Weblogbrief 12.09, 22 december 2016
Queridos amiguitos y familia, we gaan nu echt op de feestdagen aan. Over twee dagen, op de 24ste ’s avonds, is het hier aanzitten aan de jaarlijkse kerstmaaltijd in ieder zich respecterende familie. Ik doe het deze winter zonder en hoop maar dat ik niet overvallen ga worden door heimwee. Ik dacht van niet!
Gelukkig heeft zich de afgelopen week hier best weer het nodige afgespeeld. Dat begon al, toen ik in de bus naar de faculteit zat de afgelopen vrijdag. Laat ik overstappen op de tegenwoordige tijd. Tegenover mij op de bank gaat een vrouw van middelbare leeftijd zitten die echt snipverkouden is. Dat ze een loopneus heeft en haar ogen rood zien, kan ik nog billijken, maar haar aanhoudende, zeer productief hoest is mij wat veel van het goede. Er wordt nog wel een papieren zakdoek uit een handtas gehaald, of is het een stuk keukenrol. Of zo’n papiertje voor je mond houden kan voorkómen dat een hele bus de dupe wordt, betwijfel ik zeer.
Verkoudheidsvirussen verspreiden zich simpeltjes via de luchtweg. Als ik het specifieke virus van mijn medepassagier nog niet verwerkt heb, krijg ik het zeker voor mijn kiezen. En dat terwijl ik net zo blij ben dat ik eigen mijn eerdere nachtelijke hoestpartijen “vorüber” zijn. Het mens kan het misschien niet helpen, maar zou ik in haar plaats niet in bus 12 gaan zitten, nee dus. Opstaan plaats vergaan is niet wat ik normaliter doe, maar deze keer zoek ik in bus 12 een ander plekje op.
Op de faculteit is Lluis – ik zou bijna zeggen: uiteraard – niet present. Volgens Jorge zit hij in Washington DC, bepaald niet naast de deur. Vanaf een uur of 3 ben ik bijna alleen op de afdeling; alleen Adriana komt later even langs, op weg naar de uitgang, om mij een prettig weekend te wensen.
Heb ik nog een aardigheidje? In het grote gebouw staat een kerstboompje van helemaal niks, met nauwelijks enige aankleding. Als er al ballen zijn, zijn het zeker geen spierballen, Yves. Op de bodem van het minigeval zie ik een paar rode ballen liggen waarvoor kennelijk geen plaats aan de boompje zelf is toegedacht. Ik stop er eentje in mijn colbertje; heb ik thuis ook kerstmis “met die daog”. Hij hangt intussen aan mijn prikbord, maar ik zeg jullie bij dezen toe dat ik hem op 26 december, geen dag later, alweer zal elimineren.
Op de terugweg naar de bewoonde wereld begint het te regenen, niet de moeite waard, maar voldoende om mij op de banken in het Castillo de la Luz-park een nat pak te bezorgen. Toch stap ik daar pas uit. Ik wil met mijn eigen ogen nog eens zien dat het dansen voor bejaarden in het gebouw ernaast definitief op zijn retour is.
Levende muziek is er in ieder geval wel nog, de “Grupo As de Copas”. (Trudie, vraag jij maar eens aan je Spaanse lerares Trudy Kraft, waar dat “as de copas” voor staat. Ik kom er niet uit.) Het gaat om een duo: een man achter een keyboard met een vrouw voor de zang. Veel stelt het helaas niet voor. De bar - eens het trotse centrum van de danszaal – is nog steeds dicht, zelfs dichtgespijkerd en het aantal aanwezigen is minder dan de helft van vroeger, ver beneden de honderd. Een aantal habitués, die al jaren de dienst uitmaken, zie ik nog steeds met de beentjes van de vloer, zoals de “broers” met hun zonnebrillen, het Tanzmarietchen met de brede kont en een partner van niet veel meer dan 1 meter 50, het “Zweedse” echtpaar met zijn draaien, de blinde man met zijn Indische vrouw. Ook ben ik nog steeds onder de indruk van de man met het grote voorhoofd, die er vooral is om een praatje met deze en gene te maken. Niettemin, de sjeu van de zaak is er echt vanaf. Dit is een plek, waar ik niet meer hoef heen te gaan. Ik ben een blij mens, als ik zo’n drie kwartier later het pand verlaat.
De dag erop, op zaterdagochtend, vraag ik mij af wat er van Fred Eaglesmith geworden is. Foutje, bedankt! Ik verwar hem met Specs Hildebrand, een enigszins miskende muzikant die in Volendam woont (net als de Cats, van o.a. “Sure he’s a cat”, “Lea”, “Why” en “One way wind” uit de periode 1967-1971, maar dat terzijde). Johan Derksen is degene die mij vorig jaar op Specs Hildebrand attendeerde.
Fred Eaglesmith aan de andere kant, hoewel hij wortels heeft in Nederland – zijn familie heet oorspronkelijk Eigersma, is iemand totaal anders. Hij is van 1957, komt uit Ontario in Canada en is een country & westernzanger en -gitarist. Hij heeft volgens de Wikipedia zo’n twintig albums op zijn naam staan. In Canada zal Fred Eaglesmith best wel een bekendheid zijn of in ieder geval geweest zijn. Weten jullie dat bijv. Mary Gauthier met hem gewerkt heeft op “Between the daylight and dark”, uit 2007? Toch is hij voor mij nog min of meer onontgonnen terrein. Ik heb maar één solo cd van hem paraat: “Lipstick, Lies & Gasoline” uit 1997. Hier zijn de 13 nummers van die cd:
01.Seven shells
02.105
03.Thinking
04.Bell
05.Drinking too much
06.Pontiac
07.Spookin’ the horses
08.Time to get a gun
09.Bell (reprise)
10.Alcohol & pills
11.Angel of the lord
12.Seven shells (crash)
13.Water in the fuel
Wat een interessante plaat! Denk je dat je de bekende C&W-artiesten wel kent, komt er ineens een nieuwigheid voorbij die alle kenmerken van een ster heeft. Ik had dat eerder bij een nummer voor een goed doel dat Harry me liet horen. Daarop mochten wel twintig country-artiesten een of meer regeltjes zingen. Ik kende niemand van die mensen, maar wat zat er een vuurwerk tussen.
Op “Lipstick, Lies & Gasoline”, als jullie het album ooit te pakken krijgen, mogen jullie voor mij eens speciaal luisteren naar uiteraard “Seven shells” en “Bell”. Echter, ook andere nummers zoals bijv. “Spookin’ the horses” en “Alcohol & pills” vind ik zeer te pruimen.
Op dezelfde zaterdag zie ik in alle vroegte een aantal busjes mijn straat in komen rijden. Kennelijk is er weer een markt gepland van zoals dat heet “regionale” producten, vanzelf ambachtelijk in elkaar gezet. De tafels en stoelen van Carlos en De Francesco staan al buiten, anders zou daar wellicht geen plaats meer voor zijn. In totaal tel ik later op de dag zo’n 25 kramen met echt van alles dat ik niet graag in huis zou halen. Niettemin, het trekt wel volk aan, zo’n markt. Het aardigste vind ik persoonlijk nog een echtpaar dat zelf gefabriceerde waaiers aan de man brengt. Echter, willen jullie me met carnaval met zo’n waaier in de Tribunal zien staan?
Voor de stemmingmakerij verschijnt er om zeg 12 uur een harmonie in de Luis Morote, van het soort zonder koper- en dergelijke instrumenten, alleen een veertiental trommelaars. Is dit de Braziliaanse toevoeging aan de feestvreugde? Als het dan toch van louter boem-boem-boem moet gaan, geef ik eerlijk gezegd heel erg de voorkeur aan de namaak Braziliaanse groepen in Maastricht zoals Segura!
Wanneer wordt Las Palmas eens verrijkt met een of meer echte “zaate hermeniekes” in de stijl van “Laat en zaat” dan wel “Vreug en neuchter”, “De bok z’n kloete” of “Greun en sjerrep”?
Mijn dagen hier gaan voorbij zonder dat ik me verveel, integendeel. En toch, met mijn ochtenden, middagen en vroege avonden heb ik meer dan met de late avonden. Dat komt mede, omdat ik solo als ik ben dan meestal aan mijn balkon of slaapkamer gekluisterd ben en er geen televisiefilm en/of actualiteitenprogramma zoals “Pauw” op me wacht. Zelfs de dvd-speler op mijn computer reageert sinds een jaar niet meer op de films die ik er braafjes aan de zijkant (de D-schijf) in doe. Hoe kan dat, vraagt deze jongen zich af. Als Trudie over een aantal weken arriveert, ga ik het haar toch eens vragen. En, als iemand anders zoals John, Marcel of Maarten nu al een idee heeft, hoor ik dat graag, bijv. via mijn e-mail.
Intussen gebruik ik de zondag vooral om vaart te maken in mijn tweede boek van deze week. In de loop van de middag begint het een beetje te waaien. Daarvan merk ik niks op mijn balkon, maar ik zie de grote bladeren van de palmbomen in de straat wel meegeven. Als ik om half 7 mijn ommetje ga maken, blijkt het op Las Canteras niet echt te stormen, maar laat ik voor de zekerheid wel mijn colbertje dichtknopen. De meeste terrasstoelen zijn onbemand en voor zo ver er al mensen op de stoelen zitten, is dat alleen vlak voor of zelfs achter de ramen van de zaken. De temperatuur is navenant. Voor het eerst sinds ik hier weer ben, is het zo vroeg op de avond beneden de 20 graden: een magere 19.
Op de halfronde bank van zo’n 20 meter bij calle Ferreras ben ik de enige. Haast iedere voorbijganger heeft een vest, jasje of regenjas aan en dan is het moeilijk om interessante opschriften op truien op te pikken. Ik heb er eentje. Een meisje dat voorbij komt, heeft op haar zwarte trui staan: SAVE THE MERMAIDS, red de zeemeerminnen. Dat is weer eens wat anders dan red de walvis. Bij gebrek aan beter doe ik er voor jullie de Spaanse namen bij. Een walvis is in het Spaans een “ballena” en een zeemeernin is een “sirena”.
Als ik om even voor 8 terug naar mijn flat ga, zie ik dat mijn Barça net begonnen is aan de stadsderby tegen Español. Even blijf ik staan kijken, maar er zijn maar weinig supporters op het terras. De bal komt bij Iniesta en die geeft een lange pass op Suárez. Dat laat de man uit Uruguay zich geen twee keer zeggen: 1-0.
Ik besluit om thuis eens naar wat YouTube filmpjes te gaan kijken, die ik destijds van Harry gekregen heb. Als ik anderhalf uur later Kees van Kooten “O o Den Haag” heb horen zingen, wat leuk, geef ik er de brui aan en kruip onder de wol. Zondagavonden zijn hier net als in Maastricht en Amsterdam: behalve op de tv is er weinig te beleven. Het heeft iets van wachten tot het weer maandagochtend is geworden.
(Voor alle zekerheid kijk ik het maandag nog even na. Barcelona wint inderdaad van Español, met 4-1. Lionel Messi zou in de tweede helft van wereldklasse geweest zijn. In de krant waarin ik het verslag lees, Canarias7, zie ik trouwens een mooie aanprijzing van een vleesschotel uit Uruguay. Eetzaak “El novillo precoz”, de vroegrijpe jonge stier, prijst hem aan. Voor details, vervoeg je in dat restaurant in calle Portugal 9.)
Dan blijkt op dezelfde maandag mijn elektrische tandenborstel kuren te vertonen. Wat ik ook probeer, ik krijg het opzetstukje niet meer aan het ronddraaien zoals dat bij het apparaat hoort: als een wervelwind. Ik haal het eraf en zet er een nieuw op, maar ook dat geeft geen sjoege.
Goede raad is dan duur. Je kunt nu eerst een dagje gaan mijmeren, maar wie schiet daar iets mee op? Ik neem een ferm besluit en begeef me een van de buurtwinkels om een nieuwe tandenborstel aan te schaffen. Ter plekke kies ik voor een paarswitte Oral B Braun van 30 euro. Thuis gekomen haal ik hem uit zijn verpakking en hij blijkt het voortreffelijk te doen. En dan komt het: ik probeer het opzetstukje van de nieuwe op de oude tandenborstel en nu doet die het wel weer. Vervolgens blijkt ook mijn vorige opzetstukje toch weer te werken. Heb ik 30 euro voor niks gespendeerd of – voor wie een positiever verhaal wil – nu heb ik twee elektrische tandenborstels in huis, een blauwwitte en een paarswitte.
De kersverse paarswitte elektrische tandenborstel gaat in een van mijn lades en nou maar hopen dat mijn oude tandenborstel binnenkort toch echt opnieuw de geest geeft. Tant pis!
Op maandagmiddag vind ik het tijd om weer eens van muziek wisselen. Morgen, 20 december, is Damaris jarig. Vorig jaar had ze, toen ze bij mij op bezoek was, in de top tien van haar favoriete nummers er eentje van Stromae staan: Papaoutai. Voor wie nog niet met hem bekend is: Stromae is een jonge gast uit België – eigenlijk heet hij Paul van Haver en hij is van 1985 – die enkele jaren terug als rapper bij de zuiderburen furore heeft gemaakt. Zijn vader is uit Rwanda. Stromae heeft hem niet of nauwelijks gekend; hij ging dood in 1994. (Papaoutai, is dat papa, ecoutez?) Echter, zijn moeder is een rasechte Waalse. De eerste cd van Stromae, “Cheese”, is uit 2010. Met de opvolger daarvan, “Racine carrée”, vierkantswortel, uit 2013 brak de rapper definitief door. (Voor de leken onder jullie: een vierkantswortel is het tegenovergestelde van een kwadraat. De vierkantswortel van 9 is 3 en van 9,86 pi.) Hij heeft best een aardige stem en begeleidt zichzelf op een elektrische piano, zegt de Wikipedia. Het nummer “Ta fête” werd het officiële lijflied van het Belgische voetbalteam, de Rode Duivels, op weg naar en in Brazilië in 2014.
Van de zomer heb ik uiteraard een kopietje getrokken van de cd van Damaris, waarop “Papaoutai” te horen is. Daar gaan we:
01.Ta fête
02.Papaoutai
03.Bâtard
04.Avec Cesaria
05.Tous les mêmes
06.Formidable
07.Moules frites
08.Carmen
09.Humain à l’eau
10.Quand c’est
11.Sommeil
12.Merci
13.Avf
En ik op mijn balkon maar piekeren wat “avf” is. De afkorting “IVF” is mij niet onbekend, maar “avf”? Misschien kan Damaris me behulpzaam zijn of wie weet Yves, die zich als tweejarige al een heel aardig mondje Waals heeft eigen gemaakt. De cd van Stromae valt me wat je noemt “niet tegen”. Natuurlijk ben ik, behalve van “Papaoutai” en “Ta fête”, ook gecharmeerd van “Formidable”, maar de liefhebbers verwijs ik met plezier ook naar bijv. “Sommeil”, het instrumentale “Merci” en niet te vergeten “Moules frites”. Voor het eten van dat laatste gerecht kan ik L’Autobus in Visé aanbevelen, met bier erbij.
Dit is de tijd van het jaar dat er allerlei instellingen als kapers op de kust zijn om te proberen ons geld afhandig te maken. Ik heb er de vorige keer al eentje in een kwaad daglicht gezet en hier – om het af te leren – is er nog eentje.
“Ahora puedes verlo”, vandaag kun je het zien. “A veces, solo acercándonos somos capaces de entender mejor las cosas”, soms, alleen al om ons dichtbij te brengen zijn we in staat om beter naar de dingen te luisteren. “Entra y descúbrelo”. Kom binnen en ontdek het. Bij een uiterst wervende foto van enkele zielige kinderen staat waar je moet zijn om de vluchtelingorganisaties ONHCR dan wel ACNUR een of meer handjes te helpen. Mag ik het daarbij laten? “¡Escándolo!” “¡Escándalo!”
Dinsdag op het einde van de middag zat ik in bus 1 naar Triana. Een mens is niet van steen (maar volgens Thei Dols van mergel), dus stap ik al uit op San Telmo en begin mijn uitje met de kerststal daar onder de loep te noemen. Ik ben bepaald geen fan van kerststallen kijken, maar deze ziet er ieder jaar vrij acceptabel uit. Het is een groot geval in de rondte, met allerlei taferelen rond de geboorte van het kindeke Jezus. Kom ik bij het onderdeel met de drie koningen, de zwarte Balthazar als laatste, blijken die niet op kamelen (“camellos”), maar op dromedarissen (“dromedarios”) te zitten. Lieve mensen, dromedarissen hebben één bult en kamelen twee. Of is het zo dat kameel ook een “pars pro toto” is voor de hele bups woestijnreuzen met bult of bulten. Op een pakje sigaretten van “Camel” staat immers ook een beest met maar één bult. Vooralsnog houd ik het er toch op dat de zoveelste slordigheid in de taal is ingeslopen.
Ik loop vervolgens de calle mayor de Triana en zie al bij McDonald’s vooraan een aardigheidje. Gelukkige Kerstmis is in het Spaans “Feliz Navidad”, maar McDonald’s wenst mij ook een “Feliz Novedad”, een gelukkig nieuwigheidje. Voor de gelegenheid zijn er dubbele hamburgers met geitenkaas dan wel met o.a. champignonsaus te koop. Zelf ligt mijn hart meer bij een andere nieuwigheid: “Camembert crujiente en salsa de arándanos”, knapperige camembert in een sausje van bosbessen. Daar laat ik zelfs de “McFlurry turron”, een noga-ijsje voor schieten.
Is het nou calle Triana, calle de Triana of calle mayor de Triana? Als ik dichter Tomas Morales mag geloven, honderd jaar terug, is het calle de Triana. Hij is de man van de dichtregel: “La calle de Triana es la copiosa vision de su esplendor continental ancha, moderna, rica y laboriosa arteria aorta de la capital.” Een dichtregel laat zich meestal niet goed vertalen, dus blijft de voorgaande zin Spaans voor mij (en jullie). Dezelfde Tomas Morales heeft overigens aan zijn gedichten nog een heuse Palmese straatnaam overgehouden.
Om kwart over 7 ga ik eens plassen bij McCarthy’s in de kelder en daarna loop ik monter naar waarvoor ik eigenlijk gekomen ben die avond: het concert van de Banda Municipal de Música van Las Palmas op Santa Ana, voor de kathedraal. Het is vanavond mooi weer en het zal wel druk worden, denk ik. Echter, als ik – te vroeg – op het plein aankom, ben ik nagenoeg de enige. Een Banda, zoals ik die ken, zie ik niet, wel een clubje muzikanten met gitaren en dergelijke, een man op een verhoging met een cello en enkele slagwerkers. Ervóór is een legertje mensen van LFSOUND in de weer om het geluid in orde te maken. Achter een paneel zitten twee mensen die kennelijk over het licht en de film op enkele schermen gaan.
Tot zo ver is er geen probleem, maar steeds als er mensen op Santa Ana verschijnen om de smaak van een kerstconcert te proeven, krijgen die nul op het rekest en zie ik ze weer vertrekken. Ik houd het ietsje langer vol, op een bank opzij, maar om kwart over 8 ben ook ik het beu. Als er al iets staat te gebeuren, is dat in ieder geval veel later. Met enige teleurstelling op mijn gezicht daal ik de trappen af, langs de twee keer vieren honden, en dan naar links in de richting van de Plaza de las Ranas. Ik heb het toch echt goed gelezen, vorige week op de computer, daar ligt het niet aan. Om 9 uur ben ik weer op mijn honk.
Op woensdagmorgen, de eerste dag van de echte winter, kan ik mijn limpiadora Etel al vóór 9 verwachten. Dus moet ik op tijd op, mijn pillen pakken, koffie zetten, naar de wc gaan en me nog douchen ook. Deze morgen heb ik al weer een aantal bladzijden in mijn volgende boek gelezen en heb ik zelfs al een deel van mijn stukje weblogbrief van gisteren neergepend, als de verlossende bel gaat en ze even later voor mijn neus staat. We wisselen onze beleefdheden uit en dan gaat ze aan de slag. Ik heb nu alle tijd om mijn “dinsdag” af te maken en kan zelfs aan deze alinea beginnen. Om even vóór half 12 is het leed weer geleden, de flat blinkt als een spiegel en ik besluit om eerst nog een stukje te gaan lezen, voordat ik aan mijn “almuerzo” ga beginnen.
In het Nederlands hebben we voor consumptie-ijs en ijsblokjes-ijs hetzelfde woord “ijs”. In het Spaans is dat anders. Het ijs van Venezia in Maastricht heet “helado” en dat van café de Poort in je glas Ricard “hielo”. Tot zover is het gemakkelijk bij te houden. Dan komt een vrachtwagen langs met daarop aan de achterkant: “hielo picado”. Wat is dat nou weer? Dat zoek ik op. Het is ijs dat in minimale stukjes is fijngehakt, de mini-variant van ijsblokjes. Gruis is geloof ik het juiste woord of ijssnippers.
Vooruit, hier is er nog eentje: “cuídate”, met de klemtoon op de eerste lettergreep, dat jullie het niet vergeten. Het is echt een stopwoordje hier, iets als “gedraag je”, “kijk uit”, “let op”. Het komt van het wederkerige werkwoord “cuidarse”, dat meer dan een betekenis heeft, ik kan het ook niet helpen. Het betekent zowel “let op” als “hoed je” als “bemoei je”. “Cuidate de las imitaciones”, als voorbeeld, staat voor “hoed je voor namaak” en “Cuidate de sus propias asuntas” bemoei je met je eigen zaken (het Latijnse propria cures).
Als ik ‘s avonds naar Las Arenas ga, vooral om bij de Carrefour enkele eetwaren te kopen die de Spar niet heeft, kom ik op de Guanarteme vanzelf langs de SuperCor. Dat is een zusje van de eetkelder van El Corte Inglés. In de etalage daar zie ik een aanbeveling hangen, waaraan je kunt herkennen of de vis wel vers is. Bij de aankoop van verse vis dien ik volgens de SuperCor te moeten letten op de kieuwen, het vel, de ingewanden (die niet mogen stinken) en het vlees. Laat ik de ogen niet vergeten; die moeten helder, uitspringend en rond zijn, met een zwarte, blinkende pupil.
Jullie weten het misschien al: ik eet tegenwoordig vaak vis, uit blik en diepvries, maar bijv. in restaurants ook vers. Wie weet is vis wel heel gezond en zo niet, lekker blijft-ie.BR>
En met dit welgemeende advies ben ik aan het einde van mijn brief. Vanavond op de donderdag is de trekking van “El Bote”, de kerstloterij waarvoor tout España loten in huis heeft. Ik heb het flauwe vermoeden dat ik de enige (of vooruit, bijna de enige) hier in de flat ben die niet met een compleet lot aan de buis gaat zitten. Spanje is vanavond in rep en roer. Wie de “jackpot” binnenhaalt, is in één klap een van de rijkste mensen van het land, staat in de top 10 van Quote hier.
Misschien wil iemand van jullie nog weten of er hierna in dit jaar nog een nieuwe brief komt. Die heb ik inderdaad in de planning zitten, voor ergens halverwege volgende week. Voorwaarde: ik dien de gelegenheid te krijgen om hem ergens, op de universiteit of elders, te versturen.
Laat ik eindigen met een goede raad aan jullie: eet alvast eens een kerstkransje. Ze hangen nu aan de boom te verpieteren en dat kan de bedoeling niet zijn. En drink er eens een advocaatje bij. Kennen jullie dat wel, jullie jongeren? Het is van dat stroperige gelige spul dat mijn oma zaliger vroeger wel in huis had.
Daar laat ik het bij. “Feliz Navidad” en dat de drie koningen niet te lang op zich laten wachten. Tot ziens, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Vorig jaar las ik een boek van Michael Koryta (Envy the night) en dacht: die is nog niet van mij af. Toen ik Trudie de vorige week al over “The Silent Hour” schreef, maakte ik een tikfout. Het is niet Kortyra, maar Koryta. Zoals in Rita Corita (“Koffie, koffie, lekker bakkie koffie, wat knapt een mens daarvan op!”). Het boek is uit 2009 en speelt in Cleveland. Voor de onwetenden, dat ligt in Ohio aan lake Erie, op de grens met Canada, in het noordoosten van de Verenigde Staten.
Hoofdpersoon in het boek is ex-politieman, nu Personal Investigator Lincoln Perry. Hij raakt betrokken bij de verdwijning van ene Alexandra Cantrell. Ze woonde vroeger met haar man Joshua in een min of meer ondergrondse villa, “Whisper Ridge” in de prairie, maar ze vertrokken plotseling, dertien jaar terug, naar iets onbekends. Vorig jaar, dus twaalf jaar later, blijkt Joshua destijds vermoord te zijn. De laatste jaren hadden ze in “Whisper Ridge” inwonende ex-zware criminelen, die met hun hulp er bovenop leken te komen. Eén daarvan, Parker Harrison, met Shawnee indianenbloed, is degene die Lincoln Perry nu inhuurt om het uit te zoeken, Alexandra voor hem op te sporen.
Terzijde, Alexandra is de nette zus van een echte boef, Dominic Sanabria. In ieder geval vroeger was hij een echt maffiabaas. Lincoln Perry krijgt bij zijn gespeur hulp van een andere P.I., Ken Merriman uit Pittsburg in buurstaat Pensylvania, totdat die vermoord wordt. Bij de moord op Joshua en anderen zijn ook enkele FBI-mensen betrokken: al heel lang de intussen gepensioneerde John Dunbar en in het heden, alweer uit Pensylvania, Quinn Graham. Er zijn al eerder doden gevallen, maar daar komen de nodige bij, voordat het verhaal aan zijn afloop mag beginnen.
Tussendoor: wat is een “epitaph”? Ik kon de betekenis uit de context eenvoudig opmaken, maar heb er voor de volledigheid toch ook een woordenboek bijgehaald. Een epitaph is een duur woord voor een grafschrift. (Terzijde, niet alleen in het Engels, ook in het Spaans.) Hebben jullie al voor jezelf besloten wat er later op je grafsteen of urn moet komen? Of willen jullie net als ik gewoon met rust gelaten worden, als het zo ver is?
Wat ga ik eens van “The silent hour” van Michael Koryta vinden? In zijn dankwoord noemt hij diverse collega's (Michael Connelley, Dennis Lehane, Laura Lippman en George Pelecanos) die hem bij het schrijven van deze, zijn vijfde thriller geholpen zouden hebben. Ik krijg geen speciale vermelding en dat geeft me hier extra reden om te zeggen dat ik het boek best aardig, maar wel te uitgesponnen vind. Ook heb ik best enige moeite met de uiteindelijk clou. Om die redenen kom ik voor mijn recensiecijfer niet verder dan een 7, vooruit een 7+, maar meer zit er niet in. Ik ga Michael Koryta later wel nog een nieuwe kans geven.
Er is maar één Josephine Tey of eigenlijk heet deze Engelse auteur Elisabeth Macintosh. Ze is geboren in 1896, maar oud is ze niet geworden: ze was pas 56 jaar, toe ze in 1952 doodging. Maar wat een schrijfster! Waarom Pan Books in “Miss Pym disposes” al haar boeken opsomt en ook aanprijst, maar “The daughter of time“ vergeet, begrijp ik niet. (Dat is voor mij een van de beste thrillers uit de vorige eeuw.) Echter, boeken zoals bijv. Brat Farrar kunnen er natuurlijk ook zeer mee door. In het afgelopen weekend met een uitloop naar de maandag heb ik echt geboeid in “Miss Pym disposes” zitten lezen. Het boek is uit 1946, mijn geboortejaar.
“Miss Pym disposes”? Dat disposes, wat is dat ook alweer? Er bestaat een uitdrukking: “Man proposes, God disposes”, de mens wikt, God beschikt. Josephine Tey zet die uitdrukking naar haar hand, of liever gezegd naar die van Miss Pym. Ik vind het best een aparte titel. Het boek speelt op een Engels college voor meisjes, op het Engelse platteland, Leys (in de buurt van Plymouth?). De leerstof van de school zou vooral betrekking hebben op Physical Training, iets in de sfeer van gymnastiek en fysiotherapie.
Miss Lucy Pym is een bekendheid vanwege haar boek over psychologie (“The Book”), hoewel ze zelf meer op heeft met Frans en zeker nog eens onder pseudoniem een boek over gezichtsherkenning wil schrijven. Een vroegere kennis, Henriëtta Hodge, is nu het hoofd van de Physical Training kostschool en nodigt haar uit om een lezing te komen geven over haar ideeën over psychologie. Haar bezoek van een dag wordt uiteindelijk twee weken. Lucy Pym maakt in die periode uitgebreid kennis met stafleden als (allemaal dames) Lux, Wragg, madame Lefevre, Fröken en Desterro (de Nut Tart). Bij de studentes trekt ze vooral op met de bijna afgestudeerden, die eindexamen gaan doen: Beau Nash, Mary Innes, Barbara Rouse en diverse anderen zoals Morris, Dakers, O’Donnell, Hasselt en de Campbells. Dan ziet Lucy Pym, als ze bij het pathologie-eindexamen surveilleert, dat een meisje de kluit belazert, waardoor ze – blijkt kater – een onterecht hoog cijfer haalt. Dat is waarschijnlijk ook bij andere theorie-examens het geval. Henriëtta Hodge heeft intussen net dat meisje uitgekozen voor een belangrijke baan als lerares na het examen, terwijl een ander meisje die functie veel meer toekomt. Wie ben ik of nog meer te verklappen? Maar ik ben er nog steeds niet helemaal wat nou precies een “boom” in een gymzaal is en welke pin onder de “boom”, waarbij ook een touw gebruikt wordt, los kan gaan zitten.
“Miss Pym disposes” heeft m.i. alles wat er in een thriller hoort te zitten. Het boek is spannend, het taalgebruik is meesterlijk en wat maakt het mij uit dat het maar om één zogenaamd ongeluk gaat, op bladzijde 145, en niet om een seriemoordenaar of zo. Het wordt echt “beschikken” voor Miss Pym. Mijn recensiecifer: voor minder dan een volle 8 doe ik het niet; Josephine Tey scoort bij voor de zoveelste keer in de hoogste regionen. “The singing sands” heb ik als enige nog liggen, maar dan is het oeuvre van Josephine Tey op. In de Wikipedia lees ik dat ze onder de schuilnaam Gordon Daviot nog enkele niet-detectives geschreven heeft. Daar moet ik dan ook maar eens achteraan.
donderdag 22 december 2016
vrijdag 16 december 2016
Weblogbrief 12.08, 16 december 2016
Weblogbrief 12.08, 16 december 2016
Buenas, queridos amigos y familia, ik had jullie voor vandaag een nieuwe brief beloofd en belofte maakt schuld: hier komt-ie. Ga er maar eens voor zitten, met koffie of thee, limonade of erger binnen handbereik, want iets spiritueels kan ik jullie wel bieden, maar niet van dat calorierijke spul dat via je slokdarm in je maag belandt (“De liefde van een man…”).
Bij mijn rit met bus 12 zuidwaarts en terug hoort steevast een verhaaltje. Dat van de beginvrijdag betreft – alweer – een reclame die ik onderweg langs de route tegenkom. Op aansprekende borden worden we gesommeerd om bijv. “barbacoa gourmet telepizza” te eten, naar een film als “Aliados” te gaan kijken, met Brat Pitt, dan wel acuut over de stappen op het nieuwste mobieltje van bijv. Samsung. Het aantal keren dat er een echt goed doel in the picture is, valt erbij in het niets. En was het nog “Amnesty international” of “Medicos sin fronteras”, dan zou ik er hier nog enige positieve ophef over kunnen maken. Echter, soms komen doelen voorbij waarop ik nooit mijn centen van zijn lang-zal-ze-leven zou zetten. Ik denk wel eens: daar zou de overheid eens een definitief stokje voor moeten steken.
Unicef bijv. staat erom bekend dat men ons al te graag het geld uit de zak wil kloppen. Uiteraard zijn er ook allerlei andere kapers op de kust, vooral in deze tijd van het jaar. Doe er wat kinderen en een ver, maar onderontwikkeld land bij en daar begint het incasseren. In deze brief vraag ik jullie aandacht voor educanepal.com. Hun breed uitgemeten slagzin luidt: “Con tu ayuda podemos evitar que terminen en el burdel”, met jouw hulp kunnen we voorkómen dat ze in een bordeel eindigen. Er staat een pracht van een foto bij met een schoolklasje schattige kinderen, “dibujando sonrisas”, met de glimlach op hun lippen. Het gaat bovendien niet om een eenmalige gift voor de minder bedeelden, “hazte socio-colabora”, lever je bijdrage op geregelde basis, zegt de aankondiging. Schande, schande!
Op de universiteit op de afdeling van Lluis had ik vrijdagmiddag weer eens contact met Cristina en Adriana. Cristina blijft de magerheid zelve, wat ze ook eet en drinkt, maar Adriana was in eerdere jaren te dik - horen jullie het eens van een insider. Kennelijk heeft ze de afgelopen zomer gelijnd tot de stukken ervan af vlogen. Nu is ze in ieder geval lichamelijk in zeer goede doen. Ik ga haar toch eens op de vrouw af vragen hoe het rigoureuze afvallen haar gelukt is.
Als Adriana in het andere gebouw koffie gaat halen, vraagt ze me of ik ook een bakje belief? Daar zeg je geen nee op, zelfs niet als later blijkt dat ze er een scheutje melk bij heeft laten doen.
Tegenwoordig eindigt mijn terugrit van de universiteit meestal niet bij de Luis Morote, maar verderop naar het noorden bij het Castillo de la Luz, het luchtkasteel. Omdat nu in Las Palmas de straatverlichting om half 7 aangaat, is mijn gang na mijn leespauze in het park nogal eens eerst naar het stadsbibliotheekje daar. Het ligt tegenover de Mariakerk met dezelfde achternaam als het kasteel: Iglesia de Nuestra Señora de la Luz. Voor wie ook voor deze “biblioteca publica municipal” in een naam geïnteresseerd is, ze is vernoemd naar ene Pepe Dámaso.
In een van de locale kranten daar lees ik dat de kerststal van zand vorige winter iets meer dan 203.000 bezoekers heeft getrokken. Het wordt tegenwoordig allemaal bijgehouden, hier ook. Het is mooi weer en iedereen hier hoopt dat wij dat getal deze keer gaan overtreffen.
Op de zaterdagmorgen weet ik niet hoe snel ik mijn Loretta Lynnplaat (zie vorige bief) moet inruilen voor iets anders. Tijd voor wat blues? Dan is nu zanger en gitarist Lowell Fulson aan de beurt. Hij is uit Tulsa (Oklahoma, dat ligt boven Texas), van 1921, het geboortejaar van mijn moeder, en geeft de geest in 1999, nog net voor het millennium. Volgens het internet is hij goed voor drie bekende nummers: “Three o’clock blue”, dat ik nog eens moet zien te bemachtigen, “Tramp”, dat heb ik wel en dan is er uiteraard “Reconsider baby”, een nummer waarmee destijds Elvis Presley een hit heeft gehad. Daar kun je mee thuis komen. Hier zijn alle 23 nummers van de verzamel-cd “Reconsider, baby”:
01.Lonely hours
02.Rock ‘em dead
03.Rock this morning
04.That’s all right
05.Blue shadows
06.Hung down head
07.Payday blues
08.Tolling blues
09.Black nights
10.Blues around midnight
11.Tramp
12.Reconsider baby
13.I’ve been mistreated
14.Country boy blues
15.Funky Broadway
16.Going back to Chicago
17.The blues is killin’ me
18.River blue (part 1)
19.Don’t be so evil
20.This feeling
21.Letter home
22.I want to know
Het was even doortypen, maar is het niet een aardige collectie geworden? Inderdaad, ‘Reconsider, baby” is echt te genieten, maar er staat meer moois op deze cd. Luister eens naar bijv. “Lonely hours”, “That’s all right”, “Blues around midnight”, “I’ve been mistreated” en vooral “The blues is killin’ me”. In handen van iemand als Robbie Williams zou “The blues is killin’ me” zo maar een hit op You Tube nu kunnen worden.
Ander onderwerp: wat is “pleinvrees”, “engtevrees”, “vrees voor spinnen” in het Spaans? Het is allemaal “fobia” uiteraard, geen “miedo”, angst, want dat is te algemeen. Het Spaanse “agorafobia” had ik zelf kunnen bedenken, “claustrofobia” ook en zo waar ligt me ook het woord “arachnofobia” voor op de tong. In Maastricht maakt Peixia graag korte metten met mijn spinnenwebben, als die zich op mijn terras onder de balkonrand aandienen. “Telarañas” noemen ze die dingen hier.
Om mij niet opgehelderde reden denk ik de laatste dagen wel eens aan hoogtevrees. Ik zie mezelf staan op bijna het randje van een hoge flat, zonder omheining, en dan bedenk ik: dat ene stapje dichter bij de afgrond kan ik maar beter niet zetten. Men zegt wel eens: als mensen te dicht bij de rand gaan staan, hebben ze de neiging om maar naar beneden te springen, dan is de spanning tenminste voorbij. Met mijn laptop en mijn woordenboeken voor me vraag ik me serieus af wat “hoogtevrees” in het Spaans is. Dat wordt opzoeken: “miedo a las alturas” komt er voor mij het dichtste erbij, maar was “miedo” niet meer een algemeen angstgevoel? Op een hoger stijlniveau, alyhans volgens “d’n dictionair”, met “fobia” erin, zeg je “acrofobia”. Dat woord is nieuw voor mij!
Op zondagmiddag ben ik Lowell Fulson alweer moe en ga op zoek naar een nieuwe muziekmaker. Jullie weten dat Taj Mahal een mooie cd heeft gemaakt samen met Ry Cooder. Hun samenwerking heeft geleid tot “Rising sons” in 1992. Ik zet die cd graag in het rijtje waarmee Ry als producer furore heeft gemaakt. Dezelfde Taj Mahal is op mijn computerschijf goed voor meer blues. Ik heb een verzamel-cd uit 1996, genaamd “Phantom blues” em weten jullie dat Taj Mahal met de Hula Blues Band een live dubbel-cd op zijn naam heeft staan, uitgebracht in 2015, als ik het wel heb?
En dan kom ik na deze aanloop eindelijk bij het album dat ik jullie hier wil presenteren: “The Best Of The Private Years” uit 2000. Ik heb hem niet compleet; helaas pindakaas ontbreekt nummertje 5 op mijn versie. Is dit een Unvollendete van Rocky? Hoe dan ook, het ontbrekende nummer is “Señor blues”, dat jullie het maar weten, Taj Mahal, geboren in New York (Harlem) in 1942, is nog steeds alive and kicking. Hier zijn de twaalf nummers van “The Best Of The Private Years” die ik heb:
01.Blues ain’t nothing
02.Here in the dark
03.Mind your own business
04.Lovin’ in my baby’s eyes
05.Señor blues (niet dus)
06.Ooh poo pah doo
07.The hoochi coochi coo
08.Mr. Pitiful
09.Need your lovin’
10.I’m ready
11.Sophisticated mama
12.Mockingbird
13.That’s how strong my love is
Er zit de nodige muziek tussen die ik al van anderen ken, zoals Mr. Pitiful en “That’s how strong my love is” van Otis Redding en “I’m ready” van o.a. Fats Domino. Maar kennen jullie “Ooh poo pah doo” als nummer van Ike & Tina Turner? Als je toch bezig bent, luister dan ook eens op deze cd naar bijv. “Need your lovin’” (kekke tekst), “Mockingbird” en zeker ook “Mind your own business”.
In Maastricht vroeger kreeg je bij je doopsel een peetvader en peetmoeder toegewezen, een “peter” en “paat”. In mijn geval was mijn ”peter” mijn opa Zjeira (“sjrijf ziech dat zoe?”), met officieel dezelfde naam als ik: Paul Gerard. Mijn “paat” was de zus van mijn moeder, “tant Jès”. Dezelfde “tant Jès” was ook de “paat” van mijn nicht Annemie, dochter van mijn moeders jongere broer Väös en zijn vrouw Ria. Annemie, ex-wiskundelerares, loop ik nog ieder jaar met carnaval tegen het lijf. Ik vind haar best aardig.
Vandaag op haar verjaardag, 12 december, moet ik “tant Jès” maar eens met terugwerkende kracht in de schijnwerper zetten. Als jonge vrouw had ze lang gewerkt in Luik en ze sprak vloeiend Waals. Als meisje van Sint Pieter trouwde met Maastrichtenaar Ee (“noonk Eduard”). Kinderloos als ze waren (had “tant Jès” vroeger een niet helemaal succesrijk afgebroken abortus gehad?) begonnen ze samen een winkel in bonbons en vlaai aan het Kemenadeplein in de Maastrichtse wijk Nazareth. Dat was in samenspraak met eenzelfde banketbakkerij in de Spilstraat, genaamd Duchateau. De mensen in de Spilstraat gingen over de vlaai en “noonk Eduard” over de chocolade. In de ruimte ernaast verkochten “tant Jès” en “noonk Eduard” ook nog eens drank. Ze werkten bij mijn weten keihard en de nering legde hun bepaald geen windeieren. In de familie deed het verhaal de ronde dat ze heel rijk waren (hoewel de peetkinderen Annemie en ik daarvan niks terugzagen bij hun overlijden). “Tant Jès” overleed als eerste van de twee aan een beroerte, en “noonk Eduard” eindigde al voor zijn 65ste op Klevarie vanwege zijn Alzheimer.
Ik heb nog een detail voor het nageslacht. Toen Eva geboren werd begin 1977, kregen we van hen een zilveren lepeltje met Eva’s naam erop. Een apart cadeau!
We zijn intussen alweer een generatie verder dan Eva. Ik heb een nieuwtje over mijn zesjarige kleindochter Lux. Via een heuse e-mail van haarzelf liet ze o.a. mij weten dat haar A-diploma zwemmen “in the pocket” is. Eva maakte een foto van de trotse zwemster in roze badpak bij de uitreiking en die komt uiteraard op mijn prikbord te hangen. Perfisia, Lux, good gedoon!
En zoals dat gaat, Trudie geeft weer eens hoog op van haar kleinzoon Yves. Ze wil een kerstboom in huis gaan halen, met kribbe, en in zo’n boom horen kerstballen. Heeft ze Yves net geleerd wat spierballen zijn en nou wil het ventje ook zijn spierballen graag in de boom hebben hangen.
Maandagavond bij het bibliotheekje aan Las Canteras keek ik eens wat de loting die middag had opgeleverd tussen de zestien overgebleven voetbalclubs in de Champions League. Hebben jullie het al lang en breed gehoord op een van de vele sportuitzendingen op de tv? Dan mag je de rest van dit bericht overslaan. Hier zijn de acht wedstrijden op papier:
14 februari & 8 maart: Paris SG – Barcelona
Benfica Lissabon – Dortmund
15 februari & 7 maart: Real Madrid – Napoli
Bayern München – Arsenal Londen
21 februari & 15 maart: Leverkusen – Atletico Madrid
Manchester City – Monaco
22 februari & 14 maart: Sevilla – Leicester
Oporto – Juventus Turijn
De wedstrijden beginnen steeds om kwart voor 9 voor jullie en in Las Palmas een uur eerder. De heenwedstrijden van Barcelona en Real Madrid kan ik hier nog bekijken, mocht ik daar zin in hebben, in de week voordat ik voor mijn carnaval naar Maastricht kom. De wedstrijden de week erop, op 21 en 22 februari, zijn voor mij en jullie om kwart voor 9 Nederlandse tijd. Voor het bekijken van de terugwedstrijden, altijd spannender dan de heenwedstrijden, ben ik weer op Las Palmas aangewezen.
Ik kreeg op de computer van de bieb de tip om weer eens aanwezig te zijn bij het kerstconcert van de Banda Municipal van de stad. Al vele jaren ben ik een beetje een fan van de symfonische harmonie van een mannetje of 25 à 30, die dezer dagen klassieke muziek afwisselt met kerstnummers. Het concert is deze winter op de plaza Santa Ana, bij de kathedraal, op dinsdag 20 december ‘s avonds om 8 uur. Ik denk dat ik daar volgende week maar eens mijn gezicht ga laten zien. Een mens, zeker een man alleen op leeftijd, moet toch wat. Heb ik wellicht tevens een aardig verhaaltje voor mijn volgende weblogbrief.
Op de dinsdagmorgen kijk ik eens over de balkonrand, als de kinderen in blauw-wit net weer afgetaaid zijn naar de katholieke school rechts van mij. Ik zie een drietal oplettende toeschouwers bij café voorheen El Escudo staan, terwijl een kennelijke slotenmaker de deur uit zijn hengsels probeert te lichten. Even later voegt de vader van mijn Vader & Zoon overburen zich bij hen, terwijl hij enigszins opgewonden over de deur ernaast praat. De voorzitter van het bewonerscomité van het flatgebouw wil zijn gezag laten gelden. Hoe dan ook, de oude ingang van het café wordt onklaar gemaakt en er wordt een nieuwe deur ingezet. Binnen wordt er intussen druk geschilderd.
Ik ga even terug in de tijd. Toen ik begin november hier weer kwam, heb ik een paar keer last gehad van al te luidruchtige nachtelijke bankgesprekken voor de deur van de zaak. En opeens was de zaak weer dicht. Niet voor eeuwig, denk ik nu, als ik er later die ochtend langs loop. Er hangt nu een nieuw bord boven de nieuwe deur. De nering heeft de nieuwe naam “Way Out”, twee woorden, en er is volgens de ondertitel nu een Shisha Bar gevestigd.
Shisha, dat zoeken we op. Het woord “shish kebab”, ook wel (Turks) sis kebab genoemd, ken ik wel; dat zijn stukjes geroosterd vlees aan een pen met enige groente ertussen. Daarna zit ik in mijn woordenboek al bij “shit”. Wat heeft de nieuwe zaak voor mij in petto? Op de woensdagmiddag staan in ieder geval twee tafeltje met stoelen buiten onder een Tropical-parasol. Dezelfde woensdagavond zie ik enkele zwarte Afrikaanse dames op het terrasje, die zich de “comida Africana” (Sji Sha) goed laten smaken.
Terug naar de dinsdagmorgen. Nu ik toch op straat ben, kan ik net zo goed doorlopen naar de Mercado Central om een nieuwe voorraad koffie in te slaan. Ik erheen, tien minuten op je gemak lopen en op de markt koop ik naast twee kilo koffie tevens – bij een viszaak – grote diepvriespakken tuinbonen (“dikke boene”), sperzieboontjes alsmede erwtjes & worteltjes. Bij een winkel gespecialiseerd in boterhambeleg, die met een van mijn favoriete winkeljuffrouwen achter de toonbank, sla ik een flink stuk overjarige kaas in. “Bonisima” wordt mij door haar toegevoegd (ik zou zelf “bonisimo” gezegd hebben, maar wie ben ik?). In hapklare brokken gesneden is de smaak ervan echt of er een engeltje op je tong piest. Volgens mijn internist zit er een hoop zout in, maar wie maalt daarom, als hij op 3000 km van het azM zit.
Trots als een pauw loop ik met mijn spullen, allemaal keurig in plastic zakjes, huiswaarts. Even later zit ik in de keuken aan een copieuze maaltijd.
Hier zijn behalve El Corte Inglés vooral twee winkelketens in iedere buurt actief voor de dagelijkse boodschappen: die van de Hiperdino en van de Spar. Ik ben zelf meer van de Spar dan de Hiperdino. Misschien komt dat mede, omdat ik de mensen van die winkels, zeker die in de Alfredo Jones, behulpzamer vind en daarbij, DE SPAR is immers van oorsprong Nederlands. Voor de gewone slagers, visboeren en (andere) winkels voor de (min of meer) dagelijkse boodschappen ben je hier vooral op een van de drie overdekte markten aangewezen. Ik heb jullie al verteld dat er de laatste jaren in de stad een opleving is van nieuwe groentewinkels en ook wel bakkerijen. Laat ik daar hier aan toevoegen dat ik nu ook meer Marokkaanse slagers zie, met “halal”-vlees.
In Maastricht is de situatie slechter dan hier voor mensen die hun boodschappen graag doen in buurtwinkels en bij de kleine middenstand. Als ik met Eva als kind vroeger “kemissies” ging doen op de zaterdagochtend, had ze thuis gekomen al een of meer plakjes worst achter de kiezen plus een “pistoleke” en wellicht ook nog een banaan of appel. Nu zijn er aan de goede kant van de Maas haast geen andere winkels meer dan Albert Heijn en de Lidl, en vooruit, ook C1000, en een paar waar ik echt zelden of nooit kom. Natuurlijk, er zijn de laatste jaren wel weer acceptabele bakkers in het straatbeeld (“omdat AH er weinig van bakt”, woordgrapje), maar qua groenteboeren, kaaswinkels, viszaken en zelfs slagers is en blijft het behelpen. In mijn vroege jeugd in Wieck waren er alleen al in de Rechtstraat zo’n twintig slagers.
Langs deze mij onsympathieke weg meld ik jullie de ondergang van slagerij Jos (& Monique) Dreesen. Ton vertelde me per e-mail dat de zaak bij mij om de hoek, aan de Scharnerweg, dichtgaat per 1 januari a.s. Zo oud (als ik) zijn Jos en Monique nog niet. Echter, de nering moest het al langer grotendeels hebben van de verkoop aan bejaardenhuis de Koepelhof, terwijl het aantal losse klanten zoals ik, als ik in Maastricht verkeer, steeds spaarzamer werd, helaas. En na het ongeluk van eerst Monique en vlak daarop ook Jos vorig jaar, toen de slagerij een tijdje dicht moest, werd het er alleen maar minder op. Ik dacht al, toen Monique me deze zomer vertelde dat de winkel voortaan niet alleen op maandag, maar ook op dinsdag dicht bleef: is dit niet het begin van het einde? De sluiting gaat me echt “aon mien prij”.
(“Prij”, dames en heren, is in goed Maastrichts met een lange ij. En de Hollandse prei is in mijn dialect “poor”. Dat brengt me vanzelf bij een Maastrichts woord, waarmee ik maar geen vrede kan krijgen: het Nederlandse goed, als bijvoeglijk naamwoord. Ik heb de voortdurende neiging om daarvan in het Maastrichts “gooi” en “gooie” of “goje” te maken. Het is evenwel “gooj” en “gooje” met dubbele o en een j, zoals in “’n gooj blöts” en “’ne gooje roetsj”.)
Ik hoop Jos en Monique nog eens in Maastricht of wie weet waar elders tegen te komen. Vanaf 2017 ben ik voor mijn fijne vleeswaren nog meer dan vroeger aangewezen op enkele slagerijen verder weg, in het Wittevrouwenveld Huyts (van de gehaktballen) of in Wieck Schuurman. Permanent terugvallen op Albert Heijn is mij niet gegeven.
Van het een komt het ander en dus mag ik op de woensdagmiddag een nieuwe muzikant kiezen om jullie en mij te amuseren. Dit is mijn bluesweek, lijkt het wel, dus kies ik nu maar eens voor Jody Williams. Ik heb zijn muziek van Peter, neem ik aan, want er zit ook een registratie bij van een concert dat Jody Williams gaf in Heerlen in 2003. Wie kent niet zijn cd “You Left Me In The Dark” uit 2004, ik niet dus. Echter, zijn “Return Of A Legend” uit 2001 (of is het 2002?) bevalt me prima. Voor de statistiek: Jody is een zwarte man, geboren in 1935, dus intussen al 81 jaar jong. Kennelijk was hij eerder een bluesbekendheid, had hij daarna zijn terugval, maar kwam hij als herboren vlak na het millennium weer opnieuw opzetten. Hier zijn de dertien nummers van “Return Of A Legend”:
01.Lucky Lou
02.Come over to my house
03.Lifelong lover
04.You may
05.Moanin’ for molasses
06.Monkey business
07.I’m coming back in again
08.She found a fool and bumped his head
09.Jive spot
10.Brown eyes and big thighs
11.Wham bam thank you ma’am
12.What you gonna do
13.Henpecked and happy
Laat ik eerlijk toegeven dat de man (in 2001 was hij 66 jaar) op de plaat best nog een volle stem heeft. Zet maar eens “I’m coming back again” of “Wham bam thank you ma’am” op. Tegelijkertijd is hij, zoals zo vele oude bluesartiesten, ook een begenadigde gitarist. Zijn drie instrumentale nummers op de cd: “Lucky Lou”, “Moanin’ for molasses” (molasses is stroop) en “Jive spot” getuigen daarvan.
De Verenigde Staten, het geboorteland van de blues, heeft, hoe kan het anders, veel meer interessante blues artiesten dan het handje mensen dat je steeds opnieuw op verzamelplaten tegenkomt. Daar hoort m.i. ook Jody Williams bij.
Op de donderdagmiddag doe ik weer eens net of ik een liefhebber van moderne kunst ben. In het Centro de Arte La Regenta bij Santa Catalina bekijk ik een twintigtal schilderijen van ene Félix Juan Bordes. De man is behalve schilder ook architect, zelfs professor architectuur aan de universiteit hier. Zijn schilderstukken zijn groot en abstract, met veel kleuren. Af en toe doen ze me denken aan wat je bij een zeer behoorlijke vergroting onder een microscoop tegenkomt. Aardig, ja, vind ik zijn “Todo lo que fluye” tentoonstelling, kleurrijk ook, maar echt mooi, dat niet.
Even verderop in de richting van El Corte Inglés kom ik voorbij een winkel, waar de “conguitos” de baas spelen. Het zijn kleine bruine poppetjes, eetbaar?, die bekend zouden zijn van facebook. Veel verder met mijn informatie kom ik niet, want met facebook heb ik niks. In kapitalen zie ik in de etalage staan: SOMOS LOS CONGUITOS, Y ESTAMOS REQUETEBUENOS...” Requetebuenos? Het lijkt op het Nederlandse woord “retegoed” met een snufje “retteketet”.
Aan de gevels van El Corte Inglés hangen zoals steeds in december de bekende wit uitgeslagen vriestekeningen plus een beperkt aantal kerstballen. En dan bespeur ik ook hun “75”, om aan te geven dat de keten intussen 75 jaar bestaat. Even terugtellen, dan opende men zijn winkels in 1941, overduidelijk in het begin van de Franco-tijd. Mocht dat toendertijd wel: El Corte Inglés, de Engelse snit? Anno nu zijn er buiten, tussen de twee winkels, wel prachtige banken met straatverlichting, om je boek te lezen of de winkelende mensen uit te kijken.
En daarmee is het alweer op voor deze volle week. Ik ga ervan uit dat Jozef en Maria intussen op pad zijn, om zich vanuit Nazareth naar Bethlehem te begeven om zich daar bij de burgerlijke stand te gaan melden. Dat is best een onderneming, zeker als je te voet bent en Maria ook nog hoogzwanger is. Dan doe je daar meer dan een week over. Uit mijn volgende brief zal blijken dat er in Bethlehem geen slaapplaats meer te krijgen is, dat alleen nog een stal in de buurt beschikbaar is. Daar gaat Maria volgende week zondag dan voor de zoveelste keer bevallen voor de mensen die haar en het kindeke Jezus een goed hart toedragen. Maar zo ver is het nog niet. Na mijn brief van vandaag heb ik eerst nog een nieuwe brief voor jullie in petto vóór de kerst, op 22 december, volgende week donderdag.
Zet intussen rustig eens een boom op. En vergeet niet om op enige afstand van de stal alvast een stoet met drie koningen in gereedheid te brengen, want laten we de glorieuze nasleep, op 6 januari, niet vergeten. Het ga jullie goed in het kikkerlandje, ook nu al, en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKBIJLAGE
Ton stuurt me af en toe een verhaaltje over hoe Maastricht erbij staat. Van hem heb ik bijv. een stukje over het onlangs omkappen van alle bomen op het Oranjeplein. Het is daar nu één kale vlakte, als ik de torenflat niet meereken. Ik ben bang dat zelfs de spreeuwen eind augustus hun gezicht niet meer laten zien.
Soms verrast dezelfde Ton me met een thrillerschrijver die mij onbekend is en die ik per se eens moet gaan lezen volgens hem. Deze week maakt hij mij attent op de Zweedse auteur Kjell Genberg, wiens werk uiteraard in het Centre Ceramique te leen is. Ton heeft alle vier de boeken van Genberg in tien dagen tijd uitgelezen, ook nog eens in de juiste volgorde. Misschien ga ik er in mei ook eens aan beginnen. Het eerste van de vier heet “Retour Stockholm”.
Zo gaat dat wel vaker. Op zijn tijd krijg ik via mijn familie en vrienden dan wel via een boeken”site” (zoals bijv. de VN thrillergids) te horen dat ik een bepaalde thrillerauteur die ik nog niet ken of een moordboek dat mij nog vreemd is, nodig eens moet gaan lezen. Zo’n schrijver of boek krijgt dan een plekje in mijn BOEKENVERLANGLIJST.
Deze week heb ik voor jullie een thriller van Kevin Guilfoile. Hij heet “Cast Of Shadows” en is uit 2005. Wie mij het boek heeft aanbevolen, ben ik kwijt. Het verhaal speelt zich af in Chicago en omgeving.
In het boek wordt als vanzelf aangenomen dat ik ermee bekend ben wat verstaan wordt onder mensen klonen. Je maakt uit één lichaamscel een embryo, dat je in het laboratorium verder kweekt en dan implanteert bij een vrouw die uiteindelijk van een kind gaat bevallen. In het boek van Guilfoile lopen er al heel wat klonen rond en is er ook een anti-klonenclub (“Hands of God”) die daar te vuur en te zwaard tegen strijdt.
In “Cast Of Shadows” kom ik nog een tweede euvel tegen. Een groot deel van de mensen is (in het boek) niet alleen actief in het echte leven, maar ook in een getrouwe computerkopie daarvan, genaamd “Shadow World”. Het spel is heel erg populair en sommige, vooral jonge mensen zijn al zo ver dat ze net zo lang in hun “schaduwwereld” zitten als in hun echte leven. In die wereld kun je je hetzelfde gedragen als in het echt, maar bijv. ook meer risico’s nemen, met alle goede en kwalijke gevolgen van dien.
Dokter Davis Moore, gespecialiseerd in klonen, wordt belaagd door Micky The Gerund, een moordenaar in dienst van de “Hands of God”. Hij overleeft een aanslag van Mickey maar ternauwernood. Anderhalf jaar later wordt Moore’s dochter Anna Kat aangerand en vermoord. De kloondokter doet vervolgens iets waar hij nog spijt van gaat krijgen: hij gebruikt het DNA van de aanrander om een nieuwe kloon te maken en die te implanteren bij Martha Finn die geen kinderen kan krijgen en met de wens om een kloon bij hem komt. Uiteraard is het klonen van nog levende personen officieel verboden.
Ik sla een stukje van het verhaal over en vertel jullie dat haar zoon en kloon Justin opgroeit tot een hyperintelligente jongen. Davis Moore laat hem niet helemaal los en kan zien hoe de jongen er op verschillende leeftijden uitziet. Met diens profiel voor ogen hoopt hij de oudere echte moordenaar op te sporen en te ontmaskeren. Justin raakt bevriend met journaliste Sally Barwick van de Chicago Tribune, eerst via “Shadow World”, maar later ook in het echt. Ook hij en Sally proberen de moordenaar van Anna Kat bij de kladden te grijpen. Een en nader leidt tot de bizarre achtervolging van een man die sprekend op Justin lijkt. Enz., enz.
Er zijn boeken die zo bijzonder zijn dat je ze maar moeilijk kunt opzij leggen. Dit is er zo een. Ik heb de diverse aanprijzingen niet nodig om er mijn uitgesproken waardering voor uit te spreken. Jullie willen toch externe meningen? De New York Post schrijft: “Guilfoile’s debut novel is truly haunting – a cautionary tale about scientific hubris, vengefulness and extremism in all its forms”. De Chicago Tribune voegt eraan toe: “Suspenceful… Ingenious… The plot twists more quickly than you can say desoxyribonucleic acid”. Ik ben het deze keer roerend met de recensenten van de kranten eens: het is een debuut zoals je dat jezelf als beginnende schrijver zou willen toewensen. Ik beloon “Cast Of Shadows” van Kevin Guilfoile zo maar met en 8½ als recensiecijfer. Wat een verhaal; het lijkt wel Stephen King in zijn beste jaren! Ik neem aan dat hij na zijn eersteling in 2005 nog wel weer thrillers zal hebben geschreven. Bij dezen zeg ik jullie toe dat hij als schrijver en jullie als recensielezers nog niet van me af zijn.
Buenas, queridos amigos y familia, ik had jullie voor vandaag een nieuwe brief beloofd en belofte maakt schuld: hier komt-ie. Ga er maar eens voor zitten, met koffie of thee, limonade of erger binnen handbereik, want iets spiritueels kan ik jullie wel bieden, maar niet van dat calorierijke spul dat via je slokdarm in je maag belandt (“De liefde van een man…”).
Bij mijn rit met bus 12 zuidwaarts en terug hoort steevast een verhaaltje. Dat van de beginvrijdag betreft – alweer – een reclame die ik onderweg langs de route tegenkom. Op aansprekende borden worden we gesommeerd om bijv. “barbacoa gourmet telepizza” te eten, naar een film als “Aliados” te gaan kijken, met Brat Pitt, dan wel acuut over de stappen op het nieuwste mobieltje van bijv. Samsung. Het aantal keren dat er een echt goed doel in the picture is, valt erbij in het niets. En was het nog “Amnesty international” of “Medicos sin fronteras”, dan zou ik er hier nog enige positieve ophef over kunnen maken. Echter, soms komen doelen voorbij waarop ik nooit mijn centen van zijn lang-zal-ze-leven zou zetten. Ik denk wel eens: daar zou de overheid eens een definitief stokje voor moeten steken.
Unicef bijv. staat erom bekend dat men ons al te graag het geld uit de zak wil kloppen. Uiteraard zijn er ook allerlei andere kapers op de kust, vooral in deze tijd van het jaar. Doe er wat kinderen en een ver, maar onderontwikkeld land bij en daar begint het incasseren. In deze brief vraag ik jullie aandacht voor educanepal.com. Hun breed uitgemeten slagzin luidt: “Con tu ayuda podemos evitar que terminen en el burdel”, met jouw hulp kunnen we voorkómen dat ze in een bordeel eindigen. Er staat een pracht van een foto bij met een schoolklasje schattige kinderen, “dibujando sonrisas”, met de glimlach op hun lippen. Het gaat bovendien niet om een eenmalige gift voor de minder bedeelden, “hazte socio-colabora”, lever je bijdrage op geregelde basis, zegt de aankondiging. Schande, schande!
Op de universiteit op de afdeling van Lluis had ik vrijdagmiddag weer eens contact met Cristina en Adriana. Cristina blijft de magerheid zelve, wat ze ook eet en drinkt, maar Adriana was in eerdere jaren te dik - horen jullie het eens van een insider. Kennelijk heeft ze de afgelopen zomer gelijnd tot de stukken ervan af vlogen. Nu is ze in ieder geval lichamelijk in zeer goede doen. Ik ga haar toch eens op de vrouw af vragen hoe het rigoureuze afvallen haar gelukt is.
Als Adriana in het andere gebouw koffie gaat halen, vraagt ze me of ik ook een bakje belief? Daar zeg je geen nee op, zelfs niet als later blijkt dat ze er een scheutje melk bij heeft laten doen.
Tegenwoordig eindigt mijn terugrit van de universiteit meestal niet bij de Luis Morote, maar verderop naar het noorden bij het Castillo de la Luz, het luchtkasteel. Omdat nu in Las Palmas de straatverlichting om half 7 aangaat, is mijn gang na mijn leespauze in het park nogal eens eerst naar het stadsbibliotheekje daar. Het ligt tegenover de Mariakerk met dezelfde achternaam als het kasteel: Iglesia de Nuestra Señora de la Luz. Voor wie ook voor deze “biblioteca publica municipal” in een naam geïnteresseerd is, ze is vernoemd naar ene Pepe Dámaso.
In een van de locale kranten daar lees ik dat de kerststal van zand vorige winter iets meer dan 203.000 bezoekers heeft getrokken. Het wordt tegenwoordig allemaal bijgehouden, hier ook. Het is mooi weer en iedereen hier hoopt dat wij dat getal deze keer gaan overtreffen.
Op de zaterdagmorgen weet ik niet hoe snel ik mijn Loretta Lynnplaat (zie vorige bief) moet inruilen voor iets anders. Tijd voor wat blues? Dan is nu zanger en gitarist Lowell Fulson aan de beurt. Hij is uit Tulsa (Oklahoma, dat ligt boven Texas), van 1921, het geboortejaar van mijn moeder, en geeft de geest in 1999, nog net voor het millennium. Volgens het internet is hij goed voor drie bekende nummers: “Three o’clock blue”, dat ik nog eens moet zien te bemachtigen, “Tramp”, dat heb ik wel en dan is er uiteraard “Reconsider baby”, een nummer waarmee destijds Elvis Presley een hit heeft gehad. Daar kun je mee thuis komen. Hier zijn alle 23 nummers van de verzamel-cd “Reconsider, baby”:
01.Lonely hours
02.Rock ‘em dead
03.Rock this morning
04.That’s all right
05.Blue shadows
06.Hung down head
07.Payday blues
08.Tolling blues
09.Black nights
10.Blues around midnight
11.Tramp
12.Reconsider baby
13.I’ve been mistreated
14.Country boy blues
15.Funky Broadway
16.Going back to Chicago
17.The blues is killin’ me
18.River blue (part 1)
19.Don’t be so evil
20.This feeling
21.Letter home
22.I want to know
Ander onderwerp: wat is “pleinvrees”, “engtevrees”, “vrees voor spinnen” in het Spaans? Het is allemaal “fobia” uiteraard, geen “miedo”, angst, want dat is te algemeen. Het Spaanse “agorafobia” had ik zelf kunnen bedenken, “claustrofobia” ook en zo waar ligt me ook het woord “arachnofobia” voor op de tong. In Maastricht maakt Peixia graag korte metten met mijn spinnenwebben, als die zich op mijn terras onder de balkonrand aandienen. “Telarañas” noemen ze die dingen hier.
Om mij niet opgehelderde reden denk ik de laatste dagen wel eens aan hoogtevrees. Ik zie mezelf staan op bijna het randje van een hoge flat, zonder omheining, en dan bedenk ik: dat ene stapje dichter bij de afgrond kan ik maar beter niet zetten. Men zegt wel eens: als mensen te dicht bij de rand gaan staan, hebben ze de neiging om maar naar beneden te springen, dan is de spanning tenminste voorbij. Met mijn laptop en mijn woordenboeken voor me vraag ik me serieus af wat “hoogtevrees” in het Spaans is. Dat wordt opzoeken: “miedo a las alturas” komt er voor mij het dichtste erbij, maar was “miedo” niet meer een algemeen angstgevoel? Op een hoger stijlniveau, alyhans volgens “d’n dictionair”, met “fobia” erin, zeg je “acrofobia”. Dat woord is nieuw voor mij!
Op zondagmiddag ben ik Lowell Fulson alweer moe en ga op zoek naar een nieuwe muziekmaker. Jullie weten dat Taj Mahal een mooie cd heeft gemaakt samen met Ry Cooder. Hun samenwerking heeft geleid tot “Rising sons” in 1992. Ik zet die cd graag in het rijtje waarmee Ry als producer furore heeft gemaakt. Dezelfde Taj Mahal is op mijn computerschijf goed voor meer blues. Ik heb een verzamel-cd uit 1996, genaamd “Phantom blues” em weten jullie dat Taj Mahal met de Hula Blues Band een live dubbel-cd op zijn naam heeft staan, uitgebracht in 2015, als ik het wel heb?
En dan kom ik na deze aanloop eindelijk bij het album dat ik jullie hier wil presenteren: “The Best Of The Private Years” uit 2000. Ik heb hem niet compleet; helaas pindakaas ontbreekt nummertje 5 op mijn versie. Is dit een Unvollendete van Rocky? Hoe dan ook, het ontbrekende nummer is “Señor blues”, dat jullie het maar weten, Taj Mahal, geboren in New York (Harlem) in 1942, is nog steeds alive and kicking. Hier zijn de twaalf nummers van “The Best Of The Private Years” die ik heb:
01.Blues ain’t nothing
02.Here in the dark
03.Mind your own business
04.Lovin’ in my baby’s eyes
05.Señor blues (niet dus)
06.Ooh poo pah doo
07.The hoochi coochi coo
08.Mr. Pitiful
09.Need your lovin’
10.I’m ready
11.Sophisticated mama
12.Mockingbird
13.That’s how strong my love is
Er zit de nodige muziek tussen die ik al van anderen ken, zoals Mr. Pitiful en “That’s how strong my love is” van Otis Redding en “I’m ready” van o.a. Fats Domino. Maar kennen jullie “Ooh poo pah doo” als nummer van Ike & Tina Turner? Als je toch bezig bent, luister dan ook eens op deze cd naar bijv. “Need your lovin’” (kekke tekst), “Mockingbird” en zeker ook “Mind your own business”.
In Maastricht vroeger kreeg je bij je doopsel een peetvader en peetmoeder toegewezen, een “peter” en “paat”. In mijn geval was mijn ”peter” mijn opa Zjeira (“sjrijf ziech dat zoe?”), met officieel dezelfde naam als ik: Paul Gerard. Mijn “paat” was de zus van mijn moeder, “tant Jès”. Dezelfde “tant Jès” was ook de “paat” van mijn nicht Annemie, dochter van mijn moeders jongere broer Väös en zijn vrouw Ria. Annemie, ex-wiskundelerares, loop ik nog ieder jaar met carnaval tegen het lijf. Ik vind haar best aardig.
Vandaag op haar verjaardag, 12 december, moet ik “tant Jès” maar eens met terugwerkende kracht in de schijnwerper zetten. Als jonge vrouw had ze lang gewerkt in Luik en ze sprak vloeiend Waals. Als meisje van Sint Pieter trouwde met Maastrichtenaar Ee (“noonk Eduard”). Kinderloos als ze waren (had “tant Jès” vroeger een niet helemaal succesrijk afgebroken abortus gehad?) begonnen ze samen een winkel in bonbons en vlaai aan het Kemenadeplein in de Maastrichtse wijk Nazareth. Dat was in samenspraak met eenzelfde banketbakkerij in de Spilstraat, genaamd Duchateau. De mensen in de Spilstraat gingen over de vlaai en “noonk Eduard” over de chocolade. In de ruimte ernaast verkochten “tant Jès” en “noonk Eduard” ook nog eens drank. Ze werkten bij mijn weten keihard en de nering legde hun bepaald geen windeieren. In de familie deed het verhaal de ronde dat ze heel rijk waren (hoewel de peetkinderen Annemie en ik daarvan niks terugzagen bij hun overlijden). “Tant Jès” overleed als eerste van de twee aan een beroerte, en “noonk Eduard” eindigde al voor zijn 65ste op Klevarie vanwege zijn Alzheimer.
Ik heb nog een detail voor het nageslacht. Toen Eva geboren werd begin 1977, kregen we van hen een zilveren lepeltje met Eva’s naam erop. Een apart cadeau!
We zijn intussen alweer een generatie verder dan Eva. Ik heb een nieuwtje over mijn zesjarige kleindochter Lux. Via een heuse e-mail van haarzelf liet ze o.a. mij weten dat haar A-diploma zwemmen “in the pocket” is. Eva maakte een foto van de trotse zwemster in roze badpak bij de uitreiking en die komt uiteraard op mijn prikbord te hangen. Perfisia, Lux, good gedoon!
En zoals dat gaat, Trudie geeft weer eens hoog op van haar kleinzoon Yves. Ze wil een kerstboom in huis gaan halen, met kribbe, en in zo’n boom horen kerstballen. Heeft ze Yves net geleerd wat spierballen zijn en nou wil het ventje ook zijn spierballen graag in de boom hebben hangen.
Maandagavond bij het bibliotheekje aan Las Canteras keek ik eens wat de loting die middag had opgeleverd tussen de zestien overgebleven voetbalclubs in de Champions League. Hebben jullie het al lang en breed gehoord op een van de vele sportuitzendingen op de tv? Dan mag je de rest van dit bericht overslaan. Hier zijn de acht wedstrijden op papier:
14 februari & 8 maart: Paris SG – Barcelona
Benfica Lissabon – Dortmund
15 februari & 7 maart: Real Madrid – Napoli
Bayern München – Arsenal Londen
21 februari & 15 maart: Leverkusen – Atletico Madrid
Manchester City – Monaco
22 februari & 14 maart: Sevilla – Leicester
Oporto – Juventus Turijn
De wedstrijden beginnen steeds om kwart voor 9 voor jullie en in Las Palmas een uur eerder. De heenwedstrijden van Barcelona en Real Madrid kan ik hier nog bekijken, mocht ik daar zin in hebben, in de week voordat ik voor mijn carnaval naar Maastricht kom. De wedstrijden de week erop, op 21 en 22 februari, zijn voor mij en jullie om kwart voor 9 Nederlandse tijd. Voor het bekijken van de terugwedstrijden, altijd spannender dan de heenwedstrijden, ben ik weer op Las Palmas aangewezen.
Ik kreeg op de computer van de bieb de tip om weer eens aanwezig te zijn bij het kerstconcert van de Banda Municipal van de stad. Al vele jaren ben ik een beetje een fan van de symfonische harmonie van een mannetje of 25 à 30, die dezer dagen klassieke muziek afwisselt met kerstnummers. Het concert is deze winter op de plaza Santa Ana, bij de kathedraal, op dinsdag 20 december ‘s avonds om 8 uur. Ik denk dat ik daar volgende week maar eens mijn gezicht ga laten zien. Een mens, zeker een man alleen op leeftijd, moet toch wat. Heb ik wellicht tevens een aardig verhaaltje voor mijn volgende weblogbrief.
Op de dinsdagmorgen kijk ik eens over de balkonrand, als de kinderen in blauw-wit net weer afgetaaid zijn naar de katholieke school rechts van mij. Ik zie een drietal oplettende toeschouwers bij café voorheen El Escudo staan, terwijl een kennelijke slotenmaker de deur uit zijn hengsels probeert te lichten. Even later voegt de vader van mijn Vader & Zoon overburen zich bij hen, terwijl hij enigszins opgewonden over de deur ernaast praat. De voorzitter van het bewonerscomité van het flatgebouw wil zijn gezag laten gelden. Hoe dan ook, de oude ingang van het café wordt onklaar gemaakt en er wordt een nieuwe deur ingezet. Binnen wordt er intussen druk geschilderd.
Ik ga even terug in de tijd. Toen ik begin november hier weer kwam, heb ik een paar keer last gehad van al te luidruchtige nachtelijke bankgesprekken voor de deur van de zaak. En opeens was de zaak weer dicht. Niet voor eeuwig, denk ik nu, als ik er later die ochtend langs loop. Er hangt nu een nieuw bord boven de nieuwe deur. De nering heeft de nieuwe naam “Way Out”, twee woorden, en er is volgens de ondertitel nu een Shisha Bar gevestigd.
Shisha, dat zoeken we op. Het woord “shish kebab”, ook wel (Turks) sis kebab genoemd, ken ik wel; dat zijn stukjes geroosterd vlees aan een pen met enige groente ertussen. Daarna zit ik in mijn woordenboek al bij “shit”. Wat heeft de nieuwe zaak voor mij in petto? Op de woensdagmiddag staan in ieder geval twee tafeltje met stoelen buiten onder een Tropical-parasol. Dezelfde woensdagavond zie ik enkele zwarte Afrikaanse dames op het terrasje, die zich de “comida Africana” (Sji Sha) goed laten smaken.
Terug naar de dinsdagmorgen. Nu ik toch op straat ben, kan ik net zo goed doorlopen naar de Mercado Central om een nieuwe voorraad koffie in te slaan. Ik erheen, tien minuten op je gemak lopen en op de markt koop ik naast twee kilo koffie tevens – bij een viszaak – grote diepvriespakken tuinbonen (“dikke boene”), sperzieboontjes alsmede erwtjes & worteltjes. Bij een winkel gespecialiseerd in boterhambeleg, die met een van mijn favoriete winkeljuffrouwen achter de toonbank, sla ik een flink stuk overjarige kaas in. “Bonisima” wordt mij door haar toegevoegd (ik zou zelf “bonisimo” gezegd hebben, maar wie ben ik?). In hapklare brokken gesneden is de smaak ervan echt of er een engeltje op je tong piest. Volgens mijn internist zit er een hoop zout in, maar wie maalt daarom, als hij op 3000 km van het azM zit.
Trots als een pauw loop ik met mijn spullen, allemaal keurig in plastic zakjes, huiswaarts. Even later zit ik in de keuken aan een copieuze maaltijd.
Hier zijn behalve El Corte Inglés vooral twee winkelketens in iedere buurt actief voor de dagelijkse boodschappen: die van de Hiperdino en van de Spar. Ik ben zelf meer van de Spar dan de Hiperdino. Misschien komt dat mede, omdat ik de mensen van die winkels, zeker die in de Alfredo Jones, behulpzamer vind en daarbij, DE SPAR is immers van oorsprong Nederlands. Voor de gewone slagers, visboeren en (andere) winkels voor de (min of meer) dagelijkse boodschappen ben je hier vooral op een van de drie overdekte markten aangewezen. Ik heb jullie al verteld dat er de laatste jaren in de stad een opleving is van nieuwe groentewinkels en ook wel bakkerijen. Laat ik daar hier aan toevoegen dat ik nu ook meer Marokkaanse slagers zie, met “halal”-vlees.
In Maastricht is de situatie slechter dan hier voor mensen die hun boodschappen graag doen in buurtwinkels en bij de kleine middenstand. Als ik met Eva als kind vroeger “kemissies” ging doen op de zaterdagochtend, had ze thuis gekomen al een of meer plakjes worst achter de kiezen plus een “pistoleke” en wellicht ook nog een banaan of appel. Nu zijn er aan de goede kant van de Maas haast geen andere winkels meer dan Albert Heijn en de Lidl, en vooruit, ook C1000, en een paar waar ik echt zelden of nooit kom. Natuurlijk, er zijn de laatste jaren wel weer acceptabele bakkers in het straatbeeld (“omdat AH er weinig van bakt”, woordgrapje), maar qua groenteboeren, kaaswinkels, viszaken en zelfs slagers is en blijft het behelpen. In mijn vroege jeugd in Wieck waren er alleen al in de Rechtstraat zo’n twintig slagers.
Langs deze mij onsympathieke weg meld ik jullie de ondergang van slagerij Jos (& Monique) Dreesen. Ton vertelde me per e-mail dat de zaak bij mij om de hoek, aan de Scharnerweg, dichtgaat per 1 januari a.s. Zo oud (als ik) zijn Jos en Monique nog niet. Echter, de nering moest het al langer grotendeels hebben van de verkoop aan bejaardenhuis de Koepelhof, terwijl het aantal losse klanten zoals ik, als ik in Maastricht verkeer, steeds spaarzamer werd, helaas. En na het ongeluk van eerst Monique en vlak daarop ook Jos vorig jaar, toen de slagerij een tijdje dicht moest, werd het er alleen maar minder op. Ik dacht al, toen Monique me deze zomer vertelde dat de winkel voortaan niet alleen op maandag, maar ook op dinsdag dicht bleef: is dit niet het begin van het einde? De sluiting gaat me echt “aon mien prij”.
(“Prij”, dames en heren, is in goed Maastrichts met een lange ij. En de Hollandse prei is in mijn dialect “poor”. Dat brengt me vanzelf bij een Maastrichts woord, waarmee ik maar geen vrede kan krijgen: het Nederlandse goed, als bijvoeglijk naamwoord. Ik heb de voortdurende neiging om daarvan in het Maastrichts “gooi” en “gooie” of “goje” te maken. Het is evenwel “gooj” en “gooje” met dubbele o en een j, zoals in “’n gooj blöts” en “’ne gooje roetsj”.)
Ik hoop Jos en Monique nog eens in Maastricht of wie weet waar elders tegen te komen. Vanaf 2017 ben ik voor mijn fijne vleeswaren nog meer dan vroeger aangewezen op enkele slagerijen verder weg, in het Wittevrouwenveld Huyts (van de gehaktballen) of in Wieck Schuurman. Permanent terugvallen op Albert Heijn is mij niet gegeven.
Van het een komt het ander en dus mag ik op de woensdagmiddag een nieuwe muzikant kiezen om jullie en mij te amuseren. Dit is mijn bluesweek, lijkt het wel, dus kies ik nu maar eens voor Jody Williams. Ik heb zijn muziek van Peter, neem ik aan, want er zit ook een registratie bij van een concert dat Jody Williams gaf in Heerlen in 2003. Wie kent niet zijn cd “You Left Me In The Dark” uit 2004, ik niet dus. Echter, zijn “Return Of A Legend” uit 2001 (of is het 2002?) bevalt me prima. Voor de statistiek: Jody is een zwarte man, geboren in 1935, dus intussen al 81 jaar jong. Kennelijk was hij eerder een bluesbekendheid, had hij daarna zijn terugval, maar kwam hij als herboren vlak na het millennium weer opnieuw opzetten. Hier zijn de dertien nummers van “Return Of A Legend”:
01.Lucky Lou
02.Come over to my house
03.Lifelong lover
04.You may
05.Moanin’ for molasses
06.Monkey business
07.I’m coming back in again
08.She found a fool and bumped his head
09.Jive spot
10.Brown eyes and big thighs
11.Wham bam thank you ma’am
12.What you gonna do
13.Henpecked and happy
Laat ik eerlijk toegeven dat de man (in 2001 was hij 66 jaar) op de plaat best nog een volle stem heeft. Zet maar eens “I’m coming back again” of “Wham bam thank you ma’am” op. Tegelijkertijd is hij, zoals zo vele oude bluesartiesten, ook een begenadigde gitarist. Zijn drie instrumentale nummers op de cd: “Lucky Lou”, “Moanin’ for molasses” (molasses is stroop) en “Jive spot” getuigen daarvan.
De Verenigde Staten, het geboorteland van de blues, heeft, hoe kan het anders, veel meer interessante blues artiesten dan het handje mensen dat je steeds opnieuw op verzamelplaten tegenkomt. Daar hoort m.i. ook Jody Williams bij.
Op de donderdagmiddag doe ik weer eens net of ik een liefhebber van moderne kunst ben. In het Centro de Arte La Regenta bij Santa Catalina bekijk ik een twintigtal schilderijen van ene Félix Juan Bordes. De man is behalve schilder ook architect, zelfs professor architectuur aan de universiteit hier. Zijn schilderstukken zijn groot en abstract, met veel kleuren. Af en toe doen ze me denken aan wat je bij een zeer behoorlijke vergroting onder een microscoop tegenkomt. Aardig, ja, vind ik zijn “Todo lo que fluye” tentoonstelling, kleurrijk ook, maar echt mooi, dat niet.
Even verderop in de richting van El Corte Inglés kom ik voorbij een winkel, waar de “conguitos” de baas spelen. Het zijn kleine bruine poppetjes, eetbaar?, die bekend zouden zijn van facebook. Veel verder met mijn informatie kom ik niet, want met facebook heb ik niks. In kapitalen zie ik in de etalage staan: SOMOS LOS CONGUITOS, Y ESTAMOS REQUETEBUENOS...” Requetebuenos? Het lijkt op het Nederlandse woord “retegoed” met een snufje “retteketet”.
Aan de gevels van El Corte Inglés hangen zoals steeds in december de bekende wit uitgeslagen vriestekeningen plus een beperkt aantal kerstballen. En dan bespeur ik ook hun “75”, om aan te geven dat de keten intussen 75 jaar bestaat. Even terugtellen, dan opende men zijn winkels in 1941, overduidelijk in het begin van de Franco-tijd. Mocht dat toendertijd wel: El Corte Inglés, de Engelse snit? Anno nu zijn er buiten, tussen de twee winkels, wel prachtige banken met straatverlichting, om je boek te lezen of de winkelende mensen uit te kijken.
En daarmee is het alweer op voor deze volle week. Ik ga ervan uit dat Jozef en Maria intussen op pad zijn, om zich vanuit Nazareth naar Bethlehem te begeven om zich daar bij de burgerlijke stand te gaan melden. Dat is best een onderneming, zeker als je te voet bent en Maria ook nog hoogzwanger is. Dan doe je daar meer dan een week over. Uit mijn volgende brief zal blijken dat er in Bethlehem geen slaapplaats meer te krijgen is, dat alleen nog een stal in de buurt beschikbaar is. Daar gaat Maria volgende week zondag dan voor de zoveelste keer bevallen voor de mensen die haar en het kindeke Jezus een goed hart toedragen. Maar zo ver is het nog niet. Na mijn brief van vandaag heb ik eerst nog een nieuwe brief voor jullie in petto vóór de kerst, op 22 december, volgende week donderdag.
Zet intussen rustig eens een boom op. En vergeet niet om op enige afstand van de stal alvast een stoet met drie koningen in gereedheid te brengen, want laten we de glorieuze nasleep, op 6 januari, niet vergeten. Het ga jullie goed in het kikkerlandje, ook nu al, en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKBIJLAGE
Ton stuurt me af en toe een verhaaltje over hoe Maastricht erbij staat. Van hem heb ik bijv. een stukje over het onlangs omkappen van alle bomen op het Oranjeplein. Het is daar nu één kale vlakte, als ik de torenflat niet meereken. Ik ben bang dat zelfs de spreeuwen eind augustus hun gezicht niet meer laten zien.
Soms verrast dezelfde Ton me met een thrillerschrijver die mij onbekend is en die ik per se eens moet gaan lezen volgens hem. Deze week maakt hij mij attent op de Zweedse auteur Kjell Genberg, wiens werk uiteraard in het Centre Ceramique te leen is. Ton heeft alle vier de boeken van Genberg in tien dagen tijd uitgelezen, ook nog eens in de juiste volgorde. Misschien ga ik er in mei ook eens aan beginnen. Het eerste van de vier heet “Retour Stockholm”.
Zo gaat dat wel vaker. Op zijn tijd krijg ik via mijn familie en vrienden dan wel via een boeken”site” (zoals bijv. de VN thrillergids) te horen dat ik een bepaalde thrillerauteur die ik nog niet ken of een moordboek dat mij nog vreemd is, nodig eens moet gaan lezen. Zo’n schrijver of boek krijgt dan een plekje in mijn BOEKENVERLANGLIJST.
Deze week heb ik voor jullie een thriller van Kevin Guilfoile. Hij heet “Cast Of Shadows” en is uit 2005. Wie mij het boek heeft aanbevolen, ben ik kwijt. Het verhaal speelt zich af in Chicago en omgeving.
In het boek wordt als vanzelf aangenomen dat ik ermee bekend ben wat verstaan wordt onder mensen klonen. Je maakt uit één lichaamscel een embryo, dat je in het laboratorium verder kweekt en dan implanteert bij een vrouw die uiteindelijk van een kind gaat bevallen. In het boek van Guilfoile lopen er al heel wat klonen rond en is er ook een anti-klonenclub (“Hands of God”) die daar te vuur en te zwaard tegen strijdt.
In “Cast Of Shadows” kom ik nog een tweede euvel tegen. Een groot deel van de mensen is (in het boek) niet alleen actief in het echte leven, maar ook in een getrouwe computerkopie daarvan, genaamd “Shadow World”. Het spel is heel erg populair en sommige, vooral jonge mensen zijn al zo ver dat ze net zo lang in hun “schaduwwereld” zitten als in hun echte leven. In die wereld kun je je hetzelfde gedragen als in het echt, maar bijv. ook meer risico’s nemen, met alle goede en kwalijke gevolgen van dien.
Dokter Davis Moore, gespecialiseerd in klonen, wordt belaagd door Micky The Gerund, een moordenaar in dienst van de “Hands of God”. Hij overleeft een aanslag van Mickey maar ternauwernood. Anderhalf jaar later wordt Moore’s dochter Anna Kat aangerand en vermoord. De kloondokter doet vervolgens iets waar hij nog spijt van gaat krijgen: hij gebruikt het DNA van de aanrander om een nieuwe kloon te maken en die te implanteren bij Martha Finn die geen kinderen kan krijgen en met de wens om een kloon bij hem komt. Uiteraard is het klonen van nog levende personen officieel verboden.
Ik sla een stukje van het verhaal over en vertel jullie dat haar zoon en kloon Justin opgroeit tot een hyperintelligente jongen. Davis Moore laat hem niet helemaal los en kan zien hoe de jongen er op verschillende leeftijden uitziet. Met diens profiel voor ogen hoopt hij de oudere echte moordenaar op te sporen en te ontmaskeren. Justin raakt bevriend met journaliste Sally Barwick van de Chicago Tribune, eerst via “Shadow World”, maar later ook in het echt. Ook hij en Sally proberen de moordenaar van Anna Kat bij de kladden te grijpen. Een en nader leidt tot de bizarre achtervolging van een man die sprekend op Justin lijkt. Enz., enz.
Er zijn boeken die zo bijzonder zijn dat je ze maar moeilijk kunt opzij leggen. Dit is er zo een. Ik heb de diverse aanprijzingen niet nodig om er mijn uitgesproken waardering voor uit te spreken. Jullie willen toch externe meningen? De New York Post schrijft: “Guilfoile’s debut novel is truly haunting – a cautionary tale about scientific hubris, vengefulness and extremism in all its forms”. De Chicago Tribune voegt eraan toe: “Suspenceful… Ingenious… The plot twists more quickly than you can say desoxyribonucleic acid”. Ik ben het deze keer roerend met de recensenten van de kranten eens: het is een debuut zoals je dat jezelf als beginnende schrijver zou willen toewensen. Ik beloon “Cast Of Shadows” van Kevin Guilfoile zo maar met en 8½ als recensiecijfer. Wat een verhaal; het lijkt wel Stephen King in zijn beste jaren! Ik neem aan dat hij na zijn eersteling in 2005 nog wel weer thrillers zal hebben geschreven. Bij dezen zeg ik jullie toe dat hij als schrijver en jullie als recensielezers nog niet van me af zijn.
vrijdag 9 december 2016
Weblogbrief 12.07, 9 december 2016
Weblogbrief 12.07, 9 december 2016
Queridos amigos y familia, laat ik deze keer eens beginnen met Lucinda toe te laten tot de familie van Trudie. Het meisje uit oorspronkelijk Columbia is al meer dan een jaar de vriendin van Arno, eerst stiekem en daarna echt, maar tot voor kort was het puur zijn verhaal en kenden we haar behalve van één foto nog niet. Onlangs echter heeft Trudie “face to face” kennis met haar mogen maken, in Den Bosch en onder het goedkeurend oog van Arno uiteraard. Ze is een aantal jaren jonger dan hij, heeft rechten gestudeerd en doet of liever deed in Maastricht hetzelfde soort werk als Arno. Het is volgens Trudie die avond met Lucinda en Arno heel gezellig geworden. En – het moest er vervolgens maar van komen – op surprisenavond in Eindhoven de afgelopen maandagavond stond ze daar als cadeautje ook voor de deur. Een heel leuk meisje, hoor ik van Trudie, uit de tweede hand. Misschien krijg ik met carnaval al de kans om haar in levenden lijve te betrappen, wie weet.
Daar hoort passende muziek bij. Ik denk dan als allereerste aan het nummer “Lucinda” van Billy Ward and the Dominoes, uit 1956. Billy Ward is op de keper beschouwd niet meer dan de eigenaar van de groep de Dominoes. De zanger van de groep op de plaat is Gene Mumford (nadat Billy Ward eerst Clyde McPhatter en daarna Jackie Wilson versleten had). “Lucinda” is de B-kant van de hit “Stardust”, dat de Amerikaanse top 20 haalt in 1957. Wij hadden de 78-toerenplaat thuis in Maastricht, draaiden die graag op onze pick-up onder de nieuwe radio en wat vond ik het toen al een mooi nummer. Mijn vader met name kon “Stardust” foutloos meezingen, zeker als hij een glaasje op had. Zoek “Lucinda” van Billy Ward and the Dominoes maar eens op. You Tube heeft het uiteraard, helaas zonder echt filmpje, dat weer wel.
Jullie willen nog andere nummers die als “Lucinda” door het leven gaan? Dan zet ik mijn zoekmachine op de computer eens voor jullie aan. Ik blijk op mijn extra schijf een “Lucinda” nummer te hebben staan van Don Nix (op “Going down, The Songs of Don Nix” uit 2002), Randy Newman (op “12 Songs” uit 1970) en Tom Waits (op “Glitter And Doom Live” uit 2009).
Niettemin, de hoofdmoot – en ook dat weet ik al jaren – is niet een pak liedjes met “Lucinda” als titel, maar de hele platencollectie van Lucinda Williams. Zij intussen heeft met verscheidene artiesten geduetteerd, maar is solo nog eens goed voor een twaalftal albums, die er stuk voor stuk zijn mogen, van “Ramblin’” uit 1979 tot “Down where the spirit meets the bone” uit 2014. En afgelopen zomer kon ik haar nieuwste cd uit 2016 zonder pardon oppikken bij Centre Ceramique: “The Ghosts Of Highway 20”. Hier zijn de twee keer zeven is veertien nummers:
01.Dust
02.House of earth
03.I know all about it
04.Place in my heart
05.Death came
06.Doors of heaven
07.Louisiana story
08.Ghosts of highway 20
09.Bitter memory
10.Factory
11.Can’t close the door on love
12.If my love could kill
13.If there’s a heaven
14.Faith & grace
Om nou te zeggen dat het een en al vrolijkheid op de plaat is, nee, dat kan ik er niet van maken. Dit is niet de muziek om bij op de keukentafel te staan dansen, meer iets voor in de wachtkamer van een drukke psychiater. Toch vind ik haar op dit album al weer apart klinken, zeker als ik het een paar keer afluister. Lucinda Williams, je moet er even aan wennen. Uitschieters naar boven? Dan noem ik hier “Dust”, “I know all about it”, “Doors of heaven”, “Ghosts of highway 20” en zeker ook “Can I close the door on love”. De singer-songwriter uit Lake Charles in het zuidelijke Louisiana blijft me verbazen, ook nu ze van de Amerikaanse Drees trekt.
Op de “Dia de la Constitución” kijk ik nog even terug op gisteren. Op de terugweg van de faculteit met bus 12 zag ik pas goed, hoe erg de palmbomen daar in de Antigua Carrera del Sur (de weg bovenlangs) gekortwiekt waren. Het leek wel of we niet op Kerstmis maar op Palmpasen af aan het gaan waren.
Veel akeliger vond ik de complete afwezigheid van personeel in het faculteitsgebouw op de vijfde ‘s middags. Zo ongeveer iedereen behalve ik had kennelijk een brugdag genomen. Toen een verdwaalde studente op mijn kamer kwam vragen waar “ze” gebleven waren, kon ik haar gemopper slechts bevestigen. Onze hele lange gang was zo leeg als wat en bij mijn buren op twee hoog aan de kant van de bibliotheek was het evenzeer nagenoeg uitgestorven. Universiteiten, ze betalen misschien slecht, maar je hebt wel meer vrijheid, vrije tijd.
Als ik op het einde van de middag maar weer eens het rechter stuk van Las Canteras doe, valt me op hoe druk het daar is “op een dag als vandaag”. Van “cantidad de peques” tot “yaya”, van Messi in de dop tot “patsch”, iedereen wil hier vanavond zien en gezien worden. Het kost me op verscheidene plekken zelfs moeite om in het soms uiterst langzame tempo te blijven meegaan.
Verderop ben ik blij als ik de zandkastelen kerststal nader. Die is nu open en er is een wachtrij van een metertje of twintig. Ik zie dus geen enkele reden om alvast een kijkje te gaan nemen. Ik doe het voor de kerstboom op de boulevard, die – blauw verlicht en wel – toch ietsje minder van een rechtop staande Heinekenreclame heeft dan ik eerst dacht. Op naar mijn bank bij Ferreras!
Daar is het nog altijd goed toeven. Vanavond is er echter een mankement. In het midden van onze grote halfronde bank is een man in zijn eentje. Hij zit meer voorover dan wat anders en af en toe neemt hij een ferme slok uit een grote fles witte rum. Dat komt zijn gestel helaas niet echt ten goede. Als hij maar eens opstaat om de andere aanwezigen te bemonsteren, valt hij bijna om, achterover, maar dan weet hij zich toch weer in de normale verticale stand te trekken. Hij krijgt kennelijk honger (“hambre”, maar is het niet eerder trek, “apetito”?) en begint bij de diverse bankzitters, ook bij mij, om geld te bedelen. Dat is niet de bedoeling, meneer de zatladder, “pellejo” dat je bent. Als hij weer terug bij “af” is , vertrekken we een voor een maar eens naar elders. Ik vervolmaak mijn ommetje door langs de diverse terrassen op het korte stuk in de richting van visrestaurant La Marinera te sjokken, met het standbeeld van de omgekomen visser (nog altijd aan de shag) op de hoek.
Op de woensdagmorgen zit ik goed en wel met mijn koffie op het balkon, als de bel gaat. Etel, altijd aan de vroege kant, wil toegelaten worden om te komen schoonmaken. Eenmaal binnen vertelt ze me steevast een verhaaltje, waarvan ik steevast maar de helft of zo begrijp. Wat Peixia in Maastricht met mijn Nederlands heeft, heb ik hier met de Argentijnse waterval van Etel.
Dan gaat ze aan de slag. Daarvoor heeft ze mij in het geheel niet nodig. Een keer, vraag ik haar vanmorgen, waarom ze ook alle ramen aan de binnen- en buitenkant een beurt geeft, maar haar simpele antwoord is dat dat weer eens nodig is. Als ze na 3½ uur (!) haar spullen pakt om weer haar weegs te gaan, krijg ik een “gracias” alsof ik bij haar thuis heb zitten poetsen in plaats van zij bij mij. Over twee weken komt ze opnieuw kijken of ik er niet een troep van gemaakt heb.
Ergens halverwege woensdagmiddag vind ik dat ik Lucinda Williams eens moet inruilen voor nieuwe muziek. Laat ik voor de variatie eens een gouwe ouwe uit de kast toveren: Loretta Lynn. Ze is van 1932 - toen was ik min 14 – en uit het Amerikaanse Kentucky. Een echte topperiode voor haar was de eerste helft van de jaren 70, toen ze samen met Conway Twitty de ene hit na de andere had. In 2005 kwam de cd uit waarop voor mij het hele repertoire van het tweetal opstaat, 24 nummers. En die Conway Twitty, die kennen jullie toch nog wel van popnummers als “Lonely blue boy” en vooral “It’s only make believe”?
Onlangs had de nu 84-jarige een nieuwe cd, genaamd “Full circle”. Ze kreeg daarbij enige hulp van Elvis Costello en van Willy Nelson, maar op de keper beschouwd is en blijft het gewoon een mooie cd van haar zelf. Haar stem klinkt trouwens nog steeds te klinken alsof ze net van school komt. Hier zijn de veertien nummers:
01.Intro
02.Whispering sea
03.Secret love
04.Who’s gonna miss me
05.Black Jack David
06.Everybody wants to go to heaven
07.Always on my mind
08.Wine into water
09.In the pines
10.Band of gold
11.Fist city
12.I will never marry
13.Everything it takes (+ Elvis Costello)
14.Lay me down (+ Willy Nelson)
Er is nog steeds niks mis met Loretta Lynn. Haar album “Full circle” uit 2016 brengt oude C&W-heriineringen bij me boven. Laat ik hier eens niet wijzen op het bekende werk en ook niet op “Everybody wants to go to heaven” (but nobody wants to die…). Ik vraag jullie speciale aandacht voor haar eerste zelf bedachte nummer Whispering sea”, maar ook voor bijv. “Who’s gonna miss me”, “Wine into water”, “I will never marry” en – met Elvis Costello op de achtergrond – “Everything it takes”. Ze kan het nog altijd, de hoogbejaarde Loretta Lynn.
Vanmorgen – op de dag dat in Nazareth de minst bekende van de drie goden van de katholieke kerk een bezoek brengt aan de moeder van een van de andere twee – wordt mijn stukje autovrije straat er steeds beter op voor de Palmezen die in de natte horeca geïnteresseerd zijn. Er zijn nu drie terrassen voor mijn deur alleen al, met elk vier tafeltjes op de denkbeeldige stoep buiten. Bij mij beneden resideren “Carlos” en “Tóbalo” uiteraard in hun “Nuevo Murias” en ernaast staan de dames van “De Francesco” te bedienen, met hun hele hebben en houden. Vanaf mijn balkon schuin naar links gaat de derde nering vandaag de dag door het leven als “Taberna Don Manué”. En dan heb ik het niet eens over de proeflokalen direct voorbij de Secretario Artiles.
De zaak van Don Manué is wat je noemt echt een prima bijdrage aan de feestvreugde. Ze gaat later open dan de andere twee – vooral Carlos is echt een man van de “madrugada” – maar ik zie daar ‘s avonds laat wel nog mensen op het terras zitten. Sinds deze week hangt er nu ook een tv-scherm buiten aan de muur, voor “el futbol”, en dat kan ik zelfs vanaf mijn balkon nog net zien. Als ik vanaf nu enkele toeschouwers op het terras hoor juichen (of huilen uiteraard), kan ik met enige goede wil op het scherm daar zien wat er net gepasseerd is. Ik zal toch eens op een zondag, als cafetería Nuevo Murias dicht is, mijn natte licht bij Don Manué gaan opsteken.
En dan is het donderdagavond tijd voor de film “Publieke Werken” op mijn laptop, met dank aan Henk. Hij duurt ruim 100 minuten, de regisseur heet Joran Lürsen en wie spelen er de mannelijke hoofdrollen? Dan noem ik hier Gijs Scholtens van Aschat en Jacob Derwig, dat jullie het maar weten. Het is – eindelijk – de verfilming van het eerdere prachtboek van Thomas Rosenboom (een habitué van Café de Zwart in Amsterdam).
Het is 1888, als op twee plekken in Nederland iets gebeurt. In het hoge noorden, Hoogeveen en omgeving, zien de turfstekers het einde van hun bezigheid naderen. Christiaan Anijs, drogist zonder academisch diploma, geen dokter, ook geen apotheker, helpt mensen met zijn kruiden. Hij is een meer sociale hulp dan dat hij de dokter wil spelen. Bij een bevalling overlijdt een baby en als die wordt begraven zonder medisch certificaat, komt de echte dokter (Amshof) in het geweer. De turfstekers en hun familie willen intussen het liefste per boot naar Amerika om daar een nieuwe toekomst op te bouwen.
Tegelijkertijd wordt een vioolbouwer in Amsterdam aan de Tesselsekade 46 tegenover het nieuwe Centraal Station geprest om zijn huis te verkopen, omdat daar het Victoriahotel moet komen. De man, neef van eerder genoemde drogist, heet Walter Vedder. Als hij weigert te verkopen, net als zijn buurman, klerenmaker Carstens, wordt het hotel gewoon om de twee kleine huisjes heen gebouwd. Met hem loopt het slecht af, maar de overtocht naar Amerika van de turfstekers wordt wel een succes.
Ik vond het boek van Thomas Rosenboom destijds heel mooi en ik ben wat blij dat de film ook best aardig gelukt is. Het is even behelpen, dit kijkje op het leven in Amsterdam en in de buurt van Hoogeveen zo’n 125 jaar terug, maar jullie moeten de film ook maar eens gaan zien. Achteraf in bed op donderdagavond laat probeer ik te bedenken hoe het leven er volgens mij over 125 jaar van nu, in 2140, zal uitzien. Ik heb helaas geen flauw idee.
En daarmee kom ik aan het einde van deze vooral kwalitatief uitstekende brief. Ik heb wel eens langere in elkaar geflanst, maar wat willen jullie in zo korte tijd. Ga de komende dagen vooral door met waarmee je bezig was, zoals je (klein)kinderen bepotelen of kom eens met een nieuwe hobby aanzetten. Mijn volgende brief heb ik niet eerder voor jullie dan op vrijdag 16 december, over een week. Ik zou niet weten wat ik daarin weer kwijt ga moeten, maar komt tijd, komt raad.
Begin eens met een eerste ronde langs de mensen die kerstbomen in de verkoop hebben. En sla wat gekleurde eieren in; daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen! Hier heb ik ze in ieder geval zien liggen bij El Corte Inglés. De feestmaand is nog lang, zelfs de donkere dagen voor kerstmis zijn nog niet in zicht, dus maak het wel niet te gek. Veel tussentijds plezier de komende week en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKBIJLAGE
Wie veel leest, heeft best wat te vertellen over zijn boeken. Echter, als je behalve twee halve maar drie volle dagen hebt om bij te lezen, ben je echt blij, als je vóór je volgende brief tenminste één boek helemaal hebt uit gekregen. Afgelopen maandag begon ik aan “Set in darkness” van Ian Rankin uit 2000, 465 bladzijden. Voor uitleg over de titel, zie blz. 157. Pas gisteravond had ik het uit en ik heb er echt mijn best voor moeten doen. Het speelt uiteraard in Edinburgh, vlak voor de eerst Schotse parlementsverkiezing alsmede twintig jaar eerder, toen eenzelfde verkiezing niet doorging.
Er past deze keer een aantal verschillende verhalen in het grote geheel. Siobhan Clarke wordt gestalkt door een collega detective, Derek, die enkele keren met haar is uit geweest. Dezelfde Los daarvan krijgt Siobhan beroepshalve van doen met een kleine crimineel, Nic, die niet van de vrouwtjes kan afblijven. En het kan niet op, ze krijgt ook nog het lijk van een brugspringer op haar dak. Het blijkt een zwerver te zijn, genaamd C. Mackie, die vroeger met grondspeculatie te maken zou hebben gehad.
Waar blijft John Rebus? Die helpt uiteraard Siobhan bij haar verscheidene zaken, maar is in dit boek vooral in de weer om de recente moord op een aankomend Schots parlementslid te onderzoeken. Als vervanger van deze Roddy Grieve dient zich nu zijn vrouw Seona aan en een oudgediende van de gemeente, genaamd Arthur Ure. Terzijde wordt ook nog een twintig jaar oud lijk, al snel “Skelly”gedoopt, ontdekt tussen de resten van een voormalige ziekenhuiskeuken, op een plek waar nu de nieuwe parlementsgebouwen gaan verrijzen. Staan de diverse zaken echt wel los van elkaar of hebben ze met elkaar te maken? En wat is de rol van criminelen eerder Bryce Kallen en nu Big Ger Cafferty bij de grondspeculatie? Loopt de baas van een groot bouwbedrijf, Barry Hutton, niet al te prominent door het beeld?
Hoe het tussen Siobhan en John loopt in dit boek, houd ik maar even voor me. “Set in darkness” van Ian Rankin vind ik intussen, zoals diverse andere boeken van hem, een pareltje. Het is heel spannend en de menselijke maat komt gelukkig ook uitgebreid aan bod. Dit is er eentje voor mijn speciale opbergkast. Voor deze Rebus/Clarke heb ik als recensiecijfer met plezier weer een 8½ over.
Queridos amigos y familia, laat ik deze keer eens beginnen met Lucinda toe te laten tot de familie van Trudie. Het meisje uit oorspronkelijk Columbia is al meer dan een jaar de vriendin van Arno, eerst stiekem en daarna echt, maar tot voor kort was het puur zijn verhaal en kenden we haar behalve van één foto nog niet. Onlangs echter heeft Trudie “face to face” kennis met haar mogen maken, in Den Bosch en onder het goedkeurend oog van Arno uiteraard. Ze is een aantal jaren jonger dan hij, heeft rechten gestudeerd en doet of liever deed in Maastricht hetzelfde soort werk als Arno. Het is volgens Trudie die avond met Lucinda en Arno heel gezellig geworden. En – het moest er vervolgens maar van komen – op surprisenavond in Eindhoven de afgelopen maandagavond stond ze daar als cadeautje ook voor de deur. Een heel leuk meisje, hoor ik van Trudie, uit de tweede hand. Misschien krijg ik met carnaval al de kans om haar in levenden lijve te betrappen, wie weet.
Daar hoort passende muziek bij. Ik denk dan als allereerste aan het nummer “Lucinda” van Billy Ward and the Dominoes, uit 1956. Billy Ward is op de keper beschouwd niet meer dan de eigenaar van de groep de Dominoes. De zanger van de groep op de plaat is Gene Mumford (nadat Billy Ward eerst Clyde McPhatter en daarna Jackie Wilson versleten had). “Lucinda” is de B-kant van de hit “Stardust”, dat de Amerikaanse top 20 haalt in 1957. Wij hadden de 78-toerenplaat thuis in Maastricht, draaiden die graag op onze pick-up onder de nieuwe radio en wat vond ik het toen al een mooi nummer. Mijn vader met name kon “Stardust” foutloos meezingen, zeker als hij een glaasje op had. Zoek “Lucinda” van Billy Ward and the Dominoes maar eens op. You Tube heeft het uiteraard, helaas zonder echt filmpje, dat weer wel.
Jullie willen nog andere nummers die als “Lucinda” door het leven gaan? Dan zet ik mijn zoekmachine op de computer eens voor jullie aan. Ik blijk op mijn extra schijf een “Lucinda” nummer te hebben staan van Don Nix (op “Going down, The Songs of Don Nix” uit 2002), Randy Newman (op “12 Songs” uit 1970) en Tom Waits (op “Glitter And Doom Live” uit 2009).
Niettemin, de hoofdmoot – en ook dat weet ik al jaren – is niet een pak liedjes met “Lucinda” als titel, maar de hele platencollectie van Lucinda Williams. Zij intussen heeft met verscheidene artiesten geduetteerd, maar is solo nog eens goed voor een twaalftal albums, die er stuk voor stuk zijn mogen, van “Ramblin’” uit 1979 tot “Down where the spirit meets the bone” uit 2014. En afgelopen zomer kon ik haar nieuwste cd uit 2016 zonder pardon oppikken bij Centre Ceramique: “The Ghosts Of Highway 20”. Hier zijn de twee keer zeven is veertien nummers:
01.Dust
02.House of earth
03.I know all about it
04.Place in my heart
05.Death came
06.Doors of heaven
07.Louisiana story
08.Ghosts of highway 20
09.Bitter memory
10.Factory
11.Can’t close the door on love
12.If my love could kill
13.If there’s a heaven
14.Faith & grace
Om nou te zeggen dat het een en al vrolijkheid op de plaat is, nee, dat kan ik er niet van maken. Dit is niet de muziek om bij op de keukentafel te staan dansen, meer iets voor in de wachtkamer van een drukke psychiater. Toch vind ik haar op dit album al weer apart klinken, zeker als ik het een paar keer afluister. Lucinda Williams, je moet er even aan wennen. Uitschieters naar boven? Dan noem ik hier “Dust”, “I know all about it”, “Doors of heaven”, “Ghosts of highway 20” en zeker ook “Can I close the door on love”. De singer-songwriter uit Lake Charles in het zuidelijke Louisiana blijft me verbazen, ook nu ze van de Amerikaanse Drees trekt.
Op de “Dia de la Constitución” kijk ik nog even terug op gisteren. Op de terugweg van de faculteit met bus 12 zag ik pas goed, hoe erg de palmbomen daar in de Antigua Carrera del Sur (de weg bovenlangs) gekortwiekt waren. Het leek wel of we niet op Kerstmis maar op Palmpasen af aan het gaan waren.
Veel akeliger vond ik de complete afwezigheid van personeel in het faculteitsgebouw op de vijfde ‘s middags. Zo ongeveer iedereen behalve ik had kennelijk een brugdag genomen. Toen een verdwaalde studente op mijn kamer kwam vragen waar “ze” gebleven waren, kon ik haar gemopper slechts bevestigen. Onze hele lange gang was zo leeg als wat en bij mijn buren op twee hoog aan de kant van de bibliotheek was het evenzeer nagenoeg uitgestorven. Universiteiten, ze betalen misschien slecht, maar je hebt wel meer vrijheid, vrije tijd.
Als ik op het einde van de middag maar weer eens het rechter stuk van Las Canteras doe, valt me op hoe druk het daar is “op een dag als vandaag”. Van “cantidad de peques” tot “yaya”, van Messi in de dop tot “patsch”, iedereen wil hier vanavond zien en gezien worden. Het kost me op verscheidene plekken zelfs moeite om in het soms uiterst langzame tempo te blijven meegaan.
Verderop ben ik blij als ik de zandkastelen kerststal nader. Die is nu open en er is een wachtrij van een metertje of twintig. Ik zie dus geen enkele reden om alvast een kijkje te gaan nemen. Ik doe het voor de kerstboom op de boulevard, die – blauw verlicht en wel – toch ietsje minder van een rechtop staande Heinekenreclame heeft dan ik eerst dacht. Op naar mijn bank bij Ferreras!
Daar is het nog altijd goed toeven. Vanavond is er echter een mankement. In het midden van onze grote halfronde bank is een man in zijn eentje. Hij zit meer voorover dan wat anders en af en toe neemt hij een ferme slok uit een grote fles witte rum. Dat komt zijn gestel helaas niet echt ten goede. Als hij maar eens opstaat om de andere aanwezigen te bemonsteren, valt hij bijna om, achterover, maar dan weet hij zich toch weer in de normale verticale stand te trekken. Hij krijgt kennelijk honger (“hambre”, maar is het niet eerder trek, “apetito”?) en begint bij de diverse bankzitters, ook bij mij, om geld te bedelen. Dat is niet de bedoeling, meneer de zatladder, “pellejo” dat je bent. Als hij weer terug bij “af” is , vertrekken we een voor een maar eens naar elders. Ik vervolmaak mijn ommetje door langs de diverse terrassen op het korte stuk in de richting van visrestaurant La Marinera te sjokken, met het standbeeld van de omgekomen visser (nog altijd aan de shag) op de hoek.
Op de woensdagmorgen zit ik goed en wel met mijn koffie op het balkon, als de bel gaat. Etel, altijd aan de vroege kant, wil toegelaten worden om te komen schoonmaken. Eenmaal binnen vertelt ze me steevast een verhaaltje, waarvan ik steevast maar de helft of zo begrijp. Wat Peixia in Maastricht met mijn Nederlands heeft, heb ik hier met de Argentijnse waterval van Etel.
Dan gaat ze aan de slag. Daarvoor heeft ze mij in het geheel niet nodig. Een keer, vraag ik haar vanmorgen, waarom ze ook alle ramen aan de binnen- en buitenkant een beurt geeft, maar haar simpele antwoord is dat dat weer eens nodig is. Als ze na 3½ uur (!) haar spullen pakt om weer haar weegs te gaan, krijg ik een “gracias” alsof ik bij haar thuis heb zitten poetsen in plaats van zij bij mij. Over twee weken komt ze opnieuw kijken of ik er niet een troep van gemaakt heb.
Ergens halverwege woensdagmiddag vind ik dat ik Lucinda Williams eens moet inruilen voor nieuwe muziek. Laat ik voor de variatie eens een gouwe ouwe uit de kast toveren: Loretta Lynn. Ze is van 1932 - toen was ik min 14 – en uit het Amerikaanse Kentucky. Een echte topperiode voor haar was de eerste helft van de jaren 70, toen ze samen met Conway Twitty de ene hit na de andere had. In 2005 kwam de cd uit waarop voor mij het hele repertoire van het tweetal opstaat, 24 nummers. En die Conway Twitty, die kennen jullie toch nog wel van popnummers als “Lonely blue boy” en vooral “It’s only make believe”?
Onlangs had de nu 84-jarige een nieuwe cd, genaamd “Full circle”. Ze kreeg daarbij enige hulp van Elvis Costello en van Willy Nelson, maar op de keper beschouwd is en blijft het gewoon een mooie cd van haar zelf. Haar stem klinkt trouwens nog steeds te klinken alsof ze net van school komt. Hier zijn de veertien nummers:
01.Intro
02.Whispering sea
03.Secret love
04.Who’s gonna miss me
05.Black Jack David
06.Everybody wants to go to heaven
07.Always on my mind
08.Wine into water
09.In the pines
10.Band of gold
11.Fist city
12.I will never marry
13.Everything it takes (+ Elvis Costello)
14.Lay me down (+ Willy Nelson)
Er is nog steeds niks mis met Loretta Lynn. Haar album “Full circle” uit 2016 brengt oude C&W-heriineringen bij me boven. Laat ik hier eens niet wijzen op het bekende werk en ook niet op “Everybody wants to go to heaven” (but nobody wants to die…). Ik vraag jullie speciale aandacht voor haar eerste zelf bedachte nummer Whispering sea”, maar ook voor bijv. “Who’s gonna miss me”, “Wine into water”, “I will never marry” en – met Elvis Costello op de achtergrond – “Everything it takes”. Ze kan het nog altijd, de hoogbejaarde Loretta Lynn.
Vanmorgen – op de dag dat in Nazareth de minst bekende van de drie goden van de katholieke kerk een bezoek brengt aan de moeder van een van de andere twee – wordt mijn stukje autovrije straat er steeds beter op voor de Palmezen die in de natte horeca geïnteresseerd zijn. Er zijn nu drie terrassen voor mijn deur alleen al, met elk vier tafeltjes op de denkbeeldige stoep buiten. Bij mij beneden resideren “Carlos” en “Tóbalo” uiteraard in hun “Nuevo Murias” en ernaast staan de dames van “De Francesco” te bedienen, met hun hele hebben en houden. Vanaf mijn balkon schuin naar links gaat de derde nering vandaag de dag door het leven als “Taberna Don Manué”. En dan heb ik het niet eens over de proeflokalen direct voorbij de Secretario Artiles.
De zaak van Don Manué is wat je noemt echt een prima bijdrage aan de feestvreugde. Ze gaat later open dan de andere twee – vooral Carlos is echt een man van de “madrugada” – maar ik zie daar ‘s avonds laat wel nog mensen op het terras zitten. Sinds deze week hangt er nu ook een tv-scherm buiten aan de muur, voor “el futbol”, en dat kan ik zelfs vanaf mijn balkon nog net zien. Als ik vanaf nu enkele toeschouwers op het terras hoor juichen (of huilen uiteraard), kan ik met enige goede wil op het scherm daar zien wat er net gepasseerd is. Ik zal toch eens op een zondag, als cafetería Nuevo Murias dicht is, mijn natte licht bij Don Manué gaan opsteken.
En dan is het donderdagavond tijd voor de film “Publieke Werken” op mijn laptop, met dank aan Henk. Hij duurt ruim 100 minuten, de regisseur heet Joran Lürsen en wie spelen er de mannelijke hoofdrollen? Dan noem ik hier Gijs Scholtens van Aschat en Jacob Derwig, dat jullie het maar weten. Het is – eindelijk – de verfilming van het eerdere prachtboek van Thomas Rosenboom (een habitué van Café de Zwart in Amsterdam).
Het is 1888, als op twee plekken in Nederland iets gebeurt. In het hoge noorden, Hoogeveen en omgeving, zien de turfstekers het einde van hun bezigheid naderen. Christiaan Anijs, drogist zonder academisch diploma, geen dokter, ook geen apotheker, helpt mensen met zijn kruiden. Hij is een meer sociale hulp dan dat hij de dokter wil spelen. Bij een bevalling overlijdt een baby en als die wordt begraven zonder medisch certificaat, komt de echte dokter (Amshof) in het geweer. De turfstekers en hun familie willen intussen het liefste per boot naar Amerika om daar een nieuwe toekomst op te bouwen.
Tegelijkertijd wordt een vioolbouwer in Amsterdam aan de Tesselsekade 46 tegenover het nieuwe Centraal Station geprest om zijn huis te verkopen, omdat daar het Victoriahotel moet komen. De man, neef van eerder genoemde drogist, heet Walter Vedder. Als hij weigert te verkopen, net als zijn buurman, klerenmaker Carstens, wordt het hotel gewoon om de twee kleine huisjes heen gebouwd. Met hem loopt het slecht af, maar de overtocht naar Amerika van de turfstekers wordt wel een succes.
Ik vond het boek van Thomas Rosenboom destijds heel mooi en ik ben wat blij dat de film ook best aardig gelukt is. Het is even behelpen, dit kijkje op het leven in Amsterdam en in de buurt van Hoogeveen zo’n 125 jaar terug, maar jullie moeten de film ook maar eens gaan zien. Achteraf in bed op donderdagavond laat probeer ik te bedenken hoe het leven er volgens mij over 125 jaar van nu, in 2140, zal uitzien. Ik heb helaas geen flauw idee.
En daarmee kom ik aan het einde van deze vooral kwalitatief uitstekende brief. Ik heb wel eens langere in elkaar geflanst, maar wat willen jullie in zo korte tijd. Ga de komende dagen vooral door met waarmee je bezig was, zoals je (klein)kinderen bepotelen of kom eens met een nieuwe hobby aanzetten. Mijn volgende brief heb ik niet eerder voor jullie dan op vrijdag 16 december, over een week. Ik zou niet weten wat ik daarin weer kwijt ga moeten, maar komt tijd, komt raad.
Begin eens met een eerste ronde langs de mensen die kerstbomen in de verkoop hebben. En sla wat gekleurde eieren in; daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen! Hier heb ik ze in ieder geval zien liggen bij El Corte Inglés. De feestmaand is nog lang, zelfs de donkere dagen voor kerstmis zijn nog niet in zicht, dus maak het wel niet te gek. Veel tussentijds plezier de komende week en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKBIJLAGE
Wie veel leest, heeft best wat te vertellen over zijn boeken. Echter, als je behalve twee halve maar drie volle dagen hebt om bij te lezen, ben je echt blij, als je vóór je volgende brief tenminste één boek helemaal hebt uit gekregen. Afgelopen maandag begon ik aan “Set in darkness” van Ian Rankin uit 2000, 465 bladzijden. Voor uitleg over de titel, zie blz. 157. Pas gisteravond had ik het uit en ik heb er echt mijn best voor moeten doen. Het speelt uiteraard in Edinburgh, vlak voor de eerst Schotse parlementsverkiezing alsmede twintig jaar eerder, toen eenzelfde verkiezing niet doorging.
Er past deze keer een aantal verschillende verhalen in het grote geheel. Siobhan Clarke wordt gestalkt door een collega detective, Derek, die enkele keren met haar is uit geweest. Dezelfde Los daarvan krijgt Siobhan beroepshalve van doen met een kleine crimineel, Nic, die niet van de vrouwtjes kan afblijven. En het kan niet op, ze krijgt ook nog het lijk van een brugspringer op haar dak. Het blijkt een zwerver te zijn, genaamd C. Mackie, die vroeger met grondspeculatie te maken zou hebben gehad.
Waar blijft John Rebus? Die helpt uiteraard Siobhan bij haar verscheidene zaken, maar is in dit boek vooral in de weer om de recente moord op een aankomend Schots parlementslid te onderzoeken. Als vervanger van deze Roddy Grieve dient zich nu zijn vrouw Seona aan en een oudgediende van de gemeente, genaamd Arthur Ure. Terzijde wordt ook nog een twintig jaar oud lijk, al snel “Skelly”gedoopt, ontdekt tussen de resten van een voormalige ziekenhuiskeuken, op een plek waar nu de nieuwe parlementsgebouwen gaan verrijzen. Staan de diverse zaken echt wel los van elkaar of hebben ze met elkaar te maken? En wat is de rol van criminelen eerder Bryce Kallen en nu Big Ger Cafferty bij de grondspeculatie? Loopt de baas van een groot bouwbedrijf, Barry Hutton, niet al te prominent door het beeld?
Hoe het tussen Siobhan en John loopt in dit boek, houd ik maar even voor me. “Set in darkness” van Ian Rankin vind ik intussen, zoals diverse andere boeken van hem, een pareltje. Het is heel spannend en de menselijke maat komt gelukkig ook uitgebreid aan bod. Dit is er eentje voor mijn speciale opbergkast. Voor deze Rebus/Clarke heb ik als recensiecijfer met plezier weer een 8½ over.
maandag 5 december 2016
Weblogbrief 12.06, 5 december 2016
Weblogbrief 12.06, 5 december 2016
Queridos amigos y familia, de fanatiekste herfstmaand is geweest en wat nu volgt, is de maand van “de feestdagen”. In Nederland begint die weg al met surprisenavond en de ochtend erop is het voor de kleintjes van “wie zoet is, krijgt lekkers” dan wel “wie stout is, de roe”. Hier in het geboorteland van de Goedheiligman - in ieder geval komt hij met de boot uit Spanje - komt Sinterklaas pas op 5 en 6 januari langs, in de vorm van de Drie Koningen. In plaats van “de roe” serveren die aan de stoute kinderen “carbon”, een zakje houtskool.
Intussen vraag ik mij wel af waarom mij niet vrijdagavond en zelfs niet zondagmiddag verteld is door mijn vrienden hier dat Fidel Castro wijlen is. Ik weet het, hij moet al vele jaren in pyjama hebben gelopen, maar toch. Het heengaan van de leider van zo ongeveer het laatste communistische bolwerk in de wereld is en blijft een gebeurtenis. Wat gaat er nu gebeuren? Ik hoor Donald Trump al roepen dat Cuba nu toe is aan een make=over, vanaf nu een 100% vrije vrijemarkteconomie.
Ik ga nog even terug naar mijn bezoek aan de tweede etage van het hoge gebouw van de gezondheidsfaculteit. Op de heren-wc achter de toiletpot zie ik wat je noemt een hygiënisch briefje aangeplakt: “Por favor, tirar de la cisterna y usar la escobilla. Gracias.” Dat staat voor: “Spoel wel door alsjeblieft en gebruik de wc-borstel. Bedankt.”
In de nacht erop, van 29 op 30 november, krijg ik de ene hoestbui na de andere, die maar beperkt te stoppen is met door mij gekoesterde Fisherman’s Friend “caramelos comprimidos / drageias. Eerder overdag al op de 29ste denk ik: ik ga toch niet verkouden worden. Enigszins gegeneerd zie ik Daniela voor me op onze gemeenschappelijke kamer op de faculteit, die die middag aanhoudend met haar loopneus bezig is. Hoe dan ook, al dat overdreven gehoest komt je nachtrust bepaald niet ten goede.
Op de 30ste zit ik, zeker in de middag, een beetje wezenloos op mijn balkon, dommel zelfs een paar keer weg. En dan denk ik: laat ik dan maar eens een keer heel vroeg naar bed gaan. Om 6 uur – het is nog net licht hier – kruip ik erin en ben snel vertrokken. Wonderwel hoest ik die nacht al veel minder, moet er wel twee keer uit om te plassen. ‘s Ochtends om 8 uur ben ik weer helemaal bij de les. Veertien uur achter elkaar in je bed doorbrengen, slapende, het is niet niks, maar op zijn tijd best heilzaam.
Op 29 november, als ik de universiteit verlaat, is nog altijd onduidelijk wie de nieuwe rector van de universiteit hier gaat worden. De uitslag van de eerste ronde was: Robaina 40%, Montoya 31% en Galván 29%. Daarmee is Galván, de man van rechtsgeschiedenis, afgevallen en gaat het in ronde twee tussen een bioloog en een dierenarts. De dag erop wordt mij ook de rest duidelijk: Robaina wint de tweede ronde met 54% van de stemmen tegenover Montoya 46%. De bioloog mag zich dus de nieuwe rector van de ULPGC noemen, is in de kranten en op internet te lezen. Almudena, de beoogde portefeuillehouder onderzoek van Montoya, pist naast het potje.
Dan is het nu tijd voor mijn verse muziekkeuze. Om de een of andere reden komt de jazzmuziek naar weinig aan bod in deze brieven. Dat ga ik nu een beetje goedmaken met mijn keuze voor Duke Ellington (1899-1974). Zijn postume dubbelcd “The essential Duke Ellington” uit 2004 heb ik de afgelopen zomer van Centre Ceramique gekopieerd. De eerste van de twee cd’s gaat over zijn jaren als orkestleider in de periode 1927-1937. Daarna volgt nog cd 2 over de periode 1938-1960.
Omdat ik die van de twee het mooiste vind, presenteer ik jullie hier de twintig nummers van cd 1. Hier zijn ze:
01.East St. Louis toodle-oo
02.Black and tan phantasy
03.Take it easy
04.Hot and bothered
05.The mooche
06.Rockin’in rhythm
07.Creole rhapsody
08.It don’t mean a thing (if it ain’t got that swing)
09.Creole love call
10.Sophisticated lady
11.Drop me off in Harlem
12.Solitude
13.In a sentimental mood
14.Back room romp
15.Clouds in my heart
16.Echos of Harlem
17.Caravan
18.Blue reverie
19.Diminuendo in blue
20.Crescendo in blue
Wat is die Duke Ellington iets bijzonders, als orkestleider en als componist. “In a sentimental mood” kennen de ouderen onder jullie nog wel als de openingstune van de kronkels die Simon Carmiggelt destijds op de VARA-tv voordroeg. En dan bekruipt mij ineens het gevoel dat ik jullie hier eerder al eens een acceptabele overzichts-cd van hem heb gepresenteerd: “Mood indigo” uit 1993. Met nummers daarop als “The mooche”, “Sophisticated lady”, “Solitude” en “Diminuendo in blue” kan ik moeilijk in herhaling vallen, hoe mooi ik ze ook vind. Echter, er blijft nog genoeg over op deze dubbelcd, ook uit de periode vóór 1938. Wat vinden jullie van bijv. “Rockin’ in rhythm”, “Creole rhapsody”, “It don’t mean a thing (if it ain’t got that swing)” en “Creole love call” (de laatste twee met een zangeres). En laat ik “Caravan” niet vergeten.
Duke Ellington blijft voor mij een van de charmantste orkestleiders. Hij lijkt me iemand van wie ik eens moet proberen veel en veel meer cd’s te bemachtigen dan het handje dat ik heb.
Harry heeft onlangs een heel mooi stuk geschreven over de belegering van Maastricht door de Fransen, in 1793 en 1794. Het gaat om een tweeluik, waarvan hij het tweede deel nog moet gaan opschrijven, maar deel 1 is echt “top”. De aanval van de Fransen in 1793 wordt nog afgeslagen, maar op het einde van deel 1, in 1794, staan er maar liefst 200.000 Franse revolutionairen voor de poorten van de stad. In de stad zelf trekken vooral de rijkaards aan de touwtjes, inclusief enige Franse adel en clerus, als die niet al weer naar het verdere noorden is vertrokken. En de top van de Nederlanden in de Randstad, met aan het hoofd stadhouder Willem V, is niet erg geporteerd om een stad als Maastricht, “beneden de Moerdijk”, uitgebreid te hulp te snellen. Het wachten is op deel 2 van het tweeluik, waarin het echt knokken wordt tussen de stadsmensen en het oprukkende Franse plebs. Harry moet het nog schrijven, maar het zit in de pen. Zie voor meer informatie: www.harryknipschild.nl.
(Harry maakt mij en passant attent op een serieuze uitglijder mijnerzijds: de dood van d’Artagnan voor de poorten van Maastricht is niet in 1794, maar zo’n honderd jaar eerder.)
Terzijde, Pierre Ubachs, in zijn leven bij uitstek deskundig op het terrein van de Limburgse geschiedenis heeft aan de episode helaas maar weinig woorden vuil gemaakt. Good old Edmond Jaspar is in zijn boek “Kint geer eur eige stad?” uit 1936 veel genereuzer
Heel mooi vind ik met Harry is dat je tegenwoordig op het internet allerlei oorspronkelijke bronnen kosteloos zonder poeha kunt raadplegen, in dit geval geschriften die de belegering verslaan, van rond 1800. Vroeger moest je echt stad en land afreizen om je oorspronkelijke materiaal te bestuderen. Nu ben je waar je zijn moet, binnen no time nadat je de computer hebt aangezet. Leven in de huidige tijd heeft ook zijn voordelen.
Omdat de decembermaand intussen begonnen is, mag ik al ietsje pietsje vertellen over de feestelijkheden in mijn buurt. Mijn Spar in de Alfredo Jones heeft intussen de borden van “Feliz Navidad”, gelukkige kerstmis opgehangen. In mijn Luis Morote worden we nu op diverse plaatsen lekker gemaakt met de aankomende geboorte van het kind in de kribbe. De aardigste – een beetje een zijsprong – vind ik tot dusver die van dameskledingzaak bij mij tegenover, “Besito Volao”, dat ik hier vertaal met “handkusje”, hoewel dat “volao” iets met vliegen is. Daar wordt nu iedere morgen opnieuw het ijzeren staketsel van een rendier voor de deur geposteerd, op redelijk ware grootte en met wel honderd brandende lampjes. Het is niet Rudolf, want een rode neus kan ik niet ontdekken. Maar ik vind het hoe dan ook een vondst.
En dan wou ik het nu nog eens hebben over de verkiezing van de nieuwe Amerikaanse president. Wie ik ook spreek, iedereen is het erover eens dat het deze keer met Donald Trump en Hillary Clinton twee keer niks was. Tegelijkertijd zijn we de afgelopen maanden in allerlei stukken en interviews steeds opnieuw de kant van Hillary Clinton opgeduwd. Als je de pers vooraf mocht geloven, had bullebak Donald Trump echt geen schijn van kans. Het was al een godswonder dat hij bloedserieuze republikeinse kandidaten zoals Jef Bush achter zich gelaten had. Echter, voor iemand als de democratische kandidaat Hillary Clinton, een door de wol geverfde politica, zou hij “preanuts” zijn, iemand de je zonder veel gedoe opzij zet. Dat Hillary ook nog eens een vrouw was, maakte het alleen maar erger. Een vrouw als president, dat was nog eens wat! Met Bill op de achtergrond was er geen moment twijfel wie er zou winnen.
Dat heeft – weten we sinds 8 november ‘s nachts – heel anders uitgepakt. Een ruime meerderheid van de bevolking die daadwerkelijk ging stemmen (50-60%), koos voor Donald Trump. Hillary kreeg alleen een beperkt aantal staten in het Noordoosten, plus aan de westkant Californië achter zich. Zou het zo zijn dat nogal wat mensen aan de linkse pers en pollmensen maar liever niet wilden vertellen dat ze op Donald Trump gingen stemmen. Echter, je kunt van Trump veel zeggen, maar niet dat hij deel uitmaakt van het politieke establishment is. Het verschil tussen de ware exponent daarvan, Hillary Clinton, en de zeer rechtse outsider Donald Trump was zo groot dat ik net als Donald Trump nog steeds doet, wel eens denk dat de pers, nogal links van het midden, ons vooraf een rad voor de ogen heeft willen draaien of zelfs belazeren met wishful thinking. Hoe kon ik het op 9 november ‘s ochtends in mijn hoofd halen om de stinkend rijke kandidaat van de republikeinen een reële kans toe te dichten om “president elect” te worden!
De eerste wonden zijn intussen gelikt. Volgens Ton, klinisch psycholoog in ruste, is Donald Trump compleet gestoord. Ik citeer hem maar eens: “De man heeft een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Hij is onberekenbaar, iemand van eerst praten en handelen en dan pas nadenken. Met hem in de pers af te vallen wordt zijn populariteit alleen maar groter. Laat hem met zijn totale gebrek aan empathie liever over zichzelf struikelen, zodat hij snel over het randje gaat. Volgens Ton is Trump een man die nog te maken zal krijgen met een “impeachment”-procedure. Ik dacht dat eerder juist Bill Clinton daar niet ver van af was geweest.
Harry vindt echter dat we Donald Trump op zijn minst een kans moeten geven. Natuurlijk had ik persoonlijk als halve “saloncommunist” veel liever een outsider aan de linker kant van het spectrum als Amerikaanse president gehad, zo iemand als Bernie Sanders. Echter, die is een paar maanden voor de verkiezing door de top van zijn eigen democratische partij zonder goede reden afgeserveerd, over je bemoeien met een verkiezing gesproken. En geloof het of niet, als je het aan de totale bevolking overlaat, om te beslissen, krijg je tegenwoordig bijna altijd eerder een rechtse dan een linkse baas. Ik heb er destijds in 2008 en 32012 een goed glas op gedronken, toen bekend werd dat Barack Obama, toch in ieder geval een beetje links, voor in totaal acht jaar in het Witte Huis heeft mogen zitten (maar veel klaargespeeld heeft hij niet). En is het niet een gotspe dat Hillary Clinton het zelfs vertikte om dezelfde Bernie Sanders als kandidaat vicepresident te kiezen?
Donald Trump, zou het vertikt hebben om voldoende belasting te betalen. Zelf wees hij er in een van de debatten met Hillary op dat zoiets heel gangbaar is bij mensen en instellingen bij wie veel geld omgaat. Dat gebeurt altijd en overal in de wereld, was zijn idee. Diverse leugentjes zijn hem evenmin vreemd; die ziet hij als nou eenmaal horend bij het reclamespel op weg naar het Witte Huis. Aan de andere kant, laten we niet vergeten, hoe Hillary Clinton aanhoudend – het gaat om e-mails over staatsgeheimen – vanaf een niet afgeschermde computer verstuurde. (Zou mij trouwens ook gebeurd zijn, denk ik dan.) En wie gaf de afgelopen jaren tegen zeer royale betaling allerlei lezingen aan de top van het Amerikaanse bedrijfsleven? Wie zat in de raad van Bestuur van Walmart? Dat was niet Donald Trump, maar dezelfde Hillary Clinton.
Ik zet tot slot maar weer eens mijn vraagtekens bij verkiezingen waarbij iedereen evenveel stemrecht heeft, “one man, one vote”. Waarom zou de stem van een geïnformeerd iemand zoals ik moeten wijken voor die van enkele niet of nauwelijks geïnteresseerden die op basis van enkele tv-spotjes en een enkel zeurderig debat voor de tegenpartij wensen te kiezen. Ik ben al lang geen fan meer van de democratische besluitvorming zoals die heden ten dage functioneert, in Europa en in Noord-Amerika. Kijk als voorbeeld naar ons eigen landje, waar dan mensen als Marc Rutte en Diederik Sansom komen bovendrijven en dan laat ik praatgrage aanschuivers in tv-programma’s als mannetje Pechtold en dat ventje van Groen Links, hoe heet hij ook al weer, Jesse Klaver, nog buiten beschouwing. Waarom ga ik eigenlijk nog stemmen?
Daar laat ik het voor dit moment even bij. Ik kom er vanzelf op terug, als Donald Trump binnenkort vreselijk in de fout gaat en Ton zijn gelijk krijgt.
Op 1 december geef ik maar eens toe dat ik mijn koffie het liefste niet te heet drink. Als ik mij hier ‘s ochtends van koffie voorzie, ben ik genoodzaakt om mijn eerste hete bakje altijd even laten staan op de balkonrand, totdat het de door mij gewenste iets minder temperatuur heeft. Met even blazen alleen kom ik er niet.
Nou is mijn koffiezetapparaat toegerust met een aan- en uitknop. Als ik te lang geen koffie aftap, springt het apparaat uit, op nul, tot ik het eventueel opnieuw heb aangezet. Ik vind zo’n automatische uitknop best handig voor als ik snel ergens moet zijn, het apparaat vergeet uit te doen en ‘s avonds laat, net weer terug, mag constateren dat een restje koffie, aangebrand of zelfs aangekoekt, het apparaat ontsiert. Dat heb ik liever niet. Echter, voor mij hoeft het apparaat niet echt binnen een uurtje al op de nulstand te gaan staan. Van een al te lauw kopje ben ik evenmin gediend. Het is en blijft een beetje marchanderen.
En dan is het vrijdagmiddag, als ik voor de zoveelste keer de Engelse groep Procol Harum uit de luidsprekers bij mij beneden hoor schallen, niet overdreven luid, maar toch. Bij Cafetería Nuevo Murias is het nummer “A whiter shade of pale” uit 1967 echt aan zijn revival bezig. Eerlijk gezegd heb ook ik best de nodige waardering voor de betreffende melodie van zanger en pianist Gary Brooker van de groep, maar de tekst van ene Keith Reid – hij speelt niet eens mee – blijft mij een beetje steken. Ik weet het: er zijn genoeg mensen die graag eens vernemen over de verworvenheden van de “Club Nautico”, het botenleven. Echter, is het op “A whiter shade of pale” niet een beetje te erg aangezet, vraag ik mij tegelijkertijd af. Hier zijn de eerste regels van het begoin van het couplet: “We skipped the light fantango, turned cartwheels cross the floor. I was feeling kinda seasick. The crowd called out for more.” Willen jullie ook een stukje refrein: “And so it was that later, as the miller told his tale, that her face at first just ghostly turned the whiter shade of pale.” Hebben we van doen met een heuse dichter? Is Keith Reid de nieuwe Shakespeare? Ik heb zo mijn bedenkingen.
Het is om die reden met gepaste terughoudendheid dat ik hier toch Procol Harum eens in het zonnetje ga zetten. Hoe ik eraan kom, weet ik niet meer, maar op mijn computer heb ik het complete twaalftal studio-albums dat de groep heeft voortgebracht, staan, mannetje aan mannetje. Hier zijn ze:
(1967) A whiter shade of pale
(1968) Shine on brightly
(1969) A salty dog
(1970) Liquorice John Death (Ain’t nothin’ to get excited about)
(1070) Home
(1971) Broken barricades
(1973) Grand hotel
(1974) Exotic birds and fruits
(1975) Procol’s ninth (klopt als een bus)
(1977) Something magic
(1991) The prodigal stranger
(2003) The wells on fire
Het zijn ze echt allemaal. In Wikipedia kan ik geen andere vinden. Daarnaast heb ik ook nog tweetal verzamelplaten, eentje met de hits op symfonische wijze en een registratie van een live optreden (in Utrecht). Om ook de minder bedeelden onder jullie ter wille te zijn kies ik hier voor een van de twee verzamelplaten. De nummers zijn allemaal uit de beginperiode, 1967-1970, toen Gary Brooker m.i. echt een popster van formaat was. Hier zijn de zestien nummers, met het jaartal erbij:
01.A whiter shade of pale, 67
02.Conquistador, 67
03.A salty dog, 69>BR> 04.Quite rightly so, 68
05.Shine on brightly, 68
06.She wandered through the garden fence, 67
07.Kaleidoscope, 67
08.Good captain Clack, 67
09.Skif softly (my moonbeam), 68
10.Ramblin’on, 68
11.Barnyard story, 70
12.Magdalene, 68
13.Whisky train, 70
14.The dead man’s dream, 70
15.Juicy John Pink, 69
16.All this and more, 69
Eind jaren zestig stelde Procol Harum echt wat voor. Naast “A whiter shade of pale” zijn nummers als “Conquistador” en “A salty dog” regelrechte hits uit die tijd. Echter, een raadsel blijft het waarom een van mijn favoriete Procol Harum-nummers niet op deze verzameling staat. Ik heb het over “Homburg”. Met dat “Your trousers got so dirty and your shoes are latched up wrong. You’d better take off your homburg, ‘cause your overcoat is too long” kan ik nog altijd lezen en schrijven. Is het van na 1970? Maar ik vind het ook niet terug op een van de latere albums van de groep, gelukkig wel op de andere verzamel-cd’s die ik heb, en op het symfonische muziekprobeersel van de hits.
Blijft voor mij wel onduidelijk waar de naam van de groep vandaan komt. Over dat “procol” tast ik geheel in het duister, maar het “harum” komt waarschijnlijk van “harum-scarum”, dat staat voor onbezonnen. Blijft staan dat Gary Brooker en zijn maten een potje bij mij konden en kunnen breken.
Op zaterdagmiddag is het tijd voor “El clásico”. Twee keer per jaar komen de twee beste voetbalelftallen ter wereld gewoon voor de Spaanse competitie tegen elkaar uit. Het prijs van het elftal van zowel Barcelona als Real Madrid is intussen goed voor bijna een half miljard euro. Hoe zal het gaan in de eerste wedstrijd tussen de twee, dit schooljaar? Hier in Las Palmas zitten we op 3 december ‘s middags bijna allemaal gereed vlak voor de aftrap.
Persoonlijk vind ik op dit moment Real ietsje beter, maar dan verneem ik dat Welshman Gareth Bale bij de Madrilenen ontbreekt wegens een langdurige blessure. De rest van de twee voorhoedes komt het veld op, als ik me bij El Palikeo aan parque Santa Catalina op een comfortabele plek ietsje rechts van het midden nestel, op rij twee vlak voor het immense scherm.
Om kwart over 3 Canarische tijd is de aftrap. Zeker in de eerste helft wordt er wel in een vreselijk hoog tempo gevoetbald – wat een tempo! – maar echte kansen, ho maar, geen eentje. Mijn idee: Real is bij de rust ietsje beter, met namen in het zestienmetergebied.
Het beeld verandert in de tweede helft direct na minuut 59. Dan belandt een vrije trap van Neymar zo maar op het hoofd van Luis Suárez vlak voor het doel en is het zo maar 1-0 voor Barcelona. M.i. gaat keeper Navas van Real bij de actie niet 100% vrijuit; maar reageren op een kopbal vlak voor je doellijn is inderdaad bijna ondoenlijk. Vlak daarop valt bij Barcelona Iniesta in voor Rakitic. Hij krijgt direct ook de aanvoerdersband toegeschoven. Zeer vermeldenswaard daarna vind ik een pracht van een kans van Neymar die echt maar net overzeilt. In minuut 81 volgt ook nog een kansje voor de zwaar bewaakte Leo Messi en even later voor Cristiano Ronaldo van Real aan de andere kant.
En dan is de wedstrijd alweer afgelopen. Of nee, net als het Duitse nationale team is Real Madrid pas uitgeteld, als het achterstaat, als de scheidsrechter voor het laatst op zijn fluitje heeft geblazen. In minuut 89plus, net voor tijd, kopt Sergio Ramos de 1-1 snoeihard binnen op een voorzet van links. Zo iemand als Ramos hoor je echt nooit vlak voor het doel vrij te laten koppen, net als Piqué bij Barcelona. Het is niet de eerste keer dat de man het kunstje flikt. Even later, in minuut 92 of 93, kopt dezelfde Ramos nog een bal van de lijn in zijn eigen doelgebied.
Het is bijna altijd een voorhoedespeler die wordt uitverkoren tot Europese voetballer van het jaar. Denk daarbij aan Ronaldo, Messi, Cruyff, Maradona of Pele. Ik vind het tijd worden om Sergio Ramos eens op de troon te zetten, de stevige, ouderwetse verdediger, die bij corners van Real en Spanje graag vlak voor het doel van de tegenstander opduikt. Hij is nu 34 jaar; de prijs zou hem sieren.
Dezelfde zaterdag, maar nu om 9 uur ‘s avonds, speelt in de “Pueblo Canrio” in parque Doramos de Buona Vista Social Club, is mij op enkele reclameborden in de stad verteld. Het is er eentje in een serie gratis concerten, genaamd “Musicando. Siempre Müsica, Siempre Sábados”. Ik erheen. Als ik in het park kom, om kwart voor 9, zie ik maar weinig mensen naar de “Pueblo” lopen. Zou het concert afgelast zijn in verband met de a.s. uitvaart van Fidel Castro in Cuba op zondag. Nee, als ik de poort voorbij ben, staat het plein tussen de Bodegón en het “Museo Nestor”, met op de achtergrond de Fataga, helemaal vol met stoelen, zo’n 500. Op een paar stoelen na, met daarop sjaals of tassen, zijn alle stoelen al bezet. Vele honderden andere mensen staan opzij en erachter, zelfs alle staanplaatsen zijn min of meer al vergeven. Ik doe – alleenstaande oudere die ik hier ben – toch maar eens mijn zegje op verscheidene plekken, waar ik nog lege stoelen bespeur. En het geluk lacht me toe, er wordt een stoel voor mij geleegd.
Ik zit net, als het licht uitgaat en een negen man (eigenlijk acht man en een dame) sterke band het podium betreedt. Ik had het al vermoed: ze zijn met hun 30 tot 50 jaar veel te jong om Eliades Ochoa en Omara Portuondo te kunnen zijn, de enig twee overgeblevenen van het illustere vijftal dat in de jaren negentig op instigatie van Ry Cooder de wereld veroverde. De betreffende cd “Buena Vista Social Club” met de bijbehorende film van Wim Wenders reken ik tot de beste muziek ooit. Helaas zijn Compay Segundo, Ibrahim Ferrer en Rubén González nu dood, alleen nog maar korte filmpjes te zien, die tussendoor vertoond worden. Elíades Ochoa, die ik hier tien jaar terug heb mogen meemaken, is er ook niet bij in de “pueblo”. En Omara, “la negra”?
Toch word ik verre van teleurgesteld. Het jongere gezelschap brengt de twintig jaar oude cd echt opnieuw tot leven. Ik zie het ene na het andere nummer van toen opnieuw weerklinken, in dezelfde stijl en met de nodige schwung. En wie komt er bij liedje zes uit de coulissen naar voren: “la negra”, ik neem maar aan dat het inderdaad Omara Portuondo is. Voor een oude van dagen ziet ze er nog heel vief uit. Na haar “Viente Años” gaat ze even achter het podium bijkomen, maar is later voor enkele nieuwe duetten en de slotnummers nog weer terug.
Op het einde va de happening worden de diverse muzikanten een voor een omstandig aan het publiek voorgesteld en mogen ze ook allemaal een solootje ten beste geven. De vier muzikanten uit de tweede rij komen uit Gran Canaria, maar de frontlinie met van links naar rechts de pianist, een prima Rubén González, de drie zangers en de gitarist is origineel Cubaans. De gangmaker van het gezelschap in het midden bespeelt twee grote trommels, bongo’s, maar hij doet ook de meeste praatjes tussendoor. Er volgen tenslotte twee toegiften. Pas daarna, om kwart voor 11, mogen we huiswaarts. Om half 12 kruip ik onder mijn dekentje.
De zondag is zo rustig dat ik voor mijn brief niks noemenswaardigs te melden heb. Ik drink mijn koffie, niet te heet, doe mijn ding, o.a. een megabak ui, paprika en tomaat fabriceren en stel mijn bedwas doen uit tot morgen, omdat het – zeker in de morgen – een paar keer begint te plenzen. In de middag is het wel droog en aangenaam warm, maar dan zit ik bovenal mijn tweede boek uit te lezen en mijn brief op te schonen. De avond gaat roemloos voorbij.
Zijn er veel kinderen voor wie sinterklaas al in het weekend gereden heeft? Of is het pas vandaag 5 december surprisenavond, “zoe es ’t ziech huurt”. Wacht met op de buitendeur bonzen tot de straatlantaarns aangaan.
Dan zuig ik hiermee een punt aan deze brief. Hij gaat vanmiddag uit, als de faculteit mij tenminste wil binnenlaten in Las Palmas-Zuid. Zowel morgen als donderdag zijn vrije dagen hier vanwege eerst iets nationaals en dan ik geloof Maria Boodschap (of is het Maria Ontvangenis). Een “puente”, brug, is een dag dat je hier erbij neemt om de duur van je vrije periode te verlengen. Ik voorspel dat er bij de overheid en ook bij de universiteit heel wat gebrugdagd gaat worden deze week. Om die reden weet ik nog niet of ik mijn volgende brief op vrijdag of pas maandag kan versturen.
Intussen, mijn idee over surprisenavond getrouw, wacht met deze brief lezen tot morgen. Er staat zoals steeds geen letter in die niet even kan wachten. Vanavond gaat het van “Sinterklaas zijn paardje, wit van hoofd tot staartje, rijdt over de daken kindjes blij te maken”. Daarna is het pas weer business as usual, hoewel er diverse recepties de komende weken op de loer liggen. Drink niet te veel, behalve water, strooi eens wat pepernoten en kushandjes rond en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Ik ben een fan van Philip Kerr. De oorspronkelijke Schot heeft intussen een hele trits boekn op zijn naam staan. Omdat ik de recente allemaal soldaat gemaakt heb, begin ik ook maar eens aan de eerdere die ik nog niet gelezen heb. Zo kom ik als vanzelf uit bij “A five year plan” uit 1997. Het is een los staand verhaal dat vooral op de Atlantisch oceaan speelt.
In het boek komen nogal wat klassieke films langs. De titel is ontleend aan de film “The third man”. Daarin zegt Harry Lime: “These days, old man, nobody thinks in terms of human beings. Governments don’t, so why should we? They talk of the people and the proletariat and I talk of the mugs. It’s the same thing. They have their five year plans and so have I”. Of de vijf jaar detentie van Dave Delano voordat hij weer in de boevenwereld terecht komt, er ook mee te maken heeft, laat ik in het midden.
Hoe dan ook, als Dave Delano uit de gevangenis komt, krijgt hij bijna drie ton aan dollars in zijn schoot geworpen, omdat hij is gaan zitten in plaats van baas “Naked” Tony Nudelli. Dan komt hij met een plan dat hij in de gevangenis heeft uitgebroed. Er worden luxe boten over de oceaan getransporteerd met daarin verstopt tientallen miljoenen. Die wil Dave tijdens een overtocht gaan plunderen en zich dan wegmaken. Zijn partner in crime wordt de roekeloze Al Cornaro. En dan zitten ze op de Duke, een schip waarop wel twintig boten liggen verankerd. Daarvan zijn er drie complete geldtransporten, heeft Dave Delano uitgezocht. Om het verhaal te compliceren zit in een van de andere boten een lading cocaïne verstopt en is er ook een boot van de FBI om die boot in de gaten te houden. En is er een boot van een filmmaatschappij, gespecialiseerd in porno. Ergens midden op zee moet het gebeuren, Dan zouden de drie boten vol dollars geplunderd gaan worden en kiezen Dave en Al vervolgens et ruime sop. Of is het weer ingewikkelder dan het op het eerste oog lijkt?
Bij Philip Kerr denk ik aan spannende boeken rond de tweede wereldoorlog en dit is iets totaal anders. Ik moet de auteur toegeven dat zijn verhaal ontzettend vlot is geschreven, ook rijk is aan one-liners en weetjes over film, maar spannend is anders. Geef het maar toe, ik ben met de verkeerde insteek aan dit boek begonnen. Ik kom daarom niet verder dan een 7½ als recensiecijfer. Wie eens iets leuks wil lezen, kan ik dit boek van harte aanraden.
Op zondagmiddag, vlak voor de gong, heb ik boek twee uit. Het betreft “Prime Time” van Liza Marklund uit 2002, haar veertiende als ik het wel heb, dat ik eigenlijk in het oorspronkelijke Zweeds dan wel in Nederlandse vertaling had moeten lezen. Niettemin, de Engelse vertaling (van Ingrid Eng-Rundlow) mag er zijn. Ik ben helaas niet kapot van de kaft. Die is net ietsje te schreeuwerig, van “wat zijn we weer goed bezig”.
Het boek speelt vooral in Stockholm, maar gaat over een moord in een naburig kasteel in Yxtaholm. De titel “Prime Time” is ontleend aan de zomerspecial die daar wordt opgenomen. Hoofdpersoon is niet iemand van de politie, hoewel luitenant Q best vaak in het beeld opduikt. Nee, dat is zoals in de eerdere boeken van Liza Marklund journaliste Annika Bengtzon. Zij werkt bij een landelijke krant, tabloid Kvällspresse. Ze gaat niet met haar vriend Thomas en hun twee kinderen mee op midzomeravond 22 juni bij zijn grootouders – dat gaat nog gedonder geven – omdat ze voor de krant naar het kasteel wordt gestuurd. Tv-persoonlijkheid Michelle Carlsson is vermoord, kennelijk door een van de twaalf aanwezigen bij de braspartij na afloop van de op tape opgenomen uitzendingen van “Summer frolic at the castle”. Ga ik alle twaalf namen noemen? In notendop, zes zijn er van de televisie, twee zijn nog aanwezige gasten, twee horen bij Michelle en tenslotte zijn er nog twee van de krant. Op de redactie en bij haar speurtocht krijgt Annika hulp van o.a. Anders, Bertil en Berit, maar niet van Editor-in-chief Torstensson (zonder voornaam). Wie, in nulvoud, enkelvoud of meervoud, is de dader?
Ik heb de ruim 400 bladzijden niet verslonden, maar me aan het lezen houden deed Liza Marklund best wel. Als ik mensen als Henning Mankell (“a league of her own”), Patricia Cornwell “(“one of the most dymamic and popular crime writers of her time”) of Harlan Coben (“edge-of-your-seat suspence”) mag geloven, is het woord briljant hier niet te veel gezegd. Ik persoonlijk doe het voor net ietsje minder. “Prime Time” van de dunne blondine Liza Marklund is m.i. redelijk spannend, maar nergens vind ik het ook geestig. Ik mis het extraatje dat ik soms bij thrillers tegenkom en dat mij dan aangenaam verrast. Ik heb er als recensiecijfer een 7½ voor over, alweer.
Queridos amigos y familia, de fanatiekste herfstmaand is geweest en wat nu volgt, is de maand van “de feestdagen”. In Nederland begint die weg al met surprisenavond en de ochtend erop is het voor de kleintjes van “wie zoet is, krijgt lekkers” dan wel “wie stout is, de roe”. Hier in het geboorteland van de Goedheiligman - in ieder geval komt hij met de boot uit Spanje - komt Sinterklaas pas op 5 en 6 januari langs, in de vorm van de Drie Koningen. In plaats van “de roe” serveren die aan de stoute kinderen “carbon”, een zakje houtskool.
Intussen vraag ik mij wel af waarom mij niet vrijdagavond en zelfs niet zondagmiddag verteld is door mijn vrienden hier dat Fidel Castro wijlen is. Ik weet het, hij moet al vele jaren in pyjama hebben gelopen, maar toch. Het heengaan van de leider van zo ongeveer het laatste communistische bolwerk in de wereld is en blijft een gebeurtenis. Wat gaat er nu gebeuren? Ik hoor Donald Trump al roepen dat Cuba nu toe is aan een make=over, vanaf nu een 100% vrije vrijemarkteconomie.
Ik ga nog even terug naar mijn bezoek aan de tweede etage van het hoge gebouw van de gezondheidsfaculteit. Op de heren-wc achter de toiletpot zie ik wat je noemt een hygiënisch briefje aangeplakt: “Por favor, tirar de la cisterna y usar la escobilla. Gracias.” Dat staat voor: “Spoel wel door alsjeblieft en gebruik de wc-borstel. Bedankt.”
In de nacht erop, van 29 op 30 november, krijg ik de ene hoestbui na de andere, die maar beperkt te stoppen is met door mij gekoesterde Fisherman’s Friend “caramelos comprimidos / drageias. Eerder overdag al op de 29ste denk ik: ik ga toch niet verkouden worden. Enigszins gegeneerd zie ik Daniela voor me op onze gemeenschappelijke kamer op de faculteit, die die middag aanhoudend met haar loopneus bezig is. Hoe dan ook, al dat overdreven gehoest komt je nachtrust bepaald niet ten goede.
Op de 30ste zit ik, zeker in de middag, een beetje wezenloos op mijn balkon, dommel zelfs een paar keer weg. En dan denk ik: laat ik dan maar eens een keer heel vroeg naar bed gaan. Om 6 uur – het is nog net licht hier – kruip ik erin en ben snel vertrokken. Wonderwel hoest ik die nacht al veel minder, moet er wel twee keer uit om te plassen. ‘s Ochtends om 8 uur ben ik weer helemaal bij de les. Veertien uur achter elkaar in je bed doorbrengen, slapende, het is niet niks, maar op zijn tijd best heilzaam.
Op 29 november, als ik de universiteit verlaat, is nog altijd onduidelijk wie de nieuwe rector van de universiteit hier gaat worden. De uitslag van de eerste ronde was: Robaina 40%, Montoya 31% en Galván 29%. Daarmee is Galván, de man van rechtsgeschiedenis, afgevallen en gaat het in ronde twee tussen een bioloog en een dierenarts. De dag erop wordt mij ook de rest duidelijk: Robaina wint de tweede ronde met 54% van de stemmen tegenover Montoya 46%. De bioloog mag zich dus de nieuwe rector van de ULPGC noemen, is in de kranten en op internet te lezen. Almudena, de beoogde portefeuillehouder onderzoek van Montoya, pist naast het potje.
Dan is het nu tijd voor mijn verse muziekkeuze. Om de een of andere reden komt de jazzmuziek naar weinig aan bod in deze brieven. Dat ga ik nu een beetje goedmaken met mijn keuze voor Duke Ellington (1899-1974). Zijn postume dubbelcd “The essential Duke Ellington” uit 2004 heb ik de afgelopen zomer van Centre Ceramique gekopieerd. De eerste van de twee cd’s gaat over zijn jaren als orkestleider in de periode 1927-1937. Daarna volgt nog cd 2 over de periode 1938-1960.
Omdat ik die van de twee het mooiste vind, presenteer ik jullie hier de twintig nummers van cd 1. Hier zijn ze:
01.East St. Louis toodle-oo
02.Black and tan phantasy
03.Take it easy
04.Hot and bothered
05.The mooche
06.Rockin’in rhythm
07.Creole rhapsody
08.It don’t mean a thing (if it ain’t got that swing)
09.Creole love call
10.Sophisticated lady
11.Drop me off in Harlem
12.Solitude
13.In a sentimental mood
14.Back room romp
15.Clouds in my heart
16.Echos of Harlem
17.Caravan
18.Blue reverie
19.Diminuendo in blue
20.Crescendo in blue
Wat is die Duke Ellington iets bijzonders, als orkestleider en als componist. “In a sentimental mood” kennen de ouderen onder jullie nog wel als de openingstune van de kronkels die Simon Carmiggelt destijds op de VARA-tv voordroeg. En dan bekruipt mij ineens het gevoel dat ik jullie hier eerder al eens een acceptabele overzichts-cd van hem heb gepresenteerd: “Mood indigo” uit 1993. Met nummers daarop als “The mooche”, “Sophisticated lady”, “Solitude” en “Diminuendo in blue” kan ik moeilijk in herhaling vallen, hoe mooi ik ze ook vind. Echter, er blijft nog genoeg over op deze dubbelcd, ook uit de periode vóór 1938. Wat vinden jullie van bijv. “Rockin’ in rhythm”, “Creole rhapsody”, “It don’t mean a thing (if it ain’t got that swing)” en “Creole love call” (de laatste twee met een zangeres). En laat ik “Caravan” niet vergeten.
Duke Ellington blijft voor mij een van de charmantste orkestleiders. Hij lijkt me iemand van wie ik eens moet proberen veel en veel meer cd’s te bemachtigen dan het handje dat ik heb.
Harry heeft onlangs een heel mooi stuk geschreven over de belegering van Maastricht door de Fransen, in 1793 en 1794. Het gaat om een tweeluik, waarvan hij het tweede deel nog moet gaan opschrijven, maar deel 1 is echt “top”. De aanval van de Fransen in 1793 wordt nog afgeslagen, maar op het einde van deel 1, in 1794, staan er maar liefst 200.000 Franse revolutionairen voor de poorten van de stad. In de stad zelf trekken vooral de rijkaards aan de touwtjes, inclusief enige Franse adel en clerus, als die niet al weer naar het verdere noorden is vertrokken. En de top van de Nederlanden in de Randstad, met aan het hoofd stadhouder Willem V, is niet erg geporteerd om een stad als Maastricht, “beneden de Moerdijk”, uitgebreid te hulp te snellen. Het wachten is op deel 2 van het tweeluik, waarin het echt knokken wordt tussen de stadsmensen en het oprukkende Franse plebs. Harry moet het nog schrijven, maar het zit in de pen. Zie voor meer informatie: www.harryknipschild.nl.
(Harry maakt mij en passant attent op een serieuze uitglijder mijnerzijds: de dood van d’Artagnan voor de poorten van Maastricht is niet in 1794, maar zo’n honderd jaar eerder.)
Terzijde, Pierre Ubachs, in zijn leven bij uitstek deskundig op het terrein van de Limburgse geschiedenis heeft aan de episode helaas maar weinig woorden vuil gemaakt. Good old Edmond Jaspar is in zijn boek “Kint geer eur eige stad?” uit 1936 veel genereuzer
Heel mooi vind ik met Harry is dat je tegenwoordig op het internet allerlei oorspronkelijke bronnen kosteloos zonder poeha kunt raadplegen, in dit geval geschriften die de belegering verslaan, van rond 1800. Vroeger moest je echt stad en land afreizen om je oorspronkelijke materiaal te bestuderen. Nu ben je waar je zijn moet, binnen no time nadat je de computer hebt aangezet. Leven in de huidige tijd heeft ook zijn voordelen.
Omdat de decembermaand intussen begonnen is, mag ik al ietsje pietsje vertellen over de feestelijkheden in mijn buurt. Mijn Spar in de Alfredo Jones heeft intussen de borden van “Feliz Navidad”, gelukkige kerstmis opgehangen. In mijn Luis Morote worden we nu op diverse plaatsen lekker gemaakt met de aankomende geboorte van het kind in de kribbe. De aardigste – een beetje een zijsprong – vind ik tot dusver die van dameskledingzaak bij mij tegenover, “Besito Volao”, dat ik hier vertaal met “handkusje”, hoewel dat “volao” iets met vliegen is. Daar wordt nu iedere morgen opnieuw het ijzeren staketsel van een rendier voor de deur geposteerd, op redelijk ware grootte en met wel honderd brandende lampjes. Het is niet Rudolf, want een rode neus kan ik niet ontdekken. Maar ik vind het hoe dan ook een vondst.
En dan wou ik het nu nog eens hebben over de verkiezing van de nieuwe Amerikaanse president. Wie ik ook spreek, iedereen is het erover eens dat het deze keer met Donald Trump en Hillary Clinton twee keer niks was. Tegelijkertijd zijn we de afgelopen maanden in allerlei stukken en interviews steeds opnieuw de kant van Hillary Clinton opgeduwd. Als je de pers vooraf mocht geloven, had bullebak Donald Trump echt geen schijn van kans. Het was al een godswonder dat hij bloedserieuze republikeinse kandidaten zoals Jef Bush achter zich gelaten had. Echter, voor iemand als de democratische kandidaat Hillary Clinton, een door de wol geverfde politica, zou hij “preanuts” zijn, iemand de je zonder veel gedoe opzij zet. Dat Hillary ook nog eens een vrouw was, maakte het alleen maar erger. Een vrouw als president, dat was nog eens wat! Met Bill op de achtergrond was er geen moment twijfel wie er zou winnen.
Dat heeft – weten we sinds 8 november ‘s nachts – heel anders uitgepakt. Een ruime meerderheid van de bevolking die daadwerkelijk ging stemmen (50-60%), koos voor Donald Trump. Hillary kreeg alleen een beperkt aantal staten in het Noordoosten, plus aan de westkant Californië achter zich. Zou het zo zijn dat nogal wat mensen aan de linkse pers en pollmensen maar liever niet wilden vertellen dat ze op Donald Trump gingen stemmen. Echter, je kunt van Trump veel zeggen, maar niet dat hij deel uitmaakt van het politieke establishment is. Het verschil tussen de ware exponent daarvan, Hillary Clinton, en de zeer rechtse outsider Donald Trump was zo groot dat ik net als Donald Trump nog steeds doet, wel eens denk dat de pers, nogal links van het midden, ons vooraf een rad voor de ogen heeft willen draaien of zelfs belazeren met wishful thinking. Hoe kon ik het op 9 november ‘s ochtends in mijn hoofd halen om de stinkend rijke kandidaat van de republikeinen een reële kans toe te dichten om “president elect” te worden!
De eerste wonden zijn intussen gelikt. Volgens Ton, klinisch psycholoog in ruste, is Donald Trump compleet gestoord. Ik citeer hem maar eens: “De man heeft een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Hij is onberekenbaar, iemand van eerst praten en handelen en dan pas nadenken. Met hem in de pers af te vallen wordt zijn populariteit alleen maar groter. Laat hem met zijn totale gebrek aan empathie liever over zichzelf struikelen, zodat hij snel over het randje gaat. Volgens Ton is Trump een man die nog te maken zal krijgen met een “impeachment”-procedure. Ik dacht dat eerder juist Bill Clinton daar niet ver van af was geweest.
Harry vindt echter dat we Donald Trump op zijn minst een kans moeten geven. Natuurlijk had ik persoonlijk als halve “saloncommunist” veel liever een outsider aan de linker kant van het spectrum als Amerikaanse president gehad, zo iemand als Bernie Sanders. Echter, die is een paar maanden voor de verkiezing door de top van zijn eigen democratische partij zonder goede reden afgeserveerd, over je bemoeien met een verkiezing gesproken. En geloof het of niet, als je het aan de totale bevolking overlaat, om te beslissen, krijg je tegenwoordig bijna altijd eerder een rechtse dan een linkse baas. Ik heb er destijds in 2008 en 32012 een goed glas op gedronken, toen bekend werd dat Barack Obama, toch in ieder geval een beetje links, voor in totaal acht jaar in het Witte Huis heeft mogen zitten (maar veel klaargespeeld heeft hij niet). En is het niet een gotspe dat Hillary Clinton het zelfs vertikte om dezelfde Bernie Sanders als kandidaat vicepresident te kiezen?
Donald Trump, zou het vertikt hebben om voldoende belasting te betalen. Zelf wees hij er in een van de debatten met Hillary op dat zoiets heel gangbaar is bij mensen en instellingen bij wie veel geld omgaat. Dat gebeurt altijd en overal in de wereld, was zijn idee. Diverse leugentjes zijn hem evenmin vreemd; die ziet hij als nou eenmaal horend bij het reclamespel op weg naar het Witte Huis. Aan de andere kant, laten we niet vergeten, hoe Hillary Clinton aanhoudend – het gaat om e-mails over staatsgeheimen – vanaf een niet afgeschermde computer verstuurde. (Zou mij trouwens ook gebeurd zijn, denk ik dan.) En wie gaf de afgelopen jaren tegen zeer royale betaling allerlei lezingen aan de top van het Amerikaanse bedrijfsleven? Wie zat in de raad van Bestuur van Walmart? Dat was niet Donald Trump, maar dezelfde Hillary Clinton.
Ik zet tot slot maar weer eens mijn vraagtekens bij verkiezingen waarbij iedereen evenveel stemrecht heeft, “one man, one vote”. Waarom zou de stem van een geïnformeerd iemand zoals ik moeten wijken voor die van enkele niet of nauwelijks geïnteresseerden die op basis van enkele tv-spotjes en een enkel zeurderig debat voor de tegenpartij wensen te kiezen. Ik ben al lang geen fan meer van de democratische besluitvorming zoals die heden ten dage functioneert, in Europa en in Noord-Amerika. Kijk als voorbeeld naar ons eigen landje, waar dan mensen als Marc Rutte en Diederik Sansom komen bovendrijven en dan laat ik praatgrage aanschuivers in tv-programma’s als mannetje Pechtold en dat ventje van Groen Links, hoe heet hij ook al weer, Jesse Klaver, nog buiten beschouwing. Waarom ga ik eigenlijk nog stemmen?
Daar laat ik het voor dit moment even bij. Ik kom er vanzelf op terug, als Donald Trump binnenkort vreselijk in de fout gaat en Ton zijn gelijk krijgt.
Op 1 december geef ik maar eens toe dat ik mijn koffie het liefste niet te heet drink. Als ik mij hier ‘s ochtends van koffie voorzie, ben ik genoodzaakt om mijn eerste hete bakje altijd even laten staan op de balkonrand, totdat het de door mij gewenste iets minder temperatuur heeft. Met even blazen alleen kom ik er niet.
Nou is mijn koffiezetapparaat toegerust met een aan- en uitknop. Als ik te lang geen koffie aftap, springt het apparaat uit, op nul, tot ik het eventueel opnieuw heb aangezet. Ik vind zo’n automatische uitknop best handig voor als ik snel ergens moet zijn, het apparaat vergeet uit te doen en ‘s avonds laat, net weer terug, mag constateren dat een restje koffie, aangebrand of zelfs aangekoekt, het apparaat ontsiert. Dat heb ik liever niet. Echter, voor mij hoeft het apparaat niet echt binnen een uurtje al op de nulstand te gaan staan. Van een al te lauw kopje ben ik evenmin gediend. Het is en blijft een beetje marchanderen.
En dan is het vrijdagmiddag, als ik voor de zoveelste keer de Engelse groep Procol Harum uit de luidsprekers bij mij beneden hoor schallen, niet overdreven luid, maar toch. Bij Cafetería Nuevo Murias is het nummer “A whiter shade of pale” uit 1967 echt aan zijn revival bezig. Eerlijk gezegd heb ook ik best de nodige waardering voor de betreffende melodie van zanger en pianist Gary Brooker van de groep, maar de tekst van ene Keith Reid – hij speelt niet eens mee – blijft mij een beetje steken. Ik weet het: er zijn genoeg mensen die graag eens vernemen over de verworvenheden van de “Club Nautico”, het botenleven. Echter, is het op “A whiter shade of pale” niet een beetje te erg aangezet, vraag ik mij tegelijkertijd af. Hier zijn de eerste regels van het begoin van het couplet: “We skipped the light fantango, turned cartwheels cross the floor. I was feeling kinda seasick. The crowd called out for more.” Willen jullie ook een stukje refrein: “And so it was that later, as the miller told his tale, that her face at first just ghostly turned the whiter shade of pale.” Hebben we van doen met een heuse dichter? Is Keith Reid de nieuwe Shakespeare? Ik heb zo mijn bedenkingen.
Het is om die reden met gepaste terughoudendheid dat ik hier toch Procol Harum eens in het zonnetje ga zetten. Hoe ik eraan kom, weet ik niet meer, maar op mijn computer heb ik het complete twaalftal studio-albums dat de groep heeft voortgebracht, staan, mannetje aan mannetje. Hier zijn ze:
(1967) A whiter shade of pale
(1968) Shine on brightly
(1969) A salty dog
(1970) Liquorice John Death (Ain’t nothin’ to get excited about)
(1070) Home
(1971) Broken barricades
(1973) Grand hotel
(1974) Exotic birds and fruits
(1975) Procol’s ninth (klopt als een bus)
(1977) Something magic
(1991) The prodigal stranger
(2003) The wells on fire
Het zijn ze echt allemaal. In Wikipedia kan ik geen andere vinden. Daarnaast heb ik ook nog tweetal verzamelplaten, eentje met de hits op symfonische wijze en een registratie van een live optreden (in Utrecht). Om ook de minder bedeelden onder jullie ter wille te zijn kies ik hier voor een van de twee verzamelplaten. De nummers zijn allemaal uit de beginperiode, 1967-1970, toen Gary Brooker m.i. echt een popster van formaat was. Hier zijn de zestien nummers, met het jaartal erbij:
01.A whiter shade of pale, 67
02.Conquistador, 67
03.A salty dog, 69>BR> 04.Quite rightly so, 68
05.Shine on brightly, 68
06.She wandered through the garden fence, 67
07.Kaleidoscope, 67
08.Good captain Clack, 67
09.Skif softly (my moonbeam), 68
10.Ramblin’on, 68
11.Barnyard story, 70
12.Magdalene, 68
13.Whisky train, 70
14.The dead man’s dream, 70
15.Juicy John Pink, 69
16.All this and more, 69
Eind jaren zestig stelde Procol Harum echt wat voor. Naast “A whiter shade of pale” zijn nummers als “Conquistador” en “A salty dog” regelrechte hits uit die tijd. Echter, een raadsel blijft het waarom een van mijn favoriete Procol Harum-nummers niet op deze verzameling staat. Ik heb het over “Homburg”. Met dat “Your trousers got so dirty and your shoes are latched up wrong. You’d better take off your homburg, ‘cause your overcoat is too long” kan ik nog altijd lezen en schrijven. Is het van na 1970? Maar ik vind het ook niet terug op een van de latere albums van de groep, gelukkig wel op de andere verzamel-cd’s die ik heb, en op het symfonische muziekprobeersel van de hits.
Blijft voor mij wel onduidelijk waar de naam van de groep vandaan komt. Over dat “procol” tast ik geheel in het duister, maar het “harum” komt waarschijnlijk van “harum-scarum”, dat staat voor onbezonnen. Blijft staan dat Gary Brooker en zijn maten een potje bij mij konden en kunnen breken.
Op zaterdagmiddag is het tijd voor “El clásico”. Twee keer per jaar komen de twee beste voetbalelftallen ter wereld gewoon voor de Spaanse competitie tegen elkaar uit. Het prijs van het elftal van zowel Barcelona als Real Madrid is intussen goed voor bijna een half miljard euro. Hoe zal het gaan in de eerste wedstrijd tussen de twee, dit schooljaar? Hier in Las Palmas zitten we op 3 december ‘s middags bijna allemaal gereed vlak voor de aftrap.
Persoonlijk vind ik op dit moment Real ietsje beter, maar dan verneem ik dat Welshman Gareth Bale bij de Madrilenen ontbreekt wegens een langdurige blessure. De rest van de twee voorhoedes komt het veld op, als ik me bij El Palikeo aan parque Santa Catalina op een comfortabele plek ietsje rechts van het midden nestel, op rij twee vlak voor het immense scherm.
Om kwart over 3 Canarische tijd is de aftrap. Zeker in de eerste helft wordt er wel in een vreselijk hoog tempo gevoetbald – wat een tempo! – maar echte kansen, ho maar, geen eentje. Mijn idee: Real is bij de rust ietsje beter, met namen in het zestienmetergebied.
Het beeld verandert in de tweede helft direct na minuut 59. Dan belandt een vrije trap van Neymar zo maar op het hoofd van Luis Suárez vlak voor het doel en is het zo maar 1-0 voor Barcelona. M.i. gaat keeper Navas van Real bij de actie niet 100% vrijuit; maar reageren op een kopbal vlak voor je doellijn is inderdaad bijna ondoenlijk. Vlak daarop valt bij Barcelona Iniesta in voor Rakitic. Hij krijgt direct ook de aanvoerdersband toegeschoven. Zeer vermeldenswaard daarna vind ik een pracht van een kans van Neymar die echt maar net overzeilt. In minuut 81 volgt ook nog een kansje voor de zwaar bewaakte Leo Messi en even later voor Cristiano Ronaldo van Real aan de andere kant.
En dan is de wedstrijd alweer afgelopen. Of nee, net als het Duitse nationale team is Real Madrid pas uitgeteld, als het achterstaat, als de scheidsrechter voor het laatst op zijn fluitje heeft geblazen. In minuut 89plus, net voor tijd, kopt Sergio Ramos de 1-1 snoeihard binnen op een voorzet van links. Zo iemand als Ramos hoor je echt nooit vlak voor het doel vrij te laten koppen, net als Piqué bij Barcelona. Het is niet de eerste keer dat de man het kunstje flikt. Even later, in minuut 92 of 93, kopt dezelfde Ramos nog een bal van de lijn in zijn eigen doelgebied.
Het is bijna altijd een voorhoedespeler die wordt uitverkoren tot Europese voetballer van het jaar. Denk daarbij aan Ronaldo, Messi, Cruyff, Maradona of Pele. Ik vind het tijd worden om Sergio Ramos eens op de troon te zetten, de stevige, ouderwetse verdediger, die bij corners van Real en Spanje graag vlak voor het doel van de tegenstander opduikt. Hij is nu 34 jaar; de prijs zou hem sieren.
Dezelfde zaterdag, maar nu om 9 uur ‘s avonds, speelt in de “Pueblo Canrio” in parque Doramos de Buona Vista Social Club, is mij op enkele reclameborden in de stad verteld. Het is er eentje in een serie gratis concerten, genaamd “Musicando. Siempre Müsica, Siempre Sábados”. Ik erheen. Als ik in het park kom, om kwart voor 9, zie ik maar weinig mensen naar de “Pueblo” lopen. Zou het concert afgelast zijn in verband met de a.s. uitvaart van Fidel Castro in Cuba op zondag. Nee, als ik de poort voorbij ben, staat het plein tussen de Bodegón en het “Museo Nestor”, met op de achtergrond de Fataga, helemaal vol met stoelen, zo’n 500. Op een paar stoelen na, met daarop sjaals of tassen, zijn alle stoelen al bezet. Vele honderden andere mensen staan opzij en erachter, zelfs alle staanplaatsen zijn min of meer al vergeven. Ik doe – alleenstaande oudere die ik hier ben – toch maar eens mijn zegje op verscheidene plekken, waar ik nog lege stoelen bespeur. En het geluk lacht me toe, er wordt een stoel voor mij geleegd.
Ik zit net, als het licht uitgaat en een negen man (eigenlijk acht man en een dame) sterke band het podium betreedt. Ik had het al vermoed: ze zijn met hun 30 tot 50 jaar veel te jong om Eliades Ochoa en Omara Portuondo te kunnen zijn, de enig twee overgeblevenen van het illustere vijftal dat in de jaren negentig op instigatie van Ry Cooder de wereld veroverde. De betreffende cd “Buena Vista Social Club” met de bijbehorende film van Wim Wenders reken ik tot de beste muziek ooit. Helaas zijn Compay Segundo, Ibrahim Ferrer en Rubén González nu dood, alleen nog maar korte filmpjes te zien, die tussendoor vertoond worden. Elíades Ochoa, die ik hier tien jaar terug heb mogen meemaken, is er ook niet bij in de “pueblo”. En Omara, “la negra”?
Toch word ik verre van teleurgesteld. Het jongere gezelschap brengt de twintig jaar oude cd echt opnieuw tot leven. Ik zie het ene na het andere nummer van toen opnieuw weerklinken, in dezelfde stijl en met de nodige schwung. En wie komt er bij liedje zes uit de coulissen naar voren: “la negra”, ik neem maar aan dat het inderdaad Omara Portuondo is. Voor een oude van dagen ziet ze er nog heel vief uit. Na haar “Viente Años” gaat ze even achter het podium bijkomen, maar is later voor enkele nieuwe duetten en de slotnummers nog weer terug.
Op het einde va de happening worden de diverse muzikanten een voor een omstandig aan het publiek voorgesteld en mogen ze ook allemaal een solootje ten beste geven. De vier muzikanten uit de tweede rij komen uit Gran Canaria, maar de frontlinie met van links naar rechts de pianist, een prima Rubén González, de drie zangers en de gitarist is origineel Cubaans. De gangmaker van het gezelschap in het midden bespeelt twee grote trommels, bongo’s, maar hij doet ook de meeste praatjes tussendoor. Er volgen tenslotte twee toegiften. Pas daarna, om kwart voor 11, mogen we huiswaarts. Om half 12 kruip ik onder mijn dekentje.
De zondag is zo rustig dat ik voor mijn brief niks noemenswaardigs te melden heb. Ik drink mijn koffie, niet te heet, doe mijn ding, o.a. een megabak ui, paprika en tomaat fabriceren en stel mijn bedwas doen uit tot morgen, omdat het – zeker in de morgen – een paar keer begint te plenzen. In de middag is het wel droog en aangenaam warm, maar dan zit ik bovenal mijn tweede boek uit te lezen en mijn brief op te schonen. De avond gaat roemloos voorbij.
Zijn er veel kinderen voor wie sinterklaas al in het weekend gereden heeft? Of is het pas vandaag 5 december surprisenavond, “zoe es ’t ziech huurt”. Wacht met op de buitendeur bonzen tot de straatlantaarns aangaan.
Dan zuig ik hiermee een punt aan deze brief. Hij gaat vanmiddag uit, als de faculteit mij tenminste wil binnenlaten in Las Palmas-Zuid. Zowel morgen als donderdag zijn vrije dagen hier vanwege eerst iets nationaals en dan ik geloof Maria Boodschap (of is het Maria Ontvangenis). Een “puente”, brug, is een dag dat je hier erbij neemt om de duur van je vrije periode te verlengen. Ik voorspel dat er bij de overheid en ook bij de universiteit heel wat gebrugdagd gaat worden deze week. Om die reden weet ik nog niet of ik mijn volgende brief op vrijdag of pas maandag kan versturen.
Intussen, mijn idee over surprisenavond getrouw, wacht met deze brief lezen tot morgen. Er staat zoals steeds geen letter in die niet even kan wachten. Vanavond gaat het van “Sinterklaas zijn paardje, wit van hoofd tot staartje, rijdt over de daken kindjes blij te maken”. Daarna is het pas weer business as usual, hoewel er diverse recepties de komende weken op de loer liggen. Drink niet te veel, behalve water, strooi eens wat pepernoten en kushandjes rond en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Ik ben een fan van Philip Kerr. De oorspronkelijke Schot heeft intussen een hele trits boekn op zijn naam staan. Omdat ik de recente allemaal soldaat gemaakt heb, begin ik ook maar eens aan de eerdere die ik nog niet gelezen heb. Zo kom ik als vanzelf uit bij “A five year plan” uit 1997. Het is een los staand verhaal dat vooral op de Atlantisch oceaan speelt.
In het boek komen nogal wat klassieke films langs. De titel is ontleend aan de film “The third man”. Daarin zegt Harry Lime: “These days, old man, nobody thinks in terms of human beings. Governments don’t, so why should we? They talk of the people and the proletariat and I talk of the mugs. It’s the same thing. They have their five year plans and so have I”. Of de vijf jaar detentie van Dave Delano voordat hij weer in de boevenwereld terecht komt, er ook mee te maken heeft, laat ik in het midden.
Hoe dan ook, als Dave Delano uit de gevangenis komt, krijgt hij bijna drie ton aan dollars in zijn schoot geworpen, omdat hij is gaan zitten in plaats van baas “Naked” Tony Nudelli. Dan komt hij met een plan dat hij in de gevangenis heeft uitgebroed. Er worden luxe boten over de oceaan getransporteerd met daarin verstopt tientallen miljoenen. Die wil Dave tijdens een overtocht gaan plunderen en zich dan wegmaken. Zijn partner in crime wordt de roekeloze Al Cornaro. En dan zitten ze op de Duke, een schip waarop wel twintig boten liggen verankerd. Daarvan zijn er drie complete geldtransporten, heeft Dave Delano uitgezocht. Om het verhaal te compliceren zit in een van de andere boten een lading cocaïne verstopt en is er ook een boot van de FBI om die boot in de gaten te houden. En is er een boot van een filmmaatschappij, gespecialiseerd in porno. Ergens midden op zee moet het gebeuren, Dan zouden de drie boten vol dollars geplunderd gaan worden en kiezen Dave en Al vervolgens et ruime sop. Of is het weer ingewikkelder dan het op het eerste oog lijkt?
Bij Philip Kerr denk ik aan spannende boeken rond de tweede wereldoorlog en dit is iets totaal anders. Ik moet de auteur toegeven dat zijn verhaal ontzettend vlot is geschreven, ook rijk is aan one-liners en weetjes over film, maar spannend is anders. Geef het maar toe, ik ben met de verkeerde insteek aan dit boek begonnen. Ik kom daarom niet verder dan een 7½ als recensiecijfer. Wie eens iets leuks wil lezen, kan ik dit boek van harte aanraden.
Op zondagmiddag, vlak voor de gong, heb ik boek twee uit. Het betreft “Prime Time” van Liza Marklund uit 2002, haar veertiende als ik het wel heb, dat ik eigenlijk in het oorspronkelijke Zweeds dan wel in Nederlandse vertaling had moeten lezen. Niettemin, de Engelse vertaling (van Ingrid Eng-Rundlow) mag er zijn. Ik ben helaas niet kapot van de kaft. Die is net ietsje te schreeuwerig, van “wat zijn we weer goed bezig”.
Het boek speelt vooral in Stockholm, maar gaat over een moord in een naburig kasteel in Yxtaholm. De titel “Prime Time” is ontleend aan de zomerspecial die daar wordt opgenomen. Hoofdpersoon is niet iemand van de politie, hoewel luitenant Q best vaak in het beeld opduikt. Nee, dat is zoals in de eerdere boeken van Liza Marklund journaliste Annika Bengtzon. Zij werkt bij een landelijke krant, tabloid Kvällspresse. Ze gaat niet met haar vriend Thomas en hun twee kinderen mee op midzomeravond 22 juni bij zijn grootouders – dat gaat nog gedonder geven – omdat ze voor de krant naar het kasteel wordt gestuurd. Tv-persoonlijkheid Michelle Carlsson is vermoord, kennelijk door een van de twaalf aanwezigen bij de braspartij na afloop van de op tape opgenomen uitzendingen van “Summer frolic at the castle”. Ga ik alle twaalf namen noemen? In notendop, zes zijn er van de televisie, twee zijn nog aanwezige gasten, twee horen bij Michelle en tenslotte zijn er nog twee van de krant. Op de redactie en bij haar speurtocht krijgt Annika hulp van o.a. Anders, Bertil en Berit, maar niet van Editor-in-chief Torstensson (zonder voornaam). Wie, in nulvoud, enkelvoud of meervoud, is de dader?
Ik heb de ruim 400 bladzijden niet verslonden, maar me aan het lezen houden deed Liza Marklund best wel. Als ik mensen als Henning Mankell (“a league of her own”), Patricia Cornwell “(“one of the most dymamic and popular crime writers of her time”) of Harlan Coben (“edge-of-your-seat suspence”) mag geloven, is het woord briljant hier niet te veel gezegd. Ik persoonlijk doe het voor net ietsje minder. “Prime Time” van de dunne blondine Liza Marklund is m.i. redelijk spannend, maar nergens vind ik het ook geestig. Ik mis het extraatje dat ik soms bij thrillers tegenkom en dat mij dan aangenaam verrast. Ik heb er als recensiecijfer een 7½ voor over, alweer.
dinsdag 29 november 2016
Weblogbrief 12.05, 29 november 2016
Weblogbrief 12.05, 29 november 2016
Queridos amigos y familia, zit ik aardig op schema of niet? Morgen is de laatste dag van november en ik trakteer jullie vandaag op mijn vijfde brief van deze winter. Vijf per maand is dertig in zes maanden tijd, het aantal dat ik voor jullie in gedachte heb voor deze winter.
Uiterlijk morgen dient de nieuwe rector van de universiteit (met zijn gevolg) gekozen te zijn. Almudena is nog in de race als vicerector, eerder is de kandidaat van rechtsgeschiedenis afgevallen en blijven de bioloog en de dierenarts over als kanshebbers. Wie heeft het gehaald of gaat het morgen halen? Op de faculteit ga ik het vanmiddag horen van Cristina, die mij speciaal vroeg om op de kamer die ze met Adriana deelt, te komen buurten.
Als ik bij mijn vertrek de afgelopen keer het hoge faculteitsgebouw verlaat, zie ik met grote letters op de buitendeur staan: CIERREN LAS PUERTAS, POR FAVOR. GRS! Doe alsjeblieft de deuren goed achter je dicht. GRS! Die afkorting moet ik mij eigen maken: GRS staat voor GRACIAS, dank je wel. Zou je ook PF kunnen zeggen in plaats POR FAVOR? Die zoeken we op. PF besaat niet, maar PFFF staat voor het tegenovergestelde van alsjeblieft; het is eerder bah, getver.
Het vervoer van Gran Canaria over zee naar Tenerife (via Agaete) wordt o.a. verzorgd door de firma Fred Olsen. Op de weg terug van de faculteit met bus 12 zie ik op een grote reclame van de firma hangen: “Abrazo llega antes”. In vertaling staat er: een omarming komt nu eerder aan, om aan te geven dat hun boten naar Santa Cruz de Tenerife en bussen van Las Palmas naar Agaete steeds meer de vaart erin zetten.
Als ik later een krant in handen heb in het bibliotheekje bij het Castillo de la Luz, zie ik daarin een mooie foto van Donald Trump, als hij de trap van zijn Trump tower opgaat. Het onderschrift heeft het over de man “en su torre neoyorquina”. Daar zou ik zo vlug niet opkomen, neoyorquina, ik zou als derde letter een W in plaats van een O schrijven. Echter, mijn woordenboek geeft de krant later groot gelijk.
En dan, op de donderdagmorgen alweer, mag ik jullie mijn nieuwe muziek presenteren. Ik kom deze keer aanzetten met een zwarte man uit Mali: Habib Koité, geboren in 1958 en voor de kenners: gelieerd met de groep Bamada. Zijn recente cd “Soô” heb ik uit Centre Ceramique. Hier zijn de nummers, ik hoop maar dat ik de titels goed overschrijf:
01.Têmê
02.Diarabi niani
03.Bolo mala
04.Drapeau
05.Téréré
06.L.A.
07.Khafole
08.Need you
09.Soô
10.Balon tan
11.Djadjiry
Het mag niet ieders voorkeur hebben, of zelfs smaak zijn, maar voor mij is het best een acceptabele cd. Ik zit hier niet ver van de Afrikaanse kust en dan horen muzikanten zoals Habib Koité er gewoon een beetje bij.
Zal ik nog nummers noemen die boven het maaiveld uitsteken? Nee? Dan doe ik dat maar niet, mede omdat ik verscheidene mensen in Nederland va de zomer heb moeten beloven dat ik me in deze brieven zou inhouden. Vooruit, voor de mensen die meer op mijn geestelijke lijn zitten, meld ik hier toch één nummer: “L.A.”, niet omdat het het langste duurt, maar omdat het een ode aan de tequila is. Een shot is een glaasje sterke drank dat je in een keer in je keel dient te gooien. Weten jullie wat een shot in het Swahili is? Ik niet, maar in het Spaans (Los Angeles Mexicaans) is het een “chupito”. (En op “Drapeau” hoor ik Habib Koité een solo fluiten; dat is nog eens een muzikale onderbreking van een gezongen nummer; hij lijkt wel Johnny Jordaan.)
Donderdagavond zie ik een tweede advertentie van het seizoensbier “Bandido” van Tropical hangen. “Somos bandidos, fuertes de entrada, suaves cuando salímos”, we zijn bandieten, sterk in het begin, maar zacht als we vertrekken. Volgens Noé – zie verder op – valt de smaak tegen, maar ik zal hem toch eens moeten proberen, die “Bandido” met een “shot”, scheutje, tequila in je bier. Ik zag hem als halve liter blik staan bij de Hiperdino, dus moet hij er binnenkort aan geloven.
Dezelfde donderdagavond bedenk ik dat Piet & Tonnie met drie anderen nog eens, 25 jaar terug?, een nachtcafé zijn begonnen tegenover de Amsterdamse Westerkerk (waar Beatrix en Claus destijds getrouwd zijn). Piet vertelde mij later eens dat hij de zaak “SOELAAS” had willen noemen. Dat lijkt me nog eens een klinkende naam voor een café. Uiteindelijk werd het “The Box”, omdat de andere drie dat een gepastere naam vonden. Mede door de negatieve bemoeienis van de bovenbuurman van de zaak werd het café geen succes en moest de zaak al snel weer dicht.
Als ik later op de avond aan mijn tweede boek van deze week begin, kom ik al snel het Engelse woord “mayhem” tegen, dat staat voor rotzooi, herrie. “To cause mayhem” is herrie schoppen. Is “mayhem” niks als naam voor een café? Het moet dan wel geen eersteklas zaak zijn, meer een volkscafé met af en toe een vechtpartijtje, dat gesust wordt door de baas van de zaak (Rocky?).
Op de vrijdagmiddag loop ik eerst naar “Biblioteca (zonder H, de TH – theta - bestaat niet in het Spaans) Josefina de la Torre, want ik heb Trudie toegezegd om haar steeds tussen mijn weblogbrieven door een keer te e-mailen. Bij de Playa Chica passeer ik een grote, nieuwe winkel, een beetje alternatief, met pyama’s, pantoffels e.d., die ik eerder vergeten ben te noemen. Hij heet “Ale-Hop” en het bijbehorende embleem is een koe. Het doet me uiteraard denken aan het nummer “Alley-oop” uit 1960 van de Hollywood Argyles. “There’s a man in the funny papers”, etc. Dat was nog eens een hit, meer dan vijftig jaar geleden.
Mijn bibliotheekje ligt bij het basketbalveldje annex speeltuintje aan de boulevard, waar in de zee de “barra”, rif ophoudt en de golven vrij spel krijgen. Op een bank buiten zit ik geduldig in mijn tweede boek te lezen, tot de bibliotheek om half 5 opengaat. Dan mag ik als eerste naar binnen en kiezen tussen de vijf aanwezige computers. Het apparaat vraagt mij vervolgens aanhoudend om mijn account te checken. Ik kom niet in mijn e-mail terecht, wat ik ook probeer. Dus loop ik onverrichter zake maar weer naar buiten.
Ik wandel op mijn gemak het hele stuk terug naar de bushalte voorbij El Corte Inglés, maar ben toch net vóór 6 uur in Triana. Daar begin ik met te kijken waar in de calle Cano de zaak ligt waar ik met Noé om 8 uur heb afgesproken. Ze heet “Planeta 613”, maar een nummer in de straat heeft hij me er niet gegeven. Helaas moet ik jullie melden dat ik eerst foutief op de calle Viera y Clavijo aan het rondkijken ben, maar daar is het restaurant niet, constateer zelfs ik snel. Echter, in de echte calle Cano vind ik ook geen “Planeta 613”. Echter, nogal wat zaken zijn nog dicht na een drukke middag tafelen. Die gaan pas weer om ongeveer 8 uur open.
Ik terug naar de calle mayor de Triana, waar ik op de bank tegenover café-restaurant “McCarthy’s” met terras breeduit ga zitten. Ik heb mijn rustplek gevonden. Aan de gevel staat de naam vlekkeloos opgeschreven tussen links “beers & spirits” en rechts “food & wine”. De Ierse zaak heeft echt een ouderwetse gevel, met een Guinness-klok aan top. Wat is het druk in de straat die vrijdagavond, “Black Friday”, wat willen jullie. De diverse winkels hebben aanbiedingen en dus loopt toutes Las Palmas langs mijn bank op zoek naar koopjes.
Als het bijna 8 uur is en ik op het punt sta om opnieuw de calle Cano te gaan verkennen, is net een omvangrijke “cabalgata” in aantocht. Het is de definitieve dag tegen ons, “manslui”. Het “Violencia contra las mujeres” klinkt echt waar uit duizenden kelen. Verreweg de meeste “meelopers” in de optocht zijn uiteraard vrouwen, maar ik bespeur ook een klein contingent mannen. Dan zie ik tot mijn schrik en verbazing Lorena met Noé en Agu 1 opduiken in de uiterst langzaam voorbij trekkende stoet. Ze hebben mij op mijn stek bij McCarthy’s snel gevonden. Op mijn uitdrukkelijke verzoek verlaten we het toneel om ons restaurant op te zoeken, tegenover Perrachica, een zaak waar ik wel eens met de afdeling van Luis getafeld heb. De baas van Planeta 613 is nog bezig met de stoelen en tafeltjes buiten te zetten en in de pannen te roeren. Dus gaan we eerst naar hotel Madrid op de plaza Cairasco, het stamcafé van Noé’s vader, voor een aperitief. Agu 1 haakt daarna af wegens zijn verkoudheid. Om even over half 9 staat bij Planeta 613 een gereserveerd tafeltje gereed om Noé, Lorena en mij te ontvangen.
Nou zijn jullie natuurlijk benieuwd, waar de naam Planeta 613 vandaan komt. Het verhaal “De kleine prins” (kennen jullie dat, Lux & Dalí?) speelt zich, althans volgens de baas van de zaak, af op planeet 612 en hij heeft er gewoon een cijfertje bijgedaan, toen hij een naam voor zijn nering moest bedenken. Laat ik hier ook zijn zus noemen, een huisarts, actief in Gambia, die bevriend blijkt te zijn met Noé en Lorena. Dat is nog eens een aardige vrouw.
Als we onze drank en eten besteld hebben, maakt Noé een foto met zijn mobieltje van ons drieën, die hij op mijn verzoek aan Trudie doorsluist. Daarmee is mijn tussendoor e-mail dan toch verstuurd, denk ik maar. We doen niet al te wild en houden het op drie gerechten voor ons samen: iets met kip en groente, rauwe, maar lekkere tonijn en een mini-visschotel uit Peru, ceviche, met citroen, ui, tomaat en avocado (guacamole). Vooral het Peruaanse visgerecht kan mij zeer bekoren. Lorena zegt me toe dat we hetzelfde gerecht met witte vis nog eens opnieuw gaan eten in een 100% Peruaanse zaak aan Las Canteras, vlakbij haar flatje. Ik ken die zaak wel, “Ají, limón y canela”, maar heb er nog nooit gegeten. Terzijde: dat ají staat volgens haar voor rode peper of paprika.
Het wordt een gezellige, levendige avond met zijn drieën, waarbij ik me geen buitenstaander voel. Toch zijn Noé en Lorena ook met vrienden en bekenden in de weer, die langs komen lopen. Ik amuseer mij best. Om even voor 12 nemen we een taxi terug naar mijn buurt. Op de hoek van de Luis Morote bij Topaz zetten ze me af en gaan nog weer door naar de plaza Farray voor een afzakkertje. Ik kruip nog redelijk op tijd onder mijn dekentje.
Zaterdagmorgen zet ik in afwachting van een teken van leven van Noé en Lorena een nieuwe cd op, “Greatest hits” uit 2002 van Gigliola Cinquetti (geboren in 1947 voor wie het wil weten). Wie van de ouderen onder jullie kent haar niet, het kindmeisje dat met het liedje “Non ho l’età” heel Europa aan haar voeten kreeg tijdens het Eurovisie songfestival van 1964, toen het nog een liedjeswedstrijd was en geen uit de hand gelopen tv-show. Van Gigliola Cinquetti heb ik via het Muziekweb afgelopen zomer een overzichtscd in huis gehaald. Hier zijn de achttien nummers:
01.Alle porte del sole
02.Giovane vecchio cuore
03.Chiamalo amore
04.L’amore d’Aprile
05.Abbassando
06.Senza di te, senza di me
07.Le storie
08.Luna vaga bonda
09.Mi fermerò con te
10.Prima del temporale
11.Quel tuo cuore da re
12.Calypso
13.Notte di stelle
14.Boreale
15.Scusami se
16.La vita è dura
17.La prima donna sulla luna
18.Non ho l’età
De cd blijkt helaas niet te zijn wat ik gehoopt had; een mens kan niet altijd geluk hebben. In plaats van een klinkende klaagzang van een getergde tiener krijg ik af en aan muziek voorgeschoteld van een te rijpe vrouw. Het is weliswaar “Non ho l’età”, maar de nodige decennia later. Gelukkig staat het betreffende liedje er wel op (maar daar had ik bij mijn Rotterdamse bestelling al op geanticipeerd). Lief zou ik het allemaal willen noemen, aandoenlijk, maar overhouden doet het niet.
Om elf uur zaterdagmorgen krijg ik een Sms-je van Lorena met “Buenos días, Paul”, even later gevolgd door eentje met “Noé is still sleeping”. Hij heeft het op de plaza Farray de afgelopen nacht heel laat gemaakt, of liever gezegd heel vroeg, want hij kwam pas om 6 à 7 uur ‘s morgens thuis bij Lorena aanzetten. De verdere ochtend en hele middag ligt Noé uitgeteld op haar bank in diepe rust. Op de zaterdag doet mijn jongere collega epidemiologie niet echt meer mee.
Ik eet intussen thuis in mijn eentje. Als ik om half 7 uur aan mijn wandeling over de boulevard begin, met een min of meer verplichte stop bij calle Ferreras en het NH hotel, weet ik eerlijk gezegd niet goed wat ik ervan moet denken. Doorzakken doen we bijna allemaal wel eens, maar Noé maakt wel erg vaak de kachel aan. Gewapend met o.a. “Bandido” en sponsjes van de Hiperdino loop ik peinzend bij Lorena voorbij en nestel me even later op mijn balkon met een drankje, hazelnoten en mijn boek.
De zaterdag heeft niet gebracht wat ervan gehoopt had. Gisteravond had Noé het nog over samen naar Santa Brigida gaan, over copieuze lunchen bij mensen thuis, over eten bij smulpaap Juli, die kennelijk net terug is uit China, waar hij voor zijn werk moest zijn. Misschien levert de zondag nog wat op.
Gigliola Cinquetti kan me intussen gestolen worden. Ik kies op de zondagmorgen een nieuwe favoriete artiest. Ik heb jullie ongetwijfeld wel eens vermoeid met synthesizermuziek, zelfs hele overzichtscd’s met van alles wat. Ik doel dan bijv. op Synthesizer Greatest, een verzameling van zes cd’s met dergelijke muziek die ik op mijn computer heb staan.
Tot de vele coryfeeën op dat terrein reken ik ook ene Ed Starink, uit 1952, N.B. “’nen Hollender”. Afgelopen zomer vond ik in Centre Ceramique een cd van hem die nieuw voor mij was: Synthétiseur 9. Ik neem maar aan dat die E met een streepje moet en helaas, het jaar dat de cd uitgekomen is, ben ik vergeten op te schrijven. Bij dezen presenteer ik jullie de 17 nummers van de cd, een hele mond vol:
01.Conquest of paradise
02.Strictly personal
03.Calypso part 3
04.Vintage
05.Canyons
06.Evil north
07.Mélissa (Bilitis)
08.Thick mountains
09.Crusoe
10.Intermezzo
11.The will of the wind
12.The Celtic fields
13.How can I keep from singing
14.Caroussel
15.C’est le vent, Betty
16.World
17.Chronologie part 4
Het eerste nummer op de plaat, “Conquest of paradise” zullen jullie zeker kennen, als je het hoort. Het is uit de film 1492, over Columbus. Ik heb het ook in de versie van Vangelis. Ook de andere zestien nummers mogen er zijn, maar uitschieters, nee, dit soort muziek is m.i. een constante achtergronddeun. Vooruit, als het perse moet, geef ik “Crusoe” nog een eervolle vermelding – een erg “sjiek” werkje.
Op de zondag zit ik om 8 uur al aan de koffie op mijn balkon. Mijn wasmachine doet het wonderwel gelukkig weer prima. Als je op zijn tijd maar genoeg agua fuerte door de gootsteen mikt, ziet het leven er vanzelf zonnig uit. Om 11 uur mail ik Lorena, geen reactie, en om half 1 Noé. Dan krijg hem aan de telefoon: of ik mij om half 2 wil aandienen bij de Ocean Bar aan de boulevard. Daar tref ik hem ook, monter en wel, geheel opgeknapt van zijn kater van zaterdag. Juli is er ook en die vertelt me uitgebreid over zijn twee weken in China, preciezer het eiland Hainan Dao in het zuiden, met als hoofdstad Haikou, niet ver van midden Vietnam. Hij heeft er een hoop Chinezen ontmoet die het aardig voor de wind gaat. Even later sluit Lorena zich bij ons aan.
Een uurtje later zitten we met zijn vieren op het terras van La Bikina, verderop op Las Canteras, naast de zoveelste broodzaak van Granier en een nieuwe: “Jolgorio, compartería & café”. Jolgorio staat voor pret, feest (“ir de jolgorio” is aan de boemel gaan) en compartir staat voor delen. De naam La Bikina heeft niks van doen met bikini’s, maar is de titel van een bekend Mexicaans liedje. Ik heb het in twee versies op mijn computer staan, waaronder eentje van een Peruaanse groep uit Oaxaca.
Hugo, Noé’s tienerbroer van een latere echtgenote van zijn vader, sluit aan en even later ook nog Luis & Daniela. Die twee ken ik al van diverse eerdere eetpartijen met Noé. Om eens een wapenfeit te herhalen: Daniela is tandarts en wordt meestal met haar bijnaam aangesproken: Tachela. Ze verwacht nu haar eerste kind, als 38 jarige, maar alles lijkt tot dusver – ze is halverwege en er is DNA-onderzoek gedaan – goed te gaan. We nemen het er uitgebreid van bij La Bikina. Om de menukaart tref ik een Spaanse variant aan van “lek vinger, lek doum”: “Come con las manos, chúpate los dedos”, eet met je handen en lik je vingers erbij af.
Na het tafelen met drank, voor mij zo vroeg op de middag spa rood (Firgas), nemen we afscheid van Juli en Hugo en loop ik met Noé, Lorena, Luis en Tachela naar een filiaal van Gelizia in de buurt van de plaza de España voor koffie, ijs en gebak. Om bijna half 7 zet ik weer voet in mijn flat aan de Luis Morote. Noé gaat dan nog bij zijn vader op bezoek en morgen in alle vroegte neemt hij de boot terug naar Santa Cruz de Tenerife.
Maandagavond mag ik weer eens constateren dat Heineken er veel aan doet om zich hier bij de mensen in te bijten. Zoals ieder jaar is een clubje kunstenaars doende om aan Las Canteras een grote kerststal van zand te bouwen. Op de boulevard zelf staat een bijbehorende boom van een metertje of tien hoog. Die is dit jaar één grote Heineken-reclame, met als piek een rode vijfpuntige Heineken-ster. En ik maar aan de mensen uitleggen dat Heineken bepaald mijn bier niet is, dat ik bijv. Tropical, Dorado en Cruzcampo, de bieren van hier, een stuk lekkerder vind.
Overigens, de zijkant van de kerststal is al bijna klaar. Daar staat in legio talen het woord “vrede” op gekalkt. Het Spaanse woord is “paz”, denk maar aan de meezinger: “Noche de paz, noche de amor”, stille nacht, heilige nacht. Ik zie het zelfs ook in het Chinees, het Arabisch en het Cyrillisch staan, denk ik. Vrede is kennelijk in het Russisch: M?P, met in het midden iets wat op een N lijkt. Staat er MIR?
Het is nog steeds best aardig weer in Las Palmas, overdag 20+ graden, maar in de avond, als de temperatuur ietsje (niet veel) zakt, hebben de nodige mensen toch een vest of colbertje aan. Daardoor heb je minder kans om een T-shirt of truitje met een interessant opschrift te bespeuren. Ik vind er die avond eentje die ik jullie wil doorgeven. Het embleem van Nike is: “JUST DO IT” met daaronder een net niet horizontale streep, een swoosh. Er loopt me een man van middelbare leeftijd voorbij op de boulevard in een trui met daarop: “JUST DO IT”, dan een swoosh en daaronder “TOMORROW”.
Op de dinsdagmorgen besluit ik bij dezen dapper dat mijn brief af is. Hoe krijg ik de zaak steeds weer recht gebreid, vraag ik mij met jullie wel eens af. Mijn volgende epistel komt er naar alle waarschijnlijkheid aan op surprisenavond, maandag 5 december.
Voor nu, als iemand van jullie de komende dagen hulp nodig heeft bij het gedichten maken, mail me maar, dan zal ik kijken of ik nog wat Nederlandse rijmwoorden paraat heb. Een Spaans tijmwoordenboekje heb ik helaas nooit kunnen bemachtigen, wel een Engels en een Maastrichts (van mijn vroegere buurman Fons Otten). Ik geef het jullie te doen, zo ver weg in de Nederlandse herfst, bijna winter. Laat ik geen klachten krijgen en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Met terugwerkende kracht heb ik nooit begrepen waarom ik als tiener wel Oud Grieks en oud Latijn moest leren lezen, maar op bijna 18-jarige leeftijd, toen ik van het gymnasium kwam, nog steeds niet fatsoenlijk Engels, Frans en Duits kon spreken, laat staan ook nog Spaans. Dat heb ik me later zelf eigen moeten maken. De oude talen verveelden me op school, en niet zo’n beetje ook. Intussen had ik wel Homerus leren lezen of het Dagblad De Limburger was. Met Latijnse mensen as Cicero en Salustius had ik meer moeite, maar eerlijk gezegd interesseerde het mij destijds geen hol wat ze te zeggen hadden. Hou daar eens mee op, bedenkers van onderwijs, met dat tieners pesten!
Gaan we naar het heden. In eerdere jaren las ik al het boek over de ondergang van Pompeii van Engelsman Robert Harris. Ook diens “Imperium” en “Lustrum” over het leven van (Marcus Tullius) Cicero als jongeman en volbloed volwassene moesten het ontgelden. De man was kennelijk in de eeuw vóór onze jaartelling een gevierde advocaat, politicus en filosoof in Rome. Beide eerdere boeken van een voorgenomen trilogie vond ik best interessant om te lezen, wel in het Engels uiteraard en niet met alle ablatieven die je uit elkaar moest zien te rafelen. Er was mij door Robert Harris nog een derde deel toegezegd en dat heb ik net uit. “Dictator” is van 2015 en begint als Cicero bijna 50 jaar is. Zoals in “Imperium” en “Lustrum” worden zijn woorden en daden (zogenaamd) opgetekend door zijn secretaris Tiro, die drie jaar jonger dan hij is.
De opkomst van Cicero als advocaat en zijn verschillende politieke functies, als praetor, senator en consul zijn dan al passé. Hij is in het begin van deel 3 nog wel advocaat, maar is vooral als senator (dat blijf je voor het leven) begaan met het wel en wee van de stad en de uitdijende republiek. Cicero wordt een aantal keren naar het buitenland gedirigeerd, maar komt toch steeds weer als briljante woordkunstenaar in Rome terug. Een belangrijke club tegenspelers, zeker in de eerste jaren van de vijftigplusser, is het triumviraat (het lijkt wel de voorhoede van Barça) Crassus, Pompeius en Caesar. Die willen ieder voor zich best de republiek aan hun laars willen lappen, als ze zelf de enige baas kunnen zijn. Echter, niemand heeft het eeuwige leven, ook niet deze drie, als ze een voor een vermoord worden, en ook Clodius niet, die in die jaren echt een plaag is voor Cicero. Gaat zijn leven in de jaren daarna wel van een leien dakje? Nee dus, want in hun plaats komen nieuwe strebers zoals Lepidus en vooral Marcus Antonius en Octavianus. Zij zijn net als eerder Caesar best bereid zijn om de republiek vaarwel te zeggen, als ze dictator kunnen zijn. Als Cicero ergens in de zestig is, gaat hij zelf ook ten onder.
Wat een boek! Dat zeggen tenminste kranten zoals The Times (“Highest compliment”), The Observer (“A master of pace and entertainment”) en The Guardian (“Climactic, his wonderful trilogy”). Ook ik, bescheiden als ik ben, vind “Dictator” een pracht van een boek. Ik heb de 500 bladzijden plus “Dramatis personae” en “Glossary” met heel veel animo zitten lezen en wil bijv. zijn verhandeling over de geneeskunde (“Tusculan disputations”, zie blz. 317) best ook nog wel eens zien. Echter – maar ik val in herhaling – waarom zou je Cicero in het oud Latijn lezen, als daarmee de charme compleet verloren gaat? Ik heb voor dit boek in het Engels als recensiecijfer een volle 8 over.
Deze week kan het niet op, ik heb nog een tweede boek voor jullie. Het betreft “Poppet” van Mo Hayder uit 2013. Zoals steeds bij deze schrijfster is Bristol de plaats van handeling.
“Poppet” staat voor een popje, maar wel als voodoo fetisj. In een psychiatrisch tehuis, genaamd Beechway High Secure Unit, heerst grote onrust, omdat The Maude daar zou huishouden, een spook. Mother Monster (eigenlijk Gabriella) bijv. wordt er zeer onrustig van. Er is enkele jaren terug iemand dood gevonden, iemand anders heeft zich met een lepel van een oog ontdaan en de vorige week is Zelda plotseling overleden. Directeur Melanie Arrow heeft het er maar moeilijk mee en ook het hoofd van de staf, AJ LeGrande. De laatste belt de politie en Jack Caffery, bij Mo Hayder lezers welbekend, van het Major Crime Investigation Team, gaat zich ermee bemoeien. Het leidt tot nieuw onderzoek van de net ontslagen patiënt Isaac Handel, die vijftien jaar eerder zijn ouders heeft vermoord. De maitresse van zijn vader toen is nu een jam makende hippie, genaamd Penny. Apart is dat de bedvriend van Melanie, Jonathan Keay, drie weken geleden van het toneel verdwenen is. AJ is niet te beroerd om zijn plaats als vrijer in te nemen.
Is dat nog steeds te weinig informatie over de inhoud? Dan vertel ik hier als extraatje dat de hond van AJ LeGrande Stewart heet en dat Jack Caffery zijdelings al maanden op zoek is naar (het lichaam van) een junkie, genaamd Misty Kitson. Het hoofd van de duikbrigade, Flea Marley, zou ermee te maken hebben.
Als ik de recensies mag geloven, is “Poppet” een meesterwerkje. Vriendin Karin Slaughter van Mo Hayder noemt het “terrifying”, Tess Gerritsen vindt het “stunning” en The Times schrijft: “With Mo Hayder you never know where you are going until you get there.” Sluit ik me bij hen aan? Ja en nee. Ook ik heb het boek met veel plezier zitten lezen, maar het einde is me ietsje te bedacht en het boek houdt me te plotseling op. Daarmee zakt mijn recensiecijfer naar een 7½. Het is en blijft voor mij nog steeds een interessant boek, dat zeker, maar voor mijn boekenkast met kroonjuwelen (8 en meer als recensiecijfer) is het te min.
Queridos amigos y familia, zit ik aardig op schema of niet? Morgen is de laatste dag van november en ik trakteer jullie vandaag op mijn vijfde brief van deze winter. Vijf per maand is dertig in zes maanden tijd, het aantal dat ik voor jullie in gedachte heb voor deze winter.
Uiterlijk morgen dient de nieuwe rector van de universiteit (met zijn gevolg) gekozen te zijn. Almudena is nog in de race als vicerector, eerder is de kandidaat van rechtsgeschiedenis afgevallen en blijven de bioloog en de dierenarts over als kanshebbers. Wie heeft het gehaald of gaat het morgen halen? Op de faculteit ga ik het vanmiddag horen van Cristina, die mij speciaal vroeg om op de kamer die ze met Adriana deelt, te komen buurten.
Als ik bij mijn vertrek de afgelopen keer het hoge faculteitsgebouw verlaat, zie ik met grote letters op de buitendeur staan: CIERREN LAS PUERTAS, POR FAVOR. GRS! Doe alsjeblieft de deuren goed achter je dicht. GRS! Die afkorting moet ik mij eigen maken: GRS staat voor GRACIAS, dank je wel. Zou je ook PF kunnen zeggen in plaats POR FAVOR? Die zoeken we op. PF besaat niet, maar PFFF staat voor het tegenovergestelde van alsjeblieft; het is eerder bah, getver.
Het vervoer van Gran Canaria over zee naar Tenerife (via Agaete) wordt o.a. verzorgd door de firma Fred Olsen. Op de weg terug van de faculteit met bus 12 zie ik op een grote reclame van de firma hangen: “Abrazo llega antes”. In vertaling staat er: een omarming komt nu eerder aan, om aan te geven dat hun boten naar Santa Cruz de Tenerife en bussen van Las Palmas naar Agaete steeds meer de vaart erin zetten.
Als ik later een krant in handen heb in het bibliotheekje bij het Castillo de la Luz, zie ik daarin een mooie foto van Donald Trump, als hij de trap van zijn Trump tower opgaat. Het onderschrift heeft het over de man “en su torre neoyorquina”. Daar zou ik zo vlug niet opkomen, neoyorquina, ik zou als derde letter een W in plaats van een O schrijven. Echter, mijn woordenboek geeft de krant later groot gelijk.
En dan, op de donderdagmorgen alweer, mag ik jullie mijn nieuwe muziek presenteren. Ik kom deze keer aanzetten met een zwarte man uit Mali: Habib Koité, geboren in 1958 en voor de kenners: gelieerd met de groep Bamada. Zijn recente cd “Soô” heb ik uit Centre Ceramique. Hier zijn de nummers, ik hoop maar dat ik de titels goed overschrijf:
01.Têmê
02.Diarabi niani
03.Bolo mala
04.Drapeau
05.Téréré
06.L.A.
07.Khafole
08.Need you
09.Soô
10.Balon tan
11.Djadjiry
Het mag niet ieders voorkeur hebben, of zelfs smaak zijn, maar voor mij is het best een acceptabele cd. Ik zit hier niet ver van de Afrikaanse kust en dan horen muzikanten zoals Habib Koité er gewoon een beetje bij.
Zal ik nog nummers noemen die boven het maaiveld uitsteken? Nee? Dan doe ik dat maar niet, mede omdat ik verscheidene mensen in Nederland va de zomer heb moeten beloven dat ik me in deze brieven zou inhouden. Vooruit, voor de mensen die meer op mijn geestelijke lijn zitten, meld ik hier toch één nummer: “L.A.”, niet omdat het het langste duurt, maar omdat het een ode aan de tequila is. Een shot is een glaasje sterke drank dat je in een keer in je keel dient te gooien. Weten jullie wat een shot in het Swahili is? Ik niet, maar in het Spaans (Los Angeles Mexicaans) is het een “chupito”. (En op “Drapeau” hoor ik Habib Koité een solo fluiten; dat is nog eens een muzikale onderbreking van een gezongen nummer; hij lijkt wel Johnny Jordaan.)
Donderdagavond zie ik een tweede advertentie van het seizoensbier “Bandido” van Tropical hangen. “Somos bandidos, fuertes de entrada, suaves cuando salímos”, we zijn bandieten, sterk in het begin, maar zacht als we vertrekken. Volgens Noé – zie verder op – valt de smaak tegen, maar ik zal hem toch eens moeten proberen, die “Bandido” met een “shot”, scheutje, tequila in je bier. Ik zag hem als halve liter blik staan bij de Hiperdino, dus moet hij er binnenkort aan geloven.
Dezelfde donderdagavond bedenk ik dat Piet & Tonnie met drie anderen nog eens, 25 jaar terug?, een nachtcafé zijn begonnen tegenover de Amsterdamse Westerkerk (waar Beatrix en Claus destijds getrouwd zijn). Piet vertelde mij later eens dat hij de zaak “SOELAAS” had willen noemen. Dat lijkt me nog eens een klinkende naam voor een café. Uiteindelijk werd het “The Box”, omdat de andere drie dat een gepastere naam vonden. Mede door de negatieve bemoeienis van de bovenbuurman van de zaak werd het café geen succes en moest de zaak al snel weer dicht.
Als ik later op de avond aan mijn tweede boek van deze week begin, kom ik al snel het Engelse woord “mayhem” tegen, dat staat voor rotzooi, herrie. “To cause mayhem” is herrie schoppen. Is “mayhem” niks als naam voor een café? Het moet dan wel geen eersteklas zaak zijn, meer een volkscafé met af en toe een vechtpartijtje, dat gesust wordt door de baas van de zaak (Rocky?).
Op de vrijdagmiddag loop ik eerst naar “Biblioteca (zonder H, de TH – theta - bestaat niet in het Spaans) Josefina de la Torre, want ik heb Trudie toegezegd om haar steeds tussen mijn weblogbrieven door een keer te e-mailen. Bij de Playa Chica passeer ik een grote, nieuwe winkel, een beetje alternatief, met pyama’s, pantoffels e.d., die ik eerder vergeten ben te noemen. Hij heet “Ale-Hop” en het bijbehorende embleem is een koe. Het doet me uiteraard denken aan het nummer “Alley-oop” uit 1960 van de Hollywood Argyles. “There’s a man in the funny papers”, etc. Dat was nog eens een hit, meer dan vijftig jaar geleden.
Mijn bibliotheekje ligt bij het basketbalveldje annex speeltuintje aan de boulevard, waar in de zee de “barra”, rif ophoudt en de golven vrij spel krijgen. Op een bank buiten zit ik geduldig in mijn tweede boek te lezen, tot de bibliotheek om half 5 opengaat. Dan mag ik als eerste naar binnen en kiezen tussen de vijf aanwezige computers. Het apparaat vraagt mij vervolgens aanhoudend om mijn account te checken. Ik kom niet in mijn e-mail terecht, wat ik ook probeer. Dus loop ik onverrichter zake maar weer naar buiten.
Ik wandel op mijn gemak het hele stuk terug naar de bushalte voorbij El Corte Inglés, maar ben toch net vóór 6 uur in Triana. Daar begin ik met te kijken waar in de calle Cano de zaak ligt waar ik met Noé om 8 uur heb afgesproken. Ze heet “Planeta 613”, maar een nummer in de straat heeft hij me er niet gegeven. Helaas moet ik jullie melden dat ik eerst foutief op de calle Viera y Clavijo aan het rondkijken ben, maar daar is het restaurant niet, constateer zelfs ik snel. Echter, in de echte calle Cano vind ik ook geen “Planeta 613”. Echter, nogal wat zaken zijn nog dicht na een drukke middag tafelen. Die gaan pas weer om ongeveer 8 uur open.
Ik terug naar de calle mayor de Triana, waar ik op de bank tegenover café-restaurant “McCarthy’s” met terras breeduit ga zitten. Ik heb mijn rustplek gevonden. Aan de gevel staat de naam vlekkeloos opgeschreven tussen links “beers & spirits” en rechts “food & wine”. De Ierse zaak heeft echt een ouderwetse gevel, met een Guinness-klok aan top. Wat is het druk in de straat die vrijdagavond, “Black Friday”, wat willen jullie. De diverse winkels hebben aanbiedingen en dus loopt toutes Las Palmas langs mijn bank op zoek naar koopjes.
Als het bijna 8 uur is en ik op het punt sta om opnieuw de calle Cano te gaan verkennen, is net een omvangrijke “cabalgata” in aantocht. Het is de definitieve dag tegen ons, “manslui”. Het “Violencia contra las mujeres” klinkt echt waar uit duizenden kelen. Verreweg de meeste “meelopers” in de optocht zijn uiteraard vrouwen, maar ik bespeur ook een klein contingent mannen. Dan zie ik tot mijn schrik en verbazing Lorena met Noé en Agu 1 opduiken in de uiterst langzaam voorbij trekkende stoet. Ze hebben mij op mijn stek bij McCarthy’s snel gevonden. Op mijn uitdrukkelijke verzoek verlaten we het toneel om ons restaurant op te zoeken, tegenover Perrachica, een zaak waar ik wel eens met de afdeling van Luis getafeld heb. De baas van Planeta 613 is nog bezig met de stoelen en tafeltjes buiten te zetten en in de pannen te roeren. Dus gaan we eerst naar hotel Madrid op de plaza Cairasco, het stamcafé van Noé’s vader, voor een aperitief. Agu 1 haakt daarna af wegens zijn verkoudheid. Om even over half 9 staat bij Planeta 613 een gereserveerd tafeltje gereed om Noé, Lorena en mij te ontvangen.
Nou zijn jullie natuurlijk benieuwd, waar de naam Planeta 613 vandaan komt. Het verhaal “De kleine prins” (kennen jullie dat, Lux & Dalí?) speelt zich, althans volgens de baas van de zaak, af op planeet 612 en hij heeft er gewoon een cijfertje bijgedaan, toen hij een naam voor zijn nering moest bedenken. Laat ik hier ook zijn zus noemen, een huisarts, actief in Gambia, die bevriend blijkt te zijn met Noé en Lorena. Dat is nog eens een aardige vrouw.
Als we onze drank en eten besteld hebben, maakt Noé een foto met zijn mobieltje van ons drieën, die hij op mijn verzoek aan Trudie doorsluist. Daarmee is mijn tussendoor e-mail dan toch verstuurd, denk ik maar. We doen niet al te wild en houden het op drie gerechten voor ons samen: iets met kip en groente, rauwe, maar lekkere tonijn en een mini-visschotel uit Peru, ceviche, met citroen, ui, tomaat en avocado (guacamole). Vooral het Peruaanse visgerecht kan mij zeer bekoren. Lorena zegt me toe dat we hetzelfde gerecht met witte vis nog eens opnieuw gaan eten in een 100% Peruaanse zaak aan Las Canteras, vlakbij haar flatje. Ik ken die zaak wel, “Ají, limón y canela”, maar heb er nog nooit gegeten. Terzijde: dat ají staat volgens haar voor rode peper of paprika.
Het wordt een gezellige, levendige avond met zijn drieën, waarbij ik me geen buitenstaander voel. Toch zijn Noé en Lorena ook met vrienden en bekenden in de weer, die langs komen lopen. Ik amuseer mij best. Om even voor 12 nemen we een taxi terug naar mijn buurt. Op de hoek van de Luis Morote bij Topaz zetten ze me af en gaan nog weer door naar de plaza Farray voor een afzakkertje. Ik kruip nog redelijk op tijd onder mijn dekentje.
Zaterdagmorgen zet ik in afwachting van een teken van leven van Noé en Lorena een nieuwe cd op, “Greatest hits” uit 2002 van Gigliola Cinquetti (geboren in 1947 voor wie het wil weten). Wie van de ouderen onder jullie kent haar niet, het kindmeisje dat met het liedje “Non ho l’età” heel Europa aan haar voeten kreeg tijdens het Eurovisie songfestival van 1964, toen het nog een liedjeswedstrijd was en geen uit de hand gelopen tv-show. Van Gigliola Cinquetti heb ik via het Muziekweb afgelopen zomer een overzichtscd in huis gehaald. Hier zijn de achttien nummers:
01.Alle porte del sole
02.Giovane vecchio cuore
03.Chiamalo amore
04.L’amore d’Aprile
05.Abbassando
06.Senza di te, senza di me
07.Le storie
08.Luna vaga bonda
09.Mi fermerò con te
10.Prima del temporale
11.Quel tuo cuore da re
12.Calypso
13.Notte di stelle
14.Boreale
15.Scusami se
16.La vita è dura
17.La prima donna sulla luna
18.Non ho l’età
De cd blijkt helaas niet te zijn wat ik gehoopt had; een mens kan niet altijd geluk hebben. In plaats van een klinkende klaagzang van een getergde tiener krijg ik af en aan muziek voorgeschoteld van een te rijpe vrouw. Het is weliswaar “Non ho l’età”, maar de nodige decennia later. Gelukkig staat het betreffende liedje er wel op (maar daar had ik bij mijn Rotterdamse bestelling al op geanticipeerd). Lief zou ik het allemaal willen noemen, aandoenlijk, maar overhouden doet het niet.
Om elf uur zaterdagmorgen krijg ik een Sms-je van Lorena met “Buenos días, Paul”, even later gevolgd door eentje met “Noé is still sleeping”. Hij heeft het op de plaza Farray de afgelopen nacht heel laat gemaakt, of liever gezegd heel vroeg, want hij kwam pas om 6 à 7 uur ‘s morgens thuis bij Lorena aanzetten. De verdere ochtend en hele middag ligt Noé uitgeteld op haar bank in diepe rust. Op de zaterdag doet mijn jongere collega epidemiologie niet echt meer mee.
Ik eet intussen thuis in mijn eentje. Als ik om half 7 uur aan mijn wandeling over de boulevard begin, met een min of meer verplichte stop bij calle Ferreras en het NH hotel, weet ik eerlijk gezegd niet goed wat ik ervan moet denken. Doorzakken doen we bijna allemaal wel eens, maar Noé maakt wel erg vaak de kachel aan. Gewapend met o.a. “Bandido” en sponsjes van de Hiperdino loop ik peinzend bij Lorena voorbij en nestel me even later op mijn balkon met een drankje, hazelnoten en mijn boek.
De zaterdag heeft niet gebracht wat ervan gehoopt had. Gisteravond had Noé het nog over samen naar Santa Brigida gaan, over copieuze lunchen bij mensen thuis, over eten bij smulpaap Juli, die kennelijk net terug is uit China, waar hij voor zijn werk moest zijn. Misschien levert de zondag nog wat op.
Gigliola Cinquetti kan me intussen gestolen worden. Ik kies op de zondagmorgen een nieuwe favoriete artiest. Ik heb jullie ongetwijfeld wel eens vermoeid met synthesizermuziek, zelfs hele overzichtscd’s met van alles wat. Ik doel dan bijv. op Synthesizer Greatest, een verzameling van zes cd’s met dergelijke muziek die ik op mijn computer heb staan.
Tot de vele coryfeeën op dat terrein reken ik ook ene Ed Starink, uit 1952, N.B. “’nen Hollender”. Afgelopen zomer vond ik in Centre Ceramique een cd van hem die nieuw voor mij was: Synthétiseur 9. Ik neem maar aan dat die E met een streepje moet en helaas, het jaar dat de cd uitgekomen is, ben ik vergeten op te schrijven. Bij dezen presenteer ik jullie de 17 nummers van de cd, een hele mond vol:
01.Conquest of paradise
02.Strictly personal
03.Calypso part 3
04.Vintage
05.Canyons
06.Evil north
07.Mélissa (Bilitis)
08.Thick mountains
09.Crusoe
10.Intermezzo
11.The will of the wind
12.The Celtic fields
13.How can I keep from singing
14.Caroussel
15.C’est le vent, Betty
16.World
17.Chronologie part 4
Het eerste nummer op de plaat, “Conquest of paradise” zullen jullie zeker kennen, als je het hoort. Het is uit de film 1492, over Columbus. Ik heb het ook in de versie van Vangelis. Ook de andere zestien nummers mogen er zijn, maar uitschieters, nee, dit soort muziek is m.i. een constante achtergronddeun. Vooruit, als het perse moet, geef ik “Crusoe” nog een eervolle vermelding – een erg “sjiek” werkje.
Op de zondag zit ik om 8 uur al aan de koffie op mijn balkon. Mijn wasmachine doet het wonderwel gelukkig weer prima. Als je op zijn tijd maar genoeg agua fuerte door de gootsteen mikt, ziet het leven er vanzelf zonnig uit. Om 11 uur mail ik Lorena, geen reactie, en om half 1 Noé. Dan krijg hem aan de telefoon: of ik mij om half 2 wil aandienen bij de Ocean Bar aan de boulevard. Daar tref ik hem ook, monter en wel, geheel opgeknapt van zijn kater van zaterdag. Juli is er ook en die vertelt me uitgebreid over zijn twee weken in China, preciezer het eiland Hainan Dao in het zuiden, met als hoofdstad Haikou, niet ver van midden Vietnam. Hij heeft er een hoop Chinezen ontmoet die het aardig voor de wind gaat. Even later sluit Lorena zich bij ons aan.
Een uurtje later zitten we met zijn vieren op het terras van La Bikina, verderop op Las Canteras, naast de zoveelste broodzaak van Granier en een nieuwe: “Jolgorio, compartería & café”. Jolgorio staat voor pret, feest (“ir de jolgorio” is aan de boemel gaan) en compartir staat voor delen. De naam La Bikina heeft niks van doen met bikini’s, maar is de titel van een bekend Mexicaans liedje. Ik heb het in twee versies op mijn computer staan, waaronder eentje van een Peruaanse groep uit Oaxaca.
Hugo, Noé’s tienerbroer van een latere echtgenote van zijn vader, sluit aan en even later ook nog Luis & Daniela. Die twee ken ik al van diverse eerdere eetpartijen met Noé. Om eens een wapenfeit te herhalen: Daniela is tandarts en wordt meestal met haar bijnaam aangesproken: Tachela. Ze verwacht nu haar eerste kind, als 38 jarige, maar alles lijkt tot dusver – ze is halverwege en er is DNA-onderzoek gedaan – goed te gaan. We nemen het er uitgebreid van bij La Bikina. Om de menukaart tref ik een Spaanse variant aan van “lek vinger, lek doum”: “Come con las manos, chúpate los dedos”, eet met je handen en lik je vingers erbij af.
Na het tafelen met drank, voor mij zo vroeg op de middag spa rood (Firgas), nemen we afscheid van Juli en Hugo en loop ik met Noé, Lorena, Luis en Tachela naar een filiaal van Gelizia in de buurt van de plaza de España voor koffie, ijs en gebak. Om bijna half 7 zet ik weer voet in mijn flat aan de Luis Morote. Noé gaat dan nog bij zijn vader op bezoek en morgen in alle vroegte neemt hij de boot terug naar Santa Cruz de Tenerife.
Maandagavond mag ik weer eens constateren dat Heineken er veel aan doet om zich hier bij de mensen in te bijten. Zoals ieder jaar is een clubje kunstenaars doende om aan Las Canteras een grote kerststal van zand te bouwen. Op de boulevard zelf staat een bijbehorende boom van een metertje of tien hoog. Die is dit jaar één grote Heineken-reclame, met als piek een rode vijfpuntige Heineken-ster. En ik maar aan de mensen uitleggen dat Heineken bepaald mijn bier niet is, dat ik bijv. Tropical, Dorado en Cruzcampo, de bieren van hier, een stuk lekkerder vind.
Overigens, de zijkant van de kerststal is al bijna klaar. Daar staat in legio talen het woord “vrede” op gekalkt. Het Spaanse woord is “paz”, denk maar aan de meezinger: “Noche de paz, noche de amor”, stille nacht, heilige nacht. Ik zie het zelfs ook in het Chinees, het Arabisch en het Cyrillisch staan, denk ik. Vrede is kennelijk in het Russisch: M?P, met in het midden iets wat op een N lijkt. Staat er MIR?
Het is nog steeds best aardig weer in Las Palmas, overdag 20+ graden, maar in de avond, als de temperatuur ietsje (niet veel) zakt, hebben de nodige mensen toch een vest of colbertje aan. Daardoor heb je minder kans om een T-shirt of truitje met een interessant opschrift te bespeuren. Ik vind er die avond eentje die ik jullie wil doorgeven. Het embleem van Nike is: “JUST DO IT” met daaronder een net niet horizontale streep, een swoosh. Er loopt me een man van middelbare leeftijd voorbij op de boulevard in een trui met daarop: “JUST DO IT”, dan een swoosh en daaronder “TOMORROW”.
Op de dinsdagmorgen besluit ik bij dezen dapper dat mijn brief af is. Hoe krijg ik de zaak steeds weer recht gebreid, vraag ik mij met jullie wel eens af. Mijn volgende epistel komt er naar alle waarschijnlijkheid aan op surprisenavond, maandag 5 december.
Voor nu, als iemand van jullie de komende dagen hulp nodig heeft bij het gedichten maken, mail me maar, dan zal ik kijken of ik nog wat Nederlandse rijmwoorden paraat heb. Een Spaans tijmwoordenboekje heb ik helaas nooit kunnen bemachtigen, wel een Engels en een Maastrichts (van mijn vroegere buurman Fons Otten). Ik geef het jullie te doen, zo ver weg in de Nederlandse herfst, bijna winter. Laat ik geen klachten krijgen en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Met terugwerkende kracht heb ik nooit begrepen waarom ik als tiener wel Oud Grieks en oud Latijn moest leren lezen, maar op bijna 18-jarige leeftijd, toen ik van het gymnasium kwam, nog steeds niet fatsoenlijk Engels, Frans en Duits kon spreken, laat staan ook nog Spaans. Dat heb ik me later zelf eigen moeten maken. De oude talen verveelden me op school, en niet zo’n beetje ook. Intussen had ik wel Homerus leren lezen of het Dagblad De Limburger was. Met Latijnse mensen as Cicero en Salustius had ik meer moeite, maar eerlijk gezegd interesseerde het mij destijds geen hol wat ze te zeggen hadden. Hou daar eens mee op, bedenkers van onderwijs, met dat tieners pesten!
Gaan we naar het heden. In eerdere jaren las ik al het boek over de ondergang van Pompeii van Engelsman Robert Harris. Ook diens “Imperium” en “Lustrum” over het leven van (Marcus Tullius) Cicero als jongeman en volbloed volwassene moesten het ontgelden. De man was kennelijk in de eeuw vóór onze jaartelling een gevierde advocaat, politicus en filosoof in Rome. Beide eerdere boeken van een voorgenomen trilogie vond ik best interessant om te lezen, wel in het Engels uiteraard en niet met alle ablatieven die je uit elkaar moest zien te rafelen. Er was mij door Robert Harris nog een derde deel toegezegd en dat heb ik net uit. “Dictator” is van 2015 en begint als Cicero bijna 50 jaar is. Zoals in “Imperium” en “Lustrum” worden zijn woorden en daden (zogenaamd) opgetekend door zijn secretaris Tiro, die drie jaar jonger dan hij is.
De opkomst van Cicero als advocaat en zijn verschillende politieke functies, als praetor, senator en consul zijn dan al passé. Hij is in het begin van deel 3 nog wel advocaat, maar is vooral als senator (dat blijf je voor het leven) begaan met het wel en wee van de stad en de uitdijende republiek. Cicero wordt een aantal keren naar het buitenland gedirigeerd, maar komt toch steeds weer als briljante woordkunstenaar in Rome terug. Een belangrijke club tegenspelers, zeker in de eerste jaren van de vijftigplusser, is het triumviraat (het lijkt wel de voorhoede van Barça) Crassus, Pompeius en Caesar. Die willen ieder voor zich best de republiek aan hun laars willen lappen, als ze zelf de enige baas kunnen zijn. Echter, niemand heeft het eeuwige leven, ook niet deze drie, als ze een voor een vermoord worden, en ook Clodius niet, die in die jaren echt een plaag is voor Cicero. Gaat zijn leven in de jaren daarna wel van een leien dakje? Nee dus, want in hun plaats komen nieuwe strebers zoals Lepidus en vooral Marcus Antonius en Octavianus. Zij zijn net als eerder Caesar best bereid zijn om de republiek vaarwel te zeggen, als ze dictator kunnen zijn. Als Cicero ergens in de zestig is, gaat hij zelf ook ten onder.
Wat een boek! Dat zeggen tenminste kranten zoals The Times (“Highest compliment”), The Observer (“A master of pace and entertainment”) en The Guardian (“Climactic, his wonderful trilogy”). Ook ik, bescheiden als ik ben, vind “Dictator” een pracht van een boek. Ik heb de 500 bladzijden plus “Dramatis personae” en “Glossary” met heel veel animo zitten lezen en wil bijv. zijn verhandeling over de geneeskunde (“Tusculan disputations”, zie blz. 317) best ook nog wel eens zien. Echter – maar ik val in herhaling – waarom zou je Cicero in het oud Latijn lezen, als daarmee de charme compleet verloren gaat? Ik heb voor dit boek in het Engels als recensiecijfer een volle 8 over.
Deze week kan het niet op, ik heb nog een tweede boek voor jullie. Het betreft “Poppet” van Mo Hayder uit 2013. Zoals steeds bij deze schrijfster is Bristol de plaats van handeling.
“Poppet” staat voor een popje, maar wel als voodoo fetisj. In een psychiatrisch tehuis, genaamd Beechway High Secure Unit, heerst grote onrust, omdat The Maude daar zou huishouden, een spook. Mother Monster (eigenlijk Gabriella) bijv. wordt er zeer onrustig van. Er is enkele jaren terug iemand dood gevonden, iemand anders heeft zich met een lepel van een oog ontdaan en de vorige week is Zelda plotseling overleden. Directeur Melanie Arrow heeft het er maar moeilijk mee en ook het hoofd van de staf, AJ LeGrande. De laatste belt de politie en Jack Caffery, bij Mo Hayder lezers welbekend, van het Major Crime Investigation Team, gaat zich ermee bemoeien. Het leidt tot nieuw onderzoek van de net ontslagen patiënt Isaac Handel, die vijftien jaar eerder zijn ouders heeft vermoord. De maitresse van zijn vader toen is nu een jam makende hippie, genaamd Penny. Apart is dat de bedvriend van Melanie, Jonathan Keay, drie weken geleden van het toneel verdwenen is. AJ is niet te beroerd om zijn plaats als vrijer in te nemen.
Is dat nog steeds te weinig informatie over de inhoud? Dan vertel ik hier als extraatje dat de hond van AJ LeGrande Stewart heet en dat Jack Caffery zijdelings al maanden op zoek is naar (het lichaam van) een junkie, genaamd Misty Kitson. Het hoofd van de duikbrigade, Flea Marley, zou ermee te maken hebben.
Als ik de recensies mag geloven, is “Poppet” een meesterwerkje. Vriendin Karin Slaughter van Mo Hayder noemt het “terrifying”, Tess Gerritsen vindt het “stunning” en The Times schrijft: “With Mo Hayder you never know where you are going until you get there.” Sluit ik me bij hen aan? Ja en nee. Ook ik heb het boek met veel plezier zitten lezen, maar het einde is me ietsje te bedacht en het boek houdt me te plotseling op. Daarmee zakt mijn recensiecijfer naar een 7½. Het is en blijft voor mij nog steeds een interessant boek, dat zeker, maar voor mijn boekenkast met kroonjuwelen (8 en meer als recensiecijfer) is het te min.
Abonneren op:
Posts (Atom)