagavond7 januariis de heilige zandhoop hier, ook wel de “belén de Arena” geheten, eindelijk opgeruimd.Ik ben blij dat de feestdagen nu echt voorbij zijn en we met een gerust hart aan de voorpret van carnaval kunnen beginnen. Hier is het nog even wachten, maar in Maastricht is het a.s. zondag al prijs, als “’t benkelik momint” de nieuwe prins carnaval tevoorschijn tovert. Ik wil al te graag van jullie horen wie dit jaar de eer tebeurt is gevallen. Prins carnaval worden in Maastricht, het blijft “iets” hebben, ondanks de Tempeleers zeg ik erbij, net als hier de uitverkiezing van de carnavalskoningin.
Wat ik helaas ook ga missen, is de nieuwe uitvoering van het illustere “Veldeke kabberèt”. Trudie gaat er met Marij de komende zondagavond heen, geloof ik. Ze mogen allebei één iemand meenemen en jammer is en blijft het dat Trudie voor die avond een andere compagnon in gedachte heeft. Over een goeie week zit ze wel weer hier in Las Palmas, samen met Marcel, Damaris & Yves.

Het is echt een week van verjaardagen. Zondag was Greetje jarig, woensdag Anoek en op 9 januari, morgen dus, is Eva aan de beurt.¡Cumpleaños feliz, muchachas! Intussen word ik er ook niet jonger op.Met carnaval, als ik in Maastricht ben, zal ik proberen mijn rimpels met schmink weg te werken. En als dat niet lukt, is het voor mij botoxen geblazen, of natuurlijk met een maske(s) oplopen van iemand die gebotoxt is.
En daar laat ik het bij voor deze week. Ik zie jullie hopelijk terug over een week, waarschijnlijk op donderdag 14 of vrijdag 15 januari. Maastrichtenaren, beloof me dat jullie wel in de Grote Staat staan, als de Groeten Oonbekinde voorbij komt op weg naar de Spilstraat (“Spèlstraot”?) en dan langs McDonalds naar de Markt afdaalt. Het is nog maar een maand en dan kunnen we er weer vol tegenaan. Ik ook, laat er zelfs de “gran cabalgata” hier voor schieten. Tot ziens maar weer, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Hier is mijn eerste boek van deze door-de-week. Het is er een van de Engelsman R.J. Ellory, van wie ik er in deze rubriek al vele in positieve zin heb mogen bespreken. Deze keer is “Een ongenode gast” uit 2014 aan de beurt. In het Engels heet het “Ghostheart”, maar ik had de Nederlandse vertaling op weg naar Las Palmas in mijn koffer zitten, dus moet die er hier aan geloven.
Het is het verhaal van de New Yorkse Annie O’Neill. Ze is 30 en woont drie hoog in een flat met als overbuurman Jack Sullivan, een dronkenlap van 55 jaar, met wie ze het heel goed kan vinden. Haar spaarzame geld verdient ze met het runnen van een tweedehands boekwinkel in de buurt, The Reader’s Rest (hoek West107th en Duke Ellington in Manhattan). Naast het vasthouden van een handje vaste klanten plus enkele toevallige bezoekersheeft ze niet veel omhanden. Dan verschijnt de bejaarde (Robert) Forrester ten tonele, die iets over haar lang geleden overleden vader weet en haar een deel van een niet uitgegeven manuscript ter lezing achterlaat. Dat gaat over het turbulente leven van ene Haim Kolzac of Rosen, die zich in New York Harry Rose is gaan noemen. Die wordt de “partner in crime” van Johnnie Redbird, ook al een aanvankelijk onbenullig boefje, maar later worden ze echte boeven. Er gebeurt van alles, dat ik hier niet ga vertellen. Veel later, als ze in de veertig zijn, worden de twee voor een moord opgepakt; Johnnie neemt de schuld op zich en draait de bak in, Rikers Island, tot hij – hoe kan het anders - zeven jaar later weet te ontsnappen. Dan zoekt hij zijn vroegere maat Harry Rose op om de helft van de poen van de twee alsnog terug te krijgen.
Intussen wordt Annie in de werkelijkheid smoorverliefd op ene David Quinn, met wie ze stante pede een gepassioneerde verhouding begint. Echter, na een paar wekengeeft hij er alweer de brui aan en laat Annie uiterst beteuterd achter. Gelukkig is haar buurman Jack Sullivan dan present om haar weer op te peppen.
Daar laat ik het voor de samenvatting bij. Ik heb het boek, bijna 400 bladzijden, in één ruk uitgelezen en spannend is het en blijft het. Ellory maakt van “Ghostheart” een novelle - het hele verhaal speelt zich af in maar een paar maanden – waarbij je je (ik dus) geregeld afvraagt waar het heen zal gaan. Ik beken dat ik het me allemaal ietsje te uitgesponnen voorkwam, maar bij de les bleef ik wel. Ik geef als recensiecijfer een 8 voor het boek, eerlijk verdiend. Alle andere boeken van R.J. Ellory die ik nog niet heb gelezen, krijgen bij dezen ook een toekomstige beurt, besluit ik.

Min of meer zonder bijbedoeling had ik begin november ook het boek “The Sirius crossing” van John Creed in mijn koffer hierheen zitten. John Creed is een Ierse schrijver van thrillers en dit boek, met Jack Valentine in de hoofdrol, is van 2002. Hij won er een Ian Fleming Steel Dagger mee. Het speelt vooral op de grens tussen Ulster en Ierland.
Jack – pas op bladzijde 144 zie ik voor het eerst zijn “surname” Valentine staan– is een secret service agent die er door zijn bazen Sommerville en Curley op uit gestuurd wordt om ergens in Noord-Ierland een zeer dode Amerikaan op te sporen. Diens leven zou decennia terug in een grot (“souterrain”) geëindigd zijn. Zewaren destijds als parachutisten met hun tweeën, de ander kon zijn opdracht wel uitvoeren, maar de dode zou wel allerlei papieren bij zich hebben gehad die nog steeds niet openbaar mogen zijn. Jack Valentine komt op zijn missie in contact met diverse mensen aan de kant van de Britse oppressor, o.a. Ronnie Whitcraft en het koppel Marks & Canning. Eigenlijk heeft Jack Valentine minstens zo veel op met de tegenpartij, de IRA. Namen in dit boek van mensen uit die hoek zijn o.a. Liam Mellows, Paddy Regan en ene Eamon van een pub in Dundalk. Voor wie ook in namen van Amerikanengeïnteresseerd is, noem ik hier John Stone, een heel hoge ambtenaar, en Sirius van de US Special Forces, wiens ware identiteit pas op het einde van het boek bekend wordt. Nogal wat bladzijden in het boek spelen overigens niet in Noord-Ierland of op de Schotse kust, maar op Het Kanaal daartussen - het woord crossing staat voor de oversteek. Twee boten, de Castledawn van Jack Valentine en Quo Vadis van de Britse overheid, allebei in het boek aangesproken met “she”,komen daar uiteindelijk met elkaar en vooral met de woeste zee in aanvaring. De vrouwelijke rol gaat o.a. naar de zus van Liam, Deirdre, en verder naar ene Eva in Berlijn en Kate op een van de Shetland eilanden.
Ik heb John Creed’s boek “The Sirius crossing” in twee dagen helemaal uitgelezen, maar echt mooi kon en kan ik het niet vinden. Halverwege (woensdagmorgen) dacht ik erover om het maar te laten voor wat het was, maar dan had ik jullie maar een halve recensie kunnen bezorgen, grapje. Ik vind dit meer een boek voor bijv. botenliefhebbers dan dat me nu eens haarfijn wordt uitgelegd waarom de IRA het gelijk altijd aan zijn kant heeft gehad dan wel waarom spioneren in de grond een uiterst saaie bezigheid is. Als recensiecijfer kom ik niet verder dan een 6, een voldoende, maar niet meer dan dat. Voor mij hoeven andere boeken van John Creed niet meer. Weblogbrief 11.12, 8 januari 2016

Queridos Países Bajeros, beste Hollanders, hier is alweer mijn twaalfde brief in deze subtropische Palmese winter. Ik weet niet wanneer jullie de vorige hebben ontvangen, laat staan gelezen, maar afgelopen maandagmiddag heb ik hem met alles wat ik in me had, verstuurd vanaf de universiteit. Deze twaalfde keer is het mijn Driekoningenweek, ter ere van het hoogfeest voor de kinderen hier. El Corte Inglés zet zich in de kijker met “Felices Reyes” en op diverse plaatsten in de stad zie ik de speciale brievenbussen staan waarin het grut zijn liefde voor de “three wise men” alsmede zijn cadeauwensen schriftelijk kenbaar kan maken. De kinderfeestdagen zijn op 5 en 6 januari, maar als ik deze alinea schrijf, is het pas 3 januari.

Het leven hier, zeker dat van het overheidspersoneel, staat nog steeds op een laag pitje en dat blijft zo nog even. Het is druk op de boulevard, er is geen tafeltje onbezet in de cafés annex restaurants en werken, ho maar. Ik denk oprecht dat mensen van bijv. de universiteit betaald verlof hebben van zeg 23 december tot na Driekoningen. Dat is nog eens extra vakantietijd.
Bij mijn uitstaphalte zie ik een advertentie van een man in zijn onderbroek, zijn “geval”in de aanslag. “Si te gustó el primer agujero”, als je het eerste gat kon waarderen, staat erbij, dan vind je dit gat ook wel in orde. Laat ik maar vlug doorlopen naar de universiteit, denk ik dan, voordat ik een klacht wil indienen.

In mijn eerste boek, zie verder beneden, kom ik een paar keer de uitdrukking“Zo gewonnen, zo geronnen” tegen. Ik heb hier geen Grote Van Dale woordenboek hier bij de hand en de uitdrukking staat ook niet in mijn Nederlands-Spaanse woordenboek. Wel in het Nederlands-Engelse, dat het over: “Easy come, easy go”heeft, terwijl ik in het Nederlands-Franse als vertaling vind: “Ce qui vient de la flute, s’en retourne au tambour”. Ben ik nu helemaal bijgepraat? Eerlijk gezegd, nog steeds niet. Geronnen, “coagulado”?

“Zoals de ouden zongen, piepen de jongen”. Dat lijkt me een aardig begin voor mijn eerste muzikale uitstapje: nieuwe Country & Westernmuziek in een oud jasje, dat van Buck Owens (1929-2006). Het allereerste album dat ik van Buck Owens heb, dateert van 1961. Het heet “Buck Owens” en dan zal het ook wel in het echt diens eerste plaat zijn, samen met zijn begeleidingsgroep The Buckaroos. Daarna volgen er nog een heleboel, o.a. een achttal Cd’s over zijn periode 1969-1975, die ik in zijn totaliteit heb en zijn “The Buck Owens Collection” en “The Very Best Of Buck Owens”, waarvan ik een deel in mijn verzameling heb zitten.
Vergeleken met Buck Owens is Dwight Yoakam, geboren in 1956, een jong ventje. Diens eerste Cd dateert bij mijn weten van 1986, maar ik heb er nog veel meer van hem. Hier staan ze onder elkaar:
(1986) Guitars, Cadillacs, Etc., Etc.
(1987) Hillbilly Deluxe
(1988) Buenas Noches From A Lonely Room
(1990) If There Was A Way
(1993) This Time
(2007) Dwight Sings Buck
(2012) 3 Pears
(C2013) 21th Century Hits. Best Of 2000-2012
Waar het me in deze toevoeging vooral om te doen is, is Dwight Yoakam’s Cd uit 2007, een jaar na het overlijden van Buck Owens: “Dwight Sings Buck”. Ik vind dat een heel mooie plaat en dan begint deze jongen zich wel af te vragen hoe de vijftien oorspronkelijke nummers stuk voor stuk ook al weer waren. Ik heb er veertien van de vijftien op mijn harde schijf; alleen nummertje 6 ontbreekt. Hier is de hele serie nummers van Dwight Yoakam’s Cd, maar dan gezongen door Buck Owens zelf. Uiteraard zijn ook The Buckaroos van de partij en op vier van de nummers uit 1970-71 komt ook Buck’s beschermelinge Susan Raye aan bod. Daar gaan we:
01.My heart skipt a beat
02.Foolin’ around
03.I don’t care (just as long as you love me)
04.Only you
05.Act naturally
06.Down on the corner of love (DY)
07.Cryin’ time (& Susan Raye)
08.Above andbeyond
09.Love’s gonna live here
10.Close upthehonkytonks
11.Under yourspellagain
12.Your tender lovin‘ care (& Susan Raye)
13.Excuse me (I think I’ve got a heartache)
14.Think of me (& Susan Raye)
15.Together again (& Susan Raye)
Uiteraard komen op de plaat heel wat hits voorbij, waarvan ik de laatste, “Together again”, dat hij met Susan Raye zingt, misschien wel de mooiste vind. (Voor wie dat interesseert, kan ik het nummer ook laten horen in bijv. de versie van Chris Hillman, Dean Martin, Emmylou Harris, Gram Parsons, RayCharles en Rod Stewart.). Een pareltje van een eigen compilatie vind ik het!

Eerder heb ik hier een reclame van vliegtuigmaatschappij Binter eens de ruimte gegeven, de regionale vliegmaatschappij, die sinds een paar jaar voorzichtig ook uitstapjes naar het buitenland maakt. Eerlijk gezegd vind ik die uitstapjes hiervandaan naar bijv. Lissabon en Agadir aan de dure kant.
In dezelfde sfeer, maar wel goedkoper, dient zich nu ook in Spanje Iberia Express aan. Via die dochter van Iberia, neem ik maar aan, kun je nu kennelijk goedkoop naar Madrid vliegen en vandaaruit verder de wijde wereld in. Aan de andere kant, het zijn m.i. allemaal pogingen van het establishment om echte prijsvechters zoals Ryanair bij te benen. Als je met de laatste minder comfortabel en soms op een fout tijdstip, maar wel heel goedkoop kunt vliegen, dan kiezen de meeste mensen niet langer voor een reguliere maatschappij zoals KLM, Iberia of zelfs Condor, ook al krijg je daar nog je bakje koffie en broodje inclusief. Het is niet anders.

Bij de Everly Brothers weet ik niet of ik ze onder Country of onder Pop moet rangschikken, maar mooi waren ze en blijven ze. De eerste single van Don & Phil is geloof ik niet “Bye bye love” (met het wonderschone “I Wonder if I care as much” op de B-kant), maar net daarvóór nog “Keep a’lovin’ me” met “Don’t let our love die”. Bij mijn weten deed die plaat niks, in ieder geval niet landelijk. Met “Bye bye love” kwamen de diverse wereldhits bij Cadence records - zie de Cd “Cadence classics” van het duo, 20 nummers. Interessant is ook Harry’s recente artikel over de kleine platenmaatschappij, waarbij ik hier speciaal nog Vaughn Meader’sLp “First family” uit 1962 moet noemen.
Vanaf begin jaren zestig gingen de Everlys met een vet nieuw contract over naar Warner. Hun carrière liep ergens dood eind jaren zestig. Dan, eerst in 1988 en daarna in 1990, kwamenuit het niets twee nieuwe Cd’s van ze uit, die me na aan het hart gaanen die ik hier met enige trots aan jullie noem. Ik moet kiezen tussen “I want you to know”en “Sweet memories” en de laatste wordt het. Kennen jullie de nummers daarvan (nog):
01.Sweet memories
02.The brandnew Tennessee waltz
03.Somebody nobodyknows
04.Breakdown
05.Not fade away
06.Mandolin wind
07.The airthat I breathe
08.Lay it down
09.Stories we couldtell
10.Paradise
11.Watching itgo
12.Husbands andwives
13.Rocky top
14.Our song
15.Up in Mabel’s room
16.Woman, don’t try to tie me down
Over de Everly brothers wil ik van niemand een kwaad woord horen, ook niet over de decennia na hun grote hits, toen ze solo nog wat probeerden. Wat is het jammer dat Phil met zijn prachtige tweede stem dood is, maar zo gaat dat helaas. Op de Cd “Sweet memories” heb ik uiteraard iets met het titelnummer, prachtig is het woord, maar ook met bijv. “Somebody nobody knows”, “Mandolin wind” (de eerdere hit van Rod Stewart), “Stories that we could tell” en “Our song”. En de oude hit van The Hollies “The air that I breathe” is in het jasje van de Everly brothers een klassieker om nooit meer te vergeten. Bij dat nummer heeft Trudie me wel eens aan het meezingen gekregen en dat wil wat zeggen: bovenaardse klasse!

In Nederland wil het nog wel eens de hele dag door regenen. Hier is het omgekeerde aan de hand. Het kan weken achter elkaar echt kurkdroog blijven, ook in de winter, en dan niet alleen tot schande van de boeren, maar ook van de Palmezen. Die snakken ook af en toe naar een mals buitje. Als dat omlaag komt, zie je de stadse meute opleven.
Afgelopen dinsdagmiddag was het eindelijk zo ver, en niet één keer, maar bij herhaling. Toen ik om kwart over 5 op het punt stond om op Santa Catalina naar de Driekoningenoptocht te gaan kijken, viel het met bakken uit de hemel. Gelukkig voor mij en de drie koningen was het even later weer over en kon ik me zonder paraplu en poncho – die heb ik hier niet - tussen het Canarische volksdeel opstellen. Ik keek uit op een woud van poncho’s; Trudie zou ervan gesmuld hebben. Een aardig deel van de mensen, van ongeveer baby’s nog tot stokoude opa’s en oma’s, was gehuld in iets van plastic, in alle kleuren van de regenboog, zowel preventief als nu ook om het hemelwater tegen te houden. Even later - de eerste “carroza”, praalwagen, kwam net aanzetten - begon het opnieuw te plenzen. Nu werden ook honderden, wat zeg ik: duizenden paraplu’s tegelijkertijd de lucht in gestoken. Ik was blij dat ik een overdekt plekje vond net voor het gebouwtje van de “guaguasmunicipales”.
De optocht bestond uit twee delen. Eerst kwamen er in de stromende regen ongeveer 15 a 20 “carrozas” voorbij. Omdat ze in kolonne kwamen en gingen, liep de muziek van de ene wagen zonder mankeren over in de andere. Dat is met het meeblèren wel eens hinderlijk, ja. De zanglustige toeschouwers zetten net in op het ene deuntje, komt er alweer andere muziek uit andere luidsprekers. Alles is hier “industry driven”: Kalise, Tirma, Caser, het bekende rijtje. El Corte Inglés had misschien wel de toepasselijkste “carrozo”, die ik ook nog met carnaval goed wil keuren: een Aladin-wagen met oliekannetje, die nu nog “Jingle bells rock” speelde, twee weken na kerstmis, dat weer wel. En de leukste wagen - ik kan het niet helpen - was ook deze keer van Hiperdino met zijn dansende vooraardse monsters. Zij deinden mee op iets Spaans dat mij onbekend was, maar het publiek om mij heen grote lol bezorgde.
Vervolgens viel er “e look” van wel tien minuten, het lijkt wel “de groeten optoch in Mestreech”, maar toen was het wel droog. Het begon pas weer opnieuw te gieten, toen het tweede deel van de “cabalgata”, de glorieuze intocht, in zicht kwam. Vanonder mijn afdak, opnieuw, zag ik eerst een harmonie doedelzakspelers (op zijn Galicisch?) voorbij komen met pal daarachter een hele meute Romeinen –“olé, olé, de Romeine zien oké”, maar dan op zijn Spaans.Tenslotte denderden de drie wijzen uit het oosten met hun bedienden en dromedarissen in marstempo langsin rood, blauw en groen. Volgens mij waren Melchor, Gaspar en Baltasar dezelfde drie hotemetoten die in de vorige jaren ook al naar mij en vooral naar de kleintjes van LasPalmas gezwaaid hadden, maar leuk blijft het. Er werden nog de nodige laatste moment brieven aan het drietal overhandigd, intussen aardig nat, voordat we terug naar haard en huis mochten. Een triomfantelijke mars over de boulevard zat er vanwege de weersomstandigheid voor mij niet in, deze keer.Ik was nog net voor het donker weer op mijn appartement.

Op de feestdag zelf zit ik ’s ochtendseen beetje beteuterd voor me uit te kijken. Is het omdat ik geen kadootje van het drietal heb gekregen, zelfs niet in aanmerking kom voor een portie “carbón”? Of omdat ik in toenemende mate gemengde gevoelens bij mijn (Ierse) boek heb? In ieder geval regent het niet en lijkter ook geen regen op komst. Het is op Driekoningen hier nog rustiger dan het hier doorgaans op een zondagochtend is. Pas om 11 uur zie ik de eerste kinderen met hun speelgoed op straat verschijnen. Een jongetje van lagere school leeftijd loopt om zich heen te schieten met een kalasjnikov. Even later zie ik een ander jongetje, meer van kleuterschoolleeftijd, met een rode trapauto voor bij komen. Het apparaat heeft alles weg had van een rode sportwagen (en ik denk aan “Little red Corvette” van Prince). Zijn vader duwt hem voorzichtig over de Luis Morote bij mij onder langs in de richting van Santa Catalina.

Dit jaar - nieuw ten opzichte van eerdere jaren - is dat de stadsbussen gewoon over Santa Catalina blijven rijden. Er wordt druk gewerkt aan het opzetten van het carnavalspodium, alleen staan de stoelen nog opgestapeld en zie ik nog steeds geen tribunes. Dus kunnen we tot vandaag nog steeds gewoon op Santa Catalina opstappen op onze favoriete bus. Pas morgen, heb ik begrepen, is het plein pas voor bussen taboe en moeten ze onder het plein door.

Juli verklaarde mij onlangs dat hij helemaal niets ziet in vegetarisme. “Als je daaraan gaat toegeven, dat je alleen nog maar groente en dergelijke mag eten…”, was zijn ongezouten mening hierover. Hij en ik believen graag een stukje vlees op zijn tijd en dat laten wij ons liever niet afnemen door mensen die zich in sojabonen en foute rijst moeten. Juli kiept liever een kalfsruggetje, een lamspoot of een volledige zeebaars in de pan.
Stel dat binnenkort een of andere wetenschapper onomstotelijk aantoont dat watermeloenen, bloemkolen en aardappelen ook gevoelens hebben, zelfs pijn kunnen lijden. En dat de bond van vegetariërs die uitkomst wil doortrekken naar steeds meer “frutas y verduras”. Zou dat dan betekenen dat er nog minder overblijft om met een gerust hart bij een stukje stokbrood weg te werken? Vegetariërs hebben m.i. volkomen gelijk, als ze beweren dat wij rijkaards te veel koeien, varkens en dergelijke eerst vet laten mestenom ze vervolgens met huid en haar te consumeren. Hier zie ik persoonlijk een mooi voorbeeld van iets waarbij ietsje minder een stuk beter is. Maar lekker blijft het, zo’n halve gegrilde kip of een portie zuurvlees, daar is niets aan af te dingen. Aan de andere kant, de massale bio-industrie mag wat mij betreft best verboden worden. Laten we terugkeren naar eenvoudige (landbouw en) veeteelt dichtbij huis en haard.De overheid zou zich daar best voor mogen inzetten.

Het is woensdagmiddag en dan is het mij toegestaan om weer voor een nieuwe muzikant kiezen. Kennen jullie de Texaanse Nanci Griffith al? De dame is van 1953, dus maar ietsje jonger dan Ton, bijna aan de AOW toe. Wat heeft ze me de afgelopen decennia al met Country van de bovenste klas bestookt. Haar hit “From a distance” is wellicht een “eye opener”, zelfs voor de mindere liefhebbers onder jullie. Ongelukkigerwijs heb ik nog maar weinig muziek van haar in mijn bezit, van haar studiocd’s moet ik vooralsnog genoegen nemen met een recent drietal: “Winter marquee” uit 2002, “The loving kind” uit 2009 en “Intersection” uit 2012. Echter, Nanci Griffith maakt al platen vanaf 1978 en van de zomer ga ik er zeker nog meer van haar bemachtigen, meer het oudere werk. Gelukkig heb ik wel nog twee verzamelplaten van haar: “The MCA years, a retrospective” uit 1993 en “From a distance” uit 2002 en daarbij gaf ik denk Peter me met een live Cd uit 1992 (Cambridge, U.K.) “ter lering ende vermaak”.
Kiezen welke Cd ik voor jullie ga opzetten, is een klus. Laat ik eens niet voor iets recents kiezen, maar haar “Retrospective” uit 1993 bij jullie uitproberen. Hier zijn achttien nummers uit haar MCA jaren:
01.Trouble in the fields
02.From a distance
03.I don’t wanna talk about love
04.Deadwood, South Dakota
05.Love at the Five andDime
06.Listen to the radio
07.Gulf coast highway
08.I wishitwouldrain
09.Ford Ecoline
10.So longago
11.If wisheswerechanges
13.Late night Grande Hotel
14.It’s just anothermorninghere
15.Drive-in moviesanddashboardlights
16.There’s a light beyond these woods (Mary Margaret)
17.Outbound plane
18.It’s a hard life whereveryougo
Als ik jullie eens de naam van een rijpe vrouw met een kinderstem moet noemen, komt Nanci Griffith daarvoor in aanmerking (zelfs op haar Cd van 2012). Voor wie haar eens op YouTube wil aanschouwen, doe dat zeg ik, luister en kijk eens naar “Spanish boots of Spanish leather”(geschreven door Bob Dylan), “Across the great divide”samen met Emmylou Harris of Buddy Holly’s “Well, all right” dat ze een keer samen met The Crickets deed in de David Lettermanshow. De “tribute to Buddy Holly” Cd “Not Fade Away” van Nanci Griffith met The Crickets behoort tot de albums die ik nog niet heb; die moet ik zeker nog eens te pakken zien te krijgen.
Maar goed, op de verzamelcd “The MCA years - A Retrospective” zijn er nog weer nummers die boven de andere uitsteken, hoewel ik moeite heb om ze te benoemen (“het beste van het beste”). Ik beperk me hier tot “I don’t wanna talk about love”, “I wish it would rain”, “If wishes were changes”, “It’s just another morning here” en “It’s a hard life wherever you go”. Laat ik bovenal het beste paard van de stal niet vergeten: “Love at the Five and Dime”, een waar feest van een C&W-nummer met een lengte van meer dan zeven minuten. Op dat liedje kom ik terzijde te weten dat een lift in het Engels ook een “lift” is, maar in de Verenigde Staten een “elevator”. En dat de deur van de Woolworth winkellift een ping in zich heeft, voordat ze omhoog of omlaag gaat.

Op Driekoningenavond is het ook op Las Canteras niet druk. Ik zie een “Elsa” voorbijkomen met haar moeder, in een lichtblauwe lange jurk. Charmanter vind ik een iets oudere jongen, die rondrijdt op een plank van twee stukken met aan de uiteinden kleine wielen. Zijn voertuig doet mij denken aan een Segway zonder stuur en stuurstang. Het hangt wel van flitsende lampjes aan elkaar.
Dan zijn er, toch weer, twee piepjonge meisjes, allebei in het roze enmet helm, die hun eerste metalen step, met zijwieltjes, op de boulevard mogen uitproberen. Het ene meisje heeft de dubbele wieltjes aan de voorkant zitten en de andere aan de achterkant. Welke van de twee (“Op een step, op een step, ik ben zo blij dat ik hem heb” van Wim Sonneveld) zou ongevaarlijker zijn? Later komt ook een lagere schooljongen met een V-vormige step voorbij; door je benen op de twee zijstukken te bewegen krijg je hem vooruit. Mag dat wel hier? Echt fietsen is uiteraard helemaal taboe op Las Canteras (behalve voor de politie); vanaf welke leeftijd is ook het steppen niet meer toegestaan?
Los daarvan: waar blijft de tijd, toen een kleine step nog iets raars was en wij, Maastrichtse kinderen een grote autoped als voertuig hadden, met banden die je moest oppompen, een “roller” om het eens op zijn ouderwets te zeggen.
Zoals haast iedere avond probeert de ijverigeman van de loterijen mij onder het luidkeels roepen van “Suerte” een lot te verkopen. Die maakt wat kilometers op een middag en avond; Trudie met haar geocaching is er niks bij! Lieve lezers, als je de gigantische Kerstmis-loterij (El Gordo) zonder dat je prijs hebt, net achter de rug hebt, ook bij de Nieuwsjaars-loterij alleen maar nieten hebtgetrokken en tot overmaat niet eens je eigen geld hebt terugverdiendin de Driekoningen-loterij, waarom zou je dan monter weer een vers lot gaan kopen voor een trekking aanstaand weekend? Zelfs een kraslot is aan mij nooit besteed geweest.

Donderdagavond7 januariis de heilige zandhoop hier, ook wel de “belén de Arena” geheten, eindelijk opgeruimd.Ik ben blij dat de feestdagen nu echt voorbij zijn en we met een gerust hart aan de voorpret van carnaval kunnen beginnen. Hier is het nog even wachten, maar in Maastricht is het a.s. zondag al prijs, als “’t benkelik momint” de nieuwe prins carnaval tevoorschijn tovert. Ik wil al te graag van jullie horen wie dit jaar de eer tebeurt is gevallen. Prins carnaval worden in Maastricht, het blijft “iets” hebben, ondanks de Tempeleers zeg ik erbij, net als hier de uitverkiezing van de carnavalskoningin.
Wat ik helaas ook ga missen, is de nieuwe uitvoering van het illustere “Veldeke kabberèt”. Trudie gaat er met Marij de komende zondagavond heen, geloof ik. Ze mogen allebei één iemand meenemen en jammer is en blijft het dat Trudie voor die avond een andere compagnon in gedachte heeft. Over een goeie week zit ze wel weer hier in Las Palmas, samen met Marcel, Damaris & Yves.

Het is echt een week van verjaardagen. Zondag was Greetje jarig, woensdag Anoek en op 9 januari, morgen dus, is Eva aan de beurt.¡Cumpleaños feliz, muchachas! Intussen word ik er ook niet jonger op.Met carnaval, als ik in Maastricht ben, zal ik proberen mijn rimpels met schmink weg te werken. En als dat niet lukt, is het voor mij botoxen geblazen, of natuurlijk met een maske(s) oplopen van iemand die gebotoxt is.
En daar laat ik het bij voor deze week. Ik zie jullie hopelijk terug over een week, waarschijnlijk op donderdag 14 of vrijdag 15 januari. Maastrichtenaren, beloof me dat jullie wel in de Grote Staat staan, als de Groeten Oonbekinde voorbij komt op weg naar de Spilstraat (“Spèlstraot”?) en dan langs McDonalds naar de Markt afdaalt. Het is nog maar een maand en dan kunnen we er weer vol tegenaan. Ik ook, laat er zelfs de “gran cabalgata” hier voor schieten. Tot ziens maar weer, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Hier is mijn eerste boek van deze door-de-week. Het is er een van de Engelsman R.J. Ellory, van wie ik er in deze rubriek al vele in positieve zin heb mogen bespreken. Deze keer is “Een ongenode gast” uit 2014 aan de beurt. In het Engels heet het “Ghostheart”, maar ik had de Nederlandse vertaling op weg naar Las Palmas in mijn koffer zitten, dus moet die er hier aan geloven.
Het is het verhaal van de New Yorkse Annie O’Neill. Ze is 30 en woont drie hoog in een flat met als overbuurman Jack Sullivan, een dronkenlap van 55 jaar, met wie ze het heel goed kan vinden. Haar spaarzame geld verdient ze met het runnen van een tweedehands boekwinkel in de buurt, The Reader’s Rest (hoek West107th en Duke Ellington in Manhattan). Naast het vasthouden van een handje vaste klanten plus enkele toevallige bezoekersheeft ze niet veel omhanden. Dan verschijnt de bejaarde (Robert) Forrester ten tonele, die iets over haar lang geleden overleden vader weet en haar een deel van een niet uitgegeven manuscript ter lezing achterlaat. Dat gaat over het turbulente leven van ene Haim Kolzac of Rosen, die zich in New York Harry Rose is gaan noemen. Die wordt de “partner in crime” van Johnnie Redbird, ook al een aanvankelijk onbenullig boefje, maar later worden ze echte boeven. Er gebeurt van alles, dat ik hier niet ga vertellen. Veel later, als ze in de veertig zijn, worden de twee voor een moord opgepakt; Johnnie neemt de schuld op zich en draait de bak in, Rikers Island, tot hij – hoe kan het anders - zeven jaar later weet te ontsnappen. Dan zoekt hij zijn vroegere maat Harry Rose op om de helft van de poen van de twee alsnog terug te krijgen.
Intussen wordt Annie in de werkelijkheid smoorverliefd op ene David Quinn, met wie ze stante pede een gepassioneerde verhouding begint. Echter, na een paar wekengeeft hij er alweer de brui aan en laat Annie uiterst beteuterd achter. Gelukkig is haar buurman Jack Sullivan dan present om haar weer op te peppen.
Daar laat ik het voor de samenvatting bij. Ik heb het boek, bijna 400 bladzijden, in één ruk uitgelezen en spannend is het en blijft het. Ellory maakt van “Ghostheart” een novelle - het hele verhaal speelt zich af in maar een paar maanden – waarbij je je (ik dus) geregeld afvraagt waar het heen zal gaan. Ik beken dat ik het me allemaal ietsje te uitgesponnen voorkwam, maar bij de les bleef ik wel. Ik geef als recensiecijfer een 8 voor het boek, eerlijk verdiend. Alle andere boeken van R.J. Ellory die ik nog niet heb gelezen, krijgen bij dezen ook een toekomstige beurt, besluit ik.

Min of meer zonder bijbedoeling had ik begin november ook het boek “The Sirius crossing” van John Creed in mijn koffer hierheen zitten. John Creed is een Ierse schrijver van thrillers en dit boek, met Jack Valentine in de hoofdrol, is van 2002. Hij won er een Ian Fleming Steel Dagger mee. Het speelt vooral op de grens tussen Ulster en Ierland.
Jack – pas op bladzijde 144 zie ik voor het eerst zijn “surname” Valentine staan– is een secret service agent die er door zijn bazen Sommerville en Curley op uit gestuurd wordt om ergens in Noord-Ierland een zeer dode Amerikaan op te sporen. Diens leven zou decennia terug in een grot (“souterrain”) geëindigd zijn. Zewaren destijds als parachutisten met hun tweeën, de ander kon zijn opdracht wel uitvoeren, maar de dode zou wel allerlei papieren bij zich hebben gehad die nog steeds niet openbaar mogen zijn. Jack Valentine komt op zijn missie in contact met diverse mensen aan de kant van de Britse oppressor, o.a. Ronnie Whitcraft en het koppel Marks & Canning. Eigenlijk heeft Jack Valentine minstens zo veel op met de tegenpartij, de IRA. Namen in dit boek van mensen uit die hoek zijn o.a. Liam Mellows, Paddy Regan en ene Eamon van een pub in Dundalk. Voor wie ook in namen van Amerikanengeïnteresseerd is, noem ik hier John Stone, een heel hoge ambtenaar, en Sirius van de US Special Forces, wiens ware identiteit pas op het einde van het boek bekend wordt. Nogal wat bladzijden in het boek spelen overigens niet in Noord-Ierland of op de Schotse kust, maar op Het Kanaal daartussen - het woord crossing staat voor de oversteek. Twee boten, de Castledawn van Jack Valentine en Quo Vadis van de Britse overheid, allebei in het boek aangesproken met “she”,komen daar uiteindelijk met elkaar en vooral met de woeste zee in aanvaring. De vrouwelijke rol gaat o.a. naar de zus van Liam, Deirdre, en verder naar ene Eva in Berlijn en Kate op een van de Shetland eilanden.
Ik heb John Creed’s boek “The Sirius crossing” in twee dagen helemaal uitgelezen, maar echt mooi kon en kan ik het niet vinden. Halverwege (woensdagmorgen) dacht ik erover om het maar te laten voor wat het was, maar dan had ik jullie maar een halve recensie kunnen bezorgen, grapje. Ik vind dit meer een boek voor bijv. botenliefhebbers dan dat me nu eens haarfijn wordt uitgelegd waarom de IRA het gelijk altijd aan zijn kant heeft gehad dan wel waarom spioneren in de grond een uiterst saaie bezigheid is. Als recensiecijfer kom ik niet verder dan een 6, een voldoende, maar niet meer dan dat. Voor mij hoeven andere boeken van John Creed niet meer. Weblogbrief 11.12, 8 januari 2016

Queridos Países Bajeros, beste Hollanders, hier is alweer mijn twaalfde brief in deze subtropische Palmese winter. Ik weet niet wanneer jullie de vorige hebben ontvangen, laat staan gelezen, maar afgelopen maandagmiddag heb ik hem met alles wat ik in me had, verstuurd vanaf de universiteit. Deze twaalfde keer is het mijn Driekoningenweek, ter ere van het hoogfeest voor de kinderen hier. El Corte Inglés zet zich in de kijker met “Felices Reyes” en op diverse plaatsten in de stad zie ik de speciale brievenbussen staan waarin het grut zijn liefde voor de “three wise men” alsmede zijn cadeauwensen schriftelijk kenbaar kan maken. De kinderfeestdagen zijn op 5 en 6 januari, maar als ik deze alinea schrijf, is het pas 3 januari.

Het leven hier, zeker dat van het overheidspersoneel, staat nog steeds op een laag pitje en dat blijft zo nog even. Het is druk op de boulevard, er is geen tafeltje onbezet in de cafés annex restaurants en werken, ho maar. Ik denk oprecht dat mensen van bijv. de universiteit betaald verlof hebben van zeg 23 december tot na Driekoningen. Dat is nog eens extra vakantietijd.
Bij mijn uitstaphalte zie ik een advertentie van een man in zijn onderbroek, zijn “geval”in de aanslag. “Si te gustó el primer agujero”, als je het eerste gat kon waarderen, staat erbij, dan vind je dit gat ook wel in orde. Laat ik maar vlug doorlopen naar de universiteit, denk ik dan, voordat ik een klacht wil indienen.

In mijn eerste boek, zie verder beneden, kom ik een paar keer de uitdrukking“Zo gewonnen, zo geronnen” tegen. Ik heb hier geen Grote Van Dale woordenboek hier bij de hand en de uitdrukking staat ook niet in mijn Nederlands-Spaanse woordenboek. Wel in het Nederlands-Engelse, dat het over: “Easy come, easy go”heeft, terwijl ik in het Nederlands-Franse als vertaling vind: “Ce qui vient de la flute, s’en retourne au tambour”. Ben ik nu helemaal bijgepraat? Eerlijk gezegd, nog steeds niet. Geronnen, “coagulado”?

“Zoals de ouden zongen, piepen de jongen”. Dat lijkt me een aardig begin voor mijn eerste muzikale uitstapje: nieuwe Country & Westernmuziek in een oud jasje, dat van Buck Owens (1929-2006). Het allereerste album dat ik van Buck Owens heb, dateert van 1961. Het heet “Buck Owens” en dan zal het ook wel in het echt diens eerste plaat zijn, samen met zijn begeleidingsgroep The Buckaroos. Daarna volgen er nog een heleboel, o.a. een achttal Cd’s over zijn periode 1969-1975, die ik in zijn totaliteit heb en zijn “The Buck Owens Collection” en “The Very Best Of Buck Owens”, waarvan ik een deel in mijn verzameling heb zitten.
Vergeleken met Buck Owens is Dwight Yoakam, geboren in 1956, een jong ventje. Diens eerste Cd dateert bij mijn weten van 1986, maar ik heb er nog veel meer van hem. Hier staan ze onder elkaar:
(1986) Guitars, Cadillacs, Etc., Etc.
(1987) Hillbilly Deluxe
(1988) Buenas Noches From A Lonely Room
(1990) If There Was A Way
(1993) This Time
(2007) Dwight Sings Buck
(2012) 3 Pears
(C2013) 21th Century Hits. Best Of 2000-2012
Waar het me in deze toevoeging vooral om te doen is, is Dwight Yoakam’s Cd uit 2007, een jaar na het overlijden van Buck Owens: “Dwight Sings Buck”. Ik vind dat een heel mooie plaat en dan begint deze jongen zich wel af te vragen hoe de vijftien oorspronkelijke nummers stuk voor stuk ook al weer waren. Ik heb er veertien van de vijftien op mijn harde schijf; alleen nummertje 6 ontbreekt. Hier is de hele serie nummers van Dwight Yoakam’s Cd, maar dan gezongen door Buck Owens zelf. Uiteraard zijn ook The Buckaroos van de partij en op vier van de nummers uit 1970-71 komt ook Buck’s beschermelinge Susan Raye aan bod. Daar gaan we:
01.My heart skipt a beat
02.Foolin’ around
03.I don’t care (just as long as you love me)
04.Only you
05.Act naturally
06.Down on the corner of love (DY)
07.Cryin’ time (& Susan Raye)
08.Above andbeyond
09.Love’s gonna live here
10.Close upthehonkytonks
11.Under yourspellagain
12.Your tender lovin‘ care (& Susan Raye)
13.Excuse me (I think I’ve got a heartache)
14.Think of me (& Susan Raye)
15.Together again (& Susan Raye)
Uiteraard komen op de plaat heel wat hits voorbij, waarvan ik de laatste, “Together again”, dat hij met Susan Raye zingt, misschien wel de mooiste vind. (Voor wie dat interesseert, kan ik het nummer ook laten horen in bijv. de versie van Chris Hillman, Dean Martin, Emmylou Harris, Gram Parsons, RayCharles en Rod Stewart.). Een pareltje van een eigen compilatie vind ik het!

Eerder heb ik hier een reclame van vliegtuigmaatschappij Binter eens de ruimte gegeven, de regionale vliegmaatschappij, die sinds een paar jaar voorzichtig ook uitstapjes naar het buitenland maakt. Eerlijk gezegd vind ik die uitstapjes hiervandaan naar bijv. Lissabon en Agadir aan de dure kant.
In dezelfde sfeer, maar wel goedkoper, dient zich nu ook in Spanje Iberia Express aan. Via die dochter van Iberia, neem ik maar aan, kun je nu kennelijk goedkoop naar Madrid vliegen en vandaaruit verder de wijde wereld in. Aan de andere kant, het zijn m.i. allemaal pogingen van het establishment om echte prijsvechters zoals Ryanair bij te benen. Als je met de laatste minder comfortabel en soms op een fout tijdstip, maar wel heel goedkoop kunt vliegen, dan kiezen de meeste mensen niet langer voor een reguliere maatschappij zoals KLM, Iberia of zelfs Condor, ook al krijg je daar nog je bakje koffie en broodje inclusief. Het is niet anders.

Bij de Everly Brothers weet ik niet of ik ze onder Country of onder Pop moet rangschikken, maar mooi waren ze en blijven ze. De eerste single van Don & Phil is geloof ik niet “Bye bye love” (met het wonderschone “I Wonder if I care as much” op de B-kant), maar net daarvóór nog “Keep a’lovin’ me” met “Don’t let our love die”. Bij mijn weten deed die plaat niks, in ieder geval niet landelijk. Met “Bye bye love” kwamen de diverse wereldhits bij Cadence records - zie de Cd “Cadence classics” van het duo, 20 nummers. Interessant is ook Harry’s recente artikel over de kleine platenmaatschappij, waarbij ik hier speciaal nog Vaughn Meader’sLp “First family” uit 1962 moet noemen.
Vanaf begin jaren zestig gingen de Everlys met een vet nieuw contract over naar Warner. Hun carrière liep ergens dood eind jaren zestig. Dan, eerst in 1988 en daarna in 1990, kwamenuit het niets twee nieuwe Cd’s van ze uit, die me na aan het hart gaanen die ik hier met enige trots aan jullie noem. Ik moet kiezen tussen “I want you to know”en “Sweet memories” en de laatste wordt het. Kennen jullie de nummers daarvan (nog):
01.Sweet memories
02.The brandnew Tennessee waltz
03.Somebody nobodyknows
04.Breakdown
05.Not fade away
06.Mandolin wind
07.The airthat I breathe
08.Lay it down
09.Stories we couldtell
10.Paradise
11.Watching itgo
12.Husbands andwives
13.Rocky top
14.Our song
15.Up in Mabel’s room
16.Woman, don’t try to tie me down
Over de Everly brothers wil ik van niemand een kwaad woord horen, ook niet over de decennia na hun grote hits, toen ze solo nog wat probeerden. Wat is het jammer dat Phil met zijn prachtige tweede stem dood is, maar zo gaat dat helaas. Op de Cd “Sweet memories” heb ik uiteraard iets met het titelnummer, prachtig is het woord, maar ook met bijv. “Somebody nobody knows”, “Mandolin wind” (de eerdere hit van Rod Stewart), “Stories that we could tell” en “Our song”. En de oude hit van The Hollies “The air that I breathe” is in het jasje van de Everly brothers een klassieker om nooit meer te vergeten. Bij dat nummer heeft Trudie me wel eens aan het meezingen gekregen en dat wil wat zeggen: bovenaardse klasse!

In Nederland wil het nog wel eens de hele dag door regenen. Hier is het omgekeerde aan de hand. Het kan weken achter elkaar echt kurkdroog blijven, ook in de winter, en dan niet alleen tot schande van de boeren, maar ook van de Palmezen. Die snakken ook af en toe naar een mals buitje. Als dat omlaag komt, zie je de stadse meute opleven.
Afgelopen dinsdagmiddag was het eindelijk zo ver, en niet één keer, maar bij herhaling. Toen ik om kwart over 5 op het punt stond om op Santa Catalina naar de Driekoningenoptocht te gaan kijken, viel het met bakken uit de hemel. Gelukkig voor mij en de drie koningen was het even later weer over en kon ik me zonder paraplu en poncho – die heb ik hier niet - tussen het Canarische volksdeel opstellen. Ik keek uit op een woud van poncho’s; Trudie zou ervan gesmuld hebben. Een aardig deel van de mensen, van ongeveer baby’s nog tot stokoude opa’s en oma’s, was gehuld in iets van plastic, in alle kleuren van de regenboog, zowel preventief als nu ook om het hemelwater tegen te houden. Even later - de eerste “carroza”, praalwagen, kwam net aanzetten - begon het opnieuw te plenzen. Nu werden ook honderden, wat zeg ik: duizenden paraplu’s tegelijkertijd de lucht in gestoken. Ik was blij dat ik een overdekt plekje vond net voor het gebouwtje van de “guaguasmunicipales”.
De optocht bestond uit twee delen. Eerst kwamen er in de stromende regen ongeveer 15 a 20 “carrozas” voorbij. Omdat ze in kolonne kwamen en gingen, liep de muziek van de ene wagen zonder mankeren over in de andere. Dat is met het meeblèren wel eens hinderlijk, ja. De zanglustige toeschouwers zetten net in op het ene deuntje, komt er alweer andere muziek uit andere luidsprekers. Alles is hier “industry driven”: Kalise, Tirma, Caser, het bekende rijtje. El Corte Inglés had misschien wel de toepasselijkste “carrozo”, die ik ook nog met carnaval goed wil keuren: een Aladin-wagen met oliekannetje, die nu nog “Jingle bells rock” speelde, twee weken na kerstmis, dat weer wel. En de leukste wagen - ik kan het niet helpen - was ook deze keer van Hiperdino met zijn dansende vooraardse monsters. Zij deinden mee op iets Spaans dat mij onbekend was, maar het publiek om mij heen grote lol bezorgde.
Vervolgens viel er “e look” van wel tien minuten, het lijkt wel “de groeten optoch in Mestreech”, maar toen was het wel droog. Het begon pas weer opnieuw te gieten, toen het tweede deel van de “cabalgata”, de glorieuze intocht, in zicht kwam. Vanonder mijn afdak, opnieuw, zag ik eerst een harmonie doedelzakspelers (op zijn Galicisch?) voorbij komen met pal daarachter een hele meute Romeinen –“olé, olé, de Romeine zien oké”, maar dan op zijn Spaans.Tenslotte denderden de drie wijzen uit het oosten met hun bedienden en dromedarissen in marstempo langsin rood, blauw en groen. Volgens mij waren Melchor, Gaspar en Baltasar dezelfde drie hotemetoten die in de vorige jaren ook al naar mij en vooral naar de kleintjes van LasPalmas gezwaaid hadden, maar leuk blijft het. Er werden nog de nodige laatste moment brieven aan het drietal overhandigd, intussen aardig nat, voordat we terug naar haard en huis mochten. Een triomfantelijke mars over de boulevard zat er vanwege de weersomstandigheid voor mij niet in, deze keer.Ik was nog net voor het donker weer op mijn appartement.

Op de feestdag zelf zit ik ’s ochtendseen beetje beteuterd voor me uit te kijken. Is het omdat ik geen kadootje van het drietal heb gekregen, zelfs niet in aanmerking kom voor een portie “carbón”? Of omdat ik in toenemende mate gemengde gevoelens bij mijn (Ierse) boek heb? In ieder geval regent het niet en lijkter ook geen regen op komst. Het is op Driekoningen hier nog rustiger dan het hier doorgaans op een zondagochtend is. Pas om 11 uur zie ik de eerste kinderen met hun speelgoed op straat verschijnen. Een jongetje van lagere school leeftijd loopt om zich heen te schieten met een kalasjnikov. Even later zie ik een ander jongetje, meer van kleuterschoolleeftijd, met een rode trapauto voor bij komen. Het apparaat heeft alles weg had van een rode sportwagen (en ik denk aan “Little red Corvette” van Prince). Zijn vader duwt hem voorzichtig over de Luis Morote bij mij onder langs in de richting van Santa Catalina.

Dit jaar - nieuw ten opzichte van eerdere jaren - is dat de stadsbussen gewoon over Santa Catalina blijven rijden. Er wordt druk gewerkt aan het opzetten van het carnavalspodium, alleen staan de stoelen nog opgestapeld en zie ik nog steeds geen tribunes. Dus kunnen we tot vandaag nog steeds gewoon op Santa Catalina opstappen op onze favoriete bus. Pas morgen, heb ik begrepen, is het plein pas voor bussen taboe en moeten ze onder het plein door.

Juli verklaarde mij onlangs dat hij helemaal niets ziet in vegetarisme. “Als je daaraan gaat toegeven, dat je alleen nog maar groente en dergelijke mag eten…”, was zijn ongezouten mening hierover. Hij en ik believen graag een stukje vlees op zijn tijd en dat laten wij ons liever niet afnemen door mensen die zich in sojabonen en foute rijst moeten. Juli kiept liever een kalfsruggetje, een lamspoot of een volledige zeebaars in de pan.
Stel dat binnenkort een of andere wetenschapper onomstotelijk aantoont dat watermeloenen, bloemkolen en aardappelen ook gevoelens hebben, zelfs pijn kunnen lijden. En dat de bond van vegetariërs die uitkomst wil doortrekken naar steeds meer “frutas y verduras”. Zou dat dan betekenen dat er nog minder overblijft om met een gerust hart bij een stukje stokbrood weg te werken? Vegetariërs hebben m.i. volkomen gelijk, als ze beweren dat wij rijkaards te veel koeien, varkens en dergelijke eerst vet laten mestenom ze vervolgens met huid en haar te consumeren. Hier zie ik persoonlijk een mooi voorbeeld van iets waarbij ietsje minder een stuk beter is. Maar lekker blijft het, zo’n halve gegrilde kip of een portie zuurvlees, daar is niets aan af te dingen. Aan de andere kant, de massale bio-industrie mag wat mij betreft best verboden worden. Laten we terugkeren naar eenvoudige (landbouw en) veeteelt dichtbij huis en haard.De overheid zou zich daar best voor mogen inzetten.

Het is woensdagmiddag en dan is het mij toegestaan om weer voor een nieuwe muzikant kiezen. Kennen jullie de Texaanse Nanci Griffith al? De dame is van 1953, dus maar ietsje jonger dan Ton, bijna aan de AOW toe. Wat heeft ze me de afgelopen decennia al met Country van de bovenste klas bestookt. Haar hit “From a distance” is wellicht een “eye opener”, zelfs voor de mindere liefhebbers onder jullie. Ongelukkigerwijs heb ik nog maar weinig muziek van haar in mijn bezit, van haar studiocd’s moet ik vooralsnog genoegen nemen met een recent drietal: “Winter marquee” uit 2002, “The loving kind” uit 2009 en “Intersection” uit 2012. Echter, Nanci Griffith maakt al platen vanaf 1978 en van de zomer ga ik er zeker nog meer van haar bemachtigen, meer het oudere werk. Gelukkig heb ik wel nog twee verzamelplaten van haar: “The MCA years, a retrospective” uit 1993 en “From a distance” uit 2002 en daarbij gaf ik denk Peter me met een live Cd uit 1992 (Cambridge, U.K.) “ter lering ende vermaak”.
Kiezen welke Cd ik voor jullie ga opzetten, is een klus. Laat ik eens niet voor iets recents kiezen, maar haar “Retrospective” uit 1993 bij jullie uitproberen. Hier zijn achttien nummers uit haar MCA jaren:
01.Trouble in the fields
02.From a distance
03.I don’t wanna talk about love
04.Deadwood, South Dakota
05.Love at the Five andDime
06.Listen to the radio
07.Gulf coast highway
08.I wishitwouldrain
09.Ford Ecoline
10.So longago
11.If wisheswerechanges
13.Late night Grande Hotel
14.It’s just anothermorninghere
15.Drive-in moviesanddashboardlights
16.There’s a light beyond these woods (Mary Margaret)
17.Outbound plane
18.It’s a hard life whereveryougo
Als ik jullie eens de naam van een rijpe vrouw met een kinderstem moet noemen, komt Nanci Griffith daarvoor in aanmerking (zelfs op haar Cd van 2012). Voor wie haar eens op YouTube wil aanschouwen, doe dat zeg ik, luister en kijk eens naar “Spanish boots of Spanish leather”(geschreven door Bob Dylan), “Across the great divide”samen met Emmylou Harris of Buddy Holly’s “Well, all right” dat ze een keer samen met The Crickets deed in de David Lettermanshow. De “tribute to Buddy Holly” Cd “Not Fade Away” van Nanci Griffith met The Crickets behoort tot de albums die ik nog niet heb; die moet ik zeker nog eens te pakken zien te krijgen.
Maar goed, op de verzamelcd “The MCA years - A Retrospective” zijn er nog weer nummers die boven de andere uitsteken, hoewel ik moeite heb om ze te benoemen (“het beste van het beste”). Ik beperk me hier tot “I don’t wanna talk about love”, “I wish it would rain”, “If wishes were changes”, “It’s just another morning here” en “It’s a hard life wherever you go”. Laat ik bovenal het beste paard van de stal niet vergeten: “Love at the Five and Dime”, een waar feest van een C&W-nummer met een lengte van meer dan zeven minuten. Op dat liedje kom ik terzijde te weten dat een lift in het Engels ook een “lift” is, maar in de Verenigde Staten een “elevator”. En dat de deur van de Woolworth winkellift een ping in zich heeft, voordat ze omhoog of omlaag gaat.

Op Driekoningenavond is het ook op Las Canteras niet druk. Ik zie een “Elsa” voorbijkomen met haar moeder, in een lichtblauwe lange jurk. Charmanter vind ik een iets oudere jongen, die rondrijdt op een plank van twee stukken met aan de uiteinden kleine wielen. Zijn voertuig doet mij denken aan een Segway zonder stuur en stuurstang. Het hangt wel van flitsende lampjes aan elkaar.
Dan zijn er, toch weer, twee piepjonge meisjes, allebei in het roze enmet helm, die hun eerste metalen step, met zijwieltjes, op de boulevard mogen uitproberen. Het ene meisje heeft de dubbele wieltjes aan de voorkant zitten en de andere aan de achterkant. Welke van de twee (“Op een step, op een step, ik ben zo blij dat ik hem heb” van Wim Sonneveld) zou ongevaarlijker zijn? Later komt ook een lagere schooljongen met een V-vormige step voorbij; door je benen op de twee zijstukken te bewegen krijg je hem vooruit. Mag dat wel hier? Echt fietsen is uiteraard helemaal taboe op Las Canteras (behalve voor de politie); vanaf welke leeftijd is ook het steppen niet meer toegestaan?
Los daarvan: waar blijft de tijd, toen een kleine step nog iets raars was en wij, Maastrichtse kinderen een grote autoped als voertuig hadden, met banden die je moest oppompen, een “roller” om het eens op zijn ouderwets te zeggen.
Zoals haast iedere avond probeert de ijverigeman van de loterijen mij onder het luidkeels roepen van “Suerte” een lot te verkopen. Die maakt wat kilometers op een middag en avond; Trudie met haar geocaching is er niks bij! Lieve lezers, als je de gigantische Kerstmis-loterij (El Gordo) zonder dat je prijs hebt, net achter de rug hebt, ook bij de Nieuwsjaars-loterij alleen maar nieten hebtgetrokken en tot overmaat niet eens je eigen geld hebt terugverdiendin de Driekoningen-loterij, waarom zou je dan monter weer een vers lot gaan kopen voor een trekking aanstaand weekend? Zelfs een kraslot is aan mij nooit besteed geweest.

Donderdagavond7 januariis de heilige zandhoop hier, ook wel de “belén de Arena” geheten, eindelijk opgeruimd.Ik ben blij dat de feestdagen nu echt voorbij zijn en we met een gerust hart aan de voorpret van carnaval kunnen beginnen. Hier is het nog even wachten, maar in Maastricht is het a.s. zondag al prijs, als “’t benkelik momint” de nieuwe prins carnaval tevoorschijn tovert. Ik wil al te graag van jullie horen wie dit jaar de eer tebeurt is gevallen. Prins carnaval worden in Maastricht, het blijft “iets” hebben, ondanks de Tempeleers zeg ik erbij, net als hier de uitverkiezing van de carnavalskoningin.
Wat ik helaas ook ga missen, is de nieuwe uitvoering van het illustere “Veldeke kabberèt”. Trudie gaat er met Marij de komende zondagavond heen, geloof ik. Ze mogen allebei één iemand meenemen en jammer is en blijft het dat Trudie voor die avond een andere compagnon in gedachte heeft. Over een goeie week zit ze wel weer hier in Las Palmas, samen met Marcel, Damaris & Yves.

Het is echt een week van verjaardagen. Zondag was Greetje jarig, woensdag Anoek en op 9 januari, morgen dus, is Eva aan de beurt.¡Cumpleaños feliz, muchachas! Intussen word ik er ook niet jonger op.Met carnaval, als ik in Maastricht ben, zal ik proberen mijn rimpels met schmink weg te werken. En als dat niet lukt, is het voor mij botoxen geblazen, of natuurlijk met een maske(s) oplopen van iemand die gebotoxt is.
En daar laat ik het bij voor deze week. Ik zie jullie hopelijk terug over een week, waarschijnlijk op donderdag 14 of vrijdag 15 januari. Maastrichtenaren, beloof me dat jullie wel in de Grote Staat staan, als de Groeten Oonbekinde voorbij komt op weg naar de Spilstraat (“Spèlstraot”?) en dan langs McDonalds naar de Markt afdaalt. Het is nog maar een maand en dan kunnen we er weer vol tegenaan. Ik ook, laat er zelfs de “gran cabalgata” hier voor schieten. Tot ziens maar weer, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Hier is mijn eerste boek van deze door-de-week. Het is er een van de Engelsman R.J. Ellory, van wie ik er in deze rubriek al vele in positieve zin heb mogen bespreken. Deze keer is “Een ongenode gast” uit 2014 aan de beurt. In het Engels heet het “Ghostheart”, maar ik had de Nederlandse vertaling op weg naar Las Palmas in mijn koffer zitten, dus moet die er hier aan geloven.
Het is het verhaal van de New Yorkse Annie O’Neill. Ze is 30 en woont drie hoog in een flat met als overbuurman Jack Sullivan, een dronkenlap van 55 jaar, met wie ze het heel goed kan vinden. Haar spaarzame geld verdient ze met het runnen van een tweedehands boekwinkel in de buurt, The Reader’s Rest (hoek West107th en Duke Ellington in Manhattan). Naast het vasthouden van een handje vaste klanten plus enkele toevallige bezoekersheeft ze niet veel omhanden. Dan verschijnt de bejaarde (Robert) Forrester ten tonele, die iets over haar lang geleden overleden vader weet en haar een deel van een niet uitgegeven manuscript ter lezing achterlaat. Dat gaat over het turbulente leven van ene Haim Kolzac of Rosen, die zich in New York Harry Rose is gaan noemen. Die wordt de “partner in crime” van Johnnie Redbird, ook al een aanvankelijk onbenullig boefje, maar later worden ze echte boeven. Er gebeurt van alles, dat ik hier niet ga vertellen. Veel later, als ze in de veertig zijn, worden de twee voor een moord opgepakt; Johnnie neemt de schuld op zich en draait de bak in, Rikers Island, tot hij – hoe kan het anders - zeven jaar later weet te ontsnappen. Dan zoekt hij zijn vroegere maat Harry Rose op om de helft van de poen van de twee alsnog terug te krijgen.
Intussen wordt Annie in de werkelijkheid smoorverliefd op ene David Quinn, met wie ze stante pede een gepassioneerde verhouding begint. Echter, na een paar wekengeeft hij er alweer de brui aan en laat Annie uiterst beteuterd achter. Gelukkig is haar buurman Jack Sullivan dan present om haar weer op te peppen.
Daar laat ik het voor de samenvatting bij. Ik heb het boek, bijna 400 bladzijden, in één ruk uitgelezen en spannend is het en blijft het. Ellory maakt van “Ghostheart” een novelle - het hele verhaal speelt zich af in maar een paar maanden – waarbij je je (ik dus) geregeld afvraagt waar het heen zal gaan. Ik beken dat ik het me allemaal ietsje te uitgesponnen voorkwam, maar bij de les bleef ik wel. Ik geef als recensiecijfer een 8 voor het boek, eerlijk verdiend. Alle andere boeken van R.J. Ellory die ik nog niet heb gelezen, krijgen bij dezen ook een toekomstige beurt, besluit ik.

Min of meer zonder bijbedoeling had ik begin november ook het boek “The Sirius crossing” van John Creed in mijn koffer hierheen zitten. John Creed is een Ierse schrijver van thrillers en dit boek, met Jack Valentine in de hoofdrol, is van 2002. Hij won er een Ian Fleming Steel Dagger mee. Het speelt vooral op de grens tussen Ulster en Ierland.
Jack – pas op bladzijde 144 zie ik voor het eerst zijn “surname” Valentine staan– is een secret service agent die er door zijn bazen Sommerville en Curley op uit gestuurd wordt om ergens in Noord-Ierland een zeer dode Amerikaan op te sporen. Diens leven zou decennia terug in een grot (“souterrain”) geëindigd zijn. Zewaren destijds als parachutisten met hun tweeën, de ander kon zijn opdracht wel uitvoeren, maar de dode zou wel allerlei papieren bij zich hebben gehad die nog steeds niet openbaar mogen zijn. Jack Valentine komt op zijn missie in contact met diverse mensen aan de kant van de Britse oppressor, o.a. Ronnie Whitcraft en het koppel Marks & Canning. Eigenlijk heeft Jack Valentine minstens zo veel op met de tegenpartij, de IRA. Namen in dit boek van mensen uit die hoek zijn o.a. Liam Mellows, Paddy Regan en ene Eamon van een pub in Dundalk. Voor wie ook in namen van Amerikanengeïnteresseerd is, noem ik hier John Stone, een heel hoge ambtenaar, en Sirius van de US Special Forces, wiens ware identiteit pas op het einde van het boek bekend wordt. Nogal wat bladzijden in het boek spelen overigens niet in Noord-Ierland of op de Schotse kust, maar op Het Kanaal daartussen - het woord crossing staat voor de oversteek. Twee boten, de Castledawn van Jack Valentine en Quo Vadis van de Britse overheid, allebei in het boek aangesproken met “she”,komen daar uiteindelijk met elkaar en vooral met de woeste zee in aanvaring. De vrouwelijke rol gaat o.a. naar de zus van Liam, Deirdre, en verder naar ene Eva in Berlijn en Kate op een van de Shetland eilanden.
Ik heb John Creed’s boek “The Sirius crossing” in twee dagen helemaal uitgelezen, maar echt mooi kon en kan ik het niet vinden. Halverwege (woensdagmorgen) dacht ik erover om het maar te laten voor wat het was, maar dan had ik jullie maar een halve recensie kunnen bezorgen, grapje. Ik vind dit meer een boek voor bijv. botenliefhebbers dan dat me nu eens haarfijn wordt uitgelegd waarom de IRA het gelijk altijd aan zijn kant heeft gehad dan wel waarom spioneren in de grond een uiterst saaie bezigheid is. Als recensiecijfer kom ik niet verder dan een 6, een voldoende, maar niet meer dan dat. Voor mij hoeven andere boeken van John Creed niet meer. Weblogbrief 11.12, 8 januari 2016

Queridos Países Bajeros, beste Hollanders, hier is alweer mijn twaalfde brief in deze subtropische Palmese winter. Ik weet niet wanneer jullie de vorige hebben ontvangen, laat staan gelezen, maar afgelopen maandagmiddag heb ik hem met alles wat ik in me had, verstuurd vanaf de universiteit. Deze twaalfde keer is het mijn Driekoningenweek, ter ere van het hoogfeest voor de kinderen hier. El Corte Inglés zet zich in de kijker met “Felices Reyes” en op diverse plaatsten in de stad zie ik de speciale brievenbussen staan waarin het grut zijn liefde voor de “three wise men” alsmede zijn cadeauwensen schriftelijk kenbaar kan maken. De kinderfeestdagen zijn op 5 en 6 januari, maar als ik deze alinea schrijf, is het pas 3 januari.

Het leven hier, zeker dat van het overheidspersoneel, staat nog steeds op een laag pitje en dat blijft zo nog even. Het is druk op de boulevard, er is geen tafeltje onbezet in de cafés annex restaurants en werken, ho maar. Ik denk oprecht dat mensen van bijv. de universiteit betaald verlof hebben van zeg 23 december tot na Driekoningen. Dat is nog eens extra vakantietijd.
Bij mijn uitstaphalte zie ik een advertentie van een man in zijn onderbroek, zijn “geval”in de aanslag. “Si te gustó el primer agujero”, als je het eerste gat kon waarderen, staat erbij, dan vind je dit gat ook wel in orde. Laat ik maar vlug doorlopen naar de universiteit, denk ik dan, voordat ik een klacht wil indienen.

In mijn eerste boek, zie verder beneden, kom ik een paar keer de uitdrukking“Zo gewonnen, zo geronnen” tegen. Ik heb hier geen Grote Van Dale woordenboek hier bij de hand en de uitdrukking staat ook niet in mijn Nederlands-Spaanse woordenboek. Wel in het Nederlands-Engelse, dat het over: “Easy come, easy go”heeft, terwijl ik in het Nederlands-Franse als vertaling vind: “Ce qui vient de la flute, s’en retourne au tambour”. Ben ik nu helemaal bijgepraat? Eerlijk gezegd, nog steeds niet. Geronnen, “coagulado”?

“Zoals de ouden zongen, piepen de jongen”. Dat lijkt me een aardig begin voor mijn eerste muzikale uitstapje: nieuwe Country & Westernmuziek in een oud jasje, dat van Buck Owens (1929-2006). Het allereerste album dat ik van Buck Owens heb, dateert van 1961. Het heet “Buck Owens” en dan zal het ook wel in het echt diens eerste plaat zijn, samen met zijn begeleidingsgroep The Buckaroos. Daarna volgen er nog een heleboel, o.a. een achttal Cd’s over zijn periode 1969-1975, die ik in zijn totaliteit heb en zijn “The Buck Owens Collection” en “The Very Best Of Buck Owens”, waarvan ik een deel in mijn verzameling heb zitten.
Vergeleken met Buck Owens is Dwight Yoakam, geboren in 1956, een jong ventje. Diens eerste Cd dateert bij mijn weten van 1986, maar ik heb er nog veel meer van hem. Hier staan ze onder elkaar:
(1986) Guitars, Cadillacs, Etc., Etc.
(1987) Hillbilly Deluxe
(1988) Buenas Noches From A Lonely Room
(1990) If There Was A Way
(1993) This Time
(2007) Dwight Sings Buck
(2012) 3 Pears
(C2013) 21th Century Hits. Best Of 2000-2012
Waar het me in deze toevoeging vooral om te doen is, is Dwight Yoakam’s Cd uit 2007, een jaar na het overlijden van Buck Owens: “Dwight Sings Buck”. Ik vind dat een heel mooie plaat en dan begint deze jongen zich wel af te vragen hoe de vijftien oorspronkelijke nummers stuk voor stuk ook al weer waren. Ik heb er veertien van de vijftien op mijn harde schijf; alleen nummertje 6 ontbreekt. Hier is de hele serie nummers van Dwight Yoakam’s Cd, maar dan gezongen door Buck Owens zelf. Uiteraard zijn ook The Buckaroos van de partij en op vier van de nummers uit 1970-71 komt ook Buck’s beschermelinge Susan Raye aan bod. Daar gaan we:
01.My heart skipt a beat
02.Foolin’ around
03.I don’t care (just as long as you love me)
04.Only you
05.Act naturally
06.Down on the corner of love (DY)
07.Cryin’ time (& Susan Raye)
08.Above andbeyond
09.Love’s gonna live here
10.Close upthehonkytonks
11.Under yourspellagain
12.Your tender lovin‘ care (& Susan Raye)
13.Excuse me (I think I’ve got a heartache)
14.Think of me (& Susan Raye)
15.Together again (& Susan Raye)
Uiteraard komen op de plaat heel wat hits voorbij, waarvan ik de laatste, “Together again”, dat hij met Susan Raye zingt, misschien wel de mooiste vind. (Voor wie dat interesseert, kan ik het nummer ook laten horen in bijv. de versie van Chris Hillman, Dean Martin, Emmylou Harris, Gram Parsons, RayCharles en Rod Stewart.). Een pareltje van een eigen compilatie vind ik het!

Eerder heb ik hier een reclame van vliegtuigmaatschappij Binter eens de ruimte gegeven, de regionale vliegmaatschappij, die sinds een paar jaar voorzichtig ook uitstapjes naar het buitenland maakt. Eerlijk gezegd vind ik die uitstapjes hiervandaan naar bijv. Lissabon en Agadir aan de dure kant.
In dezelfde sfeer, maar wel goedkoper, dient zich nu ook in Spanje Iberia Express aan. Via die dochter van Iberia, neem ik maar aan, kun je nu kennelijk goedkoop naar Madrid vliegen en vandaaruit verder de wijde wereld in. Aan de andere kant, het zijn m.i. allemaal pogingen van het establishment om echte prijsvechters zoals Ryanair bij te benen. Als je met de laatste minder comfortabel en soms op een fout tijdstip, maar wel heel goedkoop kunt vliegen, dan kiezen de meeste mensen niet langer voor een reguliere maatschappij zoals KLM, Iberia of zelfs Condor, ook al krijg je daar nog je bakje koffie en broodje inclusief. Het is niet anders.

Bij de Everly Brothers weet ik niet of ik ze onder Country of onder Pop moet rangschikken, maar mooi waren ze en blijven ze. De eerste single van Don & Phil is geloof ik niet “Bye bye love” (met het wonderschone “I Wonder if I care as much” op de B-kant), maar net daarvóór nog “Keep a’lovin’ me” met “Don’t let our love die”. Bij mijn weten deed die plaat niks, in ieder geval niet landelijk. Met “Bye bye love” kwamen de diverse wereldhits bij Cadence records - zie de Cd “Cadence classics” van het duo, 20 nummers. Interessant is ook Harry’s recente artikel over de kleine platenmaatschappij, waarbij ik hier speciaal nog Vaughn Meader’sLp “First family” uit 1962 moet noemen.
Vanaf begin jaren zestig gingen de Everlys met een vet nieuw contract over naar Warner. Hun carrière liep ergens dood eind jaren zestig. Dan, eerst in 1988 en daarna in 1990, kwamenuit het niets twee nieuwe Cd’s van ze uit, die me na aan het hart gaanen die ik hier met enige trots aan jullie noem. Ik moet kiezen tussen “I want you to know”en “Sweet memories” en de laatste wordt het. Kennen jullie de nummers daarvan (nog):
01.Sweet memories
02.The brandnew Tennessee waltz
03.Somebody nobodyknows
04.Breakdown
05.Not fade away
06.Mandolin wind
07.The airthat I breathe
08.Lay it down
09.Stories we couldtell
10.Paradise
11.Watching itgo
12.Husbands andwives
13.Rocky top
14.Our song
15.Up in Mabel’s room
16.Woman, don’t try to tie me down
Over de Everly brothers wil ik van niemand een kwaad woord horen, ook niet over de decennia na hun grote hits, toen ze solo nog wat probeerden. Wat is het jammer dat Phil met zijn prachtige tweede stem dood is, maar zo gaat dat helaas. Op de Cd “Sweet memories” heb ik uiteraard iets met het titelnummer, prachtig is het woord, maar ook met bijv. “Somebody nobody knows”, “Mandolin wind” (de eerdere hit van Rod Stewart), “Stories that we could tell” en “Our song”. En de oude hit van The Hollies “The air that I breathe” is in het jasje van de Everly brothers een klassieker om nooit meer te vergeten. Bij dat nummer heeft Trudie me wel eens aan het meezingen gekregen en dat wil wat zeggen: bovenaardse klasse!

In Nederland wil het nog wel eens de hele dag door regenen. Hier is het omgekeerde aan de hand. Het kan weken achter elkaar echt kurkdroog blijven, ook in de winter, en dan niet alleen tot schande van de boeren, maar ook van de Palmezen. Die snakken ook af en toe naar een mals buitje. Als dat omlaag komt, zie je de stadse meute opleven.
Afgelopen dinsdagmiddag was het eindelijk zo ver, en niet één keer, maar bij herhaling. Toen ik om kwart over 5 op het punt stond om op Santa Catalina naar de Driekoningenoptocht te gaan kijken, viel het met bakken uit de hemel. Gelukkig voor mij en de drie koningen was het even later weer over en kon ik me zonder paraplu en poncho – die heb ik hier niet - tussen het Canarische volksdeel opstellen. Ik keek uit op een woud van poncho’s; Trudie zou ervan gesmuld hebben. Een aardig deel van de mensen, van ongeveer baby’s nog tot stokoude opa’s en oma’s, was gehuld in iets van plastic, in alle kleuren van de regenboog, zowel preventief als nu ook om het hemelwater tegen te houden. Even later - de eerste “carroza”, praalwagen, kwam net aanzetten - begon het opnieuw te plenzen. Nu werden ook honderden, wat zeg ik: duizenden paraplu’s tegelijkertijd de lucht in gestoken. Ik was blij dat ik een overdekt plekje vond net voor het gebouwtje van de “guaguasmunicipales”.
De optocht bestond uit twee delen. Eerst kwamen er in de stromende regen ongeveer 15 a 20 “carrozas” voorbij. Omdat ze in kolonne kwamen en gingen, liep de muziek van de ene wagen zonder mankeren over in de andere. Dat is met het meeblèren wel eens hinderlijk, ja. De zanglustige toeschouwers zetten net in op het ene deuntje, komt er alweer andere muziek uit andere luidsprekers. Alles is hier “industry driven”: Kalise, Tirma, Caser, het bekende rijtje. El Corte Inglés had misschien wel de toepasselijkste “carrozo”, die ik ook nog met carnaval goed wil keuren: een Aladin-wagen met oliekannetje, die nu nog “Jingle bells rock” speelde, twee weken na kerstmis, dat weer wel. En de leukste wagen - ik kan het niet helpen - was ook deze keer van Hiperdino met zijn dansende vooraardse monsters. Zij deinden mee op iets Spaans dat mij onbekend was, maar het publiek om mij heen grote lol bezorgde.
Vervolgens viel er “e look” van wel tien minuten, het lijkt wel “de groeten optoch in Mestreech”, maar toen was het wel droog. Het begon pas weer opnieuw te gieten, toen het tweede deel van de “cabalgata”, de glorieuze intocht, in zicht kwam. Vanonder mijn afdak, opnieuw, zag ik eerst een harmonie doedelzakspelers (op zijn Galicisch?) voorbij komen met pal daarachter een hele meute Romeinen –“olé, olé, de Romeine zien oké”, maar dan op zijn Spaans.Tenslotte denderden de drie wijzen uit het oosten met hun bedienden en dromedarissen in marstempo langsin rood, blauw en groen. Volgens mij waren Melchor, Gaspar en Baltasar dezelfde drie hotemetoten die in de vorige jaren ook al naar mij en vooral naar de kleintjes van LasPalmas gezwaaid hadden, maar leuk blijft het. Er werden nog de nodige laatste moment brieven aan het drietal overhandigd, intussen aardig nat, voordat we terug naar haard en huis mochten. Een triomfantelijke mars over de boulevard zat er vanwege de weersomstandigheid voor mij niet in, deze keer.Ik was nog net voor het donker weer op mijn appartement.

Op de feestdag zelf zit ik ’s ochtendseen beetje beteuterd voor me uit te kijken. Is het omdat ik geen kadootje van het drietal heb gekregen, zelfs niet in aanmerking kom voor een portie “carbón”? Of omdat ik in toenemende mate gemengde gevoelens bij mijn (Ierse) boek heb? In ieder geval regent het niet en lijkter ook geen regen op komst. Het is op Driekoningen hier nog rustiger dan het hier doorgaans op een zondagochtend is. Pas om 11 uur zie ik de eerste kinderen met hun speelgoed op straat verschijnen. Een jongetje van lagere school leeftijd loopt om zich heen te schieten met een kalasjnikov. Even later zie ik een ander jongetje, meer van kleuterschoolleeftijd, met een rode trapauto voor bij komen. Het apparaat heeft alles weg had van een rode sportwagen (en ik denk aan “Little red Corvette” van Prince). Zijn vader duwt hem voorzichtig over de Luis Morote bij mij onder langs in de richting van Santa Catalina.

Dit jaar - nieuw ten opzichte van eerdere jaren - is dat de stadsbussen gewoon over Santa Catalina blijven rijden. Er wordt druk gewerkt aan het opzetten van het carnavalspodium, alleen staan de stoelen nog opgestapeld en zie ik nog steeds geen tribunes. Dus kunnen we tot vandaag nog steeds gewoon op Santa Catalina opstappen op onze favoriete bus. Pas morgen, heb ik begrepen, is het plein pas voor bussen taboe en moeten ze onder het plein door.

Juli verklaarde mij onlangs dat hij helemaal niets ziet in vegetarisme. “Als je daaraan gaat toegeven, dat je alleen nog maar groente en dergelijke mag eten…”, was zijn ongezouten mening hierover. Hij en ik believen graag een stukje vlees op zijn tijd en dat laten wij ons liever niet afnemen door mensen die zich in sojabonen en foute rijst moeten. Juli kiept liever een kalfsruggetje, een lamspoot of een volledige zeebaars in de pan.
Stel dat binnenkort een of andere wetenschapper onomstotelijk aantoont dat watermeloenen, bloemkolen en aardappelen ook gevoelens hebben, zelfs pijn kunnen lijden. En dat de bond van vegetariërs die uitkomst wil doortrekken naar steeds meer “frutas y verduras”. Zou dat dan betekenen dat er nog minder overblijft om met een gerust hart bij een stukje stokbrood weg te werken? Vegetariërs hebben m.i. volkomen gelijk, als ze beweren dat wij rijkaards te veel koeien, varkens en dergelijke eerst vet laten mestenom ze vervolgens met huid en haar te consumeren. Hier zie ik persoonlijk een mooi voorbeeld van iets waarbij ietsje minder een stuk beter is. Maar lekker blijft het, zo’n halve gegrilde kip of een portie zuurvlees, daar is niets aan af te dingen. Aan de andere kant, de massale bio-industrie mag wat mij betreft best verboden worden. Laten we terugkeren naar eenvoudige (landbouw en) veeteelt dichtbij huis en haard.De overheid zou zich daar best voor mogen inzetten.

Het is woensdagmiddag en dan is het mij toegestaan om weer voor een nieuwe muzikant kiezen. Kennen jullie de Texaanse Nanci Griffith al? De dame is van 1953, dus maar ietsje jonger dan Ton, bijna aan de AOW toe. Wat heeft ze me de afgelopen decennia al met Country van de bovenste klas bestookt. Haar hit “From a distance” is wellicht een “eye opener”, zelfs voor de mindere liefhebbers onder jullie. Ongelukkigerwijs heb ik nog maar weinig muziek van haar in mijn bezit, van haar studiocd’s moet ik vooralsnog genoegen nemen met een recent drietal: “Winter marquee” uit 2002, “The loving kind” uit 2009 en “Intersection” uit 2012. Echter, Nanci Griffith maakt al platen vanaf 1978 en van de zomer ga ik er zeker nog meer van haar bemachtigen, meer het oudere werk. Gelukkig heb ik wel nog twee verzamelplaten van haar: “The MCA years, a retrospective” uit 1993 en “From a distance” uit 2002 en daarbij gaf ik denk Peter me met een live Cd uit 1992 (Cambridge, U.K.) “ter lering ende vermaak”.
Kiezen welke Cd ik voor jullie ga opzetten, is een klus. Laat ik eens niet voor iets recents kiezen, maar haar “Retrospective” uit 1993 bij jullie uitproberen. Hier zijn achttien nummers uit haar MCA jaren:
01.Trouble in the fields
02.From a distance
03.I don’t wanna talk about love
04.Deadwood, South Dakota
05.Love at the Five andDime
06.Listen to the radio
07.Gulf coast highway
08.I wishitwouldrain
09.Ford Ecoline
10.So longago
11.If wisheswerechanges
13.Late night Grande Hotel
14.It’s just anothermorninghere
15.Drive-in moviesanddashboardlights
16.There’s a light beyond these woods (Mary Margaret)
17.Outbound plane
18.It’s a hard life whereveryougo
Als ik jullie eens de naam van een rijpe vrouw met een kinderstem moet noemen, komt Nanci Griffith daarvoor in aanmerking (zelfs op haar Cd van 2012). Voor wie haar eens op YouTube wil aanschouwen, doe dat zeg ik, luister en kijk eens naar “Spanish boots of Spanish leather”(geschreven door Bob Dylan), “Across the great divide”samen met Emmylou Harris of Buddy Holly’s “Well, all right” dat ze een keer samen met The Crickets deed in de David Lettermanshow. De “tribute to Buddy Holly” Cd “Not Fade Away” van Nanci Griffith met The Crickets behoort tot de albums die ik nog niet heb; die moet ik zeker nog eens te pakken zien te krijgen.
Maar goed, op de verzamelcd “The MCA years - A Retrospective” zijn er nog weer nummers die boven de andere uitsteken, hoewel ik moeite heb om ze te benoemen (“het beste van het beste”). Ik beperk me hier tot “I don’t wanna talk about love”, “I wish it would rain”, “If wishes were changes”, “It’s just another morning here” en “It’s a hard life wherever you go”. Laat ik bovenal het beste paard van de stal niet vergeten: “Love at the Five and Dime”, een waar feest van een C&W-nummer met een lengte van meer dan zeven minuten. Op dat liedje kom ik terzijde te weten dat een lift in het Engels ook een “lift” is, maar in de Verenigde Staten een “elevator”. En dat de deur van de Woolworth winkellift een ping in zich heeft, voordat ze omhoog of omlaag gaat.

Op Driekoningenavond is het ook op Las Canteras niet druk. Ik zie een “Elsa” voorbijkomen met haar moeder, in een lichtblauwe lange jurk. Charmanter vind ik een iets oudere jongen, die rondrijdt op een plank van twee stukken met aan de uiteinden kleine wielen. Zijn voertuig doet mij denken aan een Segway zonder stuur en stuurstang. Het hangt wel van flitsende lampjes aan elkaar.
Dan zijn er, toch weer, twee piepjonge meisjes, allebei in het roze enmet helm, die hun eerste metalen step, met zijwieltjes, op de boulevard mogen uitproberen. Het ene meisje heeft de dubbele wieltjes aan de voorkant zitten en de andere aan de achterkant. Welke van de twee (“Op een step, op een step, ik ben zo blij dat ik hem heb” van Wim Sonneveld) zou ongevaarlijker zijn? Later komt ook een lagere schooljongen met een V-vormige step voorbij; door je benen op de twee zijstukken te bewegen krijg je hem vooruit. Mag dat wel hier? Echt fietsen is uiteraard helemaal taboe op Las Canteras (behalve voor de politie); vanaf welke leeftijd is ook het steppen niet meer toegestaan?
Los daarvan: waar blijft de tijd, toen een kleine step nog iets raars was en wij, Maastrichtse kinderen een grote autoped als voertuig hadden, met banden die je moest oppompen, een “roller” om het eens op zijn ouderwets te zeggen.
Zoals haast iedere avond probeert de ijverigeman van de loterijen mij onder het luidkeels roepen van “Suerte” een lot te verkopen. Die maakt wat kilometers op een middag en avond; Trudie met haar geocaching is er niks bij! Lieve lezers, als je de gigantische Kerstmis-loterij (El Gordo) zonder dat je prijs hebt, net achter de rug hebt, ook bij de Nieuwsjaars-loterij alleen maar nieten hebtgetrokken en tot overmaat niet eens je eigen geld hebt terugverdiendin de Driekoningen-loterij, waarom zou je dan monter weer een vers lot gaan kopen voor een trekking aanstaand weekend? Zelfs een kraslot is aan mij nooit besteed geweest.

Donderdagavond7 januariis de heilige zandhoop hier, ook wel de “belén de Arena” geheten, eindelijk opgeruimd.Ik ben blij dat de feestdagen nu echt voorbij zijn en we met een gerust hart aan de voorpret van carnaval kunnen beginnen. Hier is het nog even wachten, maar in Maastricht is het a.s. zondag al prijs, als “’t benkelik momint” de nieuwe prins carnaval tevoorschijn tovert. Ik wil al te graag van jullie horen wie dit jaar de eer tebeurt is gevallen. Prins carnaval worden in Maastricht, het blijft “iets” hebben, ondanks de Tempeleers zeg ik erbij, net als hier de uitverkiezing van de carnavalskoningin.
Wat ik helaas ook ga missen, is de nieuwe uitvoering van het illustere “Veldeke kabberèt”. Trudie gaat er met Marij de komende zondagavond heen, geloof ik. Ze mogen allebei één iemand meenemen en jammer is en blijft het dat Trudie voor die avond een andere compagnon in gedachte heeft. Over een goeie week zit ze wel weer hier in Las Palmas, samen met Marcel, Damaris & Yves.

Het is echt een week van verjaardagen. Zondag was Greetje jarig, woensdag Anoek en op 9 januari, morgen dus, is Eva aan de beurt.¡Cumpleaños feliz, muchachas! Intussen word ik er ook niet jonger op.Met carnaval, als ik in Maastricht ben, zal ik proberen mijn rimpels met schmink weg te werken. En als dat niet lukt, is het voor mij botoxen geblazen, of natuurlijk met een maske(s) oplopen van iemand die gebotoxt is.
En daar laat ik het bij voor deze week. Ik zie jullie hopelijk terug over een week, waarschijnlijk op donderdag 14 of vrijdag 15 januari. Maastrichtenaren, beloof me dat jullie wel in de Grote Staat staan, als de Groeten Oonbekinde voorbij komt op weg naar de Spilstraat (“Spèlstraot”?) en dan langs McDonalds naar de Markt afdaalt. Het is nog maar een maand en dan kunnen we er weer vol tegenaan. Ik ook, laat er zelfs de “gran cabalgata” hier voor schieten. Tot ziens maar weer, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Hier is mijn eerste boek van deze door-de-week. Het is er een van de Engelsman R.J. Ellory, van wie ik er in deze rubriek al vele in positieve zin heb mogen bespreken. Deze keer is “Een ongenode gast” uit 2014 aan de beurt. In het Engels heet het “Ghostheart”, maar ik had de Nederlandse vertaling op weg naar Las Palmas in mijn koffer zitten, dus moet die er hier aan geloven.
Het is het verhaal van de New Yorkse Annie O’Neill. Ze is 30 en woont drie hoog in een flat met als overbuurman Jack Sullivan, een dronkenlap van 55 jaar, met wie ze het heel goed kan vinden. Haar spaarzame geld verdient ze met het runnen van een tweedehands boekwinkel in de buurt, The Reader’s Rest (hoek West107th en Duke Ellington in Manhattan). Naast het vasthouden van een handje vaste klanten plus enkele toevallige bezoekersheeft ze niet veel omhanden. Dan verschijnt de bejaarde (Robert) Forrester ten tonele, die iets over haar lang geleden overleden vader weet en haar een deel van een niet uitgegeven manuscript ter lezing achterlaat. Dat gaat over het turbulente leven van ene Haim Kolzac of Rosen, die zich in New York Harry Rose is gaan noemen. Die wordt de “partner in crime” van Johnnie Redbird, ook al een aanvankelijk onbenullig boefje, maar later worden ze echte boeven. Er gebeurt van alles, dat ik hier niet ga vertellen. Veel later, als ze in de veertig zijn, worden de twee voor een moord opgepakt; Johnnie neemt de schuld op zich en draait de bak in, Rikers Island, tot hij – hoe kan het anders - zeven jaar later weet te ontsnappen. Dan zoekt hij zijn vroegere maat Harry Rose op om de helft van de poen van de twee alsnog terug te krijgen.
Intussen wordt Annie in de werkelijkheid smoorverliefd op ene David Quinn, met wie ze stante pede een gepassioneerde verhouding begint. Echter, na een paar wekengeeft hij er alweer de brui aan en laat Annie uiterst beteuterd achter. Gelukkig is haar buurman Jack Sullivan dan present om haar weer op te peppen.
Daar laat ik het voor de samenvatting bij. Ik heb het boek, bijna 400 bladzijden, in één ruk uitgelezen en spannend is het en blijft het. Ellory maakt van “Ghostheart” een novelle - het hele verhaal speelt zich af in maar een paar maanden – waarbij je je (ik dus) geregeld afvraagt waar het heen zal gaan. Ik beken dat ik het me allemaal ietsje te uitgesponnen voorkwam, maar bij de les bleef ik wel. Ik geef als recensiecijfer een 8 voor het boek, eerlijk verdiend. Alle andere boeken van R.J. Ellory die ik nog niet heb gelezen, krijgen bij dezen ook een toekomstige beurt, besluit ik.

Min of meer zonder bijbedoeling had ik begin november ook het boek “The Sirius crossing” van John Creed in mijn koffer hierheen zitten. John Creed is een Ierse schrijver van thrillers en dit boek, met Jack Valentine in de hoofdrol, is van 2002. Hij won er een Ian Fleming Steel Dagger mee. Het speelt vooral op de grens tussen Ulster en Ierland.
Jack – pas op bladzijde 144 zie ik voor het eerst zijn “surname” Valentine staan– is een secret service agent die er door zijn bazen Sommerville en Curley op uit gestuurd wordt om ergens in Noord-Ierland een zeer dode Amerikaan op te sporen. Diens leven zou decennia terug in een grot (“souterrain”) geëindigd zijn. Zewaren destijds als parachutisten met hun tweeën, de ander kon zijn opdracht wel uitvoeren, maar de dode zou wel allerlei papieren bij zich hebben gehad die nog steeds niet openbaar mogen zijn. Jack Valentine komt op zijn missie in contact met diverse mensen aan de kant van de Britse oppressor, o.a. Ronnie Whitcraft en het koppel Marks & Canning. Eigenlijk heeft Jack Valentine minstens zo veel op met de tegenpartij, de IRA. Namen in dit boek van mensen uit die hoek zijn o.a. Liam Mellows, Paddy Regan en ene Eamon van een pub in Dundalk. Voor wie ook in namen van Amerikanengeïnteresseerd is, noem ik hier John Stone, een heel hoge ambtenaar, en Sirius van de US Special Forces, wiens ware identiteit pas op het einde van het boek bekend wordt. Nogal wat bladzijden in het boek spelen overigens niet in Noord-Ierland of op de Schotse kust, maar op Het Kanaal daartussen - het woord crossing staat voor de oversteek. Twee boten, de Castledawn van Jack Valentine en Quo Vadis van de Britse overheid, allebei in het boek aangesproken met “she”,komen daar uiteindelijk met elkaar en vooral met de woeste zee in aanvaring. De vrouwelijke rol gaat o.a. naar de zus van Liam, Deirdre, en verder naar ene Eva in Berlijn en Kate op een van de Shetland eilanden.
Ik heb John Creed’s boek “The Sirius crossing” in twee dagen helemaal uitgelezen, maar echt mooi kon en kan ik het niet vinden. Halverwege (woensdagmorgen) dacht ik erover om het maar te laten voor wat het was, maar dan had ik jullie maar een halve recensie kunnen bezorgen, grapje. Ik vind dit meer een boek voor bijv. botenliefhebbers dan dat me nu eens haarfijn wordt uitgelegd waarom de IRA het gelijk altijd aan zijn kant heeft gehad dan wel waarom spioneren in de grond een uiterst saaie bezigheid is. Als recensiecijfer kom ik niet verder dan een 6, een voldoende, maar niet meer dan dat. Voor mij hoeven andere boeken van John Creed niet meer. Weblogbrief 11.12, 8 januari 2016

Queridos Países Bajeros, beste Hollanders, hier is alweer mijn twaalfde brief in deze subtropische Palmese winter. Ik weet niet wanneer jullie de vorige hebben ontvangen, laat staan gelezen, maar afgelopen maandagmiddag heb ik hem met alles wat ik in me had, verstuurd vanaf de universiteit. Deze twaalfde keer is het mijn Driekoningenweek, ter ere van het hoogfeest voor de kinderen hier. El Corte Inglés zet zich in de kijker met “Felices Reyes” en op diverse plaatsten in de stad zie ik de speciale brievenbussen staan waarin het grut zijn liefde voor de “three wise men” alsmede zijn cadeauwensen schriftelijk kenbaar kan maken. De kinderfeestdagen zijn op 5 en 6 januari, maar als ik deze alinea schrijf, is het pas 3 januari.

Het leven hier, zeker dat van het overheidspersoneel, staat nog steeds op een laag pitje en dat blijft zo nog even. Het is druk op de boulevard, er is geen tafeltje onbezet in de cafés annex restaurants en werken, ho maar. Ik denk oprecht dat mensen van bijv. de universiteit betaald verlof hebben van zeg 23 december tot na Driekoningen. Dat is nog eens extra vakantietijd.
Bij mijn uitstaphalte zie ik een advertentie van een man in zijn onderbroek, zijn “geval”in de aanslag. “Si te gustó el primer agujero”, als je het eerste gat kon waarderen, staat erbij, dan vind je dit gat ook wel in orde. Laat ik maar vlug doorlopen naar de universiteit, denk ik dan, voordat ik een klacht wil indienen.

In mijn eerste boek, zie verder beneden, kom ik een paar keer de uitdrukking“Zo gewonnen, zo geronnen” tegen. Ik heb hier geen Grote Van Dale woordenboek hier bij de hand en de uitdrukking staat ook niet in mijn Nederlands-Spaanse woordenboek. Wel in het Nederlands-Engelse, dat het over: “Easy come, easy go”heeft, terwijl ik in het Nederlands-Franse als vertaling vind: “Ce qui vient de la flute, s’en retourne au tambour”. Ben ik nu helemaal bijgepraat? Eerlijk gezegd, nog steeds niet. Geronnen, “coagulado”?

“Zoals de ouden zongen, piepen de jongen”. Dat lijkt me een aardig begin voor mijn eerste muzikale uitstapje: nieuwe Country & Westernmuziek in een oud jasje, dat van Buck Owens (1929-2006). Het allereerste album dat ik van Buck Owens heb, dateert van 1961. Het heet “Buck Owens” en dan zal het ook wel in het echt diens eerste plaat zijn, samen met zijn begeleidingsgroep The Buckaroos. Daarna volgen er nog een heleboel, o.a. een achttal Cd’s over zijn periode 1969-1975, die ik in zijn totaliteit heb en zijn “The Buck Owens Collection” en “The Very Best Of Buck Owens”, waarvan ik een deel in mijn verzameling heb zitten.
Vergeleken met Buck Owens is Dwight Yoakam, geboren in 1956, een jong ventje. Diens eerste Cd dateert bij mijn weten van 1986, maar ik heb er nog veel meer van hem. Hier staan ze onder elkaar:
(1986) Guitars, Cadillacs, Etc., Etc.
(1987) Hillbilly Deluxe
(1988) Buenas Noches From A Lonely Room
(1990) If There Was A Way
(1993) This Time
(2007) Dwight Sings Buck
(2012) 3 Pears
(C2013) 21th Century Hits. Best Of 2000-2012
Waar het me in deze toevoeging vooral om te doen is, is Dwight Yoakam’s Cd uit 2007, een jaar na het overlijden van Buck Owens: “Dwight Sings Buck”. Ik vind dat een heel mooie plaat en dan begint deze jongen zich wel af te vragen hoe de vijftien oorspronkelijke nummers stuk voor stuk ook al weer waren. Ik heb er veertien van de vijftien op mijn harde schijf; alleen nummertje 6 ontbreekt. Hier is de hele serie nummers van Dwight Yoakam’s Cd, maar dan gezongen door Buck Owens zelf. Uiteraard zijn ook The Buckaroos van de partij en op vier van de nummers uit 1970-71 komt ook Buck’s beschermelinge Susan Raye aan bod. Daar gaan we:
01.My heart skipt a beat
02.Foolin’ around
03.I don’t care (just as long as you love me)
04.Only you
05.Act naturally
06.Down on the corner of love (DY)
07.Cryin’ time (& Susan Raye)
08.Above andbeyond
09.Love’s gonna live here
10.Close upthehonkytonks
11.Under yourspellagain
12.Your tender lovin‘ care (& Susan Raye)
13.Excuse me (I think I’ve got a heartache)
14.Think of me (& Susan Raye)
15.Together again (& Susan Raye)
Uiteraard komen op de plaat heel wat hits voorbij, waarvan ik de laatste, “Together again”, dat hij met Susan Raye zingt, misschien wel de mooiste vind. (Voor wie dat interesseert, kan ik het nummer ook laten horen in bijv. de versie van Chris Hillman, Dean Martin, Emmylou Harris, Gram Parsons, RayCharles en Rod Stewart.). Een pareltje van een eigen compilatie vind ik het!

Eerder heb ik hier een reclame van vliegtuigmaatschappij Binter eens de ruimte gegeven, de regionale vliegmaatschappij, die sinds een paar jaar voorzichtig ook uitstapjes naar het buitenland maakt. Eerlijk gezegd vind ik die uitstapjes hiervandaan naar bijv. Lissabon en Agadir aan de dure kant.
In dezelfde sfeer, maar wel goedkoper, dient zich nu ook in Spanje Iberia Express aan. Via die dochter van Iberia, neem ik maar aan, kun je nu kennelijk goedkoop naar Madrid vliegen en vandaaruit verder de wijde wereld in. Aan de andere kant, het zijn m.i. allemaal pogingen van het establishment om echte prijsvechters zoals Ryanair bij te benen. Als je met de laatste minder comfortabel en soms op een fout tijdstip, maar wel heel goedkoop kunt vliegen, dan kiezen de meeste mensen niet langer voor een reguliere maatschappij zoals KLM, Iberia of zelfs Condor, ook al krijg je daar nog je bakje koffie en broodje inclusief. Het is niet anders.

Bij de Everly Brothers weet ik niet of ik ze onder Country of onder Pop moet rangschikken, maar mooi waren ze en blijven ze. De eerste single van Don & Phil is geloof ik niet “Bye bye love” (met het wonderschone “I Wonder if I care as much” op de B-kant), maar net daarvóór nog “Keep a’lovin’ me” met “Don’t let our love die”. Bij mijn weten deed die plaat niks, in ieder geval niet landelijk. Met “Bye bye love” kwamen de diverse wereldhits bij Cadence records - zie de Cd “Cadence classics” van het duo, 20 nummers. Interessant is ook Harry’s recente artikel over de kleine platenmaatschappij, waarbij ik hier speciaal nog Vaughn Meader’sLp “First family” uit 1962 moet noemen.
Vanaf begin jaren zestig gingen de Everlys met een vet nieuw contract over naar Warner. Hun carrière liep ergens dood eind jaren zestig. Dan, eerst in 1988 en daarna in 1990, kwamenuit het niets twee nieuwe Cd’s van ze uit, die me na aan het hart gaanen die ik hier met enige trots aan jullie noem. Ik moet kiezen tussen “I want you to know”en “Sweet memories” en de laatste wordt het. Kennen jullie de nummers daarvan (nog):
01.Sweet memories
02.The brandnew Tennessee waltz
03.Somebody nobodyknows
04.Breakdown
05.Not fade away
06.Mandolin wind
07.The airthat I breathe
08.Lay it down
09.Stories we couldtell
10.Paradise
11.Watching itgo
12.Husbands andwives
13.Rocky top
14.Our song
15.Up in Mabel’s room
16.Woman, don’t try to tie me down
Over de Everly brothers wil ik van niemand een kwaad woord horen, ook niet over de decennia na hun grote hits, toen ze solo nog wat probeerden. Wat is het jammer dat Phil met zijn prachtige tweede stem dood is, maar zo gaat dat helaas. Op de Cd “Sweet memories” heb ik uiteraard iets met het titelnummer, prachtig is het woord, maar ook met bijv. “Somebody nobody knows”, “Mandolin wind” (de eerdere hit van Rod Stewart), “Stories that we could tell” en “Our song”. En de oude hit van The Hollies “The air that I breathe” is in het jasje van de Everly brothers een klassieker om nooit meer te vergeten. Bij dat nummer heeft Trudie me wel eens aan het meezingen gekregen en dat wil wat zeggen: bovenaardse klasse!

In Nederland wil het nog wel eens de hele dag door regenen. Hier is het omgekeerde aan de hand. Het kan weken achter elkaar echt kurkdroog blijven, ook in de winter, en dan niet alleen tot schande van de boeren, maar ook van de Palmezen. Die snakken ook af en toe naar een mals buitje. Als dat omlaag komt, zie je de stadse meute opleven.
Afgelopen dinsdagmiddag was het eindelijk zo ver, en niet één keer, maar bij herhaling. Toen ik om kwart over 5 op het punt stond om op Santa Catalina naar de Driekoningenoptocht te gaan kijken, viel het met bakken uit de hemel. Gelukkig voor mij en de drie koningen was het even later weer over en kon ik me zonder paraplu en poncho – die heb ik hier niet - tussen het Canarische volksdeel opstellen. Ik keek uit op een woud van poncho’s; Trudie zou ervan gesmuld hebben. Een aardig deel van de mensen, van ongeveer baby’s nog tot stokoude opa’s en oma’s, was gehuld in iets van plastic, in alle kleuren van de regenboog, zowel preventief als nu ook om het hemelwater tegen te houden. Even later - de eerste “carroza”, praalwagen, kwam net aanzetten - begon het opnieuw te plenzen. Nu werden ook honderden, wat zeg ik: duizenden paraplu’s tegelijkertijd de lucht in gestoken. Ik was blij dat ik een overdekt plekje vond net voor het gebouwtje van de “guaguasmunicipales”.
De optocht bestond uit twee delen. Eerst kwamen er in de stromende regen ongeveer 15 a 20 “carrozas” voorbij. Omdat ze in kolonne kwamen en gingen, liep de muziek van de ene wagen zonder mankeren over in de andere. Dat is met het meeblèren wel eens hinderlijk, ja. De zanglustige toeschouwers zetten net in op het ene deuntje, komt er alweer andere muziek uit andere luidsprekers. Alles is hier “industry driven”: Kalise, Tirma, Caser, het bekende rijtje. El Corte Inglés had misschien wel de toepasselijkste “carrozo”, die ik ook nog met carnaval goed wil keuren: een Aladin-wagen met oliekannetje, die nu nog “Jingle bells rock” speelde, twee weken na kerstmis, dat weer wel. En de leukste wagen - ik kan het niet helpen - was ook deze keer van Hiperdino met zijn dansende vooraardse monsters. Zij deinden mee op iets Spaans dat mij onbekend was, maar het publiek om mij heen grote lol bezorgde.
Vervolgens viel er “e look” van wel tien minuten, het lijkt wel “de groeten optoch in Mestreech”, maar toen was het wel droog. Het begon pas weer opnieuw te gieten, toen het tweede deel van de “cabalgata”, de glorieuze intocht, in zicht kwam. Vanonder mijn afdak, opnieuw, zag ik eerst een harmonie doedelzakspelers (op zijn Galicisch?) voorbij komen met pal daarachter een hele meute Romeinen –“olé, olé, de Romeine zien oké”, maar dan op zijn Spaans.Tenslotte denderden de drie wijzen uit het oosten met hun bedienden en dromedarissen in marstempo langsin rood, blauw en groen. Volgens mij waren Melchor, Gaspar en Baltasar dezelfde drie hotemetoten die in de vorige jaren ook al naar mij en vooral naar de kleintjes van LasPalmas gezwaaid hadden, maar leuk blijft het. Er werden nog de nodige laatste moment brieven aan het drietal overhandigd, intussen aardig nat, voordat we terug naar haard en huis mochten. Een triomfantelijke mars over de boulevard zat er vanwege de weersomstandigheid voor mij niet in, deze keer.Ik was nog net voor het donker weer op mijn appartement.

Op de feestdag zelf zit ik ’s ochtendseen beetje beteuterd voor me uit te kijken. Is het omdat ik geen kadootje van het drietal heb gekregen, zelfs niet in aanmerking kom voor een portie “carbón”? Of omdat ik in toenemende mate gemengde gevoelens bij mijn (Ierse) boek heb? In ieder geval regent het niet en lijkter ook geen regen op komst. Het is op Driekoningen hier nog rustiger dan het hier doorgaans op een zondagochtend is. Pas om 11 uur zie ik de eerste kinderen met hun speelgoed op straat verschijnen. Een jongetje van lagere school leeftijd loopt om zich heen te schieten met een kalasjnikov. Even later zie ik een ander jongetje, meer van kleuterschoolleeftijd, met een rode trapauto voor bij komen. Het apparaat heeft alles weg had van een rode sportwagen (en ik denk aan “Little red Corvette” van Prince). Zijn vader duwt hem voorzichtig over de Luis Morote bij mij onder langs in de richting van Santa Catalina.

Dit jaar - nieuw ten opzichte van eerdere jaren - is dat de stadsbussen gewoon over Santa Catalina blijven rijden. Er wordt druk gewerkt aan het opzetten van het carnavalspodium, alleen staan de stoelen nog opgestapeld en zie ik nog steeds geen tribunes. Dus kunnen we tot vandaag nog steeds gewoon op Santa Catalina opstappen op onze favoriete bus. Pas morgen, heb ik begrepen, is het plein pas voor bussen taboe en moeten ze onder het plein door.

Juli verklaarde mij onlangs dat hij helemaal niets ziet in vegetarisme. “Als je daaraan gaat toegeven, dat je alleen nog maar groente en dergelijke mag eten…”, was zijn ongezouten mening hierover. Hij en ik believen graag een stukje vlees op zijn tijd en dat laten wij ons liever niet afnemen door mensen die zich in sojabonen en foute rijst moeten. Juli kiept liever een kalfsruggetje, een lamspoot of een volledige zeebaars in de pan.
Stel dat binnenkort een of andere wetenschapper onomstotelijk aantoont dat watermeloenen, bloemkolen en aardappelen ook gevoelens hebben, zelfs pijn kunnen lijden. En dat de bond van vegetariërs die uitkomst wil doortrekken naar steeds meer “frutas y verduras”. Zou dat dan betekenen dat er nog minder overblijft om met een gerust hart bij een stukje stokbrood weg te werken? Vegetariërs hebben m.i. volkomen gelijk, als ze beweren dat wij rijkaards te veel koeien, varkens en dergelijke eerst vet laten mestenom ze vervolgens met huid en haar te consumeren. Hier zie ik persoonlijk een mooi voorbeeld van iets waarbij ietsje minder een stuk beter is. Maar lekker blijft het, zo’n halve gegrilde kip of een portie zuurvlees, daar is niets aan af te dingen. Aan de andere kant, de massale bio-industrie mag wat mij betreft best verboden worden. Laten we terugkeren naar eenvoudige (landbouw en) veeteelt dichtbij huis en haard.De overheid zou zich daar best voor mogen inzetten.

Het is woensdagmiddag en dan is het mij toegestaan om weer voor een nieuwe muzikant kiezen. Kennen jullie de Texaanse Nanci Griffith al? De dame is van 1953, dus maar ietsje jonger dan Ton, bijna aan de AOW toe. Wat heeft ze me de afgelopen decennia al met Country van de bovenste klas bestookt. Haar hit “From a distance” is wellicht een “eye opener”, zelfs voor de mindere liefhebbers onder jullie. Ongelukkigerwijs heb ik nog maar weinig muziek van haar in mijn bezit, van haar studiocd’s moet ik vooralsnog genoegen nemen met een recent drietal: “Winter marquee” uit 2002, “The loving kind” uit 2009 en “Intersection” uit 2012. Echter, Nanci Griffith maakt al platen vanaf 1978 en van de zomer ga ik er zeker nog meer van haar bemachtigen, meer het oudere werk. Gelukkig heb ik wel nog twee verzamelplaten van haar: “The MCA years, a retrospective” uit 1993 en “From a distance” uit 2002 en daarbij gaf ik denk Peter me met een live Cd uit 1992 (Cambridge, U.K.) “ter lering ende vermaak”.
Kiezen welke Cd ik voor jullie ga opzetten, is een klus. Laat ik eens niet voor iets recents kiezen, maar haar “Retrospective” uit 1993 bij jullie uitproberen. Hier zijn achttien nummers uit haar MCA jaren:
01.Trouble in the fields
02.From a distance
03.I don’t wanna talk about love
04.Deadwood, South Dakota
05.Love at the Five andDime
06.Listen to the radio
07.Gulf coast highway
08.I wishitwouldrain
09.Ford Ecoline
10.So longago
11.If wisheswerechanges
13.Late night Grande Hotel
14.It’s just anothermorninghere
15.Drive-in moviesanddashboardlights
16.There’s a light beyond these woods (Mary Margaret)
17.Outbound plane
18.It’s a hard life whereveryougo
Als ik jullie eens de naam van een rijpe vrouw met een kinderstem moet noemen, komt Nanci Griffith daarvoor in aanmerking (zelfs op haar Cd van 2012). Voor wie haar eens op YouTube wil aanschouwen, doe dat zeg ik, luister en kijk eens naar “Spanish boots of Spanish leather”(geschreven door Bob Dylan), “Across the great divide”samen met Emmylou Harris of Buddy Holly’s “Well, all right” dat ze een keer samen met The Crickets deed in de David Lettermanshow. De “tribute to Buddy Holly” Cd “Not Fade Away” van Nanci Griffith met The Crickets behoort tot de albums die ik nog niet heb; die moet ik zeker nog eens te pakken zien te krijgen.
Maar goed, op de verzamelcd “The MCA years - A Retrospective” zijn er nog weer nummers die boven de andere uitsteken, hoewel ik moeite heb om ze te benoemen (“het beste van het beste”). Ik beperk me hier tot “I don’t wanna talk about love”, “I wish it would rain”, “If wishes were changes”, “It’s just another morning here” en “It’s a hard life wherever you go”. Laat ik bovenal het beste paard van de stal niet vergeten: “Love at the Five and Dime”, een waar feest van een C&W-nummer met een lengte van meer dan zeven minuten. Op dat liedje kom ik terzijde te weten dat een lift in het Engels ook een “lift” is, maar in de Verenigde Staten een “elevator”. En dat de deur van de Woolworth winkellift een ping in zich heeft, voordat ze omhoog of omlaag gaat.

Op Driekoningenavond is het ook op Las Canteras niet druk. Ik zie een “Elsa” voorbijkomen met haar moeder, in een lichtblauwe lange jurk. Charmanter vind ik een iets oudere jongen, die rondrijdt op een plank van twee stukken met aan de uiteinden kleine wielen. Zijn voertuig doet mij denken aan een Segway zonder stuur en stuurstang. Het hangt wel van flitsende lampjes aan elkaar.
Dan zijn er, toch weer, twee piepjonge meisjes, allebei in het roze enmet helm, die hun eerste metalen step, met zijwieltjes, op de boulevard mogen uitproberen. Het ene meisje heeft de dubbele wieltjes aan de voorkant zitten en de andere aan de achterkant. Welke van de twee (“Op een step, op een step, ik ben zo blij dat ik hem heb” van Wim Sonneveld) zou ongevaarlijker zijn? Later komt ook een lagere schooljongen met een V-vormige step voorbij; door je benen op de twee zijstukken te bewegen krijg je hem vooruit. Mag dat wel hier? Echt fietsen is uiteraard helemaal taboe op Las Canteras (behalve voor de politie); vanaf welke leeftijd is ook het steppen niet meer toegestaan?
Los daarvan: waar blijft de tijd, toen een kleine step nog iets raars was en wij, Maastrichtse kinderen een grote autoped als voertuig hadden, met banden die je moest oppompen, een “roller” om het eens op zijn ouderwets te zeggen.
Zoals haast iedere avond probeert de ijverigeman van de loterijen mij onder het luidkeels roepen van “Suerte” een lot te verkopen. Die maakt wat kilometers op een middag en avond; Trudie met haar geocaching is er niks bij! Lieve lezers, als je de gigantische Kerstmis-loterij (El Gordo) zonder dat je prijs hebt, net achter de rug hebt, ook bij de Nieuwsjaars-loterij alleen maar nieten hebtgetrokken en tot overmaat niet eens je eigen geld hebt terugverdiendin de Driekoningen-loterij, waarom zou je dan monter weer een vers lot gaan kopen voor een trekking aanstaand weekend? Zelfs een kraslot is aan mij nooit besteed geweest.

Donderdagavond7 januariis de heilige zandhoop hier, ook wel de “belén de Arena” geheten, eindelijk opgeruimd.Ik ben blij dat de feestdagen nu echt voorbij zijn en we met een gerust hart aan de voorpret van carnaval kunnen beginnen. Hier is het nog even wachten, maar in Maastricht is het a.s. zondag al prijs, als “’t benkelik momint” de nieuwe prins carnaval tevoorschijn tovert. Ik wil al te graag van jullie horen wie dit jaar de eer tebeurt is gevallen. Prins carnaval worden in Maastricht, het blijft “iets” hebben, ondanks de Tempeleers zeg ik erbij, net als hier de uitverkiezing van de carnavalskoningin.
Wat ik helaas ook ga missen, is de nieuwe uitvoering van het illustere “Veldeke kabberèt”. Trudie gaat er met Marij de komende zondagavond heen, geloof ik. Ze mogen allebei één iemand meenemen en jammer is en blijft het dat Trudie voor die avond een andere compagnon in gedachte heeft. Over een goeie week zit ze wel weer hier in Las Palmas, samen met Marcel, Damaris & Yves.

Het is echt een week van verjaardagen. Zondag was Greetje jarig, woensdag Anoek en op 9 januari, morgen dus, is Eva aan de beurt.¡Cumpleaños feliz, muchachas! Intussen word ik er ook niet jonger op.Met carnaval, als ik in Maastricht ben, zal ik proberen mijn rimpels met schmink weg te werken. En als dat niet lukt, is het voor mij botoxen geblazen, of natuurlijk met een maske(s) oplopen van iemand die gebotoxt is.
En daar laat ik het bij voor deze week. Ik zie jullie hopelijk terug over een week, waarschijnlijk op donderdag 14 of vrijdag 15 januari. Maastrichtenaren, beloof me dat jullie wel in de Grote Staat staan, als de Groeten Oonbekinde voorbij komt op weg naar de Spilstraat (“Spèlstraot”?) en dan langs McDonalds naar de Markt afdaalt. Het is nog maar een maand en dan kunnen we er weer vol tegenaan. Ik ook, laat er zelfs de “gran cabalgata” hier voor schieten. Tot ziens maar weer, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Hier is mijn eerste boek van deze door-de-week. Het is er een van de Engelsman R.J. Ellory, van wie ik er in deze rubriek al vele in positieve zin heb mogen bespreken. Deze keer is “Een ongenode gast” uit 2014 aan de beurt. In het Engels heet het “Ghostheart”, maar ik had de Nederlandse vertaling op weg naar Las Palmas in mijn koffer zitten, dus moet die er hier aan geloven.
Het is het verhaal van de New Yorkse Annie O’Neill. Ze is 30 en woont drie hoog in een flat met als overbuurman Jack Sullivan, een dronkenlap van 55 jaar, met wie ze het heel goed kan vinden. Haar spaarzame geld verdient ze met het runnen van een tweedehands boekwinkel in de buurt, The Reader’s Rest (hoek West107th en Duke Ellington in Manhattan). Naast het vasthouden van een handje vaste klanten plus enkele toevallige bezoekersheeft ze niet veel omhanden. Dan verschijnt de bejaarde (Robert) Forrester ten tonele, die iets over haar lang geleden overleden vader weet en haar een deel van een niet uitgegeven manuscript ter lezing achterlaat. Dat gaat over het turbulente leven van ene Haim Kolzac of Rosen, die zich in New York Harry Rose is gaan noemen. Die wordt de “partner in crime” van Johnnie Redbird, ook al een aanvankelijk onbenullig boefje, maar later worden ze echte boeven. Er gebeurt van alles, dat ik hier niet ga vertellen. Veel later, als ze in de veertig zijn, worden de twee voor een moord opgepakt; Johnnie neemt de schuld op zich en draait de bak in, Rikers Island, tot hij – hoe kan het anders - zeven jaar later weet te ontsnappen. Dan zoekt hij zijn vroegere maat Harry Rose op om de helft van de poen van de twee alsnog terug te krijgen.
Intussen wordt Annie in de werkelijkheid smoorverliefd op ene David Quinn, met wie ze stante pede een gepassioneerde verhouding begint. Echter, na een paar wekengeeft hij er alweer de brui aan en laat Annie uiterst beteuterd achter. Gelukkig is haar buurman Jack Sullivan dan present om haar weer op te peppen.
Daar laat ik het voor de samenvatting bij. Ik heb het boek, bijna 400 bladzijden, in één ruk uitgelezen en spannend is het en blijft het. Ellory maakt van “Ghostheart” een novelle - het hele verhaal speelt zich af in maar een paar maanden – waarbij je je (ik dus) geregeld afvraagt waar het heen zal gaan. Ik beken dat ik het me allemaal ietsje te uitgesponnen voorkwam, maar bij de les bleef ik wel. Ik geef als recensiecijfer een 8 voor het boek, eerlijk verdiend. Alle andere boeken van R.J. Ellory die ik nog niet heb gelezen, krijgen bij dezen ook een toekomstige beurt, besluit ik.

Min of meer zonder bijbedoeling had ik begin november ook het boek “The Sirius crossing” van John Creed in mijn koffer hierheen zitten. John Creed is een Ierse schrijver van thrillers en dit boek, met Jack Valentine in de hoofdrol, is van 2002. Hij won er een Ian Fleming Steel Dagger mee. Het speelt vooral op de grens tussen Ulster en Ierland.
Jack – pas op bladzijde 144 zie ik voor het eerst zijn “surname” Valentine staan– is een secret service agent die er door zijn bazen Sommerville en Curley op uit gestuurd wordt om ergens in Noord-Ierland een zeer dode Amerikaan op te sporen. Diens leven zou decennia terug in een grot (“souterrain”) geëindigd zijn. Zewaren destijds als parachutisten met hun tweeën, de ander kon zijn opdracht wel uitvoeren, maar de dode zou wel allerlei papieren bij zich hebben gehad die nog steeds niet openbaar mogen zijn. Jack Valentine komt op zijn missie in contact met diverse mensen aan de kant van de Britse oppressor, o.a. Ronnie Whitcraft en het koppel Marks & Canning. Eigenlijk heeft Jack Valentine minstens zo veel op met de tegenpartij, de IRA. Namen in dit boek van mensen uit die hoek zijn o.a. Liam Mellows, Paddy Regan en ene Eamon van een pub in Dundalk. Voor wie ook in namen van Amerikanengeïnteresseerd is, noem ik hier John Stone, een heel hoge ambtenaar, en Sirius van de US Special Forces, wiens ware identiteit pas op het einde van het boek bekend wordt. Nogal wat bladzijden in het boek spelen overigens niet in Noord-Ierland of op de Schotse kust, maar op Het Kanaal daartussen - het woord crossing staat voor de oversteek. Twee boten, de Castledawn van Jack Valentine en Quo Vadis van de Britse overheid, allebei in het boek aangesproken met “she”,komen daar uiteindelijk met elkaar en vooral met de woeste zee in aanvaring. De vrouwelijke rol gaat o.a. naar de zus van Liam, Deirdre, en verder naar ene Eva in Berlijn en Kate op een van de Shetland eilanden.
Ik heb John Creed’s boek “The Sirius crossing” in twee dagen helemaal uitgelezen, maar echt mooi kon en kan ik het niet vinden. Halverwege (woensdagmorgen) dacht ik erover om het maar te laten voor wat het was, maar dan had ik jullie maar een halve recensie kunnen bezorgen, grapje. Ik vind dit meer een boek voor bijv. botenliefhebbers dan dat me nu eens haarfijn wordt uitgelegd waarom de IRA het gelijk altijd aan zijn kant heeft gehad dan wel waarom spioneren in de grond een uiterst saaie bezigheid is. Als recensiecijfer kom ik niet verder dan een 6, een voldoende, maar niet meer dan dat. Voor mij hoeven andere boeken van John Creed niet meer.

maandag 4 januari 2016

Weblogbrief 11.11, 2 januari 2016

Weblogbrief 11.11, 2 januari 2016

Tweeduizendzestien, “compañeros inseparables”, gezworen kameraden, ik zeg het goed, we zitten in een nieuw jaar. Heel vaag heb ik in (het onderbewuste deel van) mijn hoofd verankerd zitten dat ik in het jaar des heren 2022 zal komen te overlijden. In dat geval heb ik nog zes jaar te gaan. Hoe waren de afgelopen dagen? Hebben jullie voldoende feest kunnen vieren de afgelopen dagen, vooral van de donderdag op de vrijdag? En zit er voor sommigen van jullie nog een ambtenarencarnaval in het vat? Hier sleep ik jullie met terugwerkende kracht door mijn Nochevieja en Nuevo Añoheen. Daar gaat-ie, mijn elfde van de elfde brief.
Laat ik die beginnen met te vertellen dat mensen elkaar niet speciaal voor de gek houden op 1 april. De dag waarop je elkaar geestelijk mag pootje lappen (Noé, je veter zit los. Grapje!), is in Las Palmas op 28 december. Ik hoop maar dat ik vandaag niet in het spreekwoordelijke ootje word genomen.

Als muziekopener heb ik een Cd voor jullie met orkestmuziek uit de periode 1924-1930, dat is lang geleden. Op mijn computer staat ze vooralsnog aangekondigd als een Cd van Bix Beiderbecke (“Young man with a golden horn”), maar dat klopt niet. De Cd is een verzameling losse nummers; er prijken er zes op van het orkest van Paul Whiteman, ook zes van dat van Frank Trumbauer en vier van dat van Bix Beiderbecke. Verder vind ik drie nummers van het Wolverine Orchestra plus nog eentje van Jean Goldkette en van Hoagy Carmichael. Even optellen, dan komt deze koopman op 21 in totaal. Hier zijn ze:
Paul Whiteman: San / From Monday on / Louisiana /
You took advantage of me / China boy
There ain’t no sweet man that’s worth the salt of mytears
Frank Trumbauer: Clarinet marmalade / Singin’theblues
I’m coming / Virginia / Borneo
Way down yonder in New Orleans
Bix Beiderbecke: Royal garden blues / Davenport blues
In a mist / I’ll befriendwithpleasure
Wolverine: Jazz me blues ? Riverboat shuffle / Big boy
Jean Goldkette: Clementine (from New Orleans)
Hoagy Carmichael: Georgia on my mind
Wat mij boven alles opvalt, is dat op acht van de eenentwintig nummers ook een zanger actief is, maar dat die in die tijd nog gezien wordt als niet meer dan één van de instrumenten van het orkest. Het idee dat de zanger of zangeres een aparte vermelding verdient, is van latere tijd.
De orkestmuziek van negentig jaar terug blijft nog steeds te pruimen, met en zonder zang erbij. Uitschieters naar boven op deze Cd zijn voor mij (voor elk wat wils): “San” van millionseller Paul Whiteman; zie het artikel daarover van Harry, “Way down yonder in New Orleans”van Frank Trumbauer, “Royal garden blues” van Bix Beiderbecke en “Jazz me blues”van Wolverine. En uiteraard ga ik Hoagy Carmichael, de man van Stardust, niet vergeten met zijn nummer met eigen zang “Georgia on my mind”.

Maandagavond ben ik weer eens naar de kapper geweest. Vorig jaar om dezelfde tijd was ik heel content geweest over de knipkunst van een jonge Marokkaan in de Alfredo Jones (spreek uit: “chones”) bij de boulevard en dus mocht hij ook nu aan de slag. Mijn “muy corto” nam hij ter harte. In één moeite door nam hij ook mijn wenkbrauwen en de haren in mijn oren en neus mee met iets wat op een babytondeuse leek, prima. Misschien moet ik me in Maastricht ook eens zo’n ding aanschaffen. Hij was in totaal een kwartier of daaromtrent met mijn hoofd bezig, daarna zag ik er weer als nieuw uit.>BR>
Vervolgens mocht ik mijn opwachting maken bij Lorena, die mij een paar uur eerder ge-sms’t had dat ik om 7 uur verwacht werd. Haar laptop met internetaansluiting had ze in de woonkamer al voor me in gereedheid gebracht en daarmee kon ik mijn vorige brief die maandag aan jullie versturen.
Ter plekke was ook David – het blijft een aparte- en wie hing, al toen ik aanbelde, bij Lorena uit het raam om mij te verwelkomen: Noé. Hij was net gearriveerd in Las Palmas en ging hier tot na Nieuwjaar blijven. Een half uur later zat ik met Noé op een boulevardterrasvoorbij la Oliva aan de “cerveza”; David was intussen per fiets met helm huiswaarts gekeerd. Zoals dat hoort, begonnen we getweeën met ons wederzijds leed en geluk op tafel te leggen, steeds tot vermaak van de ander. Noé zit sinds bijna een jaar bij een overheidsinstelling in Santa Cruz die zich met publiek geld net als met zeven andere Spaanse instellingen in de peninsula bezig houdt met het schrijven van overzichtsartikelen op de wijze van de Cochrane Collaboration. Hij doet dat vanuit zijn werk in de buurt van Sana Cruz de Tererife als één van de dertig medewerkers. In dat kader gaat hij komend jaar ook een tijdschriftartikel proberen te publiceren. Zijn animo vorig jaar voor Maria is helaas al weer finito; ze is intussen wederom van de lesbische liefde.
Lorena kwam niet met ons mee. Ze ging eerst samen met amateurkok Juli (van de hortus botanicus) vlees kopen voor een gezamenlijke oudejaarsavondmaaltijd bij Juli thuis. Daarvoor gingen ze naar een “carniceria”, voor het grote werk, niet te verwarren met een “charcuteria” voor de fijne vleeswaren. Pas nadat die klus geklaard was, voegde het duo zich bij Noé en mij op ons terras. Dat gaat in de tegenwoordige tijd niet door ergens met elkaar af te speken, maar door elkaar te bellen per mobieltje. “¿Donde estás?” Ik moet er kennelijk nog aan wennen, nog steeds.
Het werd ook met zijn vieren een gezellig onderonsje. Terzijde werden mij door de Spanjolen diverse tips aangereikt hoe ik mijn kennissenkring hier met mensen van mijn leeftijd kon uitbreiden. Of die tips me gaan helpen, staat te bezien. Om half 11 vertrokken we moe gezeten in de richting van onze bedden. Ik lag er tot mijn verrassing op tijd in.

Noé, altijd trek, bestelde bij het bier maandagavond een bak pindanootjes. Die heten in Spanje “cacahuetes”, maar hier op zijn Canarisch “manices”. Hij verwees mij daarbij naar een mooie evergreen uit Cuba: “El manicero”, de pindaverkoper. Ik heb op mijn computer twee Cubaanse versies ervan, van het Cuarteto Patria (met Elíades Ochoa) met Manu Dibango en van Omara Portuondo met Martin Rojasen daarnaast heb ik nog een derde Spaanse van polyglot Caterina Valente. In de Engelse vertaling, “The peanut vendor”, is het nummer intussen minstens zo bekend, o.a. in de versie van Al Bollry (uit 1931), Dean Martin, Anita O’Day en instrumentaal Django Reinhardt.
(Het Nederlandse nummer “Pinda, pinda, lekka, lekka” van Willy Derby is weer heel andere kost. Dat gaat over een Chinese pindaverkoper in Nederland die in de dertiger jaren op straat pinda’s verkoopt voor een stuiver. Het was een favoriet deuntje van mijn oma Mai zaliger, maar op “El manicero” lijkt het in de verste verte niet.)

Dinsdag is de dag van de t-shirtopschriften en reclames, bedenk ik die dag. Op weg naar El Corte Inglés is het even speuren voordat ik een t-shirt vind waarvan ik het opschrift aardig genoeg vind om jullie mee lastig te vallen. Deze keer is het (voor de tweede keer) een Frans zinnetje: “SI JE DIRIGEAIS LE MONDE…”, als ik de baas van de wereld was… Op de maandagavond al had ik daar met name met Juli woorden over, in het nette. Hij vond dat ik te veel wil verbieden. Ik kwam erop toen ik rondvertelde dat het gebruik van mobieltjes op diverse plekken aan banden gelegd zou moeten worden en ik in één moeite door piercings door je neustussenschot wilde verbieden, de verkoop van het meeste vuurwerkonmogelijk ging maken alsmede het oeverloze gebruik van skateboards - “monopatines”, “tablas” heten ze hier - aan banden wilde leggen, die lawaaiige ondingen waarmee je de diverse gewrichten in je benen geweldige opdonders kunt verkopen.
Het daarnaast door mij verdedigde voorstel om particuliere auto’s in steden uit te bannen (en het openbaar vervoer uit de algemene middelen te betalen) vond hij echt de grootste farce. Net terug uit de Verenigde Staten vertelde hij me dat de meeste Amerikaanse steden (met wellicht New York en San Francisco als uitzondering) helemaal gebouwd zijn op het privé-verkeer met de auto. Bijv. in Saint Louis waar hij voor zijn werk was - een uiterst saaie stad volgens hem –zou het leven zonder auto’s een nog grotere helzijn dan daar wonen nu al was. Als jij de baas van de wereld wordt en eigen auto’s van mensen in een stad als Saint Louis gaat verbieden, zei hij, breekt er een complete opstand uit die zijn gelijke niet kent. Ook of zelfs in Las Palmas zou je de mensen hun eigen auto niet mogen afnemen, betoogde hij (maar ik gelukkig nog steeds niet).
Op weg naar El Corte Inglés kwam ik dinsdagavond ook langs een manshoge advertentie van biermerk Cruzcampo. De aanprijzing was: “PORQUE SOMOS DE BARRA”. Wat is dat nou weer? Is Cruzcampo speciaal een voorstander van mensen aan de toog van een café, de krukzitters zogezegd? Of is het algemener bedoeld en heeft de bierfirma iets positiefs met barbezoekers?

Música! Voor de variatie wijk ik op de woensdag eens uit naar Argentinië en dan vooral naar de tangomuziek uit dat land. Van een fanaat op dat terrein uit Cadier en Keer kreeg ik, alweer anderhalf jaar terug, van allerlei bekende tango-orkesten één Cd aangereikt, geen overmaat, maar toch wel uit een goed hart. Bekende orkestleiders als Anibal Troilo, Juan D’Arienzo en Osvaldo Pugiese kennen jullie intussen misschien wel en ook Astor Piazzolla, neem ik voorzichtig aan. Echter, er zijn nog een heleboel andere maestro’s van de tangomuziek. Eentje van die ga ik hier aan jullie voorstellen: Alfredo de Angelis. In 1996 kwam een Cd uit met twintig van zijn nummers, getiteld “From Argentina to the world”, niet bepaald een Spaanse titel. Ik neem maar blind aandat de nummers veel eerder zijn opgenomen, zo te horen in de jaren 40 of 50, denk ik. Hier zijn ze op een rijtje:
01.El piaf (I)
02.La brisa (C)
03.Jirón porteño (J)
04.Soñar y nada más (C+J)
05.Como se muere de amor (F)
06.La cumparsita (I)
07.Para qué te quiero tanto (C)
08.Misa de once (J)
09.Marioneta (F)
10.Pastora ((C+J)
11.Pavadita (I)
12.Ya estamos iguales (C)
13.Altar sin luz (J)
14.Pobre flor (C+J)
15.Mi novia de ayer (F)
16.Guardia vieja (I)
17.Carnaval (C)
18.Bajo Belgrano (J)
19.Bajo el cono azul (F)
20.Pregonera (C+J)
Achter alle nummers heb ik de letters I, C, J en/of F geschreven. I staat voor instrumentaal, C voor zanger Carlos Dante, J voor zanger Julio Martel en F voor zanger Floreal Ruiz. Op vier na wordt op alle nummers van de CD gezongen, naast het bekende geluid van bandoneon, piano, viool en cello. Hier ga ik niet vertellen dat ik Carlos Dante verkies boven Julio Martel of dat Floreal Ruiz toch ietsje minder is dan beroemdheid Carlos Gardel. Dezelfde Floreal Ruiz zie ik overigens terug op diverse hier niet genoemde Cd’s van Anibal Troilo. Op mijn overzicht van tien Cd’s, getiteld “El tango – pasión y emoción”, kom ik Alfredo de Angelis nog eens met acht andere nummers tegen.
Alfredo de Angelis brengt over de breedte best mooie dansmuziek, ook voor muurbloempjes, en het is weer eens iets anders. Speciale nummers waarom ik deze Cd voor jullie opzet, noem ik niet. Nou vooruit, eentje dan: “Pobre flor”, nummertje 14, de melodie heeft wat van “Padam, padam” van Edith Piaf en probeer de tekst ervan maar eens op te lepelen: een hele klus.

Op woensdagavond zat ik in mijn bibliotheekje op een computer met internet mijn e-mail door te nemen en waar wenselijk te beantwoorden. Daarna kon ik het niet laten om in de kranten te kijken. El País had een verhaal over de mislukte wens van ex-president Mariano Rajoy om een “gobierno de amplio espectro” te vormen, samen met de PSOE en Ciudadanos. Zijn eerste beurt om een regering te smeden is echter voorbij. Nu is Pedro Sánchez aan zet, die een linkse coalitie samen met Podemos en klein links voorstaat. Het laatste woord daarover is uiteraard ook nog niet gesproken.
De regionale kranten kondigde nog een ander onderwerp aan dat ik aardig voor mijn brief vind. Op 1 januari, ’s middags om 12 uur, worden wij verondersteld met zijn allen, op de plek naast de Belén de Arena, een duik in de zee te gaan nemen, “un chapuzón colectivo en el mar”. Voor wie van de hoed en de rand wil weten: de gebeurtenis heeft ook een naam meegekregen:“1er baño del año”, dat is nog eens rijmen. Het schijnt ook in Las Palmas om een oud gebruik van vroeger te gaan, dat nieuw leven wordt ingeblazen, met de hulp van Danone’s Actimel. Uiteraard is het hier een stuk gemakkelijker om op 1 januari de zee in te duiken dan in bijv. Scheveningen, al was het maar omdat het water hier nog steeds op Jekerbad-temperatuur is. Ik kan me jaren herinneren dat de watertemperatuur in Schevingen niet veel boven het vriespunt uitkwam.
Het lijkt me wel de gelegenheid bij uitstekom jullie alvast een “zaolig nuijaor” te wensen, “un felizaño nuevo” (and many happy returns of the year). Tegelijkertijd denk ik dan: “baño del año”, zijn er behalve “baño” nog meer woorden die mooi rijmen op “año”? Wel echte rijmwoorden graag, iets als “mano” is uit den boze. Omdat ik nog steeds geen Spaans rijmwoordenboekheb, maar wel een Spaans woordenboek, ga ik me hier bovendien beperken tot de rijmwoorden van maar twee lettergrepen. Año-woorden van drie lettergrepen of meer kan ik zelfs niet bedenken. Donderdagavond was ik de eerste gast bij Juli, zie verder daar, maar ik had wel tijd om hem ernaar te vragen. Hij kwam zonder probleem op een drietal: “antaño”, lang geleden, “estaño”, tin en “rebaño”, kudde.>BR> Er staan twee tweelettergrepige rijmwoorden in mijn woordenboek waar ik nog niet van gehoord heb: “maño" met een ñ, dat Aragoneesbetekent, ook een inwoner van Zaragoza, en een “raño” is een schorpioenvis in het Spaans.Dat “raño”was overigens ook Juli onbekend. Hier komen vier andere die ik wel zelf al in mijn hoofd had zitten. Allereerst is er uiteraard “baño”, zoals in “primer baño del año”, Spaans voor bad, badkamer en wc. Als je in Spanje naar “el baño” gaat, kan dat zijn om een bad wilt nemen, bijv. in de zee, maar ook omdat je naar de wc moet. Dan is er “caño”, dat is een korte pijp, zoals in het Argentijnse “caño de escape”, uitlaatpijp. Verwar het niet met “caña”, dat staat voor (suiker)riet en voor een pilsje. Gaan we naar nummertje drie: “daño”, dat schade en pijn betekent, bijv. in “hacer daño”, schade doen, pijn doen. Door schade en schande wijs worden heet hier wel “dolorosa experiencia es la mejor sciencia”; daarin zie ik het woord “daño” helaas niet terug. Tenslotte heb ik nog “paño” voor jullie, een doek, zoals in “pañito de cocina”, keukendoekje en “paño higienico”, ouderwets maandverband. Een doekje voor het bloeden is overigens een “dedada de miel”, een likje honing. Tevreden?

Voor oudejaarsdag hebben ze in Las Palmas geen goed Spaans woord; de hele dag is het “Nochevieja”, ons oudejaarsavond. Om 8 uur ’s ochtends zat ik net op mijn balkon, toen ik iemand beneden tegen een ander hoorde zeggen: “pasa lo bien”, amuseer je.Vanwege het “pasar” in de uitdrukking heeft het wel iets van ons “’n goje roetsj”. Het was de morgen vóór nieuwjaar voor het eerst deze winter op mijn balkon net nog geen 20 graden, 19 komma zoveel. Gelukkig was dat probleem een kwartier later al verholpen.En nou ik toch met het weerbericht bezig ben: de straatlantaarns gaan hier nu ’s ochtends om half 8 uit en ’s avonds om half 7 aan. Inderdaad, het is hier in de winter veel langer licht dan in Nederland.

Afgelopen jaar, ergens in juni geloof ik, vroeg Jos Kleijnen, sinds vorig jaar een beetje hoogleraar aan de Universiteit Maastricht, mijn hulp. Voor de promotie van zijn eerste promovendus, een Duitser van middelbare leeftijd, kwam hij mensen tekort in de corona. Hij e-mailde me, of ik daarom wellicht acte de présence wou geven. Ik vond het proefschrift bepaald niet erg goed, net aan, maar zegde wel toe. Wie weet mede om die reden werd ik door hem uitgenodigd om op een maandag met hem te gaan uit eten. In een restaurant in de Rechtstraat in Maastricht vertelde hij mij over twee boeken die de farmaceutische industrie op de pijnbank hadden gelegd, eentje van de Engelsman Ben Goldacre - dat las ik afgelopen zomer; zie mijn weblogbrief 11.01 -en eentje van de Deen Peter C. Gøtsche, dat er de afgelopen maanden hier in Las Palmas aan moest geloven. Terzijde, dat van Ben Goldacre vond ik zo mooi dat ik het Susanne nog heb aangeraden.
Het boek dat ik hier behandel, is nog veel feller van toon. Gøtzsche heeft geen goed woord meer over voor de immense industrietak, die hij doodleuk vergelijkt met de maffia.Ik las het boek in Nederlandse vertaling uit 2015: Dodelijke medicijnen, een georganiseerde misdaad, met als ondertitel: Achter de schermen van de farmaceutische industrie. De oorspronkelijke Engelse formulering, uit 2014, vind ik persoonlijk iets beter: Deadly medicine and organised crime. How Big Pharma has corrupted health care.
Letterlijk zegt Gøtssche in de inleiding van zijn boek dat het “niet over de ontegenzeggelijke voordelen van geneesmiddelen gaat, die blijken uit de grote successen bij de behandeling van infecties, hartziekten, bepaalde vormen van kanker en hormoondeficiënties als diabetes type 1”. Zijn boek, ruim 500 bladzijden dik, “richt zich tegen de algemene tekortkoming in het systeem”. En vanaf daar trekt hij onafgebroken van leer, zonder haast zijn gelijke te kennen. Zelfs mensen als Ben Goldacre en ook ondergetekende zijn er niks bij. Peter Gøtzsche doet dat overigens wel met een fabelachtige kennis van zaken.
Hij begint met sprekende voorbeelden, aan de hand waarvan hij diverse misdaden van de industrie alleszins aannemelijk maakt (hoofdstuk 2, 3). Terwijl er maar weinig patiënten baat hebben bij allerlei medicamenten, wordt het klinische onderzoek ernaar corrupt uitgevoerd, misleidend gepresenteerd, of natuurlijk in een geheime la opgeborgen (hoofdstuk 4, 5) en vervolgens de medische tijdschriften door de strot geduwd (hoofdstuk 6). De dokters laten zich met geld steeds opnieuw paaien, zowel als het om deelname aan onderzoek gaat (inclusief veel zogenaamd onderzoek, seeding trials) als bij de verkoop van de middelen (hoofdstuk 7, 8). Voor zover er al toezicht is op wat er gebeurt, bakt de toezichthouder er vaak bedroevend weinig van (hoofdstuk 9-11).
Er volgt klinkend bewijs aan de hand van voorbeelden uit diverse vakgebieden (hoofdstuk 12-16). Het bontste maakt volgens de schrijver de psychiatrische wereld het wel met zijn antidepressiva en antipsychotica en laten we ook de farmaceutische aandacht voor het hyperactieve kind niet vergeten (hoofdstuk 17, 18). Ik ben intussen op bladzijde 363, waar hoofdstuk 19 gaat over “intimidatie, bedreiging en geweld” tegen mensen die het tegen Big Pharma durven op te nemen.De mythes worden opnieuw doorgeprikt, waarna door de schrijver een ware revolutie wordt voorgesteld om het mislukte systeemvan geneesmiddelen beoordelen weer in orde te maken (hoofdstuk 20, 21).
In alle ernst heb ik tegen de beoordeeltrant van Peter Gøtzsche weinig of niks in te brengen. Ik ken hem als een nogal nors, saai mens, maar denk dat hij eenvoudigweg wel het gelijk aan zijn kant heeft. Dat hij nu de onaangenaamste klokkenluider tegen de farmaceutische wereld is, getuigt inderdaad van grote moed. Natuurlijk, je kunt, m.i., niet allerlei belangrijke bijwerkingen van geneesmiddelen zo maar op één hoop gooien, en dat zou ik ook niet doen bij de sterfte aan hart- en vaatziekten en alle kankers samen. Voor veel ziektes waarvoor mensen behandeling zoeken, zijn er intussen al goede middelen met naar verhouding weinig bijwerkingen beschikbaar, die daarbij niet te duur zijn. Is er in dat geval is nog wel behoefte aan nog weer andere, veel duurdere middelen, waarvan we de bijwerkingen vaak onvoldoende kennen? Waar er nog wel voldoende ruimte is voor nieuwe medicamenteuze therapieën, zou het onderzoek daarnaar in de toekomst echt nog van de farmaceutische industrie mogen komen, die er al decennia lang een potje van gemaakt heeft?Datzelfde geldt in minstens zo sterke mate voor het behandelen van allerlei halve en hele risicofactoren bij mensen die in de grond niets mankeren. Moeten die wel volgestopt worden met medicamenten, die patiënten van hen maken? Bijscholing van artsen zie ook ik eerder als een primaire taak van de overheid en beroepsgroepen zonder sponsoring en zeker niet als een bezigheid van farmaceutische firma’s die vooral een marketingstrategie hanteren en steeds meer mensen aan hun dure middelen willen binden.
Ik ga Peter Gøtzsche en ook Ben Goldacre maar eens een brief schrijven, waarin ik me tot medestander van hun aanpak van de farmaceutische industrie verklaar. Tegelijkertijd hoop ik dat hun kritische beoordeling van de geneesmiddelenindustrie gevolgd gaar worden door een even scherpe vinger aan de pols van andere diagnostiek en therapieën, zoals fysiotherapie, de snijdende medische vakken, tandheelkunde en de psychotherapieën.

Donderdagavond om 8 uur was ik de eerste bezoeker bij Juli om met in totaal acht mensen de avond (en nacht) op gepaste wijze door te komen. Na mij kwamen achtereenvolgens Marina, David, een vriend van Lorena, Rafaela en tenslotte om half 10, 10 uur Lorena en Noé. Iedereen van de aanwezigen had eten en/of drank bij zich, mijn inbreng was een fles whisky. Juli en Lorena hadden eerder al twee hoofdgerechten voorbereid, die hun tijd nodig hadden, maar nu alleen nog even gebakken moesten worden en daarna in de oven gezet. Ik heb het over uiteindelijk een grote schaal kalfsvlees en een nog grotere schaal schapenpoot met een chutneysaus erover heen. Als nagerecht kwam een sorbet op tafel van citroenijs (van De Spar) met “cava”.
Heb ik het voorgerecht overgeslagen. Ik denk dat vooral daarin een groot verschil met eten in Nederland te constateren is. Waar in Maastricht en de randstad het begin meestal niet meer dan een soepje is, als het echt uitgebreid moet zijn nog gevolgd door een klein pasteitje en/of een kreeftcocktail of zo, pakt men hier voor het voorgerecht veel en veel royaler uit. Ik telde bij Juli thuis uiteindelijk zes verschillende soorten kaas van het eiland, foie gras (van Française Rafaela), opgewarmde sobresada (a la chorizo) uit Majorcain een tomatenmengsel, royaal zalm met een groen Argentijns gemengd sausje en voor de noodzakelijke vitaminen een grote kom gemende salade met van alles erin. Voor erbij was er een bak met stukjes stokbrood en tot mijn verrassing Wasa knäckebröd (uit Zweden, hoewel daar een ander, rond knäckebröd populairder is). Uiteraard vloeide de drank voor, tijdens en na het eten rijkelijk, van spa, coca cola via bier en wijn tot gin, rum en (mijn) whisky. Om klokslag twaalf uur moesten we (per klokslag) een van onze twaalf druiven wegwerken, waarna een lekkere “cava” op tafel kwam. Het eten en drinken was top.
Nou hoor ik hier ook te zeggen dat we het vervolgens tot in de vroege morgen ontzettend naar onze zin hadden, maar dat kan ik er helaas niet van maken. Eigenlijk vielen de gesprekken na middernacht voor mij een beetje dood. Toen de muziek van het begin van de avond, o.a. “Highway 61 revisited” van Bob Dylan, ook nog werd ingewisseld voor een soort hoempamuziek, hield ik het als verreweg de oudste van de aanwezigen voor gezien. Misschien fout, maar tegenwoordig ben ik meer een man van overdag dan een nachtbraker. Juli woont niet ver van mij flat vandaan en om een uur lag ik weer in mijn bed.

Eerder in de middag van Nochevieja hadden weer vele duizenden mensen hier meegedaan met de San Silvestre, een stratenloop die dit jaar zijn veertiende editie inging. ’s Avonds op weg naar Juli zag ik de nodige deelnemers met hun gele deelnemersshirt met opdruk voorbijkomen. Bij mijn weten is dat San je reinste flauwekul, zo iets als Sint Kerfitsel in het Maastrichts en Sint Juttemis in het Hollands. In mijn woordenboek staat “silvestere” voor iets dat in het wild groeit en is er niet ook silvesterbier in de dagen voor Nieuwjaar? Een speciale heilige voor oudejaarsdag kan ik me bij San Silvestre niet echt voor de geest halen. Maar Noé’s mobiel met internet hielp me voor de zoveelste keer uit de brand: Silvester was een paus uit de begintijd van het christendom en hij gedroeg zich tijdens zijn leven meer dan voorbeeldig. Hij overleed op Nochevieja Anno Domini335 en zodoende.

Intussen is het wel Nieuwjaar en daar hoort een opgewekt nieuw muziekje bij. Na de Amerikaanse orkesten en dat van Alfredo de Angelis kom ik terug op het honk met weer eens een Nederlandse bijdrage, oorspronkelijk uit 1939. Toen zetten de Ramblers van de VARA met als dirigent Jacky Bulterman (of was het Theo Uden Marsman) de “Zuiderzee blues” op de plaat plus nog vijftien andere nummers. Helaas, ik kom maar tot in totaal dertien, maar beter een glas dat bijna vol is dan een half glas, zal ik maar zeggen. Op zes van de dertien wordt ook gezongen, maar alweer is het even zoeken van wie de zangpartijen dan wel afkomstig zijn. Twee blijken van Hal Yatesen eentje van Freddy Johnson te zijn, de andere drie zijn voor rekening van Wim Poppink, Marcel Thielemans en het Tonette Trio. Hier zijn de dertien nummers die ik heb:
01.Swinging the fiddles
02.Zuiderzee blues (FJ)
03.South of the border (HY)
04.Heaven canwait (HY)
06.Beale street blues
07.Darktown Struutersball
08.Flip de fluiter (Tonette Trio)
09.Wie is Loesje (Wim Poppink)
12.Jitterbur’s nightmare
13.Pork andbeans
14.Could be
15.Liza likes nobody (Marcel Thielemans)
16.Avalon
Laat ik vooral de zangers maar weer in het zonnetje zetten en dan met name die van eigen bodem. “Flip de Fluiter” met het Tonette Trio in de aanslag, wie kent het niet? Dan is er Marcel Thielemans met zijn in het buitenlands gezongen “Liza likes nobody”, is dat niet wonderbaar? Echter, de hoofdprijs van duizend gulden gaat naar Wim Poppink met zijn meezinger “Wie is Loesje” (het snoesje van de drummer)? Blijft de vraag of er tussen de drie nummers die ik nog niet heb, nog grof zanggeschut zit? Ik ga er t.z.t. zeker naar op expeditie.

Verder is het rustig op de eerste dag van het nieuwe jaar. ’s Avonds zit ik nog weer eens op het terras met Noé, waar hij mij in detail vertelt over de oogziekten waarover hij een review schrijft: de “Hereditary retinal dystrophies”. Ik heb er eerlijk gezegd nog nooit van gehoord. Belangrijke ziekten binnen deze serie zouden retinitis pigmentosa (die staat me vaag bij) en de ziekte van Best zijn. Het gaat zelfs als je de frequentie van de verscheidene ziekten bij elkaar optelt, nog steeds over iets zeldzaams. Maar omdat er nog helemaal geen goede therapie beschikbaar is, vond de Spaanse overheid het toch raadzaam om er eens een paar methodologen en oogartsen naar te laten kijken.

Dan is het zaterdag en doe ik een poging om mijn weblogbrief aan jullie te versturen via Lorena. Dat lijkt te lukken vanavond.
Gedraag je en houd ook in het nieuwe jaar de moed erin. Volgende week zondag 10 januari is op de markt in Maastricht al weer de uitroeping van een nieuwe prins carnaval “vaan Groet Mestreech”. Mijn brief nummertje 11.12 verwacht ik volgende week vrijdag te versturen, twee dagen vóór “’t benkelik momint”. Voor nu: blijf “as snug as a bug in a rug”, zo behaaglijk als een beestje in een tapijt, ofwel neem het ervan, om Philip Kerr te citeren en tot ziens maar weer, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek had ik best zelf kunnen kopen of lenen in de bibliotheek, maar als Rocky het mij voor op mijn e-reader paraat heeft, wie ben ik dan om het te weigeren. Ik heb het over “Millennium 4, Wat me (ons) niet zal doden” (maakt me sterker, een citaat van Nietsche).De erven (vader en broer) zullen aan de eerdere Millennium-trilogie – de boeken en de films - van de te vroeg overleden Stieg Larsson een behoorlijke duit verdiend hebben. Vervolgens gaven ze David Lagercrantz permissie om deel 4 te schrijven. Hier is mijn recensie. Het speelt vooral in Stockholm.
Naast journalist Michael Blomkvist en punker, hacker Lisbeth Salander gaat de hoofdrol in dit boek naar schooljongetje August. Hij is autistisch, kan ook niet praten, maar wat blijkt hij als “savant”een talent te hebben voor tekenen en wiskunde (elliptische curven, priemgetallenfactorisatie). Zijn vader Frans Balder is topexpert in het terrein van kunstmatige intelligentie en komt de smerige verkoop van zijn kennis aan criminelen op het spoor. Vervolgens wordt hij geliquideerd, maar zijn zoon August weet met de hulp van Lisbeth Salander te ontsnappen. Bij de handel in kunstmatige intelligentie zijn diverse mensen betrokken, van het Amerikaanse bedrijf computerbedrijf Solifon, vande Amerikaanse veiligheidsdienst NSA, een Russisch parlementslid en een boevenclubje Spider Society met o.a. moordenaar Jan Holtser en aan het hoofd Lisbeth’s zus Camilla. In Zweden zijn bovendien belangrijke rollen weggelegd voor de veiligheidsdienst daar (de Säpo, vooral Gabriella Grane) en de politie (Jan Bullanski, Sonja Modig), terwijl Michael Blomkvist en zijn helper Andrei Zander van het blad Millennium er met hun neus bovenop staan.Mooie bijfiguren in het boek zijn o.a. Edwin Needham (Ed the Ned) van de beveiliging van NSA, moeder Hanna en haar nieuwe vriend Lasse van Augusten autismedeskundigen Forsberg, Lindén en Edelman. Ik kan, als ik dat zou willen, het verhaal hier nog veel ingewikkelder maken, maar dan komen jullie er zonder uitgebreide namenlijst niet meer uit. Er lopen trouwens overal de nodige mensen rond die tegen een forse beloning best voor verklikker willen spelen.
Als binnenkomer bij mijn oordeel over het boek begin ik met de vermelding dat een identieke tweeling (Camilla en Lisbeth) er identiek uitziet en ook qua intelligentie niet echt verschilt. Het moet dus zus Camilla zijn. Het boek doet helaas anders vermoeden. Ook stoort het mij dat Frans Balder een kwartier voordat hij wordt overrompeld en doodgeschoten, zonder duidelijke reden zijn harde schijf van de computer wist (control C, kennen jullie dat commando nog?). Daarbij moge August autistisch zijn, maar dat Lisbeth door de wiskundige kennis van August de complete NSA-computer kan kraken, inclusief allerlei bestanden van de tweede man van het bedrijf, is mij te vergezocht.
En toch, ik heb “Wat ons niet zal doden” in eenpaar dagen uitgelezen, alle 450 bladzijden. Schrijver David Lagercrantz moge dan een belangrijk deel van zijn honorarium aan de erven moeten afdragen (denk ik), maar zijn boek is een prima vervolg op de eerdere drie Millenniumboeken van Stieg Larsson. Het verhaal is ondanks genoemde tekortkomingen spannend genoeg en goed genoeg geschreven om er een 8 voor uit mijn recensiekast te halen. Komt er nog een deel 5 over Michael en Lisbeth? Dan ga ik dat t.z.t. graag weer lezen.

Ik heb er in de dagen rond Nieuwjaar nog eentje voor jullie mogen doornemen: Philip Kerr’s “The one from the other” uit 2007. Dat boek speelt vooral in 1949, vlak voordat Bernie Gunther met hulp van “The comradeship” (Alte Kameraden? De broederschap?) afreist naar Argentinië. Hij zit in dit boek nog in Dachau en München, Garmisch Partenkirchen (Zuid-Duitsland) en Wenen.
De entree in het boek is een uitstapje van Bernie Gunther naar Palestina en Egypte in 1937. Hij gaat daarheen samen met Adolf Eichmann en nog een andere Duitser, voor gesprekken met de joodse, vooral anti-BritseHaganah, Nakam en in Cairo met mufti Haj Amin, die zich tot doel heeft gesteld het joods volk volledig te willen uitroeien. Dan verplaatst het verhaal zich naar tien jaar later. Eerst runt Bernie Gunther nog een hotelletje in Dachau, vlakbij het voormalige concentratiekamp, maar als dat van geen kant loopt, begint hij in het naburige München een solobedrijfje als privédetective. Zijn krankzinnige ex-vrouw Kisten overlijdt in die tijd aan wat een longontsteking genoemd wordt. Gunther krijgt o.a. Britta Warzok als klant, die op zoek is naar haar overleden man om als katholieke vrouw met een ander te kunnen trouwen (?).
Dan wordt hij zelf ziek en dat brengt hem in contact met dokter Heinrich Henkell, die naast zijn gewone werk een malaria-expert blijkt te zijn. Henkell neemt Gunther vervolgens mee naar het skidorpje, waar ook collega dokter Eric Gruen en diens verpleegster Engelbertina Zehrer verkeren. In hun huis komt Bernie Gunther CIA-man Jonathan Jacobs opnieuw tegen, met wie hij eerder een rare ontmoeting had in zijn hotel in Dachau. Het verhaal verplaatst zich vervolgens naar Wenen, waar Gunther net mag doen of hij Eric Gruen is, om de erfenis van Gruen’s moeder op te halen, met allerlei complicaties van dien. Voor wie dat leuk vindt: er vallen in het boek links en rechts genoeg doden. Daarbij laat de Rooms-Katholieke Kerk zich niet onbetuigd, ten tijde van paus Pius XII, ook als het om weglozen van Nazi’s en Bernie Gunther naar het verre buitenland gaat.
Het valt me in dit boek op hoe vaak, m.i. ietsje te vaak, Philip Kerr gebruik maakt van toevoegingen bij zinnen om zijn punt nog duidelijker te maken. Ik geef hier een tweetal voorbeelden. Op blz 209 vind ik de zin: “The room was big but I still felt as cozy as a slice of bread in an electric toaster”. Op blz. 304 staat: “I felt like a very small picture by an old master, surrounded by an enormous and ornate gilt frame“. Op zijn tijd zijn toevoegingen zoals deze heel leuk, maar laat het alsjeblieft niet te gek worden.
In het begin van “The one from the other” hoopte ik dat in dit boek ook het ontstaan van de nieuwe joodse staat Israël uitgebreid ter sprake zou komen, midden in de Arabische wereld en Palestina, maar nee. Naar een goed boek over die misser van jewelste moet ik nog eens op zoek gaan. Niettemin vind ik Philip Kerr’s verhaal over Bernie Gunther’s tijd in Duitsland en Oostenrijk enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog zeer de moeite waard. Zijn diverse boeken met detective Bernie Gunther in de hoofdrol die ik eerder las, konden er royaal mee door en ook dit boek vind ik gewoon “goed”. Ik geef er als recensiecijfer een volle 8 voor. Philip Kerr als schrijver blijft me steeds opnieuw weer boeien en ik ga met het doornemen van zijn epos door tot ik het helemaal uit heb.

maandag 28 december 2015

Weblogbrief 11.10, 28 december 2015

Weblogbrief 11.10, 28 december 2015

Zoals iedere winter heb ik het voornemen om jullie in mijn Palmese periode van zes maanden met een dertigtal brieven op te zadelen, voordat ik in mei weer Maastrichtwaarts ga/kom. Het is intussen bijna 1 januari, ik heb hier nu bijna twee maanden in de benen en dus is hier mijn tiende brief, keurig op schema.
“Estimados lectores”, geachte lezers (op de Nederlandse universiteiten zijn dat hoogleraren A), laat ik beginnen met het woord dat ik de vorige keer niet wist: rollator. In het Spaans heet een dergelijk apparaat een “andador”, hoewel dat meer van een looprek weg heeft. (Met de handel in rollators is hier volgens mij nog een hoop geld te verdienen, heb ik eerder eens vermeld.) Afgelopen dinsdag op weg naar mijn werkplek op de universiteit hier kwam ik met bus 12 zoals steeds langs de ORTOPEDIA winkel en toen schoot me het woord rollator moeiteloos te binnen. Ik had natuurlijk vervolgens mijn vorige brief aan jullie nog even kunnen aanpassen net voordat ik hem verzond, maar daar had ik geen zin in.

Een muziekje maar weer “zum Anfang”, daar zit ik nooit om verlegen. Als jullie deze brief te lezen krijgen, is de kerst meer dan voorbij, dus ook “Blue Christmas” van Elvis Presley of “Een eenzame kerst” van André Hazes. Ik schrijf echter dit alineaatje nog net vóór Zijn geboorte.
Toch ben ik wat blij dat de kerstmuziek samen met de stal weer naar de zolder kan. Laat ik eens kijken of ik iets profaans voor jullie heb, in de sfeer van de minder donkere dagen na kerstmis. Zo kom ik Richard Thompson. Wie is dat nou weer, zullen sommigen van jullie vragen? Hij was het uithangbord van Fairport Convention, een groep die actief was vanaf 1968 en dat nog steeds is. Richard Thompson begon daarnaast vanaf 1972 platen als soloartiest te maken.
Door toedoen van Marij’s neef Peter heb ik intussen een hele serie Cd’s van de man op mijn computer staan. Ik heb niet al zijn werk paraat, van de studioalbums mis ik er elf, denk ik. Aan de andere kant, ik heb er wel veel meer wel dan niet: 27 studio Cd’s, 1 compilatie, 8 Cd’s van live optredens plus nog een vijftal dat op rubricering wacht. Bij elkaar gaat het om een vracht die zo groot is dat ik die jullie zal besparen. Zoek Fairport Convention en eersteklas gitarist en zanger Richard Thompson zelf maar eens op langs de digitale snelweg. Zijn allerlaatste solo-Cd is van 2015 – kan het recenter? – en heet “Still”. Eigenlijk zijn het er twee, want naast de twaalf nummers op de eerste heb ik er nog eens vijf bij op Cd 2. Hier zijn de zeventien nummers:
01.She never could resist a winding road
02.Beatnik walking
03.Patty, don’t you put me down
04.Broken doll
05.All battered up
06.Josephine
07.Long John Silver
08.Pony in the stable
09.Where’s yoyr heart?
10.No peace, no end
11.Dungeons for eyes
12.Guitar heroes
21.Fork in the road
22.Wounding myself
23.The May queen
24.Don’t take it lying down
25.Fergus Laing
Ik heb wel eens minder gehoord. Toch kan ik het niet nalaten om hem net als bijv. Eric Clapton en Mark Knopfler te adviseren om de eerste zangpartij aan anderen over te laten en vooral zijn gitaar te laten schitteren. Nummers op deze Cd die ik boven het maaiveld vind uitsteken, zijn bijv. “Patty, don’t you put me down”, “All battered up”, “Long John Silver”, “No peace, no end” en “Fergus Laing”. Richard Thompson’s Cd “Still” vind ik echt een de-moeite-waard-plaat.

Ik was de afgelopen vele jaren zo begaan met mijn palmboom voor de deur dat ik eraan moet wennen dat hij weg is. De tent die afgelopen dinsdag opgezet werd, toen de boom was afgevoerd, heeft overigens met de boom niets te maken. In mijn stuk straat was die dag een marktje of liever gezegd stond er een tent of tien, vijftien om allerlei regionale producten te verkopen. Direct onder mijn balkon ging het om brood, maar dan anders, en wijn van het eiland.

Intussen heb ik wel een aardigheidje voor jullie: het verschil tussen “palmeras” en “palmares”. In het Spaans zeg je tegen palmbomen “palmeras” en “palmares” staat voor een lijst van overwinnaars, ook een curriculum vitae als het één persoon betreft. En hoe zeg je: met zijn hoofd in de wolken lopen? Dat is hier: “estar en la palmeras”. Op het strand heeft iemand een zandsculptuur gemaakt met de naam “Palmeras en la nieve”. Mooi kan ik die overigens niet vinden.

Op weg naar mijn zoveelste optreden van de Banda Municipal de Música dinsdagavond kwam ik langs een kapper die zijn prijzen netjes op de ruit had staan. Zo hoort dat! Daar stond ook “mechar” bij en ik had geen idee wat dat betekent. Een “mechero” is een aansteker, een “mechón” een haarlok (“Une mèche de cheveux”, Trudie’s favoriete Adamo nummer), maar wat bedoelt de knipschaar met “mechar”? Ik denk vooral aan watergolven is, hoewel mijn woordenboek daar eerder het woord “marcar” voor in petto heeft. Een watergolf-kapsel, dat is iets waar mijn moeder vroeger trots mee thuiskwam, als ze bij de kapster had gezeten. Ik heb niet te indruk dat ze er nu nog hoge ogen mee zou gooien.

Wat doet een bejaarde man alleen in de grote stad behalve de mensen uitkijken? Dinsdagavond begon om 8 uur vlakbij mijn favoriete leesparkje bij het Castillo de la Luz een concert van de Banda Municipal de Música van de stad. Deze keer had de 30-koppige harmonie zich opgesteld voorin een kerk: de Iglesia De (Nuestra Señora De) La Luz, voor haar jaarlijkse kerstconcert. Omdat ik ruim op tijd was, had ik een mooi plekje precies naast het orkest, ter hoogte van de lessenaar van de dirigent. Vanaf dat het uur 8 geslagen had, was de grote kerk helemaal vol. Dat is wel eens veel minder, als er een mis is, denk ik daar dan bij.
De dirigent, hoe aimabel ook, is en blijft te dik, maar hij hoort wel bij ieder nummer aanhoudend met zijn lichaam en stokje te zwaaien. Al na enkele nummers liep hem het zweet in straaltjes van zijn gezicht en dus kwam hij, tussen de nummers door, steeds mijn kant op om met zijn katoenen zakdoek zijn gezicht te “kuisen”. De man zou in Maastricht uitstekend in een “zate hermenie” gepast hebben met een tuba of zo.
Zonder enige pauze kregen we deze keer acht nummers achter elkaar voorgeschoteld. Als ik het wel heb, waren er drie religieuze evergreens bij: “Gloria in excelsis deo”, “Adeste fidelis (venite adoremus)” en uiteraard “Noche de paz, noche de amor”, in de lage-landen-contreien beter bekend als “Stille nacht, heilige nacht”. De andere vijf nummers, wel minder lang dan het religieuze werk, waren Amerikaanse kerstkrakers zoals “I’m dreaming of a white Christmas” en “Rudolph the rednose reindeer”. Mijn favoriete meezinger “Jingle bells” stond deze keer helaas niet op het programma. Pas na vijftig minuten haast onafgebroken muzikaal geweld mochten we onze banken, met voor je een plek voor je missaal, weer verlaten.
Ik weet het: als ik te kiezen heb tussen laten we zeggen een concert van enkele folkmuziekartiesten of dat van een klassiek symfonieorkest op de kersttoer, is mijn keuze snel gemaakt. Geef mij dan maar de folkmuziek, met stip. Ik ben sowieso maar uiterst beperkt gecharmeerd van de Kerk met een hoofdletter en (nogal) klassieke muziek, laat staan als die ook nog een godsdienstig tintje heeft. Aan de andere kant, zo krijg je als heiden tenminste nog iets mee van een kerkelijk hoogtepunt. Hoewel, ik zie ook hier haast niemand meer ter kerke gaan, ook niet in het weekend en zelfs niet met kerstmis. Ik vrees dat de aankomende eucharistieviering op 25 december in de kerk, ter ere van de “sagrada familia”, veel minder bezoekers heeft getrokken dan het optreden van de Banda.

Woensdagavond rondde ik de boulevard weer eens naar rechts en ging voorbij “de punt”, waar de zee tegen de kant klotst, op een bank zitten om daar mijn boek te lezen. Het is daar meestal vrij tot doodstil. Zag ik ineens over de tegels een rat voorbijkomen. Hij was donkerbruin, zag er goed geconserveerd uit en had er een behoorlijke pas in. Voordat ik hem of haar goed en wel in de gaten had, was hij alweer verdwenen in een gat in de muur naar het water, op weg naar zijn behuizing tussen de stenen daar ergens, neem ik aan. Er is iets met ratten dat maakt dat je ze akelig moet vinden, maar eerlijk is eerlijk, ik vond deze er best appetijtelijk uitzien.
Op je terugweg naar Las Canteras kwam ik langs een muur op het einde van calle Caleta, die ik in deze brief maar eens enig krediet moet geven. Eerder was het echt een muur van niks, met daarachter een grote puinzooi. Er zaten wel steeds een of enkele katten om voer te bedelen. Nu is het sinds dit voorjaar één grote muurschildering. Van links naar rechts zie ik eerst een tekening van een “cambuyonero”, zwarthandelaar, dan een surfer met bijbehorende plank en een meisje dat zich in de golven amuseert, vervolgens “el último salinero”, de laatste zouthandelaar. Dan kom ik bij een gedichtje, met daarnaast een deur met kennelijk het “punto de encuentro”, verzamelpunt. Helemaal rechts is er een levensgrote tekening van de jonge Mary Sánchez, de plaatselijke zangheldin, en tenslotte nog een herenfiets en de woorden: “el mundo necesita gente que ame lo que hace”, de wereld heeft mensen nodig die tevreden zijn met wat ze doen.
Het mooiste aan de muur is m.i. het gedichtje dat ik eerder expres even heb overgeslagen. Hier is het. Het is van Carmen Jiménez en gaat als volgt: “Nacimos aquí, vivimos aquí y pienso quedarme aquí hasta que cierre los ojos”, we zijn hier geboren, we wonen hier en ik denk dat ik hier blijf tot ik mijn ogen sluit. Dat is nog eens liefde voor je eigen stad. Ik vraag me af of ik eenzelfde gevoel voor mij geboortestad Maastricht, en dan vooral Wijck, het oude Maastricht-Oost, kan opbrengen.

De Britse buren van Nederland staan erom bekend. In de dagen, weken vóór kerstmis zijn daar op straathoeken en dergelijke diverse groepjes zangers en zangeressen in de weer om de voorbijgangers met kerstliedjes te charmeren. Er staat me iets van bij dat dat ook in Duitsland het geval is en ik geloof dat in Amerika ook zo iets bestaat of in ieder geval bestond; denk maar aan de Doo-wop-cultuur in de jaren vijftig en de diverse zangkoortjes van studenten nu. Bij mijn weten hebben we dat niet in Nederland en ook hier in Las Palmas staat de teller op nul. Is het nou niet een aardig idee om dat gezang te introduceren? Het eerste a capella clubje dat zich hier met kerstmuziek aandient en niet al te vals zingt, krijgt van mij een euro de man of vrouw (met een maximum van vier euro, het moet natuurlijk niet te gek worden).
Met gezang van (bijna) enkelingen op straathoeken of op de boulevard met kerstmis heb ik overigens veel meer dan met van die officiële concerten van bijv. de Gran Canarische Los Gofiones, de tegenhanger van Los Sabandeños van Tenerife. Mega-groepen als Los Gofiones zijn mij te immens en dus heb ik hun optreden op Santa Ana afgelopen woensdagavond met plezier aan me voorbij laten gaan.

En toen was het eerste kerstdag in Nederland. Hier is het vooral de dag na de gezamenlijke kerstmaaltijd met de familie op 24 december. Ik heb voor de ochtend een dichtbundel klaar liggen dat ik beneden in mijn boekenbijlage onder het fileermes ga houden. Een van de eerste gedichten in het boek is van Armand, die volgens Harry net overleden is. Heb ik van die sinjeur niet nog een splinternieuwe plaat? Jullie kennen hem hopelijk nog wel van vijftig jaar geleden: “Ben ik te min” en misschien ook nog bijv. “Want er is niemand”, “Dat is juist de pest”, “Een van hen ben ik” en “Blommenkinders”. Dit jaar kwam de eeuwige hashroker met zijn oranje kapsel zo waar met een nieuwe Cd, samen met The Kik. Ze heet – hoe komt men erop - “Armand en The Kik”, hier zijn de dertien nummers:
01.Comeback
02.Giglied
03.Te veel werelden
04.Fuck the bles
05.Een beetje vriendelijkheid
06.Gemeengoed
07.Waar is je glimlach
08.Een mens is wat ‘ie geeft
09.Iemand
10.Snelle jongens
11.Waterfiets
12.Ik heb het gevonden
13.De weg naar Isfahan
Armand, het was een rare knakker, maar toch doet het me plezier om hem nog ten laatste aan te horen. Luister eens met me mee naar “Comeback”, “Giglied” (een gig is een optreden), “Gemeengoed”, “Iemand” of “De weg naar Isfahan”, Hollands glorie allemaal. Het nummer “Fuck the blues” (“kleurenblinde kutmuziek”) kende ik al van Cd 3, liedje 11, van zijn verzameling “Singles A’s en B’s” uit 2003, maar goed blijft het. Nee, met die Armand, daar is nog steeds niks mis mee.
(Terzijde, wisten jullie toch wel dat Bob Dylan in 2009 een kerstplaat het licht heeft doen zien: “Christmas in the heart”. Er staan vijftien bekende liedjes nummers op, voor bij de boom en de kribbe, geen eigen nummers, en ik geef er echt geen cent voor. “Winter wonderland” en/of “Little drummer boy” van Bob Dylan, volkomen waardeloos! Dat kost hem nog eens de Nobelprijs.)

Op de late donderdagmiddag al kwam ik eindelijk weer eens de dorpsidioot tegen, op de Guanarteme. Vrijdag stond hij mij ten tweeden male te besnuffelen, dus moet hij er hier maar eens aan geloven. Ik heb hem denk ik nog niet eerder aan jullie voorgesteld. Het betreft een man van een jaar of 40, 50 die gekleed gaat als (of op zijn minst a la) Sherlock Holmes. Hij heeft een lange beige regenjas aan, heeft een groene hoed met slappe rand op zijn kanis en meestal steekt er ook een pijp uit zijn hoofd. De man mompelt – niet al te zacht – voor zich uit en hier is zijn gimmick: in zijn vorsende hand heeft hij een vergrootglas, waarmee hij aanhoudend de omgeving afspeurt. Volgens mij - maar wie ben ik? - is hij stapelgek, “completamente loco, chiflado, como una cabra”. Ton zou hem al jaren geleden met enige aandrang getransporteerd hebben naar een warm plekje op Vijverdal.
In eerdere jaren kwam hij altijd pas in mijn beeld bij de optocht van Driekoningen om vervolgens zijn definitieve opwachting te maken bij de carnavalsfestiviteiten hier. Hij is dan een van de vreemde figuren bij de Pregón, de opening van de “Vastenaovend” hier in Las Palmas en bij de voorrrondes van de murgas op Santa Catalina. Maar goed, kennelijk is de Palmese Sherlock Holmes zich nu alvast aan het opwarmen.

Niet alleen mensen hebben hun bijzonderheden, dat geldt ook voor gebouwen. Ik herinner me dat het grote NH hotel aan Las Canteras bij de calle Ferreras zich vorig jaar in plaats van in het blauw tussen het hoogfeest van driekoningen en carnaval hier in het rood-geel-groen presenteerde in de avond- en nachtelijke uren. Deze winter begint haar geëmmer met kleuren kennelijk al op eerste kerstdag. Achtereenvolgens krijg ik in een tijd van niks donkerblauw, blauwrood, witrood, rood, groengeel, groen, lichtblauw en weer donkerblauw voorgeschoteld.

Op de terugweg naar de Luis Morote ga ik nog even op een bank vooraan aan het begin van de Tomas Miller zitten. Vlak voor mij staat (om 8 uur ’s avonds, het zijn lange werkdagen) een vrouw haar waren aan te prijzen en te verkopen. In haar geval gaat het om bloemetjesjurken en sjaaltjes met daarnaast een tafel met o.a. armbandjes, sleutelhangers en goedkope ringen. Er staan ook enkele houten katten opgesteld, zo foeilelijk als maar kan en zeg 15 cm hoog, maar wat is ze blij, als ze er weer een voor vijf euro verkocht heeft.
Ik zal ook haar hier ook maar eens beschrijven. De dame van lokale komaf, uit La(s) Palma(s), is een jaar of 40, 50 oud, ze is blond of geblondeerd met een zonnebril op het voorhoofd en een paardenstaart. Het mens gaat gekleed in een groot zwart vest met daaronder een zelfgemaakte blauwe broek, waarvan het kruis haar op de knieën hangt. En wat is ze reusachtig dik met een gigantisch uitpuilende buik, cortisonkop en dubbele kin. Maar nou komt het: daar trekt ze zich echt geen fluit van aan. Ik mag haar wel; bij mij kan ze een potje breken.

Op de zaterdag geniet ik weer eens ouderwets van mijn uitzicht, sinds de palmboom voor mijn deur geveld is. Mijn directe overbuurman, de zoon van de oude man op nummertje 19 twee hoog, die tot voor kort half verborgen zat, groet mij nu dagelijks door zijn hand op te steken. Dat doe ik dan ook maar. Zijn vader zie ik zo vlug niet, wel een andere man van dezelfde leeftijd als de zoon. Die heeft een witte bril op zijn neus en ik begin te vermoeden dat de zoon en die man homo zijn en de herenliefde met elkaar bedrijven. Mijn zegen hebben ze, zo lang als ik er maar niet bij hoef te kruipen. Naar mijn idee zijn we allemaal bisexueel, maar de meeste mensen zitten aan de hetero-kant en maar een klein deel (5%?) zit nogal definitief aan de homo-kant. Ikzelf vind me bijna 100% hetero, op ook maar één homosexueel erotisch contact in al mijn levensjaren kan ik niet bogen. Wel heb ik best ook wel homo’s van beiderlei kunne in mijn Maastrichtse kennissenkring zitten.
Beneden heb ik nu ook extra uitzicht op nog andere flats met winkels eronder in mijn stukje straat. Op nummertje 17 is op de begane grond de zoveelste “Perfumeria – cosmeticien”. Dat staat trots op de gevel geschreven, met ernaast links en rechts een engeltje met pijl en boog. Het is één van de winkels van kleine keten Arkay, waarvan er ook al een paar hier in de buurt zijn net als van Topaz. Mij valt op dat één van de winkeldames geregeld aan de deuringang staat en niet vies is van een praatje. Ze heeft meestal iets zwarts aan, heeft ook een zwarte bos haar; eigenlijk ziet ze er best acceptabel uit. Misschien moet ik voor mijn volgende eau de toilette (voor Eva’s verjaardag?) daar maar eens vervoegen. De kale ober van Carlos beneden gaat er geregeld een praatje maken.
(Je kan een stad niet zo groot bedenken of je leeft toch vooral in je eigen buurt. In Las Palmas wonen bijna 400.000 mensen, maar mijn buurt en dan vooral mijn stukje straat krijgt extra aandacht. Dat is de plek waar ik hier meestentijds ben. Als jullie mijn alinea’s daarover bij elkaar zetten, heb je echt een buurtroman.)

Armand heeft Eerste Kerstdag met the Gig, sorry the Kik, zijn beurt gehad en dus is het op de zaterdagmiddag nog net tijd voor een laatste Cd bij deze brief. Ik kom deze keer uit bij Canadees Neil Young. Dat is een artiest van wie ik echt alles in huis heb, tientallen Cd’s, vanaf de jaren zestig tot nu. Vorig jaar - dat kan ik nog net zeggen een paar dagen vóór oudejaarsavond, Nochevieja - kwam zijn Cd “Storytone” uit. Hier zijn de tien nummers:
01.Plastic flowers
02.Who’s gonna stand up?
03.I want to drive my car>BR> 04.Glimmer
05.Say hello to Chicago
06.Tumbleweed
07.Like you used to do
08.I‘m glad I found you
09.When I watch you sleeping
10.All those dreams
Op “Storytone” hoor ik onmiskenbaar de enigszins castraatstem van Neil Young, alleen, in plaats van zijn noeste gitaargetokkel of orgeltje als begeleiding krijg ik deze keer ouderwets orkestwerk voor mijn kiezen. Weer eens iets anders, denk ik dan eerst, maar vervolgens: wat moet Neil Young daar in godsnaam mee? Zingen met een orkest in je rug is iets voor mensen als Frank Sinatra of Robbie Williams, maar Neil Young met violen of – nog erger – een stel trompetten, dat gaat er bij mij niet goed in. Nummers als “I want to drive my car” en “Say hello to Chicago” op deze Cd wil ik het liefste nooit meer horen, serieus. De aardigste liedjes zijn voor mij “Plastic flowers”, “Tumbleweed” en “Like you used to do”, mede omdat het orkest zich op die nummers aardig weet in te houden. Zijn Cd hiervóór uit 2014, “A letter home” voor zijn moeder, vond ik ook al behelpen. Ik hoop maar dat Neil Young binnenkort weer ouderwets gaat klinken.

Zondag in de late morgen mag ik weer eens naar de rommelmarkt bij Santa Catalina. Op de hoek links in mijn straat is een van vele “pharmacias”. Hij is vandaag dicht, maar er hangen wel diverse aanprijzingen achter de ramen. Op eentje staat: “lo hacemos por ti”, we doen (maken) het voor jou. Dat had men nou beter niet kunnen doen, vind ik. Vroeger maakte men in de apotheek zelf allerlei recepten klaar, maar die tijd is al lang passé. Vandaag de dag zijn er (bijna) alleen maar voorverpakte doosjes medicamenten te koop van de bekende farmaceutisch firma’s. Het is dat er bij volledig vrijgeven misschien een toename van de verkoop zou optreden, met vooral meer bijwerkingen, wie weet, anders zouden de diverse tabletten en drankjes voor mij gewoon in de schappen van de supermarkt mogen liggen. Als je paracetamol, een maagzuurremmer en een anti-“voetschimmel”-middel vrijgeeft, waarom dan niet ook een hartfunctie-versterker, een SSRI en een middel tegen osteoporose?
Op de markt zelf is het weer overal “superoferta”, “bonito y barato”. Het aantal echte tweedehands spullenverkopers neemt helaas steeds meer af ten faveure van zigeunerachtige types die allerlei kleding, schoenen en sieraden verkopen, waar de spotgoedkope kwaliteit van afdruipt. Helaas, het is niet anders. Tussen de legio “foute kramen” tref ik er een waar nog ouderwets tweedehands Dvd’s van films worden aangeboden. Daar vind ik nog wel iets van mijn gading voor een euro: Stanley Kubrick’s “Born to kill”, la chaqueta metálica, uit 1987. Hij gaat over de brute sergeant (Lee Ermey) die nieuwe soldaten afbeult voordat ze om te vechten naar Vietnam mogen afreizen.
Na ruim een uur - en dan reken ik het bank zitten na de markt mee – begeef ik me weer huiswaarts, waar enkele tosti’s met kaas en gegrilde varkenspoot, “pata asada”, met daarbij mijn pittige salade, op me liggen te wachten. Ze zijn in tijd van niks op temperatuur en dan is het smullen geblazen.

Het elkaar gedag zeggen met “felices fiestas” is hier nog steeds usance, ook na kerstmis. Er zijn mensen die nu gewoon beginnen met “feliz Navidad”, “ne zaolige keersmes”, maar veel Palmezen zijn intussen overgestapt op “felicidades”. De natte (alcohol) dagen vóór en tijdens Oudejaarsavond en Nieuwjaar komen eraan.
Een slaapmutsje in de zin van een drankje voor het slapen gaan, “copita antes de acostarse”, staat niet in mijn Spaanse woordenboek. Wel zie ik op diverse plaatsen hier nog steeds mensen lopen zitten en staan met een slaapmuts op hun hoofd. Vooral de middenstand en de horeca schijnt zich ervan te moeten bedienen. Meestal gaat het om een egaal rood geval, maar wel met een witte band en een witte punt, maar ik ben ook al varianten tegengekomen, zoals met sterretjes, bolletjes en een groene. “Papa Noel” zelf is er niks bij. Het is een voorbijgaand verschijnsel, gelukkig; ik ben blij als het binnenkort afgelopen is.
En helaas, de eerste bommetjes heb ik de afgelopen weken ook al mogen verwerken. En dan heb ik het niet over een enkel onschuldig rotje, maar over het nieuwe spul dat meer iets van een echte bom heeft. Loeihard, oorverdovend, “un ruido atronador”, soms in duplo, de hondjes hier op straat hebben het er heel moeilijk mee. Ik neem aan dat die aanslag op ons gehoor nog een weekje blijft voortjakkeren.

En dan heb ik tenslotte nog een verhaaltje dat ik eigenlijk in mijn vorige brief had moeten vermelden. Tegenwoordig ga ik op zondagavond, even voor 6 uur, graag “de punt” voorbij om verder op naar levende muziek te gaan luisteren. Die is er kennelijk op de zaterdag en de zondag, maar op de zaterdag ben ik nooit geweest. Het stukje voorbij de calle Caleta (met Marij Sánchez) is de thuisbasis van drie café-restaurants: eerst Rinconcito de Kelly, dan Clipper en daar weer achter Los Piratas de Canarias. De muzikanten stellen zich steevast op in de inham naar de zee toe en de toeschouwers zitten op de terrassen, langs de muur van de flats en op de banken. Gisteren zag ik er een popgroepje dat er eerlijk gezegd niet veel van bakte. Na ruim een half uur, in totaal zes nummers, waren ze trouwens al uitgefietst en mijns inziens terecht.
Echter, de zondag ervoor was het wel heel erg prijs. Toen werd de muziek verzorgd door een drietal vreemde snoeshanen, die iets alternatiefs voor het voetlicht brachten dat zich moeilijk laat omschrijven. A la Pink Floyd? New age muziek? Wie het weet, mag het zeggen. Hoe dan ook, van de partij waren een nogal slome zanger, een kennelijke keyboardspeler en een vrolijke cellist, met strijkstok. Zij drieën wisten me echt te overtuigen en daar is wat voor nodig. Een Cd te koop hadden ze helaas niet na afloop, maar hun optreden van ongeveer drie kwartier was echt bijzonder.

Daarbij ga ik het voor deze brief bij laten. Of ik hem ook vandaag, maandag, nog gepost krijg, is een ander verhaal. Ik heb gisteren Lorena gemaild of dat bij haar kon, maar antwoord heb ik nog niet. Misschien moet ik het anders vanmiddag eens in het bibliotheekje of bij Juli proberen. Het is niet anders. Dat geldt ook een beetje voor mijn volgende, de elfde van de elfde, die ik hoop te versturen op maandag 4 januari vanuit de universiteit, maar als die dan nog dicht is, heb ik (alweer) een probleem.
Maak er wat van de komende dagen, drink eens een extra glas weg en laat de oliebollen niet koud worden a.s. donderdagavond. En Marja, veel succes met de erwten- en tomatensoep vrijdagmiddag. Ik spreek jullie pas weer, als hier de drie koningen in hun stoomboten onderweg zijn naar de aanlegsteiger naast El Muelle. Gezellig nieuwjaar en tot ziens, hasta luego, PaulKXX (met twee “muilkes”, op zijn Canarisch).

BOEKENBIJLAGE

Mijn eerste boek is er een van Henry Potter. Ook ik had nog niet van hem gehoord. Zijn boek “Brandenburg” uit 2005, zijn vierde, las ik in het oorspronkelijke Engels. Het zijn 561 bladzijden, dus ik heb er mijn werk aan gehad. Voor wie de plaats van handeling wil weten, die is m.i. niet primair Berlijn met zijn Brandenburger Tor, maar eerder Zuidoost-Duitsland, met name de steden Leipzig en Dresden. (Daar ben ik afgelopen zomer geweest, mooi meegenomen.) Een beter titel voor het boek zou voor mij “Stasi” of dergelijke zijn. Het speelt allemaal in het najaar van 1989, vlak voordat de Muur valt (die 28 jaar eerder, in 1961 is opgetrokken).
Hoofdpersoon is de 49-jarige kunstkenner Rudi Rosenharte. Hij heeft destijds ook een opleiding bij de Stasi gehad, de Oost-Duitse veiligheidsdienst, maar is intussen stiekem tot de westerse waarden bekeerd. Als dubbelspion moet hij documenten van een spion in het westen (“Anneliese Schering”, Jessie) aan de Stasi doorgeven. Eén ontmoeting met haar in Triëst, in het begin van het boek, loopt verkeerd af en bijna legt hij dan het loodje. Aan de kant van de Stasi krijgt Rudi van doen met o.a. Biermeier, Schwarzmeer en Zank. Vooral die Zank zit hem het hele boek door dwars. Aan de andere kant noem ik hier mensen zoals Harland en “the Bird” uit Engeland, Griswald uit de V.S. en voor wie dat kan waarderen, ook Vladimir (Putin) uit Rusland. Rudi blijft voor beide kampen actief, ook voor de Oost-Duitsers, omdat zijn identieke tweelingbroer Konrad (Konnie) in Berlijn gevangen zit op last van de Stasi.
Aan de Oost-Duitse kant duikt in Leipzig vervolgens Ulrike Klaar op, Kafka, die belangrijk is in de groeiende vrijheidsbeweging daar, evenals haar kennis Kurt Blast. Ze vertelt aan Rudi over haar werk voor de Arabische terrorist Abu Jamal (en diens Duitse contact Mielke), die volgens haar, de Engelsen, Amerikanen en ook Russen beter kan worden uitgeschakeld. Op de achtergrond speelt de hulp die Oost-Duitsland kennelijk aan hem en andere terroristen geeft. Rudie en Ulrike beginnen tevens een verhouding met elkaar, die er niet minder op wordt, als ze elkaar beter leren kennen. En voor alle duidelijkheid, de Muur valt op 9 november 1989 inderdaad.
Henry Porter’s “Brandenburg” is in ieder geval een dik boek. Als ik alleen dagelijks iedere avond in bed een hoofdstuk zou hebben gelezen, had ik het net voor carnaval uitgehad. Nu ging het boek er in vier dagen doorheen. Natuurlijk is het spannend en ook wordt de “human interest” niet vergeten. Aan de andere kant, het is me af en toe allemaal wat te breed uitgesponnen en ook soms wel een beetje verwarrend. Is dit het beste boek over spionnen en de Muur? Ja en nee, ik geef er een 8- als recensiecijfer voor. Henry Porter’s “Brandenburg” kan er zeker mee door, maar ik blijf vooralsnog sommige andere schrijvers van spionnenverhalen net ietsje beter vinden.

Mijn eerste boek heb ik op Eerste Kerstdag onderbroken door “Als een zwerfkei” te lezen. De samenstellers van de dichtbundel zijn Kees ’t Hart en John Schoorl en het is een ode aan Bob Dylan (Like a rolling stone) uit 2015. Eerder hebben de twee samenstellers iets soortgelijks uitgehaald met Elvis Presley; “Wees niet wreed” (Don’t be cruel). Tachtig dichters zijn bereid gevonden om een gedicht voor “Als een zwerfkei” af te scheiden. Het zou aardig om te weten wie allemaal heeft afgezegd.
Van Bob Dylan kun je veel zeggen, maar zijn teksten hangen van rijm aan elkaar. Dus vind ik - maar dat vind ik ook los van Dylan - dat de bijdragen over de man in ieder geval vol rijm moeten zitten. Nog los van verdere toevoegingen die een rijmpje tot een klinkend gedicht moeten maken, vallen dan de meeste bijdragen in dit boekje resoluut af. Als ik ook nog enige dichtkunst van de mensen verlang om mijn persoonlijke krediet af te geven, blijven er in het boekje maar bitter weinig gedichten overeind staan. Natuurlijk, Jan Kal is er met een mooi sonnet: “Bob Dylan Ahoy 2011”, ene Hans Kloos verrast me met “Op de wijze van de Bootleg Series III 3:14” en laat ik tenslotte Armand met “De muze roept” noemen. Voor de rest valt het me allemaal tegen, soms heel erg tegen. Om als voorbeeld de bijdrage van Jerry Hormone te noemen (blz. 64): “Wat zou je voor je verjaardag willen? Doe maar de nieuwe van Bob Dylan.” Dan had ik ook mee kunnen doen.