Weblogbrief 12.14, 19 januari 2017
Queridos amigos y familia, Trudie is gisteren weer met de noorderzon, of is het noordersneeuw, vertrokken. Ik heb haar op Santa Catalina uitgezwaaid en sinds nu zit ik weer solo in mijn tweede woonstad. Nog een maand en dan mag je me weer tussen jullie mengen voor twee weken “platte lol”.
Deze brief begint op vrijdagmiddag 13 januari, als Trudie naar het strand hier vertrekt en ik naar bus 12. Onderweg zie ik niks bijzonders en dan zien jullie mij het gebouw van de basisvakken en sociale geneeskunde/epidemiologie binnenlopen. Op de afdeling, twee hoog zuid, is Lluis present, druk in gesprek met Mariela. Op mijn kamer maak ik kennis met de moeder van Mariela, helemaal uit Buenos Aires overgekomen. Het is een aardige vrouw van mijn leeftijd en voordat ik mijn brief 12.13 aan jullie ga versturen, hebben we een aangenaam kennismakingsgesprek in het Spaans. Dan komt Mariela de kamer binnen en die vertelt in haar beste Engels – en dat houdt niet over – dat haar moeder de Engelse taal heel redelijk beheerst. Dus gaan we op speciaal verzoek van haar nog even in het Engels verder met zijn drieën.
Als ze met zijn tweeën vertrokken zijn, gaat mijn brief uit en doe ik omstandig mijn e-mail. De afdeling directe belasting(en) krijgt weer eens een royaal voorschot van me, blijkt uit de bijlage bij een mailtje van Ton. Dat voorschot zal ik de volgende keer betalen, als ik mijn Triodospasje bij me heb. (Het kan ook in elf maandelijkse termijnen, maar dan ben ik wel ruim honderd euro meer kwijt.) Ton heeft de kachel (verwarming) op de verscheidene etages van mijn Maastrichtse huis een beetje in de “aan”-stand gezet, vanwege de vrieskou.
Harry legt me uit wat hij aan artikelen over popmuziek op stapel heeft staan voor de komende weken en kapittelt me een beetje dat ik New Order niet ken. Ik had hem uitgelegd dat ik de clip “Temptation” van de groep uit 1982 heel aardig had gevonden, maar eigenlijk niet goed wist wie achter New Order schuil ging en wat hun belangrijkste cd’s waren. Waar blijft deel 2 van de verovering van Maastricht door de Fransen in 1794, roep ik hier maar als tegenprestatie.
Mijn buurvrouw in Maastricht geeft me haar nieuwe e-mailadres door, dat gekoppeld is aan haar nieuwe baan als professor in de filosofie aan de Tilburgse universiteit. Ze blijkt wel met Henri en Tibor in Maastricht wonen, wie weet met een klein pied-à-terre in Tilburg erbij.
Zijn er nog meer nieuwtjes die ik uit mijn e-mail kan peuren? Nee, dan kan ik nu een paar woorden wijden aan iets dat ik op You Tube zag. Barack Obama hield voor het laatst een toespraak, een “farewell address”, van een half uur voor de verzamelde pers en diverse vrienden en kennissen van hem. Hij begon met te zeggen dat hij de nodige “jokes that whites are not allowed to tell” erin had zitten en dan ben ik een en al oor. Een heel regiment mensen kreeg het eventjes te verduren, zoals Bernie Sanders die om miljonair te worden maar liefst 37037 giften van 27 dollar zou moeten accepteren, anders kwam het er nooit van. Hillary Clinton, niet present, kreeg één rake opmerking naar haar hoofd geslingerd. Herhaaldelijk dachten de toehoorders: dit is zijn kans, nou gaat hij vol in tegen Donald Trump en diens gedachtegoed, maar de hoteleigenaar die dit weekend de baas wordt van de V.S., kwam er redelijk genadig af.
Blijft mijn punt dat Barack Obama bij mij een potje kan breken. Wat kan de man een verhaal mooi brengen! Daar kan ik van zijn lang-zal-hij-leven niet tegen op. Hij is echt het toppunt van een overtuigende en meeslepende spreker in het openbaar. Ik denk dat, als Trump het tegen Obama had moeten opnemen voor de presidentsverkiezing, hij daar een zeer zware dobber aan had gehad. Nu eindigde Obama zijn toespraak met twee woorden: Obama out. En weg is hij, helaas.
Op zaterdagmorgen kan ik het weer niet laten en bezorg ik jullie de eerste cd van de week. Hier heb ik jullie de nodige keren verveeld met fado-muziek uit de oude doos. Echter, ook de jeugd uit bovenal Lissabon heeft zich uitgebreid op deze aparte muziek gestort. Ik zou jullie een hele lijst kunnen geven van nog jonge, vooral zangeressen die de traditie van Amalia en consorten hebben voortgezet. Kijk maar eens op internet of in de bibliotheek en je ziet van alles waar je misschien nog nooit van gehoord hebt en wat op cd magnifiek klinkt.
Uit Centre Céramique pik ik er eentje van Katia Guerreiro uit 2010, die ik zonder pardon heb meegesleept. De dame is van 1976, nu dus 40 jaar oud. Haar eigenlijke beroep is oogarts, weer eens wat anders. Haar eerste cd is van 2001 en in 2010 werd haar (eerste) overzichtscd uitgebracht. Die kreeg als titel mee: “10 Amos – Nas Asas De Fado” en hier is het hele feestpakket, alle achttien nummers:
01.Asas
02.Vira dos mahnequeres
03.Segredos
04.Rosa vermelha
05.Algemas
06.Incerteza
07.Ponham flores na mesa
08.Vodka Valium 10
09.Amor de mel, amor de fel
10.Fados dos olhos
11.As rosas – Promessa
12.A voz de poesia
13.Procro a não te encontro
14.Lisboa à noite
15.Pranto de um amor ausente
16.Chora, mariquinhas chora
17.Araial
18.Pendigão
De fado is de laatste decennia in Portugal best te gelde gemaakt. Katia Guerreiro is maar een van de vele fadosterren van vandaag de dag. Haar verzamel-cd mag er zijn, maar ik vind het geen plaat, waarbij ik op zoek moet gaan naar extra uitschieters naar boven. Katia Guerreiro draagt haar steentje bij, zeg maar steen, tot de terechte verheerlijking van de muziekvorm.
Nou ik het over de fado heb, vraag ik me wel af hoeveel woorden jullie kennen die op fado rijmen. Als ik me beperk tot woorden met twee lettergrepen, kom ik zelfs op een viertal. Laat ik beginnen met drie andere die wel in mijn grote Spaanse “diccionario” staan, maar waarop ik niet gekomen ben. Allereerst is er het woord “hado”, dat noodlot lijkt te betekenen. Ik heb het nog nooit horen gebruiken. Dat geldt ook, maar in mindere mate, voor “nado”, dat iets met zwemmen is. Ik weet wel van “nadar”, “nadador” en natación”, maar “nado”? Dat is bijv. present in “el nado libre”, de vrije slag. En dan is er nog “vado”, Spaans voor een wad en een uitrit. Een “vado permanente” op een bord betekent: uitrit vrijhouden.
Komen we bij de vier woorden die ik wel ken. Allereerst hebben we “dado”, dat niet alleen staat voor dobbelsteen, maar ook voor gegeven. Was het niet Johan Cruyff die het had over “en un momento dado”? Gaan we naar “grado”, trede en vooral graad (met een d). De “grado de acidez” is de zuurgraad, bijv. van mijn appelazijn 5°, is dat de pH, en de “grado de dificultad” de moeilijkheidsgraad. Dan is er “lado”, de zijkant, zoals in “lado a lado”, zij aan zij, “vientro a lado”, zijwind en “lado superior”, bovenkant. En tenslotte vind ik ook nog “prado”, dat niet alleen een Madrileens museum is, maar ook de wei, het grasveld (waarop het waarschijnlijk gebouwd is).
Parque Santa Catalina, rechts van mijn optrekje, is natuurlijk geen park; daar heeft het niets of nauwelijks iets van weg. Net zoals vorige zaterdag speelt er op de late zaterdagmorgen een groep volksmuziekspelers, -zangers en -dansers ter hoogte van het beeld van Lolita Pluma. Ik vind het twee keer niks. De ook nog eens in klederdracht gestoken dames en heren waren vroeger altijd in de weer in het parque Doramas, een echt park ver van mijn bed, en ik zie geen enkele reden voor hun verplaatsing naar hiero. Ik moet er, godbetert, mijn mooie fadomuziek voor afzetten. Die komt nauwelijks boven het regionale geweld uit. Ik vind die muziek veel te mooi om hem te laten overstemmen door het Palmese gekwetter.
Op zaterdagmiddag, als Trudie van het strand terugkomt, gaat ze eerst douchen en daarna staat mijn buitenlamp op de rol. Al snel heeft ze door dat het tussenschakelaartje, de onderbreking in de draad naar de buitenlamp, wel eens de boosdoener zou kunnen zijn. Er wordt in de buurtwinkel een nieuwe aangeschaft en na het nodige geklaag over mijn gebrek aan goed gereedschap zet ze het nieuwe schakelaartje op de plaats van de vorige. Dan – met een kersvers nieuw buitenlampje van de juiste afmeting – is het euvel compleet geleden.
Trots als een pauw glijdt ze dan naar beneden, met mij in haar kielzog, om bij Carlos en Tóbalo de bloemetjes buiten te zetten. Eerst is het terras aan de beurt en als enkele regendruppels omlaag komen, wijken we uit naar het tafeltje binnen bij de ingang. Bij het afrekenen is er twijfel of we in totaal vijf dan wel zes halve liters Tropical op hebben en dat alleen al moge als bewijs dienen dat we het ervan genomen hebben. De thuismaaltijd erna, om 9 uur, half 10, bestaat uit vis, rijst en gemengde sla. Binnen een uur erna liggen we op één oor, ieder op het zijne, dat wel.
Zondagmorgen moet ik met Trudie naar de rommelmarkt. Haar stoffen tas met apart motief en knopen is versleten en dan is het tijd voor een nieuwe. Die komt er binnen een kwartier, een bruine nu, Daarna zitten we vanaf half 12 bij La Alemana – opnieuw na woensdagmiddag, maar nu wel nog aan de koffie.
In de middag staat allereerst het invriezen van de eerder geprepareerde zes gehaktballen op het programma. Ze zijn van acceptabele grootte en daarbij heb ik er ‘s avonds nog anderhalve extra te goed bij mijn rijst en gemengde groeten. Als ik daar ook nog een “kwak” mosterd bij mag doen, ben ik een heel tevreden mens.
De ochtendstond heeft goud in de mond. Of is het vandaag maandag, wasdag? Hoe dan ook is Trudie eerst voor haar doen echt vroeg al bij Carlos de Limburger aan het lezen. Vervolgens is het haar tijd voor een bezoek opnieuw aan het mooiste strand van de wereld, bij Las Canteras.
Intussen mag ik op de flat aan mijn weblogbrief werken, bijv. een nieuw muziekje op de draaitafel leggen. Mijn keuze is deze keer snel gemaakt. Tot mijn favoriete singer-songwriters hoort Jackson Browne.. Hij is de man achter o.a. “Take it easy” van de Eagles. Voor wie het wil weten, hij is van 1948, is niet zwart, maar blank en werd geboren in het Duitse Heidelberg. Als klein kind al vertrok hij met zijn ouders naar Zuid-Californië. Via het jat- en kopieercircuit heb ik intussen bijna alle muziek van hem weten te bemachtigen (18/21?).De meest recente die ik van Jackson Browne heb, “Standing In The Breach” uit 2014, ga ik voor jullie eens uit zijn (namaakplastic) doosje halen. Het gaat om op de kop af 57 minuten muziek, verdeeld over tien nummers. Hier komen ze:
01.The bird’s of St. Marks
02.Yeah, yeah
03.The wrong way round
04.Leavind Winslow
05.If I could be anywhere
06.You know the night
07.Walls and doors
08.Which side?
09.Standing in the breach
10.Here
Wat komt die Jackson Browne adequaat uit de verf! En wat vind ik zijn gitaarsolo’s op het einde van een aantal nummers de moeite waard! Jullie willen uitschieters? Dan heb ik voor jullie “The bird’s of St. Marks”, “The long way round”, “Leaving Winslow”, “Which side?” en “Here” op een apart schaaltje. Als toegift mogen jullie er de laatste drie van de zeven minuten van “If I could be anywhere” bijdoen. Ik heb iets, eigenlijk meer dan iets, met de cd “Standing In The Breach” van Jackson Browne.
Alle begin is moeilijk. Over ruim een maand begint in Maastricht het echte carnaval. Wie de nieuwe prins wordt, staat voor 29 januari op de agenda. Tegen die tijd worden jullie wel verondersteld om in ieder geval het refrein van “Vleugelkes” onder de knie te hebben en wie weet, zelfs ook het couplet. Ik zal de tekst van het nieuwe carnavalsliedje in mijn volgende brief graag aan jullie voorschotelen.
Hier is de openingstoespraak, de “Pregón”, pas op 10 februari op Santa Ana (tegenover de kathedraal). Dus zitten we nog even in de weken voorpret, om het eens positief te formuleren. Wel is vanaf dag na Eva’s verjaardag een begin gemaakt met het opbouwen van het grote carnavalspodium op Santa Catalina. Net als vorig jaar gaat dat in twee etappes. Eerst wordt een en ander op het plein gereed gemaakt en dan is ook de weg ervóór aan de beurt, waarover nu nog de diverse bussen denderen. Vooralsnog vertrekt mijn bus 12 (en bijv. ook de 1 en de 21) gewoon vanaf zijn vaste plek. Echter, binnenkort – en op de woensdagmorgen, gisteren dus, is het al zo ver – moet ik daarvoor uitwijken naar tweehonderd meter eerder of tweehonderd meter verder. En voor wie daarin geïnteresseerd is: honderd is in het Spaans “ciento” en tweehonderd “doscientos”.
Dinsdag is de laatste volledige dag voor Trudie hier. Morgen neemt ze streekbus 60 in alle vroegte, 8 uur, om vervolgens op het vliegveld op haar gemak te wachten op het inchecken, deze keer bij Transavia naar Eindhoven. Morgenavond zit ze alweer bij Susanne en Peter en hun kroost aan de warme maaltijd.
Vandaag is ze er vroeg bij bij Carlos. Als ze de “gezèt” min of meer uit heeft, komt ze nog even naar boven om mij te bemoederen en dan vertrekt ze monter naar het strand. Ergens tussen half 1 en 1 uur komt ze even terug voor een boterham en daarna is deel 2 van haar voorlopig laatste stranddag aan de beurt. Volgens Susanne is de temperatuur in Eindhoven echt onder nul, dus dat wordt nog wat, als Trudie zich buiten het vliegtuiggebouw waagt in haar dunne regenjasje.
Intussen sms’t Susanne me namens Anoek en om me als vader van Eva te feliciteren. Het is inderdaad, zelfs volgens Susanne, koud in Endhoven. En dan citeer ik haar: “Maar… misschien kunnen we eind deze week buiten schaatsen. Tja, dat mis je dan dus wel, zo ver in Spanje.”
‘s Avonds dienen Trudie en ik natuurlijk iets bijzonders te doen. Het wordt toch weer het terras van La Oliva, maar daarna is deze keer uit eten aan de beurt, bij Casa Carmelo. Het wordt voor ons alle twee het menu, met als hoofdschotel een grote gepofte aardappel, een volgens Trudie aangebrande paprika en – hoe kan het anders – een heel grote biefstuk. Daarna wordt het een afzakkertje bij Carlos en Tóbalo: voor Trudie Spaanse champagne en voor mij een gin tonic.
Om vijf over 7 gaat woensdagmorgen de wekker. Een beetje aan de nerveuze kant rommelt Trudie nog wat aan haar maximaal 10 kilo koffertje en wat ze aan winterkleren die ochtend gaat aantrekken. Dan downloadt ze ten slotte beneden Dagblad de Limburger van de woensdag en kunnen we naar de bushalte. Om klokslag 8 uur zie ik haar in bus 60 richting het vliegveld vertrekken.
Terug in mijn flat gekomen – volgens Trudie heet zo’n woning tegenwoordig een appartement – begin ik met een was in te zetten. De tweede, het veschonen van mijn lakens, laat ik maar even voor wat het is. Die komt in het weekend wel.
Op mijn balkon constateer ik nu met nog meer zekerheid dat de flat, sorry, het appartement, rechts van het onderkomen van vader en zoon een nieuwe bewoner heeft. Het is een bejaarde man, ouder nog dan ik, met een kale schedel en een bril, die voor de zoveelste keer uit het raam kijkt, in de richting van de school en de Vientinueve de Abril. (Terzijde, met dat abril blijf ik moeite hebben. Is het nou abril, avril of nog weer anders?) Of de nieuwe overbuur een aanwinst voor de Luis Morote is, staat nog te bezien. Ik zal hem nauwlettend gaan volgen de komende weken. Wellicht kan hij alvast iets doen aan de afschuwelijke groenen gordijnen die hij voor (voor mij achter) zijn ramen heeft hangen.
Dan besluit ik om Adele met haar “Adele-25” van stal te halen. Van tijd tot tijd komt de Engelse popscene met iets nieuws en dat wordt vervolgens zo enthousiast uitgevent dat ik kan haast niet geloven. Dus ben ik intussen de trotse bezitter van drie keer zangeres Adele, geboren in Londen in 1988. Ik heb alle drie haar cd’s: “Adele-19” uit 2008, “Adele-21” uit 2011 en sinds 2015 haar derde meesterwerk, genaamd “Adele-25”. De laatste ligt al vele maanden zo prominent in de platenwinkel, ook hier, dat ik hem (haar eigenlijk) niet onbesproken kan laten. Hier zijn ze dan, de elf nummers van “Adele-25”:
01.Hello
02.Send my love (to your new lover)
03.I miss you
04.When we were young
05.Remedy
06.Water under the bridge
07.River Lea
08.Love in the dark
09.Million years ago
10.All I ask
11.Sweetest devotion
Er zijn mensen, bijv. op de radio, de tv en bij platenmaatschappijen, die een cd beoordelen door van de nummers een klein stukje te draaien, meer niet. Zeker bij “Adele-25” heb ik dat niet. Mijn eerste aanhoren van alle volledige nummers leidt ertoe dat ik jullie moet gaan vertellen dat de dame me tegenvalt. Pas bij vaker luisteren, drie keer, breekt er een flets zonnetje door tussen de wolken. Adele op herhaling blijkt toch een aardige stem te hebben en sommige van de nummers kunnen gaandeweg mijn goedkeuring wel wegdragen. Ik heb het dan bijv. over “Send my love (to your new lover)”, “When we were young” en “Million years ago”. Wereldhit “Hello” kan mijn zegen niet krijgen. Smaken verschillen kennelijk nogal, als het om Adele gaat. Ik vind de cd niet overhouden, helaas.
Als ik woensdagavond de kranten doorneem in mijn bibliotheekje aan het strand, valt me vooral de aanloop naar de beëdiging van Donald Trump als 46ste (?) president van Amerika op. Dat zal morgen, voor ons eigenlijk zaterdagmorgen, toch een gebeurtenis zijn.
Ander nieuws van hier: het gala de la reina infantil op 19 februari. Ik ben dan net één dag even terug in Nederland. De kinderprinses van carnaval wordt dit jaar gekozen uit niet 10 of 12 kandidaten, maar zeventien. Het zal me op Santa Catalina een happening worden die middag (maar ik zit dan bij John & Ans in Herkenbosch).
Op de laatste ochtend van mijn brief lees ik hem meestal nog eens door op ongerechtigheden, haal er de spellingscontroller overheen en voorzie een kopie ervan op mijn memory stick voor de
toevoeging. Daarna gaat die stick in mijn colbertje om vervolgens op de universiteit het printwerk te verrichten.
Hier is mijn laatste alinea van deze brief alweer. Vanmiddag laat en morgen de hele dag zit ik bij een congres over hoeveel water wij dagelijks wel moeten drinken. Voor een vrouw zou dat minstens twee liter moeten zijn en voor een man nog een halve liter meer. Bejaarden, die in groten getale hun dorstreflex zouden kwijtraken, zouden daar best nog een paar glazen bij mogen doen. (Ik haal dat nooit van zijn leven, behalve als ik me in het Palmese uitgaansleven stort.) Ik zal jullie er later over informeren.
Drink er intussen eens eentje extra – het mag ook bier of limonade zijn, maar dan dien je nog meer te drinken. En “take it easy”, om het nummer van de Eagles te citeren (mede geschreven door Jackson Browne). Verras je partner en als die er niet is, iemand anders eens op een “wortelevlaoj oet Wiek”. Ik kap er voor deze brief mee, maar jullie kunnen mijn volgende brief – dan ben ik halverwege de dertig – alweer verwachten op woensdag 25 januari (2017). Bind de ijzers eens onder en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKBIJLAGE
Ik heb jullie wel eens een lijst voorgeschoteld met mijn ik geloof twintig beste thrillerschrijvers. Daar staat Elisabeth George niet bij, maar kan dat misschien komen, omdat ik de laatste tien jaar geen boek meer van haar gelezen heb? Afgelopen zomer is mij een hele lading van haar boeken in de e-readerschoot geworpen en dan moet je wel. De schrijfster is ergens in Ohio geboren in 1949, maar ze verhuist al snel naar San Francisco. Vanaf 1988 schrijft ze met enige regelmaat thrillers, die ze wonderwel niet in de Verenigde Staten, maar in Londen en Engeland situeert. Aan de kant van de politie is er steeds inspecteur Thomas (Tommy) Linley, met in zijn kielzog brigadier Barbara Havers.
De afgelopen week heb ik het maar druk gehad met Elisabeth George’s boek: “Een duister vermoeden” (“Believing the lie”) uit 2012, 654 bladzijden, dat mij door Trudie is aangeraden. Het speelt een beetje in Londen en vooral in Cumbria, in Noordwest-Engeland, in de buurt van Lancaster en het Lake District.
Thomas Linley wordt naar Cumbria, zie boven, gestuurd om een verdrinkingsdood te verifiëren. Het betreft het overlijden van Ian Cresswell, de financiële man van Fairclough Industries (badkamers). Zijn huwelijk met Niamh is op de klippen en de kinderen, Tim en Gracie, zijn daarvan de dupe. De directeur van Fairclough Industries is Bernie Dexter, getrouwd met de echte baas van het familiebedrijf, de 67-jarige Valerie Fairclough. Ze hebben drie kinderen. De oudste is Nicholas (Nicky) die met zijn drugs altijd het zwarte schaap is geweest, maar zich nu in het bedrijf aan het omhoogwerken is, sinds hij getrouwd is met Alathea (Allie). Dan is er de tweeling Mignon en Manette. Vrijgezel Mignon is kort gezegd een halve gare en Manette, die actief in het bedrijf zit, is gescheiden van Freddie, hoewel ze wel nog bij elkaar wonen. Sinds de dood van Ian is Freddie de financiële man van het bedrijf. Alathea is afkomstig uit de omgeving van Buenos Aires. Ze kan geen kinderen krijgen en haar gedaanteverwisseling komt pas later in het verhaal ter sprake.
Bijfiguren , maar wel zo belangrijk, zijn de moordplekexpert Simon St. James en zijn wispelturige vrouw Deb(orah), vrienden van Tommy Linley, die met hem meekomen naar het noorden. Linley heeft in Londen een verhouding met zijn bazin, Isabelle Ardery, nu zijn vrouw Helen bijna een jaar dood is. En dan is er nog Zed Benjamin, die voor boulevardblad The Source een verhaal over Nicholas Fairclough aan het schrijven is en Kaveh Mehran uit Iran, die met Ian Creswell onder één dak leeft en nu diens huis zou erven. Laat ik ten slotte Barbara Havers niet vergeten, die in Londen van alles voor Linley uitzoekt en daarnaast haar eigen besognes heeft, op het werk en bij haar buren.
Alles bij elkaar is het best een gedoe om de diverse personen in het boek te plaatsen en hun onderlinge verhouding te beoordelen en op waarde te schatten. Niettemin, naar mijn mening hebben we van doen met een redelijk spannend verhaal, met uiteraard een veelvoud van verwikkelingen en complicaties. Hoe kan het anders voor een boek van 654 bladzijden. Min of meer komische zijstappen zijn er ook, bijv. als Barbara Havers in beeld is. Aan de andere kant, het gedoe van Zed wordt me af en toe wat veel en de al gememoreerde gedaanteverwisseling van Alathea, met alle perikelen daaromheen, vind ik eerlijk gezegd niet te pruimen. Ik heb lekker en uitgebreid in het boek zitten lezen, maar af en toe vallen me echt mijn spreekwoordelijke schoenen uit. Daarom komt Elisabeth George voor “Een duister vermoeden” (“Believing the lie”) niet verder dan een 7 als recensiecijfer. Ik zal er later deze winter nog eens eentje van haar proberen.
donderdag 19 januari 2017
vrijdag 13 januari 2017
Weblogbrief 12.13, 13 januari 2017
Weblogbrief 12.13, 13 januari 2017
Queridos amigos y familia, het is weer tijd om een brief, nummertje 13, panklaar bij jullie af te leveren. Laat ik voor de variatie eens beginnen met een overlijdensadvertentie; ik kreeg hem van Marcel toegestuurd. Giel Braecken is dood, eindelijk. In Maastricht was hij een begrip, als drogist misschien nog wel bekender dan zijn collega Jaspers “aon de aw brögk”, die meer dan tien scheerkwasten in zijn etalage heeft liggen. Giel Braeken runde tot onlangs een smalle, langwerpige zaak aan de “Steine Brögk”, pal naast café de Belsj. De langst zittende drogist van Nederland - hij begon in 1950 en dreef zijn zaak tot zijn recente dood – heeft de gezegende leeftijd van 95 jaar bereikt. En voor wie meer in cafés dan in drogisterijen geïnteresseerd is: zijn zoon Nico werd niet zo oud, maar was wel bij leven de baas van café Forum op de Sint-Pieterstraat, schuin tegenover de drogisterij.
Dit wordt niet mijn langste brief van deze winter. Laat ik dus al maar op maandagavond een eerste cd aan jullie presenteren. Al vele jaren heb ik iets met bekende jazz-zangeressen, zoals Billie Holiday, Dinah Washington en Sarah Vaughan. Zelfs onze eigen Rita Reys kan mij bekoren, bijv. als ze Nederlandse nummers zingt ( “Zon van Scheveningen”, “Een verlicht raam”, “De warmte van je hart”).
Deze doordeweekse week kies ik echter voor Ella Fitzgerald (1917-1996) als mijn artieste. Tussen het vele jazzwerk dat ik van haar heb, is er eentje waarop naast haar Bing Crosby (1903-1977) van de partij is, de man waar mijn vader vroeger mee dweepte. Dat lijkt me een aparte combinatie en dus is hier “My Happiness”, schijf 1 van de 51 Golden Recordings uit 1997. (Schijf 2 heb ik niet en in het echt is de muziek natuurlijk van veel eerder, de jaren 50?) van het duo. Er staan 25 nummers op, maar wonderwel mis ik de laatste twee. B=Bing, E= Ella en E+B=Ella & Bing. Hier komen ze:
01.Stay with the happy people E+B
02.I hadn’t anyone till you E
03.A dreamer’s holiday E+B
04.My happiness E
05.Basin street blues (& Red Nichols) E+B
06.Can anyone explain? E
07.Five foot two, eyes of blue B
08.Silver bells E+B
09.Medley of 3, with Trying to forget you E
10.I can dream, can’t I? B
11.Rudolph the rednosed reindeer E+B
12.Someone to watch over me E
13.White Christmas E+B
14.Marshmallow world E+B
15.Moanin’ low E
16.That’s a plenty E+B
17.Taking a chance on love E
18.Way back home (& Mills Brothers) E+B
19.Medley met o.a. Till you E
20.Istanbul (& Ziggy Elman) E+B
21.Looking for a boy E
22.Chicago style E+B
23.Everything I have is yours B
Het is vind ik meer een cd van Ella Fitzgerald dan van Bing Crosby. Hij is maar drie keer solo vertegenwoordigd, met voor mij “Five foot two, eyes of blue” (Anybody seen my girl?) als uitschieter. Het duo Ella en Bing krijg ik elf keer te horen. Daarvan vind ik vooral “A dreamer’s holiday” en “Istanbul” de moeite waard plus enkele kerstnummers zoals “White Christmas” en “Marshmallow world”. Ella is negen keer solo op de plaat te horen en ik ben bij haar vooral gecharmeerd van “Can anyone explain?”, “Taking a chance on love” en boven alles “My happiness”. De cd is niet voor niks naar dit nummer vernoemd: echt prachtig. Ik kende het nummer uiteraard al van Connie Francis, ook van bijv. Elvis Presley en Fats Domino, maar de versie van Ella Fitzgerald kan zeker ook royaal door de beugel.
En dan komt nu een stukje dat denk ik alleen interessant is voor epidemiologen en daarbinnen de groep die wel eens is blootgesteld aan de ideeën van Olli Miettinen. Hij komt uit Finland, geboren in 1936, maar maakte na zijn doktersopleiding – hij werd een halve cardioloog – furore in Boston als epidemioloog pur sang. Later zette hij zijn inspanning op dat terrein voort in Montreal. Ik heb hem de nodige keren in Nederland mogen meemaken, als cursist epidemiologie, als assistent bij zijn cursussen en als toehoorder bij lezingen van hem. Zijn boek van lang geleden (1985?) over “Theoretical epidemiology” was echt een draak van een boek, maar zet de man voor een klasje en we hangen allemaal aan zijn lippen.
Op het internet las ik dat Olli Miettinen (met een S als tussenletter) onlangs een viertal nieuwe boeken over epidemiologisch onderzoek heeft geschreven. Zou Jorge, een verzamelaar van epidemiologieboeken, ze allemaal thuis hebben staan? Ik vind Olli Miettinen voor mijn vak zo belangrijk dat ik zijn nieuwe boeken hier maar eens ga opsommen:
(2010) Up from clinical epidemiology and EBM
(2012) Epidemiological research: an introduction (& Ivan Karp)
(2014) Towards scientific medicine
(2015) Medicine as a scholarly field
Denk je dat je van de man af bent, schrijft hij je zo ongeveer de oren van je hoofd. Ik ken de boeken alle vier nog niet. Laat ik om te beginnen er eens eentje gaan aanschaffen. Vooruit, dat wordt dan het “Up from clinical epidemiology and EBM”; dat moet er dan maar eens aan gaan geloven. Ik zal het gaan bestellen bij El Corte Inglés en hoop maar dat ik er meer van opsteek dan van destijds het haast onleesbare “Theoretical epidemiology”.
De dinsdagmorgen staat in het teken van Trudie’s a.s. bezoek en bijbehorende zaken die ik dan zeker in huis dien te hebben. Er zijn ambrosías (chocoladekoekjes), er is pruimenjam, ook chorizo de Pamplona, jonge Hollandse kaas, Zwan gekookte ham en laat ik het literpak halfvolle melk, de chocoladevla en de theebuitjes niet overslaan.
Vandaag nog dien ik ook een grote pan gemengde tomatengroentesoep klaar te maken, met prei en Franse selderij, ui, rode paprika, de nodige tomatenpuree en een behoorlijke hoeveelheid gehaktballetjes. (Met het toevoegen van peper houd ik mij deze keer in.)
Boodschappen doen eerst en dan een uur in de keuken, het moet te doen zijn. In de avond staat een immense “ketel” op het fornuis te sudderen. Ik ga er wel nog enkele bakjes uit halen en die invriezen voor later. De rest kan morgen opgediend worden en gaat in de ijskast. Het brood erbij moet wel nog vers gekocht worden of dat moet ik uit mijn diepvriesvak plukken.
Sommige dingen kun je beter niet doen, bijv. op je lip bijten om later te constateren dat je een blaartje aan de binnenkant van je onderlip hebt. Dat mij dat nou weer moet overkomen, de dag voordat Trudie op vliegveld Gando hier en daarna Santa Catalina landt. Ik zou zo vlug niet weten hoe ik er weer snel af kom. Het wordt gewoon doen of er niks aan de hand is. Intussen ben ik wel enigszins “gesjendeleerd”. Met mijn rattenkop erboven is het wel een apart gezicht.
Op dinsdagavond vond ik in de kranten in mijn bibliotheekje aan Las Canteras helemaal niks dat ik jullie moet vertellen. Dus zeg ik maar dat het bezoek aan de “Belén de arena”, de zandsculpturen met het kindeke Jezus, dat van alle voorgaande jaren heeft overtroffen. Er waren deze keer ruim 214.000 bezoekers. Daarmee hebben wij een vierde plek behaald in Spanje, nog vóór die van het museum in Bilbao.
Filmster Meryl Streep zou bij de uitreiking van de Globos de Oro een pleidooi hebben gehouden voor de onafhankelijke rol van de pers, lees ik ook, daarmee dwars tegen de ideeën van Donald Trump ingaand. Ik had het minipraatje maandagmiddag al op You Tube gespot. In een twitter deed de binnenkort president van de V.S. het af als flauwekul. La Streep kende hem helemaal niet en zou de zoveel “lakaya”, lakei van Hillary Clinton zijn.
Als ik nog een tweede cd aan jullie wil presenteren dezer dagen, moet ik hem tijdig in mijn denkbeeldige pick-up stoppen. Op de woensdagmiddag, vlak voordat Trudie op Santa Catalina staat, doe ik er nog een tweede jazz- (of is het popmuziek) zangeres bij. In 1950 werd Natalie Cole geboren. Als 15-jarige moest ze constateren dat haar beroemde vader Nat overleed doodging aan longkanker. Helaas, niet iedere roker kan uitgebreid van zijn pensioen genieten. Vanaf dat Natalie 25 jaar was, kwamen er achter elkaar platen van haar uit. De dochter van de “King” overleed op 65-jarige leeftijd, om precies te zijn oudejaarsdag 2015, een goed jaar geleden. Haar leven, zeker op latere leeftijd, werd gekenmerkt door problemen met alcohol, heroïne en hepatitis C. Zo gaat dat soms.
Het muzikale hoogtepunt van Natalie Cole was de cd “Unforgettable… with love” in 1991. Deze ode aan haar vader en zijn liedjes werd een wereldhit. Hier zijn de 22 nummers:
01.The very thought of you
02.Paper moon
03.Route 66
04.Mona Lisa
05.L-O-V-E
06.This can’t be love
07.Smile
08.Lush life
09.That Sunday that summer
10.Orange colored sky
11. Medley: For sentimental reasons, Tenderly, Autumn leaves
12.Straighten up and fly right
13.Avalon
14.Don’t get around much anymore
15.Too young
16.Nature boy
17.Darling, je vous aime beaucoup
18.Almost like being in love
19.Thou swell
20.Non dimenticar
21.Our love is here to stay
22.Unforgettable
Dat “Unforgettable”dat ze zingt samen met haar overleden vader op band, is uiteraard het topnummer op de cd. (Natalie heeft het ook geprobeerd met “When I fall in love”, in 1996?, maar dat werd geen hit bij mijn weten. Terzijde, wie is toch de pianist op Route 66?) Ik moet oppassen dat ik niet primair ga zitten kijken of ik Nat “King” Cole wel voldoende hoor op de nummers van Natalie. Los daarvan ben ik wel meer een fan van de nummers met violen dan met het geschetter van een rijtje koperblazers. Dat gezegd hebbend zie ik vooral extra heil in “The very thought of you”, “Mona Lisa” (dat ik als nieuwe duet van Natalie en Nat gekozen zou hebben), “Too young”, “Nature boy” en “Our love is here to stay”. En met liefde doe ik er deze keer nog de medley bij: “For sentimental reasons”, “Tenderly” en “Autumn leaves”.
Natalie Cole moge dan geen “Queen” zijn geworden, zingen kon ze als de beste.
En dan is het tijd om Trudie te verwelkomen. Om 4 uur in de middag krijg ik een Sms’je dat ze om kwart voor 5 met bus 60 in de kelder van Santa Catalina zal aankomen. Even later al zitten we met zijn tweeën bij La Alemana op het plein aan de “jarras de cerveza”. Het begint met uitvoerig uitwisselen van nieuwtjes en roddels, in Maastricht en de rest van Holanda alsmede hier in Las Palmas. Pas nadat we ieder drie pullen bier hebben gehad, Trudie met de nodige chips erbij, mogen we naar de Luis Morote.
Daar staat uiteraard mijn pan tomatengroentesoep gereed om op het gasstel gewarmd te worden. Met brood erbij is het een traktatie van de eerste orde, al zeg ik het zelf. Er wordt ook nog eens een liter chocoladevla weggewerkt en pas daarna mogen we naar de voorkant. Het balkon, zonder verlichting, laten we voor wat het is en kruipen op bed, Trudie erin. Even later al is in dromenland en na enig leeswerk volg ik haar voorbeeld. Om half 10 al is het donker in “casa de Pablo”.
Op donderdagmorgen zit ik vanaf 8 uur naar de schoolkinderen te kijken, maar Trudie blijft nog even nagenieten in bed. Dan krijg ik mijn koffie gereserveerd en komt de thee en toast met pruimenjam het balkon op. De dag kan nu ook voor haar beginnen. Later op de ochtend zit ze beneden bij Cafetería Nuevo Murias uitgebreid in Dagblad de Limburger te lezen. Om even over 11 gaan we samen op pad naar de “Mercado De Puerto”. Er wordt daar bij onze slager in de hoek 2½ kilo “carne de ternera primera” (kalfsvlees) ingeslagen voor mijn zuurvlees en goulash. Voor vanavond heeft Trudie twee moten zalm in de aanbieding, die ze in de aanpalende winkel op de markt koopt. In een groentewinkel ertegenover wordt de nodige groente voor ons in bolsitas gedaan en ik doe er (voor mezelf) een flink stuk “queso curado de Guia” bij van een naburige kruidenier. Bij bakker “La Barra” aan de boulevard wordt ik blij gemaakt met een grote “barra matalahúva”, met een anijssmaakje.
Dan is het tijd voor de lunch. Zie boven plus mijn sardines in de olie, met yoghurtjes na. Dan gaat Trudie in de keuken aan de slag, terwijl ik op het balkon met rust wordt gelaten om mijn boek (zie boekbijlage) uit te lezen. Om half 2 vertrekt ze vol overmoed naar Las Canteras om te kijken of de zon al gaat schijnen.
Interessant: ik heb mijn bovenbuurvrouw, de Chinese?, al een paar keer verwoed horen schreeuwen tegen haar kind of kinderen, maar heb er verder niet echt aandacht aan besteed. Trudie in de keuken hoort hetzelfde aan, ook de nodige klappen, en komt mij verschrikt vragen of er geen sprake is van kindermishandeling. Ze heeft zelfs al naar boven geschreeuwd of het niet wat minder kon. Daarop werden de ramen dichtgedaan en de muziek wat harder gezet. We gaan erop letten en als het weer gebeurt, zal ik Luis ervan in kennis stellen en via hem vragen om actie te ondernemen.
En dan is het alweer vrijdag, de dag waarop ik beloofd had dat er een nieuwe brief zou komen. Hier is hij, vers van de pers. Als je hem aan de magere kant vindt, qua lengte dan, doe het er toch maar voor. Met Trudie in huis is het leven anders. Mijn volgende komt, als het goed is, op donderdag 19 januari, als Trudie weer druk bezig is met haar diverse verplichtingen in Nederland. Voor nu: loop eens uit de pas en neem eens een advocaatje. Tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Aan van alles komt een eind, dus ook aan het rijtje boeken dat ik vanuit Maastricht hierheen sleepte begin november. Dit is mijn laatste: nummertje drie van Ian Rankin dat ik nog moest lezen. Ik kocht het in oktober (met Trudie) in Hasselt, het is uit 2015 en heet: “Even dogs in the wild”. De titel is ontleend aan een nummer van de Schotse popgroep The Associates. Het verhaal speelt een beetje in Glasgow en elders in Schotland, maar toch weer vooral in Edinburgh. Wat doet de zwerfhond, later Brillo genoemd, in het boek?
Hoofdpersonen zijn John Rebus, net gepensioneerd, en daarnaast Siobhan Clarke en Malcolm Fox. De laatste is intussen opgewaardeerd van interne controleur van de politie tot echte detective, met de volle goedkeuring van Siobhan en John. Er is een vroegere topadvocaat vermoord, David Minton, terwijl Big Ger Cafferty, toch min of meer vijand van John Rebus net aan een kogel is ontsnapt. Een paar weken eerder is ene Michael Tollard, een ex-jeugdzorgwerker, die net een miljoen in de lotto heeft gewonnen, vermoord. Hebben de drie zaken iets met elkaar te maken? Om de zaak te compliceren is onderwereldfiguur Darryl Christie met zijn jongens bezig. Daarbij is uit Glasgow Joe Stark en zijn vazallen plus diens zoon Dennis met aanhang nu in Edinbugh aan het rondspoken. De laatste bendes uit Glasgow worden weer in de gaten gehouden door een speciaal team politie-opsporingsteam onder leiding van Ricky Compston. Dan wordt Dennis Stark ook vermoord en zijn poppen nog meer aan het dansen. Speelt er een pedofiliezaak van tientallen jaren terug op de achtergrond?
Voordat ik mijn oordeel geef, citeer ik – ik kan het niet laten – Siobhan Clarke maar weer eens. Op p. 224 vraagt Malcolm Fox haar: “What does that tell you?” en haar antwoord luidt: “If I’m being honest, it tells me the square root of zero.” Op p. 295 krijgt Rebus toegeroepen van dezelfde Siobhan Clarke: “Though if it’s the same groper in charge of the archive as when I last had cause to visit, diplomacy might have to take second place to pepper spray”. Met mensen als Malcolm Fox en John Rebus in de aangeefrol zie ik D.I Siobhan Clarke echt als een eersteklas komiek van het zuiverste water.
Met thrillerauteur Ian Rankin kan ik gemakkelijk door één deur. Diens moordboeken kunnen steeds weer opnieuw mijn goedkeuring wegdragen (zelfs als de uitgever pontificaal “The numer one bestseller” op de kaft zet, wat ik echt waardeloos vind). Dat uitblinken geldt voor alle boeken van Ian Rankin, ook voor “Even dogs in the wild”. Het blad Scotland on Sunday schrijft daarover: “Rankin once again proves himself...”, terwijl The independent het heeft over “Rebus is back and he’s lost none of his bite”. Daar sluit ik me maar weer bij aan, voor de zoveelste keer. De Schotse schrijver kan er echt wat van en ik deel voor het boek graag weer een volle 8 als recensiecijfer over. Wat goed is, moet aldus ook maar benoemd worden.
Gistermiddag kreeg ik van Trudie een boekje in mijn handen gedrukt (in het Maastrichts “geduid”) dat nieuw voor mij was, dat ik nog niet kende. Het is “De kleine geschiedenis van Maastricht” geschreven door Emile Ramakers. Het is er een in de serie Dummies, uitgekomen in 2016. Het heeft 160 kleine bladzijden, verdeeld in tien hoofdstukken, waarin de geschiedenis van mijn geboortestad verteld wordt op een aangename manier. Ik ken Emile Ramakers van het Centre Céramique, waar hij op de vierde etage van de bibliotheek mensen te woord staat, die iets over Limburg willen weten. Een aardige en deskundige man vind ik het.
Het boekje bevat voor mij weinig nieuws, omdat ik eerder al een aantal boeken over de stad en de provincie heb gelezen, zij het wel al weer een tijd terug. Ik krijg vooral de ene Aha-Erlebnis na de andere. Het boekje begint bij Belvédère, de Eburonen en de Romeinen, dan komen de bisschoppen en de Middeleeuwen, vervolgens de militaire stad en de Franse tijd, waarna de stadsuitbreiding en de industrialisatie beschreven wordt alsmede de jongste tijd met de universiteit.
In een laatste hoofdstuk worden tien personen benoemd die de stad “maakten”: Sint-Servaas, Sint-Monulfus, Henric van Veldeke, Sebastiaan Tapijn, Franciscus Romanus, Jean-Edmé Dufour, Bernard, baron Dibbets, Pie Regout, Sjeng Tans en André Rieu. Het zou niet helemaal mijn eigen keuze geweest zijn, maar ik kan ermee leven. “De kleine geschiedenis van Maastricht” van Emile Ramakers vind ik best een aardig boekje, als startpunt voor een uitgebreidere kennismaking met de geschiedenis van de stad. Een punt ga ik er niet voor uitdelen.
Queridos amigos y familia, het is weer tijd om een brief, nummertje 13, panklaar bij jullie af te leveren. Laat ik voor de variatie eens beginnen met een overlijdensadvertentie; ik kreeg hem van Marcel toegestuurd. Giel Braecken is dood, eindelijk. In Maastricht was hij een begrip, als drogist misschien nog wel bekender dan zijn collega Jaspers “aon de aw brögk”, die meer dan tien scheerkwasten in zijn etalage heeft liggen. Giel Braeken runde tot onlangs een smalle, langwerpige zaak aan de “Steine Brögk”, pal naast café de Belsj. De langst zittende drogist van Nederland - hij begon in 1950 en dreef zijn zaak tot zijn recente dood – heeft de gezegende leeftijd van 95 jaar bereikt. En voor wie meer in cafés dan in drogisterijen geïnteresseerd is: zijn zoon Nico werd niet zo oud, maar was wel bij leven de baas van café Forum op de Sint-Pieterstraat, schuin tegenover de drogisterij.
Dit wordt niet mijn langste brief van deze winter. Laat ik dus al maar op maandagavond een eerste cd aan jullie presenteren. Al vele jaren heb ik iets met bekende jazz-zangeressen, zoals Billie Holiday, Dinah Washington en Sarah Vaughan. Zelfs onze eigen Rita Reys kan mij bekoren, bijv. als ze Nederlandse nummers zingt ( “Zon van Scheveningen”, “Een verlicht raam”, “De warmte van je hart”).
Deze doordeweekse week kies ik echter voor Ella Fitzgerald (1917-1996) als mijn artieste. Tussen het vele jazzwerk dat ik van haar heb, is er eentje waarop naast haar Bing Crosby (1903-1977) van de partij is, de man waar mijn vader vroeger mee dweepte. Dat lijkt me een aparte combinatie en dus is hier “My Happiness”, schijf 1 van de 51 Golden Recordings uit 1997. (Schijf 2 heb ik niet en in het echt is de muziek natuurlijk van veel eerder, de jaren 50?) van het duo. Er staan 25 nummers op, maar wonderwel mis ik de laatste twee. B=Bing, E= Ella en E+B=Ella & Bing. Hier komen ze:
01.Stay with the happy people E+B
02.I hadn’t anyone till you E
03.A dreamer’s holiday E+B
04.My happiness E
05.Basin street blues (& Red Nichols) E+B
06.Can anyone explain? E
07.Five foot two, eyes of blue B
08.Silver bells E+B
09.Medley of 3, with Trying to forget you E
10.I can dream, can’t I? B
11.Rudolph the rednosed reindeer E+B
12.Someone to watch over me E
13.White Christmas E+B
14.Marshmallow world E+B
15.Moanin’ low E
16.That’s a plenty E+B
17.Taking a chance on love E
18.Way back home (& Mills Brothers) E+B
19.Medley met o.a. Till you E
20.Istanbul (& Ziggy Elman) E+B
21.Looking for a boy E
22.Chicago style E+B
23.Everything I have is yours B
Het is vind ik meer een cd van Ella Fitzgerald dan van Bing Crosby. Hij is maar drie keer solo vertegenwoordigd, met voor mij “Five foot two, eyes of blue” (Anybody seen my girl?) als uitschieter. Het duo Ella en Bing krijg ik elf keer te horen. Daarvan vind ik vooral “A dreamer’s holiday” en “Istanbul” de moeite waard plus enkele kerstnummers zoals “White Christmas” en “Marshmallow world”. Ella is negen keer solo op de plaat te horen en ik ben bij haar vooral gecharmeerd van “Can anyone explain?”, “Taking a chance on love” en boven alles “My happiness”. De cd is niet voor niks naar dit nummer vernoemd: echt prachtig. Ik kende het nummer uiteraard al van Connie Francis, ook van bijv. Elvis Presley en Fats Domino, maar de versie van Ella Fitzgerald kan zeker ook royaal door de beugel.
En dan komt nu een stukje dat denk ik alleen interessant is voor epidemiologen en daarbinnen de groep die wel eens is blootgesteld aan de ideeën van Olli Miettinen. Hij komt uit Finland, geboren in 1936, maar maakte na zijn doktersopleiding – hij werd een halve cardioloog – furore in Boston als epidemioloog pur sang. Later zette hij zijn inspanning op dat terrein voort in Montreal. Ik heb hem de nodige keren in Nederland mogen meemaken, als cursist epidemiologie, als assistent bij zijn cursussen en als toehoorder bij lezingen van hem. Zijn boek van lang geleden (1985?) over “Theoretical epidemiology” was echt een draak van een boek, maar zet de man voor een klasje en we hangen allemaal aan zijn lippen.
Op het internet las ik dat Olli Miettinen (met een S als tussenletter) onlangs een viertal nieuwe boeken over epidemiologisch onderzoek heeft geschreven. Zou Jorge, een verzamelaar van epidemiologieboeken, ze allemaal thuis hebben staan? Ik vind Olli Miettinen voor mijn vak zo belangrijk dat ik zijn nieuwe boeken hier maar eens ga opsommen:
(2010) Up from clinical epidemiology and EBM
(2012) Epidemiological research: an introduction (& Ivan Karp)
(2014) Towards scientific medicine
(2015) Medicine as a scholarly field
Denk je dat je van de man af bent, schrijft hij je zo ongeveer de oren van je hoofd. Ik ken de boeken alle vier nog niet. Laat ik om te beginnen er eens eentje gaan aanschaffen. Vooruit, dat wordt dan het “Up from clinical epidemiology and EBM”; dat moet er dan maar eens aan gaan geloven. Ik zal het gaan bestellen bij El Corte Inglés en hoop maar dat ik er meer van opsteek dan van destijds het haast onleesbare “Theoretical epidemiology”.
De dinsdagmorgen staat in het teken van Trudie’s a.s. bezoek en bijbehorende zaken die ik dan zeker in huis dien te hebben. Er zijn ambrosías (chocoladekoekjes), er is pruimenjam, ook chorizo de Pamplona, jonge Hollandse kaas, Zwan gekookte ham en laat ik het literpak halfvolle melk, de chocoladevla en de theebuitjes niet overslaan.
Vandaag nog dien ik ook een grote pan gemengde tomatengroentesoep klaar te maken, met prei en Franse selderij, ui, rode paprika, de nodige tomatenpuree en een behoorlijke hoeveelheid gehaktballetjes. (Met het toevoegen van peper houd ik mij deze keer in.)
Boodschappen doen eerst en dan een uur in de keuken, het moet te doen zijn. In de avond staat een immense “ketel” op het fornuis te sudderen. Ik ga er wel nog enkele bakjes uit halen en die invriezen voor later. De rest kan morgen opgediend worden en gaat in de ijskast. Het brood erbij moet wel nog vers gekocht worden of dat moet ik uit mijn diepvriesvak plukken.
Sommige dingen kun je beter niet doen, bijv. op je lip bijten om later te constateren dat je een blaartje aan de binnenkant van je onderlip hebt. Dat mij dat nou weer moet overkomen, de dag voordat Trudie op vliegveld Gando hier en daarna Santa Catalina landt. Ik zou zo vlug niet weten hoe ik er weer snel af kom. Het wordt gewoon doen of er niks aan de hand is. Intussen ben ik wel enigszins “gesjendeleerd”. Met mijn rattenkop erboven is het wel een apart gezicht.
Op dinsdagavond vond ik in de kranten in mijn bibliotheekje aan Las Canteras helemaal niks dat ik jullie moet vertellen. Dus zeg ik maar dat het bezoek aan de “Belén de arena”, de zandsculpturen met het kindeke Jezus, dat van alle voorgaande jaren heeft overtroffen. Er waren deze keer ruim 214.000 bezoekers. Daarmee hebben wij een vierde plek behaald in Spanje, nog vóór die van het museum in Bilbao.
Filmster Meryl Streep zou bij de uitreiking van de Globos de Oro een pleidooi hebben gehouden voor de onafhankelijke rol van de pers, lees ik ook, daarmee dwars tegen de ideeën van Donald Trump ingaand. Ik had het minipraatje maandagmiddag al op You Tube gespot. In een twitter deed de binnenkort president van de V.S. het af als flauwekul. La Streep kende hem helemaal niet en zou de zoveel “lakaya”, lakei van Hillary Clinton zijn.
Als ik nog een tweede cd aan jullie wil presenteren dezer dagen, moet ik hem tijdig in mijn denkbeeldige pick-up stoppen. Op de woensdagmiddag, vlak voordat Trudie op Santa Catalina staat, doe ik er nog een tweede jazz- (of is het popmuziek) zangeres bij. In 1950 werd Natalie Cole geboren. Als 15-jarige moest ze constateren dat haar beroemde vader Nat overleed doodging aan longkanker. Helaas, niet iedere roker kan uitgebreid van zijn pensioen genieten. Vanaf dat Natalie 25 jaar was, kwamen er achter elkaar platen van haar uit. De dochter van de “King” overleed op 65-jarige leeftijd, om precies te zijn oudejaarsdag 2015, een goed jaar geleden. Haar leven, zeker op latere leeftijd, werd gekenmerkt door problemen met alcohol, heroïne en hepatitis C. Zo gaat dat soms.
Het muzikale hoogtepunt van Natalie Cole was de cd “Unforgettable… with love” in 1991. Deze ode aan haar vader en zijn liedjes werd een wereldhit. Hier zijn de 22 nummers:
01.The very thought of you
02.Paper moon
03.Route 66
04.Mona Lisa
05.L-O-V-E
06.This can’t be love
07.Smile
08.Lush life
09.That Sunday that summer
10.Orange colored sky
11. Medley: For sentimental reasons, Tenderly, Autumn leaves
12.Straighten up and fly right
13.Avalon
14.Don’t get around much anymore
15.Too young
16.Nature boy
17.Darling, je vous aime beaucoup
18.Almost like being in love
19.Thou swell
20.Non dimenticar
21.Our love is here to stay
22.Unforgettable
Dat “Unforgettable”dat ze zingt samen met haar overleden vader op band, is uiteraard het topnummer op de cd. (Natalie heeft het ook geprobeerd met “When I fall in love”, in 1996?, maar dat werd geen hit bij mijn weten. Terzijde, wie is toch de pianist op Route 66?) Ik moet oppassen dat ik niet primair ga zitten kijken of ik Nat “King” Cole wel voldoende hoor op de nummers van Natalie. Los daarvan ben ik wel meer een fan van de nummers met violen dan met het geschetter van een rijtje koperblazers. Dat gezegd hebbend zie ik vooral extra heil in “The very thought of you”, “Mona Lisa” (dat ik als nieuwe duet van Natalie en Nat gekozen zou hebben), “Too young”, “Nature boy” en “Our love is here to stay”. En met liefde doe ik er deze keer nog de medley bij: “For sentimental reasons”, “Tenderly” en “Autumn leaves”.
Natalie Cole moge dan geen “Queen” zijn geworden, zingen kon ze als de beste.
En dan is het tijd om Trudie te verwelkomen. Om 4 uur in de middag krijg ik een Sms’je dat ze om kwart voor 5 met bus 60 in de kelder van Santa Catalina zal aankomen. Even later al zitten we met zijn tweeën bij La Alemana op het plein aan de “jarras de cerveza”. Het begint met uitvoerig uitwisselen van nieuwtjes en roddels, in Maastricht en de rest van Holanda alsmede hier in Las Palmas. Pas nadat we ieder drie pullen bier hebben gehad, Trudie met de nodige chips erbij, mogen we naar de Luis Morote.
Daar staat uiteraard mijn pan tomatengroentesoep gereed om op het gasstel gewarmd te worden. Met brood erbij is het een traktatie van de eerste orde, al zeg ik het zelf. Er wordt ook nog eens een liter chocoladevla weggewerkt en pas daarna mogen we naar de voorkant. Het balkon, zonder verlichting, laten we voor wat het is en kruipen op bed, Trudie erin. Even later al is in dromenland en na enig leeswerk volg ik haar voorbeeld. Om half 10 al is het donker in “casa de Pablo”.
Op donderdagmorgen zit ik vanaf 8 uur naar de schoolkinderen te kijken, maar Trudie blijft nog even nagenieten in bed. Dan krijg ik mijn koffie gereserveerd en komt de thee en toast met pruimenjam het balkon op. De dag kan nu ook voor haar beginnen. Later op de ochtend zit ze beneden bij Cafetería Nuevo Murias uitgebreid in Dagblad de Limburger te lezen. Om even over 11 gaan we samen op pad naar de “Mercado De Puerto”. Er wordt daar bij onze slager in de hoek 2½ kilo “carne de ternera primera” (kalfsvlees) ingeslagen voor mijn zuurvlees en goulash. Voor vanavond heeft Trudie twee moten zalm in de aanbieding, die ze in de aanpalende winkel op de markt koopt. In een groentewinkel ertegenover wordt de nodige groente voor ons in bolsitas gedaan en ik doe er (voor mezelf) een flink stuk “queso curado de Guia” bij van een naburige kruidenier. Bij bakker “La Barra” aan de boulevard wordt ik blij gemaakt met een grote “barra matalahúva”, met een anijssmaakje.
Dan is het tijd voor de lunch. Zie boven plus mijn sardines in de olie, met yoghurtjes na. Dan gaat Trudie in de keuken aan de slag, terwijl ik op het balkon met rust wordt gelaten om mijn boek (zie boekbijlage) uit te lezen. Om half 2 vertrekt ze vol overmoed naar Las Canteras om te kijken of de zon al gaat schijnen.
Interessant: ik heb mijn bovenbuurvrouw, de Chinese?, al een paar keer verwoed horen schreeuwen tegen haar kind of kinderen, maar heb er verder niet echt aandacht aan besteed. Trudie in de keuken hoort hetzelfde aan, ook de nodige klappen, en komt mij verschrikt vragen of er geen sprake is van kindermishandeling. Ze heeft zelfs al naar boven geschreeuwd of het niet wat minder kon. Daarop werden de ramen dichtgedaan en de muziek wat harder gezet. We gaan erop letten en als het weer gebeurt, zal ik Luis ervan in kennis stellen en via hem vragen om actie te ondernemen.
En dan is het alweer vrijdag, de dag waarop ik beloofd had dat er een nieuwe brief zou komen. Hier is hij, vers van de pers. Als je hem aan de magere kant vindt, qua lengte dan, doe het er toch maar voor. Met Trudie in huis is het leven anders. Mijn volgende komt, als het goed is, op donderdag 19 januari, als Trudie weer druk bezig is met haar diverse verplichtingen in Nederland. Voor nu: loop eens uit de pas en neem eens een advocaatje. Tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Aan van alles komt een eind, dus ook aan het rijtje boeken dat ik vanuit Maastricht hierheen sleepte begin november. Dit is mijn laatste: nummertje drie van Ian Rankin dat ik nog moest lezen. Ik kocht het in oktober (met Trudie) in Hasselt, het is uit 2015 en heet: “Even dogs in the wild”. De titel is ontleend aan een nummer van de Schotse popgroep The Associates. Het verhaal speelt een beetje in Glasgow en elders in Schotland, maar toch weer vooral in Edinburgh. Wat doet de zwerfhond, later Brillo genoemd, in het boek?
Hoofdpersonen zijn John Rebus, net gepensioneerd, en daarnaast Siobhan Clarke en Malcolm Fox. De laatste is intussen opgewaardeerd van interne controleur van de politie tot echte detective, met de volle goedkeuring van Siobhan en John. Er is een vroegere topadvocaat vermoord, David Minton, terwijl Big Ger Cafferty, toch min of meer vijand van John Rebus net aan een kogel is ontsnapt. Een paar weken eerder is ene Michael Tollard, een ex-jeugdzorgwerker, die net een miljoen in de lotto heeft gewonnen, vermoord. Hebben de drie zaken iets met elkaar te maken? Om de zaak te compliceren is onderwereldfiguur Darryl Christie met zijn jongens bezig. Daarbij is uit Glasgow Joe Stark en zijn vazallen plus diens zoon Dennis met aanhang nu in Edinbugh aan het rondspoken. De laatste bendes uit Glasgow worden weer in de gaten gehouden door een speciaal team politie-opsporingsteam onder leiding van Ricky Compston. Dan wordt Dennis Stark ook vermoord en zijn poppen nog meer aan het dansen. Speelt er een pedofiliezaak van tientallen jaren terug op de achtergrond?
Voordat ik mijn oordeel geef, citeer ik – ik kan het niet laten – Siobhan Clarke maar weer eens. Op p. 224 vraagt Malcolm Fox haar: “What does that tell you?” en haar antwoord luidt: “If I’m being honest, it tells me the square root of zero.” Op p. 295 krijgt Rebus toegeroepen van dezelfde Siobhan Clarke: “Though if it’s the same groper in charge of the archive as when I last had cause to visit, diplomacy might have to take second place to pepper spray”. Met mensen als Malcolm Fox en John Rebus in de aangeefrol zie ik D.I Siobhan Clarke echt als een eersteklas komiek van het zuiverste water.
Met thrillerauteur Ian Rankin kan ik gemakkelijk door één deur. Diens moordboeken kunnen steeds weer opnieuw mijn goedkeuring wegdragen (zelfs als de uitgever pontificaal “The numer one bestseller” op de kaft zet, wat ik echt waardeloos vind). Dat uitblinken geldt voor alle boeken van Ian Rankin, ook voor “Even dogs in the wild”. Het blad Scotland on Sunday schrijft daarover: “Rankin once again proves himself...”, terwijl The independent het heeft over “Rebus is back and he’s lost none of his bite”. Daar sluit ik me maar weer bij aan, voor de zoveelste keer. De Schotse schrijver kan er echt wat van en ik deel voor het boek graag weer een volle 8 als recensiecijfer over. Wat goed is, moet aldus ook maar benoemd worden.
Gistermiddag kreeg ik van Trudie een boekje in mijn handen gedrukt (in het Maastrichts “geduid”) dat nieuw voor mij was, dat ik nog niet kende. Het is “De kleine geschiedenis van Maastricht” geschreven door Emile Ramakers. Het is er een in de serie Dummies, uitgekomen in 2016. Het heeft 160 kleine bladzijden, verdeeld in tien hoofdstukken, waarin de geschiedenis van mijn geboortestad verteld wordt op een aangename manier. Ik ken Emile Ramakers van het Centre Céramique, waar hij op de vierde etage van de bibliotheek mensen te woord staat, die iets over Limburg willen weten. Een aardige en deskundige man vind ik het.
Het boekje bevat voor mij weinig nieuws, omdat ik eerder al een aantal boeken over de stad en de provincie heb gelezen, zij het wel al weer een tijd terug. Ik krijg vooral de ene Aha-Erlebnis na de andere. Het boekje begint bij Belvédère, de Eburonen en de Romeinen, dan komen de bisschoppen en de Middeleeuwen, vervolgens de militaire stad en de Franse tijd, waarna de stadsuitbreiding en de industrialisatie beschreven wordt alsmede de jongste tijd met de universiteit.
In een laatste hoofdstuk worden tien personen benoemd die de stad “maakten”: Sint-Servaas, Sint-Monulfus, Henric van Veldeke, Sebastiaan Tapijn, Franciscus Romanus, Jean-Edmé Dufour, Bernard, baron Dibbets, Pie Regout, Sjeng Tans en André Rieu. Het zou niet helemaal mijn eigen keuze geweest zijn, maar ik kan ermee leven. “De kleine geschiedenis van Maastricht” van Emile Ramakers vind ik best een aardig boekje, als startpunt voor een uitgebreidere kennismaking met de geschiedenis van de stad. Een punt ga ik er niet voor uitdelen.
maandag 9 januari 2017
Weblogbrief 12.12, 9 januari 2017
Weblogbrief 12.12, 9 januari 2017
Queridos amigos y familia, vandaag, op de 40ste verjaardag van Eva (perfisia!) komt mijn brief weer op tijd. Vorige week was dat anders. Ik heb hier thuis geen internet en dus post ik normaliter mijn brieven vanuit de universiteit. Echter, de universiteit was vorige week dicht, potdicht. Dus zou ik uitwijken naar Juli, een kennis van hier. Bleek die op 3 januari plotseling “verplichtingen elders” te hebben en dus werd het 4 januari, één dag na dato. Ook verder was het de afgelopen week behelpen, bijv. omdat de bibliotheekjes waar ik af en toe kom om de kranten te lezen en mijn e-mail te bekijken, op 5 en 6 januari dicht zijn vanwege Driekoningen, Los Majestades Los Reyes Magos Del Oriente. Om nou voor één keer bij Carlos koffie te gaan drinken om te kunnen e-mailen op mijn telefoon, vind ik ook al zo wat; bovendien heeft die op de zesde wel iets anders te doen dan in alle vroegte koffie te zetten.
Daarom niet getreurd. Bijna had ik de afgelopen woensdag wel nog bus 12 naar de universiteit genomen, maar was dan wel een halte later uitgestapt, op de eindhalte, waar een tweede grote Carrefour winkel is. In de Carrefour in Las Arenas is geen ‘morros” meer te krijgen, de originele variant van tête de veau, en wie weet, ligt die daar wel nog in de schappen.
Hoe dan ook, mijn vorige brief was (vorige week) dinsdag al af en in computertaal omgezet. Dus kan ik vanmorgen, op de woensdag, terwijl Etel mijn woning van allerlei “stöb” ontdoet, al aan een verse nieuwe beginnen. Het eerste muziekje dat ik daarbij opzet, is voor de zoveelste keer niet van primair een muzikant, maar in dit geval van een filmster die op het witte doek ook af en toe een liedje mag zingen. Ik heb het over de Amerikaanse Dorothy Lamour, van wie ik van de zomer een album zag liggen in Centre Ceramique. Dat kon uiteraard niet ongekopieerd blijven. De diva, vamp of hoe zal ik haar verder aanduiden, is van 1914 en ze overleed in 1996. Ze was filmster in tientallen Hollywoodproducties, vooral in de jaren 1936-1952, maar ook daarna nog. Misschien kennen jullie haar van bijv. “The road to...” films, waarvan ze steeds een hoofdrol speelde, met ook Bing Crosby en Bob Hope.
Terug naar het album, dat is van 1997, één jaar na haar overlijden, en heeft de titel “The moon of Manakoora” meegekregen, naar het gelijknamige laatste nummer op de plaat. Als liedjes maar zo’n drie minuten duren, kunnen er een heleboel op één cd. Hier zijn de 25 liedjes van “The moon of Manakoora”:
01.Moonlight and shadow
02.Panamania
03.You took the words right out of my heart
04.Thanks for the memory
05.Lovelight in the starlight
06.Little lady make-believe
07.Tonight will live
08.On a tropic night
09.That sentimental sandwich
10.The man I love
11.You took me out of this world
12.I’m all-a-tremble over you
13.Paradise
14.Sweet potato piper
15.Palms of paradise
16.The moon and the willow tree
17.Too romantic
18.I gotta right to sing the blues
19.It had to be you
20.Your kiss
21.This is the beginning of the end
22.Moon over Burma
23.Mexican magic
24.The one rose that’s left in my heart
25.The moon of Manakoora
Wat zal ik verder zeggen over de cd? Het is natuurlijk muziek uit de oude doos en op de keper beschouwd vind ik de stem van Dorothy Lamour ook ietsje aan de overdreven kant, niet bekakt, maar er tegenaan, zoals in Nederland destijds Anneke Grönloh haar liedjes bracht. Voor mij heeft ze wel wat, over de breedte van de plaat. Willen jullie nog uitschieters? Dan noem ik hier “Moonlight and shadow”, “You took the words right out of my heart”, “On a tropic night”, “The man I love”, “Too romantic”, “This is the beginning of the end”, “The one rose that’s left in my heart” en vanzelfsprekend “The moon of Manakoora”.
(Voor wie wil weten, waar Manakoora ligt, ik kan het in mijn “Concise world atlas” niet vinden, maar wel de stad Manakara. Die is aan de oostkust van Madagaskar.)
Nog op de dinsdag, viel me weer eens op hoeveel mensen het lijkt wel getrouwd zijn met hun mobiele telefoon. Ik zat op een bank aan de boulevard bij de Tomas Miller en echt, de een na de ander persoon kwam voorbij, terwijl hij of zij het apparaat aan het oor had. Vaak waren het niet eens solisten, maar liepen er een of meer personen naast, die soms zelfs ook met hun telefoon in de weer waren dan wel zich enigszins gegeneerd buitenstaander voelden. Wat is dat toch? Ik zal het ongetwijfeld al eens eerder geroepen, maar bij dezen dan nogmaals: kan dat niet eens ophouden? Er is niks tegen iemand opbellen, maar doe het liever niet in de volle openbaarheid, waar alleman bij is. (En nou ik toch weer bezig ben, dat tot in den treure What’s appen, het oeverloze internetten op de telefoon en dat foto’s schieten tot in het oneindige – we zijn toch geen Japanners, daar moest ook maar weer eens acuut mee gestopt worden.)
Om half 12 woensdagmorgen zwaai ik Etel uit, althans de trap af. Daarna hijs ik me in mijn lange broek en begeef ik me naar Juli. om 12 uur Om 12 uur heb ik bij hem thuis afgesproken. Ter plekke is hij druk bezig om zijn grote keuken opnieuw te “ranzjere”. Dat is voor hem als amateurkok geen sinecure, een hele bedoeling. Zijn voorraad aan kruiden uit ik weet niet allemaal waar vandaan ligt inmiddels in een grote lade vlak onder zijn elektrisch fornuis. Er dient ook van alles afgevoerd te worden. Even overweeg ik nog om van hem een tweede, overbodige broodrooster over te nemen voor een zacht prijsje, maar bedenk gelukkig op tijd dat je met je vrienden moet wandelen (en met de rest onderhandelen).
Mijn weblogbrief, d.w.z. de vorige, nummertje 12.11, is vanaf Juli’s laptop “in no time” aan jullie verstuurd, al heeft hij eenzelfde kuur die ik eerder ook al heb meegemaakt: hij zegt dat hij mijn HTML-omzetting niet accepteert, de
omzetting neem ik aan. Als ik echter de betreffende computermelding afsluit, blijkt er geen vuiltje meer aan de lucht te zijn. Juli wil me na afloop nog een drankje inschenken, maar ik laat hem liever doormodderen in zijn keuken. Een schoonmaak dient op zijn tijd te gebeuren, al is het maar voor de show.
Op de terugweg kom ik bij Playa Chica langs de kippenboer met dezelfde naam. Daar koop ik een hele geroosterde kip met “papas”. De helft eet ik vervolgens thuis met veel smaak op, met vel (lekker, zou Marij zeggen), samen met een portie van mijn zelf gemaakte grote kom ui/paprika/tomaat mengsel. Inderdaad, bijna had ik de andere halve kip met aardappeltjes ook soldaat gemaakt; ik heb me echt moeten inhouden.
Op de donderdag staan vanzelfsprekend de wijzen uit het oosten, de Palmese versie van sinterklaas, op het programma. In Nederland houden denk ik de “felices fiestas” wel op, als nieuwjaarsdag geweest is, maar hier gaat het nog rustig een aantal dagen door: er is ook nog “felices reyes”, gelukkige koningen! Hun glorieuze entree, ieder op een eigen boot, bij mij om de hoek, bij de Muelle, heb ik dit jaar aan me voorbij laten gaan. Een mens kan niet alles hebben, maar als bijv. Dalí & Lux hier geweest waren, waren we zeker gaan kijken. Wel sta ik al om 5 uur met hordes anderen in Parque Santa Catalina gereed om naar het illustere trio te gaan zwaaien, als ze voorbij zouden komen.
Zoals gangbaar is het eerst uitgebreid wachten geblazen, maar intussen komen wel de nodige karren met snoepgoed voorbij. Ik weet niet hoeveel klein grut en ook een enkele volwassene aan een rode “lotsj”, speen, “chupete” in het Spaans, zit te lurken in afwachting van de optocht. En eerlijk is eerlijk, het ongebreideld opbellen valt me op donderdagmiddag reusachtig mee.
Eindelijk komt de “cabalgata” er om even voor 6 aan en laat ik hier eens ruiterlijk toegeven dat ik geen bijzonder sociabele toeschouwer, aan-de-kant-staander ben. Keurig heb ik mijn plek op de tweede rij, maar vlak voordat de eerste praalwagen in zicht komt, is het ineens rij vijf. Dat allerlei kinderen voorkruipen, heeft mijn volle zegen, maar dat de voltallige bijbehorende families zich op de valreep ook pontificaal vóór mijn ogen posteren, vind ik ietsje minder geslaagd.
Los daarvan, ik kan het allemaal best goed zien, uitstekend zelfs, dus waar zanik ik over. De optocht bestaat deze keer uit vier delen: eerst een tiental bont gekleurde hoge bussen en vrachtwagens met cd-muziek en kinderen, dan tien minuten niks (op een enkele in rap tempo langs marcherende harmonie na), vervolgens achtereenvolgens Melchor, Gaspar & Baltasar (om het op zijn Spaans te zeggen) en dan nog weer eens een tiental praalwagens. Dat de koningen deze keer voor het eerst niet op dromedarissen zitten, “voor de veiligheid”, maar ieder voor zich op een houten podium van niks staan, een namaakkoets, “carruaje” in het Spaans, daarover heb ik jullie al onderhouden. Voor wie het wil horen: ook de kolonne Romeinen (“olé,olé, die Romeine zien oké”) is weer present, maar wat is er zoals steeds een schrijnend tekort aan “zate hermeniekes”. Het leukste tussen de koningen door vind ik deze keer een duo als kwal verklede mensen, helemaal in het wit met immense, witte parasols, waaraan tot op de grond allemaal witte linten hangen. Zo iets zou in de Maastrichtse optocht niet misstaan. En ik moet toch eens een cd zien te bemachtigen met de belangrijkste carnavalsliedjes van hier. Als de muziek vanaf de praalwagens omlaag dendert, zingt toutes Las Palmas dapper mee behalve ondergetekende die helaas van toeten noch blazen weet.
In totaal, van kop tot staart, is het in drie kwartier gebeurd, waarna wij met zijn allen zonder uitzondering in de richting van Las Canteras trekken. Als dat langs De Spar of Granier is in de Ripoche, kun je daar in de gauwigheid wel nog een “roscón” inslaan. Dat is een ronde cake met een gat in het midden, met crème of dergelijke erop gesmeerd, een typische versnapering van Driekoningen. Mensen van de winkels (ook bij de Superdino, zie ik later) staan ze midden op straat vóór hun winkel te verkopen.
Ik hoef jullie niet uit te leggen dat het op de boulevard echt poepiedruk is op de avond van 5 januari. Ik zie ook groepjes mensen op terrassen “surprises” aan elkaar uitdelen. Als ik eindelijk terug op het honk ben, is de meute in mijn straat heel druk met drank bezig.
Op donderdagavond al, maar ik zoek het pas op op de vrijdagmorgen, vraag ik mij af wat ook al weer een merel in het Spaans is. Ik kom er niet op. Trudie, Marcel en anderen, weten jullie het nog? Een mus is hier een “gorrión”, een duif een “paloma”, een meeuw een “gaviota”, een spreeuw een “estornino” en zelfs een kraai weet ik nog: een “corneja”, maar een merel? Mijn woordenboek brengt uitkomst: een merel is een “mirlo”, “mirlo común” (maar een mees is een “paro”). Dat moet toch te onthouden zijn. Aan de andere kant, in Maastricht stikt het van die merelvogeltjes, maar hier heb ik er in al die jaren nog geen kunnen ontdekken, wel overigens een ander minivogeltje dat ik niet kan benoemen.
Intussen heb ik royaal genoeg van het gekweel van Dorothy Lamour en mag ik op zoek naar een nieuwe cd. “Na ampel overwegen” kom ik uit bij Graham Nash. Die kennen jullie wellicht nog van de Hollies vroeger. Harry heeft me nog eens een mooi clipje laten zien van “Bus Stop” (“wet day, she’s there, I say: please share my umbrella”), maar dan een halve eeuw later. Als de Hollies van te lang geleden zijn, mogen jullie ook denken aan “Crosby, Stills, Nash & Young” of aftreksels daarvan (maar wel steeds met Crosby voorop). Graham Nash, voor mij blijft hij een 100% Engelsman en geen Amerikaan, laat daar geen misverstand over bestaan. Vorig jaar, in 2016, kwam zijn solo-cd “This Path Tonight” uit. Hier zijn de tien nummers:
01.This path tonight
02.Myself at last
03.Cracks in the city
04.Beneath the waves
05.Fire down below
06.Another broken heart
07.Target
08.Golden days
09.Back home
10.Encore
Het is best een aardige plaat, over de breedte. De oudjes doen het toch nog maar. Het titelnummer “This path tonight” mag er zijn en daarnaast geeft ik extra punten aan “Beneath the waves”, “Fire down below” en “Back home”. De hoofdprijs gaat op het album naar “Another broken heart”, dat m.i. de test met de beste Graham Nash-nummers van vroeger kan doorstaan.
Vrijdag 6 januari is echt een speeldag voor de kinderen, dus voor mij een complete rustdag. Een heleboel cafés en restaurants en echt alle winkels zijn dicht en zeker ‘s ochtends is er geen kip op straat te bekennen, of het moest iemand zijn die zijn krakkemikkige hondje langs een paar palmbomen laat schuifelen. Ook in de avonduren is het, zelfs op de boulevard, aanmerkelijk stiller dan de dagen ervoor.
Bij gebrek aan beter zet ik ook op Las Canteras maar eens een cd op, op mijn Infiniton walkman. Het wordt een dubbel-cd met Americana muziek van allerlei artiesten, onder de titel: “Americana, the best of new American music”. Is ze van 2000? Een aantal artiesten staat al uitgebreid op mijn computer, maar ik ontdek eerst op Las Canteras en later op mijn balkon, ook een paar mensen van wie ik nodig eens wat muziek in huis moet zien te krijgen in mei. Voor wie erin geïnteresseerd is, ik heb het over de Cash brothers, de Cowboy junkies en Julie Miller. En laat ik ook maar eens een cd gaan proberen van Rodney Crowell, die ik al ken van twee albums samen met Emmylou Harris, maar die op zijn Americana nummer een prima gitaarsolo in huis blijkt te hebben.
Eerder heb ik jullie lastig gevallen met de dubbel-cd “Pure Genius” uit 2002, ook een Americana-verzameling. Deze is van hetzelfde laken een pak. Ik heb er trouwens nog een paar, best mooi allemaal.
Op de zaterdag komt er gelukkig weer meer leven in de brouwerij. Ik vertelde jullie eerder over de man die aanhoudend op de bank voor mijn deur zit om te bellen, te sms’en en op internet van alles te bekijken, de levende geest van John Urquhart. Laat ik mezelf corrigeren: hij spreekt Spaans of het niks is; in een haast lege straat kan ik hem letterlijk horen keuvelen door zijn mobiel. Echter, als hij al vóór 10 uur op de bank plaatsneemt, moet hij helaas wel constateren dat de Cafetería Nuevo Murias dicht is. Carlos neemt het ervan en is kennelijk drie aaneen gesloten dagen dicht, totdat de kinderen weer in alle vroegte de Luis Morote onveilig komen maken, met de moeders op zijn terras. Mijn andere zaak beneden “De Francesco” is dan wel net opengegaan, maar die heeft geen internetaansluiting. En de terrassen van “Don Manué” en “Any way” gaan altijd pas om een uur of 12 open.
Om hem nog verder te pesten, passeert Tóbalo de onverlaat op de bank, met zijn hondje van niks aan de lijn. Het is een vrije dag voor hem, dus is hij niet in het zwart, maar heeft een groene polo aan met daaronder een korte groene broek. Tóbalo is een heel sociaal wezen en heeft een goed woordje over voor iedereen, ook mij op het balkon, maar hij doet net of hij de man op de bank niet ziet.
Om 11 uur wordt mijn rust bruut verstoord door een al te actieve grote groep die iets met volkszang heeft. De bubs is in de weer bij het beeld van Lolita Pluma, maar ik dien het tot op mijn balkon allemaal aan te moeten horen. Voor alle duidelijkheid, ik ben echt een fan van Engelse folk music – kijk bijv. maar eens hiervóór naar mijn Americana dubbel-cd's – maar dat is andere kost dan wat ik nu te verduren krijg. Deze muziek is, om het eens op zijn Huilands te zeggen, “niet helemaal mijn ding”.
Dus is het hoog tijd om maar eens onder de douche te gaan staan en – het is zaterdag – ook mijn haar te wassen.
Een mens dient zich op tijd van overtollig haar te ontdoen. In Maastricht heb ik in Trudie een compagnon die daar aardig op let en mij op zijn tijd rücksichtslos met een tondeuse lijf gaat, in stand 2, sinds kort met als uitzondering mijn kop bovenop, waarvoor stand 4 voldoende voor haar is. Echter, Trudie heb ik al ruim twee maanden niet gezien, wel uiteraard geregeld gemaild. Ze komt a.s. woensdag een week op bezoek, maar zonder mijn tondeuse. Dat krijg je, als je maar maximaal tien kilo bagage mag meenemen.
Dus dien ik deze keer zelf actie te ondernemen. Op de zaterdagavond spoed ik mij naar mijn allochtoon hier, die echt alles haar “snije” af weet. De kapper hoort mijn verzoek om mijn haar vooral “muy corto” te knippen aan, herhaalt mijn verzoek nog eens voor de zekerheid en gaat moet ik er echt aan geloven. In minder dan een kwartier tijd word ik omgetoverd tot iemand die nauwelijks meer haar op zijn kop heeft. Het is een nagenoeg kaal grasveld geworden. Ik ben er uiterst tevreden mee en kan nu denk ik weer vooruit tot ongeveer begin maart. Dan heb ik mijn tussenstop in Maastricht achter de rug, na een ouderwetse carnaval, en kan Trudie mijn bovenkant nog eens soigneren tot aan mei.
Ineens bedenk ik dat Trudie er a.s. woensdag al op bezoek komt voor een week vakantie hier. Dat wordt nog hommeles met mijn biljartbal. Zal ik haar op Santa Catalina met een petje op verwelkomen? Nee, ze moet het er maar voor doen.
Dan mag ik op de dag voordat ik mijn brief aan jullie verstuur, nog één keer van muziek wisselen (vind ik). Ik probeer de eerste cd van ABBA, uit een doos van negen stuks, zie verder Centre Ceramique, maar die valt mij een beetje tegen. Ik maak uiteraard een uiteraard voor het laatste nummer van de cd: “Ring ring” in het Zweeds (“bara tu slog en signal”, in het Engels: why don’t you give me a call?) uit 1973. Dat had m.i. in 1973 al een hit moeten zijn, voordat ABBA’s “Waterloo” het jaar erop het Eurovisie songfestival won. Anni-Frid en Agnetha, met daarachter Benny en Björn, dat was nog eens wat! Ik heb zelfs nog een cd waarop diverse nummers van ieder van hen apart staan, uit de periode van vlak vóór ABBA.
Laat ik, als verklaard fan van de Nederlandse muzikant Blaudzun, die nog maar eens van stal halen. Van hem - geconcipieerd in het jaar dat heel Europa “Ring ring” in zijn armen had moeten sluiten – heb ik intussen vijf cd’s. Alleen de meest recente van 2016 moet ik nog zien te bemachtigen. In 2008 kwam zijn allereerste uit, “Blaudzun” geheten, zo hoort het bij een eerst cd. Hier zijn je tien nummers:
01.Blindspot
02.California
03.Tidal wave
04.Black thread
05.Love lies bleeding
06.Higher ground
07.Resident
08.Revolver
(09.Uphill battle (20 seconden?)
10.Good boy
11.She’s a gentleman
Ik zoek ze er wel op uit, de cd’s die ik iedere keer weer in jullie winkelmandje wil deponeren. De eerste van Blaudzun is hier geen uitzondering op. De man heeft iets uitzonderlijks, hij blijft mij bezig houden met zijn rare tronie en ik hoop jullie ook. In mijn perceptie mag je nooit meer dan de helft van de nummers van een cd bovengemiddeld vinden. In dat geval kies ik op deze plaat voor “Blindspot”, “Tidal wave”, “Higher ground”, “Revolver” en “She’s a gentleman”. Dat Blaudzun nog lang mee moge gaan!
Op zondagmorgen luister ik naar Blaudzun, maat lees ook mijn laatste boek van Josephine Tey uit. Zie verder mijn recensie. Intussen draai ik ook nog een was en voorzie mijn bed van schone lakens (plus mijn kussen van een schone sloop, voor wie het naadje van de kous wil weten).
Dan vraag ik mij, nog voordat ik aan mijn lunch begin, af hoe het toch zit met plassen overdag en ‘s nachts. Overdag ga ik zeg om de twee uur naar de wc en als ik in bed lig van ‘s avonds laat tot ‘s morgens vroeg, een uurtje of negen zeker, is mij tussentijds een keer plassen normaliter genoeg. Er zullen ongetwijfeld ook andere factoren spelen, maar ik opper hier dat je veel eerder aandrang om te plassen krijgt, als je staat of loopt (zoals je dan ook eerder spataderen ontwikkelt, maar dat terzijde) vergeleken met als je zit en zeker met als je ligt. ‘s Nachts als ik echt horizontaal ben, duurt het veel langer voordat ik denk: ik moest er maar eens even uit om te gaan plassen. Als dat per se nodig is, kan ik zo oud als ik ben zelfs mijn plas de hele nacht ophouden, maar dan is het wel ‘s ochtends snel gaan en niet wachten. Overdag, bijv. bij het scheren of tanden poetsen of als ik met de afwas bezig ben, heb ik veel eerder aandrang; het heeft zelfs iets preventiefs.
Staat dat idee van lopen en staan dan wel zitten of liggen als belangrijke risicofactor voor plassen ook in de vakliteratuur? Is het simpelweg zo dat de klep die de onderkant van je urineblaas dichthoudt, je eerder waarschuwt dat je moet plassen, als je rechtop staat of loopt? Wie kijkt het eens voor me na? Interessant!
Gisteravond, op de zondag, ben ik op tijd op Las Canteras om weer eens de bocht te maken voorbij La Oliva en dergelijke in La Puntilla. Je passeert dan visrestaurant Amigo Camilo en komt uit op een stukje boulevard, waar haast geen toeristen komen. Er zijn de nodige banken, waar ik mijn moede lijf te ruste kan leggen of vaart kan maken in mijn leesboek. Ook zijn er drie terrassen achter elkaar, eerst NYC Taxi (nieuw, het was vroeger vlakbij Las Arenes), dan Clipper (met bootje als logo) en tenslotte Los Piratas De Canarias. Vroeger was het daar op de vroege zondagavond te doen, levende muziek. Blijkt dat men er weer opnieuw iets van wil maken. Vóór Clipper treedt nu een duo op, een gitarist en een zingende drummer, en er staan meer dan honderd mensen te luisteren, sommige zelfs mee te dansen. Aardig allemaal, ik ga zeker nog eens terug.
Op de terugweg naar de bewoonde wereld kom ik de nodige kleine kinderen tegen die hun Driekoningenkado aan het showen zijn. Ik zie nieuwe kinderfietsjes, diverse soorten autopedden (autopetten?), skateboards (helaas), rolschaatsen enz.
En dan geef ik er nu de brui aan. Vanaf vanochtend gaat het leven weer zijn normale gangetje. Om kwart over 6 word ik (heel eventes maar) wakker gemaakt door Carlos die de luiken van zijn Cafetería omhoog trekt en om 8 uur zie ik de eerste kinderen beneden spelen. Over een half uur begint de katholieke basisschool bij mij naast weer met zijn les.
A.s. woensdag komt Trudie en vanaf dan is het een beetje behelpen met deze brieven. Vooralsnog ga ik er van uit dat jullie nu vrijdag de 13de alweer een volgende tegemoet kunnen zien en daarna op donderdag de 19de, als Trudie weer terug naar Nederland is. Intussen: vergeten jullie niet om je dagelijkse vochtverlies bijtijds te compenseren? Als ik Lluis mag geloven, dienen volwassen mannen dagelijks 2½ en vrouwen 2 liter water of dergelijke tot zich te nemen. Ik haal dat denk ik niet, maar van dehydratie heb ik wonderwel vooralsnog geen last. Tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Tot de evergreens onder de schrijvers van detectiveboeken van weleer reken ik de Engelse Ruth Rendell. Ik heb haar hier al enkele keren in het zonnetje gezet. Wisten jullie dat ze ook onder het pseudoniem Barbara Vine boeken op haar naam heeft staan? Deze week heb ik een boek van haar ter bespreking dat ze onder die schuilnaam schreef: “A Dark-Adapted Eye” uit 1986. Zo lag geleden is dat trouwens geeneens. Ze won er het jaar daarop een “Edgar” mee, als beste moordboek-auteur van het jaar in de Verenigde Staten. Het boek is zo Engels, niet Amerikaans als het maar zijn kan. Het speelt op het Engelse platteland en een beetje in Londen, vooral in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog.
Het verhaal wordt verteld door Faith, de dochter van John en Vranni Longley. Haar tantes, waar ze heel veel mee optrekt, heten Helen (eigenlijk een halftante), Vera en Eden. Daar horen weer kinderen bij, zoals Andrew en Patricia bij Helen en bij Vera is het Francis en veel later Jamie. Of hoort Jamie bij Eden, die later een miskraam heeft gehad en sindsdien geen kinderen meer kan krijgen? Twee belangrijke andere punten: (1) Vera met al haar snobisme en vooroordelen krijgt haar tweede kind pas na 10½ maand zwangerschap, (2) Er zit maar liefst vijftien jaar in leeftijd tussen Vera en Eden. Die Eden is op haar beurt maar zes jaar ouder dan Faith, voor wie Eden eerder als een nicht is dan een tante. Kunnen jullie het nog allemaal volgen? Een stamboom voorin het boek, met een tijdsaanduiding, had niet misstaan.
Hoewel het pas op het einde van het boek echt aandacht krijgt, gaat het boek primair over Vera, die haar zus Eden vermoordt. Schrijver Daniel Stewart wil daar veel later, in het heden, een boek over schrijven en vraagt om informatie aan de diverse personen in het boek. De onderliggende affaire wordt op de spits gedreven op oudejaarsavond 1948, als Vera ziek wordt en de dan aanwezige huisvriend Chad Hammer Vera’s zus Eden inschakelt om het kind tijdelijk onder haar hoede te nemen. De dagen, maanden, zelfs jaren daarna is Jamie dan weer bij Eden, die daarvoor met een rijke man getrouwd is, en dan weer bij de veel oudere Vera. Als Jamie vijf is en Vera 42, wil Eden definitief beslag leggen op het kind, tot grote afschuw van Vera. Dan loopt het uit de klauwen.
Ik kon in het begin, eerlijk gezegd, nauwelijks een touw aan vastknopen aan het verhaal, maar het is Ruth Rendell, dus zal het wel op zijn pootjes terecht komen. En dan pakt het boek me ineens, zoals een meesterlijke thriller je kan pakken. De titel “A dark-adapted eye” blijf ik raar vinden, ook na lezing, maar er ontrolt zich een conflict dat echt spannend blijft, met de twee slachtoffers: Eden aan het mes geregen door zus Vera en dezelfde Vera vervolgens als moordenares aan de galg. Daarmee scoort schrijfster Ruth Rendell een vracht aan recensiepunten. Plus vind ik tussendoor de diverse schetsen van de natuur echt uit de kunst. (Zo kom ik bijv. te weten dat een “budgerigar” een grasparkiet is, terzijde, in het Spaans is het een ”periquito”.) Om het niet te gek te maken laat ik mijn recensiecijfer stoppen bij een 8½. “A dark-adapted eye” is voor mij een heel, heel goed boek, of in de woorden van de Punch-recensent: “Brilliant...Long may this Vine flourish”. Ik ga zeker nog weer andere boeken van Ruth Rendell aan mijn verzameling toevoegen.
Mijn vorige boek viel haast van ellende uit elkaar, zeker toen ik het bijna uit had. Het was van 1986, dus wat zal er niet gebeuren als ik in een nog veel eerder exemplaar zit te lezen? Ik had het al aangekondigd en hier is ze weer: Josephine Tey met het allerlaatste boek dat ik van haar heb: “The Singing Sands”, oorspronkelijk uit 1952. Het speelt in Londen en in de Highlands, zelfs even op de Hebriden.
Inspecteur Alan Grant van Scotland Yard is met ziekteverlof. Zijn dokter heeft hem bevolen om eens een paar weken rust te nemen. Hij zou last hebben van paniekaanvallen, fobieën, zoals zich opgesloten voelen in kleine ruimtes. Met de trein gaat hij naar Scoone in Schotland om daar te gaan vissen. Hij kan in de buurt logeren bij zijn neef Tommy en echtgenote Laura (Lalla), met hun kinderen Pat en Bridget. Bij het uitstappen uit de trein ziet Grant iemand dood in de trein liggen. Hij helpt zelfs nog even een handje en neemt dan per ongeluk een krant van de overledene mee. Op de zijkant daarvan vindt hij een onvoltooid gedichtje, dat hem ertoe brengt om het vissen waarvoor hij gekomen was, even later te staken. Op een van de Hebriden, Cladda om precies te zijn, gaat hij een kijkje nemen, bij “the singing sands” aldaar, zoals in het gedicht staat.
Dan ontmoet hij, als reactie op een annonce van hem over het gedichtje in de kranten, ene Tad Cullen. Die is vliegenier en vertelt hem over zijn vriend, ook vliegenier, Bill Kendrick, die hij in Parijs zou ontmoeten, maar die wonderwel zoek is. Grant en Cullen gaan samen terug naar Londen, op zoek naar Bill, al dan niet nog in leven. Die zou in een dronken bui aan Cullen hebben verteld over het gedicht in verband met een verloren gegaan “atlantis” in Arabië: Wabar. Dat zag hij bij toeval een keer in een zandvlakte onder hem opdoemen, toen hij over Arabië vloog en uit koers raakte. Alan Grant en Tad Cullen nemen nu contact op met in Engeland aanwezige Arabië-kenners zoals Lloyd en Kinsey-Hewitt. Zit in die hoek de oplossing van het raadsel betreffende Bill Kendrick en het Arabische atlantis?
Wat kan, of liever gezegd kon die Josephine Tey prachtig schrijven en wat wist ze het weer allemaal taalvaardig te verwoorden. Ik zie zelfs in “The singing sands” het begin van haar zinnen met “presently” weer terugkeren. Haar manier van de lezer bespelen is, zoals gebruikelijk, uniek, om eens de recensent van de New York Times te citeren. Ik ben blij dat ik het nogal beperkte oeuvre compleet heb. “The singing sands” van Josephine Tey gaat terug mee naar Maastricht met alweer een 8½ als recensiecijfer. Deze week is het echt prijs met mijn beoordelingen.
Queridos amigos y familia, vandaag, op de 40ste verjaardag van Eva (perfisia!) komt mijn brief weer op tijd. Vorige week was dat anders. Ik heb hier thuis geen internet en dus post ik normaliter mijn brieven vanuit de universiteit. Echter, de universiteit was vorige week dicht, potdicht. Dus zou ik uitwijken naar Juli, een kennis van hier. Bleek die op 3 januari plotseling “verplichtingen elders” te hebben en dus werd het 4 januari, één dag na dato. Ook verder was het de afgelopen week behelpen, bijv. omdat de bibliotheekjes waar ik af en toe kom om de kranten te lezen en mijn e-mail te bekijken, op 5 en 6 januari dicht zijn vanwege Driekoningen, Los Majestades Los Reyes Magos Del Oriente. Om nou voor één keer bij Carlos koffie te gaan drinken om te kunnen e-mailen op mijn telefoon, vind ik ook al zo wat; bovendien heeft die op de zesde wel iets anders te doen dan in alle vroegte koffie te zetten.
Daarom niet getreurd. Bijna had ik de afgelopen woensdag wel nog bus 12 naar de universiteit genomen, maar was dan wel een halte later uitgestapt, op de eindhalte, waar een tweede grote Carrefour winkel is. In de Carrefour in Las Arenas is geen ‘morros” meer te krijgen, de originele variant van tête de veau, en wie weet, ligt die daar wel nog in de schappen.
Hoe dan ook, mijn vorige brief was (vorige week) dinsdag al af en in computertaal omgezet. Dus kan ik vanmorgen, op de woensdag, terwijl Etel mijn woning van allerlei “stöb” ontdoet, al aan een verse nieuwe beginnen. Het eerste muziekje dat ik daarbij opzet, is voor de zoveelste keer niet van primair een muzikant, maar in dit geval van een filmster die op het witte doek ook af en toe een liedje mag zingen. Ik heb het over de Amerikaanse Dorothy Lamour, van wie ik van de zomer een album zag liggen in Centre Ceramique. Dat kon uiteraard niet ongekopieerd blijven. De diva, vamp of hoe zal ik haar verder aanduiden, is van 1914 en ze overleed in 1996. Ze was filmster in tientallen Hollywoodproducties, vooral in de jaren 1936-1952, maar ook daarna nog. Misschien kennen jullie haar van bijv. “The road to...” films, waarvan ze steeds een hoofdrol speelde, met ook Bing Crosby en Bob Hope.
Terug naar het album, dat is van 1997, één jaar na haar overlijden, en heeft de titel “The moon of Manakoora” meegekregen, naar het gelijknamige laatste nummer op de plaat. Als liedjes maar zo’n drie minuten duren, kunnen er een heleboel op één cd. Hier zijn de 25 liedjes van “The moon of Manakoora”:
01.Moonlight and shadow
02.Panamania
03.You took the words right out of my heart
04.Thanks for the memory
05.Lovelight in the starlight
06.Little lady make-believe
07.Tonight will live
08.On a tropic night
09.That sentimental sandwich
10.The man I love
11.You took me out of this world
12.I’m all-a-tremble over you
13.Paradise
14.Sweet potato piper
15.Palms of paradise
16.The moon and the willow tree
17.Too romantic
18.I gotta right to sing the blues
19.It had to be you
20.Your kiss
21.This is the beginning of the end
22.Moon over Burma
23.Mexican magic
24.The one rose that’s left in my heart
25.The moon of Manakoora
Wat zal ik verder zeggen over de cd? Het is natuurlijk muziek uit de oude doos en op de keper beschouwd vind ik de stem van Dorothy Lamour ook ietsje aan de overdreven kant, niet bekakt, maar er tegenaan, zoals in Nederland destijds Anneke Grönloh haar liedjes bracht. Voor mij heeft ze wel wat, over de breedte van de plaat. Willen jullie nog uitschieters? Dan noem ik hier “Moonlight and shadow”, “You took the words right out of my heart”, “On a tropic night”, “The man I love”, “Too romantic”, “This is the beginning of the end”, “The one rose that’s left in my heart” en vanzelfsprekend “The moon of Manakoora”.
(Voor wie wil weten, waar Manakoora ligt, ik kan het in mijn “Concise world atlas” niet vinden, maar wel de stad Manakara. Die is aan de oostkust van Madagaskar.)
Nog op de dinsdag, viel me weer eens op hoeveel mensen het lijkt wel getrouwd zijn met hun mobiele telefoon. Ik zat op een bank aan de boulevard bij de Tomas Miller en echt, de een na de ander persoon kwam voorbij, terwijl hij of zij het apparaat aan het oor had. Vaak waren het niet eens solisten, maar liepen er een of meer personen naast, die soms zelfs ook met hun telefoon in de weer waren dan wel zich enigszins gegeneerd buitenstaander voelden. Wat is dat toch? Ik zal het ongetwijfeld al eens eerder geroepen, maar bij dezen dan nogmaals: kan dat niet eens ophouden? Er is niks tegen iemand opbellen, maar doe het liever niet in de volle openbaarheid, waar alleman bij is. (En nou ik toch weer bezig ben, dat tot in den treure What’s appen, het oeverloze internetten op de telefoon en dat foto’s schieten tot in het oneindige – we zijn toch geen Japanners, daar moest ook maar weer eens acuut mee gestopt worden.)
Om half 12 woensdagmorgen zwaai ik Etel uit, althans de trap af. Daarna hijs ik me in mijn lange broek en begeef ik me naar Juli. om 12 uur Om 12 uur heb ik bij hem thuis afgesproken. Ter plekke is hij druk bezig om zijn grote keuken opnieuw te “ranzjere”. Dat is voor hem als amateurkok geen sinecure, een hele bedoeling. Zijn voorraad aan kruiden uit ik weet niet allemaal waar vandaan ligt inmiddels in een grote lade vlak onder zijn elektrisch fornuis. Er dient ook van alles afgevoerd te worden. Even overweeg ik nog om van hem een tweede, overbodige broodrooster over te nemen voor een zacht prijsje, maar bedenk gelukkig op tijd dat je met je vrienden moet wandelen (en met de rest onderhandelen).
Mijn weblogbrief, d.w.z. de vorige, nummertje 12.11, is vanaf Juli’s laptop “in no time” aan jullie verstuurd, al heeft hij eenzelfde kuur die ik eerder ook al heb meegemaakt: hij zegt dat hij mijn HTML-omzetting niet accepteert, de
omzetting neem ik aan. Als ik echter de betreffende computermelding afsluit, blijkt er geen vuiltje meer aan de lucht te zijn. Juli wil me na afloop nog een drankje inschenken, maar ik laat hem liever doormodderen in zijn keuken. Een schoonmaak dient op zijn tijd te gebeuren, al is het maar voor de show.
Op de terugweg kom ik bij Playa Chica langs de kippenboer met dezelfde naam. Daar koop ik een hele geroosterde kip met “papas”. De helft eet ik vervolgens thuis met veel smaak op, met vel (lekker, zou Marij zeggen), samen met een portie van mijn zelf gemaakte grote kom ui/paprika/tomaat mengsel. Inderdaad, bijna had ik de andere halve kip met aardappeltjes ook soldaat gemaakt; ik heb me echt moeten inhouden.
Op de donderdag staan vanzelfsprekend de wijzen uit het oosten, de Palmese versie van sinterklaas, op het programma. In Nederland houden denk ik de “felices fiestas” wel op, als nieuwjaarsdag geweest is, maar hier gaat het nog rustig een aantal dagen door: er is ook nog “felices reyes”, gelukkige koningen! Hun glorieuze entree, ieder op een eigen boot, bij mij om de hoek, bij de Muelle, heb ik dit jaar aan me voorbij laten gaan. Een mens kan niet alles hebben, maar als bijv. Dalí & Lux hier geweest waren, waren we zeker gaan kijken. Wel sta ik al om 5 uur met hordes anderen in Parque Santa Catalina gereed om naar het illustere trio te gaan zwaaien, als ze voorbij zouden komen.
Zoals gangbaar is het eerst uitgebreid wachten geblazen, maar intussen komen wel de nodige karren met snoepgoed voorbij. Ik weet niet hoeveel klein grut en ook een enkele volwassene aan een rode “lotsj”, speen, “chupete” in het Spaans, zit te lurken in afwachting van de optocht. En eerlijk is eerlijk, het ongebreideld opbellen valt me op donderdagmiddag reusachtig mee.
Eindelijk komt de “cabalgata” er om even voor 6 aan en laat ik hier eens ruiterlijk toegeven dat ik geen bijzonder sociabele toeschouwer, aan-de-kant-staander ben. Keurig heb ik mijn plek op de tweede rij, maar vlak voordat de eerste praalwagen in zicht komt, is het ineens rij vijf. Dat allerlei kinderen voorkruipen, heeft mijn volle zegen, maar dat de voltallige bijbehorende families zich op de valreep ook pontificaal vóór mijn ogen posteren, vind ik ietsje minder geslaagd.
Los daarvan, ik kan het allemaal best goed zien, uitstekend zelfs, dus waar zanik ik over. De optocht bestaat deze keer uit vier delen: eerst een tiental bont gekleurde hoge bussen en vrachtwagens met cd-muziek en kinderen, dan tien minuten niks (op een enkele in rap tempo langs marcherende harmonie na), vervolgens achtereenvolgens Melchor, Gaspar & Baltasar (om het op zijn Spaans te zeggen) en dan nog weer eens een tiental praalwagens. Dat de koningen deze keer voor het eerst niet op dromedarissen zitten, “voor de veiligheid”, maar ieder voor zich op een houten podium van niks staan, een namaakkoets, “carruaje” in het Spaans, daarover heb ik jullie al onderhouden. Voor wie het wil horen: ook de kolonne Romeinen (“olé,olé, die Romeine zien oké”) is weer present, maar wat is er zoals steeds een schrijnend tekort aan “zate hermeniekes”. Het leukste tussen de koningen door vind ik deze keer een duo als kwal verklede mensen, helemaal in het wit met immense, witte parasols, waaraan tot op de grond allemaal witte linten hangen. Zo iets zou in de Maastrichtse optocht niet misstaan. En ik moet toch eens een cd zien te bemachtigen met de belangrijkste carnavalsliedjes van hier. Als de muziek vanaf de praalwagens omlaag dendert, zingt toutes Las Palmas dapper mee behalve ondergetekende die helaas van toeten noch blazen weet.
In totaal, van kop tot staart, is het in drie kwartier gebeurd, waarna wij met zijn allen zonder uitzondering in de richting van Las Canteras trekken. Als dat langs De Spar of Granier is in de Ripoche, kun je daar in de gauwigheid wel nog een “roscón” inslaan. Dat is een ronde cake met een gat in het midden, met crème of dergelijke erop gesmeerd, een typische versnapering van Driekoningen. Mensen van de winkels (ook bij de Superdino, zie ik later) staan ze midden op straat vóór hun winkel te verkopen.
Ik hoef jullie niet uit te leggen dat het op de boulevard echt poepiedruk is op de avond van 5 januari. Ik zie ook groepjes mensen op terrassen “surprises” aan elkaar uitdelen. Als ik eindelijk terug op het honk ben, is de meute in mijn straat heel druk met drank bezig.
Op donderdagavond al, maar ik zoek het pas op op de vrijdagmorgen, vraag ik mij af wat ook al weer een merel in het Spaans is. Ik kom er niet op. Trudie, Marcel en anderen, weten jullie het nog? Een mus is hier een “gorrión”, een duif een “paloma”, een meeuw een “gaviota”, een spreeuw een “estornino” en zelfs een kraai weet ik nog: een “corneja”, maar een merel? Mijn woordenboek brengt uitkomst: een merel is een “mirlo”, “mirlo común” (maar een mees is een “paro”). Dat moet toch te onthouden zijn. Aan de andere kant, in Maastricht stikt het van die merelvogeltjes, maar hier heb ik er in al die jaren nog geen kunnen ontdekken, wel overigens een ander minivogeltje dat ik niet kan benoemen.
Intussen heb ik royaal genoeg van het gekweel van Dorothy Lamour en mag ik op zoek naar een nieuwe cd. “Na ampel overwegen” kom ik uit bij Graham Nash. Die kennen jullie wellicht nog van de Hollies vroeger. Harry heeft me nog eens een mooi clipje laten zien van “Bus Stop” (“wet day, she’s there, I say: please share my umbrella”), maar dan een halve eeuw later. Als de Hollies van te lang geleden zijn, mogen jullie ook denken aan “Crosby, Stills, Nash & Young” of aftreksels daarvan (maar wel steeds met Crosby voorop). Graham Nash, voor mij blijft hij een 100% Engelsman en geen Amerikaan, laat daar geen misverstand over bestaan. Vorig jaar, in 2016, kwam zijn solo-cd “This Path Tonight” uit. Hier zijn de tien nummers:
01.This path tonight
02.Myself at last
03.Cracks in the city
04.Beneath the waves
05.Fire down below
06.Another broken heart
07.Target
08.Golden days
09.Back home
10.Encore
Het is best een aardige plaat, over de breedte. De oudjes doen het toch nog maar. Het titelnummer “This path tonight” mag er zijn en daarnaast geeft ik extra punten aan “Beneath the waves”, “Fire down below” en “Back home”. De hoofdprijs gaat op het album naar “Another broken heart”, dat m.i. de test met de beste Graham Nash-nummers van vroeger kan doorstaan.
Vrijdag 6 januari is echt een speeldag voor de kinderen, dus voor mij een complete rustdag. Een heleboel cafés en restaurants en echt alle winkels zijn dicht en zeker ‘s ochtends is er geen kip op straat te bekennen, of het moest iemand zijn die zijn krakkemikkige hondje langs een paar palmbomen laat schuifelen. Ook in de avonduren is het, zelfs op de boulevard, aanmerkelijk stiller dan de dagen ervoor.
Bij gebrek aan beter zet ik ook op Las Canteras maar eens een cd op, op mijn Infiniton walkman. Het wordt een dubbel-cd met Americana muziek van allerlei artiesten, onder de titel: “Americana, the best of new American music”. Is ze van 2000? Een aantal artiesten staat al uitgebreid op mijn computer, maar ik ontdek eerst op Las Canteras en later op mijn balkon, ook een paar mensen van wie ik nodig eens wat muziek in huis moet zien te krijgen in mei. Voor wie erin geïnteresseerd is, ik heb het over de Cash brothers, de Cowboy junkies en Julie Miller. En laat ik ook maar eens een cd gaan proberen van Rodney Crowell, die ik al ken van twee albums samen met Emmylou Harris, maar die op zijn Americana nummer een prima gitaarsolo in huis blijkt te hebben.
Eerder heb ik jullie lastig gevallen met de dubbel-cd “Pure Genius” uit 2002, ook een Americana-verzameling. Deze is van hetzelfde laken een pak. Ik heb er trouwens nog een paar, best mooi allemaal.
Op de zaterdag komt er gelukkig weer meer leven in de brouwerij. Ik vertelde jullie eerder over de man die aanhoudend op de bank voor mijn deur zit om te bellen, te sms’en en op internet van alles te bekijken, de levende geest van John Urquhart. Laat ik mezelf corrigeren: hij spreekt Spaans of het niks is; in een haast lege straat kan ik hem letterlijk horen keuvelen door zijn mobiel. Echter, als hij al vóór 10 uur op de bank plaatsneemt, moet hij helaas wel constateren dat de Cafetería Nuevo Murias dicht is. Carlos neemt het ervan en is kennelijk drie aaneen gesloten dagen dicht, totdat de kinderen weer in alle vroegte de Luis Morote onveilig komen maken, met de moeders op zijn terras. Mijn andere zaak beneden “De Francesco” is dan wel net opengegaan, maar die heeft geen internetaansluiting. En de terrassen van “Don Manué” en “Any way” gaan altijd pas om een uur of 12 open.
Om hem nog verder te pesten, passeert Tóbalo de onverlaat op de bank, met zijn hondje van niks aan de lijn. Het is een vrije dag voor hem, dus is hij niet in het zwart, maar heeft een groene polo aan met daaronder een korte groene broek. Tóbalo is een heel sociaal wezen en heeft een goed woordje over voor iedereen, ook mij op het balkon, maar hij doet net of hij de man op de bank niet ziet.
Om 11 uur wordt mijn rust bruut verstoord door een al te actieve grote groep die iets met volkszang heeft. De bubs is in de weer bij het beeld van Lolita Pluma, maar ik dien het tot op mijn balkon allemaal aan te moeten horen. Voor alle duidelijkheid, ik ben echt een fan van Engelse folk music – kijk bijv. maar eens hiervóór naar mijn Americana dubbel-cd's – maar dat is andere kost dan wat ik nu te verduren krijg. Deze muziek is, om het eens op zijn Huilands te zeggen, “niet helemaal mijn ding”.
Dus is het hoog tijd om maar eens onder de douche te gaan staan en – het is zaterdag – ook mijn haar te wassen.
Een mens dient zich op tijd van overtollig haar te ontdoen. In Maastricht heb ik in Trudie een compagnon die daar aardig op let en mij op zijn tijd rücksichtslos met een tondeuse lijf gaat, in stand 2, sinds kort met als uitzondering mijn kop bovenop, waarvoor stand 4 voldoende voor haar is. Echter, Trudie heb ik al ruim twee maanden niet gezien, wel uiteraard geregeld gemaild. Ze komt a.s. woensdag een week op bezoek, maar zonder mijn tondeuse. Dat krijg je, als je maar maximaal tien kilo bagage mag meenemen.
Dus dien ik deze keer zelf actie te ondernemen. Op de zaterdagavond spoed ik mij naar mijn allochtoon hier, die echt alles haar “snije” af weet. De kapper hoort mijn verzoek om mijn haar vooral “muy corto” te knippen aan, herhaalt mijn verzoek nog eens voor de zekerheid en gaat moet ik er echt aan geloven. In minder dan een kwartier tijd word ik omgetoverd tot iemand die nauwelijks meer haar op zijn kop heeft. Het is een nagenoeg kaal grasveld geworden. Ik ben er uiterst tevreden mee en kan nu denk ik weer vooruit tot ongeveer begin maart. Dan heb ik mijn tussenstop in Maastricht achter de rug, na een ouderwetse carnaval, en kan Trudie mijn bovenkant nog eens soigneren tot aan mei.
Ineens bedenk ik dat Trudie er a.s. woensdag al op bezoek komt voor een week vakantie hier. Dat wordt nog hommeles met mijn biljartbal. Zal ik haar op Santa Catalina met een petje op verwelkomen? Nee, ze moet het er maar voor doen.
Dan mag ik op de dag voordat ik mijn brief aan jullie verstuur, nog één keer van muziek wisselen (vind ik). Ik probeer de eerste cd van ABBA, uit een doos van negen stuks, zie verder Centre Ceramique, maar die valt mij een beetje tegen. Ik maak uiteraard een uiteraard voor het laatste nummer van de cd: “Ring ring” in het Zweeds (“bara tu slog en signal”, in het Engels: why don’t you give me a call?) uit 1973. Dat had m.i. in 1973 al een hit moeten zijn, voordat ABBA’s “Waterloo” het jaar erop het Eurovisie songfestival won. Anni-Frid en Agnetha, met daarachter Benny en Björn, dat was nog eens wat! Ik heb zelfs nog een cd waarop diverse nummers van ieder van hen apart staan, uit de periode van vlak vóór ABBA.
Laat ik, als verklaard fan van de Nederlandse muzikant Blaudzun, die nog maar eens van stal halen. Van hem - geconcipieerd in het jaar dat heel Europa “Ring ring” in zijn armen had moeten sluiten – heb ik intussen vijf cd’s. Alleen de meest recente van 2016 moet ik nog zien te bemachtigen. In 2008 kwam zijn allereerste uit, “Blaudzun” geheten, zo hoort het bij een eerst cd. Hier zijn je tien nummers:
01.Blindspot
02.California
03.Tidal wave
04.Black thread
05.Love lies bleeding
06.Higher ground
07.Resident
08.Revolver
(09.Uphill battle (20 seconden?)
10.Good boy
11.She’s a gentleman
Ik zoek ze er wel op uit, de cd’s die ik iedere keer weer in jullie winkelmandje wil deponeren. De eerste van Blaudzun is hier geen uitzondering op. De man heeft iets uitzonderlijks, hij blijft mij bezig houden met zijn rare tronie en ik hoop jullie ook. In mijn perceptie mag je nooit meer dan de helft van de nummers van een cd bovengemiddeld vinden. In dat geval kies ik op deze plaat voor “Blindspot”, “Tidal wave”, “Higher ground”, “Revolver” en “She’s a gentleman”. Dat Blaudzun nog lang mee moge gaan!
Op zondagmorgen luister ik naar Blaudzun, maat lees ook mijn laatste boek van Josephine Tey uit. Zie verder mijn recensie. Intussen draai ik ook nog een was en voorzie mijn bed van schone lakens (plus mijn kussen van een schone sloop, voor wie het naadje van de kous wil weten).
Dan vraag ik mij, nog voordat ik aan mijn lunch begin, af hoe het toch zit met plassen overdag en ‘s nachts. Overdag ga ik zeg om de twee uur naar de wc en als ik in bed lig van ‘s avonds laat tot ‘s morgens vroeg, een uurtje of negen zeker, is mij tussentijds een keer plassen normaliter genoeg. Er zullen ongetwijfeld ook andere factoren spelen, maar ik opper hier dat je veel eerder aandrang om te plassen krijgt, als je staat of loopt (zoals je dan ook eerder spataderen ontwikkelt, maar dat terzijde) vergeleken met als je zit en zeker met als je ligt. ‘s Nachts als ik echt horizontaal ben, duurt het veel langer voordat ik denk: ik moest er maar eens even uit om te gaan plassen. Als dat per se nodig is, kan ik zo oud als ik ben zelfs mijn plas de hele nacht ophouden, maar dan is het wel ‘s ochtends snel gaan en niet wachten. Overdag, bijv. bij het scheren of tanden poetsen of als ik met de afwas bezig ben, heb ik veel eerder aandrang; het heeft zelfs iets preventiefs.
Staat dat idee van lopen en staan dan wel zitten of liggen als belangrijke risicofactor voor plassen ook in de vakliteratuur? Is het simpelweg zo dat de klep die de onderkant van je urineblaas dichthoudt, je eerder waarschuwt dat je moet plassen, als je rechtop staat of loopt? Wie kijkt het eens voor me na? Interessant!
Gisteravond, op de zondag, ben ik op tijd op Las Canteras om weer eens de bocht te maken voorbij La Oliva en dergelijke in La Puntilla. Je passeert dan visrestaurant Amigo Camilo en komt uit op een stukje boulevard, waar haast geen toeristen komen. Er zijn de nodige banken, waar ik mijn moede lijf te ruste kan leggen of vaart kan maken in mijn leesboek. Ook zijn er drie terrassen achter elkaar, eerst NYC Taxi (nieuw, het was vroeger vlakbij Las Arenes), dan Clipper (met bootje als logo) en tenslotte Los Piratas De Canarias. Vroeger was het daar op de vroege zondagavond te doen, levende muziek. Blijkt dat men er weer opnieuw iets van wil maken. Vóór Clipper treedt nu een duo op, een gitarist en een zingende drummer, en er staan meer dan honderd mensen te luisteren, sommige zelfs mee te dansen. Aardig allemaal, ik ga zeker nog eens terug.
Op de terugweg naar de bewoonde wereld kom ik de nodige kleine kinderen tegen die hun Driekoningenkado aan het showen zijn. Ik zie nieuwe kinderfietsjes, diverse soorten autopedden (autopetten?), skateboards (helaas), rolschaatsen enz.
En dan geef ik er nu de brui aan. Vanaf vanochtend gaat het leven weer zijn normale gangetje. Om kwart over 6 word ik (heel eventes maar) wakker gemaakt door Carlos die de luiken van zijn Cafetería omhoog trekt en om 8 uur zie ik de eerste kinderen beneden spelen. Over een half uur begint de katholieke basisschool bij mij naast weer met zijn les.
A.s. woensdag komt Trudie en vanaf dan is het een beetje behelpen met deze brieven. Vooralsnog ga ik er van uit dat jullie nu vrijdag de 13de alweer een volgende tegemoet kunnen zien en daarna op donderdag de 19de, als Trudie weer terug naar Nederland is. Intussen: vergeten jullie niet om je dagelijkse vochtverlies bijtijds te compenseren? Als ik Lluis mag geloven, dienen volwassen mannen dagelijks 2½ en vrouwen 2 liter water of dergelijke tot zich te nemen. Ik haal dat denk ik niet, maar van dehydratie heb ik wonderwel vooralsnog geen last. Tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Tot de evergreens onder de schrijvers van detectiveboeken van weleer reken ik de Engelse Ruth Rendell. Ik heb haar hier al enkele keren in het zonnetje gezet. Wisten jullie dat ze ook onder het pseudoniem Barbara Vine boeken op haar naam heeft staan? Deze week heb ik een boek van haar ter bespreking dat ze onder die schuilnaam schreef: “A Dark-Adapted Eye” uit 1986. Zo lag geleden is dat trouwens geeneens. Ze won er het jaar daarop een “Edgar” mee, als beste moordboek-auteur van het jaar in de Verenigde Staten. Het boek is zo Engels, niet Amerikaans als het maar zijn kan. Het speelt op het Engelse platteland en een beetje in Londen, vooral in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog.
Het verhaal wordt verteld door Faith, de dochter van John en Vranni Longley. Haar tantes, waar ze heel veel mee optrekt, heten Helen (eigenlijk een halftante), Vera en Eden. Daar horen weer kinderen bij, zoals Andrew en Patricia bij Helen en bij Vera is het Francis en veel later Jamie. Of hoort Jamie bij Eden, die later een miskraam heeft gehad en sindsdien geen kinderen meer kan krijgen? Twee belangrijke andere punten: (1) Vera met al haar snobisme en vooroordelen krijgt haar tweede kind pas na 10½ maand zwangerschap, (2) Er zit maar liefst vijftien jaar in leeftijd tussen Vera en Eden. Die Eden is op haar beurt maar zes jaar ouder dan Faith, voor wie Eden eerder als een nicht is dan een tante. Kunnen jullie het nog allemaal volgen? Een stamboom voorin het boek, met een tijdsaanduiding, had niet misstaan.
Hoewel het pas op het einde van het boek echt aandacht krijgt, gaat het boek primair over Vera, die haar zus Eden vermoordt. Schrijver Daniel Stewart wil daar veel later, in het heden, een boek over schrijven en vraagt om informatie aan de diverse personen in het boek. De onderliggende affaire wordt op de spits gedreven op oudejaarsavond 1948, als Vera ziek wordt en de dan aanwezige huisvriend Chad Hammer Vera’s zus Eden inschakelt om het kind tijdelijk onder haar hoede te nemen. De dagen, maanden, zelfs jaren daarna is Jamie dan weer bij Eden, die daarvoor met een rijke man getrouwd is, en dan weer bij de veel oudere Vera. Als Jamie vijf is en Vera 42, wil Eden definitief beslag leggen op het kind, tot grote afschuw van Vera. Dan loopt het uit de klauwen.
Ik kon in het begin, eerlijk gezegd, nauwelijks een touw aan vastknopen aan het verhaal, maar het is Ruth Rendell, dus zal het wel op zijn pootjes terecht komen. En dan pakt het boek me ineens, zoals een meesterlijke thriller je kan pakken. De titel “A dark-adapted eye” blijf ik raar vinden, ook na lezing, maar er ontrolt zich een conflict dat echt spannend blijft, met de twee slachtoffers: Eden aan het mes geregen door zus Vera en dezelfde Vera vervolgens als moordenares aan de galg. Daarmee scoort schrijfster Ruth Rendell een vracht aan recensiepunten. Plus vind ik tussendoor de diverse schetsen van de natuur echt uit de kunst. (Zo kom ik bijv. te weten dat een “budgerigar” een grasparkiet is, terzijde, in het Spaans is het een ”periquito”.) Om het niet te gek te maken laat ik mijn recensiecijfer stoppen bij een 8½. “A dark-adapted eye” is voor mij een heel, heel goed boek, of in de woorden van de Punch-recensent: “Brilliant...Long may this Vine flourish”. Ik ga zeker nog weer andere boeken van Ruth Rendell aan mijn verzameling toevoegen.
Mijn vorige boek viel haast van ellende uit elkaar, zeker toen ik het bijna uit had. Het was van 1986, dus wat zal er niet gebeuren als ik in een nog veel eerder exemplaar zit te lezen? Ik had het al aangekondigd en hier is ze weer: Josephine Tey met het allerlaatste boek dat ik van haar heb: “The Singing Sands”, oorspronkelijk uit 1952. Het speelt in Londen en in de Highlands, zelfs even op de Hebriden.
Inspecteur Alan Grant van Scotland Yard is met ziekteverlof. Zijn dokter heeft hem bevolen om eens een paar weken rust te nemen. Hij zou last hebben van paniekaanvallen, fobieën, zoals zich opgesloten voelen in kleine ruimtes. Met de trein gaat hij naar Scoone in Schotland om daar te gaan vissen. Hij kan in de buurt logeren bij zijn neef Tommy en echtgenote Laura (Lalla), met hun kinderen Pat en Bridget. Bij het uitstappen uit de trein ziet Grant iemand dood in de trein liggen. Hij helpt zelfs nog even een handje en neemt dan per ongeluk een krant van de overledene mee. Op de zijkant daarvan vindt hij een onvoltooid gedichtje, dat hem ertoe brengt om het vissen waarvoor hij gekomen was, even later te staken. Op een van de Hebriden, Cladda om precies te zijn, gaat hij een kijkje nemen, bij “the singing sands” aldaar, zoals in het gedicht staat.
Dan ontmoet hij, als reactie op een annonce van hem over het gedichtje in de kranten, ene Tad Cullen. Die is vliegenier en vertelt hem over zijn vriend, ook vliegenier, Bill Kendrick, die hij in Parijs zou ontmoeten, maar die wonderwel zoek is. Grant en Cullen gaan samen terug naar Londen, op zoek naar Bill, al dan niet nog in leven. Die zou in een dronken bui aan Cullen hebben verteld over het gedicht in verband met een verloren gegaan “atlantis” in Arabië: Wabar. Dat zag hij bij toeval een keer in een zandvlakte onder hem opdoemen, toen hij over Arabië vloog en uit koers raakte. Alan Grant en Tad Cullen nemen nu contact op met in Engeland aanwezige Arabië-kenners zoals Lloyd en Kinsey-Hewitt. Zit in die hoek de oplossing van het raadsel betreffende Bill Kendrick en het Arabische atlantis?
Wat kan, of liever gezegd kon die Josephine Tey prachtig schrijven en wat wist ze het weer allemaal taalvaardig te verwoorden. Ik zie zelfs in “The singing sands” het begin van haar zinnen met “presently” weer terugkeren. Haar manier van de lezer bespelen is, zoals gebruikelijk, uniek, om eens de recensent van de New York Times te citeren. Ik ben blij dat ik het nogal beperkte oeuvre compleet heb. “The singing sands” van Josephine Tey gaat terug mee naar Maastricht met alweer een 8½ als recensiecijfer. Deze week is het echt prijs met mijn beoordelingen.
woensdag 4 januari 2017
Weblogbrief 12.11, 4 januari 2017
Weblogbrief 12.11, 4 januari 2016, sorry 2017
Queridos amigos y familia, hier is mijn eerste brief van 2017. Ik had me voorgenomen om deze brief met “God Jul” willen beginnen, tot ik ineens dacht: dat is Scandinavisch voor “gelukkige kerstmis” en niet voor “gelukkig nieuwjaar”.
Zijn jullie de afgelopen feestdagen goed doorgekomen, niks gebroken, zelfs niet één keer op je snufferd gegaan? Zijn er nog “kaffees” gefrequenteerd? Is er zelfs nog ergens champagne doorheen gegaan? Of is het de afgelopen dagen en eergisteren bij het aloude ambtenarencarnaval bij wijn en pils, eventueel zelfs gemeentepils gebleven? Hoe dan ook, we staan weer met beide benen op de grond.
Laat ik de zaak niet door elkaar haspelen en deze brief bij het begin van de weblogweek beginnen. Een zootje ervan maken is niet mijn stijl. Afgelopen woensdag had ik vanaf Santa Catalina best een volle bus 12 naar de faculteit in het zuiden van de stad. Had ik wel het geluk dat er net een plekje achter de chauffeur vrij kwam, waar ik met mijn hebben en houwen kon zitten.
Ik ben ik altijd weer blij dat we hier op veel plekken een busbaan hebben aan de stoepkant: BUS, TAXI SOLO. Dat schiet wel op. Echter, dan moet er natuurlijk geen auto zijn die de busbaan wil versperren. Al bij Mesa Y Lopez - ik kon het prima zien - kwam zo’n lullig volkswagenbusje van een visfirma naast ons rijden om daarna vlak voor ons half op de busbaan te gaan bivakkeren. Vervolgens zat niet alleen de gewone baan van de auto’s dicht, maar ook kon mijn bus 12 niet meer vooruit. De buschauffeur en ik keken allebei naar een busbaan voor ons die helemaal leeg was, maar vooruit rijden was er niet bij.
Toeteren en nog eens toeteren helpt alleen, als in zon busje iemand zit die er het beste van wil maken. Deze onverlaat - van visbedrijf 5OCEANOS, dat is nog eens een wereldfirma, vond dat de hele bus maar moest wachten totdat hij weer een beetje vaart kon maken. Hierbij boor ik hem compleet en definitief de grond in! Mochten jullie ooit nog grote garnalen willen eten, “langostinos”, best lekker met een stukje brood, koop ze dan alsjeblieft niet bij de firma Langostinos Austral.
De diverse percelen van de gezondheidsfaculteit waren nagenoeg uitgestorven, maar ik kon wel probleemloos terecht op mijn kamer aan de zuidkant op de verder haast lege tweede etage. Ik heb van daaruit op mijn gemak mijn vorige brief aan jullie verstuurd, mijn eerste tien weblogbrieven gekopieerd – hoef ik dat in Maastricht niet te doen - en zelfs heb ik nog een aantal stukken over hydratie (of is het hydratatie?) aan de printer gehangen. Blijft het punt dat ik nog steeds niet een of enkele overzichtsartikelen heb over het onderwerp: genoeg water drinken. Daar zal ik Adriana of Lluis later zeker nog om gaan vragen. Het symposium over “hydración” is op 19 en 20 januari en ik heb me maar eens als deelnemer aangemeld.
Harry had op zijn site een paar mooie clips voor me in de aanbieding. Die van Natalie Imbruglia van haar hit “Torn” had best mijn zegen, maar de clip van Marie Adams plus het duo XL, die drie zangeressen van The Johnny Otis Show, maakten het nummer “Ma, he’s s making eyes at me” (uit 1957) tot de plaat van de dag. “The Three Tons Of Joy”, ik kan het You Tube filmpje niet vaak genoeg draaien, serieus. Zelfs Harry’s artikel over het belachelijk maken van jazz door de establishment voor de Tweede Wereldoorlog en het in dat kader zwaar discrimineren van zwarten, zoals Surinamers in Amsterdam, kon voor mij niet op tegen het geweld van Marie Adams en consorten. Terzijde, ook op “Telephone baby” en “Bye bye baby” spelen de drie dikzakken hun partijtje, zeker Marie Adams weer. Echter, op “Ma, he’s making eyes at me” is hun aanwezigheid zo prominent dat Johnny Otis zelf met een bijrolletje genoegen moet nemen.
‘s Avonds zou ik met een aantal mensen uit gaan eten, vegetarisch nog wel, maar om mij duistere reden ging het ineens niet door. Kon ik wel alvast een begin maken met deze elfde brief. Zie hiervoor.
Op de donderdagmorgen mag ik mijn eerste muziekkeuze aan jullie voorleggen. Een van de pioniers van de blues in Amerika is Robert Johnson. De zwarte man is niet oud geworden en dat komt mede omdat hij steeds gekker ging doen en uiteindelijk moest worden opgesloten. Hij is maar 27 jaar oud geworden, hij leefde van 1911-1938: de man van “Me and the devil blues”. Om hem te eren heeft de blanke Engelsman Eric Clapton, uit 1945, volgens sommige mensen de beste gitarist van dit moment, veel later “Sessions for Robert J” opgenomen. Hij was toen 59 jaar oud (en de eerdere bluesvirtuoos al 66 jaar dood).
Uiteraard staan alle nummers op de cd ook allemaal op de dubbel-cd “The complete recordings” van Robert Johnson. Om erin te komen begin ik met één keer Robert Johnson en dan komt het elftal van Eric Clapton:
00.Me and the devil blues (Robert Johnson)
01.Sweer home Chicago
02.Milkcow’s calf blues
03.Terraplane blues
04.If I had the possession over judgement day
05.Stop breaking down blues
06.Little queen of spades
07.Traveling riverside blues
08.Me and the devil blues
09.From four until late
10.Kindhearted woman blues
11.Ramblin’ on my mind
Een vergelijking tussen Robert Johnson en Eric Clapton gaat mank om diverse redenen, o.a. omdat er veel meer dan een halve eeuw tussen de twee platen zit. In de tijd van Robert Johnson bestond de elektrische gitaar niet eens. Ook vind ik die van Eric Clapton niet het soort cd, waarbij ik bij sommige nummers vrolijker wordt dan bij andere. Ik ben wel van mening dat Eric Clapton een heel aardige cd bij elkaar heeft gefietst. Het is echt een ode aan Robert Johnson geworden.
Dan belt Noé me dat er vanavond samen gegeten gaat worden in een Mexicaans restaurant, genaamd La Picantina. Het zou liggen in de Secretario Artiles (nummertje 40) vlakbij mijn huis. Zo’n kans om mijn Canarische vriend weer eens te zien laat ik niet lopen.
Dan lees ik donderdagavond in de regionale krant Canarias7 dat de drie koningen het in de Driekoningenoptocht op 5 januari zonder kamelen (of liever gezegd dromedarissen) moeten doen. Het worden dit jaar drie “carruajes”, koetsen. Vorig jaar schijnt Melchior haast van zijn rijdier (“cabalgadura”) te zijn gemieterd en dan worden de mensen die over onze veiligheid regeren, overactief. “Por razones de seguridad” dienen “Los Reyes Magos De Oriente” vanaf nu genoegen te nemen met deze m.i. minder geslaagde variant. Laat ik het voor één keertje aankijken en zien wat ervan komt.
Er wordt sinds kort erg getrokken aan Quique Setién. Dat is de trainer van UD Las Palmas, de club die zich voor het tweede jaar nu netjes in de eredivisie hier weet te handhaven. Dus zie je het bestuur van andere eredivisionisten, die wel weer eens aan een andere trainer toe zijn, denken: die Setién, is die niks voor ons. (En voor de duidelijkheid: Quique is gewoon de verkorting van Enrique, denk aan Enrique Iglesias.)
Carnaval begint hier op 10 februari, lees ik op de computer, met de Pregón op Santa Ana. Voor mij interessante avonden op Santa Catalina zijn de verkiezing van de Gran Dama op de 12de en de murga-voorrondes op 13, 14 en 15 februari. Op de avond van de murga-finale zit ik in het vliegtuig naar Eindhoven, want dan wacht Maastricht. Als ik twee weken later weer terugkom naar hier, kan ik ‘s avonds wel nog de Gran Cabalgata, “de groete carnavalsoptoch”, meemaken. Daar kijk ik echt naar uit; Vorig jaar verregende hij een beetje, maar echt weer wat anders was het wel. De avond erop, ‘s avonds op 5 maart, is de afsluitende “entierro de la sardina”, het ten grave dragen van de sardine, in zee bij Las Canteras.
Dan is het donderdagavond half 9 en blijk ik enige moeite te hebben met het vinden van restaurant La Picantina, met haar “cocina casera Mexicana”. Dus bel ik Noé op mijn mobieltje, die is er al en weet me te “verdutse” dat ik op nummertje 42 sta en even verderop moet zijn, in het volgende stukje van de Secretario Artiles. Ons gezelschap in een verder uitverkochte zaak bestaat uit zeven personen: Noé, David, Juli, Eduardo, Rafaela, Silvia en ondergetekende. Lorena is er niet; die ligt al twee dagen in het Dr Negrinziekenhuis, omdat er iets mis is met haat buik; daar zou vocht in zitten, dat er intussen uitgehaald is. Ik vraag Noé, als hij haar morgen nog eens gaat opzoeken vóór zijn terugreis naar Tenerife, om haar namens mij de “compleminte” over te brengen. Misschien mag Lorena in het weekend alweer naar huis.
Zoals dat hoort, beginnen we in La Picantina met drankjes. Op verzoek van Juli en Eduardo kies ik voor een “michelada” met daarbij donker bier, Negro Modelo. Het “michelada” zit ‘m in het mengsel dat bij het bier geserveerd is: ijs, citroen, tabasco, “angostura” (?) en een weinig zout. In het drankje blijk ik me prima te kunnen vinden.
Het eten beginnen we met enkele gezamenlijke schotels, te beginnen met guacamole met nachos (chips). In de groene guacamole-prut zit o.a. avocado, tomaat, ui, Spaanse peper en koriander. Er wordt ook een heet sausje bij geserveerd, dat heb ik aan me voorbij laten gaan. Dan komen er kiptaco’s en vleestaco’s in een groen sausje op tafel met sla en kaas. Mijn hoofdgerecht van de avond, voor mij uitgekozen door Noé, is “cochinita pibil”, licht gebakken varkensvlees in chilisaus, met citroensap, “achiote” (?) en “chiles guajillos” (?). Ik krijg er rijst en flinterdunne tortilla’s bij geserveerd. Als Juli rechts van mij na het eten aan de mescal begint, haak ik af. Iets later op de avond bestellen we wel nog een grote kan margarita. Die is hier te krijgen met citroen, aardbeiensap en manga (kleine mango). Het wordt de mangovariant, maar persoonlijk vind ik die aan de te zoete kant. (Rafaela tegenover mij zat eerder aan de citroenvariant en die zag er een stuk adequater uit.)
Om even over 11 gaan de hele club richting Farray, maar zoek ik mijn bed op, vlakbij op een steenworp van de Mexicaanse zaak.
De vrijdag is een briefloze dag. Vooruit, een aardigheidje heb ik toch voor jullie. Of het zo moet zijn, ben ik ‘s avonds op plaza Farray vlak voordat daar een muziekoptreden begint. Alle tafeltjes op alle terrassen zijn bezet en ook staan er al de nodige mensen te wachten tot “het” begint. Dat “het” is een viertal muzikanten: drum, basgitaar, elektrische piano en sologitaar. Het laatstgenoemde instrument behoort toe aan een oudere man met wit haar en een paardenstaart die ik al van eerdere optredens vóór La Guarida vroeger op Las Canteras ken. Ik vermoed dat hij oorspronkelijk uit de Verenigde Starten komt, maar hij heeft zich intussen het Spaans redelijk eigen gemaakt, dat wel. Eerlijk gezegd is hij mij ietsje de uitbundig op zijn gitaar; meer eenvoud zou hem sieren.
Dus besluit ik maar één nummer “mee te nemen” en dan weer te vertrekken. Begint de groep met een nummer van de Golden Earring aan te kondigen: “Radar love”. Het duurt heel lang, met twee gitaarsolo’s, maar ik kijk het helemaal uit. Ik ben niet echt een fan van de Golden Earring, maar toch bekruipt me ook enige trots dat ik “holandés” ben.
Op oudejaarsdag (Nochevieja) ga ik jullie in alle vroegte lastig vallen met een nieuwe artiest. Het wordt deze keer Ryan Adams, geboren in 1974 in Jacksonville, North Carolina (aan de Atlantische oceaan). Wat vervelend dat hij vandaag de dag zo geplaagd wordt door de ziekte van Menière en oorsuizen (zegt de Wikipedia). Ik hoorde voor het eerst over Ryan Adams op een verzamelplaat van Americana-muziek. Hij had toen als 26-jarige net zijn eerste soloplaat uitgebracht met daarop het prachtnummer “Oh my sweet Carolina”. Daarna heb ik nog eens zo’n 10 cd’s van hem, al dan niet begeleid door The Cardinals, bij elkaar gescharreld.
Voordat hij in 2000 aan zijn solocarrière begon, was hij al de motor van een popgroep uit Raleigh, genaamd Whiskeytown. Een nummer van die groep staat op dezelfde Americana-dubbelcd, maar om de een of andere reden ben ik nooit achter de groep aangegaan. Ik weet haast zeker dat het Peter was die mij een paar jaren terug opnieuw op de groep attent maakte. Van Whiskeytown heb ik intussen alle drie de originele cd’s uit de periode 1995-2001. Er zijn ook nog eens drie cd’s die nooit echt uitgebracht en die ik dus niet heb. Enne… Whiskeytown maakte destijds heel aparte muziek. Het lijkt me ondoenlijk om de nummers van alle drie cd’s te gaan opnoemen, dus beperk ik me hier tot de laatste van de drie, “Pneumonia”, uitgebracht in 2001. Daarop staat ook het nummer van Whiskeytown dat ik eerder enigszins over het hoofd heb gezien. Hier zijn de veertien liedjes op de plaat:
01.The ballad of Carol Lynn
02.Don’t wanna know why (dat is ‘m)
03.Jacksonville skyline
04.Reasons to lie
05.Don’t be sad
06.Sit & listen to the rain
07.Under your breath
08.Mirror, mirror
09.Paper moon
10.What the devil wanted
11.Crazy about you
12.My hometown
13.Easy hearts
14.Bar lights
Ik zit er deze keer bepaald niet naast: Whiskeytown is best een goede popgroep. Op de cd gaat mijn voorkeur uit naar de eerste twee nummers, zeker ook “The ballad of Carol Lynn”, maar verder op staat ook best zeer aangename muziek. Ik noem hier speciaal “Sit & listen to the rain”, “Crazy about you”, “My hometown” plus de eerste drie minuten van Bar Lights” (daarna is het met het “Bar lights” nummer behelpen). En inderdaad, een nummer als “Don’t wanna know why” is bovenmaats, ook naar mijn onbescheiden mening.
Als ik aan het begin van oudejaarsavond loop, heb ik al in mijn straat geconstateerd dat veel horeca intussen dicht is. Dat is ook op Las Canteras het geval, maar in de spaarzame zaken die wel open zijn, is het best druk. De Hiperdino, sorry Superdino, bij Ferreras is open tot 8 uur. Op mijn bank ben ik (nagenoeg) de enige en kijk aan tegen wat vroeger een Zweedse cafetería was, maar nu in bar restaurant Puerto Canario is omgetoverd. Het ziet er binnen donker en verlaten uit, Het logo van de nieuwe nering is een zeilschip. Herken ik daarin een van de drie schepen van Christoffel Columbus (Tóbalo Colon) op zijn tocht in 1492 naar de indianen? Quizvraagje; hoe heetten die drie schepen en op welk van de drie had Columbus zelf zijn bed staan?
Veel volk komt er ook niet langs op de boulevard. Met begerige blik kijk ik naar een duo joggers, lopers of hoe zal ik ze noemen. Ze hebben ‘s middags meegedaan aan de vijftiende San Silvestre loop hier en daar een aimabel geel T-shirt aan overgehouden. Naar zo eentje – in mijn maat – ben ik op zoek voor de carnaval, maar ik kan het maar moeilijk vinden. Het zou prima passen bij mijn gele jas die ik “met die daog” doorgaans aan heb.
Op de bank speel ik de hele cd “Highway companion” van Tom Petty helemaal af. Hij is uit 2006 en blijft mooi! Dan besluit ik om “op mijn schreden”terug te keren naar mijn etage in de Luis Morote. Daar wacht mijn boek en bovendien een mondvoorraad versnaperingen (zoals Bandido bier van Tropical: bier met een tequila scheutje). Nadat ik Trudie en Eva’s club gemaild heb - om 11 uur hier, dan is het 12 uur in Nederland – denk ik er serieus over om maar mijn bed op te zoeken. Echter, het aantal zevenklappers neemt in de richting van 12 uur hier zienderogen (om precies te zijn: horensoren) toe. Vóór kwart over 12 lokale tijd komt er van slapen weinig terecht.
Om 6 uur word ik wakker van het uitgebreide rumoer voor de deur van wat nu “Way Out” heet aan de overkant. Een hele bups mensen staat voor de deur en zit op de bank met drank en sigaretten. Dat moet m.i. zo maar kunnen, als het maar niet iedere nacht gebeurt. Gelukkig ben ik even later alweer in dromenland.
Als ik op nieuwjaarsdag op mijn balkon zit, in afwachting van mijn koffie die doorloopt, mag ik mijn nagels wel weer eens knippen. Deze week zal ook mijn haar er weer eens aan moeten geloven. Dan, als al mijn teennagels gedaan zijn, vind ik het tijd om mezelf weer eens te wegen. Voordat ik op de weegschaal ga staan, doe ik wel eerst mijn horloge af. Alle beetjes helpen en een mens dient ook op de kleintjes te letten. Ik blijk precies 100 kilo te wegen, schoon aan de haak, zoals dat heet. Valt julie dat mee of tegen? Ik moet het er maar voor doen.
Zo leeg als de boulevard op oudejaarsavond was, zo druk het is nu op nieuwjaarsdag. Het lijkt wel de Grote Staat op zaterdagmiddag of voor de bovenmoerdijkers de Amsterdamse Kalverstraat. Naarstig op zoek naar leuke opschriften op truien of borden komt een man me tegemoet die een nieuwe variant van “Just do it” op zijn trui heeft staan: “Just dunk it”. Een paar weken terug had ik al eens “Just do it tomorrow” gespot, maar wat deze variant voorstelt? Dunken is een basketbalterm voor scoren door hoog opspringend de bal van bovenaf in het netje te deponeren. Echter, is er misschien ook een uitdrukking “Just dunk it”? Dat ga ik nog eens navragen aan een “native speaker”.
Op de hoek van de calle Ferreras en de straat van de Superdino is een winkel waar je voor van alles terecht kunt, van blikjes drank en ijs kopen tot fotokopieën maken. Op de reclame voor de winkel zijn ook “chuches” vermeld; is dat Spaans voor snoepgoed? (Volgens mij heb ik dat al eens aan jullie voorgelegd, maar wat is er tegen twee keer “chuches”? Niks toch?)
Het is me wat, dat op elkaar vitten en in elkaars haren zitten van Poetin en Obama. Ik lees dat Hillary Clinton best wel het presidentschap van Donald Trump had kunnen winnen, maar dat er wel een anti-Hillary machine op volle toeren draaide in het afgelopen half jaar. Daarvoor verantwoordelijk acht Obama, als ik mijn regionale krant mag geloven, in de eerste plaats “Moskou”, lees Vladimir Poetin. Diens mensen zouden met een aantal “ciberataques” (hack-aanvallen op het internet) Hillary in een kwaad daglicht hebben gesteld, waardoor zij in een aantal staten op het nippertje verloor van oom Donald. Als represaille zijn er nu, vlak voordat Donald Trump het roer van Barck Obama overneemt, enkele tientallen Russische diplomaten uit de Verenigde Staten uitgewezen. Poetin, nooit te beroerd om zich dan ook te laten gelden, zint op wraak en vergelding.
Ik heb op mijn computer een groot Spaans-Nederlands en Nederlands-Spaans woordenboek staan, waar ik geregeld gebruik van maak. Daarnaast beschik ik over bijv. een kleine “diccionario argot español” (argot staat voor spreektaal). Ik kom intussen echt ene na het andere woord tegen dat ik nog niet echt ken of liever dat nog een andere dan de gangbare betekenis heeft. Ik volsta hier met een aantal voorbeelden. Een “bisabuelo” is niet alleen een overgrootvader, maar staat ook voor een soldaat die nog geen drie maanden in militaire dienst is. Voor masturberen vind ik een hele rits straattaal, o.a. “hacerse una paja” (“paja”is stro, ook een rietje), maar wat is “hacerse una paja mental”? Dat staat voor zich suf piekeren. Een “suecra” is voor mij het Spaanse woord voor schoonmoeder, maar ik hoorde ooit op Spaanse les dat ook een grote, ronde cactus zo genoemd wordt. Zegt mijn woordenboek, waarin ik het nog eens nakijk, dat het ook het kapje van het brood is. Nog eentje? Een “turca” is uiteraard een vrouw uit Turkije, maar het is ook een zatte vrouw, een “borrachera”. Als ik vervolgens bij “borrachera” kijk, zie ik wel dertig synoniemen, waaronder inderdaad ook “turca”. Er staat ook “zorra” bij, dat is normaliter een wijfjesvos.
Wat me zowel op maandag als op dinsdag opvalt, is hoe stil het nog is in de vroege ochtend. Ik ben het doordeweekse gekwetter van schoolkinderen gewend, als ik om 8 uur of even erna vanaf mijn balkon omlaag kijk. De jongens zijn dan tegenwoordig meestal aan het verstoppertje spelen of voetballen (met een klein balletje) en de meisjes hangen bij elkaar en vertellen elkaar de laatste roddels of ze drommen rond een wit hondje, dat iedere ochtend met een van de schoolkinderen en haar moeder meekomt. Het aanhoudend gekeuvel en geschreeuw gaat aan een stuk door tot even voor half 9, als de jeugd de school betreedt en heel wat moeders – die zijn het die de kinderen meestal naar school brengen – het er bij Carlos daarna op het terras nog even van nemen.
Echter niks van dat alles zie ik, nu de school deze week nog dicht is. Het is om 8 uur en later nog uitgestorven. De loop in de straat komt pas om een uur of 9, half 10 op gang.
Daar staat tegenover dat het tegen de avond, net als op nieuwjaarsdag, wel lijkt of de Driekoningenoptocht eraan te komen staat. Het is op straat heel druk en levendig, niet alleen in de Luis Morote, maar ook bij El Corte Inglés bijv., als ik daar op maandagavond ben voor een paar boodschappen. Met name mijn Wasa knåckebrød is nagenoeg op en dat heb ik graag permanent in huis. Het is bij de twee winkels van de Spaanse Bijenkorf echt een komen en gaan van mensen, met tassen gevuld met echt van alles. Vanwege de vrije dagen? Omdat het al “rebajas” (sale) zou zijn?
Op de muziekafdeling zie ik van alles liggen waar ik niet de minste belangstelling voor heb. Er zijn ook al bakken met zwaar afgeprijsde cd’s, maar daar ligt niks van mijn gading bij, wat ik niet al heb. In de Corte Inglés top 10 zie ik negen keer iets Spaans, met op 1 nu Melendi. Dan wordt mijn oog getrokken door nummertje laatst, nummertje 10, de nieuwe van de Rolling Stones. Hij heet “Blue and lonesome”, met twaalf nieuwe nummers. Waarom zou ik er 17 euro voor betalen, als ik hem op de bibliotheek of via een van jullie (bijna) voor niks kan krijgen? Ik wacht dus even af. Andere cd’s die ik ook en in één moeite door wil confisceren, zijn uiteraard “Bob Dylan’s “The cutting edge” uit 1965-1966 - Bootleg 12 en ook Neil Young’s “Pecce trail”. Vooruit, ik doe er Leonard Cohen’s “You want it dark” nog bij, omdat Mart Smeets dat zo’n bijzondere plaat lijkt te vinden (zag ik in oktober op tv). De man kan absoluut niet meer zingen, als hij dat vroeger al wel kon, maar een fenomeen blijft hij als 80 plusser.
Daarmee beslis ik om deze brief als af te beschouwen. Het lijkt me zo wel mooi geweest, vóór en na de jaarwisseling. Ik heb eerder aan Juli gevraagd of ik hem (de brief dan) bij hem thuis kon versturen, omdat ik op mijn flat geen internet heb en ik in de bibliotheken geen memory stick kan aansluiten. Hij verwees me dinsadgmiddag naar de woensdag, om ongeveer 12 uur (high noon). Vanaf dan is mijn elfde weblogbrief veilig in Nederland geland. De volgende die ik weer gewoon vanaf de universiteit kan posten, komt a.s maandag 9 januari al weer, op Eva’s veertigste verjaardag. Daarvóór moet ik vooral niet vergeten om op Driekoningendag zelf Anoek te feliciteren met haar vijfde verjaardag. De kinderen worden groot en ik oud, maar me oud voelen, is er nog niet bij.
Een en ander overziend ben ik intussen blij dat het leven weer zijn normale gangetje aan het gaan is. Hier hebben we a.s. donderdag en vrijdag wel nog de Drie Wijzen Uit Het Oosten te verduren, de Palmese variant van Sinterklaas en Zwarte Piet, nog even...
Over 3½ week maken de Tempeleers al weer bekend wie de nieuwe prins carnaval van “Groet Mestreech” geworden is en eerder nog, over een week al, stapt Trudie hier uit de bus op Santa Catalina om mij een week lang van mijn lees- en schrijfwerk te houden. Het heeft even geduurd, maar de tijd van het rperen in grote pannen zuurvlees en goulash alsmede het aroma van enkele mega-gehaktballen komt eraan. Maak eens wat geld over naar een goed doel, is mijn advies aan jullie, en haal de slee maar van de zolder, want binnenkort wordt het in Maastricht een witte bedoeling, hoop ik. Hier banjer ik overdag nog steeds rond in een korte broek en loop ik ‘s avonds mijn rondjes. “Que te vaya bien”, het ga je goed, voeg ik ieder van jullie toe, en tot ziens op 9 januari, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Al een aantal jaren was ik op zoek naar het enige boek van Dennis Lehane dat ik nog niet gelezen had: “Coronado”, een verzameling korte verhalen. (En vooruit, “World gone by” uit 2015 moet ik ook nog zien te bemachtigen, maar zal zal niet lang op zich laten wachten.) Voor alle eerdere boeken van de auteur maak ik een diepe buiging, Afgelopen nazomer zag ik “Coronado” ineens tweedehands liggen bij The English Bookshop in Amsterdam. Dus ben ik eindelijk toe aan mijn bespreking ervan.
Ik begin met de vier kortere verhalen: “Running out of dog”, “ICU”, Gone down to Corpus” en “Mushrooms”. Het eerste van de vier telt overigens nog wel de nodige bladzijden. Dat gaat over de liefde tussen Elgin en Jewel, met een enigszins geretardeerde jongen, Blue, in de bijrol. In “ICU” is een man op de vlucht, die de wachtkamer van een Intensive Care Unit weet ik hoe lang gebruikt als schuilplaats. “Gone down to Corpus” behandelt het met de grond gelijk maken van de huisraad van een villa. “Mushrooms” tenslotte vertelt over en autorit en een duik in de zee, terwijl er fors drugs gebruikt zijn. En dan is er het hoofdverhaal “Under Gwen” met daaraan vast een heel toneelstuk “Colorado”, dat hetzelfde onderwerp betreft. Het speelt in een dorp in West Virginia. Er wordt een verhaal verteld over een dokter en patiënt, over een huwelijk dat stuk gaat en over Gwen en vooral Bobby en diens akelige vader. De laatste is maar naar een ding op zoek: de diamant die Bobby en Gwen vier jaar eerder gestolen zouden hebben.
Erg apart kan ik de eerste vier verhalen niet vinden. Daarbij ben ik – eerlijk is eerlijk – ook niet echt gecharmeerd van het toneelstuk, dat niet veel meer dan een herhaling is van het verhaal ervoor. Ik heb het verhaal plus toneelstuk, toch ruim 100 bladzijden, in een paar uur uit. Daarmee komt de bundel “Coronado” van Dennis Lehane niet verder dan een 6- op mijn recensiepagina. Als iemand het boek van me wil lenen, hoef ik het niet terug te hebben.
Paulien Cornelisse heeft eerder twee heel acceptabele boekjes geschreven over taalvernieuwing. “Taal is zeg maar echt mijn ding” uit 2009 en “En dan nog iets” uit 2012 konden allebei zeer mee door. Vlak voordat ik begin november hierheen vertrok, las ik over haar nieuwe boek “De verwarde cavia”, dat N.B. intussen bij de beste vijf boeken van het jaar zat. Dus spoedde ik me op de valreep naar de boekenwinkel om het te bemachtigen en mee te slepen naar Las Palmas.
Dit is voor de variatie nou eens geen boekje over taal, maar een hele serie – zo’n honderd – korte stukjes over het leven op de afdeling Communicatie van een kantoor. Die stukjes kun je beter niet allemaal achter elkaar lezen, net als vroeger bij Carmiggelt, maar uitsmeren over meer dagen. Dat laatste heb ik dus ook maar gedaan. Ik maak in het boekje kennis met uiteraard Cavia, maar ook met de mensen in dezelfde kantoortuin: Kim (met een Curaçaose vriend) , Stella (van Human Resources), Ruud (“dag rakkers”, de opvolger van Anne-Bet) met op de gang receptionist Roy (verklaard homo). Veel speelt zich af rond de pantry, het koffiehoekje; dat woord moest ik opzoeken. Even is ook zogenaamde rugpatiënte Marja in beeld en op enige afstand zien we Harm-Jan van de IT. Terzijde krijgen we iets mee van Cavia’s liefdesperikelen, vroeger Rogier, dan even Steven en nu Enzo. Het verhaal eindigt op de kerstborrel.
Ik vind Paulien Cornelisse in het echt als causeur bij bijv. DWDD en als VPRO zomergast minder geslaagd, maar schrijven kan ze als de beste. Dat blijkt wel uit haar eerste twee boeken, die wat mij betreft integraal in het blad “Onze Taal” hadden kunnen worden opgenomen. Echter, dit nieuwe boekje – het kantoorverhaal – vind ik iets minder. Haar taalgevoel druipt er wel nog vanaf, maar waarom is Cavia een cavia, om eens een zijstraat te noemen? En waarom heeft haar huid steeds een natte vacht (en die van Enzo ook)? Aan de andere kant, bijv. het voortdurend googlen van Cavia op enge ziektes verrast mij weer in positieve zin. Het blijft alles bij elkaar een aardig verhaal, maar voor het boek van het jaar heeft het te weinig. Ik kom uit op een 7 als recensiecijfer.
Een man alleen heeft tijd te over om in boeken te duiken. Over het lezen van wat ik al heb aan literatuur over “hydración” zal ik jullie nu nog niet lastig vallen. Wel heb ik nog, alweer eigenlijk, een boek van de Britse schrijver Philip Kerr (geboren in 1956) ter bespreking. Ik heb hem eerder in mijn brieven al vele malen lovend gerecenseerd en op mijn boekenverlanglijst staat nog een heel rijtje dat ik moet zien binnen te halen, te beginnen met “A philosophical investigation” uit 1992. Dar zou zijn eerste zijn, maar voor me ligt het “levende bewijs” dat daarvóór al twee boeken van hem verschenen zijn: “March violets” in 1990 (?) en vlak daarop “The pale criminal”. Beide boeken spelen vooral in Berlijn in de jaren dertig met Bernie Gunther in de hoofdrol. Ik las onlangs “The pale criminal” en jullie willen mijn oordeel? Hier is het.
In het najaar van 1938 is Hitler al druk in de weer met de gebiedsuitbreiding van Duitsland in West-Europa. Bernie Gunther is intussen privé detective in Berlijn, niet meer bij de politie. Dan wordt hij door Heydrich gesommeerd om zich als S.D.-commissaris te storten op een seriemoordenaar die het op Arische vrouwelijke tieners heeft voorzien. Aan het begin van het boek zijn het er 4½, maar het aantal loopt gaandeweg op tot 7. Gunther wordt bij zijn werk ondersteund door drie politiemannen, van wie er één vrij snel afvalt. Daarnaast krijgt hij hulp op afstand van twee politiebazen en vooral van enkele kennissen: hoge politiebaas Arthur Nebe, vrouwelijke psychiater Marie Kalau vom Hofe en patholoog Hans Illmann.
Er ontrolt zich een verhaal, waarin sommige ondervraagden daarna vermoord worden. De verdachtmaking gaat vooral in de richting van smeerlap Julius Streicher, vriend van Hitler, gouverneur in Nuremberg en uitgever van Der Stürmer. Echter, daarnaast komen langzaam aan ook andere Nationaal-Socialisten in beeld, zoals uitgever Reinhard Lange, zenuwarts Lanz Kindermann, spiritualist Otto Rahn en last but not least de al oudere psychopaat Karl Weisthor, inmiddels heel bekend als medium. Zelfs Reichsführer Himmler is van Weisthor onder de indruk. De apotheose is op een kasteel in de buurt van Paderborn, waar de nodige kopstukken voor een “Court of honour” verzameld zijn. Vlak daarop, op 9 en 10 november 1938, is in Berlijn de Kristallnacht, waarin onder de Joden in de stad echt huisgehouden wordt.
Wie bekend is met de vele boeken van Philip Kerr met Bernie Gunther in de gelederen, behoort dit boek niet over te slaan. Het heeft best een hoog spanningsgehalte, de schrijver maakt met Bernie Gunther ook enkele zijsprongen (o.a. als de moeder van een slachtoffer zijn bed in duikt) en wat is het verhaal mooi opgeschreven. Al vind ik het einde een beetje gekunsteld, een aanwinst blijft het. Ik heb er een volle 8 voor over en verwacht niet anders dan dat een aantal van jullie het boek willen lenen van me.
Queridos amigos y familia, hier is mijn eerste brief van 2017. Ik had me voorgenomen om deze brief met “God Jul” willen beginnen, tot ik ineens dacht: dat is Scandinavisch voor “gelukkige kerstmis” en niet voor “gelukkig nieuwjaar”.
Zijn jullie de afgelopen feestdagen goed doorgekomen, niks gebroken, zelfs niet één keer op je snufferd gegaan? Zijn er nog “kaffees” gefrequenteerd? Is er zelfs nog ergens champagne doorheen gegaan? Of is het de afgelopen dagen en eergisteren bij het aloude ambtenarencarnaval bij wijn en pils, eventueel zelfs gemeentepils gebleven? Hoe dan ook, we staan weer met beide benen op de grond.
Laat ik de zaak niet door elkaar haspelen en deze brief bij het begin van de weblogweek beginnen. Een zootje ervan maken is niet mijn stijl. Afgelopen woensdag had ik vanaf Santa Catalina best een volle bus 12 naar de faculteit in het zuiden van de stad. Had ik wel het geluk dat er net een plekje achter de chauffeur vrij kwam, waar ik met mijn hebben en houwen kon zitten.
Ik ben ik altijd weer blij dat we hier op veel plekken een busbaan hebben aan de stoepkant: BUS, TAXI SOLO. Dat schiet wel op. Echter, dan moet er natuurlijk geen auto zijn die de busbaan wil versperren. Al bij Mesa Y Lopez - ik kon het prima zien - kwam zo’n lullig volkswagenbusje van een visfirma naast ons rijden om daarna vlak voor ons half op de busbaan te gaan bivakkeren. Vervolgens zat niet alleen de gewone baan van de auto’s dicht, maar ook kon mijn bus 12 niet meer vooruit. De buschauffeur en ik keken allebei naar een busbaan voor ons die helemaal leeg was, maar vooruit rijden was er niet bij.
Toeteren en nog eens toeteren helpt alleen, als in zon busje iemand zit die er het beste van wil maken. Deze onverlaat - van visbedrijf 5OCEANOS, dat is nog eens een wereldfirma, vond dat de hele bus maar moest wachten totdat hij weer een beetje vaart kon maken. Hierbij boor ik hem compleet en definitief de grond in! Mochten jullie ooit nog grote garnalen willen eten, “langostinos”, best lekker met een stukje brood, koop ze dan alsjeblieft niet bij de firma Langostinos Austral.
De diverse percelen van de gezondheidsfaculteit waren nagenoeg uitgestorven, maar ik kon wel probleemloos terecht op mijn kamer aan de zuidkant op de verder haast lege tweede etage. Ik heb van daaruit op mijn gemak mijn vorige brief aan jullie verstuurd, mijn eerste tien weblogbrieven gekopieerd – hoef ik dat in Maastricht niet te doen - en zelfs heb ik nog een aantal stukken over hydratie (of is het hydratatie?) aan de printer gehangen. Blijft het punt dat ik nog steeds niet een of enkele overzichtsartikelen heb over het onderwerp: genoeg water drinken. Daar zal ik Adriana of Lluis later zeker nog om gaan vragen. Het symposium over “hydración” is op 19 en 20 januari en ik heb me maar eens als deelnemer aangemeld.
Harry had op zijn site een paar mooie clips voor me in de aanbieding. Die van Natalie Imbruglia van haar hit “Torn” had best mijn zegen, maar de clip van Marie Adams plus het duo XL, die drie zangeressen van The Johnny Otis Show, maakten het nummer “Ma, he’s s making eyes at me” (uit 1957) tot de plaat van de dag. “The Three Tons Of Joy”, ik kan het You Tube filmpje niet vaak genoeg draaien, serieus. Zelfs Harry’s artikel over het belachelijk maken van jazz door de establishment voor de Tweede Wereldoorlog en het in dat kader zwaar discrimineren van zwarten, zoals Surinamers in Amsterdam, kon voor mij niet op tegen het geweld van Marie Adams en consorten. Terzijde, ook op “Telephone baby” en “Bye bye baby” spelen de drie dikzakken hun partijtje, zeker Marie Adams weer. Echter, op “Ma, he’s making eyes at me” is hun aanwezigheid zo prominent dat Johnny Otis zelf met een bijrolletje genoegen moet nemen.
‘s Avonds zou ik met een aantal mensen uit gaan eten, vegetarisch nog wel, maar om mij duistere reden ging het ineens niet door. Kon ik wel alvast een begin maken met deze elfde brief. Zie hiervoor.
Op de donderdagmorgen mag ik mijn eerste muziekkeuze aan jullie voorleggen. Een van de pioniers van de blues in Amerika is Robert Johnson. De zwarte man is niet oud geworden en dat komt mede omdat hij steeds gekker ging doen en uiteindelijk moest worden opgesloten. Hij is maar 27 jaar oud geworden, hij leefde van 1911-1938: de man van “Me and the devil blues”. Om hem te eren heeft de blanke Engelsman Eric Clapton, uit 1945, volgens sommige mensen de beste gitarist van dit moment, veel later “Sessions for Robert J” opgenomen. Hij was toen 59 jaar oud (en de eerdere bluesvirtuoos al 66 jaar dood).
Uiteraard staan alle nummers op de cd ook allemaal op de dubbel-cd “The complete recordings” van Robert Johnson. Om erin te komen begin ik met één keer Robert Johnson en dan komt het elftal van Eric Clapton:
00.Me and the devil blues (Robert Johnson)
01.Sweer home Chicago
02.Milkcow’s calf blues
03.Terraplane blues
04.If I had the possession over judgement day
05.Stop breaking down blues
06.Little queen of spades
07.Traveling riverside blues
08.Me and the devil blues
09.From four until late
10.Kindhearted woman blues
11.Ramblin’ on my mind
Een vergelijking tussen Robert Johnson en Eric Clapton gaat mank om diverse redenen, o.a. omdat er veel meer dan een halve eeuw tussen de twee platen zit. In de tijd van Robert Johnson bestond de elektrische gitaar niet eens. Ook vind ik die van Eric Clapton niet het soort cd, waarbij ik bij sommige nummers vrolijker wordt dan bij andere. Ik ben wel van mening dat Eric Clapton een heel aardige cd bij elkaar heeft gefietst. Het is echt een ode aan Robert Johnson geworden.
Dan belt Noé me dat er vanavond samen gegeten gaat worden in een Mexicaans restaurant, genaamd La Picantina. Het zou liggen in de Secretario Artiles (nummertje 40) vlakbij mijn huis. Zo’n kans om mijn Canarische vriend weer eens te zien laat ik niet lopen.
Dan lees ik donderdagavond in de regionale krant Canarias7 dat de drie koningen het in de Driekoningenoptocht op 5 januari zonder kamelen (of liever gezegd dromedarissen) moeten doen. Het worden dit jaar drie “carruajes”, koetsen. Vorig jaar schijnt Melchior haast van zijn rijdier (“cabalgadura”) te zijn gemieterd en dan worden de mensen die over onze veiligheid regeren, overactief. “Por razones de seguridad” dienen “Los Reyes Magos De Oriente” vanaf nu genoegen te nemen met deze m.i. minder geslaagde variant. Laat ik het voor één keertje aankijken en zien wat ervan komt.
Er wordt sinds kort erg getrokken aan Quique Setién. Dat is de trainer van UD Las Palmas, de club die zich voor het tweede jaar nu netjes in de eredivisie hier weet te handhaven. Dus zie je het bestuur van andere eredivisionisten, die wel weer eens aan een andere trainer toe zijn, denken: die Setién, is die niks voor ons. (En voor de duidelijkheid: Quique is gewoon de verkorting van Enrique, denk aan Enrique Iglesias.)
Carnaval begint hier op 10 februari, lees ik op de computer, met de Pregón op Santa Ana. Voor mij interessante avonden op Santa Catalina zijn de verkiezing van de Gran Dama op de 12de en de murga-voorrondes op 13, 14 en 15 februari. Op de avond van de murga-finale zit ik in het vliegtuig naar Eindhoven, want dan wacht Maastricht. Als ik twee weken later weer terugkom naar hier, kan ik ‘s avonds wel nog de Gran Cabalgata, “de groete carnavalsoptoch”, meemaken. Daar kijk ik echt naar uit; Vorig jaar verregende hij een beetje, maar echt weer wat anders was het wel. De avond erop, ‘s avonds op 5 maart, is de afsluitende “entierro de la sardina”, het ten grave dragen van de sardine, in zee bij Las Canteras.
Dan is het donderdagavond half 9 en blijk ik enige moeite te hebben met het vinden van restaurant La Picantina, met haar “cocina casera Mexicana”. Dus bel ik Noé op mijn mobieltje, die is er al en weet me te “verdutse” dat ik op nummertje 42 sta en even verderop moet zijn, in het volgende stukje van de Secretario Artiles. Ons gezelschap in een verder uitverkochte zaak bestaat uit zeven personen: Noé, David, Juli, Eduardo, Rafaela, Silvia en ondergetekende. Lorena is er niet; die ligt al twee dagen in het Dr Negrinziekenhuis, omdat er iets mis is met haat buik; daar zou vocht in zitten, dat er intussen uitgehaald is. Ik vraag Noé, als hij haar morgen nog eens gaat opzoeken vóór zijn terugreis naar Tenerife, om haar namens mij de “compleminte” over te brengen. Misschien mag Lorena in het weekend alweer naar huis.
Zoals dat hoort, beginnen we in La Picantina met drankjes. Op verzoek van Juli en Eduardo kies ik voor een “michelada” met daarbij donker bier, Negro Modelo. Het “michelada” zit ‘m in het mengsel dat bij het bier geserveerd is: ijs, citroen, tabasco, “angostura” (?) en een weinig zout. In het drankje blijk ik me prima te kunnen vinden.
Het eten beginnen we met enkele gezamenlijke schotels, te beginnen met guacamole met nachos (chips). In de groene guacamole-prut zit o.a. avocado, tomaat, ui, Spaanse peper en koriander. Er wordt ook een heet sausje bij geserveerd, dat heb ik aan me voorbij laten gaan. Dan komen er kiptaco’s en vleestaco’s in een groen sausje op tafel met sla en kaas. Mijn hoofdgerecht van de avond, voor mij uitgekozen door Noé, is “cochinita pibil”, licht gebakken varkensvlees in chilisaus, met citroensap, “achiote” (?) en “chiles guajillos” (?). Ik krijg er rijst en flinterdunne tortilla’s bij geserveerd. Als Juli rechts van mij na het eten aan de mescal begint, haak ik af. Iets later op de avond bestellen we wel nog een grote kan margarita. Die is hier te krijgen met citroen, aardbeiensap en manga (kleine mango). Het wordt de mangovariant, maar persoonlijk vind ik die aan de te zoete kant. (Rafaela tegenover mij zat eerder aan de citroenvariant en die zag er een stuk adequater uit.)
Om even over 11 gaan de hele club richting Farray, maar zoek ik mijn bed op, vlakbij op een steenworp van de Mexicaanse zaak.
De vrijdag is een briefloze dag. Vooruit, een aardigheidje heb ik toch voor jullie. Of het zo moet zijn, ben ik ‘s avonds op plaza Farray vlak voordat daar een muziekoptreden begint. Alle tafeltjes op alle terrassen zijn bezet en ook staan er al de nodige mensen te wachten tot “het” begint. Dat “het” is een viertal muzikanten: drum, basgitaar, elektrische piano en sologitaar. Het laatstgenoemde instrument behoort toe aan een oudere man met wit haar en een paardenstaart die ik al van eerdere optredens vóór La Guarida vroeger op Las Canteras ken. Ik vermoed dat hij oorspronkelijk uit de Verenigde Starten komt, maar hij heeft zich intussen het Spaans redelijk eigen gemaakt, dat wel. Eerlijk gezegd is hij mij ietsje de uitbundig op zijn gitaar; meer eenvoud zou hem sieren.
Dus besluit ik maar één nummer “mee te nemen” en dan weer te vertrekken. Begint de groep met een nummer van de Golden Earring aan te kondigen: “Radar love”. Het duurt heel lang, met twee gitaarsolo’s, maar ik kijk het helemaal uit. Ik ben niet echt een fan van de Golden Earring, maar toch bekruipt me ook enige trots dat ik “holandés” ben.
Op oudejaarsdag (Nochevieja) ga ik jullie in alle vroegte lastig vallen met een nieuwe artiest. Het wordt deze keer Ryan Adams, geboren in 1974 in Jacksonville, North Carolina (aan de Atlantische oceaan). Wat vervelend dat hij vandaag de dag zo geplaagd wordt door de ziekte van Menière en oorsuizen (zegt de Wikipedia). Ik hoorde voor het eerst over Ryan Adams op een verzamelplaat van Americana-muziek. Hij had toen als 26-jarige net zijn eerste soloplaat uitgebracht met daarop het prachtnummer “Oh my sweet Carolina”. Daarna heb ik nog eens zo’n 10 cd’s van hem, al dan niet begeleid door The Cardinals, bij elkaar gescharreld.
Voordat hij in 2000 aan zijn solocarrière begon, was hij al de motor van een popgroep uit Raleigh, genaamd Whiskeytown. Een nummer van die groep staat op dezelfde Americana-dubbelcd, maar om de een of andere reden ben ik nooit achter de groep aangegaan. Ik weet haast zeker dat het Peter was die mij een paar jaren terug opnieuw op de groep attent maakte. Van Whiskeytown heb ik intussen alle drie de originele cd’s uit de periode 1995-2001. Er zijn ook nog eens drie cd’s die nooit echt uitgebracht en die ik dus niet heb. Enne… Whiskeytown maakte destijds heel aparte muziek. Het lijkt me ondoenlijk om de nummers van alle drie cd’s te gaan opnoemen, dus beperk ik me hier tot de laatste van de drie, “Pneumonia”, uitgebracht in 2001. Daarop staat ook het nummer van Whiskeytown dat ik eerder enigszins over het hoofd heb gezien. Hier zijn de veertien liedjes op de plaat:
01.The ballad of Carol Lynn
02.Don’t wanna know why (dat is ‘m)
03.Jacksonville skyline
04.Reasons to lie
05.Don’t be sad
06.Sit & listen to the rain
07.Under your breath
08.Mirror, mirror
09.Paper moon
10.What the devil wanted
11.Crazy about you
12.My hometown
13.Easy hearts
14.Bar lights
Ik zit er deze keer bepaald niet naast: Whiskeytown is best een goede popgroep. Op de cd gaat mijn voorkeur uit naar de eerste twee nummers, zeker ook “The ballad of Carol Lynn”, maar verder op staat ook best zeer aangename muziek. Ik noem hier speciaal “Sit & listen to the rain”, “Crazy about you”, “My hometown” plus de eerste drie minuten van Bar Lights” (daarna is het met het “Bar lights” nummer behelpen). En inderdaad, een nummer als “Don’t wanna know why” is bovenmaats, ook naar mijn onbescheiden mening.
Veel volk komt er ook niet langs op de boulevard. Met begerige blik kijk ik naar een duo joggers, lopers of hoe zal ik ze noemen. Ze hebben ‘s middags meegedaan aan de vijftiende San Silvestre loop hier en daar een aimabel geel T-shirt aan overgehouden. Naar zo eentje – in mijn maat – ben ik op zoek voor de carnaval, maar ik kan het maar moeilijk vinden. Het zou prima passen bij mijn gele jas die ik “met die daog” doorgaans aan heb.
Op de bank speel ik de hele cd “Highway companion” van Tom Petty helemaal af. Hij is uit 2006 en blijft mooi! Dan besluit ik om “op mijn schreden”terug te keren naar mijn etage in de Luis Morote. Daar wacht mijn boek en bovendien een mondvoorraad versnaperingen (zoals Bandido bier van Tropical: bier met een tequila scheutje). Nadat ik Trudie en Eva’s club gemaild heb - om 11 uur hier, dan is het 12 uur in Nederland – denk ik er serieus over om maar mijn bed op te zoeken. Echter, het aantal zevenklappers neemt in de richting van 12 uur hier zienderogen (om precies te zijn: horensoren) toe. Vóór kwart over 12 lokale tijd komt er van slapen weinig terecht.
Om 6 uur word ik wakker van het uitgebreide rumoer voor de deur van wat nu “Way Out” heet aan de overkant. Een hele bups mensen staat voor de deur en zit op de bank met drank en sigaretten. Dat moet m.i. zo maar kunnen, als het maar niet iedere nacht gebeurt. Gelukkig ben ik even later alweer in dromenland.
Als ik op nieuwjaarsdag op mijn balkon zit, in afwachting van mijn koffie die doorloopt, mag ik mijn nagels wel weer eens knippen. Deze week zal ook mijn haar er weer eens aan moeten geloven. Dan, als al mijn teennagels gedaan zijn, vind ik het tijd om mezelf weer eens te wegen. Voordat ik op de weegschaal ga staan, doe ik wel eerst mijn horloge af. Alle beetjes helpen en een mens dient ook op de kleintjes te letten. Ik blijk precies 100 kilo te wegen, schoon aan de haak, zoals dat heet. Valt julie dat mee of tegen? Ik moet het er maar voor doen.
Zo leeg als de boulevard op oudejaarsavond was, zo druk het is nu op nieuwjaarsdag. Het lijkt wel de Grote Staat op zaterdagmiddag of voor de bovenmoerdijkers de Amsterdamse Kalverstraat. Naarstig op zoek naar leuke opschriften op truien of borden komt een man me tegemoet die een nieuwe variant van “Just do it” op zijn trui heeft staan: “Just dunk it”. Een paar weken terug had ik al eens “Just do it tomorrow” gespot, maar wat deze variant voorstelt? Dunken is een basketbalterm voor scoren door hoog opspringend de bal van bovenaf in het netje te deponeren. Echter, is er misschien ook een uitdrukking “Just dunk it”? Dat ga ik nog eens navragen aan een “native speaker”.
Op de hoek van de calle Ferreras en de straat van de Superdino is een winkel waar je voor van alles terecht kunt, van blikjes drank en ijs kopen tot fotokopieën maken. Op de reclame voor de winkel zijn ook “chuches” vermeld; is dat Spaans voor snoepgoed? (Volgens mij heb ik dat al eens aan jullie voorgelegd, maar wat is er tegen twee keer “chuches”? Niks toch?)
Het is me wat, dat op elkaar vitten en in elkaars haren zitten van Poetin en Obama. Ik lees dat Hillary Clinton best wel het presidentschap van Donald Trump had kunnen winnen, maar dat er wel een anti-Hillary machine op volle toeren draaide in het afgelopen half jaar. Daarvoor verantwoordelijk acht Obama, als ik mijn regionale krant mag geloven, in de eerste plaats “Moskou”, lees Vladimir Poetin. Diens mensen zouden met een aantal “ciberataques” (hack-aanvallen op het internet) Hillary in een kwaad daglicht hebben gesteld, waardoor zij in een aantal staten op het nippertje verloor van oom Donald. Als represaille zijn er nu, vlak voordat Donald Trump het roer van Barck Obama overneemt, enkele tientallen Russische diplomaten uit de Verenigde Staten uitgewezen. Poetin, nooit te beroerd om zich dan ook te laten gelden, zint op wraak en vergelding.
Ik heb op mijn computer een groot Spaans-Nederlands en Nederlands-Spaans woordenboek staan, waar ik geregeld gebruik van maak. Daarnaast beschik ik over bijv. een kleine “diccionario argot español” (argot staat voor spreektaal). Ik kom intussen echt ene na het andere woord tegen dat ik nog niet echt ken of liever dat nog een andere dan de gangbare betekenis heeft. Ik volsta hier met een aantal voorbeelden. Een “bisabuelo” is niet alleen een overgrootvader, maar staat ook voor een soldaat die nog geen drie maanden in militaire dienst is. Voor masturberen vind ik een hele rits straattaal, o.a. “hacerse una paja” (“paja”is stro, ook een rietje), maar wat is “hacerse una paja mental”? Dat staat voor zich suf piekeren. Een “suecra” is voor mij het Spaanse woord voor schoonmoeder, maar ik hoorde ooit op Spaanse les dat ook een grote, ronde cactus zo genoemd wordt. Zegt mijn woordenboek, waarin ik het nog eens nakijk, dat het ook het kapje van het brood is. Nog eentje? Een “turca” is uiteraard een vrouw uit Turkije, maar het is ook een zatte vrouw, een “borrachera”. Als ik vervolgens bij “borrachera” kijk, zie ik wel dertig synoniemen, waaronder inderdaad ook “turca”. Er staat ook “zorra” bij, dat is normaliter een wijfjesvos.
Wat me zowel op maandag als op dinsdag opvalt, is hoe stil het nog is in de vroege ochtend. Ik ben het doordeweekse gekwetter van schoolkinderen gewend, als ik om 8 uur of even erna vanaf mijn balkon omlaag kijk. De jongens zijn dan tegenwoordig meestal aan het verstoppertje spelen of voetballen (met een klein balletje) en de meisjes hangen bij elkaar en vertellen elkaar de laatste roddels of ze drommen rond een wit hondje, dat iedere ochtend met een van de schoolkinderen en haar moeder meekomt. Het aanhoudend gekeuvel en geschreeuw gaat aan een stuk door tot even voor half 9, als de jeugd de school betreedt en heel wat moeders – die zijn het die de kinderen meestal naar school brengen – het er bij Carlos daarna op het terras nog even van nemen.
Echter niks van dat alles zie ik, nu de school deze week nog dicht is. Het is om 8 uur en later nog uitgestorven. De loop in de straat komt pas om een uur of 9, half 10 op gang.
Daar staat tegenover dat het tegen de avond, net als op nieuwjaarsdag, wel lijkt of de Driekoningenoptocht eraan te komen staat. Het is op straat heel druk en levendig, niet alleen in de Luis Morote, maar ook bij El Corte Inglés bijv., als ik daar op maandagavond ben voor een paar boodschappen. Met name mijn Wasa knåckebrød is nagenoeg op en dat heb ik graag permanent in huis. Het is bij de twee winkels van de Spaanse Bijenkorf echt een komen en gaan van mensen, met tassen gevuld met echt van alles. Vanwege de vrije dagen? Omdat het al “rebajas” (sale) zou zijn?
Op de muziekafdeling zie ik van alles liggen waar ik niet de minste belangstelling voor heb. Er zijn ook al bakken met zwaar afgeprijsde cd’s, maar daar ligt niks van mijn gading bij, wat ik niet al heb. In de Corte Inglés top 10 zie ik negen keer iets Spaans, met op 1 nu Melendi. Dan wordt mijn oog getrokken door nummertje laatst, nummertje 10, de nieuwe van de Rolling Stones. Hij heet “Blue and lonesome”, met twaalf nieuwe nummers. Waarom zou ik er 17 euro voor betalen, als ik hem op de bibliotheek of via een van jullie (bijna) voor niks kan krijgen? Ik wacht dus even af. Andere cd’s die ik ook en in één moeite door wil confisceren, zijn uiteraard “Bob Dylan’s “The cutting edge” uit 1965-1966 - Bootleg 12 en ook Neil Young’s “Pecce trail”. Vooruit, ik doe er Leonard Cohen’s “You want it dark” nog bij, omdat Mart Smeets dat zo’n bijzondere plaat lijkt te vinden (zag ik in oktober op tv). De man kan absoluut niet meer zingen, als hij dat vroeger al wel kon, maar een fenomeen blijft hij als 80 plusser.
Daarmee beslis ik om deze brief als af te beschouwen. Het lijkt me zo wel mooi geweest, vóór en na de jaarwisseling. Ik heb eerder aan Juli gevraagd of ik hem (de brief dan) bij hem thuis kon versturen, omdat ik op mijn flat geen internet heb en ik in de bibliotheken geen memory stick kan aansluiten. Hij verwees me dinsadgmiddag naar de woensdag, om ongeveer 12 uur (high noon). Vanaf dan is mijn elfde weblogbrief veilig in Nederland geland. De volgende die ik weer gewoon vanaf de universiteit kan posten, komt a.s maandag 9 januari al weer, op Eva’s veertigste verjaardag. Daarvóór moet ik vooral niet vergeten om op Driekoningendag zelf Anoek te feliciteren met haar vijfde verjaardag. De kinderen worden groot en ik oud, maar me oud voelen, is er nog niet bij.
Een en ander overziend ben ik intussen blij dat het leven weer zijn normale gangetje aan het gaan is. Hier hebben we a.s. donderdag en vrijdag wel nog de Drie Wijzen Uit Het Oosten te verduren, de Palmese variant van Sinterklaas en Zwarte Piet, nog even...
Over 3½ week maken de Tempeleers al weer bekend wie de nieuwe prins carnaval van “Groet Mestreech” geworden is en eerder nog, over een week al, stapt Trudie hier uit de bus op Santa Catalina om mij een week lang van mijn lees- en schrijfwerk te houden. Het heeft even geduurd, maar de tijd van het rperen in grote pannen zuurvlees en goulash alsmede het aroma van enkele mega-gehaktballen komt eraan. Maak eens wat geld over naar een goed doel, is mijn advies aan jullie, en haal de slee maar van de zolder, want binnenkort wordt het in Maastricht een witte bedoeling, hoop ik. Hier banjer ik overdag nog steeds rond in een korte broek en loop ik ‘s avonds mijn rondjes. “Que te vaya bien”, het ga je goed, voeg ik ieder van jullie toe, en tot ziens op 9 januari, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Al een aantal jaren was ik op zoek naar het enige boek van Dennis Lehane dat ik nog niet gelezen had: “Coronado”, een verzameling korte verhalen. (En vooruit, “World gone by” uit 2015 moet ik ook nog zien te bemachtigen, maar zal zal niet lang op zich laten wachten.) Voor alle eerdere boeken van de auteur maak ik een diepe buiging, Afgelopen nazomer zag ik “Coronado” ineens tweedehands liggen bij The English Bookshop in Amsterdam. Dus ben ik eindelijk toe aan mijn bespreking ervan.
Ik begin met de vier kortere verhalen: “Running out of dog”, “ICU”, Gone down to Corpus” en “Mushrooms”. Het eerste van de vier telt overigens nog wel de nodige bladzijden. Dat gaat over de liefde tussen Elgin en Jewel, met een enigszins geretardeerde jongen, Blue, in de bijrol. In “ICU” is een man op de vlucht, die de wachtkamer van een Intensive Care Unit weet ik hoe lang gebruikt als schuilplaats. “Gone down to Corpus” behandelt het met de grond gelijk maken van de huisraad van een villa. “Mushrooms” tenslotte vertelt over en autorit en een duik in de zee, terwijl er fors drugs gebruikt zijn. En dan is er het hoofdverhaal “Under Gwen” met daaraan vast een heel toneelstuk “Colorado”, dat hetzelfde onderwerp betreft. Het speelt in een dorp in West Virginia. Er wordt een verhaal verteld over een dokter en patiënt, over een huwelijk dat stuk gaat en over Gwen en vooral Bobby en diens akelige vader. De laatste is maar naar een ding op zoek: de diamant die Bobby en Gwen vier jaar eerder gestolen zouden hebben.
Erg apart kan ik de eerste vier verhalen niet vinden. Daarbij ben ik – eerlijk is eerlijk – ook niet echt gecharmeerd van het toneelstuk, dat niet veel meer dan een herhaling is van het verhaal ervoor. Ik heb het verhaal plus toneelstuk, toch ruim 100 bladzijden, in een paar uur uit. Daarmee komt de bundel “Coronado” van Dennis Lehane niet verder dan een 6- op mijn recensiepagina. Als iemand het boek van me wil lenen, hoef ik het niet terug te hebben.
Paulien Cornelisse heeft eerder twee heel acceptabele boekjes geschreven over taalvernieuwing. “Taal is zeg maar echt mijn ding” uit 2009 en “En dan nog iets” uit 2012 konden allebei zeer mee door. Vlak voordat ik begin november hierheen vertrok, las ik over haar nieuwe boek “De verwarde cavia”, dat N.B. intussen bij de beste vijf boeken van het jaar zat. Dus spoedde ik me op de valreep naar de boekenwinkel om het te bemachtigen en mee te slepen naar Las Palmas.
Dit is voor de variatie nou eens geen boekje over taal, maar een hele serie – zo’n honderd – korte stukjes over het leven op de afdeling Communicatie van een kantoor. Die stukjes kun je beter niet allemaal achter elkaar lezen, net als vroeger bij Carmiggelt, maar uitsmeren over meer dagen. Dat laatste heb ik dus ook maar gedaan. Ik maak in het boekje kennis met uiteraard Cavia, maar ook met de mensen in dezelfde kantoortuin: Kim (met een Curaçaose vriend) , Stella (van Human Resources), Ruud (“dag rakkers”, de opvolger van Anne-Bet) met op de gang receptionist Roy (verklaard homo). Veel speelt zich af rond de pantry, het koffiehoekje; dat woord moest ik opzoeken. Even is ook zogenaamde rugpatiënte Marja in beeld en op enige afstand zien we Harm-Jan van de IT. Terzijde krijgen we iets mee van Cavia’s liefdesperikelen, vroeger Rogier, dan even Steven en nu Enzo. Het verhaal eindigt op de kerstborrel.
Ik vind Paulien Cornelisse in het echt als causeur bij bijv. DWDD en als VPRO zomergast minder geslaagd, maar schrijven kan ze als de beste. Dat blijkt wel uit haar eerste twee boeken, die wat mij betreft integraal in het blad “Onze Taal” hadden kunnen worden opgenomen. Echter, dit nieuwe boekje – het kantoorverhaal – vind ik iets minder. Haar taalgevoel druipt er wel nog vanaf, maar waarom is Cavia een cavia, om eens een zijstraat te noemen? En waarom heeft haar huid steeds een natte vacht (en die van Enzo ook)? Aan de andere kant, bijv. het voortdurend googlen van Cavia op enge ziektes verrast mij weer in positieve zin. Het blijft alles bij elkaar een aardig verhaal, maar voor het boek van het jaar heeft het te weinig. Ik kom uit op een 7 als recensiecijfer.
Een man alleen heeft tijd te over om in boeken te duiken. Over het lezen van wat ik al heb aan literatuur over “hydración” zal ik jullie nu nog niet lastig vallen. Wel heb ik nog, alweer eigenlijk, een boek van de Britse schrijver Philip Kerr (geboren in 1956) ter bespreking. Ik heb hem eerder in mijn brieven al vele malen lovend gerecenseerd en op mijn boekenverlanglijst staat nog een heel rijtje dat ik moet zien binnen te halen, te beginnen met “A philosophical investigation” uit 1992. Dar zou zijn eerste zijn, maar voor me ligt het “levende bewijs” dat daarvóór al twee boeken van hem verschenen zijn: “March violets” in 1990 (?) en vlak daarop “The pale criminal”. Beide boeken spelen vooral in Berlijn in de jaren dertig met Bernie Gunther in de hoofdrol. Ik las onlangs “The pale criminal” en jullie willen mijn oordeel? Hier is het.
In het najaar van 1938 is Hitler al druk in de weer met de gebiedsuitbreiding van Duitsland in West-Europa. Bernie Gunther is intussen privé detective in Berlijn, niet meer bij de politie. Dan wordt hij door Heydrich gesommeerd om zich als S.D.-commissaris te storten op een seriemoordenaar die het op Arische vrouwelijke tieners heeft voorzien. Aan het begin van het boek zijn het er 4½, maar het aantal loopt gaandeweg op tot 7. Gunther wordt bij zijn werk ondersteund door drie politiemannen, van wie er één vrij snel afvalt. Daarnaast krijgt hij hulp op afstand van twee politiebazen en vooral van enkele kennissen: hoge politiebaas Arthur Nebe, vrouwelijke psychiater Marie Kalau vom Hofe en patholoog Hans Illmann.
Er ontrolt zich een verhaal, waarin sommige ondervraagden daarna vermoord worden. De verdachtmaking gaat vooral in de richting van smeerlap Julius Streicher, vriend van Hitler, gouverneur in Nuremberg en uitgever van Der Stürmer. Echter, daarnaast komen langzaam aan ook andere Nationaal-Socialisten in beeld, zoals uitgever Reinhard Lange, zenuwarts Lanz Kindermann, spiritualist Otto Rahn en last but not least de al oudere psychopaat Karl Weisthor, inmiddels heel bekend als medium. Zelfs Reichsführer Himmler is van Weisthor onder de indruk. De apotheose is op een kasteel in de buurt van Paderborn, waar de nodige kopstukken voor een “Court of honour” verzameld zijn. Vlak daarop, op 9 en 10 november 1938, is in Berlijn de Kristallnacht, waarin onder de Joden in de stad echt huisgehouden wordt.
Wie bekend is met de vele boeken van Philip Kerr met Bernie Gunther in de gelederen, behoort dit boek niet over te slaan. Het heeft best een hoog spanningsgehalte, de schrijver maakt met Bernie Gunther ook enkele zijsprongen (o.a. als de moeder van een slachtoffer zijn bed in duikt) en wat is het verhaal mooi opgeschreven. Al vind ik het einde een beetje gekunsteld, een aanwinst blijft het. Ik heb er een volle 8 voor over en verwacht niet anders dan dat een aantal van jullie het boek willen lenen van me.
Abonneren op:
Posts (Atom)