Weblogbrief 13.25, 16 april 2018
Querid@s amig@s y familia, ik had jullie voor vandaag een nieuwe brief beloofd en wat je belooft, moet je doen: dus hier is hij. Of hij wat geworden is, staat zoals steeds te bezien. Jullie mogen zelf je oordeel vormen. ¡Vamos!
Afgelopen maandag, alweer een week geleden, heb ik op de universiteit allereerst een goed gesprek met Isabel, in het Spaans en op onze gemeenschappelijke kamer. Ze is van haar vak voedingsdeskundige, “nutricionista”, en woont ergens midden op het eiland, waar het op dit moment nog best erg koud is. Dat heb je, als een eiland niet meer dan een kraterberg is met allerlei dorpjes ertussen en met aan de uitersten veel aangenamere andere dorpjes en soms zelfs hele steden zoals Las Palmas. Om half 3 pakt ze haar spullen bij elkaar, geeft me een hand – wie doet dat nog? – en vertrekt fluitend van het toneel.
Jorge is intussen elders. Waar blijft hij, we hebben toch om half 4 afgesproken? Gelukkig heb ik diverse andere bezigheden, zoals mijn vorige brief versturen, mijn e-mail doornemen, een aantal stukken over yoga kopiëren, die ik van Aleida gekregen heb dan wel zelf heb zitten uitzoeken. Dan is het tijd voor de recente clips van Harry: o.a. de Champs met “Tequila”, Ry Cooder met “The prodigal son” en bovenal een door mij ondergewaardeerde C&W-ster: Don Gibson. Diens clip van “Lonesome number one” is goed voor opbeurende momenten.
Om even over 4 komt Jorge dan toch aanzetten, samen met Patricia. Tien minuten later zijn we met zijn tweeën op zijn kamer naar yoga-stukken aan het kijken, op het grote scherm van zijn computer. Hij vindt het geloof ik allemaal maar weinig of niks. Hij stuurt vervolgens voor mij nog een paar artikelen naar de printer. Als ik bij de deur sta, vraag ik hem om, als ik terugkom, mij zijn mening te geven over vraag 1: of hij alle soorten yoga wil bekijken of bijv. alleen een onderdeel, bijv. de ademingstechniek en vraag 2: of hij zelf met Aleida en mij het liefste naar allerlei ziektes wil kijken of yoga effectief is of zich liever concentreert op één ziekte, zoals COPD (chronic obstructive pulmonary disease, astmatische bronchitis). Als ik enkele minuten later van de printer terugkom met een paar nieuwe artikelen, heeft hij zijn antwoord al klaar: in de beperking herken je de meester. Zijn idee is om op één ziekte te mikken, waarover een aantal yoga-artikelen beschikbaar is, waarbij yoga ook nog eens tot vooral één soort beperkt wordt.
Dan begint hij weer op zijn computer te timmeren en haak ik voor het moment af. Buiten wacht bus 12 richting centrum en die wil ik nemen. Aleida kan volgende week maandag niet komen, vanwege een andere onderwijsverplichting begrijp ik, en dus wordt onze afspraak met haar verschoven naar de week erop: 23 april. Ik wijs Jorge er bij het weggaan op dat ik nog maar een paar keer kan helpen, zeker met al dat uitstellen, voordat ik terug naar Nederland ga. Dat ziet Jorge echter niet als een probleem.
Op de terugweg, nu voor de variatie tot El Corte Inglés, zie ik twee keer een aankondiging van de anti-alcohollobby verschijnen, met op beide als koptekst: “Me voy al trecho. He decidido no dejarle más mi dni, para comprar alcohol”. Ik ga het echt doen. Ik heb besloten om mijn identiteitskaart niet meer af te geven aan jongeren om alcohol te kopen. Of ik het daarmee helemaal correct vertaal, weet ik niet. Laat ik dus ook de twee onderschriften citeren. Hier is die op aanknondiging 1: “Pasar el dicho al hecho es el único camino que tenemos para acabar con el consumo de alcohol en menores. Die verwijst naar de uitdrukking: “del dicho al hecho hay gran trecho”, zeggen en doen is twee? Niet alleen zeggen, maar ook doen is de enige weg om de alcoholconsumptie bij minderjarigen te stoppen. Het onderschrift bij aankondiging 2 luidt: “Voy a dejar de mirar hacia otro lado cuando veo a menores bebiendo alcohol”, ik ga ermee stoppen om de andere kant op te kijken als ik jongeren alcohol zie drinken.
Kennelijk ben ik als minderjarige door het oog van de naald gekropen. Nog op het Cörversplein in Maastricht, toen ik nog geen 10 jaar was, kreeg ik bij tant Tina en noonk Micheel ‘s avonds al wel eens een slokje donker bier, als ik met hun en Harry daar op de radio naar de Bonte Dinsdagavondtrein en dergelijke ging luisteren. Mijn vader en moeder wisten daar hoegenaamd niks van, hebben ze jarenlang volgehouden. Toen ik een jaar of 15, 16 was, dronk ik mijn eerste glas bier bij Mai en Peter in de Stern Quelle, terwijl op de achtergrond de jukebox bekende liedjes speelde. Te veel drank heb ik in mijn jonge jaren op de middelbare school ook wel eens gehad, maar of het de entree naar een leven als alcoholist was, nee dat kan ik er niet van maken. Bij mijn eindexamenfeest van de middelbare school – ik was toen 17 – werd op mijn speciale verzoek Amstel Gold bier geschonken. Met mijn diverse vrienden en kennissen liet ik mij het bier in de tuin goed smaken. (En ik zie binnen mijn moeder nog de kamer doorzweven met noonk E, op de muziek van Bruno Majcherek en de Regento Stars.)
Ik ga op maandagavond speciaal nog eens naar El Corte Inglés, omdat ik denk: als ik eventueel naar Joaquín Sabina wil op 2 mei, zal ik mezelf toch eerst zijn laatste CD: “Lo Niego Todo” moeten aanschaffen. Blijkt die CD – hoewel ze helaas niet in de top 10 van de winkel staat – voor het moment uitverkocht te zijn, “agotado”. Misschien moet ik nu toch eens om me heen vragen of iemand hem voor me kan downloaden.
Op dinsdagmorgen weet ik niet hoe vlug ik een verzamelplaat van Don Gibson kan opzetten. Laat ik de songwriter, meer dan singer, eindelijk het krediet geven dat hij al vele decennia lang verdient. Hij is geboren in 1928 ergens in North Carolina en is wijlen sinds 2003, nog maar vijftien jaar terug. Hier zijn alle nummers die ik tot dusver van hem heb weten te bemachtigen: de achttien van “18 Greatest Hits” plus nog twee extra nummers van “The Very Best Of DG”:
01.Sea of heartbreak
02.Woman (sensuous woman)
03.Country green
04. Oh lonesome me
05.Who cares
06.Sweet dreams
07.Look who’s blue
08.Give myself a party
09.I can’t stop loving you
10.One day at a time
11.Lonesome number one
12.Bring back your love to me
13.I’m all wrapped up on you
14.Touch the morning
15.Just one time
16.Is this the best I’m gonna feel
17.Bl;ue, blue day
18.Too soon to know
X9.I need thee every hour
X0.I can mend your broken heart
Laat ik beginnen met te vertellen dat het beroemde “I can’t stop loving you” van Ray Charles uit de koker van Don Gibson komt en dat ik “Oh, lonesome me” van wel acht andere bekende artiesten heb. Op mijn verzameling kom ik ook andere hits tegen, ook door hemzelf gezongen en gespeeld, o.a. “Sea of heartbreak”, “Lonesome number one” (daar is-t-ie), “Just one time” en “Blue, blue day”. Is er nog meer moois te bespeuren? Ik weet het: of een liedje een hit wordt, hangt niet alleen van het liedje en de performer(s) af, maar ook van de mensen die het promoten en zelfs is het voor een behoorlijk deel allemaal een raadsel, toeval. Dat gezegd hebbend wil ik jullie toch ook wijzen op andere nummers van Don Gibson zoals “”Who cares”, “Sweet dreams”, “One day at a time”, “Bring back your love to me” en “Is this the best I’m gonna feel”. En hoewel ik niks met God heb, doe ik “I need thee every hour” er nog eens bij.
In Las Palmas is alweer de achttiende editie gaande van het jaarlijkse “Festival Internacional De Cine”, van 6 t/m 15 april. Het uithangbord is deze keer het drietal apen van “horen, zien en zwijgen”. (Dat moet natuurlijk “niet horen, niet zien en zwijgen” zijn. Wie is verantwoordelijk voor zo’n flagrante misser?) Bioscoopcomplex Monopole (zes zalen) in Triana, bij de Plaza de las Ranas, en een paar omliggende feestzalen is waar het gebeurt. Van eerdere jaren herinner ik me dat ik toen niet echt veel sensatie gewaar ben geworden. Eigenlijk verwacht je, zeker bij de opening, meer vuurwerk. Ik heb intussen wel een prima “programación y horarias” tot mijn beschikking - die liggen gratis overal – en zelfs een heel boekwerk voor de films en aan de achterkant voor de muziek. Om nou te zeggen dat ik al vanaf dag 1 zit te popelen: nee, dat kan ik er dus niet van maken. Een belangrijk bijkomend euvel vind ik dat de meeste films Spaanstalig zijn en zonder onderschrift gaat dan bij mij nog steeds veel verloren. Als de films niet Spaanstalig zijn, maar bijv. Albanees – ik zeg maar wat – word ik verondersteld heel goed de Spaanstalige onderschriften te volgen om in detail bij de les te blijven.
Eerder (vorig jaar?) heb ik in wetenschapsmuseum Elder bij mij om de hoek in het kader van het filmfestival een Amerikaanse film uit de jaren zeventig gezien over het leven van mensen in een flat met vele tientallen verdiepingen. Ik herinner me dat gaandeweg echt alles in het gebouw fout ging. Ik vond die film – hij was gelukkig in het Engels (maar met Spaans onderschrift) – ondanks zijn gedateerdheid best te pruimen. En ik hoefde niet met de bus voor naar Monopol. Hij draaide in museo Elder en dat is nog steeds op Santa Catalina.
In deze achttiende editie van het filmfestival staat de Elder-bijdrage in het teken van de “Estrella roja”, rode ster. De naam is zorgvuldiger gekozen dan ik aanvankelijk voor mogelijk houd. Het gaat om Oost-Europese speelfilms uit de communistische tijd, die alle vier met ruimtevaart van doen hebben. Dat was in de nadagen van de koude oorlog een “hot item”. Zowel de USSR als de VS wil laten zien dat ze beter zijn dan de ander.
De vier films op dinsdag t/m vrijdag deze week in museo Elder zijn:
Dinsdag: Planeta Bur (1962), Rusland, 78 minuten.
Woensdag: Ikarie XB-1 (1963), Tsjecho-Slowakije, 88 minuten.
Donderdag: Solyaris (1972), Rusland, 165 minuten.
Vrijdag: Eolomea (1972) , Bulgarije, 78 minuten.
Zal ik me weer eens bezondigen aan een of meer Oost-Europese rolprenten van lang geleden? Vooruit, dus kijk ik woensdagavond na een 5 minuten inleiding van een filmdeskundige met een mannetje of 10-15 naar de zwart-witfilm Ikarie XB-1 uit 1963 van regisseur Jindrich Polák .
Ikarie is het ruimteschip, waarmee in het jaar 2163 (twee honderd jaar later) een groep Tsjechen een tocht onderneemt naar het sterrenstelsel Alpha Centauri buiten ons zonnestelsel, met een “witte planeet” die vergelijkbare leefomstandigheden zou kennen als op de aarde. Het voertuig waarin ze zitten, is best ruim, met van alles erop en eraan en slaapgelegenheid voor zon twintig mensen. Er gebeuren naast leuke (bijv. een verjaardagsfeestje) ook best akelige dingen onderweg. O.a. komt men een ruimteschip uit 1987 tegen met allemaal doden erin en moet er een oplossing gezocht worden voor een probleem met enkele motoren. Robothulp in deze communistische film is er in de vorm van Patrick, een beetje vergelijkbaar met HAL van Stanley Kubrick’s “2001, A Space Odyssey”. Op 60 uur van hun doel vallen alle inzittenden allemaal in slaap, een etmaal lang, om daarna wel weer fris aan hun apparaten te gaan zitten. Lukt het de ruimtevaarders om de witte planeet te bereiken?
Ik heb “Ikarie XB-1” best een onderhoudende film gevonden, maar enigszins gedateerd blijft hij wel. Om het af te leren zal ik op donderdag nog eens naar museo Elder gaan, dan voor Solyaris.
Tussendoor overdag zit ik literatuur te bestuderen over yoga en haar al dan niet vermeende effectiviteit. Studente heeft me een complete verhandeling van ruim 100 bladzijden toegezonden per computer over wat yoga eigenlijk is, wat voor vormen er zijn en hoe je die moet beoefenen om er maximaal profijt van te kunnen trekken. De twee auteurs van de verhandeling heten allebei Dayanidy van achteren, dus het zal wel een echtpaar zijn. Het duizelt me wel een beetje, als ik bij hen lees over zaken als asana (goede houding), shat kriyas (actie), pranayama (goed ademen), bandhas & mudras (energie) en dyana (emotionele stabiliteit). Geregeld wordt er ook bij verteld, hoe goed een en ander wel niet is voor lichaam en geest. Echter, van up-to-date wetenschappelijke literatuur op dit terrein moet de klapper het niet hebben. Wel gaat op het einde een heel stuk over hoe je de yoga bij jezelf en anderen aan de man of vrouw moet brengen.
Als kritische onderzoeker denk ik intussen: zou er überhaupt wel goede literatuur zijn over effectiviteitsonderzoek? In de periode rond 1990 toen ik nogal geïnteresseerd was in het (on)nut van alternatieve gezondheidszorg, is het eigenlijk niet erg bij me opgekomen om naar literatuur over yoga te zoeken. Wonderwel zie ik nu bij de referenties van recente artikelen en reviews op yoga-terrein en daarna ook op Pubmed en dergelijke echt van alles verschijnen. Gecontroleerde experimenten naar het nut van yoga zijn vooral na 2000 verschenen, denk ik, als ik vlotjes voor de eerste keer door de literatuur ga.
Ziektes waarbij yoga zinvol zou kunnen zijn, met bijbehorende gecontroleerde experimenten, zijn o.a. moeheid en slaapproblemen na de behandeling van borstkanker met (ook) chemo, ongemak van astmatische bronchitis (COPD), chronische of terugkerende rug- en nekklachten, problemen bij colitis ulcerosa/ileitis regionalis en terugkerende hoofdpijn. Speciale aandacht is er ook voor onderzoek naar stressmanagement in het algemeen. Een nagenoeg onoverkomelijk methodisch probleem bij de interpretatie van de studies is dat met name de patiënten in zeg maar alle onderzoek niet geblindeerd zijn. Er is dan alle ruimte voor foutpositieve uitkomsten. In het beste geval wordt de yoga-behandeling gezet tegenover een andere, zoals stretching. (De meeste studies bij andere niet-medicamenteuze behandelingen lijden aan hetzelfde euvel, helaas. Daar zou eens iemand veel werk van moeten maken.)
Ik ben oprecht benieuwd waarmee vierdejaars medisch studente Aleida de volgende keer op de proppen gaat komen. Ons rendez-vous voor komende maandag is helaas afgelast; het wordt met Jorge de maandag de week erop, op 23 april a.s.
Je hebt zo van die artiesten bij wie je niet rust tot je alles op je schijf hebt staan. Een beetje vreemd is het, maar bij mij is dat naast anderen het geval met Neil Young, de in 1945 geboren, permanent getormenteerde (naar mijn idee) popartiest uit Toronto. Zijn vroege werk heeft ervoor gezorgd dat ik hem nog altijd “bijhoud”. Zelfs de CD “A Letter Home” voor zijn moeder uit 2014 heb ik me een paar jaar terug nog toegeëigend (toen ik hem op Centre Ceramique in Maastricht zag liggen). Misschien ben ik intussen niet meer 100% bij, maar de bijdrage van Neil Young uit 2016 heb ik toch weer in huis. Ze heet “Peace Trial” en hier zijn de tien nummers:
01.Peace trail
02.Can’t stop workin’
03.Indian givers
04.Show me
05.Texas rangers
06.Terrorist suicide hang gliders
07.John Oaks
08.My pledge
09.Glass accident
10.My new robot
Neil Young, het is en blijft – ook in de herfst van ons beiderzijds leven – een rare vogel, maar mij ontroeren kan hij op zijn tijd nog altijd. Zijn zoveelste CD “Peace Trail” vind ik eigenlijk best goed. Na enkele keren afdraaien gaat mijn voorkeur deze keer uit naar titelnummer “Peace trail” en verder ook “Show me”, “John Oaks”, “Glass accident” en “My new robot” (from amazon.com).
Op donderdagavond zit ik om 6 uur ten tweeden male in museo Elder, nu voor een verhaal dat in een Russische ruimtestation speelt. De film uit 1972 heet Solyaris, is van regisseur Andrei Tarkovsky en het is echt wat je noemt een “largometraje”: hij duurt maar liefst twee uur en drie kwartier, na de korte inleiding en reclame tot bijna 9 uur.
Met de namen van de hoofdrolspelers zal ik jullie niet lastig vallen, wel met hun namen in de film. In een ruimtestation op een maan van een verre planeet is plaats voor 85 ruimtevaarders, maar er wonen er nog maar drie, van wie er ook nog eentje, Guibarian, dood blijkt te zijn. De andere twee heten Snaut en Sartorius en zeker de laatste heeft ook zo zijn kuren. Psycholoog Kelvin, voornaam Kris, komt poolshoogte nemen, maar veel bereiken doet hij niet. Sterker nog, gaandeweg zie ik ook hem in de vergetelheid wegzakken. Hij krijgt hij steeds vaker zijn vriendin Hary voor ogen, die tien jaar eerder overleden is. Kris Kelvin is wat blij, als hij weer terug naar het aardse leven kan.
Een heel mooi stukje vind ik, als omstandig wordt ingezoomd op een prachtig schilderij van Pieter Breugel - wie kent hem niet - waarop o.a. een heleboel schaatsers in de weer zijn. Even denk ik dan zelfs dat ik naar een werk van Jeroen Bosch zit te kijken. Terug naar het verhaal van de film geef ik jullie eerlijk toe dat ik niet alle details van de film meekrijg, maar de hoofdzaken blijven me bij. Het is trouwens best een hele zit, zo’n lange film in het Russisch met Spaans onderschrift. Terzijde: iets meer echte ruimtevaart had er voor mij best in gemogen. Als het al donker is om 9 uur, verlaat ik musea Elder weer met een glimlach op mijn gezicht.
Van het voetbal in de Champions League, de returns in de kwartfinale, heb ik niks live gezien. Het was nu de heenwedstrijden wel bekeken, vond ik, maar daar heb ik me schromelijk in vergist. Na de loting voor de halve finales heb ik op vrijdagmiddag nog steeds een raar gevoel in mijn buik.
Afgelopen dinsdagavond doet Liverpool wel wat het moet doen na de 3-0 thuis. Uit tegen Manchester City wordt opnieuw gewonnen, nu met 1-2, oké. Echter, AS Roma speelt het ongelooflijke klaar om thuis in de terugwedstrijd van Barcelona te winnen met 3-0. Details kan ik jullie niet geven, maar Barcelona, dat in Nou Camp toch heer en meester over Roma was met 4-1, vliegt er genadeloos uit.
Woensdagavond doet Bayern München thuis niet erg zijn best, waardoor het tegen Sevilla 0-0 blijft, maar daarmee zit de Duitse kampioen – in Sevilla was het 1-2 – wel weer in de halve finale. Dan hebben we nog de thuiswedstrijd van Real Madrid tegen Juventus. In Turijn werd het maar liefst 0-3 voor Real en kan het dan nog wel misgaan? Zie Barcelona de dag ervoor. Juventus loopt in het Bernabeu schaamteloos uit naar 0-3. Als de reguliere speeltijd voorbij is, volgt nog een handje extra minuten. Dan vindt de Engelse scheidsrechter Michael Oliver het in minuut 93 tijd om Real een handje te helpen, hij kent Real een dubieuze strafschop toe. Als aanvoerder en keeper Buffon van Juventus daartegen protest aantekent, krijgt Oliver zogenaamd een duw van hem en volgt een rode kaart, “fuera”. Cristiano Ronaldo mag daarna voor Real de 1-3 aantekenen en als toetje ook nog eens zijn shirt uittrekken. Ik ben blij dat mijn borstkas niet zo opgezet is als die van de Portugees in Madrileense dienst.
Wat ik er ook van mag denken, de halve finales dit voelbaljaar zijn Bayern München tegen Real Madrid op 24 april en 2 mei en Liverpool tegen AS Roma op 25 april en 1 mei. Bayern tegen Real laat ik me op 24 april zeker niet ontgaan. En voor wie ook nog de halve finales van de troostronde van de UEFA wil weten: daarin spelen Arsenal en Atletico Madrid tegen elkaar alsmede Olympique Marseille en Salzburg.
Op vrijdagavond laat ik het filmfestival voor wat het is. Het is tijd om gewoon weer eens op mijn laptop een Engelstalige film uit de oude doos op te zetten: “The Black Windmill” van regisseur Don Siegel uit 1974. Michael Caine speelt daarin een geheim agent van het Britse MI6, wiens zoontje gekidnapt is. Hij rust uiteraard niet voordat hij het kind weer terug heeft. Ik had de film best in bijv. het Russisch kunnen afdraaien, als “Estrella roja”, maar wat is er tegen de originele Engelse versie, niks toch? Als extraatje kan ik hem ook nog eens in het Nederlands ondertitelen, wel zo prettig voor de variatie.
Een en ander kan echter niet verhullen dat ik de film tegen vind vallen. Ik heb Michael Caine al in betere films zien acteren. Voor mij is zijn hoogtepunt een film waarin hij een permanent in de olie zijnde leraar Engelse literatuur speelt, met een eersteklas tegenspeelster die zich wil bijscholen. De naam van de film en van de dame ben ik even kwijt, maar daar kom ik nog wel eens op.
Morgen, zondag 15 april, kan in Nederland PSV al landskampioen worden, als het thuis van Ajax weet te winnen. En eveneens morgen staat in Maastricht en omstreken de Amstel Goldrace op het programma. Om half 11 vertrek het complete peloton vanaf de Markt voor een langdurige tocht door het heuvellandschap.
Hier in Las Palmas ga ik op de zaterdagmorgen eens een nieuw plaatje opzetten. Ik heb jullie eerder wel eens verveeld met Madeleine Peyroux, een jazz-zangeres naar mijn hart. De dame uit Georgia en andere delen van de VS, met in haar jonge jaren nog eens Parijs als standplaats, is van 1974; a.s. woensdag 18 april wordt ze 44. Jullie weten toch wel dat ze naast diverse soloplaten – ik heb ze intussen allemaal, geloof ik – ook een CD heeft gemaakt samen met ene William Galison, een muzikant uit New York? Hij is intussen vooral bekend vanwege het in- en uitblazen op een mondharmonica. Kennen jullie zelfs Madeleine Peyroux als helft van het duo nog niet? Dan wordt het hoog tijd dat we samen eens ons oor te luisteren gaan leggen bij hun gemeenschappelijke inspanning: “Got You On My Mind” uit 2004. Hier zijn de nummers van de CD:
01.Back in your own backyard
02.J’ai deux amours
03.Flambée mantalbanese
04.Got you on my mind
05.Jealous guy
06.The way you look tonight
07.Rag for Madl
08.Playin’
09.Shoulda known
10.Heaven to me
11.Heaven help us all
Natuurlijk is dit alweer een heel mooi album van Madeleine Peyroux. Extra mooi vind ik “J’ai deux amours” de oude hit van Josephine Baker, “Got you on my mind” en “Playin’”. Vlak bovendien William Galvison niet uit met bijv. Flambée mantalbanese” en “Jealous guy” van John Lennon. Als duo komen de twee goed tot zijn recht in “Heaven help us all”.
Dan is het zaterdagmiddag en – surprise, surprise – word ik door Noé op het terras aan Las Canteras verwacht. Mijn jonge collega (40 jaar) woont intussen al weer zo’n drie jaar op Tenerife, een naburig eiland, maar komt af en toe nog weer eens een weekend buurten. Dan spreekt hij kennelijk graag ook weer eens af met mij (en anderen).
Om twee uur loop ik op de boulevard en daar zit hij, aan een voorste rij tafeltje bij La Oliva, samen met psychologe Lorena. Lorena blijft maar even, want die moet nodig een cadeautje gaan kopen en dan naar een verjaardag. Dan verschijnt Juli die met Noé en mij alle tijd van de wereld lijkt te hebben. Even later vertrekken we voor onze lunch, “almuerzo”, naar Amigo Camilo om de hoek. Zie ik mezelf toch nog mijn vermaledijde “sancocho” bemachtigen, met “cherne y gofio”. Het woord “cherne” is hetzelfde als “cherna”, vertelt Juli me trots en het staat voor zandbaars. Omdat er een rij wachtenden is bij Amigo Camilo – in de zaak zelf zit het propvol – trekt Noé een nummertje en gaan dan voor een aperitief eerst naar NYC Taxi verder op. Ietsje later, even over 3, is het onze beurt en krijgen we een acceptabel vierpersoons tafeltje aan het water (oceaan) toegewezen.
Dan blijkt – potverdriedubbeltjes – dat ze vandaag mijn “sancocho” niet hebben. Een beetje “verpopzak” laat ik het dan maar aan Noé en Juli over bij de keuken de visgerechten uit te zoeken. Snel staan een fles wijn, bier en spa op tafel. De wijn is een rode Malvascía van een speciale druif, uit Lanzarote. Erbij is ook al een schaal met “pan bizcochado”, tot beschuit te stampen brood. (Terzijde, van ander dan witbood heeft men onder Canariërs in een zaak als Amigo Camilo geloof ik nog nooit gehoord.)
Als ik vertel dat ik met Trudie in juni naar Noordwest-Spanje ga, ook naar Asturië, komt vanzelf naar voren dat we daar dan zeker aan de locale cider moeten en uiteraard “cachopo” moeten gaan eten. Laat ik nou vergeten zijn om het antwoord op te schrijven wat “cachopo” ook al weer is. Ik heb het ook niet meer in mijn hoofd. Dat blijft dus nog twee maanden een verrassing, tenzij ik bijv. Jorge of Isabel ermee lastig zal vallen.
Als voorgerecht komen er drie schalen op tafel: gebakken inktvistentakels, kleine sardientjes en een gemengde salade met tonijn. Om de tapas en het hoofdgerecht op te fleuren verschijnen er ook twee bakjes met rode en groene saus (“mojo picón y verde”). Het hoofdgerecht bestaat deze middag bij Amigo Camilo vooral uit vis, “rascacio”, volgens mijn woordenboek bruine schorpioenvis. Er worden als garnering Canarische aardappeltjes in de schil bij geserveerd, “papas arrugadas”. Het nagerecht is een “abuelita”, een combinatie van ik denk twee soorten pudding en slagroom.
Tegen de tijd dat we aan de “postres” toe zijn, heeft Noé meer trek in drankjes van de zaak. Er wordt ons eerst een “orochata + 43” voorgezet - dat is een alcoholisch melkdrankje uit Valencia – en daarna twee keer iets van wodka in een chocoladecrème. Dat krijg je ervan, als je met twee smulpapen van hier aan tafel gaat. De aardige vrouw die ons bedient, Maite, zwaait ons uit, als we vertrekken.
Moe gestreden gaan we vervolgens op zoek naar passende terrasstoelen aan Las Canteras. Het wordt - een flink eind verder op - café Vigo, niet ver van Bar La Peña, waar Marcel mooie herinneringen aan heeft. Als ik over de keur aan tapas in die zaak vertel, wordt mij dringend aangeraden om ook eens naar een tweede Casa Carmelo te gaan, met de ondertitel “Los Pulpitos”. Het restaurant ligt op de hoek van de calle Secretario Padilla met de calle Perú. Ter plekke neem ik me voor om daar dan maar eens een keer solo te gaan eten. Het is jammer dat Trudie en Marij deze winter hun gezicht niet meer laten zien; anders zou “Los Pulpitos” een mooi idee voor een uitje van ons drieën zijn.
Ander onmiskenbaar terrasnieuws betreft o.a. Noé’s uitstapje naar Lissabon. Het blijft voor hem een pracht van een stad, maar van de diverse fado-avonden in speciale café’s wil hij vanaf nu het liefste verschoond blijven. De zaken zijn tegenwoordig avond aan avond gevuld met toeristen die perse op de melancholische muziek getrakteerd willen worden. Aanbevelenswaardig volgens Noé is een “Lisboa licor” met de naam “ginga” of “ginginha”. Ik maak er in deze brief van dat het een of ander drankje met gin moet zijn of een ginger ale.
De recente liefdes van de twee vrijgezellen komen op het terras ook ter sprake. Van Noé krijgen we omstandig het laatste nieuws over zijn verovering Laura te horen. Hij heeft me er al eerder over verteld. Ze is een niet al te rijke advocate in Madrid en houdt wel van een glaasje. Het is intussen met haar al zover dat hij het ene weekend in Madrid bivakkeert en zij het volgende in Santa Cruz de Tenerife. Ik opper dat hij haar vandaag best had kunnen meenemen naar Las Palmas, dan had ik haar hier eens kunnen “keuren”. Zo ver is het nog niet helemaal, krijg ik als antwoord, maar dan komen wel al een paar kiekjes van haar te voorschijn op zijn mobiel. Hij stuurt ook een net gemaakte foto van ons drieën naar haar op en even later krijgen we van haar vanuit Madrid de “compleminte” terug.
Juli (52 jaar) heeft veel meer moeite om over een vriendin te praten, waar hij zijn zinnen op heeft gezet. Met haar wil hij eigenlijk best wel meer wil dan handjes geven en luchtkusjes en onlangs heeft hij dat haar ook uiterst voorzichtig laten weten. Het wachten is nu op haar eventuele toenadering. Juli vindt het vooralsnog allemaal te pril om ons in detail over “man en paard” of liever “vrouw en merrie” te vertellen. Zelfs haar naam houd hij nog even voor zich.
Terzijde zijn beiden het erover eens dat mijn LAT-relatie met Trudie precies is zoals zij zich hun toekomst met dames wensen. Ik heb maar geboft! Dan gaat het liefdesgesprek weer meer in algemene zin door, met name over internetsite Tinder. Daar kun je tegenwoordig schaamteloos terecht voor allerlei soorten afspraak met het andere geslacht: van samen eens wat gaan drinken tot linea recta de koffer in. Mij staat bij dat ik over Tinder ook wel eens in de Euregio gehoord heb, maar me er echt in verdiepen is iets anders. Als ik mijn Spaanse kompanen mag geloven, leg je vandaag de dag meestal je contacten niet meer via bijv. je buurt, werk of hobby, maar doe je dat frank en vrij op je laptop. Ik zie me nog niet een profiel van mezelf via Tinder aanmaken en dat dan de boze buitenwereld insturen. Ben ik oud aan het worden?
Vlak voordat ik weer naar de Luis Morote vertrek, krijg ik nog van alles anders mee van Noé en Juli. Hoe noem je een straathond in het Spaans of Canarisch? Voor het “drekbakkenras” hebben ze hier de naam “mil leches” (duizend keer melk), perro sato (?) en chucho (mormel) bedacht. Dat “chucho”heb ik overigens wel eens eerder gehoord, bedenk ik achteraf. Ik kan het niet laten en vraag Noé naar de kop van de Bandido-reclame van Tropical, die ik jullie eerder al voor heb gezet: “Bejo & Locoplaya”. Zijn antwoord is simpel: dat is een hiphopduo uit het Canarische eiland El Hierro, dat tegenwoordig bij de jeugd heel populair is. Waar het woord “Bejo” precies vandaan komt, is hem net zo duister als mij. Op volgende week moet ik ze op de Bandido-bijeenkomst hier maar eens aan het werk zien; ze zijn best in orde.
Zijdelings zie ik dat Noé zijn mobiel intussen aan tafel aan het opladen is met een “cargador”, een oplader. Het laatste uur schuift een best spraakzame vriendin van Noë en Juli, een balletlerares genaamd Luana of zo, aan bij ons aan tafel en niet veel later is ook die met een oplader in de weer. Is dat het nieuwste van het nieuwste met al die bijzondere apps op je mobiel? Lopen steeds meer mensen ook nog eens met een oplader over straat?
Als het drietal met mij om half 9 naar de live muziek in de buurt van Noé’s vroegere flat wil gaan, haak ik af. Van 2 uur tot over 8 lijkt me lang genoeg. Een half uurtje later zit ik met een boek, enige drank en gefrituurde amandelen weer op mijn balkonnetje. Waarschijnlijk zien Noé en Juli me nog weer een keer half mei, voordat ik weer naar het hoge noorden afreis. Een optreden van de balletdanseres en haar leerlingen op 19 mei komt net te laat voor me.
Op het verstrekken van koffie en thee wordt veel geld verdiend in de horeca. Misschien om die reden is het in de Verenigde Staten usance dat je in een nering een gratis “refill” krijgt aangeboden. Waarom gebeurt dat hier in Las Palmas en ook in de Lage Landen niet ook? Als ik in Maastricht bijv. een café zou openen, zou ik ermee beginnen om de koffieaanbidders en theeleuten nog eens zonder betalen eens een keer bij te schenken. Uiteraard zou ik er tegelijker tijd wel ook reclame voor maken. Ik vrees dat ik op die manier een heleboel klanten bij andere zaken weg zal snoepen.
Heb ik nog ander nieuws op zondag, rustdag? PSV heeft met 3-0 van Ajax gewonnen en mag zich opmaken voor een rondrit door Eindhoven Centrum. In Engeland heeft Man U een steek laten vallen en daardoor is stadgenoot Manchester City nu al landskampioen geworden. Wat is de uitkomst van de Amstel Goldrace? Die is uiteindelijk uitgemond in een sprint tussen twee niet-Limburgers, zelfs niet-“Hollenders”. De Deen Michael Valgren verslaat Roman Kreuziger en mag zich de nieuwe winnaar van de enige voorjaarsklassieker van Nederland noemen.
Op maandag ben ik blij dat ik weer eens naar de universiteit kan. Het wordt wat vanmiddag. Harry heeft me eerder gemaild, maar om mysterieuze reden heb ik zijn mailtje per ongeluk gedeletet. Gedeletet? Dat maakt mijn woordenboek ervan, nadat het daarvoor gedeleet had afgewezen. Verder hoop ik vanmiddag nog eens met Jorge te kunnen praten over het yoga-onderzoekje van Aleida. Omdat onze samenkomst met haar is uitgesteld tot volgende week maandag, krijgen jullie ook pas weer een nieuwe brief van mij op die dag. Voor wie mij nog op en top bijhoudt: houd 23 april in de peiling.
Intussen zit Marion van Ton met de directe familie voor twee weken op Aruba. Ze vertrekken overmorgen en komen begin mei weer terug. Aan hen zal ik best eens denken, zeker met Luno’s verjaardag op 28 april, maar waar ze zitten, is wel wat je noemt een afstand. Daarbij is Las Palmas met zijn 4½ vliegtijd maar een kippeneindje. Voor de grote rest van jullie heb ik voor de komende week als “kemissie”: neem het er eens van, nu het nog kan. Zeker overdag is april best te genieten en een buitje op zijn tijd is goed voor het gras en de liguster. Hier speel ik onverminderd de vrolijke Frans en stel mijn terugkeer naar jullie nog ruim een maand uit. Tot ziens, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek is het nieuwste van Dan Brown. Het is uit 2017, heet “Origin” en mijn vertaler op de e-reader maakt daar “Oorsprong” van, prima. Het speelt in Spanje, met name in Bilbao en Barcelona, terwijl ook Madrid en omgeving aan bod komen.
Het verhaal begint in het aparte Guggenheim museum in Bilbao. Computernerd en futuroloog Edmond Kirsch houdt daar een lezing, waarin hij voor een uitgelezen gezelschap van zo’n 200 personen uit de doeken gaat doen waar we vandaan komen en waar we heen gaan. Ik heb wel eens minder interessante onderwerpen voor een lezing gezien. Professor Robert Langdon, die uiteraard van diverse eerdere boeken van Dan Brown bekend is, is er de speciale gast, met computerstem Winston om hem terzijde te staan. Dan, als Edmond Kirsch net over zijn ontdekking wil vertellen, wordt hij doodgeschoten door een gast die op het laatste moment aan de lijst van genodigden is toegevoegd: ex-admiraal Luis Ávilon. Die blijkt een bekend lid van de Palmeriaanse Kerk te zijn, met een alternatieve paus aan het hoofd. Ávilon weet te ontkomen, maar Robert Langdon en de directeur van het museum, Ambra Vidal, gaan achter hem aan.
Ambra Vidal is tevens de toekomstige koningin van Spanje, sinds kroonprins Julián (is dat Philip, Felipe?) haar onlangs tijdens een televisie-uitzending ten huwelijk heeft gevraagd. De oude koning is op sterven na dood. Al snel blijkt dat die met zijn boezemvriend aartsbisschop Antonio Valdespino een aparte rol in het verhaal speelt. Andere belangrijke mensen in het paleis in Madrid zijn Diego Gaza van de “Guardia Real”, de jonge voorlichtster Mónica Martin en ene Bhalla Suresh van de beveiliging. Het koninklijk gezelschap blijft de hele tijd in de buurt van Madrid, het naburige El Escorial en de Vallei van de Gevallenen. Robert Langdon en Ambra Vidal verkassen echter al snel naar Barcelona op zoek naar een wachtwoord om de presentatie van Edward Kirsch alsnog via het internet de wereld in te sturen. Eerst zitten ze in Casa Milà, dan in de Basilica de la Sagrada Familia, allebei organische werken van Antoni Gaudi. waar ze zich trouwens Luis Ávilon en anderen van het lijf moeten houden. De finale is in een voormalige kerk, die door Edward Kirsch is omgebouwd tot zijn computercentrum. Gaandeweg heeft het avontuur zoveel aandacht van de pers gekregen dat meer dan 200 miljoen mensen live naar de uitzending kijken, als Edward Kirsch eindelijk postuum zijn zegje mag doen.
Het is een echt Dan Brown boek dat ook qua stijl niet onder doet voor diverse van zijn eerdere verhalen. Waren eerder wereldsteden zoals Londen, Parijs, Rome en Washington het toneel, nu is vooral Barcelona het middelpunt. “Origin”, oorsprong voor de ongeletterden, leest als een trein; ik heb het in twee dagen uit. Wel krijg ik (alweer) een beetje last van mijn persoonlijke Dan Brown-euvel: het gaat maar door en dan begin ik gaandeweg steeds meer naar het einde te verlangen. Dan Brown krijgt er van mij als recensiecijfer een 8- voor, best in orde.
Mijn tweede boek is van een oude rot in het spionnenvak: John le Carré. Ik heb echt alles van hem gelezen en zijn laatste nieuwe: “A legacy of spies” uit 2017 moet er deze week maar eens aan geloven. Ik lees het boek op mijn e-reader in het Nederlands als “Een erfenis van spionnen”. Het speelt vooral in Londen, maar ook een beetje in Bretagne, Berlijn en elders.
Hoofdpersoon is Peter Guillam, in het heden en rond 1960, als hij als beginnend Brits spion zijdelings betrokken is bij een operatie in Oost-Berlijn. Die loopt fataal af voor twee agenten: Alec Leamas en Liz Gold. De voorgeschiedenis van die gebeurtenis wordt in het boek uitgebreid uit de doeken gedaan. Een Brits spionagenetwerk in Oost-Berlijn met arts Karl Riemck (Mayflower) en wulpse dame Doris Gamp (Tulip) wordt na een tijdje opgerold door de communisten. Voor Tulip gebeurt dat zelfs pas, nadat ze al veilig naar Engeland is uitgeweken. De dader van de moord op haar daar, een hoge Oost-Duitse Stasi officier genaamd Hans-Dieter Mundt (Windfall), wordt vervolgens wel opgepakt en dan door George Smiley verplicht om voor de Britten te gaan spioneren in Oost-Berlijn. Dat lukt overigens maar zeer gedeeltelijk. Er komt via Windfall wel het nodige materiaal naar het westen, maar hij lapt ook bijv. zijn tegenstrever Fiedler erbij, als die het door heeft en hij is het die getuigen Alec en Liz bij de Muur doodschiet – zogenaamd op de vlucht. Daarna verdwijnt Hans-Dieter Mundt naar Moskou.
We zijn intussen vele decennia later, maar het precieze jaar weet ik zo vlug niet. De criminele zoon van Alec, Christoph, vindt dat hij van de Britse geheime dienst, met name van Smiley en Guillam, wel een miljoen pond of zo kan los krijgen als genoegdoening. De tegenwoordige juridische dienst probeert, vooral in de persoon van Bunny en Laura (geen achternaam), om Peter Guillam met terugwerkende kracht schuld te laten bekennen aan het eerdere debacle. Als de hem toegewezen advocate Tabitha het ook niet meer weet, smeert Peter Guillam hem en gaat op zoek naar zijn oude leermeester.
Boeken van John le Carré zijn steeds weer opnieuw een lust om te lezen. Zijn “A legacy of spies” is een bijzonder vervolg op veel eerder werk zoals “”The spy who came in from the cold”. Hoewel ik de toenmalige afloop nog ken, vind ik het nieuwe verhaal erover best weer spannend genoeg. De hedendaagse toevoeging maakt het verhaal er alleen maar leesbaarder op. Voor “A legacy of spies” krijgt de bejaarde spionagemeester een volle 8 van me. Ik hoop maar dat le Carré binnenkort nog weer eens opnieuw van zich laat horen.
maandag 16 april 2018
maandag 9 april 2018
Weblogbrief 13.24, 9 april 2018
Weblogbrief 13.24, 9 april 2018
Querid@s amig@s y familia, er is weer een hele week Las Palmas voorbij en jullie zullen ongetwijfeld uitzien naar mijn belevenissen van de beloken paasweek. Niet? Dan heb ik pech gehad, maar doe net of ik het niet gehoord heb en begin gewoon aan mijn terugblik. Niet geschoten is altijd mis, dus wie weet, keert het tij nog.
Afgelopen maandagmiddag kijk ik op de universiteit enthousiast uit naar Jorge, maar die komt pas om 5 uur aanzetten. De vierdejaars studente, Aleida, die eerder al aan ons bekend heeft in yoga geïnteresseerd te zijn, er zelf ook aan te doen, heeft aan Jorge eerder drie recente artikelen gestuurd. Mijn Canarische collega moet ze helaas nog even gaan kopiëren, voordat ik me erin kan verdiepen. Als ik vervolgens het eerste artikel uiterst vluchtig doorkijk, zie ik direct al een referentie die verwijst naar weer een ander effectiviteitsonderzoek over yoga. Jorge vertrekt weer, nu om dat stuk op te gaan zoeken en te kopiëren. Ik heb nauwelijks of geen tijd om de drie artikelen door te nemen, maar zie wel in het vierde artikel allerlei verwijzingen naar eerder onderzoek staan, ook naar enkele vrij recente reviews.
Dan staat Aleida voor de deur. Ze toont de gedrevenheid die bij zo iemand past en maakt op mij bovendien een charmante indruk. Ik zou haar best onder mijn hoede kunnen nemen, als ik nog voltijds werkte en zij de jonge onderzoeker zou willen zijn. (Dus vind ik het jammer dat ze naar eigen zeggen nu al min of meer voor neurologie als specialisatie heeft gekozen, met autisme als hoofdonderwerp. Het vak blijkt hier dichter tegen de psychiatrie aan te zitten dan in Nederland.) De tweede student van Jorge, die bij de eerdere bijeenkomst niet erg aanspreekbaar was, is deze keer verhinderd vanwege een probleem met zijn gebit, vertelt Aleida ons; hij is naar een tandarts. Wordt het nog wat met die student, vraag ik mij serieus af?
Jorge en ik leggen Aleida uit dat we nog niet uitgelezen zijn, maar best al met haar over het onderwerp willen praten. Het wordt vervolgens een geanimeerde discussie. Ik vraag haar om een eenvoudig stukje over wat eigenlijk onder yoga verstaan wordt en wat er in yogakringen zo al gedaan wordt. Daar gaat ze achteraan en ze zal me snel iets opsturen. Ook zal ze in Pubmed en bij de referenties naar andere RCT’s over de effectiviteit van yoga gaan zoeken en potentieel interessante andere artikelen downloaden.
Een echte agenda van onze bijeenkomst hebben we niet; die moet er de volgende keer wel zijn, vind ik. Het onderwerp blijft vooralsnog een beetje in de lucht hangen. Over twee weken komen we opnieuw bij elkaar. Met Jorge alleen zal ik tussendoor, over een week, nog een nieuw gesprek over het onderwerp hebben. Dan wil hij het met me hebben over hoe je een eventueel nieuw onderzoek het beste kunt opzetten. De vier artikelen in ons bezit hebben we dan intussen bestudeerd.
Om 7 uur maandagavond nemen we alle drie dezelfde bus 12 terug naar de bewoonde wereld, ieder op weg naar zijn eigen huis en haard. Ik laat me afzetten bij het bibliotheekje bij het Castillo de la Luz. Daar lees ik in El Mundo dat de Nederlandse Quick Step-wielrenner Niki Terpstra de dag ervoor de klassieker der klassiekers in België heeft gewonnen: de ronde van Vlaanderen. Waarvan akte en niet zo’n beetje ook! Iets anders van belang voor jullie uit de Spaanse kranten schiet me niet te binnen. Ik lees vooral meer van hetzelfde.
De boulevard is weer minder druk dan in het afgelopen weekend en opschriften op T-shirts van enige importantie, ik zie ze niet, al helemaal niet in het Spaans. Vooruit, eentje! Een veertiger van vrouwelijke kunne loopt langs met “Don’t follow me. I’m lost too”, loop niet achter mij aan, ik weet de weg ook niet meer.
Thuis gekomen zie ik op maandagavond laat twee zwervers beneden bij mij op de bank gaan zitten. Eentje – voor insiders: de man uit Canada – probeert verwoed om de ander, die erbij is gaan liggen, ik denk compleet doorgezopen, weer rechtop te krijgen. Als hem dat van geen kant lukt, blijft hij er als een goede vriend wel naast zitten. Zou er nog politie voorbij komen om het duo van hun plek te verjagen?
Dinsdagmorgen, als ik om half 9 het balkon opzoek, zijn de twee uiteraard weg, ik neem aan naar elders verkast, maar nu kijk ik aan tegen twee vrouwelijke exemplaren op dezelfde bank: een verlopen, maar ondanks alles patente dame, bepakt en bezakt met allerlei tassen en ernaast een dikker en mondiger type in het egaal zwart. De laatste gaat uitnodigend de conversatie aan met langs lopende mensen. Niet veel later krijgen ze allebei een beker koffie aangereikt, die iemand voor ze bij Carlos heeft gescoord.
In een autovrije straat wonen, het heeft zo zijn voors en zijn tegens.
Laat ik voor de variatie maar weer eens een plaatje opzetten. Ik blijk een hele collectie te hebben van zangeres Elis Regina, een stuk of dertig platen. Hoe kom ik daar nu weer aan? Laat ik voor het album kiezen, waarop ze samen speelt met “onze” Toots Thielemans: “Aquarela do Brasil” uit 1969. Zoals dat vroeger ging, staan er twaalf nummers op (aan iedere kant van de LP zes). Terzijde, de hoes met een foto van het dan nog jonge duo heb ik niks aan te merken. Daar gaan we:
01.Wave
02.Aquarela do Brasil
03.Visão
04.Corrida de Jangada
05.Wilsamba
06.Vocé
07.Barquinho
08.O sonho
09.Five for Elis
10.Canto de Ossanha
11.Honeysuckle rose
12.Volta
Ik ga het toegeven: ik ben niet echt een fan van Braziliaanse jazz. Ik heb deze plaat een paar keer afgedraaid, maar ze doet me weinig. Elis Regina vind ik nog het beste tot haar recht komen op het titelnummer “Aquarela do Brasil” en op “Canto de Ossanha”, terwijl flierefluiter Toots Thielemans zijn mondharmonica nog het duidelijkste laat spreken op “Visão”. Misschien ligt het aan mij. In de tijd dat jazz heel populair was, was ik nog niet echt in de jaren des onderscheids.
Overdag ben ik hier steevast in de weer met van alles en nog wat. ´s Avonds verveel ik me evenmin, maar denk in alle oprechtheid wel eens: was er nou maar een mooie film op de buis. Dat los ik af en toe op door er eentje als DVD op mijn computer af te spelen.
En dan hebben we hier eersteklas voetbal, en soms kijk ik (op een terras), als het om topwedstrijden in de “primera división” gaat. Ik hoor de trainer van Atletico Madrid, Simeone, een paar weken terug nog zeggen na de 1-0 nederlaag van zijn club tegen Barcelona: als wij Messi hadden gehad, hadden wij gewonnen. Zo iets blijft je een hele tijd bij.
Drie Spaanse clubs: Barcelona, Real Madrid en Sevilla zitten intussen bij de laatste acht in de strijd om het clubkampioenschap van Europa. Dus: waarom zou ik niet op zijn tijd naar een Champions League voetbalwedstrijd gaan kijken? Met de nodige andere voetbalgekken zit ik op dinsdagavond bij El Palikeo bij Juventus-Real Madrid. De club uit Turijn (waar ik volgens Tonnie van Kalken nog eens op vakantie heen moet) is in zijn overbekende verticaal gestreepte zwart-witte shirts van de partij, terwijl Real Madrid het moet doen met een nagenoeg egaal blauwe outfit. Mijn verslag van die wedstrijd kan deze keer nogal kort zijn. Na nog geen drie minuten puntert Cristiano Ronaldo een bal vanaf ongeveer de penaltystip onhoudbaar in de uiterste hoek, voor Juventus-keeper Gianlugi Buffon links. Verder gebeurt er tot aan de rust niet veel. In de tien minuten reclame gaan maar liefst 15 van de 30 dure reclames van 20 seconden over auto’s. Dan komt in minuut 63 het tweede wapenfeit van de avond, alweer van Cristiano Ronaldo. De sterspeler van de club maakt de 0-2 met een fenomenale omhaal, die jullie ongetwijfeld zelfs op de Nederlandse televisie te zien hebben gekregen. Wat een klasbak! Als vlak daarop Juventus-spits Paolo Dybala rood aan zijn broek krijgt voor een al te forse overtreding en Marcelo in minuut 71 uit een combinatie de 0-3 voor Real mag aantekenen, is de race compleet gelopen. Ik kies hier voor een variant van wat trainer Simeone van Atletico Madrid eerder zei: met Ronaldo in vorm in de gelederen kan de overwinning je haast niet ontgaan. Hij staat deze winter in de Champions League al op veertien goals in negen wedstrijden. De terugwedstrijd in het Bernabeu-stadion in Madrid hoef ik niet echt meer te zien.
Op dezelfde dinsdagavond verliest Sevilla thuis van Bayern München met 1-2 en volgens mij is daarmee het lot van die ploeg ook al definitief bezegeld. Ik zie in de return volgende week in München geen revival van Sevilla meer komen.
Op woensdagmorgen zou Lluis volgens afspraak om 9 uur komen, hopelijk met een nieuw gordijn, maar dat wordt 10 voor 10 en zonder gordijn. Het gaat volgens hem nog wel een maand duren, voordat ik op een vers exemplaar bij het balkon getrakteerd ga worden. In afwachting van die definitieve oplossing heeft Lluis wel een “grapadora”, nietmachine bij zich. Het bestaande gordijn wordt door hem van de rails gehaald en dan begint mijn huisbaas de band met de haakjes op mijn bed beetje voor beetje opnieuw aan het gordijn vast te nieten. Als dat voor elkaar is, gaat hij op een stoel gaatje voor gaatje het zaakje weer aan de rails bevestigen. Het duurt even, maar alles bij elkaar genomen is de klus toch in minder dan een half uurtje geklaard. Ik krijg een ferme hand van Lluis en dan is hij weer foetsie. Eigenlijk ben ik best tevreden met deze oplossing van het probleem.
Intussen, vanaf 10 uur, staat ook mijn “limpiadora” Laura mijn woning te verschonen. In de keuken kilt ze zonder pardon een middelgrote “cucaracha”, kakkerlak, die achter de ijskast verstopt zit. Dan gaat ze ook nog eens met insecticide aan de slag, als ik die voor haar uit de kast onder het keuken tover. Ik heb een maand terug ook wel eens iets doodgemept dat op een kakkerlak leek. Zo gaat dat, als je ter hoogte van de Sahara woont. Aan de andere kant zie ik me een sneeuwruimer in Las Palmas nog niet zo snel aanschaffen (of het zou voor een “karnevalspekske” moeten zijn).
Bij het ligbad, waarin ik me iedere morgen douche, blijkt de kit aan de rand bij de muur los te zitten. Laura haalt hem eraf en vraagt me om nieuwe te halen die zij dan de volgende keer zal aanbrengen: “silicona para juntas del baño”. Dat moet zelfs voor mij, het tegenovergestelde van een doe-het-zelver, te doen zijn. Bij het weggaan vertelt Laura me ook dat ze met vrienden naar Joaquín Sabina gaat op 2 mei. Ze heeft het stukje erover gezien, dat ik op het prikbord heb hangen. Is het niet ook iets voor mij om er heen te gaan? Ik vertel haar dat ik alle studio-CD’s van hem heb behalve de laatste (“Yo Niego Todo”). Zal ik mezelf alsnog op een kaartje voor de Arena trakteren bij El Corte Inglés?
‘s Avonds staat natuurlijk Barcelona tegen AS Roma op de rol, op de “road to Kyiv”; de finale van de Champions League gaat dit voetbalseizoen in Kiev gespeeld worden. Scheidsrechter bij de wedstrijd is de Nederlander Danny Makkelie, die – dat moet ik hem nageven – de voetballers aardig in de hand weet te houden. Tegenwoordig bestaat zo’n scheidsgroep uit vijf mensen: de scheidsrechter met een fluitje, twee grensrechters met een vlaggetje en eentje bij de dugouts voor o.a. de reserves. Waar is de vijfde goed voor? Ik heb geen idee waarvoor die dient. Moet hij de bal oppompen en uitrekenen hoeveel extra minuten erbij komen op het eind?
Om maar met de deur in huis te vallen, ik vind Barcelona-AS Roma geen geweldige wedstrijd, eigenlijk nogal saai. In de eerste helft noteer ik een diagonaal schot van Rakitic tegen de paal in minuut 17 en twintig minuten later de bal in eigen doel van De Rossi, vlak voordat Messi erbij kan: 1-0. In de rust hoor en zie ik dat Liverpool al met 3-0 voorstaat tegen Manchester City; dat is een verrassing voor me. Gaan we naar de tweede helft in Camp Nou. In minuut 55 schiet Manolas vlak voor de voeten van Umtiti de 2-0 voor Barcelona in eigen doel en in minuut 58 maakt Piqué er tot zijn eigen verrassing 3-0 van. Daarna heeft Barcelona er helemaal geen zin meer in, wat zelfs leidt tot een tegendoelpunt door een inzet van Dzeko: 3-1. Gelukkig maakt Suárez er een paar minuten voor tijd met een schuiver nog weer 4-1 van.
Mijn analyse: Barcelona heeft wel royaal gewonnen, maar heeft zich bepaald nog niet de potentiële kampioen van de Champions League getoond. Meestal maakt Lionel Messi bij Barcelona het echte verschil, maar deze keer heeft hij zijn dag niet. Hij komt niet verder dan zich steeds de bal te laten afpakken tussen – dat weer wel – een aantal tegenstanders. Ook zijn spaarzame schoten op doel stellen deze woensdagavond weinig voor. Dat kan en moet beter, anders verklaar ik toch weer Cristiano Ronaldo – zie mijn verslag van gisteren - tot Europees voetballer van het jaar.
Bij de andere wedstrijd: Liverpool – Manchester City blijft het 3-0, begrijp ik van mijn buurman op het terras. Met een beetje goede wil kan ik jullie de vier halve finalisten nu al voorzetten: Real Madrid, Bayern München, Liverpool en Barcelona. Voor de zekerheid moeten we de terugwedstijden van de kwartfinales volgende week wel nog even uitzingen.
Op de vroege woensdagavond vlak voor feliciteer ik Susanne en Arno met hun 41ste verjaardag. Ze mailen mij allebei terug dat ik de eerste ben met de felicitatie. Dat komt, omdat hun gemeenschappelijke verjaardag pas een dag later is. Dat krijg je ervan, als je al te zeer op jezelf bent aangewezen in een ver oord.
Ik begin de donderdag met een plaat van Little Richard (Penniman) op te zetten. Ik heb van alles van de pianist, zanger, ook echt grof geschut als Tutti Frutti en Lucille, maar vandaag duik ik daaronder en kies voor iets onbekender materiaal: zijn CD “Boogie with Richard” die in 2001 is uitgekomen. Hier zijn de negentien nummers:
01.All around the world
02.Bama lama mama loo
03.By the light of the silvery moon
04.Can’t believe you wanna leave
05.Freedom blues
06.Groovy little Suzie
07.Heeby Jeebees
08.Hey hey hey hey
09.Kansas city
10.Little Richard boogie
11.Midnight special
12.Money honey
13.Ready Teddy
14.Shake a hand
15.She’s got it
16.Short fat Fanny
17.Slippin and slidin
18.Taxi blues
19.The hokey pokey
Little (Hoo) Richard (Aw) laat mij weer eens zien hoe rock and roll gespeeld hoort te worden. Op deze plaat krijgt bovendien een mij onbekende saxofonist een eervolle vermelding (net als eerder bij Fats Domino). Nummers zoals “Money honey”, “Ready Teddy”, She’s got it” en “Slippin and slidin” kennen jullie hopelijk nog van heel lang geleden. Echter, wat vinden jullie van bijv. “Bama lama bama loo”, “Can’t believe you wanna leave”, “Hey hey hey hey” en “Shake a hand”? Of ik het nummer al van Little Richard ken, ben ik kwijt – ik heb het ook van Al Jolson, Doris Day en Jackie Wilson – maar mijn hart gaat op deze CD helemaal open bij “By the light of the silvery moon”.
De vier seizoenen, jaargetijden heten in het Nederlands: voorjaar, zomer, najaar en winter. Daarbij hebben we voor het voorjaar en najaar nog andere woorden: lente en herfst. In het Spaans heten “las cuatro estaciones” respectievelijk “primavera”, “verano”, “otoño” en “invierno” en volgens mijn Nederlands-Spaans woordenboek - best uitgebreid - zijn er geen synoniemen, ook niet voor het voor- en najaar. Het is niet anders.
Bovenstaande is slechts als inleiding bedoeld om jullie weer eens met een raadseltje op te zadelen: welke Spaanse woorden rijmen op “primavera”? Laat ik het niet te ingewikkeld maken en jullie alleen vragen naar Spaanse woorden van maar twee lettergrepen. Ik kom zelf uit mijn blote hoofd tot een drietal, maar mijn woordenboek geeft nog drie andere. Laat ik die andere eerst noemen. “Cuera” staat voor (dieren)huid, vel, vooral in het verre Amerika. Een “sera” is een korf, maar meestal zeg je in plaats daarvan “cesta”. En “vera” staat voor rand, oever, hoewel “lado” meer gangbaar is. “A la vera del camino” is aan de kant van de weg.
Dan mag ik nu door naar de gewone woorden. Hebben jullie ze ook alle drie gevonden? Allereerst noem ik “cera”, was in het Nederlands, zoals in “cera de abeja”, bijenwas en “cera para suelos”, boenwas. “Era”, dat staat voor tijdperk, zoals in “era atómica”of “era nuclear”, atoomtijdperk en “era glacial”, ijstijd. Daarnaast staat “era” voor jaartelling, zoals in de “era de Cristo”, de christelijke jaartelling. Blijft over het Spaanse “pera”, peer, een van de vruchten die ik wel te eten vind, zowel de sappige als de harde variant. Zal ik jullie eens enkele uitdrukkingen met “pera” geven? “No ser una pera en dulce” betekent dat is geen kattenpis en “partir peras” is met ruzie uit elkaar gaan. Het woord “pera” heeft daarnaast nog diverse andere minder gangbare betekenissen, waarvan ik hier sik noem.
Aan de Hollandse kant is een geschikte peer een “tio que vale” en een peertje een “bombilla”. Tenslotte, kut met peren voor wie dat graag wil weten, vertaalt mijn onvolprezen woordenboek met “¡qué coñazo!”.
Op de vrijdagmorgen stap ik weer eens richting de Mercado Central om nieuwe koffie te kopen bij “mijn mannetje”. Eersteklas koffie uit Kenia en Columbia, waar krijg je die nog voor 1.90 euro per kwart kilo? Ik koop in totaal zes pakken, vers gemalen, en maak vervolgens een rondje langs andere kramen op de overdekte markt, al was het maar om de sfeer weer eens te proeven. De kraam waar ik nog wel eens “ensaladilla rusa” insla, Russisch ei, is helaas door zijn voorraadje heen. Dat spul zal ik dus deze keer elders moeten kopen, bijv. bij mijn kippenboer op de Alfredo Jones.
Zo waar kom ik bij de uitgang ook nog een schoonheid tegen met een aardig opschrift op haar T-shirt. Mijn spreuk van de dag wordt daarmee: “Baby, it’s cold outside”. En dat, terwijl het toch echt al 23 graden in de schaduw is. Zou het overdrachtelijk bedoeld zijn?
‘s Avonds, als ik van mijn bibliotheekje aan de boulevard over de Guanarteme naar Plaza Farray loop voor een stukje “levende” muziek, zie ik vlakbij het pleintje voor de zoveelste keer een advertentie van Bandido, het keurmerk van Tropical, tegenwoordig met een scheutje rum. De kop van de annonce is: “bejo & locoplaya”. Uit dat “locoplaya” kan ik met enige moeite nog wel wijs worden, gekke strand, maar waar staat dat “bejo” voor? Dat zoeken we op, roep ik tegen mezelf. In mijn woordenboek is “bejin” een stuifzwam en “bejuco” een liaan, maar daartussen in vang ik bot, zelfs ook in mijn “diccionario de argot español” en “diccionario español-canario básico”. Hoe het ook zij: op zaterdag 21 april aanstaande gaat “het” gebeuren, met disc jockeys en allerlei ander gedoe (op de dag dat ‘s avonds Barcelona tegen Sevilla de bekerfinale speelt). Voor verdere details word ik verwezen naar de site www.bandidosecretparty.com. Het is toch geen verlate 1 aprilgrap? Ik zal a.s. maandag op de universiteit eens een kijkje nemen.
Een “moro” is het Spaanse woord voor Noord-Afrikaan, hier vooral Marokkaan. Het heeft bij mijn weten niks denigrerends. Bekend is hier ook het gerecht “moros y cristianos”, volgens mijn woordenboek iets met rijst en zwarte bonen. Toch is mijn “moro”-verhaaltje deze keer niet meer dan een aanloop. Ik wil graag weer eens het woord “morro”onder jullie aandacht brengen, met twee erren. Dat is Spaans voor snuit, bek. “¡Cierra los morros!” is hou je bakkes, zo iets als het Franse “ferme ta gueule”. En “estar de morros” is mokken, ruzie maken.
En zo kom ik vanzelf bij kopvlees. Kopvlees is het vlees van de kop van een varken, in het Spaans heet dat ook “morro”. Terzijde, hoofdkaas (Spaans: “queso de cabeza”) is iets heel anders. In het verleden kocht ik mijn “morro” graag en vaak bij de Carrefour hier: heerlijk. Deze winter echter is het ineens niet meer in de speciale schap te bespeuren. Volgens het personeel is het uit de collectie gehaald. Dan is goede raad duur, heel duur.
Onlangs ben ik op de voedselafdeling van El Corte Inglés en ineens denk ik: hier hebben ze zo veel aparts liggen, wie weet dan ook wel “morro”, de originele varkenskop (niet het slappe aftreksel “tête de veau” dat wij er in Maastricht van gemaakt hebben). Ik zoeken en daar ligt-ie: “morro con setas”, varkenskop met paddestoelen. Hij zit in een tomatensaus met paprika, olie, ui en knoflook. Je moet hem nog vijf minuten koken (mede ter voorkoming van gekkekoeienziekte?) en dan is het aanvallen. Mijn nieuwe ‘morro” komt van de firma Segundo Sanz uit Leganés bij Madrid.>BR> Op zaterdagmiddag maak ik een halve kilo “morro” soldaat, met erwtjes en worteltjes en barra gallega. Het is echt om je vingers bij af te likken. Als toetje heb ik toastjes met pindakaas (van g’woon) en voor de show ook nog een bakje yoghurt van niks.
Later in de middag kom ik op het idee om op mijn iTunes eens zeven aardige liedjes achter elkaar te zetten die bij de dagen van de week passen. Hier zijn ze:
01.Lazy Sunday – Small Faces
02.Monday, Monday – Mamas & Papas
03.Ruby Tuesday – Rolling Stones
04.Wednesday morning – Simon & Carfunkel
05.Jersey Thursday – Donovan
06.Friday on my mind – Easybeats
07.Saturday night at the movies – Drifters
Het is een acceptabel rijtje, al komt het uit mijn eigen koker.
Dan, op zondagmorgen, denk ik: zo’n zevental, ik zou zonder enig probleem een totaal nieuw rijtje kunnen bedenken. Zal ik dat eens doen? Vooruit, daar gaat-ie. Ik begin maar weer op zondag en loop dan de week verder af:
01.Sunday morning – Velvet Underground
02.Blue Monday – Fats Domino
03.Tuesday morning – Pogues
04.Ash Wednesday – Tom Russell & Gretchen Peters
05.Like a summer Thursday – Townes van Zandt
06.Friday’s child – Van Morrison & Them
07.The heart of Saturday night – Tom Waits
Heb ik wederom een mooie compilatie voor jullie bij elkaar gefietst of niet? De nieuwe serie laat zich net zo goed draaien als die van gisteren. Als jullie mij nou eens verrijken met opbouwend commentaar op mijn series, wil ik het later ook best eens met de maanden proberen. (En dan begin ik met “January butterfly” van Phil Everly zaliger.)
Zondagavond is niet echt mijn avond om lang buiten te verkeren. Als ik toch de boulevard af- en oploop, constateer ik een heel behoorlijk windje, zeker op het stuk voorbij La Puntilla (waar een meisje met een bijpassend muziekgroepje mij niet echt kan bekoren).
Op de terugweg naar de terrassen zie ik ter hoogte van de plaza Saúlo Toron een Canarische variant van het Palestina Comité. Heb ik in de pers de recentste ongeregeldheden van Israël ten opzichte van de Palestijnen gemist? Heeft de club van Netayaho zich weer eens misdragen? Ik zie een twintigtal mensen staan met identieke borden: “Me Duele Gaza”, Gaza doet me pijn. (De Gaza-strook is het stukje Palestina aan de zee vlakbij Egypte, waar Israel niks te zoeken heeft.) Op een groot plakkaat lees ik: “Yo condeno al estado de Israel por sus crimenes”, ik veroordeel de staat Israël voor haar misdaden. Nog een tweede: “Basta de masacrar al pueblo palestina”, stop met het afslachten van het Palestijnse volk. Als ik langs de betogers loop, houd net een jongedame een speech waarin ze afkeurend over de Israëlische politiek spreekt. Mijn zegen heeft ze!
Dan is het alweer (of eindelijk?) maandag en mag ik deze brief afsluiten en richting universiteit versjouwen. Geloof het of iet, maar ik heb er voor de zoveelste keer mijn ziel in gelegd. Mijn volgende, nummertje13.25, kunnen jullie maandag over een week tegemoet zien, op 16 april a.s.
Een advies aan jullie heb ik niet, laat staan een dringende boodschap. Houd het hoofd koel, roep ik dan maar en eet eens een broodje gezond met ham, kaas en ei, op een laagje roomboter met een paar schijfjes tomaat. Voor wie dat wil, mag het ook een half of een heel stokbrood zijn. Tot kijk of op zijn Spaans hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Ik heb iets met Don Winslow. De man laat mij steeds weer zien hoe een bijzondere thriller in elkaar gezet moet worden. Onlangs, nou ja, in oktober van afgelopen jaar, krijg ik de opvolger van zijn fameuze “The Cartel” onder ogen. Het heet “The Force” uit 2017. In het Nederlands op mijn e-reader wordt dat “Lek”. Het speelt in wereldstad New York, vooral Manhattan-Noord.
Hoofdpersoon is rechercheur Denny Malone. Hij runt met latino Phil Russo en de zwarte Big Monty (Bill Montague) het Harlem-deel van de Manhattan North Special Task Force, “Da Force”. Raf Torres en zijn mensen: Jorge Gallino, David Ortiz en Janice Tenelli doen het nog noordelijker deel van Manhattan. Hun baas is de zwarte Sykes die vooral hogerop wil klimmen, en daar weer boven staat Bill McGivern. Eigenlijk hoort Billy O’Neill ook bij de Task Force van Denny Malone, maar die wordt al snel doodgeschoten bij de liquidatie van drugsbaas Diego Pena. Het gevonden geld, miljoenen, plus nog eens vijftig kilo heroïne (60%, Dark Horse) steken Malone, Russo en Monty in hun eigen zak, om daarmee o.a. hun oude dag en de toekomstige studie van hun kinderen te bekostigen. (In de plaats van Billy O’Neill komt later David Levin.)
Zo gaat dat, als je van helemaal niet corrupt naar een beetje corrupt naar steeds corrupter door het leven gaat. In “The Force” blijken zij niet de enigen te zijn die bijklussen. Hetzelfde kan gezegd worden van zo ongeveer de hele politie, Interne Zaken incluis, terwijl ook de FBI ter plaatse meedoet. Ook bij de advocaten, aanklagers & rechters alsmede de diverse politici en ambtenaren zou het een foute bedoeling zijn.
In Manhattan-Noord maken diverse grote drugsbendes de stad onveilig. Een belangrijke groep zijn de zwarten onder leiding van de Cimino’s en DeVon Carter met diens helper Fat Teddy Bailey. Als bijv. Cleveland, een van de ondergeschikte drugdealers over de schreef haat, wordt niet alleen hij, maar ook zijn vrouw en kinderen uitgemoord. Bij de latino’s, met name die van de Dominicaanse republiek, is Diego Pena geëlimineerd, maar dan nemen mensen zoals Diego Pena’s neef Carlos Castillo en Lou Savino de macht over. Raf Torres, zie boven, en zijn mensen staan eerst op de loonlijst van de zwarten, maar stappen later over op de latino’s. Het clubje van Denny Malone verricht echt wonderen om de boeven in toom te houden, maar kan het meeprofiteren uiteindelijk ook niet laten. Denny wordt min of meer verplicht om verklikker te zijn voor de FBI (O’Dell, Weintraub, Paz). Daarna begint de smeerlapperij in alle geledingen steeds meer de spuigaten uit te lopen.
Don Winslow brengt een deel van zijn leven in New York door en het is niet vreemd dat hij met een boek over de corruptie in de stad aan komt zetten. Zijn “The Force” staat bol van de spanning en dan laat ik de diverse zijlijntjes (echtgenotes en vriendinnen, Michael Bennett, Gerard Berger, Oh No, Nasty Ass) nog maar buiten beschouwing. Mijn idee om zelf in Manhattan te gaan wonen stel ik na het lezen van dit boek bij. Ik verblijf liever elders, is de uitkomst van dit boek. Als recensiecijfer heb ik er intussen een welverdiende 8½ voor over.
Ik heb er nog een; wat wil je, als je een volle week tijd hebt om te lezen. Het is er in van Jo Nesbø uit 1998: “De Kakkerlak”. In het Noors is het woord bijna hetzelfde: kakerlakkene. Voor nadere inside information over het beest verwijs ik naar blz. 94 van het boek op mijn e-reader. Enne… het speelt (bijna) niet in Oslo, zoals de meeste boeken van Jo Nesbø, maar in Bangkok. Daar wieren die beesten telig, sorry: daar tieren die beesten welig, misschien nog wel weliger dan in good old Las Palmas.
“Farang” (buitenlander) Harry Hole wordt er door zijn bazen (Bjarne Møller, Dagfinn Torhus) op uitgestuurd om de moord op de ambassadeur van Noorwegen in Thailand op te lossen, ene Atle Molnes. Ter plekke is vooral de kale Liz Crumley zijn collega. Getweeën komen ze gaandeweg achter een heleboel: dat Molnes homofiel was en veel geld, maar ook gokschulden had, dat Molnes’ vrouw al lang een relatie met beursexpert Jens Brekke heeft en dochter Runa het met chauffeur Sanphet doet, dat andere mensen zoals wegenbouwer Ove Klipra pedofiel zijn, enz. Moet ik nog even doorgaan, bijv. over ander politie- of ambassadepersoneel? Laat ik hier alleen Ivar Løken met zijn gouden tand nog een vermelding geven en niet vergeten op kolos Woo te wijzen, al was het maar vanwege diens overdreven lichaamsbouw. Zoals wel vaker bij Nesbø is er heel wat geschuif en gedraai voordat ik helemaal door het verhaal heen ben.
“De Kakkerlak” is best een spannend boek dat ik met gepaste animo heb doorgenomen. De schrijver houdt me prima bij de les, maar gaandeweg begint het me wel een beetje te duizelen. Steeds weer wordt op een andere mogelijke dader van de moord gewezen en pas op het eind kom ik erachter dat … nee, dat ga ik hier niet verklappen. Jo Nesbø krijgt van mij vanwege zijn strapatzen geen 8, maar een 7½ als recensiecijfer voor “De Kakkerlak”, Er had trouwens best wat meer kakkerlak in het boek mogen zitten.
Querid@s amig@s y familia, er is weer een hele week Las Palmas voorbij en jullie zullen ongetwijfeld uitzien naar mijn belevenissen van de beloken paasweek. Niet? Dan heb ik pech gehad, maar doe net of ik het niet gehoord heb en begin gewoon aan mijn terugblik. Niet geschoten is altijd mis, dus wie weet, keert het tij nog.
Afgelopen maandagmiddag kijk ik op de universiteit enthousiast uit naar Jorge, maar die komt pas om 5 uur aanzetten. De vierdejaars studente, Aleida, die eerder al aan ons bekend heeft in yoga geïnteresseerd te zijn, er zelf ook aan te doen, heeft aan Jorge eerder drie recente artikelen gestuurd. Mijn Canarische collega moet ze helaas nog even gaan kopiëren, voordat ik me erin kan verdiepen. Als ik vervolgens het eerste artikel uiterst vluchtig doorkijk, zie ik direct al een referentie die verwijst naar weer een ander effectiviteitsonderzoek over yoga. Jorge vertrekt weer, nu om dat stuk op te gaan zoeken en te kopiëren. Ik heb nauwelijks of geen tijd om de drie artikelen door te nemen, maar zie wel in het vierde artikel allerlei verwijzingen naar eerder onderzoek staan, ook naar enkele vrij recente reviews.
Dan staat Aleida voor de deur. Ze toont de gedrevenheid die bij zo iemand past en maakt op mij bovendien een charmante indruk. Ik zou haar best onder mijn hoede kunnen nemen, als ik nog voltijds werkte en zij de jonge onderzoeker zou willen zijn. (Dus vind ik het jammer dat ze naar eigen zeggen nu al min of meer voor neurologie als specialisatie heeft gekozen, met autisme als hoofdonderwerp. Het vak blijkt hier dichter tegen de psychiatrie aan te zitten dan in Nederland.) De tweede student van Jorge, die bij de eerdere bijeenkomst niet erg aanspreekbaar was, is deze keer verhinderd vanwege een probleem met zijn gebit, vertelt Aleida ons; hij is naar een tandarts. Wordt het nog wat met die student, vraag ik mij serieus af?
Jorge en ik leggen Aleida uit dat we nog niet uitgelezen zijn, maar best al met haar over het onderwerp willen praten. Het wordt vervolgens een geanimeerde discussie. Ik vraag haar om een eenvoudig stukje over wat eigenlijk onder yoga verstaan wordt en wat er in yogakringen zo al gedaan wordt. Daar gaat ze achteraan en ze zal me snel iets opsturen. Ook zal ze in Pubmed en bij de referenties naar andere RCT’s over de effectiviteit van yoga gaan zoeken en potentieel interessante andere artikelen downloaden.
Een echte agenda van onze bijeenkomst hebben we niet; die moet er de volgende keer wel zijn, vind ik. Het onderwerp blijft vooralsnog een beetje in de lucht hangen. Over twee weken komen we opnieuw bij elkaar. Met Jorge alleen zal ik tussendoor, over een week, nog een nieuw gesprek over het onderwerp hebben. Dan wil hij het met me hebben over hoe je een eventueel nieuw onderzoek het beste kunt opzetten. De vier artikelen in ons bezit hebben we dan intussen bestudeerd.
Om 7 uur maandagavond nemen we alle drie dezelfde bus 12 terug naar de bewoonde wereld, ieder op weg naar zijn eigen huis en haard. Ik laat me afzetten bij het bibliotheekje bij het Castillo de la Luz. Daar lees ik in El Mundo dat de Nederlandse Quick Step-wielrenner Niki Terpstra de dag ervoor de klassieker der klassiekers in België heeft gewonnen: de ronde van Vlaanderen. Waarvan akte en niet zo’n beetje ook! Iets anders van belang voor jullie uit de Spaanse kranten schiet me niet te binnen. Ik lees vooral meer van hetzelfde.
De boulevard is weer minder druk dan in het afgelopen weekend en opschriften op T-shirts van enige importantie, ik zie ze niet, al helemaal niet in het Spaans. Vooruit, eentje! Een veertiger van vrouwelijke kunne loopt langs met “Don’t follow me. I’m lost too”, loop niet achter mij aan, ik weet de weg ook niet meer.
Thuis gekomen zie ik op maandagavond laat twee zwervers beneden bij mij op de bank gaan zitten. Eentje – voor insiders: de man uit Canada – probeert verwoed om de ander, die erbij is gaan liggen, ik denk compleet doorgezopen, weer rechtop te krijgen. Als hem dat van geen kant lukt, blijft hij er als een goede vriend wel naast zitten. Zou er nog politie voorbij komen om het duo van hun plek te verjagen?
Dinsdagmorgen, als ik om half 9 het balkon opzoek, zijn de twee uiteraard weg, ik neem aan naar elders verkast, maar nu kijk ik aan tegen twee vrouwelijke exemplaren op dezelfde bank: een verlopen, maar ondanks alles patente dame, bepakt en bezakt met allerlei tassen en ernaast een dikker en mondiger type in het egaal zwart. De laatste gaat uitnodigend de conversatie aan met langs lopende mensen. Niet veel later krijgen ze allebei een beker koffie aangereikt, die iemand voor ze bij Carlos heeft gescoord.
In een autovrije straat wonen, het heeft zo zijn voors en zijn tegens.
Laat ik voor de variatie maar weer eens een plaatje opzetten. Ik blijk een hele collectie te hebben van zangeres Elis Regina, een stuk of dertig platen. Hoe kom ik daar nu weer aan? Laat ik voor het album kiezen, waarop ze samen speelt met “onze” Toots Thielemans: “Aquarela do Brasil” uit 1969. Zoals dat vroeger ging, staan er twaalf nummers op (aan iedere kant van de LP zes). Terzijde, de hoes met een foto van het dan nog jonge duo heb ik niks aan te merken. Daar gaan we:
01.Wave
02.Aquarela do Brasil
03.Visão
04.Corrida de Jangada
05.Wilsamba
06.Vocé
07.Barquinho
08.O sonho
09.Five for Elis
10.Canto de Ossanha
11.Honeysuckle rose
12.Volta
Ik ga het toegeven: ik ben niet echt een fan van Braziliaanse jazz. Ik heb deze plaat een paar keer afgedraaid, maar ze doet me weinig. Elis Regina vind ik nog het beste tot haar recht komen op het titelnummer “Aquarela do Brasil” en op “Canto de Ossanha”, terwijl flierefluiter Toots Thielemans zijn mondharmonica nog het duidelijkste laat spreken op “Visão”. Misschien ligt het aan mij. In de tijd dat jazz heel populair was, was ik nog niet echt in de jaren des onderscheids.
Overdag ben ik hier steevast in de weer met van alles en nog wat. ´s Avonds verveel ik me evenmin, maar denk in alle oprechtheid wel eens: was er nou maar een mooie film op de buis. Dat los ik af en toe op door er eentje als DVD op mijn computer af te spelen.
En dan hebben we hier eersteklas voetbal, en soms kijk ik (op een terras), als het om topwedstrijden in de “primera división” gaat. Ik hoor de trainer van Atletico Madrid, Simeone, een paar weken terug nog zeggen na de 1-0 nederlaag van zijn club tegen Barcelona: als wij Messi hadden gehad, hadden wij gewonnen. Zo iets blijft je een hele tijd bij.
Drie Spaanse clubs: Barcelona, Real Madrid en Sevilla zitten intussen bij de laatste acht in de strijd om het clubkampioenschap van Europa. Dus: waarom zou ik niet op zijn tijd naar een Champions League voetbalwedstrijd gaan kijken? Met de nodige andere voetbalgekken zit ik op dinsdagavond bij El Palikeo bij Juventus-Real Madrid. De club uit Turijn (waar ik volgens Tonnie van Kalken nog eens op vakantie heen moet) is in zijn overbekende verticaal gestreepte zwart-witte shirts van de partij, terwijl Real Madrid het moet doen met een nagenoeg egaal blauwe outfit. Mijn verslag van die wedstrijd kan deze keer nogal kort zijn. Na nog geen drie minuten puntert Cristiano Ronaldo een bal vanaf ongeveer de penaltystip onhoudbaar in de uiterste hoek, voor Juventus-keeper Gianlugi Buffon links. Verder gebeurt er tot aan de rust niet veel. In de tien minuten reclame gaan maar liefst 15 van de 30 dure reclames van 20 seconden over auto’s. Dan komt in minuut 63 het tweede wapenfeit van de avond, alweer van Cristiano Ronaldo. De sterspeler van de club maakt de 0-2 met een fenomenale omhaal, die jullie ongetwijfeld zelfs op de Nederlandse televisie te zien hebben gekregen. Wat een klasbak! Als vlak daarop Juventus-spits Paolo Dybala rood aan zijn broek krijgt voor een al te forse overtreding en Marcelo in minuut 71 uit een combinatie de 0-3 voor Real mag aantekenen, is de race compleet gelopen. Ik kies hier voor een variant van wat trainer Simeone van Atletico Madrid eerder zei: met Ronaldo in vorm in de gelederen kan de overwinning je haast niet ontgaan. Hij staat deze winter in de Champions League al op veertien goals in negen wedstrijden. De terugwedstrijd in het Bernabeu-stadion in Madrid hoef ik niet echt meer te zien.
Op dezelfde dinsdagavond verliest Sevilla thuis van Bayern München met 1-2 en volgens mij is daarmee het lot van die ploeg ook al definitief bezegeld. Ik zie in de return volgende week in München geen revival van Sevilla meer komen.
Op woensdagmorgen zou Lluis volgens afspraak om 9 uur komen, hopelijk met een nieuw gordijn, maar dat wordt 10 voor 10 en zonder gordijn. Het gaat volgens hem nog wel een maand duren, voordat ik op een vers exemplaar bij het balkon getrakteerd ga worden. In afwachting van die definitieve oplossing heeft Lluis wel een “grapadora”, nietmachine bij zich. Het bestaande gordijn wordt door hem van de rails gehaald en dan begint mijn huisbaas de band met de haakjes op mijn bed beetje voor beetje opnieuw aan het gordijn vast te nieten. Als dat voor elkaar is, gaat hij op een stoel gaatje voor gaatje het zaakje weer aan de rails bevestigen. Het duurt even, maar alles bij elkaar genomen is de klus toch in minder dan een half uurtje geklaard. Ik krijg een ferme hand van Lluis en dan is hij weer foetsie. Eigenlijk ben ik best tevreden met deze oplossing van het probleem.
Intussen, vanaf 10 uur, staat ook mijn “limpiadora” Laura mijn woning te verschonen. In de keuken kilt ze zonder pardon een middelgrote “cucaracha”, kakkerlak, die achter de ijskast verstopt zit. Dan gaat ze ook nog eens met insecticide aan de slag, als ik die voor haar uit de kast onder het keuken tover. Ik heb een maand terug ook wel eens iets doodgemept dat op een kakkerlak leek. Zo gaat dat, als je ter hoogte van de Sahara woont. Aan de andere kant zie ik me een sneeuwruimer in Las Palmas nog niet zo snel aanschaffen (of het zou voor een “karnevalspekske” moeten zijn).
Bij het ligbad, waarin ik me iedere morgen douche, blijkt de kit aan de rand bij de muur los te zitten. Laura haalt hem eraf en vraagt me om nieuwe te halen die zij dan de volgende keer zal aanbrengen: “silicona para juntas del baño”. Dat moet zelfs voor mij, het tegenovergestelde van een doe-het-zelver, te doen zijn. Bij het weggaan vertelt Laura me ook dat ze met vrienden naar Joaquín Sabina gaat op 2 mei. Ze heeft het stukje erover gezien, dat ik op het prikbord heb hangen. Is het niet ook iets voor mij om er heen te gaan? Ik vertel haar dat ik alle studio-CD’s van hem heb behalve de laatste (“Yo Niego Todo”). Zal ik mezelf alsnog op een kaartje voor de Arena trakteren bij El Corte Inglés?
‘s Avonds staat natuurlijk Barcelona tegen AS Roma op de rol, op de “road to Kyiv”; de finale van de Champions League gaat dit voetbalseizoen in Kiev gespeeld worden. Scheidsrechter bij de wedstrijd is de Nederlander Danny Makkelie, die – dat moet ik hem nageven – de voetballers aardig in de hand weet te houden. Tegenwoordig bestaat zo’n scheidsgroep uit vijf mensen: de scheidsrechter met een fluitje, twee grensrechters met een vlaggetje en eentje bij de dugouts voor o.a. de reserves. Waar is de vijfde goed voor? Ik heb geen idee waarvoor die dient. Moet hij de bal oppompen en uitrekenen hoeveel extra minuten erbij komen op het eind?
Om maar met de deur in huis te vallen, ik vind Barcelona-AS Roma geen geweldige wedstrijd, eigenlijk nogal saai. In de eerste helft noteer ik een diagonaal schot van Rakitic tegen de paal in minuut 17 en twintig minuten later de bal in eigen doel van De Rossi, vlak voordat Messi erbij kan: 1-0. In de rust hoor en zie ik dat Liverpool al met 3-0 voorstaat tegen Manchester City; dat is een verrassing voor me. Gaan we naar de tweede helft in Camp Nou. In minuut 55 schiet Manolas vlak voor de voeten van Umtiti de 2-0 voor Barcelona in eigen doel en in minuut 58 maakt Piqué er tot zijn eigen verrassing 3-0 van. Daarna heeft Barcelona er helemaal geen zin meer in, wat zelfs leidt tot een tegendoelpunt door een inzet van Dzeko: 3-1. Gelukkig maakt Suárez er een paar minuten voor tijd met een schuiver nog weer 4-1 van.
Mijn analyse: Barcelona heeft wel royaal gewonnen, maar heeft zich bepaald nog niet de potentiële kampioen van de Champions League getoond. Meestal maakt Lionel Messi bij Barcelona het echte verschil, maar deze keer heeft hij zijn dag niet. Hij komt niet verder dan zich steeds de bal te laten afpakken tussen – dat weer wel – een aantal tegenstanders. Ook zijn spaarzame schoten op doel stellen deze woensdagavond weinig voor. Dat kan en moet beter, anders verklaar ik toch weer Cristiano Ronaldo – zie mijn verslag van gisteren - tot Europees voetballer van het jaar.
Bij de andere wedstrijd: Liverpool – Manchester City blijft het 3-0, begrijp ik van mijn buurman op het terras. Met een beetje goede wil kan ik jullie de vier halve finalisten nu al voorzetten: Real Madrid, Bayern München, Liverpool en Barcelona. Voor de zekerheid moeten we de terugwedstijden van de kwartfinales volgende week wel nog even uitzingen.
Op de vroege woensdagavond vlak voor feliciteer ik Susanne en Arno met hun 41ste verjaardag. Ze mailen mij allebei terug dat ik de eerste ben met de felicitatie. Dat komt, omdat hun gemeenschappelijke verjaardag pas een dag later is. Dat krijg je ervan, als je al te zeer op jezelf bent aangewezen in een ver oord.
Ik begin de donderdag met een plaat van Little Richard (Penniman) op te zetten. Ik heb van alles van de pianist, zanger, ook echt grof geschut als Tutti Frutti en Lucille, maar vandaag duik ik daaronder en kies voor iets onbekender materiaal: zijn CD “Boogie with Richard” die in 2001 is uitgekomen. Hier zijn de negentien nummers:
01.All around the world
02.Bama lama mama loo
03.By the light of the silvery moon
04.Can’t believe you wanna leave
05.Freedom blues
06.Groovy little Suzie
07.Heeby Jeebees
08.Hey hey hey hey
09.Kansas city
10.Little Richard boogie
11.Midnight special
12.Money honey
13.Ready Teddy
14.Shake a hand
15.She’s got it
16.Short fat Fanny
17.Slippin and slidin
18.Taxi blues
19.The hokey pokey
Little (Hoo) Richard (Aw) laat mij weer eens zien hoe rock and roll gespeeld hoort te worden. Op deze plaat krijgt bovendien een mij onbekende saxofonist een eervolle vermelding (net als eerder bij Fats Domino). Nummers zoals “Money honey”, “Ready Teddy”, She’s got it” en “Slippin and slidin” kennen jullie hopelijk nog van heel lang geleden. Echter, wat vinden jullie van bijv. “Bama lama bama loo”, “Can’t believe you wanna leave”, “Hey hey hey hey” en “Shake a hand”? Of ik het nummer al van Little Richard ken, ben ik kwijt – ik heb het ook van Al Jolson, Doris Day en Jackie Wilson – maar mijn hart gaat op deze CD helemaal open bij “By the light of the silvery moon”.
De vier seizoenen, jaargetijden heten in het Nederlands: voorjaar, zomer, najaar en winter. Daarbij hebben we voor het voorjaar en najaar nog andere woorden: lente en herfst. In het Spaans heten “las cuatro estaciones” respectievelijk “primavera”, “verano”, “otoño” en “invierno” en volgens mijn Nederlands-Spaans woordenboek - best uitgebreid - zijn er geen synoniemen, ook niet voor het voor- en najaar. Het is niet anders.
Bovenstaande is slechts als inleiding bedoeld om jullie weer eens met een raadseltje op te zadelen: welke Spaanse woorden rijmen op “primavera”? Laat ik het niet te ingewikkeld maken en jullie alleen vragen naar Spaanse woorden van maar twee lettergrepen. Ik kom zelf uit mijn blote hoofd tot een drietal, maar mijn woordenboek geeft nog drie andere. Laat ik die andere eerst noemen. “Cuera” staat voor (dieren)huid, vel, vooral in het verre Amerika. Een “sera” is een korf, maar meestal zeg je in plaats daarvan “cesta”. En “vera” staat voor rand, oever, hoewel “lado” meer gangbaar is. “A la vera del camino” is aan de kant van de weg.
Dan mag ik nu door naar de gewone woorden. Hebben jullie ze ook alle drie gevonden? Allereerst noem ik “cera”, was in het Nederlands, zoals in “cera de abeja”, bijenwas en “cera para suelos”, boenwas. “Era”, dat staat voor tijdperk, zoals in “era atómica”of “era nuclear”, atoomtijdperk en “era glacial”, ijstijd. Daarnaast staat “era” voor jaartelling, zoals in de “era de Cristo”, de christelijke jaartelling. Blijft over het Spaanse “pera”, peer, een van de vruchten die ik wel te eten vind, zowel de sappige als de harde variant. Zal ik jullie eens enkele uitdrukkingen met “pera” geven? “No ser una pera en dulce” betekent dat is geen kattenpis en “partir peras” is met ruzie uit elkaar gaan. Het woord “pera” heeft daarnaast nog diverse andere minder gangbare betekenissen, waarvan ik hier sik noem.
Aan de Hollandse kant is een geschikte peer een “tio que vale” en een peertje een “bombilla”. Tenslotte, kut met peren voor wie dat graag wil weten, vertaalt mijn onvolprezen woordenboek met “¡qué coñazo!”.
Op de vrijdagmorgen stap ik weer eens richting de Mercado Central om nieuwe koffie te kopen bij “mijn mannetje”. Eersteklas koffie uit Kenia en Columbia, waar krijg je die nog voor 1.90 euro per kwart kilo? Ik koop in totaal zes pakken, vers gemalen, en maak vervolgens een rondje langs andere kramen op de overdekte markt, al was het maar om de sfeer weer eens te proeven. De kraam waar ik nog wel eens “ensaladilla rusa” insla, Russisch ei, is helaas door zijn voorraadje heen. Dat spul zal ik dus deze keer elders moeten kopen, bijv. bij mijn kippenboer op de Alfredo Jones.
Zo waar kom ik bij de uitgang ook nog een schoonheid tegen met een aardig opschrift op haar T-shirt. Mijn spreuk van de dag wordt daarmee: “Baby, it’s cold outside”. En dat, terwijl het toch echt al 23 graden in de schaduw is. Zou het overdrachtelijk bedoeld zijn?
‘s Avonds, als ik van mijn bibliotheekje aan de boulevard over de Guanarteme naar Plaza Farray loop voor een stukje “levende” muziek, zie ik vlakbij het pleintje voor de zoveelste keer een advertentie van Bandido, het keurmerk van Tropical, tegenwoordig met een scheutje rum. De kop van de annonce is: “bejo & locoplaya”. Uit dat “locoplaya” kan ik met enige moeite nog wel wijs worden, gekke strand, maar waar staat dat “bejo” voor? Dat zoeken we op, roep ik tegen mezelf. In mijn woordenboek is “bejin” een stuifzwam en “bejuco” een liaan, maar daartussen in vang ik bot, zelfs ook in mijn “diccionario de argot español” en “diccionario español-canario básico”. Hoe het ook zij: op zaterdag 21 april aanstaande gaat “het” gebeuren, met disc jockeys en allerlei ander gedoe (op de dag dat ‘s avonds Barcelona tegen Sevilla de bekerfinale speelt). Voor verdere details word ik verwezen naar de site www.bandidosecretparty.com. Het is toch geen verlate 1 aprilgrap? Ik zal a.s. maandag op de universiteit eens een kijkje nemen.
Een “moro” is het Spaanse woord voor Noord-Afrikaan, hier vooral Marokkaan. Het heeft bij mijn weten niks denigrerends. Bekend is hier ook het gerecht “moros y cristianos”, volgens mijn woordenboek iets met rijst en zwarte bonen. Toch is mijn “moro”-verhaaltje deze keer niet meer dan een aanloop. Ik wil graag weer eens het woord “morro”onder jullie aandacht brengen, met twee erren. Dat is Spaans voor snuit, bek. “¡Cierra los morros!” is hou je bakkes, zo iets als het Franse “ferme ta gueule”. En “estar de morros” is mokken, ruzie maken.
En zo kom ik vanzelf bij kopvlees. Kopvlees is het vlees van de kop van een varken, in het Spaans heet dat ook “morro”. Terzijde, hoofdkaas (Spaans: “queso de cabeza”) is iets heel anders. In het verleden kocht ik mijn “morro” graag en vaak bij de Carrefour hier: heerlijk. Deze winter echter is het ineens niet meer in de speciale schap te bespeuren. Volgens het personeel is het uit de collectie gehaald. Dan is goede raad duur, heel duur.
Onlangs ben ik op de voedselafdeling van El Corte Inglés en ineens denk ik: hier hebben ze zo veel aparts liggen, wie weet dan ook wel “morro”, de originele varkenskop (niet het slappe aftreksel “tête de veau” dat wij er in Maastricht van gemaakt hebben). Ik zoeken en daar ligt-ie: “morro con setas”, varkenskop met paddestoelen. Hij zit in een tomatensaus met paprika, olie, ui en knoflook. Je moet hem nog vijf minuten koken (mede ter voorkoming van gekkekoeienziekte?) en dan is het aanvallen. Mijn nieuwe ‘morro” komt van de firma Segundo Sanz uit Leganés bij Madrid.>BR> Op zaterdagmiddag maak ik een halve kilo “morro” soldaat, met erwtjes en worteltjes en barra gallega. Het is echt om je vingers bij af te likken. Als toetje heb ik toastjes met pindakaas (van g’woon) en voor de show ook nog een bakje yoghurt van niks.
Later in de middag kom ik op het idee om op mijn iTunes eens zeven aardige liedjes achter elkaar te zetten die bij de dagen van de week passen. Hier zijn ze:
01.Lazy Sunday – Small Faces
02.Monday, Monday – Mamas & Papas
03.Ruby Tuesday – Rolling Stones
04.Wednesday morning – Simon & Carfunkel
05.Jersey Thursday – Donovan
06.Friday on my mind – Easybeats
07.Saturday night at the movies – Drifters
Het is een acceptabel rijtje, al komt het uit mijn eigen koker.
Dan, op zondagmorgen, denk ik: zo’n zevental, ik zou zonder enig probleem een totaal nieuw rijtje kunnen bedenken. Zal ik dat eens doen? Vooruit, daar gaat-ie. Ik begin maar weer op zondag en loop dan de week verder af:
01.Sunday morning – Velvet Underground
02.Blue Monday – Fats Domino
03.Tuesday morning – Pogues
04.Ash Wednesday – Tom Russell & Gretchen Peters
05.Like a summer Thursday – Townes van Zandt
06.Friday’s child – Van Morrison & Them
07.The heart of Saturday night – Tom Waits
Heb ik wederom een mooie compilatie voor jullie bij elkaar gefietst of niet? De nieuwe serie laat zich net zo goed draaien als die van gisteren. Als jullie mij nou eens verrijken met opbouwend commentaar op mijn series, wil ik het later ook best eens met de maanden proberen. (En dan begin ik met “January butterfly” van Phil Everly zaliger.)
Zondagavond is niet echt mijn avond om lang buiten te verkeren. Als ik toch de boulevard af- en oploop, constateer ik een heel behoorlijk windje, zeker op het stuk voorbij La Puntilla (waar een meisje met een bijpassend muziekgroepje mij niet echt kan bekoren).
Op de terugweg naar de terrassen zie ik ter hoogte van de plaza Saúlo Toron een Canarische variant van het Palestina Comité. Heb ik in de pers de recentste ongeregeldheden van Israël ten opzichte van de Palestijnen gemist? Heeft de club van Netayaho zich weer eens misdragen? Ik zie een twintigtal mensen staan met identieke borden: “Me Duele Gaza”, Gaza doet me pijn. (De Gaza-strook is het stukje Palestina aan de zee vlakbij Egypte, waar Israel niks te zoeken heeft.) Op een groot plakkaat lees ik: “Yo condeno al estado de Israel por sus crimenes”, ik veroordeel de staat Israël voor haar misdaden. Nog een tweede: “Basta de masacrar al pueblo palestina”, stop met het afslachten van het Palestijnse volk. Als ik langs de betogers loop, houd net een jongedame een speech waarin ze afkeurend over de Israëlische politiek spreekt. Mijn zegen heeft ze!
Dan is het alweer (of eindelijk?) maandag en mag ik deze brief afsluiten en richting universiteit versjouwen. Geloof het of iet, maar ik heb er voor de zoveelste keer mijn ziel in gelegd. Mijn volgende, nummertje13.25, kunnen jullie maandag over een week tegemoet zien, op 16 april a.s.
Een advies aan jullie heb ik niet, laat staan een dringende boodschap. Houd het hoofd koel, roep ik dan maar en eet eens een broodje gezond met ham, kaas en ei, op een laagje roomboter met een paar schijfjes tomaat. Voor wie dat wil, mag het ook een half of een heel stokbrood zijn. Tot kijk of op zijn Spaans hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Ik heb iets met Don Winslow. De man laat mij steeds weer zien hoe een bijzondere thriller in elkaar gezet moet worden. Onlangs, nou ja, in oktober van afgelopen jaar, krijg ik de opvolger van zijn fameuze “The Cartel” onder ogen. Het heet “The Force” uit 2017. In het Nederlands op mijn e-reader wordt dat “Lek”. Het speelt in wereldstad New York, vooral Manhattan-Noord.
Hoofdpersoon is rechercheur Denny Malone. Hij runt met latino Phil Russo en de zwarte Big Monty (Bill Montague) het Harlem-deel van de Manhattan North Special Task Force, “Da Force”. Raf Torres en zijn mensen: Jorge Gallino, David Ortiz en Janice Tenelli doen het nog noordelijker deel van Manhattan. Hun baas is de zwarte Sykes die vooral hogerop wil klimmen, en daar weer boven staat Bill McGivern. Eigenlijk hoort Billy O’Neill ook bij de Task Force van Denny Malone, maar die wordt al snel doodgeschoten bij de liquidatie van drugsbaas Diego Pena. Het gevonden geld, miljoenen, plus nog eens vijftig kilo heroïne (60%, Dark Horse) steken Malone, Russo en Monty in hun eigen zak, om daarmee o.a. hun oude dag en de toekomstige studie van hun kinderen te bekostigen. (In de plaats van Billy O’Neill komt later David Levin.)
Zo gaat dat, als je van helemaal niet corrupt naar een beetje corrupt naar steeds corrupter door het leven gaat. In “The Force” blijken zij niet de enigen te zijn die bijklussen. Hetzelfde kan gezegd worden van zo ongeveer de hele politie, Interne Zaken incluis, terwijl ook de FBI ter plaatse meedoet. Ook bij de advocaten, aanklagers & rechters alsmede de diverse politici en ambtenaren zou het een foute bedoeling zijn.
In Manhattan-Noord maken diverse grote drugsbendes de stad onveilig. Een belangrijke groep zijn de zwarten onder leiding van de Cimino’s en DeVon Carter met diens helper Fat Teddy Bailey. Als bijv. Cleveland, een van de ondergeschikte drugdealers over de schreef haat, wordt niet alleen hij, maar ook zijn vrouw en kinderen uitgemoord. Bij de latino’s, met name die van de Dominicaanse republiek, is Diego Pena geëlimineerd, maar dan nemen mensen zoals Diego Pena’s neef Carlos Castillo en Lou Savino de macht over. Raf Torres, zie boven, en zijn mensen staan eerst op de loonlijst van de zwarten, maar stappen later over op de latino’s. Het clubje van Denny Malone verricht echt wonderen om de boeven in toom te houden, maar kan het meeprofiteren uiteindelijk ook niet laten. Denny wordt min of meer verplicht om verklikker te zijn voor de FBI (O’Dell, Weintraub, Paz). Daarna begint de smeerlapperij in alle geledingen steeds meer de spuigaten uit te lopen.
Don Winslow brengt een deel van zijn leven in New York door en het is niet vreemd dat hij met een boek over de corruptie in de stad aan komt zetten. Zijn “The Force” staat bol van de spanning en dan laat ik de diverse zijlijntjes (echtgenotes en vriendinnen, Michael Bennett, Gerard Berger, Oh No, Nasty Ass) nog maar buiten beschouwing. Mijn idee om zelf in Manhattan te gaan wonen stel ik na het lezen van dit boek bij. Ik verblijf liever elders, is de uitkomst van dit boek. Als recensiecijfer heb ik er intussen een welverdiende 8½ voor over.
Ik heb er nog een; wat wil je, als je een volle week tijd hebt om te lezen. Het is er in van Jo Nesbø uit 1998: “De Kakkerlak”. In het Noors is het woord bijna hetzelfde: kakerlakkene. Voor nadere inside information over het beest verwijs ik naar blz. 94 van het boek op mijn e-reader. Enne… het speelt (bijna) niet in Oslo, zoals de meeste boeken van Jo Nesbø, maar in Bangkok. Daar wieren die beesten telig, sorry: daar tieren die beesten welig, misschien nog wel weliger dan in good old Las Palmas.
“Farang” (buitenlander) Harry Hole wordt er door zijn bazen (Bjarne Møller, Dagfinn Torhus) op uitgestuurd om de moord op de ambassadeur van Noorwegen in Thailand op te lossen, ene Atle Molnes. Ter plekke is vooral de kale Liz Crumley zijn collega. Getweeën komen ze gaandeweg achter een heleboel: dat Molnes homofiel was en veel geld, maar ook gokschulden had, dat Molnes’ vrouw al lang een relatie met beursexpert Jens Brekke heeft en dochter Runa het met chauffeur Sanphet doet, dat andere mensen zoals wegenbouwer Ove Klipra pedofiel zijn, enz. Moet ik nog even doorgaan, bijv. over ander politie- of ambassadepersoneel? Laat ik hier alleen Ivar Løken met zijn gouden tand nog een vermelding geven en niet vergeten op kolos Woo te wijzen, al was het maar vanwege diens overdreven lichaamsbouw. Zoals wel vaker bij Nesbø is er heel wat geschuif en gedraai voordat ik helemaal door het verhaal heen ben.
“De Kakkerlak” is best een spannend boek dat ik met gepaste animo heb doorgenomen. De schrijver houdt me prima bij de les, maar gaandeweg begint het me wel een beetje te duizelen. Steeds weer wordt op een andere mogelijke dader van de moord gewezen en pas op het eind kom ik erachter dat … nee, dat ga ik hier niet verklappen. Jo Nesbø krijgt van mij vanwege zijn strapatzen geen 8, maar een 7½ als recensiecijfer voor “De Kakkerlak”, Er had trouwens best wat meer kakkerlak in het boek mogen zitten.
maandag 2 april 2018
Weblogbrief 13.23, 2 april 2018
Weblogbrief 13.23, 2 april 2018
Querid@s amig@s y familia, zitten we alweer in april. Over zeven weken loop ik weer rond in Maastricht en omstreken. Hier zijn de donderdag en vrijdag minstens zo belangrijk als Paaszondag en is het op Tweede Paasdag “business as usual”. Straks komen de twee studenten van Jorge met belangstelling voor klinische epidemiologie weer aan de deur kloppen of ik wil meediscussiëren.
Ik ben een fan van Harry’s website, met name zijn stukken over popmuziek en zijn clips. Een van de clips van afgelopen week betreft een “Tiny desk concert” van John Prine. Die heb ik hier al eens aan jullie voorgesteld met o.a. zijn “Hello in there” (dat ik heel mooi vind van Bette Midler). Een “tiny desk concert” in de huiselijke sfeer duurt een kwartier of zo en allerlei bekende en minder bekende mensen hebben er al eens aan meegedaan. John Prine is van mijn leeftijd en de kachel aanmaken kan hij nog steeds. Ik krijg in zijn kwartier vier nummers van hem (en zijn begeleiders) voorgeschoteld die ik zonder uitzondering kan appreciëren: “Caravan of boo’s”, “Come on home”, “All the best” en eentje van vroeger als uitsmijter: “Souvenirs”. Zeer zeker de moeite waard! Ik ga toch eens uitzoeken hoe het zit met de site npr.org/tinydesk. Misschien kan ik hem wel gratis downloaden; daar zeg ik geen nee tegen.
Om half 6 maandagmiddag heb ik mijn correspondentie afgewerkt, ook Harry’s website, en keer terug tot voorbij mijn woning, naar Castillo de la Luz. Het is intussen zomertijd, dus permitteer ik me deze keer om op een bank in het parkje te blijven zitten lezen totdat het donker wordt (half 9). Naar het bibliotheekje gaat een andere keer weer eens gebeuren, maar vandaag niet. Wel ben ik na half 9 nog net op tijd om bij de Spar, die tot 9 uur open is, mijn eetvoorraad op orde te brengen.
Op de dinsdagmorgen mijmer ik op mijn balkon over het nut van live muziek. Hoe dat “live” in het Nederlands vertaald wordt met “levende”, begrijp ik niet goed. Als muzikanten hier in het openbaar hun best doen, zijn er steevast een aantal toehoorders, eigenlijk toeschouwers. Ik weet dat nog van mijn avonden met Noé, die altijd graag aan de drank zat met live muziek erbij. Nu hebben anderen me al een paar keer gevraagd of ik op het einde van de zondagmiddag geen belangstelling heb voor de optredens bij Clipper en NYC Taxi voorbij La Puntilla. (De derde zaak ietsje verderop is weer eens van eigenaar veranderd en heet nu Pizzadillo. Enig leven bespeur ik er niet.)
Moet ik ook in mijn brieven aan jullie overschakelen van “luisteren” naar ‘bekijken”?
Het kan niet anders, nadat ik John Prine (uit 1946, een goed jaar) al heb opgehemeld, dat ik hier en nu met muziek van hem kom aanzetten. Ik heb drie studio-CD’s van hem: “In Spite Of Ourselves” uit 1999, “Souvenirs” uit 2000 en “Fair & Square” uit 2005. Heb ik “Fair & Square” niet al eens voor jullie opgezet, valt me nou in? Ik heb ook opnames van drie live optredens, waaronder eentje in Nederland, in Haarlem. Het kan niet anders dan dat ik deze mini-collectie van Marij’s neef Peter heb. Hoe zou het met hem gaan?
Mijn keuze valt vandaag op “In Spite Of Ourselves”, omdat de man in 1999 net van keelkanker hersteld is en omdat “So Sad” erop staat, een van mijn favorieten van de Everly Brothers. Het is overigens geen plaat met eigen werk van John Prine; alleen het nummer “In spite of ourselves”, dat hij samen met Iris Dement zingt, is door hemzelf geschreven. De rest komt van allerlei andere schrijvers. Op het laatste nummer na gaat het bovendien om allemaal duetten, steeds samen met een bekende country- en westernzangeres (“The Old Chevrolet Set”). Hier zijn de zestien nummers:
01.(We’re not) the jet set (& Iris DeMent)
02.So sad (to watch love go bad) (& Connie Smith)
03.Wedding bells/Let’s turn back the years (& Lucinda Williams)
04.When two worlds collide (& Trisha Yearwood)
05.Milwaukee, here I come (& Melba Montgomery)
06.I know one (& Emmylou Harris)
07.It’s a cheating situation (& Dolores Keane)
08.Back sreet affair (Patty Loveless)
09.Loose talk (& Connie Smith)
10.Let’s invite them over (& Iris DeMent)
11.’Til a tear becomes a rose (& Fiona Prine)
12.In a town this size (& Dolores Keane)
13.We could (& Iris De Ment)
14.We must have been out of our minds (& Melba Montgomery)
15.In spite of ourselves (& Iris DeMent)
16.Dear John (I sent your saddle home) (solo)
Het is echt een memorabele CD, al zeg ik het zelf, met allerlei country & westernmuziek zoals je hoopt dat hij gespeeld en gezongen wordt. Rusten jullie niet voordat ik ook mijn uitschieters geef? Dan kom ik uit op: “(We’re not) the jet set”, “Milwaukee, here I come”, “I know one”, “Back street affair”, “Loose talk”, “’Til a tear becomes a rose” (John Prine plus eega), “In a town this size” en “We must have been out of our minds”. Zijn dat er wat veel? Dan doe ik net of mijn neus bloedt en voeg “Wedding bells/Let’s turn back the years” van hem en Lucinda Williams nog aan mijn lijstje toe.
John Prine is nog niet van mij af. Ik ga hem in mei in de CD-theek in Rotterdam opzoeken en “es-god-bleef” nog meer muziek van hem downloaden. Wie weet, vind ik ook nog zijn liedje over Donald Trump (“Caravan of boo’s”) op een recente CD. Of verbeeld ik me dat maar?
Wat mij op dinsdagmorgen ook opvalt, is dat Cafeteria Nuevo Murias dicht is. Dat was gisteren al het geval, maar vandaag heeft ook “De Francesco” zijn vrije dag en dan is het wel erg rustig ‘s morgens op mijn stukje Luis Morote. Is Carlos zijn snipperdagen aan het opmaken? Nee, daar geloof ik niks van, als ik bedenk dat hij Tóbalo destijds ontslagen heeft, toen die hem vertelde dat hij graag drie weken naar Zweden wilde. Carlos is compleet verloofd en getrouwd met zijn “koffiehuis”. Bij mijn weten begint de man iedere morgen al om 6 uur met zijn koffiemachine aan te zetten en geeft hij er pas ‘s avonds om een uur of 10, 11 de brui aan. Bij hoge uitzondering heeft hij nog wel eens een paar uren enige (vrouwelijke) hulp. Alleen op zondag houdt Carlos zijn zaak gesloten. Ben ik op dinsdag even blij, als “La Taverna Don Manué” aan de overkant om ongeveer 12 uur zijn stoelen en tafeltjes buiten gaat zetten.
Er zal Carlos toch niks akeligs overkomen zijn in het weekend? ‘s Middags zie ik twee mensen in overall beneden in de zaak. Ze zijn druk bezig. Het zijn geen obers, maar meer een soort elektriciens. Op de pui hangt nu een briefje met: “Cerrado por avería”, gesloten wegens een storing. Van zo’n mededeling word ik niet wijzer, maar het lijkt me dat het probleem wel weer tijdelijk en oplosbaar is. Ik zal jullie informeren, als mijn benedenbuurman weer thuis geeft.
De afgelopen week, op 26 maart, had ik met Lluis een beetje een aanvaring. Hij had mij begin maart al beloofd dat mijn gordijn thuis bij het balkon vernieuwd zou worden – voor mij zou het opnieuw vastmaken van het stiksel bij de railing goed genoeg geweest zijn. Daar kwam hij op “Lunes Santo” op de universiteit op terug. (Drie keer “op” in één zinnetje, kan het niet wat minder?) Hij was “een zeer druk mens”, zijn woorden, en eigenlijk vond hij dat ik zelf maar voor een nieuw gordijn moest zorgen. Ons compromis was dat hij zou komen kijken wat eraan verhapstukt moest worden. (Heb ik hem twee foto’s op 6 maart voor niks gestuurd? Kennelijk!)
Op dinsdagavond om half 7 komt hij aanzetten. Hij werpt een blik van niks op mijn gordijn en beslist dan, zonder de minste aarzeling, dat hij voor een heel nieuw gordijn gaat zorgen. Wat er nu hangt - aan een zijden draadje, lijkt het wel - kan ook voor hem echt niet langer door de beugel. Trudie’s argument, per e-mail, dat een gordijn bij de inboedel van een gemeubileerde huurwoning hoort, hoef ik niet van stal te halen. Lluis gaat een en ander verder regelen. Vervolgens neemt hij plaats op het balkon - gelukkig laat hij de “zedeleer” aan mij – en steekt pontificaal een feestsigaar op. Ik weet niet hoe gauw ik mijn asbakje te voorschijn moest halen.
We hebben een heel gesprek over de transitie in de jaren zestig hier, van een arme, agrarische gemeenschap naar de huidige toestand met vooral toerisme als bron van inkomsten. Lluis is het met me eens dat het met het eten echt uit de hand gelopen is. Waar je vroeger bijna alleen regionale producten kreeg voorgeschoteld, net als bij ons in Nederland trouwens – wat is daar mis mee? – is de voedselmarkt hier helemaal verschoven naar “alles” en “altijd”. Waarom zou je het hele jaar door aardbeien moeten kunnen eten, als die uit Zuid-Amerika geïmporteerd moeten worden? Hoe zo halen we op de Canarische eilanden ons vlees uit landen in Oost-Azië zoals China? Weet ik wel dat er tegenwoordig in van alles 10% palmolie zit en de bossen op plekken als Borneo er steeds meer aan moeten geloven? Ik krijg het ene na het andere akelige voorbeeld van hem, hoe allerlei eten of onderdelen ervan vanuit Verweggistan hierheen verscheept worden, terwijl het regionale voedsel – net ietsje duurder – maar moeilijk meer aan de man gebracht kan worden. Volgens Lluis is het drieluik: “money, health, taste” is veel te veel een kwestie geworden van “hoe goedkoper, hoe beter”, waarbij zaken zoals het eigen milieu een ondergeschikte rol zijn gaan spelen.
Op de woensdag vraag ik me af waar het woord “sangría” eigenlijk vandaan komt: de bekende Spaanse drank van rode wijn met stukjes vruchten en suiker. Voor alle duidelijkheid: het is “sangría”, met de klemtoon op de i en niet op de eerste lettergreep. Weet mijn woordenboek wellicht raad? Daar zie ik bij het woord “sangría” niet alleen vruchtenbowl staan, maar ook (o.a.) aderlating, bloedaftapping. Ik ben er haast zeker van dat het woord etymologisch daar vandaan komt, als verlenging van “sangre”, Spaans voor bloed.
Eeuwenlang zijn aderlatingen zo ongeveer als de belangrijkste therapieën in medische handen beschouwd, voor n’importe welke aandoeningen allemaal. Ik denk dat de titel van het Engelse medische tijdschrift “The Lancet” er nog naar verwijst. Aderlaten bij een longontsteking of pijn aan je heup, hoe bestaat het! Pas ergens in de vorige eeuw is de klad in “sangrías” (en idem dito braken en purgeren) als werkzame therapie gekomen. Over wat ervoor in de plaats is gekomen, ben ik een stuk tevredener. Aan de andere kant, overhouden doet het nog lang niet.
´s Avonds ga ik eerst naar de voedselkelder van El Corte Inglés-Noord. Ik koop Ensalada Americana en krabsalade, die allebei van een firma uit Navarra in Noord-Spanje afkomstig zijn. Navarra, is dat met zijn bijna 2000 km afstand niet wat ver uit de route voor Las Palmas? Daarnaast koop ik “almendras fritas”, gefrituurde amandelen, die uit Californië blijken te komen en “avellanas tostadas”, geroosterde hazelnoten, uit Turkije. Lluis heeft me gisteravond verteld dat er op Gran Canaria prima amandelen groeien. Wordt het daarmee niet tijd dat ik mijn aankopen hier in de winkels weer eens opnieuw aan een milieu-inspectie onderwerp?
Na El Corte Inglés daal ik af naar het bibliotheekje aan Las Canteras bij het basketbalveld. Veel wijzer word ik daar niet van de kranten. Het lijkt er verdorie op dat er helemaal niks interessants meer in de wereld gebeurt. In de regionale krant La Provincia lees ik bij gebrek aan beter een artikel over het maken van “sancocho”, best aardig. Op de digitale pagina van de krant staat zelfs een aantal recepten hoe je het gerecht het beste kunt klaarmaken. Hier vertel ik jullie alvast dat sancocho een stoofschotel is van “cherne seco y salado”. Ik neem aan dat daar stokvis mee wordt bedoeld (maar dat is volgens mijn woordenboek “bacalao”)? Er horen Canarische aardappeltjes bij en volgens de redacteur van de krant ook “gofio”, geroosterd maismeel van het eiland. Sancocho is een gerecht dat je eigenlijk in de Semana Santa een keer gegeten moet hebben, thuis of in een restaurant (zoals Amigo Camilo, bij La Puntilla).
In de landelijke krant El Mundo staat een aardig stuk over sildenafil. Dat is bij jullie beter bekend met de handelsnaam Viagra, het bekende blauwe pilletje, waarmee veel oude mensen graag op zak lopen voor het geval dat. Misschien heb ik jullie eerder al eens vermoeid met Regaine, zo heet het geloof ik, een nieuw, al te drastisch middel tegen hoge bloeddruk in de jaren 90. Het middel heeft als bijwerking dat je haar erdoor gaat groeien. Dus heeft de farmaceutische industrie het vervolgens als haargroeimiddel op de markt gebracht, met overigens maar tijdelijk succes. Iets dergelijks is ook met Viagra gebeurd. Farmaceut Pfizer komt met het spul op de markt als middel bij hoge bloeddruk en angina pectoris. Dan blijkt dat het meer van hetzelfde is en dat een verbeterde erectie bij mannen tot de bijwerkingen behoort. Voor die nieuwe indicatie blijkt Viagra vervolgens een goudmijn te zijn. De blauwe pilletjes komen twintig jaar terug op de markt voor een prijs van 15 tot 50 dollar per stuk. Pas onlangs is er ruimte ontstaan voor een generiek equivalent en nu is de prijs gedaald naar één dollar.
Op Witte Donderdag (hoe zo witte?) ben ik eindelijk bereid om John Prine en zijn dames vaarwel te zeggen voor een nieuwe artiest, of liever gezegd een groep: de Clash. Dat is een punkgroep die ik wel op zijn plaats vind tijdens de hoogtijdagen van de “goede week”. Ik zou er niet zo snel opgekomen zijn, ware het niet dat het liedje “London Calling” van de gelijknamige CD uit 1979, hun derde, het clublied is van de denkbeeldige voetbalclub London City – zie verder mijn boek 3 in de boekenbijlage. Hier zijn de negentien nummers van het stelletje punkers:
01.London calling
02.Brand new Cadillac
03.Jimmy Jazz
04.Hateful
05.Rudie can’t fall
06.Spanish bombs
07.The right profile
08.Lost in the supermarket
09.Clamp down
10.The guns of Brixton
11.Wrong ‘em boyo
12.Death of glory
13.Koka kola
14.The card cheat
15.Lover’s rock
16.Four horsemen
17.I’m not down
18.Revolution rock
19.Train in vain
“London Calling” van de Clash, dat lijkt me niet het soort album, waarbij ik dapper op zoek moet gaan naar uitschieters. Laat ik hier volstaan met het titelnummer “London calling” een eervolle vermelding geven en verder constateren - tot mijn eigen verrassing, want ik ben bepaald geen fan van punkmuziek - dat ik het over de breedte best een mooie CD vind. Wie had dat gedacht? Ik vind trouwens ook de hoes best apart!
In de Luis Morote, voor mij links van de “vader en zoon” op nummer 17, zie ik iedere morgen een oude vrouw op het balkon verschijnen, een zeventiger. Er hoort ook een man bij, maar die ken ik alleen van op straat, als hij eruit moet om met haar te gaan winkelen of boodschappen doen. En nou komt het: mijn overbuurvrouw heeft thuis altijd, in ieder geval als ze op het balkon doende is, een groot ouderwets schort aan. Het is voor mij het soort “Hema-sjolk” dat je haast niet meer kunt kopen, zo ouderwets. Erboven zie ik een oude kop met een permanent kapsel, ook nog in een grijsblauwe tint. Zo iets horen vrouwen sinds de jaren vijftig niet meer te hebben.
Mijn overbuurvrouw veegt in haar werkkleding iedere morgen opnieuw het balkon even aan; daar kan ik vergif op innemen. De randjes van de balustrade worden geen dag overgeslagen en krijgen een beurt met een stuk keukenrol.
Zal ik mijn collectie trui-opschriften weer eens uitbreiden? Dan maak ik jullie allereerst deelgenoot van een damestrui met als opschrift: “I am not a blogger”. Daar kan ik als geroutineerd blogger weinig aan verhapstukken. Leuk vind ik ook een meisje met op haar T-shirt het woord “Glimpse”, kijk maar eventjes. Het is er met zilveren puntjes op geborduurd (of zo). Moet er deze keer ook een man bij met een trui-opdruk? Dan kom ik uit op een opgeschoten knul met “Just visiting this planet”.
Op de vrijdag, als hier bijna alle winkels dicht zijn vanwege de kruisiging, zet ik ‘s ochtends mijn pot koffie, of er niks mis is. Sinds Damaris het koffiezetapparaat in december even in handen heeft gehad, doet het het weer als vanouds. Ik word wel verondersteld om er eerst even mee te rammelen, totdat het lichtje aan gaat. Het Spaanse woord ervoor is geloof ik “zarandear”, schudden. Mijn koffiezetapparaat is goed voor vier mokken, waarmee ik de watervoorraad in mijn lijf al in de vroege morgen op peil breng. De eind november aangeschafte kleinere “cafetera automática” staat al weer de nodige maanden te verkommeren op de ijskast.
Ik kijk over de balkonrand naar het “Besito volao” embleem op de pui van de kledingwinkel bij mij schuin aan de overkant. Besito = kusje en dat “volao” is Canarisch voor “vliegend”. In het Spaans zou het “tirar un besito ” zijn. Terzijde, er eentje laten vliegen is “tirarse un pedo” en je ziet ze vliegen is “estas chiflado”.
Zoals aangekondigd eet ik vanmiddag geen vlees, maar vis. Jezus heeft niet voor niks allerlei vissers om zich heen verzameld als apostelen. Terzijde, veel maken die apostelen vandaag niet klaar op voor de villa van Pontius Pilatus, op de via dolorosa en aan de calvarieberg. Niettemin, mijn steun krijgen ze voor één keer: ik zit aan een voedzame schotel makreel om 1 uur. Ik heb er als groente een mix van komkommer en gesnipperde ui bij. Is dat niet de ideale groente? Mensen, we zitten toch nog in de vastentijd?
Op zaterdag, paaszaterdag voor wie dat wil, mag de Clash weer terug in de lappenmand. Laat ik de headbangers eens verruilen voor wat stichtelijke muziek. Met Pasen geen zang, eerder een extraatje aan violen. Ik kom uit bij James Galway en zijn verzamelCD “The Essential Flute Of James Galway”. Wat zou de relatie zijn tussen de Ierse orkestdirigent, met fluit, en de stad Galway, die mij de afgelopen zomer met Trudie in Ierland zo goed bevallen is? Als je het nummer hoort, ken je zeker wel zijn “Annie’s song”, maar staat er nog meer moois op de CD? Hier zijn alle 23 nummers van het album op een rijtje:
01.Annie’s song
02.Claire de lune
03.La fille aux cheveux de lin (=vlashaar)
04.Arrival of the queen of Sheba
05.Tambourin
06.Le Basque
07.Morning
08.Adagio of Spartacus & Phrygia (The Onedin line)
09.Bachianas brasiliensas No. 5. Aria
10.Air on the G string
11.Traumerei
12.Ave Maria
13.The flight of the bumblebee
14.Brian Boru’s march
15.Belfast hompipe
16.Down by the Sally gardens
17.Danny boy
18.The last rose of summer
19.The condor pasa (If I could)
20.La vie en rose
21.The windmills of your mind
22.Send in the clowns
23.The Pink Panther
Het is een hele oefening van berouw, maar ik werk me er moeiteloos een paar keer doorheen. En dan blijkt dat ik niet alleen kan zwijmelen bij “Annie’s song” - het blijft mooi, dat wel – maar ook bij bijv. “Morning”, “Air on the G string”, “Ave Maria” (met Pasen, dan moet het kunnen) en “Send in the clowns” mijn stekels opzet.
Pasen, mij valt al op de zaterdag op dat het toch een minder huiselijk feest is dan Kerstmis. Heeft “Pascua” eigenlijk nog wel bestaansrecht als vreugdedans, na de gevangenneming van Jezus in de “hof van olijven” op “Jueves Santo”, zijn nederlaag tegen Barabas in de ochtend van “Viernes Santo”, met daarop volgend de veertien statiën en dan als apotheose zijn doodsnood met zinnetjes als “Vader, waarom hebt ge mij verlaten”? Hoeveel mensen geloven er in alle oprechtheid nog in de “opstanding uit de dood” op zondagmorgen en de steen die door onbekende handen voor het graf is weggehaald? Hier in Las Palmas is een “flor de pascua” een kerstster. Ik kom met Pasen is in het Spaans: “Iré en Semana Santa”.
Zaterdagavond krijg ik nog een staartje mee van de teloorgang van voetbalclub UD Las Palmas, nu thuisverlies tegen Real Madrid. Dan begint in El Palikeo op een groot scherm de wedstrijd tussen Sevilla (SFC, nog steeds in de race bij de laatste acht van de Champions league) en Barcelona. “SFC, tu eres mi pasión”, zie ik met grote letters op de tribune staan; het lijkt wel een reclame van De Spar. Grote afwezige bij de wedstrijd is ongetwijfeld Lionel Messi, Hij zit wel, met een hesje om, in de dug-out te gapen, als het beeld een keer op hem gericht wordt. Is trainer Valverde hem aan het sparen in verband met het treffen woensdagavond tegen Roma?
De wedstrijd gaat een beetje op en neer, zonder dat er echte kansen komen, niet voor Sevilla en “tampoco” voor Barcelona. Dan is het zo maar ineens raak in minuut 35: het wordt 1-0 voor Sevilla door een frommelgoal van Franco Vásquez in het doelgebied van Barcelona. Die goal krijg ik ietsje te vaak te zien, vind ik. Als ik dan vlak na de rust, in minuut 50, ook nog eens 2-0 krijg voorgeschoteld: een mooi doelpunt van Luis Muriel, denk ik: hoe bestaat het? Barcelona loopt voor de eerste keer dit seizoen tegen een nederlaag aan en ik kijk ernaar.
Lionel Messi wordt gemaand om voorzichtigjes de veters van zijn schoenen eens vast te maken. Hij trekt zijn trainingskleren uit en gaat “inlopen” langs de zijlijn. Ik denk en met mij heel veel mensen: zelfs jij kunt daar in een half uur speeltijd weinig meer aan veranderen tegen een eersteklas tegenstander als Sevilla. Hij neemt de plaats in van Dembélé en zie: er gebeurt ineens veel meer. Barcelona gaat met Messi in de gelederen zo waar “va banque” spelen (schrijf je dat zo?) en er komen serieuze mogelijkheden. Aan de overkant zie ik nummertje drie er even goed zo invliegen; Ter Steegen en wat er over is van achterhoede verrichten kleine wonderen. Dan zitten we vlak voor het einde van de partij. Luis Suárez loopt in op een bal van de zijkant en scoort miraculeus van dichtbij met een voet in de lucht: 2-1. Het wachten is nu of er nog een schuiver van Leo Messi in de maak is. Die komt er tot vreugde van het terras vlak voor tijd. Vanaf een metertje of dertien legt hij “la pelota” voor zijn linker pantoffel, kijkt eens even, legt aan en dan zie ik de keeper van Sevilla te laat naar zijn rechterhoek duiken: 2-2. Heeft Barça het toch weer “geschaft” om niet te verliezen.
Even later keer ik “moe maar voldaan” van El Palikeo terug naar mijn balkon en bezondig me aan een groot glas Ricard met rode Spa en de nodige nootjes.
Op zondagmorgen bedenk ik diverse grappen die jullie al kennen. Dat wordt dus niks met 1 april; ik ga terugvallen op 28 december, dag van het moppentappen in Spanje. Wel heb ik een ei-rijmpje: “Een ei is geen ei, twee eiers is een half ei, drie eiers is een paasei.” Willen jullie er nog eentje? “Men moet geen paaseieren met Goede Vrijdag eten.” Zoek ze maar op; ze staan allebei in de grote Van Dale.
Mijn diner met Pasen bestaat uit een overheerlijke combinatie van corned beef (“cornedbeef”, ook in het Spaans), zilveruitjes (“cebollitas”) en gekookte eieren (“huevos duros”) en in een saus van mayonaise en mosterd (“mayonesa y mostaza”). Ik eet er zesgranenbrood (onvertaald) van Duitse bakker Zipf bij.
‘s Avonds lees ik mijn vierde boek van de week uit op een bank langs het water bij La Puntilla. Het is sowieso erg druk op de boulevard, maar nu ook in de buurt van restaurant Clipper. Daar is net een Spaans gezelschap klaar met zijn optreden, als ik me aandien. Ook erna blijft het druk, tot genoegen van de eigenaar van de zaak. Om half 9, pas als de zon in de zee is gezakt, aanvaard ik de terugtocht.
Op de bank tegenover mijn woning bekijk ik de diverse foto’s nog eens die mij in het weekend zijn toegestuurd door Trudie, Eva en Marion. Met name die van Marion heeft mijn zegen: een pracht van een momentopname uit het nog jonge leven van mijn neefje Luno. Hij zit tussen zijn Maastrichtse opa en oma bij Venezia in de Nieuwstraat aan een kinderijsje, een “coupe Bimbo” en laat het zich goed smaken. Die foto en die van Eva met de eenjarige aanwinst Julien krijgen zonder meer een plek op mijn prikbord. Trudie’s “kemissie: eet neet te väöl eier!” heb ik helaas niet ter harte genomen.
Op maandagochtend ben ik in alle vroegte blij dat de Pasen hier voorbij is. Om kwart voor 6 hoor ik geschuif aan de pui van Cafetería Nuevo Murias en denk ik met animo: Carlos is weer terug onder de levenden. Dan draai ik me om voor een volgende slaapronde. Als ik om 8 uur uit mijn bed te komen, hoor ik kinderen van het schooltje bij mij naast de hond van een van de moeders weer bepotelen. De twee vaders die hun kinderen met de fiets naar school brengen, houden zoals steeds halt om de fietsen van de kinderen aan lantaarnpalen te binden. Om mysterieuze reden is er voor de jongens vandaag geen echte bal beschikbaar, dus moeten ze het voor hun voetballen doen met een veredelde prop papier, ook leuk. Om even voor half 9, als de jeugd op school aan moet en een aantal dames bij Carlos of ernaast bij De Francesco aan de koffie gaat, proef ik eens aan mijn eerste mok op het balkon.
In mijn nieuwe boek, dat in New York Manhattan-Noord speelt, heffen agenten een lied aan: “Fairytale In New York” van de Pogues met lelijkerd Shane MacGowan, en als extraatje Kirsty MacColl. Ik kan het niet laten om het weer op te zetten: een prima de luxe nummer.
Mag ik het daarbij laten? Vanmiddag ga ik naar de universiteit om deze brief te posten en andere dingen te doen. Jullie geloven toch niet dat ik compleet in ruste ben. Mijn volgende epistel kunnen jullie over een week verwachten, op maandag 9 april. Voor nu, de vasten is voorbij, ik zou zeggen: neem het er eens van. Neem bij het eten eens een extra bord soep, een volgende portie vlees-groente-aardappelen en of het niet op kan, ook nog een tweede toetje. De mazzel vanuit een ver eiland en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Ik begin mijn wekelijkse literaire uitje deze keer met een boek van Cilla & Rolf Börjlind. Het Zweedse schrijverskoppel heb ik hier al eens eerder aandacht gegeven. Afgelopen zomer kreeg ik “De derde stem” uit 2013 toegespeeld voor op mijn e-reader. Dan doe je met zo’n “gegeven paard” niet moeilijk.
Hoofdpersoon is de 25-jarige Olivia, achternaam sinds kort Rivera. Ze heeft een getormenteerd leven achter de rug en wil na haar politie-opleiding liever geen baan meer bij de politie. Dan wordt Bengt Sahlmann, de vader van buurmeisje Sandra, vermoord en kan Olivia het niet laten om zich toch met die moord te gaan bemoeien. Bij de recherche zijn vooral Mette Olsäter, Bosse Thyrén en Lisa Hedquist met de moord bezig en daarbuiten zijn ex-politieman Tom Stilton en zijn vriend Abbas El Fassis nog eens in het spel. Bengt werkte bij leven en welzijn bij de douane en was op zoek naar verdwenen drugs. Op school vroeger was hij goed bevriend met twee andere jongens: Jean Borell, nu miljonair, en Tomas Welander, nu pater, en met die twee heeft hij nog steeds contact. Interessante bijrollen zijn er voor o.a. Borell’s rechterhand Magnus Thorhed, journalist Alex Popovic en porno-acteurs Mickey Leigh en Sabina Villon. Gaandeweg wordt er nog meer gemoord en komen ook andere smerige zaakjes aan de oppervlakte. Hier houdt het verhaaltje op. Wie meer wil, moet het boek zelf maar gaan lezen.
“De derde stem” is best leesbaar en spannend, hoewel ik af en toe oprecht vind dat iets er een beetje met de haren wordt bijgesleept. Wat heeft Mickey Leigh uit Marseille precies te zoeken in Stockholm? Waarom worden vroegere de strapatsen van politieman Rune Forss er bijgesleept? Wat moet zeebioloog Ove Gardman, net terug uit Zuid- en Midden-Amerika, in het verhaal? De soms doodlopende zijlijnen maken dat ik helaas net niet aan een 8 als recensiecijfer toekom. Cilla & Rolf Börjlind moeten het voor “De derde stem” doen met een 7½.
Ik heb deze week meer boeken op mijn geweten. Het tweede heet “Papiergeld” op mijn e-reader, in het oorspronkelijke Engels is het “Paper Money”. Het is van een oude vlam van me: Ken Follett, uit 1970, als ik het wel heb. Het is niet echt een dik boek, maar 200 bladzijden, en Londen is de plek waar het allemaal gebeurt.
Wie zal ik tot hoofdpersoon bombarderen? Volgens mij is dat rijkaard Derek Hamilton, in de vijftig en getrouwd met Ellen. Echt veel plezier aan zijn werk beleeft hij niet meer als baas van zijn bedrijven (Hamilton Holdings) en dat komt niet alleen door zijn opspelende maagzweer en zijn uitzakkende lijf. Hij wil eigenlijk wel stoppen met werken en meer tijd aan Ellen gaan besteden, is net bij zijn vriend en effectenmakelaar Nathaniel Fett geweest om daarover te praten. Wat hij niet weet, is dat Ellen er al een tijdje een minnaar op nahoudt, Felix Laski, iemand die graag bedrijven voor weinig opkoopt om de lucratieve onderdelen ervan met winst te verpatsen. Dezelfde Felix Laski is bevriend met boef Tony Cox, die nogal eens met een duister zaakje te maken heeft. Nu is dat een geldtransport beroven, dat hij laat uitvoeren door drie ondergeschikten. Enkele journalisten van de Evening Post krijgen daar lucht van, vooral de jonge Kevin Hart en zijn chef Arhtur Cole. En dan… dat moeten jullie zelf maar lezen.
“Papiergeld” is een verhaal van één dag, maar wat gebeurt er die dag veel. Ken Follett laat ons een klein stukje zien van de financiële wereld en misdaad in Londen en daar word ik niet vrolijk van. Ik vind het best een aardig boek, ook heel leesbaar, maar spannend? Misschien is het daar net niet goed genoeg voor. Ik deel wederom een 7½ als recensiecijfer uit.
Nummertje 3 zie ik als mijn postume dank aan de net overleden thrillerschrijver Philip Kerr. Ik heb zijn boek “January Window” uit 2014 over de Engelse voetbalwereld geanimeerd zitten lezen. In mijn Nederlandse versie op de e-reader wordt er “Transfermaand” van gemaakt, de periode aan het begin van het jaar dat sommige voetballers nog eens van club wisselen.
Scott Manson, oud-speler van Arsenal en eigenaar van schoenenmerk Pedila, is ook nog eens de veldcoach van Premier League voetbalclub London City. De clubkleur van de denkbeeldige club London East End is oranje en het stadion: de Crown Of Thorns biedt plaats aan 60.000 mensen. De vriendin van Scott heet Sonja en moet weinig van voetbal hebben, is van haar vak psychiater. Scott verdient heel goed bij London City: driekwart miljoen pond per jaar als hulp van manager João Zarco. Die krijgt zelf jaarlijks het tienvoudige op zijn rekening gestort. Eigenaar van de club is een miljardair uit de Oekraïne: Viktor Sokolnikov. De club staat zoals dat heet in het linker rijtje en wil graag na het voetbalseizoen in de Champions League gaan spelen.
Er blijkt op de middenstip in de Crown Of Thorns een graf gegraven te zijn met een foto van Zarco erin. Daar komt politie op af en het wordt alleen maar erger, als Zarco niet veel later zelf dood wordt aangetroffen in een uithoek van het stadion. Namen van politiemensen in dezen zijn Denis Neville, Louise Considine en hun baas Jane Byrne. Er wordt door hen, maar ook door Scott Mason druk gezocht naar een of meer daders: bij collega’s die flinke ruzie met Zarco hedden gehad, boeven zoals die altijd bij een voetbalclub rondhangen, mensen uit de omgeving van Sokolnikov en zo verder. Terzijde wordt Scott Manson intussen wel aangesteld als de tijdelijke, nieuwe manager van de club. Er gebeurt nog veel meer bij de club en in de directe omgeving van Scott Manson en ook die van João Zarco, maar ik blijf als aandachtige lezer niet aan de gang. Het bovenstaande moet voor het moment maar voldoende zijn.
Ik geniet van Philip Kerr als thrillerschrijver, zelfs als hij het niet over Bernie Gunther, maar bijv. over de voetbalwereld heeft. Ik herinner me dat zijn collega John Harvey ook al eens een spannend verhaal gesitueerd heeft in die kringen. Ik heb het “Transfermaand” in twee dagen uitgelezen en hoe kan het anders, ik vind het spannend en onderhoudend, zoals alle boeken van Philip Kerr. Natuurlijk heb ik ook gesmuld van zijn inkijk (glimpse) in de uit de hand lopende voetbalwereld in (niet alleen) Engeland. Ik geef “Transvermaand” een 8 als recensiecijfer, vooruit, laat ik er nog een ¼ bij doen als eerbetoon.
En nog ben ik niet uitgepoept. Misschien mede vanwege het Hoogfeest van Pasen heb ik ook nog, in het Nederlands op mijn e-reader, “Conclaaf” voor jullie. De uitgever van Robert Harris brengt het in 2016 op de markt. Als ik jullie vertel dat ook dit verhaal in Engeland speelt, is dat mijn misplaatste 1 aprilgrap. Uiteraard gaat het om een “sede vacante” in het Vaticaan in Rome, waar een nieuwe paus gekozen moet worden in het Apostolisch paleis (als opvolger van de afgetreden Ratzinger).
Ik begin met een raadseltje: is een kardinaal hetzelfde als een aartsbisschop? In het Vaticaan zijn 117, sorry 118 kardinalen bijeen in de Sixtijnse Kapel (en de Casa Santa Marta om te eten en te slapen) om een nieuwe paus te kiezen. Opvallend – maar dat wist ik al - is dat bijna de helft van hen (56) uit Europa komt en daarvan weer bijna de helft (26) uit Italië. De deken van de kardinalen, Jacopo Lomeli, 75 jaar, moet de verkiezing van de nieuwe paus in goede banen leiden, maar er zitten enkele beren op de weg. Een van de kanshebbers, de zwarte kardinaal Adeyemi, blijkt dertig jaar eerder een kind te hebben verwekt bij een non en een andere populaire kardinaal, camerlengo Tremblay uit Quebec, blijkt zich niet alleen schuldig te hebben gemaakt aan het opzettelijk in diskrediet brengen van Adeyemi, maar ook aan de omkoping van diverse andere kandidaten. Kardinaal Tremblay zou om die reden zelfs door de paus een paar uren voor diens dood uit zijn functie zijn gezet. Deken Jacopo Lomeni’s kandidaat voor het pausschap is de gematigd progressieve kardinaal en minister van Buitenlandse Zaken Bellini, maar helaas valt die niet goed bij de meeste collega’s. Allerlei mensen afvinkend gaat de voorkeur dan steeds meer in de richting van de aartsconservatieve kardinaal Tedesco uit Venetië. Wordt het niet tijd dat kardinaal Lomeni zich zelf met de verkiezing gaat bemoeien en dat anderen, zoals de nieuwbakken kardinaal Vincent Benítez uit Bagdad, oorspronkelijk de Filippijnen, hun zegje gaan doen? Komt er nog een keer witte rook uit de schoorsteen en een “habemus papam”?
Robert Harris weet mij voor de zoveelste keer ervan te overtuigen dat hij echt een meester is in het schrijven van thrillers, steeds tegen de achtergrond van een werkelijke gebeurtenis uit de wereldgeschiedenis. “Conclave” (in het Engels) is een prachtboek. Het heeft mij in een echte paasstemming gebracht en gaat met een 8½ terug naar mijn lijst van bovengemiddelde boeken.
Querid@s amig@s y familia, zitten we alweer in april. Over zeven weken loop ik weer rond in Maastricht en omstreken. Hier zijn de donderdag en vrijdag minstens zo belangrijk als Paaszondag en is het op Tweede Paasdag “business as usual”. Straks komen de twee studenten van Jorge met belangstelling voor klinische epidemiologie weer aan de deur kloppen of ik wil meediscussiëren.
Ik ben een fan van Harry’s website, met name zijn stukken over popmuziek en zijn clips. Een van de clips van afgelopen week betreft een “Tiny desk concert” van John Prine. Die heb ik hier al eens aan jullie voorgesteld met o.a. zijn “Hello in there” (dat ik heel mooi vind van Bette Midler). Een “tiny desk concert” in de huiselijke sfeer duurt een kwartier of zo en allerlei bekende en minder bekende mensen hebben er al eens aan meegedaan. John Prine is van mijn leeftijd en de kachel aanmaken kan hij nog steeds. Ik krijg in zijn kwartier vier nummers van hem (en zijn begeleiders) voorgeschoteld die ik zonder uitzondering kan appreciëren: “Caravan of boo’s”, “Come on home”, “All the best” en eentje van vroeger als uitsmijter: “Souvenirs”. Zeer zeker de moeite waard! Ik ga toch eens uitzoeken hoe het zit met de site npr.org/tinydesk. Misschien kan ik hem wel gratis downloaden; daar zeg ik geen nee tegen.
Om half 6 maandagmiddag heb ik mijn correspondentie afgewerkt, ook Harry’s website, en keer terug tot voorbij mijn woning, naar Castillo de la Luz. Het is intussen zomertijd, dus permitteer ik me deze keer om op een bank in het parkje te blijven zitten lezen totdat het donker wordt (half 9). Naar het bibliotheekje gaat een andere keer weer eens gebeuren, maar vandaag niet. Wel ben ik na half 9 nog net op tijd om bij de Spar, die tot 9 uur open is, mijn eetvoorraad op orde te brengen.
Op de dinsdagmorgen mijmer ik op mijn balkon over het nut van live muziek. Hoe dat “live” in het Nederlands vertaald wordt met “levende”, begrijp ik niet goed. Als muzikanten hier in het openbaar hun best doen, zijn er steevast een aantal toehoorders, eigenlijk toeschouwers. Ik weet dat nog van mijn avonden met Noé, die altijd graag aan de drank zat met live muziek erbij. Nu hebben anderen me al een paar keer gevraagd of ik op het einde van de zondagmiddag geen belangstelling heb voor de optredens bij Clipper en NYC Taxi voorbij La Puntilla. (De derde zaak ietsje verderop is weer eens van eigenaar veranderd en heet nu Pizzadillo. Enig leven bespeur ik er niet.)
Moet ik ook in mijn brieven aan jullie overschakelen van “luisteren” naar ‘bekijken”?
Het kan niet anders, nadat ik John Prine (uit 1946, een goed jaar) al heb opgehemeld, dat ik hier en nu met muziek van hem kom aanzetten. Ik heb drie studio-CD’s van hem: “In Spite Of Ourselves” uit 1999, “Souvenirs” uit 2000 en “Fair & Square” uit 2005. Heb ik “Fair & Square” niet al eens voor jullie opgezet, valt me nou in? Ik heb ook opnames van drie live optredens, waaronder eentje in Nederland, in Haarlem. Het kan niet anders dan dat ik deze mini-collectie van Marij’s neef Peter heb. Hoe zou het met hem gaan?
Mijn keuze valt vandaag op “In Spite Of Ourselves”, omdat de man in 1999 net van keelkanker hersteld is en omdat “So Sad” erop staat, een van mijn favorieten van de Everly Brothers. Het is overigens geen plaat met eigen werk van John Prine; alleen het nummer “In spite of ourselves”, dat hij samen met Iris Dement zingt, is door hemzelf geschreven. De rest komt van allerlei andere schrijvers. Op het laatste nummer na gaat het bovendien om allemaal duetten, steeds samen met een bekende country- en westernzangeres (“The Old Chevrolet Set”). Hier zijn de zestien nummers:
01.(We’re not) the jet set (& Iris DeMent)
02.So sad (to watch love go bad) (& Connie Smith)
03.Wedding bells/Let’s turn back the years (& Lucinda Williams)
04.When two worlds collide (& Trisha Yearwood)
05.Milwaukee, here I come (& Melba Montgomery)
06.I know one (& Emmylou Harris)
07.It’s a cheating situation (& Dolores Keane)
08.Back sreet affair (Patty Loveless)
09.Loose talk (& Connie Smith)
10.Let’s invite them over (& Iris DeMent)
11.’Til a tear becomes a rose (& Fiona Prine)
12.In a town this size (& Dolores Keane)
13.We could (& Iris De Ment)
14.We must have been out of our minds (& Melba Montgomery)
15.In spite of ourselves (& Iris DeMent)
16.Dear John (I sent your saddle home) (solo)
Het is echt een memorabele CD, al zeg ik het zelf, met allerlei country & westernmuziek zoals je hoopt dat hij gespeeld en gezongen wordt. Rusten jullie niet voordat ik ook mijn uitschieters geef? Dan kom ik uit op: “(We’re not) the jet set”, “Milwaukee, here I come”, “I know one”, “Back street affair”, “Loose talk”, “’Til a tear becomes a rose” (John Prine plus eega), “In a town this size” en “We must have been out of our minds”. Zijn dat er wat veel? Dan doe ik net of mijn neus bloedt en voeg “Wedding bells/Let’s turn back the years” van hem en Lucinda Williams nog aan mijn lijstje toe.
John Prine is nog niet van mij af. Ik ga hem in mei in de CD-theek in Rotterdam opzoeken en “es-god-bleef” nog meer muziek van hem downloaden. Wie weet, vind ik ook nog zijn liedje over Donald Trump (“Caravan of boo’s”) op een recente CD. Of verbeeld ik me dat maar?
Wat mij op dinsdagmorgen ook opvalt, is dat Cafeteria Nuevo Murias dicht is. Dat was gisteren al het geval, maar vandaag heeft ook “De Francesco” zijn vrije dag en dan is het wel erg rustig ‘s morgens op mijn stukje Luis Morote. Is Carlos zijn snipperdagen aan het opmaken? Nee, daar geloof ik niks van, als ik bedenk dat hij Tóbalo destijds ontslagen heeft, toen die hem vertelde dat hij graag drie weken naar Zweden wilde. Carlos is compleet verloofd en getrouwd met zijn “koffiehuis”. Bij mijn weten begint de man iedere morgen al om 6 uur met zijn koffiemachine aan te zetten en geeft hij er pas ‘s avonds om een uur of 10, 11 de brui aan. Bij hoge uitzondering heeft hij nog wel eens een paar uren enige (vrouwelijke) hulp. Alleen op zondag houdt Carlos zijn zaak gesloten. Ben ik op dinsdag even blij, als “La Taverna Don Manué” aan de overkant om ongeveer 12 uur zijn stoelen en tafeltjes buiten gaat zetten.
Er zal Carlos toch niks akeligs overkomen zijn in het weekend? ‘s Middags zie ik twee mensen in overall beneden in de zaak. Ze zijn druk bezig. Het zijn geen obers, maar meer een soort elektriciens. Op de pui hangt nu een briefje met: “Cerrado por avería”, gesloten wegens een storing. Van zo’n mededeling word ik niet wijzer, maar het lijkt me dat het probleem wel weer tijdelijk en oplosbaar is. Ik zal jullie informeren, als mijn benedenbuurman weer thuis geeft.
De afgelopen week, op 26 maart, had ik met Lluis een beetje een aanvaring. Hij had mij begin maart al beloofd dat mijn gordijn thuis bij het balkon vernieuwd zou worden – voor mij zou het opnieuw vastmaken van het stiksel bij de railing goed genoeg geweest zijn. Daar kwam hij op “Lunes Santo” op de universiteit op terug. (Drie keer “op” in één zinnetje, kan het niet wat minder?) Hij was “een zeer druk mens”, zijn woorden, en eigenlijk vond hij dat ik zelf maar voor een nieuw gordijn moest zorgen. Ons compromis was dat hij zou komen kijken wat eraan verhapstukt moest worden. (Heb ik hem twee foto’s op 6 maart voor niks gestuurd? Kennelijk!)
Op dinsdagavond om half 7 komt hij aanzetten. Hij werpt een blik van niks op mijn gordijn en beslist dan, zonder de minste aarzeling, dat hij voor een heel nieuw gordijn gaat zorgen. Wat er nu hangt - aan een zijden draadje, lijkt het wel - kan ook voor hem echt niet langer door de beugel. Trudie’s argument, per e-mail, dat een gordijn bij de inboedel van een gemeubileerde huurwoning hoort, hoef ik niet van stal te halen. Lluis gaat een en ander verder regelen. Vervolgens neemt hij plaats op het balkon - gelukkig laat hij de “zedeleer” aan mij – en steekt pontificaal een feestsigaar op. Ik weet niet hoe gauw ik mijn asbakje te voorschijn moest halen.
We hebben een heel gesprek over de transitie in de jaren zestig hier, van een arme, agrarische gemeenschap naar de huidige toestand met vooral toerisme als bron van inkomsten. Lluis is het met me eens dat het met het eten echt uit de hand gelopen is. Waar je vroeger bijna alleen regionale producten kreeg voorgeschoteld, net als bij ons in Nederland trouwens – wat is daar mis mee? – is de voedselmarkt hier helemaal verschoven naar “alles” en “altijd”. Waarom zou je het hele jaar door aardbeien moeten kunnen eten, als die uit Zuid-Amerika geïmporteerd moeten worden? Hoe zo halen we op de Canarische eilanden ons vlees uit landen in Oost-Azië zoals China? Weet ik wel dat er tegenwoordig in van alles 10% palmolie zit en de bossen op plekken als Borneo er steeds meer aan moeten geloven? Ik krijg het ene na het andere akelige voorbeeld van hem, hoe allerlei eten of onderdelen ervan vanuit Verweggistan hierheen verscheept worden, terwijl het regionale voedsel – net ietsje duurder – maar moeilijk meer aan de man gebracht kan worden. Volgens Lluis is het drieluik: “money, health, taste” is veel te veel een kwestie geworden van “hoe goedkoper, hoe beter”, waarbij zaken zoals het eigen milieu een ondergeschikte rol zijn gaan spelen.
Op de woensdag vraag ik me af waar het woord “sangría” eigenlijk vandaan komt: de bekende Spaanse drank van rode wijn met stukjes vruchten en suiker. Voor alle duidelijkheid: het is “sangría”, met de klemtoon op de i en niet op de eerste lettergreep. Weet mijn woordenboek wellicht raad? Daar zie ik bij het woord “sangría” niet alleen vruchtenbowl staan, maar ook (o.a.) aderlating, bloedaftapping. Ik ben er haast zeker van dat het woord etymologisch daar vandaan komt, als verlenging van “sangre”, Spaans voor bloed.
Eeuwenlang zijn aderlatingen zo ongeveer als de belangrijkste therapieën in medische handen beschouwd, voor n’importe welke aandoeningen allemaal. Ik denk dat de titel van het Engelse medische tijdschrift “The Lancet” er nog naar verwijst. Aderlaten bij een longontsteking of pijn aan je heup, hoe bestaat het! Pas ergens in de vorige eeuw is de klad in “sangrías” (en idem dito braken en purgeren) als werkzame therapie gekomen. Over wat ervoor in de plaats is gekomen, ben ik een stuk tevredener. Aan de andere kant, overhouden doet het nog lang niet.
´s Avonds ga ik eerst naar de voedselkelder van El Corte Inglés-Noord. Ik koop Ensalada Americana en krabsalade, die allebei van een firma uit Navarra in Noord-Spanje afkomstig zijn. Navarra, is dat met zijn bijna 2000 km afstand niet wat ver uit de route voor Las Palmas? Daarnaast koop ik “almendras fritas”, gefrituurde amandelen, die uit Californië blijken te komen en “avellanas tostadas”, geroosterde hazelnoten, uit Turkije. Lluis heeft me gisteravond verteld dat er op Gran Canaria prima amandelen groeien. Wordt het daarmee niet tijd dat ik mijn aankopen hier in de winkels weer eens opnieuw aan een milieu-inspectie onderwerp?
Na El Corte Inglés daal ik af naar het bibliotheekje aan Las Canteras bij het basketbalveld. Veel wijzer word ik daar niet van de kranten. Het lijkt er verdorie op dat er helemaal niks interessants meer in de wereld gebeurt. In de regionale krant La Provincia lees ik bij gebrek aan beter een artikel over het maken van “sancocho”, best aardig. Op de digitale pagina van de krant staat zelfs een aantal recepten hoe je het gerecht het beste kunt klaarmaken. Hier vertel ik jullie alvast dat sancocho een stoofschotel is van “cherne seco y salado”. Ik neem aan dat daar stokvis mee wordt bedoeld (maar dat is volgens mijn woordenboek “bacalao”)? Er horen Canarische aardappeltjes bij en volgens de redacteur van de krant ook “gofio”, geroosterd maismeel van het eiland. Sancocho is een gerecht dat je eigenlijk in de Semana Santa een keer gegeten moet hebben, thuis of in een restaurant (zoals Amigo Camilo, bij La Puntilla).
In de landelijke krant El Mundo staat een aardig stuk over sildenafil. Dat is bij jullie beter bekend met de handelsnaam Viagra, het bekende blauwe pilletje, waarmee veel oude mensen graag op zak lopen voor het geval dat. Misschien heb ik jullie eerder al eens vermoeid met Regaine, zo heet het geloof ik, een nieuw, al te drastisch middel tegen hoge bloeddruk in de jaren 90. Het middel heeft als bijwerking dat je haar erdoor gaat groeien. Dus heeft de farmaceutische industrie het vervolgens als haargroeimiddel op de markt gebracht, met overigens maar tijdelijk succes. Iets dergelijks is ook met Viagra gebeurd. Farmaceut Pfizer komt met het spul op de markt als middel bij hoge bloeddruk en angina pectoris. Dan blijkt dat het meer van hetzelfde is en dat een verbeterde erectie bij mannen tot de bijwerkingen behoort. Voor die nieuwe indicatie blijkt Viagra vervolgens een goudmijn te zijn. De blauwe pilletjes komen twintig jaar terug op de markt voor een prijs van 15 tot 50 dollar per stuk. Pas onlangs is er ruimte ontstaan voor een generiek equivalent en nu is de prijs gedaald naar één dollar.
Op Witte Donderdag (hoe zo witte?) ben ik eindelijk bereid om John Prine en zijn dames vaarwel te zeggen voor een nieuwe artiest, of liever gezegd een groep: de Clash. Dat is een punkgroep die ik wel op zijn plaats vind tijdens de hoogtijdagen van de “goede week”. Ik zou er niet zo snel opgekomen zijn, ware het niet dat het liedje “London Calling” van de gelijknamige CD uit 1979, hun derde, het clublied is van de denkbeeldige voetbalclub London City – zie verder mijn boek 3 in de boekenbijlage. Hier zijn de negentien nummers van het stelletje punkers:
01.London calling
02.Brand new Cadillac
03.Jimmy Jazz
04.Hateful
05.Rudie can’t fall
06.Spanish bombs
07.The right profile
08.Lost in the supermarket
09.Clamp down
10.The guns of Brixton
11.Wrong ‘em boyo
12.Death of glory
13.Koka kola
14.The card cheat
15.Lover’s rock
16.Four horsemen
17.I’m not down
18.Revolution rock
19.Train in vain
“London Calling” van de Clash, dat lijkt me niet het soort album, waarbij ik dapper op zoek moet gaan naar uitschieters. Laat ik hier volstaan met het titelnummer “London calling” een eervolle vermelding geven en verder constateren - tot mijn eigen verrassing, want ik ben bepaald geen fan van punkmuziek - dat ik het over de breedte best een mooie CD vind. Wie had dat gedacht? Ik vind trouwens ook de hoes best apart!
In de Luis Morote, voor mij links van de “vader en zoon” op nummer 17, zie ik iedere morgen een oude vrouw op het balkon verschijnen, een zeventiger. Er hoort ook een man bij, maar die ken ik alleen van op straat, als hij eruit moet om met haar te gaan winkelen of boodschappen doen. En nou komt het: mijn overbuurvrouw heeft thuis altijd, in ieder geval als ze op het balkon doende is, een groot ouderwets schort aan. Het is voor mij het soort “Hema-sjolk” dat je haast niet meer kunt kopen, zo ouderwets. Erboven zie ik een oude kop met een permanent kapsel, ook nog in een grijsblauwe tint. Zo iets horen vrouwen sinds de jaren vijftig niet meer te hebben.
Mijn overbuurvrouw veegt in haar werkkleding iedere morgen opnieuw het balkon even aan; daar kan ik vergif op innemen. De randjes van de balustrade worden geen dag overgeslagen en krijgen een beurt met een stuk keukenrol.
Zal ik mijn collectie trui-opschriften weer eens uitbreiden? Dan maak ik jullie allereerst deelgenoot van een damestrui met als opschrift: “I am not a blogger”. Daar kan ik als geroutineerd blogger weinig aan verhapstukken. Leuk vind ik ook een meisje met op haar T-shirt het woord “Glimpse”, kijk maar eventjes. Het is er met zilveren puntjes op geborduurd (of zo). Moet er deze keer ook een man bij met een trui-opdruk? Dan kom ik uit op een opgeschoten knul met “Just visiting this planet”.
Op de vrijdag, als hier bijna alle winkels dicht zijn vanwege de kruisiging, zet ik ‘s ochtends mijn pot koffie, of er niks mis is. Sinds Damaris het koffiezetapparaat in december even in handen heeft gehad, doet het het weer als vanouds. Ik word wel verondersteld om er eerst even mee te rammelen, totdat het lichtje aan gaat. Het Spaanse woord ervoor is geloof ik “zarandear”, schudden. Mijn koffiezetapparaat is goed voor vier mokken, waarmee ik de watervoorraad in mijn lijf al in de vroege morgen op peil breng. De eind november aangeschafte kleinere “cafetera automática” staat al weer de nodige maanden te verkommeren op de ijskast.
Ik kijk over de balkonrand naar het “Besito volao” embleem op de pui van de kledingwinkel bij mij schuin aan de overkant. Besito = kusje en dat “volao” is Canarisch voor “vliegend”. In het Spaans zou het “tirar un besito ” zijn. Terzijde, er eentje laten vliegen is “tirarse un pedo” en je ziet ze vliegen is “estas chiflado”.
Zoals aangekondigd eet ik vanmiddag geen vlees, maar vis. Jezus heeft niet voor niks allerlei vissers om zich heen verzameld als apostelen. Terzijde, veel maken die apostelen vandaag niet klaar op voor de villa van Pontius Pilatus, op de via dolorosa en aan de calvarieberg. Niettemin, mijn steun krijgen ze voor één keer: ik zit aan een voedzame schotel makreel om 1 uur. Ik heb er als groente een mix van komkommer en gesnipperde ui bij. Is dat niet de ideale groente? Mensen, we zitten toch nog in de vastentijd?
Op zaterdag, paaszaterdag voor wie dat wil, mag de Clash weer terug in de lappenmand. Laat ik de headbangers eens verruilen voor wat stichtelijke muziek. Met Pasen geen zang, eerder een extraatje aan violen. Ik kom uit bij James Galway en zijn verzamelCD “The Essential Flute Of James Galway”. Wat zou de relatie zijn tussen de Ierse orkestdirigent, met fluit, en de stad Galway, die mij de afgelopen zomer met Trudie in Ierland zo goed bevallen is? Als je het nummer hoort, ken je zeker wel zijn “Annie’s song”, maar staat er nog meer moois op de CD? Hier zijn alle 23 nummers van het album op een rijtje:
01.Annie’s song
02.Claire de lune
03.La fille aux cheveux de lin (=vlashaar)
04.Arrival of the queen of Sheba
05.Tambourin
06.Le Basque
07.Morning
08.Adagio of Spartacus & Phrygia (The Onedin line)
09.Bachianas brasiliensas No. 5. Aria
10.Air on the G string
11.Traumerei
12.Ave Maria
13.The flight of the bumblebee
14.Brian Boru’s march
15.Belfast hompipe
16.Down by the Sally gardens
17.Danny boy
18.The last rose of summer
19.The condor pasa (If I could)
20.La vie en rose
21.The windmills of your mind
22.Send in the clowns
23.The Pink Panther
Het is een hele oefening van berouw, maar ik werk me er moeiteloos een paar keer doorheen. En dan blijkt dat ik niet alleen kan zwijmelen bij “Annie’s song” - het blijft mooi, dat wel – maar ook bij bijv. “Morning”, “Air on the G string”, “Ave Maria” (met Pasen, dan moet het kunnen) en “Send in the clowns” mijn stekels opzet.
Pasen, mij valt al op de zaterdag op dat het toch een minder huiselijk feest is dan Kerstmis. Heeft “Pascua” eigenlijk nog wel bestaansrecht als vreugdedans, na de gevangenneming van Jezus in de “hof van olijven” op “Jueves Santo”, zijn nederlaag tegen Barabas in de ochtend van “Viernes Santo”, met daarop volgend de veertien statiën en dan als apotheose zijn doodsnood met zinnetjes als “Vader, waarom hebt ge mij verlaten”? Hoeveel mensen geloven er in alle oprechtheid nog in de “opstanding uit de dood” op zondagmorgen en de steen die door onbekende handen voor het graf is weggehaald? Hier in Las Palmas is een “flor de pascua” een kerstster. Ik kom met Pasen is in het Spaans: “Iré en Semana Santa”.
Zaterdagavond krijg ik nog een staartje mee van de teloorgang van voetbalclub UD Las Palmas, nu thuisverlies tegen Real Madrid. Dan begint in El Palikeo op een groot scherm de wedstrijd tussen Sevilla (SFC, nog steeds in de race bij de laatste acht van de Champions league) en Barcelona. “SFC, tu eres mi pasión”, zie ik met grote letters op de tribune staan; het lijkt wel een reclame van De Spar. Grote afwezige bij de wedstrijd is ongetwijfeld Lionel Messi, Hij zit wel, met een hesje om, in de dug-out te gapen, als het beeld een keer op hem gericht wordt. Is trainer Valverde hem aan het sparen in verband met het treffen woensdagavond tegen Roma?
De wedstrijd gaat een beetje op en neer, zonder dat er echte kansen komen, niet voor Sevilla en “tampoco” voor Barcelona. Dan is het zo maar ineens raak in minuut 35: het wordt 1-0 voor Sevilla door een frommelgoal van Franco Vásquez in het doelgebied van Barcelona. Die goal krijg ik ietsje te vaak te zien, vind ik. Als ik dan vlak na de rust, in minuut 50, ook nog eens 2-0 krijg voorgeschoteld: een mooi doelpunt van Luis Muriel, denk ik: hoe bestaat het? Barcelona loopt voor de eerste keer dit seizoen tegen een nederlaag aan en ik kijk ernaar.
Lionel Messi wordt gemaand om voorzichtigjes de veters van zijn schoenen eens vast te maken. Hij trekt zijn trainingskleren uit en gaat “inlopen” langs de zijlijn. Ik denk en met mij heel veel mensen: zelfs jij kunt daar in een half uur speeltijd weinig meer aan veranderen tegen een eersteklas tegenstander als Sevilla. Hij neemt de plaats in van Dembélé en zie: er gebeurt ineens veel meer. Barcelona gaat met Messi in de gelederen zo waar “va banque” spelen (schrijf je dat zo?) en er komen serieuze mogelijkheden. Aan de overkant zie ik nummertje drie er even goed zo invliegen; Ter Steegen en wat er over is van achterhoede verrichten kleine wonderen. Dan zitten we vlak voor het einde van de partij. Luis Suárez loopt in op een bal van de zijkant en scoort miraculeus van dichtbij met een voet in de lucht: 2-1. Het wachten is nu of er nog een schuiver van Leo Messi in de maak is. Die komt er tot vreugde van het terras vlak voor tijd. Vanaf een metertje of dertien legt hij “la pelota” voor zijn linker pantoffel, kijkt eens even, legt aan en dan zie ik de keeper van Sevilla te laat naar zijn rechterhoek duiken: 2-2. Heeft Barça het toch weer “geschaft” om niet te verliezen.
Even later keer ik “moe maar voldaan” van El Palikeo terug naar mijn balkon en bezondig me aan een groot glas Ricard met rode Spa en de nodige nootjes.
Op zondagmorgen bedenk ik diverse grappen die jullie al kennen. Dat wordt dus niks met 1 april; ik ga terugvallen op 28 december, dag van het moppentappen in Spanje. Wel heb ik een ei-rijmpje: “Een ei is geen ei, twee eiers is een half ei, drie eiers is een paasei.” Willen jullie er nog eentje? “Men moet geen paaseieren met Goede Vrijdag eten.” Zoek ze maar op; ze staan allebei in de grote Van Dale.
Mijn diner met Pasen bestaat uit een overheerlijke combinatie van corned beef (“cornedbeef”, ook in het Spaans), zilveruitjes (“cebollitas”) en gekookte eieren (“huevos duros”) en in een saus van mayonaise en mosterd (“mayonesa y mostaza”). Ik eet er zesgranenbrood (onvertaald) van Duitse bakker Zipf bij.
‘s Avonds lees ik mijn vierde boek van de week uit op een bank langs het water bij La Puntilla. Het is sowieso erg druk op de boulevard, maar nu ook in de buurt van restaurant Clipper. Daar is net een Spaans gezelschap klaar met zijn optreden, als ik me aandien. Ook erna blijft het druk, tot genoegen van de eigenaar van de zaak. Om half 9, pas als de zon in de zee is gezakt, aanvaard ik de terugtocht.
Op de bank tegenover mijn woning bekijk ik de diverse foto’s nog eens die mij in het weekend zijn toegestuurd door Trudie, Eva en Marion. Met name die van Marion heeft mijn zegen: een pracht van een momentopname uit het nog jonge leven van mijn neefje Luno. Hij zit tussen zijn Maastrichtse opa en oma bij Venezia in de Nieuwstraat aan een kinderijsje, een “coupe Bimbo” en laat het zich goed smaken. Die foto en die van Eva met de eenjarige aanwinst Julien krijgen zonder meer een plek op mijn prikbord. Trudie’s “kemissie: eet neet te väöl eier!” heb ik helaas niet ter harte genomen.
Op maandagochtend ben ik in alle vroegte blij dat de Pasen hier voorbij is. Om kwart voor 6 hoor ik geschuif aan de pui van Cafetería Nuevo Murias en denk ik met animo: Carlos is weer terug onder de levenden. Dan draai ik me om voor een volgende slaapronde. Als ik om 8 uur uit mijn bed te komen, hoor ik kinderen van het schooltje bij mij naast de hond van een van de moeders weer bepotelen. De twee vaders die hun kinderen met de fiets naar school brengen, houden zoals steeds halt om de fietsen van de kinderen aan lantaarnpalen te binden. Om mysterieuze reden is er voor de jongens vandaag geen echte bal beschikbaar, dus moeten ze het voor hun voetballen doen met een veredelde prop papier, ook leuk. Om even voor half 9, als de jeugd op school aan moet en een aantal dames bij Carlos of ernaast bij De Francesco aan de koffie gaat, proef ik eens aan mijn eerste mok op het balkon.
In mijn nieuwe boek, dat in New York Manhattan-Noord speelt, heffen agenten een lied aan: “Fairytale In New York” van de Pogues met lelijkerd Shane MacGowan, en als extraatje Kirsty MacColl. Ik kan het niet laten om het weer op te zetten: een prima de luxe nummer.
Mag ik het daarbij laten? Vanmiddag ga ik naar de universiteit om deze brief te posten en andere dingen te doen. Jullie geloven toch niet dat ik compleet in ruste ben. Mijn volgende epistel kunnen jullie over een week verwachten, op maandag 9 april. Voor nu, de vasten is voorbij, ik zou zeggen: neem het er eens van. Neem bij het eten eens een extra bord soep, een volgende portie vlees-groente-aardappelen en of het niet op kan, ook nog een tweede toetje. De mazzel vanuit een ver eiland en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Ik begin mijn wekelijkse literaire uitje deze keer met een boek van Cilla & Rolf Börjlind. Het Zweedse schrijverskoppel heb ik hier al eens eerder aandacht gegeven. Afgelopen zomer kreeg ik “De derde stem” uit 2013 toegespeeld voor op mijn e-reader. Dan doe je met zo’n “gegeven paard” niet moeilijk.
Hoofdpersoon is de 25-jarige Olivia, achternaam sinds kort Rivera. Ze heeft een getormenteerd leven achter de rug en wil na haar politie-opleiding liever geen baan meer bij de politie. Dan wordt Bengt Sahlmann, de vader van buurmeisje Sandra, vermoord en kan Olivia het niet laten om zich toch met die moord te gaan bemoeien. Bij de recherche zijn vooral Mette Olsäter, Bosse Thyrén en Lisa Hedquist met de moord bezig en daarbuiten zijn ex-politieman Tom Stilton en zijn vriend Abbas El Fassis nog eens in het spel. Bengt werkte bij leven en welzijn bij de douane en was op zoek naar verdwenen drugs. Op school vroeger was hij goed bevriend met twee andere jongens: Jean Borell, nu miljonair, en Tomas Welander, nu pater, en met die twee heeft hij nog steeds contact. Interessante bijrollen zijn er voor o.a. Borell’s rechterhand Magnus Thorhed, journalist Alex Popovic en porno-acteurs Mickey Leigh en Sabina Villon. Gaandeweg wordt er nog meer gemoord en komen ook andere smerige zaakjes aan de oppervlakte. Hier houdt het verhaaltje op. Wie meer wil, moet het boek zelf maar gaan lezen.
“De derde stem” is best leesbaar en spannend, hoewel ik af en toe oprecht vind dat iets er een beetje met de haren wordt bijgesleept. Wat heeft Mickey Leigh uit Marseille precies te zoeken in Stockholm? Waarom worden vroegere de strapatsen van politieman Rune Forss er bijgesleept? Wat moet zeebioloog Ove Gardman, net terug uit Zuid- en Midden-Amerika, in het verhaal? De soms doodlopende zijlijnen maken dat ik helaas net niet aan een 8 als recensiecijfer toekom. Cilla & Rolf Börjlind moeten het voor “De derde stem” doen met een 7½.
Ik heb deze week meer boeken op mijn geweten. Het tweede heet “Papiergeld” op mijn e-reader, in het oorspronkelijke Engels is het “Paper Money”. Het is van een oude vlam van me: Ken Follett, uit 1970, als ik het wel heb. Het is niet echt een dik boek, maar 200 bladzijden, en Londen is de plek waar het allemaal gebeurt.
Wie zal ik tot hoofdpersoon bombarderen? Volgens mij is dat rijkaard Derek Hamilton, in de vijftig en getrouwd met Ellen. Echt veel plezier aan zijn werk beleeft hij niet meer als baas van zijn bedrijven (Hamilton Holdings) en dat komt niet alleen door zijn opspelende maagzweer en zijn uitzakkende lijf. Hij wil eigenlijk wel stoppen met werken en meer tijd aan Ellen gaan besteden, is net bij zijn vriend en effectenmakelaar Nathaniel Fett geweest om daarover te praten. Wat hij niet weet, is dat Ellen er al een tijdje een minnaar op nahoudt, Felix Laski, iemand die graag bedrijven voor weinig opkoopt om de lucratieve onderdelen ervan met winst te verpatsen. Dezelfde Felix Laski is bevriend met boef Tony Cox, die nogal eens met een duister zaakje te maken heeft. Nu is dat een geldtransport beroven, dat hij laat uitvoeren door drie ondergeschikten. Enkele journalisten van de Evening Post krijgen daar lucht van, vooral de jonge Kevin Hart en zijn chef Arhtur Cole. En dan… dat moeten jullie zelf maar lezen.
“Papiergeld” is een verhaal van één dag, maar wat gebeurt er die dag veel. Ken Follett laat ons een klein stukje zien van de financiële wereld en misdaad in Londen en daar word ik niet vrolijk van. Ik vind het best een aardig boek, ook heel leesbaar, maar spannend? Misschien is het daar net niet goed genoeg voor. Ik deel wederom een 7½ als recensiecijfer uit.
Nummertje 3 zie ik als mijn postume dank aan de net overleden thrillerschrijver Philip Kerr. Ik heb zijn boek “January Window” uit 2014 over de Engelse voetbalwereld geanimeerd zitten lezen. In mijn Nederlandse versie op de e-reader wordt er “Transfermaand” van gemaakt, de periode aan het begin van het jaar dat sommige voetballers nog eens van club wisselen.
Scott Manson, oud-speler van Arsenal en eigenaar van schoenenmerk Pedila, is ook nog eens de veldcoach van Premier League voetbalclub London City. De clubkleur van de denkbeeldige club London East End is oranje en het stadion: de Crown Of Thorns biedt plaats aan 60.000 mensen. De vriendin van Scott heet Sonja en moet weinig van voetbal hebben, is van haar vak psychiater. Scott verdient heel goed bij London City: driekwart miljoen pond per jaar als hulp van manager João Zarco. Die krijgt zelf jaarlijks het tienvoudige op zijn rekening gestort. Eigenaar van de club is een miljardair uit de Oekraïne: Viktor Sokolnikov. De club staat zoals dat heet in het linker rijtje en wil graag na het voetbalseizoen in de Champions League gaan spelen.
Er blijkt op de middenstip in de Crown Of Thorns een graf gegraven te zijn met een foto van Zarco erin. Daar komt politie op af en het wordt alleen maar erger, als Zarco niet veel later zelf dood wordt aangetroffen in een uithoek van het stadion. Namen van politiemensen in dezen zijn Denis Neville, Louise Considine en hun baas Jane Byrne. Er wordt door hen, maar ook door Scott Mason druk gezocht naar een of meer daders: bij collega’s die flinke ruzie met Zarco hedden gehad, boeven zoals die altijd bij een voetbalclub rondhangen, mensen uit de omgeving van Sokolnikov en zo verder. Terzijde wordt Scott Manson intussen wel aangesteld als de tijdelijke, nieuwe manager van de club. Er gebeurt nog veel meer bij de club en in de directe omgeving van Scott Manson en ook die van João Zarco, maar ik blijf als aandachtige lezer niet aan de gang. Het bovenstaande moet voor het moment maar voldoende zijn.
Ik geniet van Philip Kerr als thrillerschrijver, zelfs als hij het niet over Bernie Gunther, maar bijv. over de voetbalwereld heeft. Ik herinner me dat zijn collega John Harvey ook al eens een spannend verhaal gesitueerd heeft in die kringen. Ik heb het “Transfermaand” in twee dagen uitgelezen en hoe kan het anders, ik vind het spannend en onderhoudend, zoals alle boeken van Philip Kerr. Natuurlijk heb ik ook gesmuld van zijn inkijk (glimpse) in de uit de hand lopende voetbalwereld in (niet alleen) Engeland. Ik geef “Transvermaand” een 8 als recensiecijfer, vooruit, laat ik er nog een ¼ bij doen als eerbetoon.
En nog ben ik niet uitgepoept. Misschien mede vanwege het Hoogfeest van Pasen heb ik ook nog, in het Nederlands op mijn e-reader, “Conclaaf” voor jullie. De uitgever van Robert Harris brengt het in 2016 op de markt. Als ik jullie vertel dat ook dit verhaal in Engeland speelt, is dat mijn misplaatste 1 aprilgrap. Uiteraard gaat het om een “sede vacante” in het Vaticaan in Rome, waar een nieuwe paus gekozen moet worden in het Apostolisch paleis (als opvolger van de afgetreden Ratzinger).
Ik begin met een raadseltje: is een kardinaal hetzelfde als een aartsbisschop? In het Vaticaan zijn 117, sorry 118 kardinalen bijeen in de Sixtijnse Kapel (en de Casa Santa Marta om te eten en te slapen) om een nieuwe paus te kiezen. Opvallend – maar dat wist ik al - is dat bijna de helft van hen (56) uit Europa komt en daarvan weer bijna de helft (26) uit Italië. De deken van de kardinalen, Jacopo Lomeli, 75 jaar, moet de verkiezing van de nieuwe paus in goede banen leiden, maar er zitten enkele beren op de weg. Een van de kanshebbers, de zwarte kardinaal Adeyemi, blijkt dertig jaar eerder een kind te hebben verwekt bij een non en een andere populaire kardinaal, camerlengo Tremblay uit Quebec, blijkt zich niet alleen schuldig te hebben gemaakt aan het opzettelijk in diskrediet brengen van Adeyemi, maar ook aan de omkoping van diverse andere kandidaten. Kardinaal Tremblay zou om die reden zelfs door de paus een paar uren voor diens dood uit zijn functie zijn gezet. Deken Jacopo Lomeni’s kandidaat voor het pausschap is de gematigd progressieve kardinaal en minister van Buitenlandse Zaken Bellini, maar helaas valt die niet goed bij de meeste collega’s. Allerlei mensen afvinkend gaat de voorkeur dan steeds meer in de richting van de aartsconservatieve kardinaal Tedesco uit Venetië. Wordt het niet tijd dat kardinaal Lomeni zich zelf met de verkiezing gaat bemoeien en dat anderen, zoals de nieuwbakken kardinaal Vincent Benítez uit Bagdad, oorspronkelijk de Filippijnen, hun zegje gaan doen? Komt er nog een keer witte rook uit de schoorsteen en een “habemus papam”?
Robert Harris weet mij voor de zoveelste keer ervan te overtuigen dat hij echt een meester is in het schrijven van thrillers, steeds tegen de achtergrond van een werkelijke gebeurtenis uit de wereldgeschiedenis. “Conclave” (in het Engels) is een prachtboek. Het heeft mij in een echte paasstemming gebracht en gaat met een 8½ terug naar mijn lijst van bovengemiddelde boeken.
maandag 26 maart 2018
Weblogbrief 13.22, 26 maart 2018
Weblogbrief 13.22, 26 maart 2018
Querid@s amig@s y familia, een nieuwe lente, een nieuw geluid. Van wie dat zinnetje is, weet ik niet, maar ik doe het ervoor. Het weer gaat heel aangenaam worden, is mijn hoop en verwachting, laten we zeggen zoals in 1986.
Meestal heb ik wel een mooie boodschap vanuit de bus naar de universiteit, maar dat is er afgelopen dinsdag niet van gekomen. Of het zou een hernieuwde aanklacht van mij tegen www.manosunidas.com moeten zijn, maar mijn brieven zijn niet bedoeld om in herhaling te vallen, toch? Wel heb ik voor twee maanden een nieuwe kamergenote op de universiteit: Isabel, en dat lijkt me best een aardige dame. De volgende keer zal ik haar eens om een mondeling curriculum vitae vragen.
Na de universiteit is het parkje bij het Castillo de la Luz aan de beurt en dan, als de straatverlichting op aangaan staat, het bibliotheekje daar in de buurt. Leo Messi staat nu op 25 doelpunten, drie meer dan Cristiano Ronaldo die er afgelopen weekend maar liefst vier in geschoten heeft. Alleen Mohamed Salah van Liverpool staat in Europees verband met zijn 28 stuks nog hoger op de doelpuntenladder dan Leo Messi.
Mijn snoepje van de week is echter een artikel van Stephen Hawking, dat hij net voor zijn verscheiden heeft geschreven samen met ene Thomas Hertog uit Leuven. Het ligt nog ter goedkeuring bij een tijdschrift, maar de essentie is nu al de moeite waard om te vermelden. (En als jullie in Nederland de details al weten, heb ik pech gehad, maar daarom niet getreurd.) Hawking & Hertog hypothetiseren dat er niet maar één oerknal is geweest, waarna het heelal steeds meer is uitgedijd. Zij denken dat er meer oerknallen waren en dat er dus parallelle heelals zijn. T.z.t. zal ons heelal ook verdwijnen, geloven zij, maar dan blijven er nog andere over. Het is nog maar een theorie en het wachten is op echte bewijzen. Niettemin, de meute van sterrenkundigen kan weer even vooruit, heeft er weer een onderwerp van discussie bij.
Harry zadelt me af en toe op met clips van artiesten waar ik nog nooit van gehoord heb, maar die mij best wel aanstaan. Een aardig voorbeeld van vorig jaar is de Australiër Xavier Rudd. Ik heb mijn CD’s op voornaam van de artiest staan en Xavier met een X als eerste letter staat bij mijn Engelstalige popmuziek bijna onderaan. Tot de weinige artiesten daarna van wie ik muziek heb, horen o.a. de Yardbirds en de Zombies. Van Xavier Rudd heb ik, ik vermoed via Rotterdam, een CD in huis gehaald in Maastricht en die ga ik jullie nu voorzetten. Ze heeft als titel “Dark Shades Of Blue” meegekregen en is uit 2008 (toen hij dertig was). Hier zijn de elf liedjes op de CD:
01.Black water
02.Dark shades of blue
03.Secrets
04.Guku
05.Egde of the moon
06.This world as we know it
07.Shiver
08.Uncle
09.Up in flames
10.Hope you’ll stay
11.Home
Het kan niet altijd feest zijn. Bij Xavier Rudd is het naar mijn bescheiden mening niet allemaal goud dat blinkt (in het Spaans idem dito: No es oro todo que lo que reluce). De CD van de man valt me een beetje tegen en ik hoop maar dat het nummer van de clip, dat ik wel mooi vond, niet op deze CD staat. Als ik toch enkele uitschieters moet noemen, kom ik uit bij “Black water”, “Shiver” en “Hope that you’ll stay”. Is dat wat weinig? Dan doe ik er “Guku” bij, mede omdat ik het vermoeden heb dat het een aboriginal-woord is.
Hier is er iets raars aan de hand met deurbellen. In Nederland is het een goed gebruik om je naam op je buitendeur dan wel bij je bel te zetten, zeker als je met meer mensen in één huis woont. Op mijn deur in Maastricht staat P G Knipschild, geloof ik. Ik had liever Paul Knipschild gehad, maar ik doe het ervoor. Het bordje heb ik nog vanuit de tijd dat ik in Amsterdam woonde. Hier heb ik al een paar keer een stickertje bij mijn bel gezet, maar dat wordt dan prompt weggehaald. Vreemd!
Op het einde van de middag maak ik een lange wandeling, langs de Tomas Miller, Pio XII en Tomas Morales naar Triana. In de tweedehands platenwinkel op de Tomas Morales koop ik na veel vijven en zessen één CD: “40 Years” van de Dubliners, vele decennia lang Ierlands trots op het gebied van volksmuziek. Ze zijn in 1962 begonnen in O’Donoghue’s pub, waar ik nog eens met Trudie en Marij aan de Guinness gezeten heb. De man die de platenzaak hier bestiert op de vrijdagmiddag, is een beetje een proleet die mij er bij herhaling op wil wijzen dat alles wel precies moet blijven zoals hij het eerder geordend heeft, vandaar. Door zijn toedoen ga ik voortijdig weer de straat op en dwaal af naar de bekende winkelstraat daar.
Hoe kan het anders, uiteindelijk eindig ik weer op de bank tegenover café McCarthy’s, al even Iers als mijn Dubliners-plaat. Ik blijf zo wel in de stijl van het eiland ten westen van Engeland verkeren, dat ik de afgelopen zomer met Trudie zelfs helemaal gerond heb. Willen jullie nog een voorbeeld van een acceptabel trui-opschrift? Er komt een meisje langs, een twintiger of moet ik twintigster zeggen, gekleed in een bruine trui met daarop de tekst: “Badness stole my heart”. Dat hoef ik neem ik aan voor jullie niet te vertalen.
Het begint intussen een beetje te waaien en dan hoor ik Las Palmas al snel om mij heen mopperen hoe “frio” het weer wel niet is. Mede om die reden wordt het ook minder druk in de straat. Op het terras buiten bij McCarthy’s zijn nu diverse tafeltjes onbezet. Als ik om 8 uur, half 9 met bus 1 naar Las Canteras terug tuf, zie ik op een scherm dat het nu 18, 19 graden is. Waar hebben die subtropische koukleumen het over? Op mijn balkon op twee hoog, waar ik later op de avond mijn boek uitlees, is het 20 graden, nog steeds een uiterst aangename temperatuur.
De zaterdagmorgen begin ik maar eens met de aangeschafte CD op de draaitafel te leggen. Op “40 Years” staan 21 nummers, waarvan twaalf nieuwe uit 2002. Ik ga me hier beperken tot die nummers; hier komen ze:
01.Dont give up til its over
02.Lord of the dance
03.Dancing at Whitsum
04.When the boys come rolling home
07.The last thing on my mind
08.Grace
10.Plains of Boyle + Sheaf of wheat
14.Gerry Cronin’s reel + Denis Langton’s reel
15.Carrickfergus
16.La quinta brigada
18.Marino casino
19.Scorn not his simplicity
De folkgroep uit Ierland kan ook bij mij een potje breken. Jullie kennen ongetwijfeld hun “Seven drunken nights”, “The wild rover” en andere hits van ze. Echter, wat vinden jullie bijv. van de Dubliners-versie van de traditional “Carrickfergus” (in een arrangement van Jim McCann, John Sheahan & Eamonn Campbell), liedje nummer 15 op de CD? Ik zie me in het plaatsje Carrickfergus nog met Trudie op het terras buiten zitten tegenover het oude kasteel aan het water, met een groot glas Smithwick voor ons. Hier en nu beweer ik dat hun “Carrickfergus”, eerder in verkorte vorm al opgenomen in 1975, de concurrentie met het gelijknamige nummer van Van Morrison & de Chieftains uit 1988 best aankan. Ik ga verder geen uitschieters op deze plaat noemen hier; het is gewoon allemaal mooie muziek.
Als ik ´s avonds mijn gebruikelijke ommetje maak, wil ik bij La Oliva nog wel eens kijken of er nog iets in Nederland of in de nog verdere buitenwereld gebeurd is dat ik wil lezen. Op zaterdagavond mag ik tot mijn grote verdriet constateren dat een van mijn favoriete thrillerauteurs net is overleden: de Brit Philip Kerr. Hij is maar 62 jaar geworden, helaas. Wat heb ik destijds genoten van zijn Berlijn-trilogie en alle andere boeken met en zonder Bernie Gunther, de Duitse al dan niet politieman in en rond de Tweede Wereldoorlog. N.B., vorige week nog heb ik een boek van Philip Kerr hier besproken: “The other side of silence”, uit 2016. Ik beloof jullie hierbij dat alle boeken van hem die ik nog niet gelezen heb, wel nog aan bod gaan komen. Zal ik beginnen met “De vrouw van Zagreb” met Bernie Gunther of met “Transfermaand” over de voetbalwereld , zijn laatste twee?
Enigszins uit het lood kijk ik later op de avond nog eens naar “The Shawshank Redemption”, redemption = redding. De film onder regie van Frank Darabont is van 2002, met in de hoofdrol Tim Robbins en Morgan Freeman. Zij zijn in de film allebei veroordeeld tot levenslang en zitten in de bak ergens in het Amerikaanse New England, in Shawshank. Als de film begint, is het 1947 en verliest Ellis Redding, kort gezegd Red ( Morgan Freeman) een weddenschap, omdat hij Andy Dufresne (Tim Robbins) verkeerd inschat. Gaande weg ontwikkelt zich een vriendschap tussen de voormalige bankdirecteur (Andy) en de man die alles voor je kan regelen, de fikser (Red). Hun belangrijke tegenstanders in de gevangenis zijn het hoofd van de bewakers (Hatley) en de gevangenisdirecteur (Norton). Na negentien jaar samen optrekken, als ze al compleet “institutionalised” horen te zijn, wordt het Andy te veel, zeker als bewezen kan worden dat hij (bij grote uitzondering) destijds onschuldig was. Het wachten is dan op zijn vertrek naar het Mexicaanse Zihualamejo, met in zijn kielzog Red.
“The Shawshank redemption” is een prima film. Overigens vind ik de Spaanse titel van de film passender: “Cadena eterna”, levenslang, voor eeuwig aan de ketting. Het is niet voor niks dat hij zeven Oscarnominaties heeft gekregen (die niet verzilverd zijn). Voor mij had er aan de twee hoofdrolspelers best een filmprijs mogen worden uitgereikt.
Op Palmzondag, Día de Ramos, ben ik er best mee verguld dat ik de grote wijzer van de klok de goede kant op heb geschoven, een uur vooruit. Voor alle zekerheid heb ik het nog even gecontroleerd op mijn laptop, waarvan de klok automatisch naar de zomertijd springt. De Here Here kan vandaag ongestoord de Palestijnse hoofdstad in, met horden supporters langs de kant.
Dan app ik Trudie (o.a.) over de dood van Philip Kerr. Ik krijg van haar het bericht terug dat Fons Kessels onlangs gestorven is. Daar sta ik toch ook weer meer dan een momentje bij stil. Fons is van 1947, precies één jaar jonger dan ik, en ik ken hem van mijn werk. Hij is door mijn collega professor Ferd Sturmans bij de vakgroep Epidemiologie van de U.M. gehaald. Ik twijfel een beetje of ik hem wel een aanstelling zou hebben gegeven, maar je hebt het niet altijd voor het zeggen. Ik heb Fons altijd wel slim gevonden, maar heb hem meer als een ervaren statisticus gezien dan als iemand die de opzet van medisch onderzoek naar een hoger plan wil tillen. Daar komt mij dat ik hem in de omgang soms echt een rare snuiter heb gevonden. Af en toe kon hij vreselijk kwaad op je worden, dat duurde dan enkele dagen en dan was hij weer de vriendelijkheid zelf.
Op aangeven van Sturmans heeft hij heel wat werk, vooral in de data-analysefase van onderzoek, opgeknapt voor dokters in het azM en andere ziekenhuizen. En eerlijk is eerlijk, ook sommige mensen die ik heb begeleid, hebben van zijn vooral statistische hulp mogen profiteren. Later, toen ik al weg was bij Epidemiologie en bij Huisartsgeneeskunde zat, is Fons Kessels op de kleine hulp-bij-onderzoekafdeling van het azM gaan werken. Een jaar of vijf terug is hij met pensioen gegaan, ik geloof op de dag dat hij 65 werd. Van zijn oude dag heeft hij helaas niet lang kunnen genieten.
Op de boulevard is het op zondagavond best druk. Wat wil je, op de eerste dag dat het een uur langer licht is, nu tot ongeveer half 9. Dat is maandagmorgen heel anders bij mij in de straat. Als ik uit mijn bed kom om 8 uur, is het normaliter redelijk druk voor mijn deur. Nu met de zomertijd is het nog niet echt licht en dat zie je aan de straat, die nog steeds in rust is. De Canadees met de luide stem houdt verderop enkele van zijn medezwervers bezig, maar gelukkig is het mij te ver om er last van te hebben. De school bij mij in de straat heeft paasvakantie.
Deze brief sluit ik daarmee ook maar af. De “semana santa” is hier niet allen “goed”, maar ook heilig, hoewel daar haast niemand meer in gelooft. Ik geef mezelf nu een hele week om mijn volgende in elkaar te zetten. De komende week, vooral vanaf donderdag, wordt er hier van alles gedaan, maar werken: ho maar. Aan de andere kant is Paasmaandag 2 april hier weer een gewone werkdag. Dan meld ik mij graag weer bij jullie met nieuwe munitie.
Voor nu: eet eens een visje of voor mijn part een hele visschotel. Vooral a.s. vrijdag is het eten van vlees en gevogelte, als we de Kerk mogen geloven, volstrekt uit den boze en vooruit, daar wil ik me best eens aan houden. Blikmakreel, inktvis, krabsalade, vissticks, het moet zo maar kunnen om God De Vader, Zijn Zoon en de Heilige Geest een plezier te doen. Gedraag je allemaal, dat ik geen klachten krijg, en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK©.
BOEKBIJLAGE
Mijn eerste en enige boek van deze week is best een pil: “Alle Verhalen” van Maarten ‘t Hart, geboren in 1944. De eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat het alleen verhalen uit zijn beginperiode als schrijver zijn, de periode 1974-1981, maar het zijn er wel 47. Ik heb ze geteld en op een totaal van bijna 600 dichtgedrukte bladzijden kom ik op een gemiddelde van ruim twaalf per verhaal. In het boek staan alle verhalen van “Het vrome volk” uit 1974 (dat ik al eens eerder gelezen heb), “Mammoet op zondag” uit 1977 en “Zaterdagvliegers” uit 1981. Bovendien zijn nog zes andere verhalen uit de tijd opgenomen, toen de schrijver 30-37 jaar oud was. Maarten ‘t Hart heeft ze nu, zo goed als dat gaat, chronologisch af laten drukken, heel verdienstelijk.
De eerste 200 bladzijden gaan over zijn jeugd in Maassluis. Maarten is van gereformeerden huize, calvinistisch. Heidenen krijgen in dit deel van het boek het predicaat “hervormd op grote wielen” mee. Over zijn moeder en broer en zus wil de jonge Maarten niet veel kwijt in het boek. Zijn vader Pau daarentegen, van beroep grafdelver en voor het onderhoud van het kerkhof, schildert hij soms chagrijnig af vanwege diens maagzweer, maar die mag thuis wel ook de lolligste zijn met zinnetjes als “Ik praat niet op afbetaling” en “Als je loopt, beschimmelt je gat niet” (uit het verhaal “Tijdelijk dienstverband”).
Dan komt Maarten ‘t Hart’s studietijd, zijn korte tijd als leraar en militaire diensttijd, waaraan nauwelijks aandacht wordt besteed. Hij lijkt in de wieg gelegd te zijn om als wetenschapper-bioloog zijn brood te verdienen, heeft op zijn wandelingen ook ruimschoots kennis van al wat leeft en bloeit en altijd weer boeit. Hij wordt etholoog, bestudeert het diergedrag, bovenal dat van stekelbaarsjes en ratten. Over het wel en wee van ratten schrijft hij zelfs een heel boek, wat hem in combinatie met zijn schrijverij aanhoudend vragen oplevert of hij niet ergens kan komen opdraven. Hij is een slechte slaper (in ieder geval in zijn jonge jaren) en ook wordt het steeds duidelijker dat hij zijn geloof (alsmede ieder ander geloof) niet meer ziet zitten. Van het feminisme moet hij niks hebben. Ook als hij al lang en breed getrouwd is, is hij blijkens het boek nog steeds geregeld verliefd op andere dames. Hij had mij best ook iets meer mogen vertellen over zijn afkeer van auto’s en zijn keuze om geen kinderen te willen. Dat zijn onderwerpen die in het boek nauwelijks aan bod komen.
De 47 verhalen van Maarten ‘t Hart in het boek zijn haast zonder uitzondering vermakelijk en goed geschreven. Zijn verwijzingen tussendoor naar allerlei (ook nog rijmloze) gedichten hoeven van mij echter niet. Daarbij verlang ik soms naar een beter einde bij een verhaal, maar als lezer kun je niet alles hebben. “Alle verhalen” is en blijft voor mij een heel leesbaar boek, af en toe ook hilarisch, waarvoor ik hier als recensiecijfer een 8 over heb. Ik ben nog lang niet klaar met Maarten ‘t Hart, in wie ik een van de betere Nederlandstalige schrijvers zie. Lees hem weer eens, zou ik zeggen, en dan denk ik speciaal aan V.U.-biologe Liesbeth, die samen met Greetje begin juni weer eens in Maastricht op bezoek gaat komen om te golfen en mij s avonds van mijn rust af te houden.
Querid@s amig@s y familia, een nieuwe lente, een nieuw geluid. Van wie dat zinnetje is, weet ik niet, maar ik doe het ervoor. Het weer gaat heel aangenaam worden, is mijn hoop en verwachting, laten we zeggen zoals in 1986.
Meestal heb ik wel een mooie boodschap vanuit de bus naar de universiteit, maar dat is er afgelopen dinsdag niet van gekomen. Of het zou een hernieuwde aanklacht van mij tegen www.manosunidas.com moeten zijn, maar mijn brieven zijn niet bedoeld om in herhaling te vallen, toch? Wel heb ik voor twee maanden een nieuwe kamergenote op de universiteit: Isabel, en dat lijkt me best een aardige dame. De volgende keer zal ik haar eens om een mondeling curriculum vitae vragen.
Na de universiteit is het parkje bij het Castillo de la Luz aan de beurt en dan, als de straatverlichting op aangaan staat, het bibliotheekje daar in de buurt. Leo Messi staat nu op 25 doelpunten, drie meer dan Cristiano Ronaldo die er afgelopen weekend maar liefst vier in geschoten heeft. Alleen Mohamed Salah van Liverpool staat in Europees verband met zijn 28 stuks nog hoger op de doelpuntenladder dan Leo Messi.
Mijn snoepje van de week is echter een artikel van Stephen Hawking, dat hij net voor zijn verscheiden heeft geschreven samen met ene Thomas Hertog uit Leuven. Het ligt nog ter goedkeuring bij een tijdschrift, maar de essentie is nu al de moeite waard om te vermelden. (En als jullie in Nederland de details al weten, heb ik pech gehad, maar daarom niet getreurd.) Hawking & Hertog hypothetiseren dat er niet maar één oerknal is geweest, waarna het heelal steeds meer is uitgedijd. Zij denken dat er meer oerknallen waren en dat er dus parallelle heelals zijn. T.z.t. zal ons heelal ook verdwijnen, geloven zij, maar dan blijven er nog andere over. Het is nog maar een theorie en het wachten is op echte bewijzen. Niettemin, de meute van sterrenkundigen kan weer even vooruit, heeft er weer een onderwerp van discussie bij.
Harry zadelt me af en toe op met clips van artiesten waar ik nog nooit van gehoord heb, maar die mij best wel aanstaan. Een aardig voorbeeld van vorig jaar is de Australiër Xavier Rudd. Ik heb mijn CD’s op voornaam van de artiest staan en Xavier met een X als eerste letter staat bij mijn Engelstalige popmuziek bijna onderaan. Tot de weinige artiesten daarna van wie ik muziek heb, horen o.a. de Yardbirds en de Zombies. Van Xavier Rudd heb ik, ik vermoed via Rotterdam, een CD in huis gehaald in Maastricht en die ga ik jullie nu voorzetten. Ze heeft als titel “Dark Shades Of Blue” meegekregen en is uit 2008 (toen hij dertig was). Hier zijn de elf liedjes op de CD:
01.Black water
02.Dark shades of blue
03.Secrets
04.Guku
05.Egde of the moon
06.This world as we know it
07.Shiver
08.Uncle
09.Up in flames
10.Hope you’ll stay
11.Home
Het kan niet altijd feest zijn. Bij Xavier Rudd is het naar mijn bescheiden mening niet allemaal goud dat blinkt (in het Spaans idem dito: No es oro todo que lo que reluce). De CD van de man valt me een beetje tegen en ik hoop maar dat het nummer van de clip, dat ik wel mooi vond, niet op deze CD staat. Als ik toch enkele uitschieters moet noemen, kom ik uit bij “Black water”, “Shiver” en “Hope that you’ll stay”. Is dat wat weinig? Dan doe ik er “Guku” bij, mede omdat ik het vermoeden heb dat het een aboriginal-woord is.
Hier is er iets raars aan de hand met deurbellen. In Nederland is het een goed gebruik om je naam op je buitendeur dan wel bij je bel te zetten, zeker als je met meer mensen in één huis woont. Op mijn deur in Maastricht staat P G Knipschild, geloof ik. Ik had liever Paul Knipschild gehad, maar ik doe het ervoor. Het bordje heb ik nog vanuit de tijd dat ik in Amsterdam woonde. Hier heb ik al een paar keer een stickertje bij mijn bel gezet, maar dat wordt dan prompt weggehaald. Vreemd!
Op het einde van de middag maak ik een lange wandeling, langs de Tomas Miller, Pio XII en Tomas Morales naar Triana. In de tweedehands platenwinkel op de Tomas Morales koop ik na veel vijven en zessen één CD: “40 Years” van de Dubliners, vele decennia lang Ierlands trots op het gebied van volksmuziek. Ze zijn in 1962 begonnen in O’Donoghue’s pub, waar ik nog eens met Trudie en Marij aan de Guinness gezeten heb. De man die de platenzaak hier bestiert op de vrijdagmiddag, is een beetje een proleet die mij er bij herhaling op wil wijzen dat alles wel precies moet blijven zoals hij het eerder geordend heeft, vandaar. Door zijn toedoen ga ik voortijdig weer de straat op en dwaal af naar de bekende winkelstraat daar.
Hoe kan het anders, uiteindelijk eindig ik weer op de bank tegenover café McCarthy’s, al even Iers als mijn Dubliners-plaat. Ik blijf zo wel in de stijl van het eiland ten westen van Engeland verkeren, dat ik de afgelopen zomer met Trudie zelfs helemaal gerond heb. Willen jullie nog een voorbeeld van een acceptabel trui-opschrift? Er komt een meisje langs, een twintiger of moet ik twintigster zeggen, gekleed in een bruine trui met daarop de tekst: “Badness stole my heart”. Dat hoef ik neem ik aan voor jullie niet te vertalen.
Het begint intussen een beetje te waaien en dan hoor ik Las Palmas al snel om mij heen mopperen hoe “frio” het weer wel niet is. Mede om die reden wordt het ook minder druk in de straat. Op het terras buiten bij McCarthy’s zijn nu diverse tafeltjes onbezet. Als ik om 8 uur, half 9 met bus 1 naar Las Canteras terug tuf, zie ik op een scherm dat het nu 18, 19 graden is. Waar hebben die subtropische koukleumen het over? Op mijn balkon op twee hoog, waar ik later op de avond mijn boek uitlees, is het 20 graden, nog steeds een uiterst aangename temperatuur.
De zaterdagmorgen begin ik maar eens met de aangeschafte CD op de draaitafel te leggen. Op “40 Years” staan 21 nummers, waarvan twaalf nieuwe uit 2002. Ik ga me hier beperken tot die nummers; hier komen ze:
01.Dont give up til its over
02.Lord of the dance
03.Dancing at Whitsum
04.When the boys come rolling home
07.The last thing on my mind
08.Grace
10.Plains of Boyle + Sheaf of wheat
14.Gerry Cronin’s reel + Denis Langton’s reel
15.Carrickfergus
16.La quinta brigada
18.Marino casino
19.Scorn not his simplicity
De folkgroep uit Ierland kan ook bij mij een potje breken. Jullie kennen ongetwijfeld hun “Seven drunken nights”, “The wild rover” en andere hits van ze. Echter, wat vinden jullie bijv. van de Dubliners-versie van de traditional “Carrickfergus” (in een arrangement van Jim McCann, John Sheahan & Eamonn Campbell), liedje nummer 15 op de CD? Ik zie me in het plaatsje Carrickfergus nog met Trudie op het terras buiten zitten tegenover het oude kasteel aan het water, met een groot glas Smithwick voor ons. Hier en nu beweer ik dat hun “Carrickfergus”, eerder in verkorte vorm al opgenomen in 1975, de concurrentie met het gelijknamige nummer van Van Morrison & de Chieftains uit 1988 best aankan. Ik ga verder geen uitschieters op deze plaat noemen hier; het is gewoon allemaal mooie muziek.
Als ik ´s avonds mijn gebruikelijke ommetje maak, wil ik bij La Oliva nog wel eens kijken of er nog iets in Nederland of in de nog verdere buitenwereld gebeurd is dat ik wil lezen. Op zaterdagavond mag ik tot mijn grote verdriet constateren dat een van mijn favoriete thrillerauteurs net is overleden: de Brit Philip Kerr. Hij is maar 62 jaar geworden, helaas. Wat heb ik destijds genoten van zijn Berlijn-trilogie en alle andere boeken met en zonder Bernie Gunther, de Duitse al dan niet politieman in en rond de Tweede Wereldoorlog. N.B., vorige week nog heb ik een boek van Philip Kerr hier besproken: “The other side of silence”, uit 2016. Ik beloof jullie hierbij dat alle boeken van hem die ik nog niet gelezen heb, wel nog aan bod gaan komen. Zal ik beginnen met “De vrouw van Zagreb” met Bernie Gunther of met “Transfermaand” over de voetbalwereld , zijn laatste twee?
Enigszins uit het lood kijk ik later op de avond nog eens naar “The Shawshank Redemption”, redemption = redding. De film onder regie van Frank Darabont is van 2002, met in de hoofdrol Tim Robbins en Morgan Freeman. Zij zijn in de film allebei veroordeeld tot levenslang en zitten in de bak ergens in het Amerikaanse New England, in Shawshank. Als de film begint, is het 1947 en verliest Ellis Redding, kort gezegd Red ( Morgan Freeman) een weddenschap, omdat hij Andy Dufresne (Tim Robbins) verkeerd inschat. Gaande weg ontwikkelt zich een vriendschap tussen de voormalige bankdirecteur (Andy) en de man die alles voor je kan regelen, de fikser (Red). Hun belangrijke tegenstanders in de gevangenis zijn het hoofd van de bewakers (Hatley) en de gevangenisdirecteur (Norton). Na negentien jaar samen optrekken, als ze al compleet “institutionalised” horen te zijn, wordt het Andy te veel, zeker als bewezen kan worden dat hij (bij grote uitzondering) destijds onschuldig was. Het wachten is dan op zijn vertrek naar het Mexicaanse Zihualamejo, met in zijn kielzog Red.
“The Shawshank redemption” is een prima film. Overigens vind ik de Spaanse titel van de film passender: “Cadena eterna”, levenslang, voor eeuwig aan de ketting. Het is niet voor niks dat hij zeven Oscarnominaties heeft gekregen (die niet verzilverd zijn). Voor mij had er aan de twee hoofdrolspelers best een filmprijs mogen worden uitgereikt.
Op Palmzondag, Día de Ramos, ben ik er best mee verguld dat ik de grote wijzer van de klok de goede kant op heb geschoven, een uur vooruit. Voor alle zekerheid heb ik het nog even gecontroleerd op mijn laptop, waarvan de klok automatisch naar de zomertijd springt. De Here Here kan vandaag ongestoord de Palestijnse hoofdstad in, met horden supporters langs de kant.
Dan app ik Trudie (o.a.) over de dood van Philip Kerr. Ik krijg van haar het bericht terug dat Fons Kessels onlangs gestorven is. Daar sta ik toch ook weer meer dan een momentje bij stil. Fons is van 1947, precies één jaar jonger dan ik, en ik ken hem van mijn werk. Hij is door mijn collega professor Ferd Sturmans bij de vakgroep Epidemiologie van de U.M. gehaald. Ik twijfel een beetje of ik hem wel een aanstelling zou hebben gegeven, maar je hebt het niet altijd voor het zeggen. Ik heb Fons altijd wel slim gevonden, maar heb hem meer als een ervaren statisticus gezien dan als iemand die de opzet van medisch onderzoek naar een hoger plan wil tillen. Daar komt mij dat ik hem in de omgang soms echt een rare snuiter heb gevonden. Af en toe kon hij vreselijk kwaad op je worden, dat duurde dan enkele dagen en dan was hij weer de vriendelijkheid zelf.
Op aangeven van Sturmans heeft hij heel wat werk, vooral in de data-analysefase van onderzoek, opgeknapt voor dokters in het azM en andere ziekenhuizen. En eerlijk is eerlijk, ook sommige mensen die ik heb begeleid, hebben van zijn vooral statistische hulp mogen profiteren. Later, toen ik al weg was bij Epidemiologie en bij Huisartsgeneeskunde zat, is Fons Kessels op de kleine hulp-bij-onderzoekafdeling van het azM gaan werken. Een jaar of vijf terug is hij met pensioen gegaan, ik geloof op de dag dat hij 65 werd. Van zijn oude dag heeft hij helaas niet lang kunnen genieten.
Op de boulevard is het op zondagavond best druk. Wat wil je, op de eerste dag dat het een uur langer licht is, nu tot ongeveer half 9. Dat is maandagmorgen heel anders bij mij in de straat. Als ik uit mijn bed kom om 8 uur, is het normaliter redelijk druk voor mijn deur. Nu met de zomertijd is het nog niet echt licht en dat zie je aan de straat, die nog steeds in rust is. De Canadees met de luide stem houdt verderop enkele van zijn medezwervers bezig, maar gelukkig is het mij te ver om er last van te hebben. De school bij mij in de straat heeft paasvakantie.
Deze brief sluit ik daarmee ook maar af. De “semana santa” is hier niet allen “goed”, maar ook heilig, hoewel daar haast niemand meer in gelooft. Ik geef mezelf nu een hele week om mijn volgende in elkaar te zetten. De komende week, vooral vanaf donderdag, wordt er hier van alles gedaan, maar werken: ho maar. Aan de andere kant is Paasmaandag 2 april hier weer een gewone werkdag. Dan meld ik mij graag weer bij jullie met nieuwe munitie.
Voor nu: eet eens een visje of voor mijn part een hele visschotel. Vooral a.s. vrijdag is het eten van vlees en gevogelte, als we de Kerk mogen geloven, volstrekt uit den boze en vooruit, daar wil ik me best eens aan houden. Blikmakreel, inktvis, krabsalade, vissticks, het moet zo maar kunnen om God De Vader, Zijn Zoon en de Heilige Geest een plezier te doen. Gedraag je allemaal, dat ik geen klachten krijg, en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK©.
BOEKBIJLAGE
Mijn eerste en enige boek van deze week is best een pil: “Alle Verhalen” van Maarten ‘t Hart, geboren in 1944. De eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat het alleen verhalen uit zijn beginperiode als schrijver zijn, de periode 1974-1981, maar het zijn er wel 47. Ik heb ze geteld en op een totaal van bijna 600 dichtgedrukte bladzijden kom ik op een gemiddelde van ruim twaalf per verhaal. In het boek staan alle verhalen van “Het vrome volk” uit 1974 (dat ik al eens eerder gelezen heb), “Mammoet op zondag” uit 1977 en “Zaterdagvliegers” uit 1981. Bovendien zijn nog zes andere verhalen uit de tijd opgenomen, toen de schrijver 30-37 jaar oud was. Maarten ‘t Hart heeft ze nu, zo goed als dat gaat, chronologisch af laten drukken, heel verdienstelijk.
De eerste 200 bladzijden gaan over zijn jeugd in Maassluis. Maarten is van gereformeerden huize, calvinistisch. Heidenen krijgen in dit deel van het boek het predicaat “hervormd op grote wielen” mee. Over zijn moeder en broer en zus wil de jonge Maarten niet veel kwijt in het boek. Zijn vader Pau daarentegen, van beroep grafdelver en voor het onderhoud van het kerkhof, schildert hij soms chagrijnig af vanwege diens maagzweer, maar die mag thuis wel ook de lolligste zijn met zinnetjes als “Ik praat niet op afbetaling” en “Als je loopt, beschimmelt je gat niet” (uit het verhaal “Tijdelijk dienstverband”).
Dan komt Maarten ‘t Hart’s studietijd, zijn korte tijd als leraar en militaire diensttijd, waaraan nauwelijks aandacht wordt besteed. Hij lijkt in de wieg gelegd te zijn om als wetenschapper-bioloog zijn brood te verdienen, heeft op zijn wandelingen ook ruimschoots kennis van al wat leeft en bloeit en altijd weer boeit. Hij wordt etholoog, bestudeert het diergedrag, bovenal dat van stekelbaarsjes en ratten. Over het wel en wee van ratten schrijft hij zelfs een heel boek, wat hem in combinatie met zijn schrijverij aanhoudend vragen oplevert of hij niet ergens kan komen opdraven. Hij is een slechte slaper (in ieder geval in zijn jonge jaren) en ook wordt het steeds duidelijker dat hij zijn geloof (alsmede ieder ander geloof) niet meer ziet zitten. Van het feminisme moet hij niks hebben. Ook als hij al lang en breed getrouwd is, is hij blijkens het boek nog steeds geregeld verliefd op andere dames. Hij had mij best ook iets meer mogen vertellen over zijn afkeer van auto’s en zijn keuze om geen kinderen te willen. Dat zijn onderwerpen die in het boek nauwelijks aan bod komen.
De 47 verhalen van Maarten ‘t Hart in het boek zijn haast zonder uitzondering vermakelijk en goed geschreven. Zijn verwijzingen tussendoor naar allerlei (ook nog rijmloze) gedichten hoeven van mij echter niet. Daarbij verlang ik soms naar een beter einde bij een verhaal, maar als lezer kun je niet alles hebben. “Alle verhalen” is en blijft voor mij een heel leesbaar boek, af en toe ook hilarisch, waarvoor ik hier als recensiecijfer een 8 over heb. Ik ben nog lang niet klaar met Maarten ‘t Hart, in wie ik een van de betere Nederlandstalige schrijvers zie. Lees hem weer eens, zou ik zeggen, en dan denk ik speciaal aan V.U.-biologe Liesbeth, die samen met Greetje begin juni weer eens in Maastricht op bezoek gaat komen om te golfen en mij s avonds van mijn rust af te houden.
Abonneren op:
Posts (Atom)