woensdag 20 april 2016

Weblogbrief 11.29, 20 april 2016

Weblogbrief 11.29, 20 april 2016

Muy buenas tardes, amigazos y familiares, een heel goedemiddag, makkers en familieleden, een “península” is net nog geen “ínsula”, eiland, dus een schiereiland. Een bekende “península” is het Iberisch schiereiland ofwel het vasteland van Spanje en Portugal samen. Idem dito gebruikt men hier voor het woord laatste het Spaanse “último” en wat is dus voorlaatste? “Penúltimo”. Dit is mijn “penúltima carta”, voorlaatste brief van deze winter. Hierna hebben jullie er nog maar ééntje te gaan, voordat ik me ga opmaken voor mijn thuisreis naar het hoge noorden.
Geloof het of niet, maar afgelopen woensdag heb ik uitgebreid met Lluis gesproken. Ons onderonsje vond grotendeels plaats in een eetcafé direct achter de faculteit, dat zo ongeveer tegen de Carrefour daar aan ligt. Het was – ga ik jullie bekennen – wat je noemt een zeer volkse zaak, op het ordinaire af, die naar de naam Los Serranos luistert. Is dat de zaak van de broertjes Serra - Lluis heet van achteren Serra - of van de bergbewoners? Los serrallos met twee ll-en zijn de harems, dat zal hier wel niet aan de orde zijn. Ik volsta in de uitspanning met een Cola Light, die mij onder ons gezegd te lauw is, maar Lluis pakt ter plekke flink uit - hij vindt het eten daar uit de kunst - met een groot bord pijlinktvis-ringen, “calamares”, met daarbij een salade plus brood en met een cortado met gecondenseerde melk als “postre”, toetje.
Waar ging ons gesprek over? Uiteraard allereerst over het voetbal van Barcelona en UD Las Palmas, maar daarna ook over zijn glorieuze rol als ad interim directeur van het grote, nieuwe gebouw met zijn aanloopgebreken, over de keuken van het nieuwe faculteitsgebouw die hij te gewoontjes vindt, en niet in de laatste plaats over het leven zelf.
Ik heb hem onomwonden uitgelegd dat het nu te laat voor mij is om nog een nieuwe lezing over een door hem gekozen of maar geaccepteerd onderwerp te gaan geven. Daar gaat hij gelukkig niet tegen in en de voorbereiding daarop blijft me dus gespaard. Mijn “charla” om te vertellen dat de uitkomsten van klinisch epidemiologisch onderzoek veel belangrijker zijn dan van pathofysiologisch onderzoek, zeker als het niet humaan is, lijkt me meer iets voor het volgende jaar hier. De overdreven aandacht in de eerste drie jaar in het medische onderwijs hier voor “basisvakken” is m.i. volkomen gedateerd, maar maar dat hoef ik jullie Nederlanders niet meer uit te leggen.
Op 29 en 30 april, de dagen voordat ik het vliegtuig neem, is er nog nationale bijeenkomst over voedingsonderzoek hier in Las Palmas, waarbij mijn aanwezigheid door hem op prijs wordt gesteld. Daarna mag ik voor hem “de wei in”, als ik maar beloof dat ik in november weer terug naar Las Palmas ga komen. Dat is bij dezen afgesproken.

Bij mijn bushalte van lijn 12 op weg naar het zuiden gebeurt mij die woensdag iets bijzonders. Alle bankplaatsen zijn bezet en als ik kom aanlopen, vraagt een jongeman die daar zit, of ik soms zijn plaats wil hebben. Dat is me in een volle bus in Maastricht ook een keer gebeurd een aantal jaren terug; toen wilde een meisje best voor me opstaan. Jongelui, willen jullie dat echt nooit meer doen? Ik ben nog lang niet toe aan een permanent verblijf in Klevarie, er mankeert mij helemaal niks. (Hoewel, dat kan zo maar van moment op moment veranderen, als ik bijv. na ruim twintig jaar opnieuw een beroerte zou krijgen. En dan maar hopen dat ik dan snel dood ga en niet voor lange tijd in een verpleegbed terecht kom.) Fatsoenshalve heb ik mijn “weldoener” bij bus 12 op Santa Catalina wel nog een “no, gracias” toegeknikt.

Ik zie er trouwens een advertentie die mij irriteert. Een van de melkfabrikanten hier heet Pascual en die verkoopt nu een zeer vetarme melk met als slagzin: “beber para creer”, je moet het drinken om het te geloven. Ik vraag me dan af of het nog wel melk is. Willen jullie van Pascual dat soort onzin voor eens en altijd uit je hoofd laten? Als wij melk willen drinken - ik trouwens maar mondjesmaat, en ben meer van de yoghurt en de pudding - doen we dat wel zonder dat we ergens in hoeven te geloven. Het werkwoord “creer”, het heeft iets van “scheppen”, maar doe mij dan maar schepijs, zoals vroeger van La Venezia in de Wijckerbrugstraat of bij Boileau aan het spoor.
Het kan niet op; ik zie onderweg naar de universiteit ook nog een advertentie van “lentes de sol”. Dat is, vind deze jongen, andere koek: lenzen met een kleurtje. Als ik niet al bijna 70 was, zou ik daar misschien nog eens aan beginnen. Nu moet ik het doen met een bril met glazen die donker bijkleuren in de zon, prima, maar ik denk (al jaren) dat de zijkanten niet echt goed mijn myopie afdekken.

Op de uni (mag ik ook eens?) kijk ik, na gedane arbeid, voor de variatie eens naar een paar stukjes van Toon Hermans. Hij moge een mispunt geweest zijn voor veel mensen in zijn omgeving, maar op de bühne blijft hij zelfs nu nog bijna onovertroffen. Wie kent zijn verhaaltje niet over “De ornitholoog” met een tropenhelm op; zijn “poelifinario” is en blijft hilarisch. In zijn allerlaatste show voor zijn dood zingt Toon het liedje “Lenteme”, als ode aan zijn overleden vrouw. “Blijf bij me asjeblieft”. Dat reken ik tot het beste dat ooit in het Nederlandse zangrepertoire gemaakt is.

Op de woensdagavond zit ik net als ontzettend veel andere mannen (en een paar vrouwen) op het plein hier te kijken naar de voetbalwedstrijd Atletico Madrid tegen Barcelona. De heenwedstrijd is in 2-1 voor Barcelona geëindigd. De “azulgranos”, roodblauwen, deze keer helemaal in het geel met een paar rode strepen, zijn in de eerste helft veel meer aan de bal, maar het gaat om de doelpunten, toch? Atletico maakt 1-0 door een mooie kopbal van Grieszmann. In de tweede helft is er sprake van een compleet overwicht van Barcelona, maar zoals het dan gaat, als je geen doelpunt maakt, valt er uiteindelijk een aan de andere kant. Einduitslag 2-0 voor Atletico, Barcelona is voor dit seizoen uitgeschakeld voor de Champions League. (Net zoals PSV eerder ten onder ging tegen Atletico, na strafschoppen.) Het werd me deze keer al correct voorspeld op een groot spandoek, waar mijn oog op voel vóór de wedstrijd: JUNTOS HACIA LA VICTORIA, samen naar de overwinning.

Zit ik alweer op de donderdag. Vorig jaar beloofde ik jullie dat ik een Cd zou gaan opsporen van Etta Baker. Deze dame is denk ik iets bijzonders op haar (jazz)gitaar. Destijds was ik heel gecharmeerd van “One-dime blues”. Via de Cd-bibliotheek in Rotterdam vond ik een verzamelplaat met dezelfde titel, uit 1991, die ik bij dezen bij jullie aanbeveel, als introotje voor de komst van Trudie en Marij. Twintig nummers staan er op; hier zijn ze:
01.One-dime blues
02.Never let your deal go down
03.Knoxville rag
04.Broken hearted blues
05.Lost John
06.Dew drop
07.Going down the road feeling bad
08.Near the cross I watch and pray
09.Spanish fandango
10.Round my back door selling coal
11.But on the other hand, baby
12.Crow Jane
13.John Henry
14.Alabama wagonwheel
15.Bully of the town
16.Goning to the racetrack
17.Police dog blue
18.Marching jaybird
19.Railroad Bill
20.Carolina breakdown
Uiteraard blijft “One-dime blues” een mooi nummer. Op de Cd staat één enkel nummer waarop Etta Baker ook haar stem laat horen, “Broken hearted blues”, en dat vind ik niet echt een vondst (het lijkt wel Bob Dylan op zijn oude dag). Jo met de banjo komt op de plaat twee keer voorbij, met “Going down the road feeling bad” en “marching jaybird”, bepaald niet verkeerd. Voor de betere gitaarnummers verwijs ik op de Cd naar “Dew drop”, “Near the cross I watch and pray”, “John Henry” en “Railroad Bill”. Het beste nummer vind ik deze keer “Spanish fandango”. Een fandango, is dat een dans?

Dan is het tijd om de dames van het busstation te halen. Ik ben aan de vroege kant, dus loop ik eerst nog eens een stukje naar de Muelle. “La marquesina” blijft een aardig gebouwtje, vroeger met een trap (is die nu weg?) en aanlegplaats voor reizigers die destijds Las Palmas met een bezoek vereerden. Het gebouwtje was in gebruik van 1916 tot 1965 en ik herinner me dat ik ter plekke nog eens een kleine fototentoonstelling er over gezien heb.
Vlakbij is het 3175 km naar Amsterdam. Voor wie van ver weg houdt, heb ik ook de Bahama’s en Shanghai in de aanbieding: 5877 resp. 11584 km, hemelsbreed.
Om half 7 begeef ik me definitief naar de streekbussen in de kelder bij Santa Catalina, met de oordopjes van de MP3-speler aan mijn oren. Mark Knopfler met “Broken bones”, het is en blijft een meedeiner van de beste soort. Om kwart voor 7 zie ik Marij en Trudie uit bus 60 komen. Om mijn goede wil te tonen laat ik me opzadelen met het dragen van de paardenhaam, die Trudie bij zich heeft. Voor wie dat woord niet kent (zoals ik): het is een leren geval in omgekeerde U-vorm dat om de hals van het paard pleegt te hangen. Sommige mensen vinden het interessant om met zo’n haam thuis een muur te versieren, zoals Trudie’s ouders vroeger en binnenkort Lluis.
Vijf minuten later zijn we in de Luis Morote. Beneden bij Carlos en Tóbalo - Victor werkt er kennelijk niet meer – is het goed toeven, met onze “jarras de cerveza”. Later volgt in mijn flat een werkelijk verrukkelijk groentesoepje met ballen en brood. Pas daarop mag het tweetal naar dromenland vertrekken.

Bij mij in de straat hangt een aankondiging van de “FERIA DEL LIBRO”, de boekenbeurs die alweer voor de XXVIIIste keer op San Telmo gehouden wordt, van 28 april t/m 1 mei. Waarschijnlijk zal ik er ook dit jaar weer eens overheen slenteren, ik denk op de donderdag of de vrijdag. Blijkens een andere aankondiging is dat weekend op de zaterdag- en zondagavond in het Guiniguada theater in Triana een bijpassende voorstelling; ze heet “El libro de la selva”, het boek van het oerwoud. Dat wordt niks meer voor mij, vlak voor mijn vertrek naar Holanda.
Even later is het bij mij thuis behelpen. Trudie en daarna ook Marij posteren zich frank en vrij op mijn balkon om hun toast met jam te eten en te vervolgen met thee en koffie. Gelukkig, als de inwendige mens voldoende versterkt is, volgt een mini-wasbeurt onder de kraan, waarna ze met grote handdoeken en hun schepjes en emmertjes (grapje) naar het strand afzakken. Om half 2 zijn ze terug om mijn ijskast te plunderen, wel met vers brood, maar dan staat deel 2 van hun stranduitstapje op het programma. Met een lichtbruin kleurtje op hun huid komen ze om half 6 terug. Trudie’s rechtervoet blijkt zelfs een beetje roodverbrand te zijn.
Er wordt omstandig gedoucht, waarna ook voor mij het terras van La Oliva aan de orde is, helemaal op het eind van Las Canteras rechts. Als het wachtwoord van de zaak bekend is, slaan beide dames op hun telefoon verwoest aan het appen, spreek uit eppen (app = application), terwijl ik voor Jan met de korte achternaam mag toekijken. Wat later wordt de toestand in de wereld, en die van Maastricht in het bijzonder, met mij doorgesproken. Om 8 uur ondernemen we gedrieën de weg terug om halt te houden bij het Chinese wokrestaurant Hong Kong, aan het begin van mijn straat. Daar wordt echt fors ingenomen, ook van het wokbuffet met o.a. zalm en tonijn, voordat we op huis aan gaan.

Op Harry’s website (www.harryknipschild.nl) las ik twee mooie verhalen over Arthur Conley, de man van de hit “Sweet soul music”. Hij was homosexueel en vond zijn uiteindelijke liefde in tapijtenknoper Jos in Nederland. De jaren voor zijn dood in 2003 woonde hij in Ruurlo, waar hij ook begraven is. Greetje heeft een mooie foto van het graf gemaakt, met een gedenkplaatje waarop diens “Sweet soul music” vereeuwigd is.
In zijn leven werd Arthur Conley steeds vreemder, alternatiever, naarmate hij ouder werd, maar zijn stem bleef lang goed. Als muzikant zag hij zichzelf graag in één driehoek met Marvin Gaye en Otis Redding als de drie grote geesten van de Rhythm & Blues. Daar kan ik helaas niet mee eens zijn, integendeel. Er is maar één Marvin Gaye en misschien ook maar één Otis Redding en wie is Arthur Conley dat hij zich met die twee denkt te kunnen meten. Hij is voor mij een van de vele one-hit persons, die na “Sweet soul music”, met Otis Redding als producer, niet veel meer klaar speelde. Zijn latere nummer “Funky music” vind ik overigens nog wel te pruimen.
Dus stap ik hier over van Arthur Conley op Otis Redding. Die overleed door een vliegtuigongeluk in 1968, nog geen vijf jaar na zijn glorieuze entree in het theater- en grammofoonplatenwereldje. Een doosje met een drietal Cd’s uit 2013, zijn singles collectie, geeft denk ik een aardig beeld van zijn muziek in zijn jaren bij Stax/Volt (in Nederland Atlantic). Het gaat om 24, 24 resp.22 nummers. Laat ik de derde van het drietal eens voor jullie opzetten, met vooral nummers van het jaar vóór zijn dood, de zwanenzang van Otis Redding:
01.White Christmas
02.Merry Christmas, baby
03.Papa’s got a brand new bag (live)
04.Direct me
05.A lover’s question
06.You make a man out of me
07.When something is wrong with my baby (& Carla Thomas)
08.Ooh Carla, ooh Otis (& Carla Thomas)
09.Love man
10.Can’t turn you loose (live)
11.Free me
12.(Your love has lifted me) higher and higher
13.Look at the girl
14.That’s a good idea
15.Demonstration
16.Johnny’s heartbreak
17.Give away none of my love
18.Snatch a little piece
19.I’ve been loving you too long (live)
20.Try a little tenderness (live)
21.My girl
22.Good to me
Ik begin met de vier nummers met “live” muziek weg te laten, omdat ik daar zeker in zijn geval niet veel aan vind. “We all love each other, don’t we? Am I right? Yeah! Let me hear you say yeah? Yeah! Alright!”
Blijven er achttien over, met eerlijk gezegd volgens mij best enige pulp ertussen. Otis Redding vind ik op zijn best in “Merry Christmas, baby”, “When something is wrong with me, baby” (een mooi duet met Carla Thomas), “Love man”, “Free me”, “Give away none of my love” en vanzelfsprekend “My girl”. Ik heb het eerlijk gezegd niet zo erg op het steeds weer terugkerende Stax-trompetgeschal op de meeste nummers van Otis Redding, maar dat smaak subjectief is, weet ik wel. Niettemin, ik ben de baas van mijn weblog en als ik de vergelijking mag maken, geef ik aan de muziek van Marvin Gaye duidelijk de voorkeur.

Op de zaterdag liggen de dames opnieuw te bakken in het aprilzonnetje. Als ze laat in de middag thuiskomen, gaan ze douchen, waarna we met bus 1 naar Triana tuffen. Daar aangekomen, bij het kunstwerk aan het begin van calle Triana al, mag ik ze hun gang laten gaan. Vooral Desigual en H&M staan op hun kledingprogramma. Ik loop direct door naar McCarthy’s om op een van mijn favoriete banken hier mensen te gaan uitkijken. De zaak adverteert op een groot Guinness-bord met: “Pruebe nuestro toque Mexicano”! Wat is een “toque”? Ik weet het weer eens niet en zoek het woord thuis op, nu dus. Een “toque” is van alles: aanraking, penseelstreek, laatste hand, kneep, (muziek) aanslag, toets, ogenblik. Kennelijk - maar zeker weten doe ik het niet – is McCarthy’s toe aan een Mexicaande touch, om het eens op zijn Engels te zeggen. Wordt de Guinness deze week aangelengd met margarita, bonen of scherpe peper?
Als de dames een uur later aankomen, controleer ik het, maar met mijn Guinness is nog steeds niets vreemds aan de hand. Na ons drankje gaan we naar het busstation daar en om half 9 zitten we in casa Carmelo in mijn deel van de stad. Alle drie zien we wel iets in het menu: eerst een lekker soepje, dan een grote “entrocot” met een gegrilde paprika en aardappel en tot besluit een ijsje. Dan ben je “de man” voor vijftien euro, los van de drank. Om kwart over 10 zijn we weer thuis en vlak er na lig ik op één oor.

In de nacht van zaterdag op zondag was er nogal wat rumoer bij El Escudo aan de overkant. Eerder op de avond was het daar op het nieuwe terrasje, met twee tafeltjes, al behoorlijk druk. Mede vanwege de “herrie en keet” werd ik later twee keer wakker om naar de WC te gaan. Of kwam dat vooral, doordat ik de avond er voor het nodige bier door mijn keel had zien gaan? In ieder geval hebben we ’s ochtends op mijn balkon een hele discussie over de toch wel foute zaak bij mij tegenover.
Met name in het weekend is enige overlast van de bezoekers van de zaak haast vanzelfsprekend. Wij zijn overigens bepaald niet de enigen die er last van hebben. Vannacht om half 4, toen ik er voor het eerst uit moest, stond een politieauto voor de zaak. Ik neem hier maar aan dat de dienstdoende hermandad dat niet deed, omdat het tijd was voor een “ron-cola” of een “vino tinto”. Toen ik om 7 uur voor de tweede keer moest plassen, was dat mede omdat er vóór El Escudo druk vergaderd werd door een stelletje nachtbrakers. Ik neem tenminste niet aan dat jonge mensen in alle vroegte opstaan om daar dan “een bakje te doen”.
Pas in de loop van de zondagochtend wordt het stil in en bij het café en komen de laatste gasten naar buiten. Trudie en Marij staan dan al op het punt om naar het strand te gaan. Daarvóór heeft Trudie al een kilo zuurvlees voor me gemaakt en ook nog een bonte was aangezet.

Zondagmiddag geef ik mezelf toe dat het nu al tijd is voor een nieuwe artiest. Na ampel overwegen kies ik voor Tom Russell, die ik al eens samen met Gretchen Peters de intro van een nieuwe wintergang van mijn weblog heb laten zingen. Dat was met “Billy 4”, een kraker van Bob Dylan over outlaw Billy the Kid. Voor mij is Tom Russell een nieuwe Johnny Cash, als ik zo vrij mag zijn. Van hem heb ik intussen een hele serie Cd’s bij elkaar gefietst. Hier is mijn voorraadje:
(1999) The man from God knows when
(2001) Borderland
(2003) Modern art
(2004) Indians, cowboys, horses, dogs
(2005) Hotwalker
(2005) Raw vison (TRB)
(2006) Love & fear
(2007) The wounded heart of America
(2009) Blood and candle smoke
(2009) One to the heart, one to the head (& GP)
(2011) Mesabi
(C2009) Veteran’s day. The TR anthology, 2 Cd’s
(L2005) Live in Holland
(L2005) Live in Holland
(L2006) Live in Holland
Ik kan jullie toch nog zonder probleem een handje Cd’s van Tom Russell noemen dat ik nog niet heb, maar goed, een mens kan niet alles. Het leven heeft zijn beperkingen. Uit mijn tiental originelen kies ik “Borderland” om jullie mee lastig te vallen. Terzijde, “Borderland” is het grensgebied tussen de V.S. en Mexico, met o.a. de stad Ciudad Juárez in Mexico en Santa Fe iets verder af in de V.S. Vraag: welke Amerikaanse staten grenzen aan Mexico? Het antwoord komt er op het einde van dit muziekstukje aan. Hier zijn de elf nummers:
01.Touch of evil
02.Down the Rio Grande
03.When Sinatra played Juarez
04.When the dream begins
05.Hills of old Juarez
06.The Santa Fe at midnight
07.The next thing smokin’
08.California snow
09.Let it go
10.What work is
11.The road it gives, the road it takes away
Met de muziek van Tom Russell is volgens mij niks mis, ook niet op deze plaat. Het lijkt trouwens wel een soundtrack van een film. Hij komt op mij over als een prima vertegenwoordiger van Americana muziek. Als ik jullie vervolgens vertel dat ik een voorkeur heb voor de oneven nummers op de plaat, geloven jullie me waarschijnlijk niet. Laat ik mijn voorkeur dan maar concretiseren. Mijn extra punten gaan op dit album naar “Touch of evil”, “When Sinatra played Juarez”, “Hills of old Juarez”, “The next thing smokin’”, “Let it go” en “The road it gives, the road it takes away”.
(Voor mezelf – en een beetje Marij – ligt later ook een live optreden, in Utrecht in 2006, op mijn draaitafel. Die Cd op MP3 heb ik ongetwijfeld van Peter gekregen, die net als ik fan is van Tom Russell met zijn rechterhand Michael Martin. Echter, jullie moeten die Cd van mij maar tegoed houden. Voor mijn keuze voor jullie is enige kieskeurigheid geboden.)
De volgende vier staten van de V.S. liggen tegen Mexico aan, met bgrotendeels de Rio Grande als grensrivier: van west naar oost Californië, Arizona, New Mexico en Texas. Juárez ligt in Mexico ongeveer op de grens met New Mexico en Texas, met aan de Amerikaanse kant El Paso. Santa Fe is de hoofdstad van New Mexico. En dan nu een moeilijker vraag die ik zelf ook nog niet goed kan beantwoorden. Wanner palmden de Verenigde Staten zich een fors stuk van Mexico in en welk stuk was dat?

Op het einde van de middag willen Trudie en Marij opnieuw naar La Oliva, want daar kunnen ze opnieuw spelen met hun telefoons. Als we om half 8 op de Luis Morote terugkomen, wordt door de dames een fles rode wijn van “El Cubano” (uit Tenerife) uit de ijskast gevist en behoorlijk royale glazen ingeschonken. Er komt een salade op tafel met paprika, tomaat en sla, met rijst er bij en – daar knapt Trudie van op – grote moten zalm, in de correcte richting gesneden. Een nagerecht zit er deze keer niet in, want op is op, maar met mijn wijn weet het duo best raad.
Bij El Escudo voor de deur zitten een mannetje of vijftien à twintig aan de drank, eigenlijk al vanaf een uur of 5. Ze zijn niet te beroerd om hun gulle lach door de straat te laten schalmen en met luider stem hun meningen over allerlei zaken te verkondigen. Ik mag dat wel, in ieder geval voor een paar uurtjes, maar de dames vinden het iets ordinairs hebben. Om half 10 breekt het gezelschap bij El Escudo op en kunnen we ons op het balkon opmaken voor een goed gesprek, o.a. over de vraag of je in Nederland na je veertigste nog wel een baan kunt krijgen. Volgens Marij is dat moeilijk zat.

Op de maandagmorgen is een kilo zuurvlees helemaal klaar en staat Trudie opnieuw achter het gasstel, nu om de kilo goulash die ze gisteravond al had opgezet, nog een uurtje warmte te gunnen. Vanavond, als Trudie met Math in Puerto Rico zit, gaan Marij en ik de eerste halve kilo goulash wegwerken. Trudie gaat ook nog even naar de Spar om voor mij een groot blik tonijn te halen en voor zichzelf en Marij opnieuw Hollandse kaas en ham van de firma Zwan (uit Zwanenburg). Kunnen we nog even vooruit, als we aan de lunch moeten. Daarna gaat het tweetal nog eens naar het strand om hun beginnende bruine kleurtje te koesteren.
Om kwart voor 3 brengen Marij en ik Trudie naar het streekbusstation, waar ze met bus 60 naar het vliegveld gaat. Daar stapt ze met Math in de auto voor een weekje geocachen vanuit Puerto Rico. Maandagavond al krijgen wij in Las Palmas een berichtje dat alles in orde is. Marij en ik zitten intussen bij La Alemana op het terras in een geanimeerd gesprek. Tot de hoogtepunten van onze avond behoort het aanstaren van het Matje die voorbijsloft; hij blijft een bezienswaardigheid. De dagelijkse zeezwemmer kan overigens na gedane arbeid weer terecht bij Rosales IV, dat zijn deuren ’s avonds hernieuwd geopend heeft.
De goulash als avondeten smaakt als vanouds, zeker als ik er nog wat “ajo y perejil”, knoflook en peterselie, uit een flesje bij doe. Marij is meer van de extra peper. Ere wie ere toekomt: ze serveert er rijst met een voortreffelijke salade bij. Daarna zitten we op het balkon, terwijl aan de overkant – ook op maandag – bij El Escudo een ik denk vooral Cubaanse club de moed er in houdt. Om half 11 mogen Marij en ik met goed fatsoen bedwaarts, wel in verschillende bedden.

Dinsdagmorgen schrijf ik alvast mijn brief aan Lluis over mijn uitgaven van de afgelopen winter. Ik kom deze keer uit op een totaal van 663 euro, maar of ik dat bedrag ook krijg, net als mijn 766 euro van mijn vorige winter, staat te bezien. In ieder geval zal ik Lluis morgen verrassen met de paardenhaam, die Trudie met enige pijn en moeite vanuit Lopik hierheen gekregen heeft. Ze heeft nog 35 euro van hem tegoed, even los van alle immaterieel schadegeld, waarover ze zich maar eens met Arno over moet gaan buigen.
Diezelfde avond zit ik met Marij op het terras bij het Castillo de la Luz. Zoals het hoort, worden we bediend door de magere ober met het homokontje. Als we grote glazen bier bestellen, vraagt hij voor de zekerheid nog even of we halve liters bedoelen. Terwijl de kinderen voorbij struinen, o.a. van en naar de speeltuin, is het goed toeven daar. Ik kom er in mijn eentje ongeveer een keer per week, maar dan neem ik meestal op een bank plaats. Alleen op een terras zitten of in een restaurant, is mij niet echt gegeven. De horeca is meer iets om met twee of meer mensen te doen.
Om half 8 aanvaarden we de terugtocht. Tussendoor doen we wel de Spar nog aan om ons enige nieuwe eetmunitie aan te schaffen. Thuis gekomen mag ik op het balkon plaatsnemen, terwijl Marij Trudie’s zuurvlees gaat opwarmen. Ze doet er aardappeltjes en erwten bij, plus (ongekookt) komkommer. Je kunt van Trudie veel zeggen, maar haar zuurvlees mag er zijn. We eten ons helemaal rond; er blijft helemaal niks over deze keer. Daarna wordt er nog wat gelezen en gekletst op het balkon, maar om half 11 liggen we onder onze dekentjes.

Woensdagmorgen is het voor mij aftellen totdat ik jullie deze brief kan versturen. Ik zit al 10 voor 8 op het balkon met mijn boek en of ik het nou leuk vind of niet: Marij komt pas om 9 uur uit haar kamer. Even later zitten we samen aan de koffie en worden het verleden, heden en de toekomst besproken. Dan gaat ze zich wassen en daarop naar “La Playa De Las Canteras”. Ik ben vervolgens aan de beurt om mij te douchen en aan te kleden. Daarna zet ik een was in. Om half 1 komt Marij terug met vers brood en kunnen we aan de lunch. Dan kan ik vertrekken met mijn paardenhaam voor Lluis richting het nieuwe faculteitsgebouw.

Dit is het einde van mijn voorlaatste brief aan jullie deze winter. Volgende week donderdag waarschijnlijk volgt de laatste, waarin ik mijn komst naar Nederland mag aankondigen. “For the meantime”, bid alvast dat het zonnetje over 10 dagen gaat schijnen in Maastricht en omstreken. Hier is het heel mooi weer, maar in de Euregio is het nog afwachten, zeker begin mei. Begin eens met de tuin in orde te maken en als je die niet hebt, zet eens een potplant voor het raam. Gedraag je, in het meervoud, en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.

BOEKBIJLAGE

Door het best wel aangename gefladder van Trudie en Marij om mij heen het afgelopen weekend en daarna alleen Marij heb ik maar één boek helemaal uit kunnen lezen. Ik ben intussen wel halverwege het volgende, maar niet uit is niet besproken.
Na Sjöwall & Wählöo of hoe ze ook alweer heetten en Henning Mankell was een beetje een gat ontstaan in mijn leesvoer uit Zweden. Dat is intussen opgevuld door een hele rij nieuwe Zweedse thrillerschrijvers. Tot die groep reken ik ook Kjell Eriksson. De man schrijft spannende verhalen die met name spelen in Uppsala, niet ver ten noorden van Stockholm. De hoofdrol is steeds opnieuw weggelegd voor rechercheur Ann Lindell. Vanaf mijn e-reader las ik “De man uit de bergen”, oorspronkelijk uit 2005. Er zit iets Mexicaans in het onderhavige verhaal, maar voor de hoofdzaken moeten we echt in Uppsala zijn.
Er zijn diverse partijen in het boek. Allereerst zijn er drie broers Alavez uit een Mexicaans dorpje, van wie de jongste, Angel, onlangs overleden is tijdens een achtervolging door de politie in Duitsland. De middelste, Patricio, zit is in Zweden met een grote hoeveelheid cocaïne betrapt te zijn en zit nu voor acht jaar in de Zweedse gevangenis (maar hij ontsnapt). De oudste en verstandigste van de drie, Manuel, komt vanuit Mexico naar Uppsala om te kijken wat hij voor Patricio doen kan.
Manuel krijgt een afwasbaantje bij restaurant Dakar, waar twee bazen uit de cocaïnehandel de scepter zwaaien, de dikke Slobodan Andersson en de lange Armas. Manuel kent ze al uit de tijd dat ze in zijn dorpje in Mexico koeriers zijn komen ronselen. En passant maken we nu kennis met het personeel van het restaurant: Donald, Feo, Johnny en Pirlo in de keuken, Tessie, Eva en de bijna ontslagen Gonzo in de bediening en Måns als barkeeper. Op de afdeling “Geweld” van de politie gaat het uiteraard om Ann Lindell en daarnaast het bekende clubje dat ik al van andere boeken van Kjell Eriksson ken: o.a. Haver, Fredriksson, Andersson, Nillson en Berglund. Enkele bijrollen zijn in dit boek vergeven aan Liljendahl, Sidström en Eva’s kinderen plus ene Zero.
Armas wordt vermoord en tegelijkertijd probeert ene Lorenzo Wader de drugshandel van hem en Slododan Andersson over te nemen. Dan wordt ook ene Konrad Rozenberg, een ex-junkie die tegenwoordig voor Lorenzo Wader werkt, thuis dood aangetroffen. De jacht van de politie is daarmee definitief geopend op Slobodan Andersson en ook op de broertjes Alavez. Hoe loopt het met ze af?
Ik herhaal hier maar eens dat Kjell Eriksson met zijn rechercheur Ann Lindell mooie boeken schrijft. “De man uit de bergen” (Armas in Mexico) kan er ook zeker mee door, maar – misschien mede door de aanwezigheid van Trudie en Marij, die mij geregeld van mijn lezen afhouden – is dit verhaal voor mij net even minder spannend en leesbaar dan zijn eerdere boeken. Ook is het nogal onaf, vind ik. Ik geef er daarom als recensiecijfer een 7+ voor, niet geweldig, maar wel nog alleszins acceptabel. Kjell Erikksson is nog niet van mij af.

woensdag 13 april 2016

Weblñogbrief 11.28, 13 april 2016

Weblogbrief 11.28, 13 april 2016

“¡Queridos partidarios y adversarios!”, beste mede- en tegenstanders, het is alweer “goonsdag” en dus is hier mijn 28ste brief van deze winter. Hierna hebben jullie er nog maar twee te gaan, dus ga er maar eens goed voor zitten. Ik zal me deze keer extra inzetten om er iets van te maken.
Laat ik dit uitgebreide weekend eens beginnen met een muziekje op te zetten. Vorig weekend was ik bij Noé in Santa Cruz (de Tenerife) en wat heeft die man, eigenlijk jongen nog (38, Eva is ouder), een andere smaak dan ik, wat muziek betreft. In zijn auto in het noorden van het eiland liet hij mij allerlei jazzmuzikanten horen en moest ik van hem raden wie het waren. Een drama! Bill Withers kende ik nog wel, maar Ed Motta? Na enig gezoek kwam ik ook nog op Al Jarreau, maar bij de volgende ging ik alweer de mist in. George Benson! Dat bleek een van Noé’s favoriete jazzgitaristen te zijn en dat de zwarte man, intussen 73 jaar, ook nog kan zingen, is volgens hem mooi meegenomen. Hij heeft intussen een veertigtal albums op zijn naam staan, zijn eerste is van 1964 (“The new boss guitar”) en de laatste twee zijn het instrumentale “Guitar man” in 2011 en “A tribute to Nat King Cole” in 2013. In allmusic worden ze hogelijk gewaardeerd.
Van Noé - een Spotify aanhanger, dus Cd-muziek heeft hij nauwelijks - heb ik maar een handje nummers van George Benson die hij op mijn MP3-speler kan zetten. Twee nummers van hem staan ook op een verzamel-cd van mij, “Give me the night” en “The masquerade”, maar daarnaast krijg ik als toevoeging “Beyond the sea”, “California dreamin’”, Más que nada” (met Al Jarreau), “Sunny” en “Take five”. Hier zijn de zestien nummers van “The GB Collection”:
01.Take yourlovearound
02.Love all the hurt away
03.Give me the night
04.Never give up on a goodthing
05.On Broadway
06.White rabbit
07.Themasquerade
08.Love ballad
09.Nature boy
10.Last train toClarksville
11.Livin’ inside your love
12.Here comes the sun
13.Breezin’
14.Moody’s mood
15.We got the love
16.The greatest love of all
Er zit nogal wat “love” in de titels, om precies te zijn in zes van de zestien titels; is dat niet wat veel van het goede? Helemaal mijn man is die George Benson niet en op zijn hit “Give me the night” ben ik intussen een beetje uitgekeken. Echt de moeite waard op mijn Cd vind ik vooral “Never give up on a good thing”, “On Broadway” en “Breezin’”. Bij de toegevoegde nummers van Noé zie ik meer aardige muziek zitten: “California dreamin’” en (een beetje) “Take five”, allebei instrumentaal. Het beste nummer voor mij is “The masquerade”, niet in de versie op mijn eigen Cd, maar in Noé’s lange versie, die ruim acht minuten duurt, met op het einde eersteklas gitaarklanken.

Op de universiteit de afgelopen vrijdag blijkt dat op een enkele zesdejaars student na er van het clubje van Lluis helemaal niemand aanwezig is. Men zit (neem ik aan) op een bijeenkomst over voeding en gezondheid in Santa Brigida. Ik heb toch maar mijn ding gedaan: mijn brief versturen en mijn mail. Bij de lift in wat ik maar even het hoofdgebouw noem, dat met de kantine, de kleine zaal voor de promoties en de collegezalen op een hoog, zie ik bij de lift het zinnetje staan: “Por qué subir aquí si tienes una escalera preciosa allí” met een grote pijl er bij naar links, waar de trap is. Dan neem zelfs ik gewoon de trap, voor de gezondheid.
In de computerruimte voor studenten kijk ik voor de variatie eens uitgebreid naar een rits stukjes uit conferences van Youp van ’t Hek. Er zit ook een interview met hem bij, waarin hij mij haarfijn en bij herhaling vertelt dat zijn hartritmestoornis niets voorstelt, nauwelijks iets met ziekte te maken heeft, meer een variant is van normaal. Waarom zit hij nu dan al vele maanden thuis?
Er is voor mij maar één Youp en laat ik zijn gesjouw op het podium eens afzetten tegen dat van een paar andere jonge gasten. Ik kies voor de m.i. bekendste twee: Jochen Myjer, die zichzelf in een interview een nieuwe André van Duin noemt, en de schalkse Pieter Derks, nu eens met een drietal stukjes op de Nederlandse radio 1. Eerlijk waar, ik vind Youp van ’t Hek nog steeds superieur. Een perfecte timing, dat is waar hij het zelf over heeft tegen bijv. Jeroen Pauw. Net als Freek de Jonge, denk ik bovendien, die ik ook nog steeds zeer te pruimen vind. Youp, Freek en ik, worden we oud?

Op mijn terugweg naar La Isleta zie ik een aardige advertentie bij een bushokje over de nieuwste wasmachine van Samsung, alweer die firma. Men pakt nu uit met “Abre una puerta”, open een poort (vooraan in de wasmachine) met dan “Añade prendas durante el lavado”, voeg kleding toe onder het wassen. Of ik daar nou per sé op zit te wachten, is een ander verhaal. Bij de wasmachine zie ik wel ook een stralende moeder met haar dochtertje staan. Dat deel had probleemloos uit een OMO-advertentie uit de jaren vijftigkunnen komen, toen mijn ouders voor het eerst een wasmachine kochten.
Op de bus zelf lees ik dat je voor het wassen van zwarte kledij (“ropa negra”) het beste het wasmerk Norit kunt nemen. Dan zouden de spullen minder snel vaal worden. Norit, dat is toch dat middeltje tegen diarree dat niet werkt? Boort de firma nu andere toepassingen van de koolstof aan om het hoofd boven water te kunnen houden?
In Isleta zit ik te lezen in het parkje, als ik denk: laat ik nog eens een keertje een kijkje nemen bij de dansende bejaarden. Dus begeef ik me even voor 6 naar het indrukwekkende – dat blijft het - gebouwtjeer naast en lees in de hal dat de muziek deze vrijdagmiddag verzorgd wordtdoor het “Duo Sergio & Toñi”. Toñi, denk ik dan, laat ik niet vergeten op dinsdag Tonnie van Piet met haar 66ste verjaardag te feliciteren. Echt mee valt het muziekduo me niet op één hoog in de danszaal, waar het sowiesonog steeds veel rustiger dan vroeger. Ik zie minder dan honderd mensen in de ruimte, waarvan de helft op de dansvloer. De hoogtijdagen van het bejaardendansen hier zijn kennelijk voorbij. Gelukkig is een van mijn favoriete dames, die met een te royale kontmaar ook een gulle lach, wel weer present, met haar partner die het daarnaast op zich genomen heeft om een goedgemutste baas te spelen, die na afloop de stoelen in een hoek stapelt. De bar opzij van de dansvloer is nog steeds gesloten, wat ook bepaald geen aanprijzing is, als je klanten wilt lokken. Ik ben blij, als ik om kwart voor 7 weer buiten sta.

Ander onderwerp: ik heb de neiging om dingen altijd iets royaler te bemeten dan eigenlijk nodig is. Als ik een colbertje koop, mijn maat is denk ik 56, is het nooit maat 54, maar wel soms 58, (onlangs bij C&A) zelfs maat 60. De ietsje te lange mouwen neem ik graag voor lief. Een truitje bij mij is nooit maat 7, soms 8, maar liefst 9. Mijn schoenen zijn tegenwoordig eerder maat 46 dan 44, terwijl 45 mijn maat is, zeker in Nederland. Andere mensen zoals Trudie kiezen het liefste de best passende maat, maar ik doe er graag een nummertje bij, dat vind ik wel zo prettig.
Ik heb dat in mindere mate ook met de duur dat ik verondersteld word iets te doen. Als er op een verpakking staat dat iets tien minuten moet koken, maak ik er liever elf van. Als mijn tanden poetsen twee minuten duurt, is het bij mij nooit een minuut 50 en wel vaak twee minuten 10. Enz., enz. Ik ben nou eenmaal een mens van een beetje overdrijven kan geen kwaad.

Zaterdagavond op Las Canteras zit ik op mijn bank met volle teugen naar nieuwe muziek op mijn MP3-speler te luisteren. De andere mensen op de bank kunnen me eventjes gestolen worden. Kennen jullie ene José González? Nee? Hij zingt anders wel in het Engels en zijn gitaarspel mag ik best zijn. Ik heb twee Cd’s van hem via Noé op mijn apparaatje staan: “In our nature” en “Veneer” en jullie moeten hem toch eens een kans geven om te excelleren. Als ik later een wandelingetje langs de terrassen en de winkels maak, is ook nog even Jeff Buckley aan de beurt, o.a. net mooie “Hallelujah”, maar zijn muziek ga ik eerst nog weer eens een keer uitgebreider tot mij nemen, voordat daarover mijn oordeel wil geven.
Wie in muziek verdiept is, hoort maar weinig van wat er om hem of haar heen gebeurt. Het enige dat ik voor jullie heb kunnen opvissen, zijn drie aardige –Engelstalige, ik kan het niet helpen – opschriften op truien. Een meisje loopt mij pontificaal voorbij met op haar borst(en) “Friday forever”, goed voor een bronzen medaille. Een tiener van mannelijke kunne heeft bedacht dat hij best kan paraderen met op zijn T-shirt: “No light without darkness”, geen licht zonder duisternis. Best anders, toch? Echter, mijn opschrift van de dag is dat van een jongedame die in het chocoladebruin op haar zeer gele polo heeft staan: “Chocolate is my boyfriend”. Die vind ik zonder dat ik hier een bijzondere reden kan of wil geven, echt prima! Zij krijgt de hoofdprijs voor het beste opschrift van de avond.

Op zondagmorgen herinner ik me dat ik gistermorgen, toen ik definitief wakker werd en mijn balkon betrad, een busje politiemensen voor overbuur El Escudo heb zien staan. Het zijn deze keer niet de bekende agenten in blauwzwarte pakken, soms met korte broek, maar deze - van een mannetje of acht, onder wie een vrouw – zien er egaal zwart uit. Enkele drugsagenten (?) zijn kennelijk naar binnen gegaan, want ze komen even later naar buiten, maar zonder dat allerlei junkies aan hun haren of in de houdgreep meegesleept worden. Vrij snel daarna de politiemeute eigenlijk weer vertrokken. Een half uurtje later zie ik hun busje vlakbij opnieuw staan, maar ook dan zijn ze snel weer weg. Zijn ze vooral op zoektocht naar een of meer grote “vissen”? Later zie ik zonder enige haast enkele plukjes bezoekers van dezaak naar buiten drentelen. In totaal gaat het om een dergelijkvijftien tot twintig personen. De uitsmijter va El escudo (of hoe het tegenwoordig heet) staat ze gewoon aan de deur uit te zwaaien of er niks loos is geweest. Enkele klanten die op de zaterdagochtend nog even naar binnen willen voor een “borrel”, mogen ook gewoon doorlopen.
Zondagmorgen tussen half 9 en 9 uur doe ik met mezelf een wedstrijdje of ik vanaf mijn balkon vooraf kan bedenken wie daar naar binnen zou gaan en wie niet. Ik heb het op één foutpositieve en één fotonegatieve persoon na helemaal goed. Het zijn bijna allemaal jong volwassenen, in de leeftijd 20-40 jaar die de zaak bezoeken, zelden solo, meestal met twee of meer. De dames – zitten er hoertjes tussen? - hebben zonder uitzondering schoenen met heel hoge hakken aan. De heren komen in meerderheid uit Marokko of zwart Afrika. Het aandeel Canarisch en Spanjaarden onder de mannen schat ik niet al te hoog in.

Op zondagmiddag constateer ik enig drukte in de flat bij mij tegenover op één hoog. Rechts zitten al een hele week twee jongens, de zoveelste toeristen, deze keer Spanjaarden uit mij denk de peninsula. Overdag zijn ze allebei druk in de weer met hun laptop. Eentje heeft daar kennelijk ook een luid muziekje bij aanstaan op zijn koptelefoon, want af en toe kan hij het niet laten en zie ik hem met de muziek meedoen. ’s Avonds zijn ze geregeld op stap, maar nachtbrakers kan ik er niet van maken.
Links staat de flat al meer dan een jaar leeg. Maar er is beweging. Volgens mij heeft een man van mijn postuur, maar wel een stuk jonger, zich de woning toegeëigend en heb ik hem de afgelopen week al eens met zijn zoontje op het balkon zien staan. Nu brengt hij met vrienden een mooi bed in stukken de trap op, zijn flat binnen. Daar staat ook al een leuk kastje en een koperen vaas. Is er een verhuizing in aantocht? Ik hoop het wel, want leeg is maar niks.

Aan het begin van de zondagavond is het hier heel mooi weer, nog steeds royaal boven de 20 graden en haast geen wind. Het zonnetje schijnt als nooit tevoren en de boulevard is een grote mensenmassa. Ik besluit om maar weer eens lange wandeling te maken naar rechts, voor bij La Puntilla. Dat staat eerder voor “fijne kant” volgens mijn woordenboek, eventueel ook een “dolk bij het stierenvechten” dan dat het een punt is. Een punt is hier een “punto”, een puntje een “puntillo” met een o op het eind. Moet ik dat echt geloven?
Voorbij de garage van La Puntilla kom je op een stukje aan het water, waar op zondagavond om 6 uur weer muziek is. Als ik erlangs loop,is de muziek echter net afgelopen. Ik ga helemaal door tot aan de banken op de open ruimte verder op, waar ik mijn MP3-speler aanzet en, later zelfs met uitzicht op de ondergaande zon in mijn gezicht,mijn e-reader ter hand neem. Lezen, dat is een bezigheid die me hier echt bevalt. Als ik om half 9 terugkeer naar de bewoonde wereld – de zon is dan onder, zoals dat heet - heb ik het oprechte gevoel dat ik voor mijn lichamelijke oefening geslaagd ben.

Op de maandagochtend hoor ik de ambachtslieden bij mij beneden alweer bakkeleien en zijn ze met hun boormachines en bikapparaten alweer in de weer. Ik moet dus in de badkamer en de keuken nog steeds mijn ramen dichthouden, anders kom ik om in de “stöb” en krijg ik Etel misschien niet meer zo ver dat ze de volgende winter als vanouds komt “pótse”. Ik hoor nu ook veel geklop en gehamer en dat zal toch het begin van dat ze het nu over een andere boeg gaan gooien. Is het eind van de opknapbeurt in inzicht?
Ik had al een was ingezet en die ga ik nu maar eens aan de waslijn hangen. Vanavond is hij droog, dat zweer ik jullie.

Een nieuwe dag, nieuwe muziek! In het algemeen ben ik meer van de folk en country dan van de jazz en blues. Vooruit, met blues heb ik nog wel wat, maar jazz is meestal niet mijn favoriete muzieksoort. Het moet mij vooral niet te experimenteel zijn. Zo iemand als John Coltrane kan mij grotendeels gestolen worden. (Ik heb alleen “Coltrane plays the blues” van hem op mijn computer staan.) Hier maak ik graag een uitzondering voor twee rasmuzikanten die, toen ik nog opde lagere school zat, allebei erg populair waren: zanger en trompettist Louis Armstrong en componist, pianist en orkestleider Duke Ellington. Met animo vertel ik jullie dat ze in 1961 samen een plaat maakten die mij aan het hart ligt. Ik heb hem in verschillende varianten, als “Recording together for the first time”, als “The great reunion” en als “The complete sessions”. Ik schotel jullie hier alle zeventien nummers voor die ik heb:
01.It don’tmean a thing
02.Solitude
03.Don’t getaroundmuchanymore
04.I’m beginning tosee the light
05.Just squeeze me
06.I got it bad andthatain’tgood
07.I’m just a lucky so and so
08.Cotton tail
09.Mood indigo
10.Do nothin‘ till youhearfromme
11.Black and tan fantasy
12.Drop me off in Harlem
13.The mooche
14.In a mellow tone
15.Duke’s place
16.The beautiful American
17.Azalea
Het lijkt wel een hitparade van meer dan zestig jaar geleden. Ik ken – leek als ik ben – best een heleboel nummers; sommige kan ik zelfs meezingen (als niemand oplet, dat weer wel). Laat ik hier een paar nummers aanbevelen die net ietsje minder legendarisch zijn: “Just squeeze me”, “I’m just a lucky so and so”, “Drop me off in Harlem” en “Duke’s place”. Sachmo & “The Duke” met zijn tweetjes op de plaat, dat geeft heel bijzondere jazz.

Sinds de boom voor mijn deur weg is, heb ik volop uitzicht op mijn overbuurman Arkay. In de vroege maandagmiddag deze week komen daar twee mannen in rode polotruien langs die de grote reclame in de etalage weghalen: de mooie man van Giorgio Armani, waar ik al een beetje aan gehecht begon te raken, is binnen enkele minuten verleden tijd. In zijn plaats wordt nu een dame de ruimte gegeven, die van Black Opium. Dat is blijkens het opschrift een duur watertje van YvesSaintLaurent.
Ik heb voor een schijntje nog eens een zijden neptruitje - zwart met dunne, verticale, rode streepjes - van dezelfde firma gekocht ergens in een zuidelijk dorpje in China. Nu, tien jaar later, kan dat er nog steeds mee door.

’s Avonds lees ik in El Mundo een heel verhaal over Bernie Sanders. Ik heb het over de aankomende verkiezingen op ik geloof 8 november in de Verenigde Staten. Bij de republikeinen lijkt het intussen een uitgemaakte zaak te zijn dat Donald Duck, pardon Trump de presidentskandidaat wordt. Voor het geval jullie dat ontgaat, hij slaat nog steeds als een wilde om zich heen. Bij de democraten staat Hillary Clinton nog steeds op de eerste plek, maar haar opponent Bernie Sanders is wel nog in de race. Voor mij is hij echt een veel betere, ook veel linksere kandidaat dan Hillary en ik hoop oprecht dat Bernie de presidentskandidaat van de democraten wordt. Hij is ook een veel gewonere persoon, maar is dat wel een aanbeveling – kijk naar Barack Obama. Met Hillary Clinton heb ik eerlijk gezegd niet veel op; ik vind haar een typische midden figuur, nauwelijks een kandidaat met sociale ideeën. Dat ze een vrouw is, zou voor haar moeten pleiten, maar de vrouw van Bill is zonder meer het tegenovergestelde van waarvoor ik warm loop.
Ik heb het vorige week er met Noé uitgebreid over gehad. Die stemt veel strategischer dan ik en dicht Bernie Sanders geen enkele kans toe om president te worden tegenover gevaarte Donald Trump. Ook hij vindt Bernie Sanders veel beter vindt dan Hillary Clinton, maar is tevens van mening dat “we” met zijn allen pal achter Hillary Clinton moeten gaan staan, omdat zij de enige hoop is dat Donald Trump toch niet in het Witte Huis komt. Het is me wat: een keer in de zoveel jaar mag je naar de stembus en dan vind je pragmatisme belangrijker dan je eigen idee volgen.
Op de terugweg naar huis kijk ik op plaza Farray naar de tweede helft van Deportivo La Coruña thuis tegen UD Las Palmas, met enkele tientallen anderen op een groot scherm. Bij rust is de stand 1-0 voor de thuisploeg, maar met uitgekiend spel maakt UD Las Palmas daar 1-1 van. Vervolgens is het bijna uitsluitend Deportivo dat op de trom slaat, maar in een spaarzame tegenstoot wordt het wel 1-2. Iemand van Deportivo schiet daarna nog eens keihard tegen de onderkant van de lat, maar wie maakt er in blessuretijd zelfs nog 1-3 van? UD Las Palmas.In voetbal zit een belangrijke geluksfactor, nu een of twee toevallige doelpunten een hele wedstrijd kunnen beslissen.
Aan de andere kant, natuurlijk is Real Madrid terecht door naar de halve finale van de Champions League. Cristiano Ronaldo, je kunt zeggen van hem wat je wilt –voor mij is hij een verwaande etter - maar hij schoot er wel drie in dinsdagavond tegen Wolfsburg en dat was geen gelukje. Dan hoor je echt tot de beste voetballers ter wereld. Vanavond ga ik zeker eens kijken wat Atletico Madrid en Barcelona er van brouwen.

Mag ik daarmee de pijp aan Maarten geven? Denk niet dat je nou definitief van me af bent. Ik kom rücksichtlos terug over een week of zo, zelfs na een lang weekend Trudie en met Marij in mijn kielzog. Voor nu, my cleaning lady Etel komt schoonmaken en dan ga ik buswaarts naar de universiteit. Vanmiddag zal ik een nieuwe poging doen om Lluis te spreken te krijgen.
Maak er wat van! In gedachte ben ik al een beetje onderweg naar Nederland, maar dat is pas over 2½ week, dus niet te vroeg gejuicht. Ik ga zo wel boodschapjes doen: morgenavond moet een pittige groentesoep met ballen op tafel staan en Trudie wil uiteraard haar melk, the en toast op vrijdagmorgen. Marij is met zo ongeveer alles content, denk ik, dus die mag na het weekend nog een week blijven. Ik wens het jullie, “con dos cojones”, en tot ziens, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Mijn eerste boek is het nieuwste van schrijfster Connie Palmen, een klein vrouwtje uit Amsterdam met Limburgse “rots”. Eerder was ik vooral erg gecharmeerd van de boeken over haar relatie met Isa Meijer en daarna Hans van Mierlo, tot hun dood aan toe. Dit boek uit 2015 speelt in Engeland (Londen, platteland) en echt in het verleden tijd, de periode 1956 tot in 1963.
De ik-persoon is Ted Huggies die in 1956 de Amerikaanse Sylvia Plat tegenkomt en binnen vier met haar getrouwd is. Hun beider hoofdbezigheid is schrijven en dan vooral dichten. Daarbij heeft Sylvia een uiterst problematische relatie met haar moeder – haar vader is dood. Ze lijdt aan depressies, heeft al eens een zelfmoordpoging gedaan en geeft af op dames die kinderloos zijn en (naar haar mening) haat man proberen te versieren. Sylvia en Ted krijgen een dochtertje en een zoontje. Als zijstap is zij – en hij ook wel – een aanhangster van astrologie, tarotkaarten en geesten oproepen. Belangrijk moment: ze wijst op vacantie in Reims een zigeunerin af, die haar dan toeroept: “Vous crèverez bientot”, binnenkort zul je creperen. Als Ted in 1963 verliefd wordt op een vriendin, voegt Sylvia de daad bij het woord, stopt haar hoofd in de oven en zet de gaskraan aan. Na haar dood wordt ze heel beroemd met een dichtbundel genaamd Ariel.
Het boek heet “Jij zegt het” en op de kaft staat een poes met een vogeltje op haar oor. Zowel de titel als de foto heeft niets, maar dan ook niets met het boek uitstaande. Ik zou het boek eerder “Mijn bruid” of dergelijke genoemd hebben en eventueel een oven op de kaft zetten. Het is niet echt fout wat Connie Palmen mij voorschotelt, maar ik ben wel blij, als ik het uit heb. Het trekt ook een beetje, in de verkeerde betekenis van dat woord. “Jij zegt het” is geen boek dat jullie van mij moeten lezen. Hoewel ik iets heb met Connie Palmen, heb ik er niet meer dan een 6 als recensiecijfer voor over.

Nog niet zo land geleden besprak ik hier het eerste boek van Peter de Zwaan, genaamd “(Een man genaamd) Dietz” uit 1982. Het verscheen in 2002 als duoboek, als tweelingeditie, samen met een nieuw boek van hem: “De vrouwenoppasser”. Dat moet er nu aan beloven. Het speelt in een Nederlands stadje, maar welke, blijft onduidelijk.
Laat ik de kaft eens volgen voor een samenvatting. Tien jaar na de vuurwerkramp (in Enschedé, neem ik aan), waarbij zijn vrouw en dochter omkwamen, keert Heimen Stiller terug naar de plaats des onheils met veel geld en een geheime agenda. Stiller is officieel doodverklaard en noemt zich nuMaik Hansze, een ex-hasjkoerier (gesnapt met 4000 kilo!) die is overleden in een gevangenis in een ver land. Hij laat zich aannemen bij de club van de spijkerharde Theckla Frens, waar hij de eervolle taak krijgt om op de dames van plezier te passen als ze schoenenkopen of naar de kapper gaan. Vrouwenoppasser, meidenuitlater, het is een beroep waar hij erg aan moet wennen. Zelf wordt hij ook weer bewaakt, door de uiterst gewelddadige Werner. Heimens identiteit komt extra onder druk te staan als de ambitieuze politieman (niet hoofdcommissaris) Gartens hem de voet dwarszet.
Moet ik hier nog een paar zinnen aan toevoegen? Een belangrijke bijrol, eigenlijk een hoofdrol, is er voor “bemiddelaar en zakenman” Lino (Lepouw) en verder vermeld ik hier graag de zwarte Zamor (met zijn evenbeelden), Tip & Hams (uitvoerders), Addy & Loret (familie van Theckla), Marva (van I.K.) en door het hele boek heen de goklustige kastelein Kapitein van café De Kapitein. Komt Hansze, ook wel Eenbal genoemd, omdat hij nog maar een bal heeft, levend uit drama “De vrouwenoppasser” te voorschijn?
Ik zei het al bij eerdere boeken van Peter de Zwaan: diens schrijfstijl is echt heel goed. Misschien is zijn manier van opschrijven wel het beste van wat we in het wereldje van thrillerschrijvers in Nederland en Vlaanderen hebben. Zoals in “Dietz” ontbreekt het hem wel een beetje aan het idee van een voortreffelijke plot, waardoor zijn boeken, ook weer “De vrouwenoppasser”, net niet in de categorie echt goed passen. Ik geef hem voor dit boek om die reden toch weer niet meer dan een 7 als recensiepunt. Mijn advies: Peter de Zwaan zoueens een buitenlandse thriller met een fantastische plot, maar onvoldoende vorm gegeven, naar het Nederlands moeten overzetten. Dan zou hij na “Het alibibureau” zeker weer opnieuw “de gouden strop” winnen.

Wie veel leest, heeft het nodige te recenseren. Op mijn e-reader vind ik het laatste boek van Philip Kerr: “De vrouw van Zagreb” uit 2015. Zelf vraagt hij zich intussen af of hij niet eens af moet van Bernie Gunther, maar dat vinden allerlei mensen om hem heen absoluut niet.
De betreffende vrouw is een filmster in Berlijn en Zürich in 1942, die oorspronkelijk uit Kroatië komt. Ze maakt zo veel furore dat Josef Goebbels voor haar valt en idem dito moordcommissaris Bernie Gunther. Eerder heette ze Dragica of Sofia. Gunther moet een spreekbeurt houden in een Berlijnse villa die de SS zich heeft toegeëigend, maar die eerder van rijkaard Friedrich Minoux was. Dan wordt de jurist, ene dr. Hechholz, vermoord die mevrouw Minoux nu terzijde staat -haar man zit v oor vijf jaar in de gevangenis. Gunther reist vervolgens afnaar Kroatië en Bosnië, waar hij Dalia’s vader, kolonel Dragan van de Ustase een brief moet overhandigen en aan het werk ziet in een concentratiekamp. In Zwitserland hoort hij over een mysterieuze moord (van de vrouw in het meer) en leert hij ook de ware aard kennen van mensen als schrijver Paul Meyer en het duo Walter Schellenberg en Hans Eggen van de buitenlandse inlichtingendienst. Er vallen in het boek de nodige doden, dat is zeker, maar in de proloog al, die in 1956 speelt, staat al dat Bernie Gunther tot de levenden blijft behoren.
Alle boeken die ik van Philip Kerr te pakken krijg, lees ik in één ruk uit tegenwoordig. Dat geldt ook voor “De vrouw van Zagreb”. Het verhaal –of eigenlijk de paar verhaaltjes - worden mij met verve opgediend en een beetje spannend vind ik het best. Daarbij is Philip Kerr altijd goed voor het nodige cynisme, wat mij wel ligt, ook in dit boek. Echter, geweldig kan ik er niet van maken deze keer. Daarvoor vind ik “De vrouw van Zagreb” ietsje te veel van “ik moet weer bladzijden vullen”. Dus is mijn recensiecijfer deze keer eens geen 8+ of dergelijke, maar een 7. Ik heb “ruim voldoende” van dit boek genoten. Het volgende dat in 2016 verschijnt (of al uit is), heet “The other side of silence” en dat zal ik t.z.t. wel weer graag tot mij nemen.

vrijdag 8 april 2016

Weblogbrief 11.27, 8 april 2016

Weblogbrief 11.27, 8 april 2016

“¡Caro circulo de amigos y familia!” daar gaan we weer, of beter gezegd: hier ga ik weer, want ik ben nou eenmaal degene die mijn brieven moet vullen. Op welk moment mag je gaan zeggen dat je aan aftellen toe bent, als je een hele winter in Las Palmas zit? Dit is mijn laatste Palmese week dat ik zonder bezoek ben. Vanaf volgende week donderdag komen Trudie en Marij mij “lam maken”. Trudie gaat na vier dagen weg om met Math hier te gaan geocachen op het eiland en haar “cuñada”, schoonzus Marij blijft bij mij tot elf dagen later. Ze vertrekt (met Trudie en Math vanaf vliegveld Gando) op de maandag van mijn allerlaatste week hier, “mi final semana aquí”. Op de zondagavond van 1 mei komt Trudie mij in Düsseldorf ophalen.Zijn jullie zo over mijn bezoek de komende weken bijgepraat?
Laat ik zoals wel vaker dan maar op de startknop drukken, die van afgelopen maandag, als ik nog in bus 12 naar de gezondheidsfaculteit zit. Tegenwoordig stap ik in Las Palmas Zuid drie haltes later uit, de voorlaatste,“la penúltima parada” van de bus voordat ze bij de Carrefour daar aan zijn eindpunt is.Achter de chauffeur in mijn bus hangt een mooi affiche met een rijtje vissenaan een waslijn; zijn het sardines die te drogen hangen? Op zaterdag 16 april - dan zijn Trudie en Marij alle twee hier - is een middaguitje naar de wijk San Cristóbal, in het zuiden van de stad aan de zee, te overwegen. We vieren dan “la pesca artesanal”, het vissen op de ouderwetse manier, nog met kleine bootjes. Er is die zaterdag van alles (en nog wat) te doen in de “barrio marinero”(ik dacht dat die in La Puntilla was, maar vooruit.) Zelfs staat er een live optreden op het programma van “Los Lola”, ik neem aan dat het om iets heel bijzonder gaat. Ik zal mijn dames op bezoek minzaam voorstellen om in San Cristóbal maar eens acte de préséance te geven.

Jullie weten dat een vis in het water nog “pez” heet – bijv. een goudvis is een “pez de colores” - en als hij of zij op je bord ligt, “pescado” genoemd moet worden, bijv. gebakken: “pescado frito”? Hoe heet dan een (rauwe) haring die wij Nederlanders graag ongeveer in deze tijd aan een viskraampje wegwerken? Is dat nog een “pez” of al een “pescado”? Laat ik er voor de zekerheid maar een “arenquenuevo” van maken.
Nu wordt het iets moeilijker: wat is een “pescada” en een “pescadilla”? Volgens mijn onvolprezen woordenboek hebben we het dan over een heek resp. een wijting (of natuurlijk een heekje). Ik eindig met een echt moeilijke: wat is een “pescuezo”? Dat woord heeft helaas pindakaasmet vis niets uitstaande. Het is Spaans voor een nek, zoals in “retorcer el pescuezo” de nek omdraaien. Je mag uiteraard ook “cuello” zeggen, maar een stijve nek is wel een “torticilis”.

Ik heb als intro ook nog een klein raadsel voor als jullie net als ik tussen de vier faculteitsgebouwen zouden gaan rondsjouwen. Tussen de twee lage gebouwen met twee etages – in de eerste is ook het restaurant met zitje buiten en de computerruimte – staat een gebouwtje, opgetrokken uit roestbruin metaal. Het heeft de originele naam “Sala de actos” en ik heb geen flauw idee waar die “sala” voor dient, wat daar gebeurt. De deuren waardoor ik naar binnen zou kunnen gaan, zijn op slot, als ik ze probeer. Ooit zal ik Lluis nog eens tegenkomen in de een of andere gang en dan zal ik het hem vragen. Dit lijkt me de plek waar ik prima mijn lezing kan geven; alleen is het denk ik nu te laat om me daarop nog voor te bereiden. We zien wel!>BR>
Muziek! Ik kies deze keer voor een Cd van The Scene met Thé Lau als frontman. Zie het maar als mijn hommage aan de vorig jaar overleden zanger-liedjesschrijver, die te vroeg van ons is heengegaan op 62-jarige leeftijd. De plaat die ik jullie opdien, is van 1997 en is een “2 Meter Sessie”. Hier zijn de veertien nummers:
01.Rigoreus
02.Blauw
03.De stem die fluistert
04.Rauw, hees, teder
05.Open
06.Liefde
07.Steenworp
08.Wild en luidruchtig
09.Bruid
10.Werk van God
11.Slapen, dromen, zweten
12.Schaduw van het kruis
13.Iedereen is van de wereld
14.Brand
Dit is voor mij dus Hollands glorie!Vooral het nummer “Blauw” is en blijft natuurlijk een meesterwerkje. De gelijknamige Cd is van 1990. Eva had die en ik herinner me dat ik het liedje samen met haar vaker gekweeld heb onder het afwassen. Bijna ben ik in die tijd zelfs nog een keer met Riny naar een optreden van The Scene gaan kijken.Het is heel moeilijk om uit deze “2 Meter Sessie” compilatie er nog weer extra goede nummers te pikken; daar zijn er mij te veel van. Laat ik daarom voor de variatie eens het omgekeerde doen. Ik vind “Iedereen is van de wereld” echt een van de mindere nummers op de plaat.Andere liedjes die ik net even minder vind, zijn“De stem die fluistert”, “Steenworp”, “Wild en luidruchtig”, “Slapen, dromen, zweten” en “Brand”; het kan niet altijd feest zijn. Aan de andere kant, luister eens naar een nummer als “Bruid” met als ondertitel: “Wees niet bang”, echt super!

. Ander onderwerp: waar komt het gebruik vandaan dat dokters witte jassen op hun werk aanhebben, zeker in het ziekenhuis? Mij staat bij dat dat iets is van vroegere tijden, de negentiende eeuw, toen dokters zich het liefste in het laboratorium ophielden, maar ook in het er bij liggendziekenhuis moesten zijn om patiënten te zien en nieuwe therapieën, die ze net in het laboratorium bedacht hadden, uit te proberen. Dan hield je als dokter je laboratoriumjas gewoon aan, als je iets in het ziekenhuis te doen had, om na gedane zaken weer snel in het laboratorium terug te keren.
Klopt dit verhaal? Mij staat bij dat ik het uit een tijdschrift voor de geschiedenis van de geneeskunde heb. Het idee van oppassen dat je niet vol bloed- of andere spatten van de patiënt komt, is kennelijk fout. Wetenschap, uiteraard in het laboratorium, dat is wat de dokter echt bezig zou moeten houden en die past hij of zij stante pede bij zijn ziekenhuispatiënten toe.

Op woensdagmorgen haal ik eerst mijn colbertje (“chaqueta”, “americana”) op dat ik bij de chemische wasserij bij mij om de hoek had afgegeven voor een “dry cleaning” beurt. Dan wandel ik naar de “mercado central”, omdat mijn laatste pak koffie alweer half op is. Voor de ingang staan allerlei oudere mannen (zoals ik) met elkaar te kletsen. Is dat niet wat in Maastricht ook gebeurde voor de ingang van V&D (of wat daar nog van over is)? Waar kunnen ze nu terecht?
Bij mijn koffieman, beneden op de overdekte markt in de tweede rij rechts,bestel ik drie kwart kilo’s Kenia en drie kwart kilo’s Colombia. Een pak van zijn duurste koffie, vers gemalen en wel, kost tegenwoordig 1,90 euro. Ik vrees dat je er bij Blanche Dael het dubbele of nog meer voor betaalt. Over de prijs van een groot pak ingevroren tuinbonen, dat ik daarna opdoe bij een viszaak, zal ik het maar niet hebben. Voor twee ons van de lekkerste gekookte ham plus twee smeerbare chorizoworstjes betaal ik bij een kruidenier hier in totaal 2,75 euro. Eerlijk, de mensen worden voor hun werk slechter betaald dan in Nederland, maar als je de dagelijkse boodschappen voor de halve prijs krijgt, lijkt me dat niet heel onoverkomelijk. Een liter benzine, loodvrij 95, kost hier nu 85 cent en bij Carlos bij mij beneden, hartje centrum en autovrij, wordt mij een halve liter bier op tafel gezet voor2,50 euro. Zo lang als je maar niet toegeeft aan de peperdure aankoop van (buitenlandse) spullen bij bijv. El Corte Inglés, is het hier goed toeven.
Het enige minpunt in Las Palmas op dit moment is het weer. Dat niet de hele dag de zon schijnt, daar maal ik niet om, maar dat het nu aan de boulevard behoorlijk waait, dat is andere koek. Daarbij hebben wij, Palmezen, al weer enkele dagen met een aantal minibuitjes van doen, die – dat weer wel – per stuk niet langer dan vijf of tien minuten duren. Er wordt de laatste dagen wat afgekletst onder diverse overkappingen, waar de mensen dan even schuilen.Gisteren draaide ik ’s ochtends een was en hing hem daarna te drogen op mijn binnenplat. Van eventuele regenbuitjes trok ik me niets aan. Toen ik hem ’s avonds binnen wou halen, waren enkele handdoeken en onderbroeken helaas nog een beetje vochtig; die moest ik nog een nachtje laten betijen.
Aan de andere kant, wat moeten mensen zoals ik met een elektrische wasdroger, als je de was gewoon buiten of in de kelder te drogen kan hangen? Meer algemeen: wees blij dat je niet aan al dat nieuwerwetse gedoe mee hoeft te doen. Sommige van deuitgebreide serie “modernidades” van nu zou ik, als ik de baas van Nederland was, acuut in de ban doen.

Is er een verschil “intussen” en “ondertussen”? Vaag staat mij bij dat het ene woord meer in het zuiden van Nederland gangbaar is en het andere vooral “boven de Moerdijk”. Nu ik er nog eens bij mezelf over nadenk, kan ik enig onderscheid niet bespeuren. Aan het blad “Onze Taal” zou ik bovendien willen vragen: bestaat er ook zo iets als “uittussen” en “” boventussen”?
Ik heb er nog zo eentje die even melig is, maar ik kamp daar toch maar mee. Als min of meer stopwoordje, tussenvoegsel, is de Nederlandse taal verrijkt met de woordjes “er” en “daar”. “Daar” is geloof ik iets pregnanter dan “er”, maar verder kan ik weinig onderscheid ontdekken. En nou komt het: ergens staat mij bij dat, als je “er” plus een voorzetsel gebruikt, je het als twee woorden moet schrijven, terwijl het met “daar” één woord moet zijn.Wie bedenkt die flauwekul?
“Wat vind je er van? Daarvan weet ik weinig. Het hangt er vanaf. Hoe zo, daarvan af?”

Op de woensdagavond zie ik een opschrift van een T-shirt dat ik met jullie wil delen (ook al zo’n verkeerde zin). Ik zie het op de borstplaat (?) van een jongedame, als ik naar mijn bibliotheekje loop om mijn mail te bekijken, wie weet zelfs te beantwoorden. Het is in het Engels, maar ik doe maar eens alsof. Jullie krijgen hem in het Spaans: CALMATE Y COME UN PLÁTANO. In vertaling is het: blijf kalm en eet een banaan.
Terzijde, in Spanje en bij ons is een banaan dus geen “banana”, wel meestal in Latijns Amerika en in het Engels ook in de rest van Amerika, bijv. in de “Banana boat song” van Harry Belafonte (Day-O). Hier in Las Palmas zou je de bananenbokser een “platanero” noemen of wie weet een “boxeador de plátanos”.

Jimmy LaFave is in mijn perceptie een van de betere Amerikaanse singer-songwriters. Als ik de Engelse wikipedia mag geloven, is de man, geboren in 1955, intussen goed voor negentien Cd’s, te beginnen met “Down under” in 1976 (maar uit Australië komt hij niet). Tot dusver heb ik er zes van hem: “Highway trance” uit 1993, “Cimmaron manifesto” uit 2007, “Depending on the distance” uit 2012, “Trail two” uit 2013 of 2014 en – het kan niet op – uit 2015 zowel “The night tribe” als “Trail four”. Ik denk dan: is “The night tribe”dan “Trail three”, maar daarin moet ik jullie toch teleurstellen. Er bestaat nog een Cd uit 2014, geheten ”Trail three”, maar die staat niet bij Centre Ceramique in de schappen. Vooruit, laat ik “Trail four” eens uit de kast halen om aan jullie te presenteren. Hier zijn de twaalf nummers:
01.Walking to New Orleans
02.When it starts torain
03.She belongsto me
04.Call me the breeze
05.I’ll rememberyou
06.Rocket in my pocket
07.Chimes of freedom
08.Route 66 revisited
09.Snowing on Raton
10.Hideaway girl
11.It takes a lot to laugh, a train to cry
12.Worn out American dream
De Cd heeft een behoorlijk Bob Dylan gehalte, Jimmy LaFave is niet te beroerd om nummers van anderen te spelen, naast zijn eigen composities. “She belongs to me” uit 1965, “I’ll remember you” uit 1985, “Chimes of freedom” uit 1964 en “It takes a lot to laugh, a train to cry” uit 1965, ze zijn alle vier van Bobby Zimmerman. Het nummer “Rocket in my pocket” is er oorspronkelijk een van Jim Lloyd (wie is dat nou weer?) uit de vijftiger jaren. Verder vind ik “When it starts to rain” en “Snowin on Raton” bovengemiddeld. Mijn eerste prijs gaat deze keer naar “Call me the Breeze”en vooral het gitaarwerk daarin. Wie was die man ook al weer, “The Breeze”, ik heb hem jullie pas geleden nog gememoreerd, toch? JJ Cale, uiteraard, ik liet onlangs een prima ode aan hem van Eric Clapton voorbij komen. Welnu, de versie van Jimmy LaFave van “Call me the Breeze” vind ik onder ons gezegd nog beter.
Jimmy LaFave is niet te beroerd om van “Trail four” een mooie Cd te maken. Hulde! Zal ik de overige Cd’s van de man, dertien stuks, ook maar eens proberen te bemachtigen, eventueel iemand als Rocky inzetten als belangeloos downloadend medium?

Kun je een brief eindigen met een Cd? Eigenlijk wist ik gisterenmiddag en –avond niet echt iets te bedenken om jullie bij de les te houden. En vanmorgen zat ik heerlijk (nou, ja) te lezen in mijn volgende boek, toen ik ineens dacht: laat ik vandaag al maar naar de universiteit gaan om mijn nieuwe brief te versturen, op de dag dat André Knottnerus zijn veertigjarig jubileum als ambtenaar viert (met Trudie in de gelederen). Wie weet, kan ik vanmiddag mijn huur aan Lluis eindelijk betalen en hem vragen of ik volgende winter nog welkom hier ben.
Ik bedenk intussen dat mijn 28ste brief in dat geval nog uit kan op 13 april, de dag voordat Trudie en Marij naar Las Palmas komen a.s. donderdag 14 april. Daarmee is deze brief wel een stuk minder omvangrijk dan mijn vorige. Het is meer een briefje dan een epistel. Dat is dan maar zo; hier moeten jullie het maar voor doen. Gedraag je het komende weekend en eet eens een bak aardbeien met slagroom weg. Zijn die er in Nederland nog niet? Hier wordt je er al tijden mee doodgegooid. Ik wens het iedereen, tot ziens, hastaluego, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

Laat ik jullie eens verrassen met mijn eerste boek. Dat is er een van Mart Smeets uit 2011 en het heet “Prettig verslaafd”. De bekende sportjournalist heeft al tientallen boeken op zijn naam staan, vooral compilaties van de stukken die hij voor diverse bladen schreef. Hij is in mijn ogen veel meer dan alleen het voormalige gezicht als radioverslaggever en van Studio Sport en andere sportprogramma’s op tv. Ik heb hem hier al eerder de maat genomen en hij kan m.i. best goed schrijven.
Dit boek bevat 32 stukken, uiteraard vooral iets met sporters. Maar of het nou over Amerikaans basketbal gaat – Smeets speelde heel lang geleden in het Nederlandse team - of over honkbal, hij houdt mij steeds opnieuw prima bij de les. Laat ik ook zijn serie columns (kolommen lijkt me een beter woord) noemen die over wielrennen, voetbal en tennis gaan, bijv. de wegwedstrijd voor de wielerprofs om de wereldtitel, een jaarlijks hoogtepunt voor hem. Of zijn afstandelijke kijk op sportjournalistiek, met als lichtend voorbeeld Bob Spaak. Dan wel zijn wel haast eeuwige hang naar Engelstalige muziek. De man moet thuis vele kasten vol met Cd’s hebben staan, een tweede Johan Derksen.
Eerlijk is eerlijk, jullie zouden in navolging van mij, toch eens een boek (of meer) van Mart Smeets, een man van mijn postuur,moeten lezen. Voor “Prettig verslaafd” heb ik als recensiecijfer zo maar een volle 8 over. Misschien moet ik in een winkel voor tweedehands boeken maar eens de complete rest van zijn oeuvre opkopen.

Boek 2 is er een dat ik afgelopen zomer op mijn verlanglijstje had staan. Bijna had ik het me al aangeschaft of als verjaardagscadeautje geaccepteerd, toen ik het als e-boek zo maar toegeworpen kreeg. “El amante japonés” van Isabel Allende las ik in Nederlandse vertaling: “De Japanse minnaar”. Het is van 2015 en speelt vooral in San Francisco.
Het is niet eenvoudig om een roman enigszins samen te vatten zonder te veel van de inhoud te verraden. Hoofdpersoon in het boek is niet de Japanse minnaar, maar zijn min of meer stiekeme vriendin Alma Mendel. Ze is Poolse, maar wordt vlak voor in dat land de Tweede Wereldoorlog een feit is, als kind naar haar oom en tante gestuurd,Isaac en Lillian Belasco, die in een landhuis (Sea Cliff) in San Francisco wonen. Ze neemt ook hun achternaam aan en raakt bevriend met vooral zoontje Nat(haniel) en het zoontje van de tuinman, Ishi(mei) Fukuda. Later begint ze, met tussenpozen, een amoureuze relatie met Ishi, net als diens vader iemand met “groene vingers”. Hun geheime liefde – een Japanner met blanke vrouw - duurt met enkele tussenpozen voort tot bijna haar dood, als ze naar bejaardencentrum Lark House (lark = leeuwerik) verkast.
En toch, als jonge vrouw trouwt Alma met Nat, haar dierbare neef. Ze blijft alle jaren ook bij hem, tot hij dertig jaar later overlijdt (aan aids). Nat is een bekende advocaat en homosexueel, maar schenkt Alma wel een zoon, Larry, en via die haar kleinzoon Seth. Alma wordt een bekende schilderes van met zijde beschilderde kleren. In Lark House komt Alma in contact komt met de 23-jarige Irina, een uit Moldavië overgekomen meisje, dat er sinds kort werkt en dat ook voor Alma gaat doen. Irina op haar beurt raakt bevriend met Seth en zo past alles weer in elkaar.Belangrijke bijfiguren in het verhaal zijn o.a. de nu bejaarde dokter Cathy Hope en tandarts Lenny Beal, en, aanvankelijk veel jonger, bijv. Ishi’s zus Megami met haar niet-Japanse vriend Boyd en Alma’s broer Samuel.
Als zijstap vertelt het boek over de uiterst trieste omstandigheden, waarin de Japanners in Californië zich moeten schikken na de Japanse aanval op Pearl Harbour in de Tweede Wereldoorlog. Ze belanden voor jaren in een soort van concentratiekamp in Utah. En weet iemand van jullie waar precies Moldavië ligt en hoe de hoofdstad van dit voormalige stukje U.S.S.R. heet? Het zit min of meer ingeklemd tussen Roemenië in het westen en Oekraïne in het oosten, telt een dikke vier miljoen inwoners en de hoofdstad is Chisinau.
Dan is hier mijn mening over het “El amantejaponés”. Laat ik beginnen met te vermelden dat Isabel Allende’s taalgebruik heel beeldend is. Ik wil ook de vertaler naar het Nederlands, Henk van den Heuvel, een pluim op zijn hoed steken.Daarbij is het verhaal is best de moeite van het vertellen waard. Ik heb echter één bezwaar. Het boek begint met Alma in het bejaardenhuis, waarom niet, maar daarna zou ik gewoon over haar jeugd vertellen en van daaruit langzaam steeds dichter naar het heden toegaan om te eindigen met haar dood. In “El amante japonés” en dus ook in de vertaling staan de verschillende leeftijdsperiodes kriskras door elkaar heen beschreven en daar heb ik een beetje moeite mee. Word ik een oude zeurpiet? Om die reden komt dit boek toch net niet in mijn kast met geweldige boeken, maar volsta ik met een 7½, vooruit een 8- als recensiecijfer.

maandag 4 april 2016

Weblogbrief 11.26, 4 april 2016

Weblogbrief 11.26, 4 april 2016

“¡Qué bonita!” zei een vrouw naast me tegen haar dochtertje aan Las Canteras. Ze wees op de zeelucht achter haar, om kwart voor 9 ’s avonds. Het was nog net niet donker en tegen een ondergrond van de zee was de lucht echt donkerblauw aan het worden, wel met nog enkele nu donkere wolken er in. Het kind vond de lucht een stuk minder geslaagd, bezig als het was met haar nieuwe speeltje, twee grote ringen aan een ijzer plus een rondje met zijwieltjes. Hoewel ik niet veel op heb met taferelen van Hollandse meesters uit de negentiende eeuw, zeker niet de zeegezichten, kan ik het plaatje van de moeder best wel waarderen. Maar is het nou “qué bonita” of “qué bonito”?

Deze week begin ik maar eens met muziek, op de maandagavond al. In 1963 verscheen een aparte plaat, later ook als Cd uitgebracht, van een folk-groep genaamd The Big 3. De drie artiesten waren ene Jim Hendricks, nooit van gehoord, Tim Rose, die ken ik, en Mama Cass Elliot, een paar later al het boegbeeld van The Mamas & The Papas, met ook John Philips, maar toen wel al behoorlijk dik. Op mijn externe schijf staat de plaat van The Big 3 genoteerd als “1963 - feat. MCE, TR & JH”, ik kort de drie namen nu maar even af om niet in herhaling te vervallen. Ze bevat 57 minuten folk, bijna een uur, verspreid over 21 nummers, dat zijn er veel meer dan op een Lp. Zijn er later op de Cd allerlei nummers toegevoegd? Ik sla niks over, hier zijn ze allemaal:
01.I may be right
02.Anna Fia (Feher)
03.Tony & Della
04.Grandfather’s clock
05.Silkie
06.Ringo
07.Down in the valley
08.Wild women
09.All the pretty little horses
10.Glory, glory
11.Come away Melinda
12.Young girl’s lament
13.Banjo song
14.Winken blinken and nod
15.Ho honey oh
16.Nora’s dove (Dink’s song)
17.Come along
18.Rider
19.It makes a long time man feel bad
20.Sing hallelujah
21.Dark as a dungeon
Ik heb de Cd gekregen van Peter, die mij bij hem thuis in Smeermaas uiteraard als eerste de Banjo Song opzet, in de hoop en verwachting dat ik daar Venus van Shocking Blue, het latere nummer van Robbie van Leeuwen uit 1969, in herken. Dat klopt, maar in alle eerlijkheid kun je voor veel muzieknummers wel een eerder nummer bedenken dat er op lijkt. Het hoeft nog niet direct je reinste plagiaat te betekenen. Het kan ook toeval zijn plus een beetje van wat de maker van de nieuwe melodie ergens in zijn achterhoofd verstopt heeft zitten. Daarbij – dat weet Peter ook – is de “Banjo Song“ geïnspireerd op een negentiende eeuw nummer van Stephen Foster, genaamd “Oh Susanna”. Hier is een stukje: “Banjo song”: Oh Susanna, don’t you cry for me, ‘cause I‘m going to Louisiasa with a b.a.n.j.o on my knee”. Hoe het ook zij, Robbie van Leeuwen heeft er een villa aan overgehouden.
Ik vind intussen ook dat The Big 3 best aardige folkmuziek ten gehore brengen. Jullie kennen wellicht nog van vroeger het Kingston Trio, Peter, Paul & Mary en de Rooftop Singers, om eens drie andere triootjes te noemen. Dit is er dus ook zo een en best de moeite waard. En voordat jullie aankomen met “die oude volksmuziek, dat is niks voor mij”, luister eens naar “Silkie”, “Wild women”, “Come away, Melinda” en/of “Winken blinken and nod”. En natuurlijk naar de “Banjo song”. Best aardig, toch?

Weten jullie wat “ELA” is? Dat is de Spaanse afkorting van Esclerosis Lateral Amiotrofica, in goed Nederlands ALS. Bij de bushalte waar ik gistermiddag stond te wachten op lijn 12 naar het zuiden, las ik een heel verhaal over ELA. De kop luidde: CONDENADOS A MUERTE, veroordeeld om dood te gaan, met daaronder een foto van twee jonge mensen in de bloei van hun leven. De onderkop luidde: INVESTIGACIÓN = SOLUCIÓN, onderzoek geeft de oplossing. Er volgde een stuk tekst, dat ik hier niet ga vertalen: “4000 Personas condenados a muerte en España por una enfermedad degenerativa, incurable y mortal, 900 nuevos casos cada año. Sola la investigación puede salvarlos.” .
Horen jullie het eens van een ander. Er staat geen gironummer bij de aankondiging, maar dat zal er ongetwijfeld komen, als deel 2 van de bede om onderzoeksgeld op het gebied van ALS verschijnt.
In dezelfde sector heb ik er nog een die ik een stuk minder geslaagd vind. Ik zie tegen de achtergrond van een rood vlak een winkelwagentje waarin een kind gestopt wordt. Voor details, ongetwijfeld om geld uit onze zakken te halen, word ik verwezen naar www.adoptauntio.es. Tio is het Spaanse woord voor “oom” en in het dagelijkse leven ook voor kind of tiener. Kennelijk wordt mij gevraagd een kind te adopteren, ik neem aan uit een arm land, en waarschijnlijk gaat het hier bovendien niet om een eenmalige bijdrage voor een “goed doel”, welk eigenlijk, maar (zoals bijv. bij Unicef) over een geregelde bijdrage.
Los daarvan, als ik iets bijzonders zie op mijn weg naar de faculteit, dus nog voordat ik mijn brief aan jullie post, moet het dan nog in die brief mee of mag het wachten tot mijn volgende brief. Geldt dat ook voor een boek dat ik net uit heb, voordat ik naar de faculteit ga? Ik weet het: het is niet echt belangrijk, maar iemand als ik, met mijn regeltjes, zit er mooi mee.

Bij de grote bibliotheek in het lage gebouw tegenover de “aulario” van de gezondheidsfaculteit in Las Palmas Zuid staat buiten een grote bus, waarin je je eerder geleende boeken kwijt kunt. Devolución de libros en prestamo. Er staat zelfs een tijdsaanduiding bij: de lunes a viernes: 8.30 h. y 19.30 h. Wie zijn geleende boek op vrijdagavond na half 8 in de bus doet, kan pas op maandagmorgen zien of het op tijd is terugbezorgd. Het doet me denken aan de grote brievenbus bij de ingang van Centre Ceramique in Maastricht. Ook daar hebben we sinds een paar jaar geloof ik een terugbreng-brievenbus, best een idee.

Op de terugweg naar het noorden van de stad zie ik bij de gebouwen van het gerechtsgebouw in het water een grote ronde toren van zeg vijf meter hoog. Ik heb hem niet eerder genoemd, dus doe ik dat maar eens bij dezen. Waar zou hij voor geweest zijn? Lag er vroeger een kasteeltje in de zee of –waarschijnlijker – lag het land daar ietsje verder naar de zee toe? Dat zijn nou futiliteiten waar deze jongen zijn hoofd over kan breken. In Maastricht zou ik het al lang hebben opgezocht of aan iemand van de VVV of een deskundige hebben gevraagd.

Ik had in mijn vorige brief natuurlijk een paar woorden (of meer) aan de dood van Johan Cruyff moeten wijden. Alleen, ik had eerder wel vaag iets gehoord, maar zeker niet het naadje van de kous. Ik neem aan dat hij de afgelopen (witte) donderdag overleden is in verband met zijn longkanker. De avond er voor had ik uitgebreid op de computer van het bibliotheekje aan Las Canteras zitten werken en vond na afloop dat ik de dagen er op rust verdiende. Daar kwam bij dat hier, zeker vanaf donderdagmiddag, bijna alle overheidsgebouwen, waaronder de bibliotheken, dicht waren tot maandag.
Gisteren, op onze paasmaandag, was alles weer zoals vanouds en zag ik eerst een bericht er over op de computer in het nieuwe faculteitsgebouw en later werd me een en ander nog eens breed uitgemeten in het krantje van Barcelona, die ik in het bibliotheekje bij het Castillo de la Luz inkeek.
Dood gaan we allemaal en de een wat eerder dan de ander. Cruyff is van 1947, een jaar eerder dan ik, en zijn tijd van verscheiden is kennelijk nu al gekomen. Het is niet anders. Een markante figuur vond ik hem wel, vooral uiteraard als voetballer. Ik zag hem al in 1964 bij Ajax spelen in de (Watergraafs)Meer, waar ik toen vlakbij woonde, in de Linnaeusstraat. Gemakkelijk was hij bepaald niet, maar hoort dat niet een beetje bij echte kopstukken. Voor zijn idee dat het trainerschap vooral een bezigheid moet zijn van goede ex-voetballers, heb ik trouwens ook best bewondering (voor zover ik überhaupt in de bijdrage van de trainer geloof).

Dinsdagavond ga ik naar El Corte Inglés om een boekje over Tenerife te kopen. Vooral naar Santa Cruz de Tenerife gaat mijn belangstelling uit, maar ik wil ook best (weer) eens leren hoe bijv. La Laguna nou ligt ten opzichte van Santa Cruz. Ik ben één keer eerder in Santa Cruz geweest, een dagje tijdens een vakantie in Puerto de la Cruz, heel lang geleden. Laat ik nu ook eens kijken of ik daar nog iets van onthouden heb. Ik weet in elk geval nog dat de stad enigszins bergop loopt, vanaf de haven. Een recent plattegrondje van de stad is mij zeker ook welkom, dan hoef ik er niet naar te gaan zoeken, als ik er eenmaal ben.
Dames en heren, a.s. vrijdag ga ik het weekend bij Noé op bezoek en ik wil uiteraard enigszins beslagen ten ijs komen. We zien elkaar overigens pas vanaf vrijdagavond. Ik logeer ook bij hem, maar ik neem de bus en de boot al in de vroege middag, dan heb ik tijd om eerst eens in mijn eentje door het centrum te struinen.
Over zijn werkelijke bezoek aan hem, met ook nog “el clasico” Barcelona tegen Real Madrid op zaterdagavond, die we in een café zullen aanschouwen, ga ik jullie verder op in deze brief tot in detail informeren. Uiteraard doe ik dat pas op zondagavond of maandagmorgen. Laat ik hier, op de dinsdagavond, alvast vertellen dat ik de trotse bezitter ben van het boekje “CITYPACK Las mejores experiencias” van TENERIFE y La Gomera, INCLUYE MAPA DESPLEGABLE”. Dat “desplegable” heb ik thuis nog even opgezocht; het staat voor uitvouwbaar. Mijn gidsje ga ik de komende dagen alvast eens inkijken.

De mensen bedenken echt van alles om aan het werk te komen en te blijven. Op weg naar de Bijenkorf van Las Palmas kom ik langs een winkel in de Vientenueve de abril, die vrij nieuw moet zijn: SOS PIOJITOS. Dat SOS, eigenlijk S.O.S., verstaan jullie wel, maar wat zijn “piojitos (de cabeza)”? Welnu, we hebben het over hoofdluis. Hier is een “Centro de pediculosis” gevestigd, met “tratiamientos naturales y efectivos”, behandelingen die niet alleen natuurlijk zijn, maar nog effectief ook. “Y quitatelos de la cabeza”, en weg zijn ze van je hoofd. Hebben we het over de luizenkam en lotion pekelharing, waarmee de kinderen op school soms gekamd worden. roep ik dan. En toch, als werkloze moet je iets proberen om aan de slag te komen en wie weet, is dit een vondst. Ik hoop dat het iets wordt. De tijd zal het leren.

Op de late woensdagmiddag begint het te regenen, en niet zo’n beetje ook. Omdat een bui hier meestal van korte duur is, is even stil houden onder een luifel of in een portiek meestal voldoende. Het zijn dan tevens aardige plekken om een praatje voor de vaak te maken. Echter, deze keer is het ene buitje nog niet weg of het volgende komt er weer aan. Tussendoor zie ik wel een paar keer de zon eventjes aan de hemel verschijnen: ”kèrmis in de hèl”.
Om half 8 trek ik mijn stoute schoenen aan, als het net weer droog is, en maak een rondje. De winkel van mijn ferry naar Santa Cruz is al dicht, dus daar ga ik morgen maar heen voor mijn kaartje. Ik loop maar eens naar links, verder op langs de lege tent van de botsautootjes en de havenmarkt en beland nog even en alweer in het bibliotheekje daar. Zoals altijd sluit het om half 9 en mag ik weer huiswaarts. Ik ben net op tijd in de Luis Morote, als een nieuwe bui in alle hevigheid losbarst.
Op mijn balkon – loggia, want mijn balkon is overdekt - is het echter aangenaam zitten. Terwijl het nu buiten uitgestorven is - geen mens is meer te bekennen - vraag ik me af wat mijn volgende muziek zal zijn.

Het is donderdagmorgen als ik het zeker weet. Harry heeft op zijn website (www.harryknipschild.nl) onlangs een heel mooi stuk geschreven over Woody Guthrie, de man van het onvergetelijke “This land is your land”, uit 1944, 1945. De oorspronkelijke tekst staat zelfs bij Harry’s artikel netjes afgedrukt. In de laatste decennia van zijn leven werd Woody Guthrie geplaagd werd door een erfelijke ziekte, die hij onder de k=leden bleek te hebben. Ik heb het over de chorea van Huntington, die vooral gekenmerkt door aanvallen van hevige onwillekeurige spiertrekkingen, naast allerlei ander euvel. Meestal komen de echte aanvallen pas voor het eerst op middelbare leeftijd, maar daarna is het in toenemende mate afzien tot je er aan dood gaat, bijv. door een longontsteking. Woody had de ziekte geërfd van zijn moeder, die er net als hij aan is gestorven.

Uit Harry’s artikel begrijp ik dat er vlak na de dood van Woody Guthrie een concert ter ere van hem is gegeven, in 1968?, waaraan allerlei bekende mensen meededen. Er is toen ook een plaat van verschenen: “A tribute to Woody Guthrie”, met uiteraard Woody’s zoon Arlo, maar ook de nodige andere muzikanten zoals zijn fan Bob Dylan, Joan Baez, Judy Collins, Odetta, Pete Seeger, Rambling Jack Elliot, Richie Havens en Tom Paxton. Hoe ik precies aan de plaat kom, weet ik niet meer – is het een van de onvolledige pareltjes van Rocky? – maar mooi blijft-ie, die ode aan een van de pioniers van de hedendaagse muziek. Ik heb de nummers maar eens in mijn eigen volgorde gezet, op voornaam van de artiest, en de paar verhaaltjes tussen door heb ik weggelaten. Hier zijn alle veertien nummers op mijn externe schijf:
01.Do re mi
` Arlo Guthrie
02.Jesus Christ
03.Oklahoma hills
04.Dear Mrs. Roosevelt
Bob Dylan
05.The grand Coulee dam
06.I ain’t got no home
07.Hobo’s lullaby
Joan Baez
08.Roll on Columbia
Judy Collins
09.Union maid
Judy Collins & Pete Seeger
10.Ramblin’ ‘round your city
Odetta
11.1913 Massacre
Ramblin’ Jack Elliott
12.Jailhammer John
Richie Havens & Pete Seeger
13.Biggest thing man has ever done
Tom Paxton
14.This land is your land
Arlo Guthrie, Odetta & Co.
Met alle haperingen, ook op mijn incomplete plaat, blijft het een prima verzameling van nummers van een Amerikaanse singer-songwriter avant la lettre.

Later op de donderdagochtend ga ik bij Fred. Olsen (met een punt achter Fred) mijn kaartje kopen voor de reis heen en terug naar Santa Cruz. In de wachtruimte staat dat de bus van Las Palmas naar Agaete in het westen van Gran Canaria gratis is. Dat is natuurlijk onzin. De prijs van die rit zit gewoon in de totaalprijs inbegrepen, 78 euro voor mijn “billette de ida y vuelto”, retourtje. Ik vertrek op vrijdagmorgen om 12 uur op Santa Catalina en heb de ferry boot van Agaete naar Santa Cruz om 1 uur. Op zondagavond om ongeveer 8 uur ben ik weer terug op Santa Catalina, als alles loopt zoals gepland.

Bij mij beneden was een winkel waar je telefoons, zonnebrillen en dergelijke kon kopen. Met de eigenaar, een man uit India, maakte ik wel eens een praatje. Nu zit hij ietsje verder op in de straat, waar hij minder huur hoeft op te hoesten en ook nog iets meer ruimte heeft.
De winkel stond vervolgens maanden lang leeg, tot afgelopen woensdagmorgen. Toen begon ineens een aantal bouwvakkers er druk te breken, te metselen, te timmeren, te boren en wat die mensen zo al plegen te doen. Etel had het er maar moeilijk mee, met alle “stöb” van het boren. Ze gebruikte daarvoor een Argentijns woord dat ik niet ken, maar mijn “polvo” keurde ze ook goed. “Polvo eres y en polvo te convertirás”, die zin laat ik onvertaald.
Op donderdag wordt het alleen maar erger. Hoewel ik nu de ramen aan de achterkant potdicht houd, ligt nu toch al de nodige ongerechtigheid op mijn “baldosas”, vloertegels, zowel in de badkamer als in de keuken. Heb ik mijn ramen daar te laat potdicht gedaan? Misschien moet ik toch nog een keer met een zwabber er overheen gaan.

Dan is het vrijdag en mag ik me opmaken voor een weekendje Santa Cruz en La Laguna. Ik ben ruim op tijd bij mijn bus op Santa Catalina. De chauffeur staat bij de instap moeilijk te doen. Het kost per persoon aardig wat tijd om in de bus gelaten te worden, ook bij mij. Mijn identiteitskaart wordt regel voor regel bestudeerd, gaat ook door een sleuf, maar uiteindelijk mag ik er in, met mijn kaartje en id.-kaart. De bus is maar half vol en gaat over het noorden via Galdár. Een heel stuk zie ik de zee, maar dan mag ik toch door een paar tunnels om na precies veertig minuten aan te komen in de Puerto de las Nieves van Agaete in het westen. Het bord naar de Dedo de Dios is er nog steeds.
Dan mag ik de Fred. Olson ferry express op, een catamaran, voor wie iets met boten heeft. Er kunnen 717 passagiers op. Alweer worden mij eerst de levieten gelezen, voordat ik mag plaatsnemen. Nadrukkelijk wordt ons gedurende de hele overtocht naar Santa Cruz verteld dat we maar het beste kunnen blijven zitten, als we niet ziek willen worden. Ik krijg ook een uitgebreide veiligheidsinstructie in het Spaans en Engels op een tv-schermpje. De boot schommelt behoorlijk onderweg en de rit duurt niet de gangbare een uur en een kwartier, maar een half uur langer. Zo waar voel ik me zelfs een beetje misselijk worden, zonder dat ik overigens mijn kotszakje hoef te pakken. (Het pleit wel tegen een cruise door de Cariben, die ik eigenlijk nog eens wil doen.)
Als ik om kwart voor 3 in Santa Cruz op de kade sta, weet ik al uit mijn boekje van Tenerife dat ik naar links moet. Misschien 150 meter verder zie ik de bekende plaza d ’España. Daar staan overigens heel veel grote banken bij de immense vijver. Ik kijk er naar het monument voor de gevallenen, neem een rustpauze en loop dan door naar de Iglesias de la Concepción en het bijbehorende plein met zijstraten. Dan doe ik mijn culturele daad van het weekend: ik ga naar het Museo de la Naturaleza y el Hombre. Het is twee musea in één en nog gratis ook, blijkt. De mummies van de guanches laat ik schieten - een mens kan niet alles – maar ik doe echt mijn best om de oorsprong van de Canarische eilanden en de flora en fauna nou eens definitief te doorgronden. Ik krijg een aantal prima filmpjes voorgeschoteld plus het nodige echte materiaal. Jullie weten toch wel dat de eilanden “gewoon” ondergrondse vulkaanuitbarstingen zijn die tot boven het zeeniveau uitkomen. De lava daar droogt op en wordt de plek waarop van alles gaat groeien en bloeien. We hebben het dan wel over 20,5 miljoen jaar terug, als allereerst Lanzarote en Fuerteventura ontstaan en daarna de andere eilanden.

Na mijn museumbezoek doe ik wat iedere beginnende toerist van Santa Cruz doet. Ik loop naar de plaza de la Candelaria, tegen de plaza d’España aan, en dan omhoog door winkelstraat (calle de) Castillo en parallelle straten die ik eigenlijk verteerbaarder vind. Mijn idee om de Iglesia de San Franciso eventjes van binnen te bekijken strandt, omdat daar net een mis voor een trouwpartij op beginnen staat. De bruid gaat voor mijn neus aan de hand van haar vader de kerk in, waar bruidegom, familie en vrienden al gereed zitten (of staan?).
Er is zo veel meer te zien in het centrum en bovendien is het in de zijstraten en langs de kust vergeven van de terrassen. Ik loop behoorlijk omhoog tot aan de plaza de Weyler en daal dan weer af langs een andere route. Bij de McDonald’s – ik heb iets met die winkelketen - neem ik een smoothie die ik op een bank opeet/drink. Dan is het wachten tot bijna 9 uur, als ik Noé bel op mijn mobiel. We kloppen even later omstandig op elkaars schouders bij het Mariabeeldje op de plaza de la Candelaria.
Ik laat me door hem mee terugvoeren in de richting van de plaza de la Iglesia (de la Concepción), waar we een mooi eetplekje vinden in restaurant La Concepción (hoe komen ze er op). Op mijn verzoek gaan we voor de uitgebreide tapas die we eerlijk delen: eerst kaas uit La Gomera met pikante rode mojo, dan kabeljauw met Teneriefse kleine aardappeltjes met een groene (zachte) mojo, daarop dunne varkensbiefstuk en ten slotte kaastaart met karamelpudding. We drinken er bier bij, Noé ook wijn en erna (koffie met) whiskey en ik barraquito.
Wat is een barraquito? Als Noé gelijk heeft, is de drank uitgevonden in een café uit de buurt waar hij als jongen woonde: Bar Imperial. (We komen er even later met de taxi langs.) De bijnaam van de baas van de zaak was verraquito, mannetjesvarkentje (van verraco, maar met ito op het eind), wat verworden is tot barraquito. Het is koffie met gewone en gecondenseerde melk, een scheutje 43 likeur, een schilletje citroen en er bovenop kaneel.
Als we bij Noé thuis zijn, na een korte taxirit, val ik nagenoeg direct in een diepe slaap.

Dan is nu de zaterdag aan de beurt, de dag dat ik vooral de omgeving te zien krijg. Allereerst gaat het met Noé’s autootje naar La Laguna, de derde stad van de Canarische eilanden (of is dat Telde) met 50.000 inwoners. Het centrum van La laguna is Vegueta (in Las Palmas) in het zeer groot, het heeft een en al pracht en praal, het ene na het ander huis in de stijl van zeg 1500, met ook de nodige houten balkons. Aardigheidje: in een dichtgetimmerd laag huis in een zijstraat staat het dak vol met “verodes”, groene planten die maar weinig aarde en wel veel water nodig hebben. La Laguna is een heel vochtige stad, waar het zeker ’s avonds best koud kan zijn, hoewel die op maar tien kilometer of zo dan Santa Cruz ligt, wel meer in het binnenland. De kathedraal kan ik niet voorbijlopen zonder een snel kijkje binnen te nemen, maar wat valt hij tegen. Voor wie dat interesseert, in een van de winkels koop ik met hulp van Noé een MP3-spelertje met acht gigabyte geheugen (voor veertig euro). Thuis zet Noé er later alvast een gigabyte muziek voor me op, o.a. Jeff Buckley, Al Green en George Benson. Heb ik tenminste wat muziek om naar te luisteren op de boot terug.
Na La Laguna gaat ons uitje langs de noordkust naar lavastadje Garrachico, dat in de zeventiende eeuw kennelijk een hele hoop lava naar beneden zag komen. Het kleine centrum is alweer Vegueta. Noé vertelt me dat het centrum van diverse grote steden in Zuid-Amerikaanse landen zoals in Equador, Columbia en Uruguay een kopie is van wat rond 1500 hier de mode was. Aan de kust in Garrachico zijn er nu allerlei watertjes, met gestolde lava er omheen, in open verbinding met de zee. We drinken iets op het lavaterras en gaan dan op zoek naar een wijnplantage ergens in de rimboe. Bij El Cubano is het volgens Noé te doen en daar koop ik drie liter rode wijn van het huis. We eten er ook de producten uit de buurt: eerst verse witte kaas, dan gofio escaldado, een prutje met uien en varkensvlees, vervolgens (verrukkelijk) varkensvlees van het spit met frieten en ten slotte huevos al estampido, een soort spiegeleieren op frieten met chorizosaus. We kunnen na afloop allebei geen pap meer zeggen.
Mede daardoor wordt het hierna geplande uitstapje naar Puerto de la Cruz niet meer dan een kort rondje door de straten en dan op het plein achter een grote cola zero zitten. Van mijn eerdere reis naar dit stadje in 2000 of zo kan ik mij weinig meer herinneren. In ieder geval lijkt het stadje nu wel een heel stuk groter, maar dat kan best ook komen, omdat ik het destijds erg rustig hield. Het uitgebreide zwembad aan de zee, waar ik destijds nog eens “pollefer” verbrand ben, slaan we nu over, want we willen wel op tijd terug zijn in La Laguna voor “el clasico”, de voetbalwedstrijd tussen Barcelona en Real Madrid.

Terwijl de wedstrijd om half 8 begint, zitten de bekende café’s in het centrum van La Laguna om 10 voor 7 uur al mutje vol (misschien ook omdat de mensen UD Las Palmas willen zien winnen tegen Valencia, 2-1). Met enig geluk vinden we in een zijstraat nog een zaak, waar we goed terecht kunnen en ook nog Noé’s vrienden Agustino & Nereida van stoelen kunnen voorzien (die sinds twee weken op Tenerife wonen, in verband met zijn tijdelijke baan als leraar wiskunde). De wedstrijd valt van Barcelona-kant heel knap tegen. In het eerste kwart speelt de club uit Catalonië goed, wel weer met de zoveelste misser van Suárez, maar daarna zien we Real steeds meer overwicht krijgen. (Het blijkt overigens dat bijna het hele café fan van Real is; wij zijn bijna de uitzondering.) In de tweede helft maakt Piqué met een kopbal uit een corner 1-0 in minuut 55, maar vlak erop haalt Benzema vreselijk uit: 1-1. Dan is het, met uitzondering van nog een prachtige doelpoging van Messi, vooral Real dat de klok slaat, keer op keer. Bale maakt in minuut 80 of zo 1-2, maar om mij onbegrijpelijke reden wordt het doelpunt afgekeurd. Even later is het voor Real toch raak door een mooie schuiver van Cristiano Ronaldo. Het complete stadium en bijna het hele café ziet hem glimmen van trots dat het hem toch maar weer gelukt is. M.i. wint Real Madrid de wedstrijd volkomen terecht. Het lijkt wel of de spelers van Barcelona op het einde doodmoe zijn of in ieder geval te lui om te lopen, te beroerd om mee te verdedigen.
Na de wedstrijd op straat blijkt het in La Laguna nu echt koud te zijn, ik denk niet meer dan tien graden. Ik hoef niet meer naar de disco of zo; Noé mag me naar Santa Cruz en naar zijn huis rijden. Als ik mijn ogen thuis dicht doe, gaat hij in Santa Cruz “nog even” op stap. Zondagmorgen laat vertelt hij mij dat hij om ongeveer 4 uur thuis gekomen is.

Voor wie van jullie er nog geen genoeg van gekregen heeft: nu komt de zondag nog. Of is het eerst tijd voor een intermezzo? Hoe heten de bewoners van de verschillende Canarische eilanden? Daar gaan we, van Lanzarote tot El Hierro: Conejos, Majoreros, Canariones, Tinerfeños, Gomeros, Palmeros en ten slotte Herreños. Die van het achtste eilandje zijn Los Grazioneros voor wie weet waar dat ligt. De inwoners van hoofdstad Santa Cruz van Tenerife heten Chicharreros, willen ook graag zo genoemd worden naar de vis die hier zwemt (chicharro) en die van de stad Las Palmas zijn Palmenses (maar niemand gebruikt dat woord).
De woning van Noé is overigens aan de rand van de stad, in de rijke buurt. Ze ziet er, op één hoog, prima uit, met één grote slaapkamer (en een groot bankbed in de woonkamer, voor als dat zoals nu nodig is). De royale woonkamer heeft ook een computerhoek, er is een grote keuken en washok, een badkamer, twee wc’s en wat mij zeer bevalt: twee echt grote balkons. Als ik zondagmorgen om ongeveer 9 uur naar de wc geweest ben, mijn pillen heb genomen, gedoucht heb en ook nog mijn tanden gepoetst, zit ik op het royale hoekbalkon een paar uur te lezen, voordat Noé zijn gezicht laat zien.

En dan ben ik nu toe aan mijn laatste etappe van mijn uitstapje naar Santa Cruz. Om ongeveer 12 uur gaan Noé en ik te voet omlaag richting centrum. De eerste stop vlakbij is het parque Garcia Sanabria. Daar is het goed toeven op een bank bij de fontein van de bevruchting met een standbeeld van een vrouw met grote borsten (la tetera), bij de in Zwitserland gemaakte bloemenklok en op het terras beneden. We nemen ook een kijkje bij de eendenvijvertje in de buurt (de eenden zijn weg) met stenen banken er omheen, gebouwd zoals een soortgelijke vijver uit Sevilla. Dan is de plaza de Weyler aan de beurt, met zijn grote fontein, bovenaan o.a. de calle de Castillo. Iets verder omlaag rechts van de winkelstraat mag ik van Noé een heel verhaal aanhoren over hoe de lokale generaal Gutierrez en zijn boeren-soldaten toch maar mooi generaal Nelson en zijn soldaten ervan weerhouden hebben om Santa Cruz en de verdere Canarische eilanden in de achttiende eeuw voor Engeland te veroveren. Op de dag dat de Engelse schepen in Santa Cruz en omgeving aankwamen, was het gloeiend heet en de Canarische soldaten kregen in tegenstelling tot de Engelsen voortdurend water aangereikt van dames, met een groot blik water op hun hoofd, de “aguadores”. Het beeld van een aguadora – de trots van de stad - siert een pleintje. Nog weer verder naar beneden staat het theater, met een beeld van de schrijver naar wie het genoemd is: Angel Gormiera y Jorge en ook een aardig beeld van een gezicht.
Pas als de bezienswaardigheden zijn afgehandeld, mag ik met Noé de brug over de Serrador over naar de Mercado de Nuestra Señora de Africa en de (alleen op zondag) aanpalende rastro, markt voor tweedehands en andere spullen. Ik koop op de gewone markt, met Noé’s hulp, twee soorten pittige kaas: eentje uit La Palma en de andere uit Zuid-Tenerife. Eerder heb ik ook al een bakje kaas uit La Gomera met pikante mojo gescoord (zoals we vrijdagavond in La Concepción aten). Op de rommelmarkt is Noé vooral op tweedehands boeken uit en ik kijk vooral rond, met een oog gericht op de Cd’s. Iets van onze gading kunnen we allebei niet echt vinden.
Een bezoek aan het parque marítimo van César Manrique en het auditorio van Santiago Calatrava bewaren we voor eenvolgend bezoek. Noé wil met me naar Casa Nelson voor het middageten, maar het kleine zaakje zit al helemaal vol. Dus wordt het een hele rit bergop naar El Puntero, maar die zaak is niet open. Noé wordt er zeer nerveus van. We gaan nu weer helemaal omlaag tot bijna de plaza d’España, naar restaurant El Cambullon (de zwarte markt). Daar eten we eerst vissoep (met anijs), dan een kabeljouwsalade met papas Bonito (mini aardappeltjes) en tot slot frieten met secreto iberico (stukjes varkensvlees).
Om 4 uur brengt een taxi ons terug naar zijn huis. Noé controleert daar omstandig of mijn MP3-speler wel voldoende functioneert en pas daarna brengt hij mij met het autootje naar de catamaran van Fred. Olsen aan de haven. Ik bedank hem nog eens oprecht voor de goede zorgen en hij vertelt dat hij binnenkort misschien toch weer eens in Las Palmas komt kijken of anders misschien wel in Maastricht deze zomer. We nemen als geroutineerde vrienden afscheid van elkaar, met een handdruk. Op de boottocht terug om (even voor) 6 uur heb ik mijn koptelefoon op en constateer ik dat ik deze keer in veel rustiger vaarwater zit. De ferry schommelt niet en na één uur en tien minuten zet ik vaste voet op Gran Canaria. In de haven van Agaete staat mijn bus naar Las Palmas dan al klaar. Ze wordt deze keer helemaal volgestouwd met mensen, tot de laatste stoel toe. Ik heb een plekje helemaal achter in op de hoek, maar om 8 uur sta ik wel op Santa Catalina.
Einde verhaal van mijn trip naar Noé in Tenerife. Ik zag er vooraf een beetje tegen op - dat heb ik wel vaker - maar wat heb ik een heel mooi weekend gehad. Een echt uitje, voor herhaling vatbaar! Noé heeft me al verteld dat we volgende keer op Tenerife ook stukjes in het zuiden van het eiland gaan doen.

Op maandagmorgen in Las Palmas is het leven weer als vanouds. Ik werk deze brief verder af en ga me dan douchen. Om even over 12 zit ik aan tafel met mijn kaasjes en Wasa knåckebrød en daarna maak ik mij op om naar de universiteit te gaan. Mijn bijzondere aandacht gaat deze keer uit naar tweeling Susanne & Arno die morgen hun 39ste verjaardag mogen gaan vieren (maar dat voor de familie gisteren al gedaan hebben).
Wees gerust, queridos oyentes, de komende week ga ik niet naar Fuerteventura, Lanzarote of een ander eiland om daarover te brichten. Ik blijf keurig op mijn plek hier aan Las Canteras. Over wat ik daar mee ga maken vertel ik jullie in mijn volgende brief, op waarschijnlijk maandag 11 april. Voor nu: gedraag je in de nadagen van Pasen, laat je regenjas eens thuis en kijk uit naar beter weer. Het ga jullie goed, tot kijk maar weer, hasta luego, PaulX.

BOEKENBIJLAGE

Voordat ik hier mijn boeken van de week ga bespreken, vertel ik jullie maar weer eens wat de tophits van El Corte Inglés deze week. Dat van Mario Vargas Llosa (Cinco esquinas) had ik eerder al genoemd, maar wat vinden jullie van “Hombres buenos” van Arturo Pérez Reverte? Dat boek lijkt me er eentje dat ik best eens wil lezen, maar dan wel graag in het Nederlands.
Wat betreft de “libros negros”, detectives, thrillers, moordboeken of hoe jullie ze willen noemen, vertel ik jullie allereerst dat Ian Rankin’s nieuwste boek “El libro negro” heet; die titel ga ik hier niet voor de tweede keer vertalen. Verder zie ik verscheidene boeken van Philip Kerr vooraan op de tafels liggen, maar ik vraag me wel af of het echt nieuwe uitgaven zijn. Bij ons is Patricia Cornwell sinds een aantal jaren naar het tweede plan verschoven, waarom eigenlijk? Ik persoonlijk heb nog steeds een zwak voor haar Scarpetta-verhalen, met een lijkensnijdster, een pathologe als belangrijkste speurder. Hier in Las Palmas is haar nieuwste, getiteld “Polvo”, voor de vertaling zie boven, echt een boek met heel hoge verkoopcijfers. Als de kans zich voordoet, en het is in Nederland niet zo moeilijk, zal ik het zeker gaan lezen.

Mijn eerste boek dat ik nu helemaal uit heb, is een ander dan wat jullie van mij gewend zijn. Susanne en Peter uit Eindhoven verrasten me voor mijn verjaardag de afgelopen september met de autobiografie van Oliver Sachs. Zijn boek is van 2015, van vlak na zijn dood, en heet in het Engels “On the move. A life”. Susanne en Peter maakten het mij gemakkelijk door me de Nederlandse vertaling er van te bezorgen: “Onderweg”, wel met alle foto’s waarmee ook het Engelstalige boek verrijkt is. Ik heb de lezing van hun cadeau uitgesteld tot na carnaval. Toen heb ik het meegenomen naar Las Palmas en vooral de afgelopen maand heb ik het in beetjes gelezen. Ik had mezelf eerder toegezegd dat ik het vóór de verjaardag van Susanne (a.s. dinsdag) uit moest hebben en dat is me nog gelukt ook.
Oliver Sachs, vorig jaar overleden, is geboren in 1933 in een joods gezin in Londen. Zijn vader is huisarts en zijn moeder chirurg, hij heeft drie broers, van wie er een schizofreen is, en een heel aardige tante. Andere bijzonderheden over zijn privéleven zijn: hij is zijn hele leven lang erg verlegen, geremd, is een geregelde en goede zwemmer (zoals Susanne), heeft iets met in de natuur verkeren, rijdt graag en veel op een motor rond (Norton, BMW), doet in zijn jonge jaren heel actief aan body building, gewichtheffen en last but not least is hij homo. Met diverse dames kan hij het heel goed vinden, maar voor zijn seks en liefdes is hij op mannen aangewezen. Zijn eerste seksule contact met een man vindt overigens plaats in Amsterdam, in de jaren vijftig.
Na zijn jeugd in Londen gaat Oliver Sachs in 1960, op 27-jarige leeftijd, naar Canada en al vrij daarna naar de Verenigde Staten, vooral San Francisco trekt hem als jongeling erg aan. In 1965 verruilt hij die stad voor New York, waar hij vervolgens zijn leven lang woont, in de stad zelf dan wel vlakbij in City Island. Zijn brood verdient Oliver Sachs vooral als praktiserend neuroloog, o.a. in het Einstein in de Bronx, later uiteraard ook als schrijver. In de jaren zestig is hij overigens een aantal jaren zwaar verslaafd aan amfetamine, van 1963 tot 1967, maar hij experimenteert in die tijd ook met andere drugs, zoals LSD. En toch, ondanks zijn lange leven in Amerika blijft hij met genoegen een “inwonende vreemdeling”. Hij is trots op zijn permanente werkvergunning in de V.S., maar ook op zijn Brits paspoort. Hij reist veel, maar gaat ook geregeld op bezoek bij mensen in zijn geboorteland, o.a. zijn ouders.
Ik vermoed dat Oliver Sachs geen eersteklas neuroloog geweest is. Zijn bekendheid dankt hij vooral aan zijn schrijven over zijn vak en aanverwante onderwerpen. Zijn schrijven begint met een boek over “Migraine” dat in 1969 uitkomt. Daarop volgt in 1973 “Ontwaken in verbijstering” over slaapziekte (postencefalitisch syndroom) en de behandeling met L-Dopa. Dat wordt veel later, in 1989 met Robert de Niro als patiënt en Robin Williams als dokter, nog verfilmd. Zijn boek over “Een been om op te staan” komt na veel vijven en zessen uiteindelijk uit in 1983. Tussendoor, maar ook in de decennia daarna verschijnen er allerlei artikelen van hem, o.a. over tics en Gilles de la Tourette, kleurenblindheid, muziek en op het einde oogziektes, in bladen als The New York Review Of Books. De man schrijft echt het ene stuk na het andere, met daarnaast zijn – uiteindelijk 1000 – dagboeken. Zijn meesterwerk qua verkoopcijfers is van 1985: “De man die zijn vrouw voor een hoed hield”, met allerlei stukken over vreemde neurologische fenomenen en wat hij daarvan vindt. Later schrijft hij ook behartenswaardige verhalen over doven en autisme. Bij de Bezige Bij is ook nog de uitgave van zijn boek over “Hallucinaties”.
Laat ik toegeven dat ik hiervoor nooit een boek of zelfs maar artikel van Oliver Sachs gelezen heb. Voor zo ver ik het als halve buitenstaander voor het uitzoeken heb, denk ik dat zijn “Hoed” mijn eerste keus zal zijn, als ik hem ga proberen. Verder geef ik hier als mijn mening op basis van zijn autobiografie dat de man absoluut niet mijn type is. Hij laat zich er erg op voorstaan dat hij onder de groten der aarde verkeert, met name Nobelprijswinnaars en neuro-bekendheden, terwijl ik meer ben van “doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”. Daarbij is het adagium van Oliver Sachs: alle mensen zijn anders en dus kiest hij overduidelijk voor de casuïstiek, die nogal eens niemand anders betreft dan hijzelf. Met mijn idee dat geneeskunde er grotendeels is bij de gratie van gedocumenteerde overeenkomsten tussen mensen met dezelfde ziekte, heeft hij geloof ik weinig op. Oliver en ik, wij verschillen fundamenteel, maar hij is beroemd en ik absoluut niet. Een vriend van mij zou Oliver Sachs bij zijn leven nooit geworden zijn.

Ik heb nog een derde boek uit, van James Patterson. Het heet, ook in het Nederlands op mijn e-reader, “Cross country” en is uit 2008. Het speelt gedeeltelijk in Washington DC en omgeving en daarnaast in drie Afrikaanse landen: Nigeria, Sierra Leone en Soedan. Vraagje: wat is de hoofdstad van Nigeria, een land met 135 miljoen inwoners? Het antwoord volgt op het eind.
Het Cross van “Cross country” is van Alex Cross, een zwarte rechercheur in Washington, die daar met enkele gezinsmoorden te maken krijgt, waarbij o.a. een vroegere vriendin van hem samen met haar man en kinderen het loodje legt. De moorden zouden zijn gepleegd door een bende zwarte kinderen met aan het hoofd “De Tijger”. Deze man, een huurmoordenaar, komt uit Nigeria, heet eigenlijk Abi Sowande, en spreekt met een Yoruba accent. Alex Cross laat zijn collega-rechercheurs in Washington, te weten zijn vriendin Bree Stone en John Sampson, voor wat ze zijn en achtervolgt de Tijger tot in Lagos en omgeving (olie), Sierra Leone (diamanten) en Darfur (vluchtelingenkampen), maar hem te pakken krijgen lukt niet. Een nieuwe vriendin van hem in Lagos, journaliste Adanna Tansi, wordt samen met haar familie vermoord, als ze hem meer vertelt over de opdrachtgevers. Dan is er nog een onduidelijke rol van pater Bombata en vooral van de CIA in de persoon van Ian Flaherty in Lagos en Eric Dana, Al Tunney en Steven Miljard, als Alex Cross terug is in Washington. Wel blijken dan twee van diens eigen kinderen plus oma verdwenen te zijn. Hoe loopt het af, vragen jullie je af, maar ik weet het al.
De hoofdstad van Nigeria is Abuja, dat is toch iets voor een quizvraag. Ik vind dat “Cross Country” als boek niet echt goed, met te veel los zand. Als thrillerschrijver heeft James Patterson me wel eens beter bediend. Dit boek is me te veel van “hier kruipt de held alweer door het oog van de naald” en dat laat ik in mijn recensiecijfer uiteraard tot uitdrukking komen. Een 6+ wordt het voor “Cross country” en geen kwart punt meer. Wat James Patterson betreft ben ik echt aan een leespauze toe.