Weblogbrief 13.29, 11 mei 2018
Querid@s amig@s, ik begin nu echt af te tellen. Over een week ben ik mijn koffer aan het pakken en haal er zelfs al de weegschaal bij. Het wordt langzaam aan tijd dat ik op huis aan ga, althans mijn huis in Maastricht. In afwachting daarvan hebben jullie mij nog één week hier te verduren, de komende week. Dit is mijn voorlaatste brief over mijn wetenswaardigheden deze winter. ¡Vamonos!
De vrijdagmiddag op de universiteit is niet het moment dat het er nog wemelt van de leraren en studenten. Als ik (op 4 mei, bijna bevrijdingsdag in Nederland) op de afdeling kom, bespeur ik alleen een aardige studente in de kamer naast de mijne. Ik begin met mijn brief aan jullie te versturen, maar dan blijkt de computer mijn tekst niet te herkennen. Hoe ik ook probeer, hij geeft niet thuis. Ik roep dus haar hulp in, maar ook zij kan er geen soep van maken. Erg, hè? Ik moet a.s. (voor jullie afgelopen) maandag toch weer op de afdeling zijn; dan zal ik Jorge of Lluis eventueel eens om hulp vragen. Ik begin dus maar aan mijn mailtjes en Harry’s website.
Een uur later, als de studente al lang en breed vertrokken is, komt Lluis de afdeling op. Ik kan niet wachten om ook hem mijn computerprobleem voor te leggen. Hij gaat zitten, zet mijn brief eerst op het computerscherm, verandert dan de naam in Paul.doc en opent hem vervolgens. Klus geklaard! Op Lluis mopper is misschien wel eens, maar de man heeft toch meer in zijn mars dan ik voor mogelijk houd. Hij nodigt mij bovendien uit voor de presentatie maandagavond van een boek over La dieta mediterránea, dat hij – wanneer in Godsnaam – geschreven heeft. Ik heb maandag al een afspraak met Jorge en de “yoga-studenten” om half 6, maar ik ga er echt voor zorgen dat ik er daarna die avond bij kan zijn.
Voor wie het interesseert, ik heb het ook met hem ook gehad over mijn verblijf op de Luis Morote de komende winter. Dan ben ik van ongeveer 1 november tot 1 mei weer van harte welkom in zijn Luis Morote onderkomen in Las Palmas.
E-mail (en zelfs ook What’sApp) heeft iets privé’s, dus daar zal ik het in mijn brieven niet snel over hebben. De website van Harry is wel openbaar, net als mijn weblog, en dus kan ik jullie verblijden met een aardig stuk van hem over de jeugd van Keith Richards (heel informatief, tenzij je diens autobiografie al eerder uitgebreid hebt doorgenomen). Een heel mooie zin in Harry’s stuk vind ik: in Engeland is de verplichte dienstplicht al in 1960 afgeschaft, veel eerder dan bijv. op het “continent”. Harry denkt dat dat een rol heeft gespeeld bij de hausse van nieuwe popmuziek in dat land begin jaren 60. De jeugd kon gemakkelijker andere dingen gaan doen, bijv. popmuziek maken.
Op Harry’s website vind ik ook weer de nodige aardige muziekclips. Kennen jullie Mr. Protz al? Ik nog niet, maar zijn recente “Space for two” mag er zijn. Ik ben ook best wel gecharmeerd van de mij onbekende “Old Crow Medicine Show” met hun “Wagon wheel” uit 2006. Country-artiest Kris Kristoffersen komt weer eens prima uit de verf, als hij samen met Rita Coolidge zijn evergreen “Help me make it through the night” zingt. En dan krijg ik ook nog eens een prachtnummer van Otis Rush te zien en te horen: “I can’t quit you baby”.
In mijn bus terug naar het noorden zie ik op een blinde muur met grote letters staan: ¡RAJOY, PELELE! Rajoy is de minister-president van Spanje, maar wat is “pelele”? In mijn woordenboek zit ik eerst bij “pelear”, vechten, maar dan toch bij “pelele”. Het is Spaans voor stropop, marionet.
Willen jullie ook nog een opschrift op een damestrui? Dan heb ik, uit bus 12, voor jullie: “YES, BUT NOT WITH YOU”.
In mijn bibliotheekje bij het Castillo de la Luz kijk ik vooral in El País. De ETA lijkt er na vijftig jaar onrust zaaien nu definitief de brui aan te hebben gegeven. De hoogtijdagen van de Baskische afscheidingsbeweging waren in de jaren 80 en 90. Er zijn door de jaren heen 854 mensen vermoord.
Dan is er een verhaal over Donald Trump dat El Pais overneemt van de Washington Post. In de eerste 466 dagen van zijn ambtsperiode zou de Amerikaanse president met het foute kapsel ruim 3000 keer gelogen hebben. Dat is gemiddeld per dag 6½ keer en er zit een stijgende lijn in.
Zo waar krijgt ook Nederland, fietsland ook een stukje in de Spaanse krant. Voor het eerst, in 2017, zouden er meer doden in het verkeer zijn op de fiets dan in de auto, 206 versus 201 op een totaal van 613. Onderzoekers denken dat het een negatieve bijwerking van de populariteit van de elektrische fiets bij 65 plussers. Waarvan akte!
Ten slotte zie ik in El País ook twee pagina’s vol informatie over de Giro d’Italia, die nu begint. Kanshebber voor de eindoverwinning zijn volgens de redacteur van de krant: Froome, Chaves, Yates, Aro en Pinot. Ben ik nog een belangrijk iemand vergeten? Tom Dumoulin uiteraard! “De vlinder van Maastricht” krijgt niet alleen veel aandacht, maar de indrukwekkende bonk van een kerel is ook goed voor een foto. Met hem vergeleken is iemand als Froome echt een onderdeur. De cruciale etappes, behalve de tijdritten, zijn rit 14 op 19 mei, op de dag dat ik weer naar Maastricht kom, en rit 19 de vrijdag erna, op 25 mei.
Als ik op vrijdagavond (een week terug) over de boulevard naar de Luis Morote loop, is er veel publiek. Er speelt een Canarische popband op het strand bij Plaza Saulo Torón. Ze dient mede als begeleiding van een modeshow, met de naam MODA CALIDA, badmode (calido = warm). Ik zie allerlei meisjes en jongens over een catwalk op het strand lopen in niet veel meer dan een zwembroek aan plus (bij de meisjes) nog een BH van niks. Het is een evenement van SUMMERLAND, mij verder onbekend. Heineken doet met haar bierreclame ook een duit in het zakje. Bij een aantal kraampjes naast de modeshow staan zo waar enkele “hamacas”, hangmatten, want “no hay verano sin siesta”, een middagdutje hoort bij de zomer. Op het plein aan de boulevard ertegenover staan vele tientallen gestreepte ligstoelen. Daarin hebben zich al de nodige mensen genesteld. Het wordt tijd dat ik me van het spektakel verwijder.
Zaterdagmorgen begin ik in alle vroegte met Otis Rush op te zetten, als vervolg op zijn clip op Harry’s website. In het voorprogramma van zijn muziek zet ik eerst drie nummers van Slim Harpo (1924-1970, uit Louisiana): “I got love if you want it”, “Baby scratch my back” (leuke titel) en “I’m a king bee”, later gecoverd door Mick Jagger en zijn jongens. Als naspel heb ik drie nummers van Rita Coolidge (uit 1945, Florida) voor jullie: “Old fashioned heart”, “I believe in you” en “Higher and higher”. Vanwege haar duet met Kris Kristofferson (zie boven) voeg ik toe dat de twee een aantal jaren getrouwd zijn geweest. Mooie muziek is het, al zeg ik het zelf.
Gaan we naar Otis Rush zelf. Hij is geboren in Philadelphia in 1934 en dus is hij nu 84, dat is oud (maar niet versleten). In de Wikipedia lees ik dat hij linkshandig is en de snaren op zijn gitaar ondersteboven heeft staan. Zijn hoogtijdagen als vooral zanger-gitarist zijn eind jaren vijftig, als zijn bekendste nummers op de plaat verschijnen. Van Otis Rush heb ik vijf CDs, met wel de nodige overlap van nummers. Ik kies hier voor zijn overzichtsplaat “The Blues Collection 19: I can’t quit you baby” uit 1994, met de volgende zestien liedjes:
01.All your love
02.Three times a fool
03.She’s a good ‘un
04.It takes time
05.Double trouble
06.My love will never die
07.My baby is a good ‘un
08.Checking on my baby
09.Jump sister Bessie
10.I can’t quit you baby
11.If you were mine
12.Groaning the blues
13.Keep in loving my baby
14.Sit down baby
15.Love that woman
16.Violent love
Er zit mij iets teveel “love” en “baby” in de teksten, maar aangename muziek blijft het. Ik voeg wel toe dat mij Otis Rush veel meer “doet” met alleen zijn gitaarbegeleiding dan met allerlei blazers erbij. Dus laat ik hier alle nummers met orkest vallen, de nummertjes 9-16. Laat ik daarbij een uitzondering maken voor nummertje 10: “I can’t quit you baby”. Toch prefereer ik de versie met alleen Otis Rush op gitaar, zoals op Harry’s clip. Otis Rush is, zoals trouwens ook diverse van zijn zwarte bluescollega’s, een begenadigd gitarist.
In Maastricht kijk ik op zaterdagavond laat graag eens naar de “nachtfilm” op de Vlaamse zender of Nederland 2. Hier kan dat ook, maar dan moet ik dat wel als DVDtje op mijn laptop doen. Terwijl in de straat bij Don Manué alle tafeltjes buiten nog bezet zijn, sluit ik me op in mijn woning voor de film “Internal affairs” uit 1990 van regisseur Mike Figgis. Zie ik Richard Gere en Andy Garcia nog eens in een jeugdige rol.
De film gaat over twee politiemensen in Los Angeles, lesbienne Amy Wallace (gespeeld door Laurie Metcalf) en nieuweling Raymond Avilla (Andy Garcia), die aangesteld zijn om corrupte agenten binnen de eigen gelederen op te sporen. Dat het voor veel collega’s een ondankbare baan is, weet ik al uit diverse leesboeken met politie-agenten, zoals bij Michael Connelly. Al snel richten de twee hun focus op het koppel Dennis Peck (Richard Gere) en Van Stretch, die veel royaler met geld omgaan dan bij hun salaris past. Kun je je als gewoon agentje bijv. wel een dure sportwagen permitteren? Van weet daarbij niet dat Dennis een affaire met diens vrouw heeft en is dan ook verbaasd, als hij later in de film… Laat ik hier ophouden en het verloop van de film gaan verklappen. Toch wil ik wel nog eventjes de knappe Nancy Travis vermelden, die als de vrouw van Raymond in een museum voor “New Contemporary Art” haar brood verdient.
Ik vind “Internal Affairs” en mooie film en het kan me niet schelen dat ik laat op de zaterdagavond nog steeds film zit te kijken. Ik heb er wel rode wijn (Sangre De Toro) en iets te knabbelen bij genomen om in de juiste sfeer te blijven.
Vandaag is het in Las Palmas Moederdag, El Día de la Madre. Is dat ook zo in Nederland? Volgens Trudie niet, als ik haar daarover app. Moederdag in Maastricht is pas over een week (als ook de Sint Servaasprocessie weer eens door het centrum van Maastricht hobbelt). Hoe dan ook word ik hier op Moederdag in alle vroegte uit mijn slaap gehaald. Dat is deze keer nou eens niet vanwege het licht, maar omdat de straat wordt onveilig gemaakt door een soort van bezemwagen van “Vuelve a latir” (keer terug om te kloppen), die af en aan voor veel kabaal en een beetje “limpieza”, reiniging zorgt.
Wat zal ik vandaag eens delibereren? Laat ik mij in afwachting van “El Clásico Del Fútbol Español” vanavond, tussen Barça en Real, eens giftig maken over het woord “fútbol”. Wie bedacht heeft dat voetbal in het Spaans “fútbol” heet, kan zonder pardon de kanker achter het hart krijgen, dan heeft de dokter moeilijk zoeken (Amsterdamse uitdrukking). Voet, geachte toehoorders, is in het Spaans “pié”, twee lettergrepen met een e op het einde. Voor het woord bal hebben we hier twee woorden: “pelota” en “balón”. In het Algemeen Beschaafd Spaans is voetbal dus zo iets als “balompié”. Dat woord vind ik ook terug in mijn woordenboek, maar als ik het hier op straat en op het terras zou gebruiken, zou ik voor gek verklaard worden. Als ik vanavond bij El Palikeo op het terras zou gaan zitten en zeggen dat ik voor het “balompie” kom, zou mij subiet de deur gewezen worden (voor zo ver je dat kunt zeggen op het terras).
Terzijde, deze keer geven zelfs ook de Fransen niet thuis. In hun land is voetbal spelen “Jouer au football”, op zijn Engels dus. Alleen de Engelsen zelf hebben nog een ander woord voor voetbal: “soccer”. Vanavond ben ik “soccer-fan”, “aficionado de fútbol”, van de Catalanen. Ik hoop maar dat ze die van de Koninklijke alle hoeken van het veld laten zien.
De Liga-wedstrijd tussen Barcelona en Real Madrid, El Clásico, begint om kwart voor 8, maar ik heb een voorgevoel dat ik ruim voor de aanvang bij El Palikeo aanwezig moet zijn, als ik nog een plekje vooraan wil krijgen. Om even over 7 loop ik over Santa Catalina naar mijn terras en mag constateren dat het al behoorlijk druk is. Heeft het ook te maken met UD Las Palmas, dat nog even zijn best aan het doen is tegen Getafe. Helaas, vlak voor tijd maakt Getafe de 0-1 en kan UD weer puntloos verder.
Ik zit om 5 over 7 inderdaad vooraan bij El Palikeo, maar wel zo ongeveer op de laatste zitplaats die op rij 1 nog vrij is. In het half uur erna wordt het zo druk dat de zaak het zelfs met extra aangesleepte stoelen niet meer redt. Het enige dat dan voor mij en de andere voetbalfans nog ontbreekt, is de wedstrijd zelf. Hoe men ook zijn best doet om beeld te krijgen op het grote scherm, dat wil niet echt lukken (terwijl alles op het buurterras gesmeerd gaat). Geloof het of niet, maar wij van El Palikeo vallen pas in minuut 9 in de wedstrijd. De opstellingen, de toss enz. en de schermutselingen in de eerste acht minuten zijn compleet aan ons voorbijgegaan. (Er zijn intussen al mensen weggelopen naar een ander terras.) Dan uit het niets krijgen Barcelona (més que un club) en Real Madrid in Camp Nou onze volle aandacht.
Net bij de les geeft Sergio Roberto aan de rechter kant een pracht van een voorzet op Luis Suárez in het strafschopgebied, die zich de kans niet laat afnemen. Ongegeneerd schiet hij de 1-0 binnen. De helft van het terras waartoe ik me reken, kan zijn lol niet op, terwijl de andere helft – het is ongeveer 50%-50% qua fans – zich verbeten in zwijgen hult. Echter, even later al, in minuut 15, is er een mooie combinatie van Real voor het doel van Ter Steegen en tikt afmaker Cristiano Ronaldo - gehinderd door Piqué, maar onvoldoende – van heel dichtbij de 1-1 tegen het net. Ronaldo houdt er wel een lichte knieblessure aan over. Ik vind Real daarna ietsje beter en vooral Ronaldo krijgt halverwege de eerste helft nog een paar mooie mogelijkheden. Eentje wordt door Ter Steegen met een been weggemaaid en bij een andere gaat de bal net langs de verkeerde kant van de paal. Dan, in de extra tijd van de eerste helft, maakt Sergio Roberto een slaande beweging naar het hoofd van Realspeler Marcelo. Die doet het dan vóórkomen dat hij ternauwernood aan de dood ontsnapt is. Scheidsrechter Hernández is er als de kippen bij om Sergio Roberto een rode kaart voor te toveren. “Ga jij je maar douchen”, hoor ik hem zeggen, maar dan in het Spaans.
Het met een man minder spelen dan de tegenstander beïnvloedt wel de sfeer in de tweede helft. Over en weer zijn er nu echt schermutselingen, maar Real is nu echt veel meer aan de bal. Een groot pluspunt voor Barcelona is wel dat Ronaldo in de tweede helft aan de kant moet blijven wegens zijn knieblessure en vervangen wordt door Asensio, die een stuk minder doelgericht is. Dan, in minuut 52, laat Lionel Messi van zich horen. Hij zet twee verdedigers opzij en schiet de bal hard in het uiterste hoekje, te ver weg voor Keilor Navas: 2-1. Vier minuten later geeft Rakitic vanaf rechts een voorzet op Suárez die de 3-1 inschiet. Of toch niet, volgens de grensrechter (maar niet volgens mij) staat Rakitic net aan buitenspel. Weer even later wordt Iniesta vervangen en verlaat onder immens applaus het veld. Messi mag in minuut 69 opnieuw aanleggen, maar deze keer redt Navas wel heel mooi. Real blijft intussen wel echt domineren en wie weet wordt Barcelona ook een beetje moe van het steeds weer ballen wegwerken. In minuut 72 schiet Gareth Bale de 2-2 binnen, ongeveer op dezelfde manier als Messi eerder aan de andere kant heeft gedaan, in de uiterste hoek. Voor ter Steegen is er geen houden aan. (Sinds het Europees kampioenschap twee jaar terug, toen Wales met Bale heel ver kwam, heb ik een zwak voor de man, hoewel hij wel van de verkeerde Spaanse club is.) In minuut 75 laat Marcelo zich over het been van Jordi Alba vallen in het strafschopgebied en ben ik blij toe dat de scheidsrechter de bal niet op de stip wil leggen. Tot in minuut 94 probeert Real er nog 2-3 van te maken met diverse “remates”, afmakers, schoten, maar 2-2 is en blijft het. Opgelucht haal ik als Barça-fan adem, als het afgelopen is.
Barcelona moet maar tevreden zijn met het gelijke spel, vind ik. Ik heb – eerlijk is eerlijk – Real ietsje beter gevonden, zeker na de rode kaart van Sergio Roberto. Er is nog een Liga-wedstrijdje of drie te gaan en dan kan opgetekend worden dat Barcelona in de Liga en Copa dit seizoen geen enkele keer verloren heeft.
Op de maandag ben ik wel toe aan nieuwe muziek op mijn laptop. Er zijn echt legio zwarte zangers-gitaristen op de plaat die de blues met verve hebben omarmd, als was het hun kindje. Mag ik na de zwarte Otis Rush dan voor de variatie eens een blanke bluesartiest naar voren schuiven? Hier is John Campbell voor jullie. Hij is van 1952, uit Louisiana, en echt lang heeft hij niet gemaakt: in 1993, hij is dan 41, overlijdt hij aan hartfalen. Of er ook drugs in het spel geweest zijn, is mij niet bekend, maar kerngezond ziet hij er op YouTube filmpjes in 1993 bepaald niet uit met zijn Tom Waits stem. Daarbij is hij broodmager (Johnny “Slim” Campbell) en een kapper had best eens met een schaar door zijn veel te lange haar mogen gaan.
John Campbell heeft maar een beperkt aantal CDs op zijn naam staan, een stuk of vijf. Drie die ik niet heb, zijn uit 1975, 1988 en postuum 2000. Daartussen zitten uit de jaren vlak voor zijn overlijden “One Believer” in 1991 en “Howlin Mercy” in 1993. Die heb ik wel allebei en laat ik ze maar eens allebei voor jullie opzetten. Hier zijn de twee keer tien nummers:
01.Devil in my closet
02.Angel of sorrow
03.Wild streak
04.Couldn’t do nothin’
05.Tiny coffin
06.World of trouble
07.Voodoo edge
08.Person to person
09.Take me down
10.One believer
11.Ain’t afraid of midnight
12.When the levee breaks
13.Down in the hole
14.Look what love can do
15.Saddle up my pony
16.Firin’ line
17.Love’s name
18.Written in stone
19.Wise blood
20.Wolf among the lambs
Wie hoopt op een portie opgewektheid, komt bij deze twee CDs van John Campbell bedrogen uit. Ik krijg een vracht ellende voor mijn kiezen waar je u tegen zegt. (“(You got to keep the devil way) down in the hole. Help me.”) Wat is het een akelige “badass blues” om eens een commentator op YouTube te citeren. Is er nog behoefte aan uitschieters naar boven? Op de eerste CD uit 1991 opteer ik dan voor “Devil in my closet”, “Couldn’t do nothin’”, “World of trouble”, “Person to person” en titelnummer “One believer”. Op “Howlin Mercy” heb ik een bijzondere affiniteit met “Ain’t afraid of midnight”, “Look what love can do”, “Firin’ line” en “Written in stone”. John Cambell heeft met zijn CDs volgens mij echt bluesmuziek van de bovenste plank achtergelaten.
Later in de middag ga ik naar de universiteit om John Campbell nog eens op YouTube aan het werk te zien. Inderdaad, het is een levend lijk, maar geef hem een podium en een “slide guitar” en hij speelt (speelde eigenlijk) de sterren van de hemel.
Om half 6 zit ik bij Jorge en de twee studenten, die voor de laatste keer met ons over onderzoek naar yoga komen praten. Dan valt mij echt op dat Jorge ook niet het naadje van de kous weet, als het al te gedetailleerd wordt. Niettemin is zijn kennis van hoe je een Randomised Clinical Trial opzet, vele malen groter dan wat ik meestal bij echte dokters aantref.
Dan mag ik naar de presentatie van een boek dat Lluis geschreven heeft over het mediterrane dieet. Het is zo’n 200 bladzijden, heet “Mi Transición Nutricional”, verandering van eten, en is uitgegeven bij Memorias. Waar hij de tijd en moeite vandaan heeft gehaald om het allemaal op te pennen, is mij een raadsel. Ik zou dat niet kunnen, denk ik. Daarbij, had hij niet eerst moeten overleggen met de mensen uit Barcelona die veel meer dan hij weten over de ins en outs van de PreDiMed studie? De titel van het boek verwijst naar de “transición”, de overgang op de Canarische eilanden van een arme landbouw- en veeteeltgemeenschap in een toeristenindustrie. Terzijde, op het schiereiland Spanje is het de overgang van de Franco-tijd naar een democratie. Hij voegt er nu een “transición nutricional”, verandering van voeding aan toe.
Met zo’n 50 à 100 anderen zit ik net op tijd in het gebouw van Club La Provincia op de León y Castillo 39, vlakbij San Telmo) om niks te hoeven missen. Gespreksleider is directeur van de club en journalist Javier Durán. Hij leidt de zaak, ook de discussie best wel in goede banen. Eerst mogen twee halve politici kort hun zegje doen en dan geeft Lluis een toelichting van een kwartier ongeveer op zijn boek. Daarna is er een vragen”uurtje” met een echte ontsiering, als een dame vooral haar eigen idee wil promoten en de microfoon niet wil teruggeven. Als de presentatie om half 9 voorbij is, zie ik Vanessa en de kinderen, Jacqueline, Adriana en ook Mariela. Zij behoren tot de stroom van aanwezigen die Lluis nu persoonlijk een hand willen komen geven.
Bij de gang naar buiten ligt een hele stapel “Mi Transición Nutricional” boeken gereed, in het Spaans uiteraard. Als je er een van de stapels afneemt, wordt je wel ook verondersteld om een financiële bijdrage voor organisatie “Nutrición Sin Fronteras” in een doos te deponeren. Zonder boek en een beetje met gemengde gevoelens verlaat ik het pand weer, op weg naar bus 1 een straat verderop en dan huiswaarts.
Over de dinsdag heb ik niet echt iets te melden. In het bibliotheekje aan Las Canteras lees ik in de regionale kranten dat de gay scene in Playa del Inglés nu hoogtijdagen beleeft, vooral in en om winkelcentrum Yumbo. A.s. zaterdagavond is de grote optocht, de Gay Parade en dan zal het echt helemaal los gaan. Helaas heb ik al met mezelf afgesproken dat ik dan naar parque Doramas ga. Daar komt zaterdagavond in het kader van “Musicando” een fado-zangeres haar opwachting maken. Ze is nog best jong en heet Maria Emília. Het begint om 9 uur en laat ik maar zorgen dat ik er een beetje op tijd ben. Vorig jaar, toen ik er bij een revival van de Buena Vista Social Club ben geweest, kon ik een kwartier voor het begin nog maar net een zitplaats krijgen (en dan nog, omdat ik maar alleen was).
In de diverse kranten, zeker ook de landelijke, is er eindelijk weer eens een dag dat niet Rajoy en/of Trump in de schijnwerper worden gezet, maar krijgt Vladimir Putin alle denkbare aandacht. Op de bijgevoegde standaardfoto daalt de magere man een grote trap af, met rode loper, om geïnstalleerd, zeg maar gekroond te worden voor zijn vierde ambtstermijn van zes jaar. Hij heeft er na Boris Jeltsin intussen al drie termijnen opzitten en onlangs is hij met een overmaat aan stemmen opnieuw in het zadel getild. (Heeft hij wel eerst enkele belangrijke opposanten in de gevangenis gezet?). Als er niks mis gaat, blijft hij vooralsnog aan tot in 2024. De kranten hebben het over tsaar Putin. In het Spaans is dat “zar”, kort maar krachtig.
Dan is er uiteraard nog steeds gezever over het treffen tussen Barcelona en Real Madrid afgelopen zondag. Hoe scheld je een scheidsrechter uit met een woord dat eindigt op a-ón. Ik ken vanzelfsprekend het woord “cabrón”, klootzak, boef, en ook “ladrón”, dief. Niemand minder dan Lionel Messi zou in de catacomben van het stadion na de wedstrijd voor zich uit geroepen hebben dat scheidsrechter Hernández door Sergio Ramos niet te bestraffen bij een aanvaring met Luis Suárez een “cagón” is. Dat is goed Spaans voor schijtlaars. Het bijbehorende werkwoord is cagar. Bijv. “cagarse de miedo” is het van angst in zijn broek doen. Weet iemand van jullie nog een ander woord met a-ón op het einde dat ik als scheldwoord hier kan gaan bezigen?
Voor wie mij binnenkort in Maastricht eens thuis wil uitnodigen en ook een bord eten voorzetten: ik ben het prototype van een alles eter. Ik houd van zuurvlees, mosselen, rolmops in de mayonaise, konijn, gebraden kip, makreel, inktvis op zijn Gallicisch, rosbief, tonijn, paardenbiefstuk, noem maar op. Jullie kunnen mij ook met plezier een vegetarische maaltijd voorzetten, die gaat er op zijn tijd net zo goed in. Zelfs stierenkloten, slakken, gebakken sprinkhaan, mits netjes klaargemaakt kan ik ervan smullen.
Ik vind wel dat je, als je een beest slacht om hem of haar op te eten, dat je dan niet mag volstaan met alleen een paar onderdelen in de pan te doen en de rest in de vuilnisbak te kiepen. Van alles weggooien is er voor mij niet bij. Bij een varken bijv. zijn de schouderkarbonades mij net zo lief als de ribben of poten. In de sector: eet het beest zoveel mogelijk op, heb ik jullie bij varkens al eens gewezen op “callos” oftewel maagdarm en “morros” oftewel kopvlees. Heerlijk! Onlangs vond ik in de eetkelder van El Corte Inglés nog weer een ander onderdeel in het schap: “oreja guisada”, gestoofd varkensoor. Daar valt m.i. weinig aan te bederven. Hoogstens kunnen stukjes oor wel eens een scherp kantje hebben, maar de oortjes in een rode saus zijn zeer wel te pruimen, in combinatie met bijv. wat stokbrood en gemengde groente. Per halve kilo is de “oreja guisada” te koop via de firma “Segundo Sanz” uit Leganés bij Madrid. In de matig pittige rode saus zitten paprika, kruiden, ui en knoflook. Ik zou het mengsel wel nog een minuut of vijf koken, voor je het opdient (aan jezelf), maar dan is het echt smullen.
Op woensdagmiddag denk ik: laat ik eens iets van jazz opzetten. Ik ben niet echt een liefhebber van het genre (ik ben meer van blues, country en pop), maar op zijn tijd een stukje jazz kan geen kwaad. Wie zal ik eens nemen? Allez, laat ik alt-saxofonist Julian “Cannonball” Adderley eens uit de mottenballen halen. Hij is van 1928 en oud worden was er voor hem niet bij; hij overleed in 1975. Ik heb – geloof het of niet – tien CDs van de man. Daaruit kies ik vandaag “Cannonball’s Bossa Nova”, uitgekomen in 2000. Ik hoop maar dat ik een mix krijg van niet al te experimentele jazz (zo’n John Coltrane, daar heb ik nou helemaal niks mee) en iets Braziliaans. Hier zijn de tien nummers op de CD (of eigenlijk acht, want twee “liedjes” staan er in twee versies op):
01.Clouds
02.Minha saudades
03.Corcovado
04.Batida Diferentes
05.Joyce’s sambas
06.Groovy sambas
07.Samops
09.Corcovado (alternate take)
10.Clouds (single version)
Het is even uitpluizen, omdat zelfs op deze Bossa Nova plaat een aantal mij te ingewikkelde nummers staan. Bij mijn favoriete soort jazz moet je eventueel wel een boek kunnen lezen. Mede daardoor gaat mijn voorkeur op de plaat uit naar “Clouds”, “Corcovado”, Joyce’s samba” en “O amor en paz (Once I loved)”. Daar teken ik wel nog bij aan dat ik die nummers zo geslaagd vind dat ik ze met plezier een aantal keren achter elkaar afspeel. Cannonball Adderley blijft voor mij een van de betere jazz-saxofonisten.
Als ik ‘s avonds mijn blokje om doe, kan ik het niet laten om te checken of mijn voetbalclub Barcelona thuis tegen Villarreal wel wint. Om kwart voor 9 kijk ik even naar de uitslag: 4-1. Iets te klagen heb ik niet, integendeel.
Op donderdagmorgen doe ik een was, mijn voorlaatste, als ik het wassen van mijn beddengoed volgende week niet meereken. Daarna breng ik een bezoek aan de “tintoreria lavanderia Atlantico” bij mij om de hoek. Daar ga ik twee colbertjes, “americanas”, ophalen die ik maandag gebracht heb. Tegelijkertijd kan ik nu ook nog een ander jasje laten stomen.
Dat stomen is best een raar woord met verscheidene betekenissen. Eten stomen bijv. is “cocer al vapor” in het Spaans, een brief open stomen is “abrir una carta al vapor” en (zie ginds komt de) stoomboot “barco de vapor”. Mijn stomen hier is iets heel anders, waar bij mijn weten geen “vapor” bij te pas komt: kleren stomen. De Spanjolen hebben het dan over “limpiar en seco”.
Vroeger was er een stomerij bij de “schuine” overweg in Maastricht: “De Lelie”, met een heuse schoorsteen. Vandaag de dag ben ik in mijn Zuid-Nederlandse geboortestad aangewezen op een winkel bij de “Aw Brögk”, die mijn “stoomgoed” dan doorstuurt naar een bedrijf dat ik niet eens ken. Stomen is een beetje uit de tijd geraakt, denk ik, behalve dan in het woord stoomcursus, “curso intensivo”. In goed Nederlands hebben we het tegenwoordig liever over chemisch reinigen, maar over welke chemische substanties het gaat, wie het weet, mag het zeggen. In het Vlaams is er een veel adequater woord voor: droogkuisen.
Omdat ik voor donderdagavond niks kan bedenken, waarmee ik jullie op een ander been kan zetten, ga ik door naar de vrijdag. Vanmiddag ga ik deze brief aan jullie versturen op de gezondheidsfaculteit. Ik neem dan een stapel DVDs van film mee, die ik thuis bekeken heb en niet mee naar Maastricht hoef te nemen. Als ik er een papiertje met “gratuito” bij doe, zijn ze volgens mij in een mum van tijd geconfisqueerd door de studentenpopulatie. Mijn laatste brief van dit winterseizoen in Las Palmas kunnen jullie volgende week donderdag verwachten, op 17 mei, maar ik sluit niet helemaal uit dat het ook de dag erop wordt.
Een bloemetje voor je moeder op Moederdag is wel het minste, waarmee jullie – als dat nog van toepassing is – kunnen komen aanzetten a.s. zondag. En anders kun je eens iemand uit de buurt ermee blij maken. Mijn verdere advies is deze keer: ga eens in een botsautootje zitten of doe eens het reuzenrad op de voorjaarskermis in Maastricht. Er hoort wel een uitgelaten gezicht bij, anders telt het niet. Nog even en ik ben weer onder jullie. Tot kijk, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Omdat ik iets met de man schijn te hebben, ben ik weer eens aan een boek van Ken Follett begonnen. Deze keer heb ik het over een boek van lang geleden: “Nachtvlucht” uit 1991, origineel “Night over water”, maar ik heb het in vertaling op mijn e-reader gelezen. Als het Britse koninkrijk in 1939 het Duitsland van Hitler de oorlog verklaart, vertrekt een uitgelezen gezelschap rijkaards het land in een groot, net ontworpen watervliegtuig, een Pan Am Clipper. Het boek, bijna 500 bladzijden, gaat over hun vlucht in etappes van Southampton naar New York, een reis van ruim een etmaal.
Aan boord zijn diverse gezelschappen. Het gezin Oxenford vertrekt, omdat pa zijn fascistische ideeën niet langer in Engeland kwijt lijkt te kunnen. Nancy Lenehan van schoenenfirma Black’s Boots gaat terug naar de V.S. om haar broer Peter te slim af te zijn, die de hele handel wil verkopen. Diana Lovesay wil met haar nieuwe Amerikaanse vriend een nieuw leven opbouwen, als haar man Mervyn er geen stokje voor steekt. Dan is er de aanwezigheid van professor Hartmann met zijn vriend Gabon en die van dief Harry Marks die Engeland ontvlucht en nu in de gaten krijgt dat hij misschien een uiterst kostbaar juweel (de Dehli Suite) kan stelen. En dan laat ik verschillende politiemensen, een Russische oude vrijster en een bekende filmster nog buiten beschouwing. Bij de “crew” van het vliegtuig noem ik speciaal de man van de brandstof Eddie Deakin. Die krijgt te horen krijgt dat zijn zwangere vrouw Carol-Ann gekidnapt is door de bende van Ray Patricia; aan boord van de clipper is een van hen: Tom Luther.
Daar moeten jullie het qua inhoud maar voor doen. Zoals steeds bij Ken Follett is er van alles aan de hand voordat de “good guys and gals” weer op hun pootjes terecht komen. “Nachtvlucht” is voor mij redelijk aangename verpozing. Minder geslaagd vind ik dat het mij ietsje te kinderlijk geschreven is. Dat beïnvloedt mijn recenseren wel een beetje. Ik heb voor “Nachtvlucht” als recensiecijfer daarom niet meer dan een 7 over. Later ga ik wel nog weer eens een ander boek van Ken Follett proberen, dat blijft staan.
Boek 2 is van een heel andere orde. Het is het bekende boek van neuroloog Oliver Sachs: “The Man Who Mistook His Wife For A Hat”. Ik herinner me vaag dat het in de jaren na de eerste publicatie (1985) ook buiten medische kring in Nederland populair was. De film “Awakenings” uit 1990 met Robert de Niro en Robin Williams over het effect van L-Dopa op mensen die permanent in slaap lijken te zijn (encephalitis lethargica), zal zeker ook aan het succes van het boek hebben bijgedragen. Laat ik eerlijk toegeven dat ik gewoon verkeerd om begonnen ben. Ik kreeg van Susanne en Peter een paar jaren terug de autobiografie van Oliver Sachs cadeau en dacht: motorfreak, ongewone homo, lange tijd aan de speed, wat moet ik aan met zijn levensbeschrijving (die hij vlak voor zijn dood af heeft). Dan lees ik zijn verhaal toch maar en kennelijk met het nodige plezier. Pas daarna denk ik: dan moet ik toch ook eens “The Man Who Mistook His Wife For A Hat” gaan lezen.
Neuroloog Oliver Sachs is ontevreden over de overdreven aandacht in zijn professie voor “deficits”. Het vak gaat zeker niet alleen over stukjes hersenen die het niet meer doen. Hij vraagt om meer aandacht voor te erg functioneren van bepaalde kernen, voor het veranderen van hersenfuncties en daarbij acht hij het bestuderen van geestelijke onderdeuren uiterst interessant. Het boek, 225 bladzijden, geeft klinkende voorbeelden van patiënten in alle vier deze categorieën. Met de essentie van allerlei neurologische aandoeningen is Oliver Sachs uiteraard al lang bekend, maar in het boek laat hij beeldend zien hoe apart of extreem het sommige patiënten vergaat.
Het titelverhaal gaat over een man die gezichten en voorwerpen niet meer herkent en terugvalt op beschrijving van de verschillende onderdelen voordat hij het hele plaatje gaat zien. Daarbij kan hij zich ook schromelijk vergissen. Dan volgt iemand die zijn hele geheugen vanaf dat hij 19 jaar is, al decennia lang. Dan is er een jonge vrouw die haar hele propriocepsis (balans van het lichaam) kwijt raakt, als ze aan een galblaasontsteking geopereerd gaat worden. Enz. In deel 2 met overreacties gaat de nodige bladzijden over het syndroom van Gilles de la Tourette, over tics, maar ook bijv. een vrouw die in een tijd van niks op straat de grimas van allerlei mensen op haar gezicht moet toveren. Ook lees ik in dit over bijv. een hoogbejaarde vrouw die op haar leeftijd ineens de seksuele kriebels krijgt. Dat zou komen door verlate uitingen van neurosyfilis.
Voorbeelden van “transports” in deel 3 zijn rare vormen van epilepsie, terugkerende muziekfragmenten, dromen die echt lijken te zijn. Ook komt een jongeman langs die teveel opwekkende drugs heeft gebruikt en nu denkt dat hij een hond is. Hij ruikt zelfs nu net zo goed als honden plegen te doen. Ten slotte geeft deel 4 mooie beschrijvingen van bijzondere ervaringen van mensen die (bijna) hun hele leven al voor debiel worden versleten. Een vrouw zonder intellect komt eindelijk op haar plek, als ze zich in een theatergezelschap nuttig kan maken, Een tweeling kan intussen wel foutloos zeggen welke dag het is, als ze een datum in het verre verleden of de verre toekomst gepresenteerd krijgen. Ook kunnen ze priemgetallen van zes cijfers opsommen of het niks is (en hebben een probleem, als ze niet meer bij elkaar mogen wonen). Laatste voorbeeld: een autistische jongen kan niks zeggen, maar blijkt wel een bijzondere gave te hebben om te tekenen, vooral van dingen uit de natuur.
Oliver Sachs blijf ik maar een rare vogel vinden, maar zijn “The Man Who Mistook His Wife For A Hat” geeft mij wel een inkijk in een stukje neurologie dat ik als een welkome aanvulling beschouw op de standaardverhalen die ik begin jaren 70 in Amsterdam uit mijn hoofd heb moeten leren. Een recensiecijfer is hier niet op zijn plaats, maar zeker de hele en halve dokters en psychologen onder jullie kan ik het boek nog ter lezing aanbevelen.
Ik heb nog een derde boek uit, niet van schrijver Michael Connelly, maar van hem als eindredacteur. In 2008 komt he verzamelboek “The Blue Religion” uit, met negentien politieverhalen van de Mystery Writers Of America. Als ik de extra informatie en inhoudsopgave weglaat, zijn er 434 bladzijden te lezen, gemiddeld per verhaal 23 bladzijden. Het laatste van de negentien verhalen is van Michael Connelly zelf en ik zie ook twee typische Engelse thrillerauteurs hun bijdrage leveren: John Harvey en Peter Robinson. Tussen de andere zestien zitten enkele mij bekende zoals T. Jefferson Parker en Laurie R. King, maar de andere zijn mij nog niet bekend. Als ik het de compilatie de afgelopen zomer bij The English Bookstore in Amsterdam zie liggen, gaat het boek zonder verder nadenken op de stapel om te kopen.
Hoe bespreek je een boek met negentien uiteenlopende verhalen, over de dood van een baby, de moord op een tiener, het ontmaskeren van een collega politieman, enz.? Daar valt weinig aan te bespreken, vind ik. Mooie stukken vind ik uiteraard de twee Engelse stukken, maar bijv. ook dat van Leslie Glass over een moord-zelfmoord, van Persia Walker over drie tienermeisjes die willen bijverdienen en van Paul Guyot over een hotdog verkoopster.
Wie dat wil, leen ik het boek graag eens uit.
vrijdag 11 mei 2018
vrijdag 4 mei 2018
Weblogbrief 13.28, 4 mei 2018
Weblogbrief 13.28, 4 mei 2018
Querid@s amig@s y familia, het is vandaag de dag van de dodenherdenking, althans vanavond, althans vanaf 8 uur tot even over 8, althans in Nederland. Hier in Las Palmas is het vooral uitkijken naar het weekend. Hier is mijn 28ste brief vanuit Las Palmas deze winter.
Laat ik beginnen bij een week terug, als ik op de universiteit ben om mijn vorige brief aan jullie te versturen. Ik print hem ook altijd uit, zodat ik hem later nog eens kan nalezen. Dat is deze keer een probleem, omdat de printer (in de andere gang op de tweede etage) het heel druk heeft met het uitwerpen van enquêteformulieren van een dame van ik denk farmacologie. Ze zit erbij op het bankje met haar laptop en vertelt me dat het printen nog wel even kan duren. Als ik een kwartier later opnieuw kom kijken, draait de machine nog steeds op volle toeren. Ik neem nu een half litertje “agua mineral con gas” mee naar mijn kamer en ga pas een uurtje later opnieuw kijken. Dan is de dame weg met naar ik vermoed een hele doos enquêteformulieren, de printer staat keurig op standby, maar een geprinte weblogbrief is niet te bekennen. Dat is dus opnieuw printen geblazen (maar met succes).
Wat zal ik eens vertellen over mijn bezigheden die vrijdagmiddag op mijn kamer? Isabel is er niet, Lluis trouwens ook niet. Daar sta ik dan in de gang, met mijn oranje polo, terwijl er op dat moment niemand is om me te vragen waarom ik in het oranje ben. (Vanwege de 51ste verjaardag van Willem Alexander.)
Van de clips van Harry vind ik vooral die van Jacques Dutronc indrukwekkend: “Il est cinq heures, Paris s’éveille” uit 1968. Het was een heel populair nummer in café de Poort, in de lang vervlogen tijd van Rocky en Magda. Van Jacques Dutronc moet ik toch eens een verzamelCD zien te bemachtigen, bijv. via de CD-theek in Rotterdam. Dan krijg ik ook weer eens andere nummers van hem mee, zoals “Et moi, et moi, et moi”, “Fais pas ci, fais pas ça” en “J’aime les filles”, die ik nu nog alleen op YouTube kan beluisteren. Trudie malt me dat ik al de dag na mijn aankomst in Maastricht, op 20 mei a.s. (op een mooie (eerste) Pinksterdag), in café de Poort verwacht word om weer een aantal Maastrichtse vrienden en kennissen te ontmoeten. Ik neem aan dat het terras ook kan.
Dan komt zo waar Jorge de afdeling op en die kan mij haarfijn uitleggen wat een “perenquén” is. Het schijnt een soort hagedis te zijn, een variant van een “lagarto”. Nou ik hem toch zie, kan ik misschien ook terecht voor een andere vraag. Word-documenten zoals mijn weblogbrieven hebben ineens niet meer doc als extensie, maar heten nu op het einde steeds odt. Echter, op de universiteit moet ik ze wel even herordenen, of zo, want anders kan ik ze niet omzetten in html voor jullie. Die vraag is aan hem welbesteed. Omstandig, wat zeg ik: zeer omstandig, maakt hij mij deelgenoot van de verschillen tussen Word van Microsoft en OpenOffice, waaronder mijn LibreOffice valt. Het duurt even voordat ik me van hem kan losmaken en op het punt sta om weer terug te gaan naar mijn kamer.
Dan vraag ik aan de deur van zijn kamer ook nog waarom je hier bij sommige niet aan een grote bank gelieerde pinautomaten 1.95 euro moet betalen, maar niet bij bijv. die van Santander, BBVA, Bankía e.d.. Ik word dan verondersteld om opnieuw te gaan zitten voor een volgend relaas. Ook dat kan wel even duren, blijkt. Jorge, hij is het prototype van een ouderwetse onderwijzer, van het soort dat mij wel aan de langdradige kant is.
Heb ik nog iets anders over mijn verblijf op de universiteit op koningsdag (ik blijf het een raar woord vinden)? Ja, uiteraard. Ik zie het als een groot gemis dat ik hier geen afleveringen van “Zondag Met Lubach” meer kan bekoekeloeren. Dus – na enig prutswerk – kijk ik alsnog naar de laatste twee van dit seizoen.
In nummertje 9, op eerste Paasdag, wordt vooral het geëmmer met rashonden te kijk gezet. Het begint met een stukje “Dogshow Goes”, maar dan komt de makke echt voorbij. Wie een zo raszuiver mogelijk beestje in huis wil halen, moet er haast van uitgaan dat het van erfelijke gebreken aan elkaar hangt. Veel beter is het – als je per se een hond in huis wilt halen – om een vuilnisbakken exemplaar te nemen (en dat wel natuurlijk de nodige keren per dag uit te laten).
In de laatste aflevering van 8 april krijgt o.a. Facebook de volle laag. Intussen is het al zo ver dat de mensen achter de site nagenoeg alles van je weten, niet alleen wat je zelf ooit eens gedelibereerd hebt, maar ook via allerlei andere slinkse wegen. De mensen van “Zondag Met Lubach” raden je dringend aan om in navolging van hen je account op te zeggen. Dat het best een klus is om met Facebook te stoppen, is een andere zaak.
Dan om half 6 verlaat ik op vrijdagmiddag het m.i. volkomen lege gebouw en stel me even later op bij de bushalte. Als eerste komt lijn 13 eraan en omdat ik toch weer eens naar Triana/Vegueta wil, neem ik die route bovenlangs, eindigend bij de Mercado de Vegueta. Ik loop eerst eens naar de Plaza del Pilar Nuevo, met de fontein, het blijft een mooi plekje, zeker als het er niet van de toeristen vergeven is. Dan ga ik langs de kathedraal naar een bank op Santa Ana, vlakbij de twee keer vier grote honden (canes), waarnaar het eiland genoemd is. Terzijde, weten jullie dat het nieuwe boek van Arturo Pérez Reverte hier heel populair is? Het heet: “Los perros duras no bailan”, taaie honden dansen niet. Zou dat op deze honden slaan?
Na Santa Ana is het plein aan de beurt met het borstbeeld van A. Cairasco uit 1876. Aan een kant ervan staat o.a. het ouderwetse, maar majestueuze Hotel Madrid met de iets te kleine balkons (ze hebben iets van mijn balkon in de Luis Morote) en met een ouderwets terras naar mijn hart. Schuin opzij ervan bevindt zich het “Ilustrisimo Gabinete Literario”, waar ik Lluis nog eens een lezing heb zien geven over zijn bemoeienis met de Derde Wereld in Afrika. Dan daal ik lichtjes af om naast McCarthy’s op een bank te gaan zitten. Er tegenover bij parfumwinkel Dalia staat moederdag hoog aangeschreven, hoewel die feestdag (hier) pas op zondag over een week is. De entree is gesierd (of ontsierd, het is maar hoe je er tegenaan kijkt) met een groot bord: “¿Quien es la Mama más bonita?”, wie is de aardigste moeder? Voor alle zekerheid heeft men er maar een viertal grote spiegels omheen gehangen.
Om even over 8 ga ik terug naar San Telmo. In de onderdoorgang naar het bussengedeelte zie ik bij de boekwinkel daar de top tien van best verkochte boeken van het moment staan. Daar zit o.a. “La forma de agua” van Daniel Kraus (of is het Guillermo del Toro) bij, een nasleep van de prijzen winnende gelijknamige film, “La bruja”, de heks, van thrillerschrijfster Camilla Läckberg en het net genoemde nieuwe boek van Arturo Pérez Reverte. Het wordt tijd voor mijn bus terug, lijn 1 deze keer, naar Las Canteras en de Luis Morote.
Op de zaterdag wil ik uiteraard mijn neefje Luno op tijd met zijn verjaardag feliciteren. Dat hij helemaal op Aruba zit, mag de pret niet drukken, maar ik moet niet te vroeg met mijn gelukwens zijn, want dan ligt hij daar nog te “bojze”.
Muziek! Laat ik eens met iets Canadees op de proppen komen: Sarah McLachlan. Ze is in 1968 geboren in Halifax en dat ligt nog altijd aan de kust in Oost-Canada in de provincie Nova Scotia. Van haar heb ik drie (van de negen) studio-albums en één verzamelplaat. Laat ik de compilatie, uit 2008 – toen was ze precies 40 – eens uit zijn doosje frutselen. “Closer: The Best of Sarah McLachlan” telt een zeventiental van haar mooiste nummers uit de periode ervoor:
01.Vox
02.The path of thorns (terms)
03.Into the fire
04.Possession
05.Hold on
06.Good enough
07.Building a mystery
08.Sweet surrender
09.Adia
10.Angel
11.I will remember you
12.Fallen
13.Stupid
14.World on fire
15.Don’t give up on us
16.U want me 2
17.Silence (Niels Van Gogh vs Thomas Gold remix (Radio edit)
Wat doe je met het uitzoeken van de beste nummers, als je al te maken hebt met een verzameling van de beste liedjes? Dat is geen sinecure. Laat ik hier eens voorstellen dat je dan naar het bovenste kwartiel moet kijken. Daarbij hoor ik me uiteraard niks aan te trekken van wat anderen op bijv. Wikipedia ervan vinden. In het geval van Sarah McLachlan kom ik uit op de volgende vijf liedjes op “Closer” die mij extra aanspreken: “The path of thorns (terms)”, “Good enough”, “Sweet surrender”, “World of fire” en “U want me 2”.
In mijn vorige brief heb ik jullie verteld over de verschillende manieren hier om “sorry” te zeggen. Het meest gangbaar is “perdon”, maar als je beleefd bent en je nog niet misgekleund hebt, is “disculpe me” zeker ook goed. In de bus hoor ik een andere, als een vrouw iemand wilt passeren: “permiso”. Er hoort geloof ik een klein vraagtekentje achter, als je het 100% goed wil doen en ik denk dat het compleet eerder “con su permiso” is, maar dat zegt niemand meer. “Permiso” is Spaans voor toestemming, vergunning, verlof. Voorbeelden: “permiso de maternidad” is zwangerschapsverlof (inclusief bevallingsverlof) en “permiso de conducir” is een rijbewijs.
Als ik op de late zaterdagmiddag mijn gezondheidswandelingetje maak, deze keer naar het park bij het Castillo de la Luz, het Lichtkasteel waar het hier in Las Palmas allemaal begonnen is, loop ik bijna een jongedame omver met een prachtige polo aan. Daarop staat in mega-letters: I’M NOT SORRY. Zo kan ik nog wel even doorgaan, denk ik dan. Op mijn bank in het park bedenk ik zonder aarzelen een ander opschrift, de negatieve variant van “Just do it” met de Swash van Nike. Ik draai de swash binnenstebuiten en schrijf eronder: DON’T DO IT.
Voor de volledigheid: de pinautomaat op de Alfredo Jones, die ik als gierigaard als de pest ga mijden, is inderdaad niet van een bank. Hij is van een firma die zich ATM Euronet noemt. Dat zo iets in een westers land wordt toegestaan, belachelijk. Van nu af aan pin ik alleen nog maar mij apparaten van de echte banken (tenzij die zich binnenkort ook omturnen tot geldslokops).
Terzijde, een gierigaard, vrek is in het Spaans een “avaro”. “Avariento”, “tacaño” en “roñica” mag volgens mijn woordenboek ook. Zuinig is andere kost; dat vertaalt zich met “ahorrador” en “economizador”.
Op zondagavond loop ik eens helemaal door naar rechts tot bij El Cofital. Het is er nog net zo (bijna) uitgestorven als vorig jaar, maar er staat nu wel een groot informatiebord, dat iedere spaarzame voorbijganger gelezen wil hebben. De stenen hier zouden een roodachtige kleur hebben. Helaas, ik kan er niets van ontdekken, als ik naar beneden mij kijk.
Op de terugweg ben ik nog net op tijd om de toegift van een reggae-groep mee te maken die bij Clipper de show aan het stelen is. “Otra, otra”, roepen de ongeveer honderd toehoorders in koor, als ik eraan kom. Het is een hele drukte en zelfs zie ik diverse dames danspasjes op de muziek maken. De reggae-groep – drie mannen en een vrouw die op grote trommels slaat – valt kennelijk heel erg in de smaak. Voor mij hoeft deze Canarische nasleep van Bob Marley niet echt (maar wel een beetje).
In de grote tent bij La Puntilla zijn vele tientallen Sevillana’s in hun foute kostuums nog in de weer om 8 uur. Ik laat het gezelschap compleet links liggen, maar letterlijk is het rechts. Op mijn akkertje ga ik op huis aan. Zondagavond, wat wil je, dan is het tijd voor een film.
Dat wordt deze keer “Gorky Park” uit 1983. Ik ken het al als een aardig boek van Martin Cruz Smith, maar de film als nazit lijkt mij ook wel wat. Het scenario is van niemand minder dan Dennis Potter en vooruit, de regisseur heet Michael Apted. Hoofdrollen in de film zijn er voor William Hurt, Lee Marvin en ene Joanna Pacula en wat vinden jullie van de bijrollen van bijv. Brian Dennehy en Ian Bannen?
Hier is een samenvatting van het verhaal in notendop. Drie jonge mensen worden hartje winter in Moskou vermoord op de schaatsbaan van Gorky Park. Wie heeft het gedaan? Moeten we daarvoor bij de KGB zijn, heeft een Amerikaanse rijkaard Jack Osborne (Lee Marvin) die een en ander van sabelbont weet, er iets mee van doen? Rechercheur Arkady Renko (William Hurt) doet zijn erge best om de dader(s) te pakken te krijgen en krijgt daarbij ondersteuning van huisvrouw Irina (Joanna Pacula), bevriend met een van de vermoorde mensen. Het gebeurt allemaal in Moskou, maar als het einde daarom vraagt, achtervolgen Arkady Renko en Irina een van de boosdoeners tot in Stockholm.
Ik vind het een best spannende film, maar als ik te kiezen heb, prefereer ik de boekversie van Martin Cruz Smith. Niettemin zit ik twee uur lang met animo naar het ijskoude Russische spektakel te kijken, terwijl het buiten hier nog 20+ graden is. De film is mij net niet goed genoeg om hem mee terug te nemen naar Maastricht.
30 April, dan is het in mijn geest nog Koninginnedag (met een hoofdletter) – zelfs nog uit de tijd dat Juliana de scepter zwaait, op het bordes met de Oranje familie, terwijl een stoet van nog ouderwetse Nederlanders aan haar voorbij trekt. Hier en nu is het vandaag voor veel mensen een brugdag. Morgen, op dinsdag hebben veel mensen vrij, 1 mei, Día Del Trabajador, en waarom zou je dan op de maandag naar je werk gaan? Ook de school naast mijn deur houdt vandaag zijn deuren gesloten. Het is opvallend stil, als ik wakker word, maar Carlos en ook (de dames van) Francesco serveren wel hun koffie uit. Ietsje later geven ook de parfum- en andere winkels thuis en komt de straatdrukte langzaam, maar zeker op gang.
Er zit weer nieuwe muziek in de lucht, vrees ik. Laat ik eens iets van Neal Casal opzetten. Wie is dat nou weer, hoor ik jullie zeggen. Dan verklap ik bij dezen dat deze deze Amerikaanse artiest geboren is in 1968, in hetzelfde jaar als Sarah McLachlan. Zijn geboorteplek is wel iets zuidelijker dan de dame, in een uithoek van New Jersey, en dat ligt, zoals jullie behoren te weten, onder New York. Neal Casal heeft twaalf solo-platen gemaakt. Aanhangers van Ryan Adams (zoals ik) kennen hem wellicht eerder nog als de sologitarist bij diens begeleidingsgroep the Cardinals in de jaren 2005-2009.
Laat ik het niet te gek maken en hier ook van Neal Casal een verzamelplaat opzetten: “Leaving Traces – Songs 1994-2004”, uit de jaren vóór the Cardinals. Waar ik die CD uitgehaald hebt, weet ik oprecht niet meer, maar luister er maar eens naar. Mooi, toch? Hier zijn de achttien liedjes op de compilatie:
01.Free to go
02.Maybe California
03.Real country dark
04.St Cloud
05.Fremont row
06.Eddy & Diamonds
07.Too much to ask
08.Oceanview
09.Just getting by
10.All the luck in the world
11.Reason
12.Today I’m gonna bleed
13.Free light of day
14.Me and queen Sylvia
15.Lucky star
16.Fierce little bird
17.It’s nog enough
18.Delaware station
Ergens in mijn achterhoofd is een hoekje dat me vertelt dat ik Neal Casal als eens in een weblogbrief heb ingebracht, maar dan denk ik: (1) toch is het niet zo en anders (2) wat kan mij het schelen. In het laatste geval hoop ik wel dat ik deze keer niet heel andere nummers dan de vorige keer extra bij jullie ga aanbevelen. Bij de compilatie van Sarah McLachman heb ik jullie gewezen op het bovenste kwartiel; daar maak ik deze keer een tertiel van, want ik heb zes uitschieters naar boven. Hier zijn ze: “Maybe California”, “Real country dark”, “Eddy & Diamonds”, “Just getting by”, “Free light of day” en “Me and queen Sylvia”.
Op de maandag lees ik overdag al “in de gezét” dat Barça landskampioen is geworden. De wedstrijd de avond ervoor in La Coruña tegen Deportivo is geëindigd in 2-4, met drie doelpunten van topscorer Leo Messi. Het verschil met de twee Madrileense concurrenten Atlético en Real is intussen te groot geworden dat ze nog roet in het eten kunnen gooien. Tegelijkertijd moet Deportivo, de club van Galicië, nu samen met Las Palmas en Malaga definitief een stap terugdoen en weer vanuit de eerste divisie proberen te promoveren naar de Spaanse eredivisie.
Vandaag op de maandag kunnen de boys van Valverde mee op een grote open bus in de optocht die (om andere reden toch al?) door Barcelona trekt.
Mei, dan leggen alle vogeltjes een ei! Terwijl mijn straat nog in ruste is, ga ik op de weegschaal staan om te kijken hoeveel ik weeg. Vandaag lijkt me de dag bij uitstek om eens poolshoogte te nemen. Ik blijk net onder de 100 kilo te zitten. Dan heb ik het wel over onsen en niet over kilo’s. Misschien is het wel goed zo, (nog geen) 100 kilo schoon aan de haak. Waarom zou een mens zijn het hele leven bezig moeten zijn met lijnen, terwijl dat bij de meesten paarlen voor de zwijnen is. (Wordt iemands uiteindelijke aanleg voor dikte bepaald in het eerste levensjaar, als het totaal aan vetcellen wordt vastgelegd?)
Als ik bij De Spar boodschappen doe, valt me weer eens op hoeveel goedkoper allerlei eten en drinken hier is vergeleken met Nederland. Laat ik de bon er eens voor jullie bij pakken. Voor bijna een kilo (!) makreel betaal ik hier 5 euro 59, voor twee ons jonge kaas 83 eurocent en – het toppunt – een twee literpak overheerlijk perziksap gaat in mijn boodschappenmandje voor 1 euro 29. Het is niet anders, de dagelijkse boodschappen zijn hier echt te geef.
‘s Avonds ben ik om half 6 eerder op Las Canteras dan normaal. Wat is het vandaag, 1 mei, mooi weer! Het strand ligt nog behoorlijk vol met badgasten en op de terrassen is haast geen plek meer te krijgen. Als ik later op mijn bank ga zitten, zie ik hoe voor mijn ogen nagenoeg blote lijven weer omgeturnd worden tot acceptabele kledij. Dat is een heel contrast met de vele tientallen dames in flamenco-outfit die voorbij paraderen. Ze komen van een grote tent bij La Puntilla, waar “het” vanmiddag nog steeds kennelijk gebeurd is. Weten jullie al dat “estar flamenco” staat voor een mooi lijf hebben? Ik kan het er niet van maken, als ik de diverse konten aanschouw. Dat red je niet, zelfs niet met een bloem of mooie kam in je haar. Bij flamenco denk ik trouwens eerder aan Vlaming dan aan de muziek van mensen als Paco de Lucia of zigeuner El Camarón, de garnaal).
Dan is het weer tijd voor voetbal. Vanavond speelt Real Madrid de tweede thuiswedstrijd tegen Bayern München voor een finaleplaats in de Europacup. In de eerste van de twee vorige week verliest Bayern thuis van Real met 1-2. Vanavond hoeft Real dus alleen maar gelijk te spelen, mag zelfs met 1-0 verliezen, om naar de finale Kiev te mogen. Het “Estadio Santiago Bernabéu” zit stampvol en vlak vóór de wedstrijd worden op de tribune twee superspandoeken uitgerold. Op eentje staat: DEFENDAMOS EL TRONO, laten we onze (winnaars)troon verdedigen. Ernaast zie ik: CONQUISTEMOS LA GLORIA, laten we de roem veroveren.
En dan gebeurt ongeveer direct wat het hele stadion, met uitzondering van het Bayern-vak, niet heeft voorzien. Al na minder dan drie minuten schiet Kimmell van Bayern de 0-1 binnen. Maar goed, niet veel later staat het al weer 1-1 door een kopbal van Benzema. Daarna zijn er mooie kansen over en weer, maar mijn idee is dat Bayern in de eerste helft meer van het spel heeft dan Real. In minuut 45 maakt Marcelo in het strafschopgebied van Real hands, maar de scheidsrechter vindt het aangeschoten hands. Met enige goede wil kan ik me daar wel in vinden. Het blijft daarmee 1-1 tot de rust.
De thee is net op, als keeper Ulreich van Bayern op een minder geslaagde terugspeelbal vreselijk in de fout gaat. Hij maait compleet over het leer heen en Karim Benzema, hij alweer, heeft de bal maar voor het intikken. Wat een onvergeeflijke blunder, “metedura de pata”, “patinazo”, “traspie”, “otrocidad” om het ook eens op zijn Spaans te zeggen! “!Que imperdonable barbandad!”. Het lijkt wel alsof Ulreich er grof voor betaald is om over de bal heen te maaien. Bayern moet er nu twee inschieten om te winnen en ja, nadat Ronaldo weer eens voor open doel over schiet, scoort James (Rodríguez, je zegt Chames) wel de 2-2 in minuut 63. Daarna is het echt storm lopen van Bayern op het doel van Real. Sergio Ramos en zijn maten moeten alle zeilen bijzetten en keeper Keilor Navas verricht het ene wonder na het andere. Aan de andere kant stelt Ronaldo nog steeds niks voor, helaas. En dan, inclusief bijna zes minuten extra tijd, is het nog steeds 2-2 en is Real Madrid toch weer spekkoper.
Zou er dit jaar opnieuw gewonnen gaan worden, voor de zoveelste keer? Dan moet de Koninklijke zich op 26 mei wel nog van (waarschijnlijk) Liverpool ontdoen, met Mo Salah in de gelederen. Zie beneden.
Op de woensdagmorgen begin ik niet alleen aan een nieuw boek, maar ook aan een nieuwe plaat. Na twee keer muziek van vrij recente datum kies ik voor echt vergane glorie. Welke rock ‘n’ rollartiest kwam op 3 februari 1959 om het leven bij een vliegtuigongeluk in de sneeuw, samen met Buddy Holly, The Big Bopper en piloot Roger Peterson? Even denken, even denken… Dat was uiteraard de dan zeventienjarige Ritchie Valens, eigenlijk Ritchie Valenzuela. Hij is geboren op 13 mei 1941, uit de San Fernando Valley bij Los Angeles. Als hij nu nog geleefd had, had hij volgende week zijn 77ste verjaardag kunnen vieren. Wisten jullie al dat Ritchie Valens als de dood was om te vliegen? Laat ik nog eens de LP draaien, waar zijn wereldhit “La Bamba” uit 1958 op staat. “La bamba” is van origine een Mexicaans volksliedje, waar door Ritchie Valens een rocknummer van gemaakt is. Op de single ervan staat op de achterkant “Donna”, ook heel mooi, en vergeet ook zijn nummer “Come on, let’s go” niet. Hier is de hele LP nog eens die in maart 1959, een maand na zijn dood, is uitgekomen. Ze heet “Ritchie Valens” met de volgende twaalf liedjes:
01.That’s my little Suzie
02.In a Turkish town
03.Come on, let’s go
04.Donna
05.Bony Maronie
06.Ooh my head
07.La bamba
08.Bluebirds over the mountain
09.Hi-tone
10.Framed
11.We belong together
12.Dooby-dooby-wah
Wat een power en dat voor nog een tiener! Ik ga hier geen uitschieters noemen, of toch? Dan geef ik “That’s my little Suzie”, “Ooh my head” en “We belong together” nog een extra punt. Ik heb ook nog een CD van de man van ongetwijfeld latere datum: “Hits And Other Favorites”, waarop naast de twaalf nummers van “Ritchie Valens” nog zestien andere liedjes staan. Hier en nu ga ik echter voor het origineel.
Als Laura boven is om te komen poetsen, vraag ik haar om eens naar “La bamba” te luisteren, een nummer van ver voor haar tijd. Vooraf denkt ze dat ze het niet zal kennen, uit 1958? Even later staat ze erop mee te dansen.
Om half 1 is mijn woning weer tiptop en kan ik me geheel en al aan makreel met roggebrood en gemengde salade wijden. Als toetje zet ik mezelf eerst twee crackers met pindakaas voor en dan gaat er nog een yoghurtje naar binnen.
Op de boulevard is het nog druk. Zou het toeristenleger zich intussen definitief aan het roeren zijn? Ik spot een jongen met op zijn trui: “GAME OVER”. Of ik dat wat vind? En ik zie het zoveelste t-shirt met daarop: RAMONES. Hoe komt het toch dat deze punkgroep zoveel aandacht op t-shirts krijgt? Zijn bij concerten van de Ramones steeds gratis t-shirts uitgedeeld? En waar blijven de polo’s met Joaquín Sabina erop, bijv. in een bokspose?
Terwijl Joaquín Sabina zich hier in de Las Palmas Arena opmaakt om de mensen een geslaagde avond te bezorgen, kuier ik om kwart over 7 naar El Palikeo. Je moet er een beetje op tijd bij zijn, als je een plekje vooraan op het terras wilt veroveren. Mijn vaste compaan op het terras van El Palikeo is de laatste weken een (ik denk ongediplomeerde) psychotherapeut in ruste uit Noorwegen. Een van zijn eerste zinnen is dat hij als alcoholist al vijftien droog staat. Leren ze je dat bij A.A.-bijeenkomsten? Hij wil geen wedstrijd missen en zit er al, met zijn mobieltje te spelen, als ik eraan kom. Naast hem, in het midden voor het scherm, is nog een stoel vrij. Heeft hij die (de stoel) voor mij vrijgehouden? Het is een uitgelezen plaats, dat wel. Omdat ik een habitué begin te worden, krijg ik nu ook een hand van de aardige ober. Ik moet ze allebei eens vragen hoe ze heten.
Om klokslag kwart voor 8 (Canarische tijd) begint de return van AS Roma tegen Liverpool, in het Romeinse Stadio Olimpico. Het stadion is tot de nok gevuld met vooral mensen die menen dat de stunt van AS Roma tegen Barcelona best wel eens herhaald zou kunnen worden. Drie doelpunten verschil, dat moet te doen zijn. In het Liverpool-vak hangt de vlag met “Passion beyond reason” er een beetje verwaaid bij en ik hoor geen Gerry and the Pacemakers. Ik zie trainer Jürgen Klopp van Liverpool tegelijkertijd denken: wat kan me na een klinkende 5-2 overwinning in de thuiswedstrijd nog gebeuren?
In het doel bij AS Roma staat ene Becker en de voorste drie heten El Shaarawy, Dzeko en Schick. Bij Liverpool gaat het om Karius in de goal en het trio (Mo) Salah, Firmino en Mané, dat jullie het maar weten. Dezelfde Mané, gitzwart en met een wel zeer aparte haarlijn, is in minuut 9 goed voor de 0-1. De voorsprong voor Liverpool wordt even later alweer teniet gedaan, als de bal in de kluts voor het doel van Liverpool op het achterhoofd van verdediger Milner terecht komt en dan tot ontzetting van keeper Becker in het doel verdwijnt: 1-1. Het stadion veert op en spreekkoren worden v=hernieuwd aangeheven. Dan krijgt AS Roma min of meer de kous op de kop, lijkt het, als Wijnaldum (naast van Dijk uit Nederland) de 1-2 binnen kopt in minuut 26. Iemand als El Shaarawy kan dan wel vervolgens via een Liverpoolspeler op de paal schieten, maar daarmee verander je de stand niet. In minuut 44 wordt AS Roma echt een penalty onthouden, vind ik, als keeper Karius een speler (Dzeko?) in het strafschopgebied vloert, maar 1-2 blijft het.
De tweede helft is net begonnen, als Dzeko in minuut 52 toch de 2-2 binnen schiet. Zou het toch nog een wedstrijd worden? Even later, in minuut 63, wordt AS Roma opnieuw een penalty onthouden of is het deze keer aangeschoten hands? Aan de andere kant kunnen Salah – in deze wedstrijd vooral goed voor een aantal voorzetten – en consorten ook niet echt meer een vuist maken. Wordt het een roemloze afgang van de thuisploeg? Dan maakt Naiggolan er in minuut 86 toch nog 3-2 van en krijgt AS Roma op de valreep, in minuut 93, nog een m.i. niet terechte penalty. Niettemin, met een einduitslag van 4-2 is het pleit beslecht, het leed geleden en hebben de mensen van “You’ll never walk alone” toch aan het langste eind getrokken. Een cleane wedstrijd is het wel geweest; ik heb geen enkele heel zware overtredingen gezien.
De nummer 3 van Spanje, Real Madrid, gaat het dus in de Champions League finale opnemen tegen de nummer 3 van Engeland, Liverpool. Die finale is over 3½ week in Kiev, of all places. De landskampioenen van beide landen zijn er eerder allebei uitgeknikkerd, Barcelona door AS Roma en Manchester City door Liverpool. Toch kijk ik uit naar een boeiende confrontatie.
En dan is het donderdag en mag ik weer terug naar mijn straat, mijn overburen. Bij mij tegenover, zeg maar direct onder de “vader en zoon”, wordt druk geboord, geschilderd en getimmerd. Ik neem aan dat de man die er volgens mij gaat wonen, een eind vijftiger schat ik, er ook al slaapt. Hij heeft overdag wel hulp van een jonger iemand bij zijn doe-het-zelven, “bricolaje”. Enig meubilair en aanverwante zaken kan ik nog niet ontdekken, maar ik neem aan dat binnenkort een verhuiswagen voor de deur staat. Op het balkon van de flat zie ik nu een zit-autootje staan. Is het speelgoed voor als een peuter bij opa op bezoek komt?
Dan is er ander nieuws, over de aardige jongen van de katten, ook op een hoog, maar twee woningen naar links. Hij had de laatste tijd nog maar één kat over, die hij wel nog trots aan een touwtje iedere avond voor de deur uitliet. Echter, helaas pindakaas, de man, en zijn solokat neem ik aan, zijn onlangs met de noorderzon vertrokken. De woning is eerst nog even te huur aangeboden, maar daar is al vrij snel “Vende” van gemaakt, in de verkoop. Voor meer informatie kunnen jullie terecht op telefoonnummer 928 261650.
‘s Avonds wissel ik met ommetjes af met eentje naar links over de boulevard en dan via een zijstraatje naar het Parque Pino Apolinario vóór de plaza Farray. Daar ga ik zitten met mijn boek op schoot, maar met vooral oog voor de jeugd, de ouders en de opa’s en oma’s om mij heen. Ik herinner me dat ik er nog eens met Spaanse lerares Natalia heb staan kletsen, terwijl haar dochtertje in de speeltuin doende was. Natalia was toen verbaasd dat ik het woord “tunera” niet kende, dat met grote letters op de muur staat bij een cactusachtige boom. Een “tunera” is een boom van met cactusvijgen, “tunas”. En daarnaast is het ook een klein studentengezelschap in historische kostuums dat muziek maakt.
Het parkje is in 2012 helemaal opgeknapt en is iets van 25 bij 25 meter. Een groot deel is grasveld met bomen en speeltuin. Daarnaast zijn er o.a. twaalf tuintjes van zo’n 25 m2 en is er een behoorlijk grote kruidentuin. Bij de diverse kruiden, “hierbas aromáticas”, staan ook weer allerlei namen. Jullie weten toch wel dat “tomillo” Spaans is voor tijm”? En wat is “cilantro”? Daar heb ik zo vlug met al mijn jaren Spanje geen antwoord op. Mijn woordenboek brengt uitkomst: koriander.
Op weg naar alweer een voetbalwedstrijd loop ik eerst even ( twee minuutjes) langs de auto-tentoonstelling op Santa Catalina die het mij de komende dagen nog lastig gaat maken. Ik kijk recht in het gezicht van een overduidelijke mecanicien die aan het sleutelen is aan een van de blikkendozen. Op zijn trui heeft hij staan: WHAT’S ON A MAN”S MIND? Ik vrees dat hij als antwoord auto’s bedoelt.
Royaal op tijd ben ik bij El Palikeo toch weer paraat, nu voor een tweede halve finale in de European League, oorspronkelijk bedoeld voor de diverse bekerkampioenen, maar steeds meer een onderonsje tussen de nummers 3 van de eerste ronde van de Champions League. Atlético neemt het in Madrid op tegen Arsenal. De eerdere wedstrijd in Londen eindigde in 1-1. “Rumbo hacia Lyon” zie ik op een groot spandoek vooraf staan, (wij van Atlético zetten) koers naar Lyon (waar de finale is). Trainer Simeone van Atlético is overigens naar de tribune verbannen, omdat hij zich in de eerdere wedstrijd misdragen zou hebben.
Wedstrijden van Atlético zijn meestal saai, omdat men vooral aan de achterkant alles gesloten wil houden. Het is in de Spaanse liga de club met de minste tegendoelpunten, maar ook met veel minder eigen doelpunten dan Barcelona en Real. Ook deze confrontatie met Arsenal kan op een vloeipapiertje. Er staan bij Atlético steeds zoveel eigen mensen voor het doel dat er haast geen beginnen aan is. 0-0 is al genoeg, maar als Diego Costa op aangeven van Griezmann de 1-0 maakt in de extra tijd in de eerste helft, is daarna het catanaccio weer troef. Natuurlijk, op het einde zie ik legio Atlético-supporters met hun sjaaltjes zwaaien. Die zijn kennelijk tevredener dan ik met een wedstrijd van niks, als er maar gewonnen wordt.
Mijn belangrijkste wapenfeit van de donderdagavond is dat ik een mooie poster van Joaquín Sabina met gitaar naast El Palikeo van de muur heb gehaald. Hij staat er patent op en ik neem maar aan dat de Gran Canaria Arena woensdagavond aan zijn voeten heeft gelegen. “Lo Niego Todo”, wat een titel? Als ik nou ook nog eens de CD zou kunnen confisqueren...
Om mij heen zie ik zoveel mensen met tatoeages dat ik me begin af te vragen waarom ik er een hekel aan heb. Dan bedenk ik op vrijdagmorgen dat tatoeages wel vooral iets van blanken is; ik zie haast nooit zwarten ermee lopen. Nou kunnen jullie riposteren: zwart op zwart, dat wordt niks, maar heden ten dage zou je als neger best een witte of lichtgekleurde kunnen laten zetten, toch. Ik zal het eens vragen aan een andere voetbalfan bij El Palikeo, die bij mijn weten geen “tattoo” heeft, maar wel van Ivoorkust is, Côte d’Ivoire oftewel in het Spaans “Costa del Marfil”. Misschien kan hij me uit de brand helpen.
En dan is de tijd weer gekomen om weer tussentijds afscheid van jullie te nemen. Vanmiddag gaat deze 28ste brief uit op de universiteit en dan heb ik er nog twee te gaan. Mijn voorlaatste komt waarschijnlijk over precies een week, op vrijdag 11 mei.
Voor nu, ga eens helemaal naar het buitenland. Het hoeft voor mij niet helemaal Sicilië of zo te zijn, hoewel het daar best aangenaam is, een terras in Kanne, een ijsje in Visé of een potje mosterd in Aken kan ook. Thuis blijven zitten is ook niet alles. Ondergetekende houdt hier “nog effe pin”, maar het terugkeren naar de Euregio begint toch al een beetje te trekken. Tot kijk maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek, eentje van Patricia D. Cornwell, is al best lang geleden uitgekomen, in 1993. Het is haar vierde in de serie van pathologe Kay Scarpetta. Op een bijgevoegd fotootje ziet de schrijfster, een voormalige politie-verslaggeefster, er nog best jong uit (maar in 25 jaar kan een hoop veranderen, kijk maar naar mij). Even denk ik dat ik het boek lang geleden al eens gelezen heb, maar dat kan ik er bij nader inzien toch niet van maken. De titel is “Cruel And Unusual” en ik heb het deze keer als echte paperback gelezen (uit de boekenvoorraad beneden in de flat van Ton & Marion). Het verhaal speelt in hoofdstad Richmond van de Amerikaanse staat Virginia, aan de oostkust onder Washington DC.
“Coroner”, sectiespecialiste Kay Scarpetta en haar wat onbehouwen politievriend Pete Marino hebben net de dood van Ronnie Waddell mogen verwerken, die tien jaar eerder een bekende TV-”anchor woman” heeft vermoord. Dan krijgen ze van doen met het afslachten van de dertienjarige Eddie Heath, een beetje op dezelfde manier als de TV-dame tien jaar eerder. En het kan niet op: vlak daarop blijkt een oudere astrologe, Jennifer Deighton, geen zelfmoord gepleegd te hebben, maar ook omgebracht te zijn. Als dan ook nog Kay Scarpetta’s assistente Susan Story vermoord wordt, zijn de rapen helemaal gaar en zit ik als lezer echt te wachten op wie volgt. Interessante bijrollen zijn er deze keer voor o.a. (uiteraard) Kay’s nu 17-jarige nichtje Lucy, “profiler” Benton Wesley en Kay’s oud-leraar en advocaat Nicholas Brueman. Aan de kant van de daders noem ik hier mispunt Ben Stevens van Scarpetta’s medisch bureau, Helen de Hun (Grimes) van de gevangenis en haar vriendje, en vooruit, ook gouverneur Norring, die allergisch lijkt te zijn voor schaaldieren.
Vraagje: zijn schaaldieren zoals mosselen en oesters echt geen vissen? Ander vraagje: weten jullie al wat een eider eend is en hoe de veren ervan er uitzien? Als Kay Scarpetta op blz. 366 aan Pete Marino vraagt of zijn bloeddruk al een beetje gezakt is, is zijn antwoord: “You want to know the truth? Some days, if I was a kettle, I’d be whistling”.
Hier in Las Palmas is Patricia Cornwell nog steeds een van de populairste thrillerschrijvers, meer dan in Nederland. Voor mij mogen vooral haar vroege Kay Scarpetta’s er echt zijn. Daar reken ik “Cruel and unusaual “ ook bij. Het boek gaat mee naar Maastricht met een volle 8 als recensiecijfer. Ik moet toch eens uitzoeken welke verder boeken van vóór 2000 ik van Patricia D. Cornwell nog niet gelezen heb (en die dan zien te vinden uiteraard).
Op één been kun je niet staan, althans niet voor lang. Dus ben ik blij dat ik jullie ook nog kan verblijden met een tweede boek, op mijn e-reader. Het heet “Candlemoth”, stervensuur in het Nederlands en de schrijver is RJ (Roger Jon) Ellory. Mij staat bij dat hij uit het Engelse Birmingham is en hoe dan ook heeft hij op zijn fotootje een combinatie van een rode snor en idem dito baardje. De vertaling van “Candlemoth” is van 2013, maar het origineel is al tien jaar eerder gepubliceerd. Ik vind na lezing van het boek de Engelse titel: “Candlemoth” van de schrijver veel beter dan “Stervensuur”. Waarom wordt daar niet gewoon “Nachtvlinder” van gemaakt, beste mensen van de uitgeverij? Het boek speelt zich vooral af in een dorpje van niks genaamd Greenleaf, ergens in North Carolina bij het Lake Marion.
Daniel (Danny) Ford, blanke huid, geboren in 1946, staat in november 1982 zo ongeveer op het punt om zich in de elektrische stoel te nestelen vanwege het vermoorden van zijn zwarte vriend Nathan Verney. In de maanden voor zijn terechtstelling vertelt hij aan gevangenispater John Rousseau wat hij in zijn korte leven zo al heeft gedaan en gelaten. Daniel en Nathan kennen elkaar al vanaf dat ze zes jaar jong zijn en trekken vanaf dan veel met elkaar op. Belangrijke mensen in Daniel’s jeugd zijn behalve zijn moeder, die een prima gebraden ham serveert, de weduwe Eve Chantry van de nachtvlinder en twee meisjes: Caroline en Linny. De laatste is de dochter van een zeer conservatieve en rijke zakenman, ook belangrijk in de Ku Klux Clan. Als Nathan in 1968 vanwege Vietnam in militaire dienst zou moeten, neemt hij met Daniel de benen. Ze zijn anderhalf jaar onderweg in zuidelijke staten. Vlak na kerstmis 1969 keren ze terug in Greenleaf, naar het huis van Daniel, als diens moeder dood blijkt te zijn. Dan gaat het faliekant mis. Nathan wordt compleet onthoofd met een bijl en de ook aanwezige vriendin Lilly verdwijnt in een psychiatrische inrichting. Daniel wordt ervoor ter dood veroordeeld en in de twaalf jaar erop worden de diverse verzoeken om een mildere straf steeds resoluut verworpen. In de dodencel wacht hij de terchtstelling af, met cipiers om zich heen zoals Harlon West en Clarence Timmons.
RJ Ellory is volgens mij een begenadigd schrijver en van zijn “Candlemoth” heb ik oprecht weer genoten. Hij vertelt een boeiend verhaal en en passant krijg ik ook nog het nodige mee van het leven op het platteland van de Verenigde Staten in vooral de jaren 50 en 60. Ik kan jullie het boek zeer ter lezing aanraden en heb er als recensiecijfer een 8½ voor over. Van RJ Ellory heb ik gelukkig nog een paar noten op mijn zang. Die ga ik ook lezen, dat is zeker.
Querid@s amig@s y familia, het is vandaag de dag van de dodenherdenking, althans vanavond, althans vanaf 8 uur tot even over 8, althans in Nederland. Hier in Las Palmas is het vooral uitkijken naar het weekend. Hier is mijn 28ste brief vanuit Las Palmas deze winter.
Laat ik beginnen bij een week terug, als ik op de universiteit ben om mijn vorige brief aan jullie te versturen. Ik print hem ook altijd uit, zodat ik hem later nog eens kan nalezen. Dat is deze keer een probleem, omdat de printer (in de andere gang op de tweede etage) het heel druk heeft met het uitwerpen van enquêteformulieren van een dame van ik denk farmacologie. Ze zit erbij op het bankje met haar laptop en vertelt me dat het printen nog wel even kan duren. Als ik een kwartier later opnieuw kom kijken, draait de machine nog steeds op volle toeren. Ik neem nu een half litertje “agua mineral con gas” mee naar mijn kamer en ga pas een uurtje later opnieuw kijken. Dan is de dame weg met naar ik vermoed een hele doos enquêteformulieren, de printer staat keurig op standby, maar een geprinte weblogbrief is niet te bekennen. Dat is dus opnieuw printen geblazen (maar met succes).
Wat zal ik eens vertellen over mijn bezigheden die vrijdagmiddag op mijn kamer? Isabel is er niet, Lluis trouwens ook niet. Daar sta ik dan in de gang, met mijn oranje polo, terwijl er op dat moment niemand is om me te vragen waarom ik in het oranje ben. (Vanwege de 51ste verjaardag van Willem Alexander.)
Van de clips van Harry vind ik vooral die van Jacques Dutronc indrukwekkend: “Il est cinq heures, Paris s’éveille” uit 1968. Het was een heel populair nummer in café de Poort, in de lang vervlogen tijd van Rocky en Magda. Van Jacques Dutronc moet ik toch eens een verzamelCD zien te bemachtigen, bijv. via de CD-theek in Rotterdam. Dan krijg ik ook weer eens andere nummers van hem mee, zoals “Et moi, et moi, et moi”, “Fais pas ci, fais pas ça” en “J’aime les filles”, die ik nu nog alleen op YouTube kan beluisteren. Trudie malt me dat ik al de dag na mijn aankomst in Maastricht, op 20 mei a.s. (op een mooie (eerste) Pinksterdag), in café de Poort verwacht word om weer een aantal Maastrichtse vrienden en kennissen te ontmoeten. Ik neem aan dat het terras ook kan.
Dan komt zo waar Jorge de afdeling op en die kan mij haarfijn uitleggen wat een “perenquén” is. Het schijnt een soort hagedis te zijn, een variant van een “lagarto”. Nou ik hem toch zie, kan ik misschien ook terecht voor een andere vraag. Word-documenten zoals mijn weblogbrieven hebben ineens niet meer doc als extensie, maar heten nu op het einde steeds odt. Echter, op de universiteit moet ik ze wel even herordenen, of zo, want anders kan ik ze niet omzetten in html voor jullie. Die vraag is aan hem welbesteed. Omstandig, wat zeg ik: zeer omstandig, maakt hij mij deelgenoot van de verschillen tussen Word van Microsoft en OpenOffice, waaronder mijn LibreOffice valt. Het duurt even voordat ik me van hem kan losmaken en op het punt sta om weer terug te gaan naar mijn kamer.
Dan vraag ik aan de deur van zijn kamer ook nog waarom je hier bij sommige niet aan een grote bank gelieerde pinautomaten 1.95 euro moet betalen, maar niet bij bijv. die van Santander, BBVA, Bankía e.d.. Ik word dan verondersteld om opnieuw te gaan zitten voor een volgend relaas. Ook dat kan wel even duren, blijkt. Jorge, hij is het prototype van een ouderwetse onderwijzer, van het soort dat mij wel aan de langdradige kant is.
Heb ik nog iets anders over mijn verblijf op de universiteit op koningsdag (ik blijf het een raar woord vinden)? Ja, uiteraard. Ik zie het als een groot gemis dat ik hier geen afleveringen van “Zondag Met Lubach” meer kan bekoekeloeren. Dus – na enig prutswerk – kijk ik alsnog naar de laatste twee van dit seizoen.
In nummertje 9, op eerste Paasdag, wordt vooral het geëmmer met rashonden te kijk gezet. Het begint met een stukje “Dogshow Goes”, maar dan komt de makke echt voorbij. Wie een zo raszuiver mogelijk beestje in huis wil halen, moet er haast van uitgaan dat het van erfelijke gebreken aan elkaar hangt. Veel beter is het – als je per se een hond in huis wilt halen – om een vuilnisbakken exemplaar te nemen (en dat wel natuurlijk de nodige keren per dag uit te laten).
In de laatste aflevering van 8 april krijgt o.a. Facebook de volle laag. Intussen is het al zo ver dat de mensen achter de site nagenoeg alles van je weten, niet alleen wat je zelf ooit eens gedelibereerd hebt, maar ook via allerlei andere slinkse wegen. De mensen van “Zondag Met Lubach” raden je dringend aan om in navolging van hen je account op te zeggen. Dat het best een klus is om met Facebook te stoppen, is een andere zaak.
Dan om half 6 verlaat ik op vrijdagmiddag het m.i. volkomen lege gebouw en stel me even later op bij de bushalte. Als eerste komt lijn 13 eraan en omdat ik toch weer eens naar Triana/Vegueta wil, neem ik die route bovenlangs, eindigend bij de Mercado de Vegueta. Ik loop eerst eens naar de Plaza del Pilar Nuevo, met de fontein, het blijft een mooi plekje, zeker als het er niet van de toeristen vergeven is. Dan ga ik langs de kathedraal naar een bank op Santa Ana, vlakbij de twee keer vier grote honden (canes), waarnaar het eiland genoemd is. Terzijde, weten jullie dat het nieuwe boek van Arturo Pérez Reverte hier heel populair is? Het heet: “Los perros duras no bailan”, taaie honden dansen niet. Zou dat op deze honden slaan?
Na Santa Ana is het plein aan de beurt met het borstbeeld van A. Cairasco uit 1876. Aan een kant ervan staat o.a. het ouderwetse, maar majestueuze Hotel Madrid met de iets te kleine balkons (ze hebben iets van mijn balkon in de Luis Morote) en met een ouderwets terras naar mijn hart. Schuin opzij ervan bevindt zich het “Ilustrisimo Gabinete Literario”, waar ik Lluis nog eens een lezing heb zien geven over zijn bemoeienis met de Derde Wereld in Afrika. Dan daal ik lichtjes af om naast McCarthy’s op een bank te gaan zitten. Er tegenover bij parfumwinkel Dalia staat moederdag hoog aangeschreven, hoewel die feestdag (hier) pas op zondag over een week is. De entree is gesierd (of ontsierd, het is maar hoe je er tegenaan kijkt) met een groot bord: “¿Quien es la Mama más bonita?”, wie is de aardigste moeder? Voor alle zekerheid heeft men er maar een viertal grote spiegels omheen gehangen.
Om even over 8 ga ik terug naar San Telmo. In de onderdoorgang naar het bussengedeelte zie ik bij de boekwinkel daar de top tien van best verkochte boeken van het moment staan. Daar zit o.a. “La forma de agua” van Daniel Kraus (of is het Guillermo del Toro) bij, een nasleep van de prijzen winnende gelijknamige film, “La bruja”, de heks, van thrillerschrijfster Camilla Läckberg en het net genoemde nieuwe boek van Arturo Pérez Reverte. Het wordt tijd voor mijn bus terug, lijn 1 deze keer, naar Las Canteras en de Luis Morote.
Op de zaterdag wil ik uiteraard mijn neefje Luno op tijd met zijn verjaardag feliciteren. Dat hij helemaal op Aruba zit, mag de pret niet drukken, maar ik moet niet te vroeg met mijn gelukwens zijn, want dan ligt hij daar nog te “bojze”.
Muziek! Laat ik eens met iets Canadees op de proppen komen: Sarah McLachlan. Ze is in 1968 geboren in Halifax en dat ligt nog altijd aan de kust in Oost-Canada in de provincie Nova Scotia. Van haar heb ik drie (van de negen) studio-albums en één verzamelplaat. Laat ik de compilatie, uit 2008 – toen was ze precies 40 – eens uit zijn doosje frutselen. “Closer: The Best of Sarah McLachlan” telt een zeventiental van haar mooiste nummers uit de periode ervoor:
01.Vox
02.The path of thorns (terms)
03.Into the fire
04.Possession
05.Hold on
06.Good enough
07.Building a mystery
08.Sweet surrender
09.Adia
10.Angel
11.I will remember you
12.Fallen
13.Stupid
14.World on fire
15.Don’t give up on us
16.U want me 2
17.Silence (Niels Van Gogh vs Thomas Gold remix (Radio edit)
Wat doe je met het uitzoeken van de beste nummers, als je al te maken hebt met een verzameling van de beste liedjes? Dat is geen sinecure. Laat ik hier eens voorstellen dat je dan naar het bovenste kwartiel moet kijken. Daarbij hoor ik me uiteraard niks aan te trekken van wat anderen op bijv. Wikipedia ervan vinden. In het geval van Sarah McLachlan kom ik uit op de volgende vijf liedjes op “Closer” die mij extra aanspreken: “The path of thorns (terms)”, “Good enough”, “Sweet surrender”, “World of fire” en “U want me 2”.
In mijn vorige brief heb ik jullie verteld over de verschillende manieren hier om “sorry” te zeggen. Het meest gangbaar is “perdon”, maar als je beleefd bent en je nog niet misgekleund hebt, is “disculpe me” zeker ook goed. In de bus hoor ik een andere, als een vrouw iemand wilt passeren: “permiso”. Er hoort geloof ik een klein vraagtekentje achter, als je het 100% goed wil doen en ik denk dat het compleet eerder “con su permiso” is, maar dat zegt niemand meer. “Permiso” is Spaans voor toestemming, vergunning, verlof. Voorbeelden: “permiso de maternidad” is zwangerschapsverlof (inclusief bevallingsverlof) en “permiso de conducir” is een rijbewijs.
Als ik op de late zaterdagmiddag mijn gezondheidswandelingetje maak, deze keer naar het park bij het Castillo de la Luz, het Lichtkasteel waar het hier in Las Palmas allemaal begonnen is, loop ik bijna een jongedame omver met een prachtige polo aan. Daarop staat in mega-letters: I’M NOT SORRY. Zo kan ik nog wel even doorgaan, denk ik dan. Op mijn bank in het park bedenk ik zonder aarzelen een ander opschrift, de negatieve variant van “Just do it” met de Swash van Nike. Ik draai de swash binnenstebuiten en schrijf eronder: DON’T DO IT.
Voor de volledigheid: de pinautomaat op de Alfredo Jones, die ik als gierigaard als de pest ga mijden, is inderdaad niet van een bank. Hij is van een firma die zich ATM Euronet noemt. Dat zo iets in een westers land wordt toegestaan, belachelijk. Van nu af aan pin ik alleen nog maar mij apparaten van de echte banken (tenzij die zich binnenkort ook omturnen tot geldslokops).
Terzijde, een gierigaard, vrek is in het Spaans een “avaro”. “Avariento”, “tacaño” en “roñica” mag volgens mijn woordenboek ook. Zuinig is andere kost; dat vertaalt zich met “ahorrador” en “economizador”.
Op zondagavond loop ik eens helemaal door naar rechts tot bij El Cofital. Het is er nog net zo (bijna) uitgestorven als vorig jaar, maar er staat nu wel een groot informatiebord, dat iedere spaarzame voorbijganger gelezen wil hebben. De stenen hier zouden een roodachtige kleur hebben. Helaas, ik kan er niets van ontdekken, als ik naar beneden mij kijk.
Op de terugweg ben ik nog net op tijd om de toegift van een reggae-groep mee te maken die bij Clipper de show aan het stelen is. “Otra, otra”, roepen de ongeveer honderd toehoorders in koor, als ik eraan kom. Het is een hele drukte en zelfs zie ik diverse dames danspasjes op de muziek maken. De reggae-groep – drie mannen en een vrouw die op grote trommels slaat – valt kennelijk heel erg in de smaak. Voor mij hoeft deze Canarische nasleep van Bob Marley niet echt (maar wel een beetje).
In de grote tent bij La Puntilla zijn vele tientallen Sevillana’s in hun foute kostuums nog in de weer om 8 uur. Ik laat het gezelschap compleet links liggen, maar letterlijk is het rechts. Op mijn akkertje ga ik op huis aan. Zondagavond, wat wil je, dan is het tijd voor een film.
Dat wordt deze keer “Gorky Park” uit 1983. Ik ken het al als een aardig boek van Martin Cruz Smith, maar de film als nazit lijkt mij ook wel wat. Het scenario is van niemand minder dan Dennis Potter en vooruit, de regisseur heet Michael Apted. Hoofdrollen in de film zijn er voor William Hurt, Lee Marvin en ene Joanna Pacula en wat vinden jullie van de bijrollen van bijv. Brian Dennehy en Ian Bannen?
Hier is een samenvatting van het verhaal in notendop. Drie jonge mensen worden hartje winter in Moskou vermoord op de schaatsbaan van Gorky Park. Wie heeft het gedaan? Moeten we daarvoor bij de KGB zijn, heeft een Amerikaanse rijkaard Jack Osborne (Lee Marvin) die een en ander van sabelbont weet, er iets mee van doen? Rechercheur Arkady Renko (William Hurt) doet zijn erge best om de dader(s) te pakken te krijgen en krijgt daarbij ondersteuning van huisvrouw Irina (Joanna Pacula), bevriend met een van de vermoorde mensen. Het gebeurt allemaal in Moskou, maar als het einde daarom vraagt, achtervolgen Arkady Renko en Irina een van de boosdoeners tot in Stockholm.
Ik vind het een best spannende film, maar als ik te kiezen heb, prefereer ik de boekversie van Martin Cruz Smith. Niettemin zit ik twee uur lang met animo naar het ijskoude Russische spektakel te kijken, terwijl het buiten hier nog 20+ graden is. De film is mij net niet goed genoeg om hem mee terug te nemen naar Maastricht.
30 April, dan is het in mijn geest nog Koninginnedag (met een hoofdletter) – zelfs nog uit de tijd dat Juliana de scepter zwaait, op het bordes met de Oranje familie, terwijl een stoet van nog ouderwetse Nederlanders aan haar voorbij trekt. Hier en nu is het vandaag voor veel mensen een brugdag. Morgen, op dinsdag hebben veel mensen vrij, 1 mei, Día Del Trabajador, en waarom zou je dan op de maandag naar je werk gaan? Ook de school naast mijn deur houdt vandaag zijn deuren gesloten. Het is opvallend stil, als ik wakker word, maar Carlos en ook (de dames van) Francesco serveren wel hun koffie uit. Ietsje later geven ook de parfum- en andere winkels thuis en komt de straatdrukte langzaam, maar zeker op gang.
Er zit weer nieuwe muziek in de lucht, vrees ik. Laat ik eens iets van Neal Casal opzetten. Wie is dat nou weer, hoor ik jullie zeggen. Dan verklap ik bij dezen dat deze deze Amerikaanse artiest geboren is in 1968, in hetzelfde jaar als Sarah McLachlan. Zijn geboorteplek is wel iets zuidelijker dan de dame, in een uithoek van New Jersey, en dat ligt, zoals jullie behoren te weten, onder New York. Neal Casal heeft twaalf solo-platen gemaakt. Aanhangers van Ryan Adams (zoals ik) kennen hem wellicht eerder nog als de sologitarist bij diens begeleidingsgroep the Cardinals in de jaren 2005-2009.
Laat ik het niet te gek maken en hier ook van Neal Casal een verzamelplaat opzetten: “Leaving Traces – Songs 1994-2004”, uit de jaren vóór the Cardinals. Waar ik die CD uitgehaald hebt, weet ik oprecht niet meer, maar luister er maar eens naar. Mooi, toch? Hier zijn de achttien liedjes op de compilatie:
01.Free to go
02.Maybe California
03.Real country dark
04.St Cloud
05.Fremont row
06.Eddy & Diamonds
07.Too much to ask
08.Oceanview
09.Just getting by
10.All the luck in the world
11.Reason
12.Today I’m gonna bleed
13.Free light of day
14.Me and queen Sylvia
15.Lucky star
16.Fierce little bird
17.It’s nog enough
18.Delaware station
Ergens in mijn achterhoofd is een hoekje dat me vertelt dat ik Neal Casal als eens in een weblogbrief heb ingebracht, maar dan denk ik: (1) toch is het niet zo en anders (2) wat kan mij het schelen. In het laatste geval hoop ik wel dat ik deze keer niet heel andere nummers dan de vorige keer extra bij jullie ga aanbevelen. Bij de compilatie van Sarah McLachman heb ik jullie gewezen op het bovenste kwartiel; daar maak ik deze keer een tertiel van, want ik heb zes uitschieters naar boven. Hier zijn ze: “Maybe California”, “Real country dark”, “Eddy & Diamonds”, “Just getting by”, “Free light of day” en “Me and queen Sylvia”.
Op de maandag lees ik overdag al “in de gezét” dat Barça landskampioen is geworden. De wedstrijd de avond ervoor in La Coruña tegen Deportivo is geëindigd in 2-4, met drie doelpunten van topscorer Leo Messi. Het verschil met de twee Madrileense concurrenten Atlético en Real is intussen te groot geworden dat ze nog roet in het eten kunnen gooien. Tegelijkertijd moet Deportivo, de club van Galicië, nu samen met Las Palmas en Malaga definitief een stap terugdoen en weer vanuit de eerste divisie proberen te promoveren naar de Spaanse eredivisie.
Vandaag op de maandag kunnen de boys van Valverde mee op een grote open bus in de optocht die (om andere reden toch al?) door Barcelona trekt.
Mei, dan leggen alle vogeltjes een ei! Terwijl mijn straat nog in ruste is, ga ik op de weegschaal staan om te kijken hoeveel ik weeg. Vandaag lijkt me de dag bij uitstek om eens poolshoogte te nemen. Ik blijk net onder de 100 kilo te zitten. Dan heb ik het wel over onsen en niet over kilo’s. Misschien is het wel goed zo, (nog geen) 100 kilo schoon aan de haak. Waarom zou een mens zijn het hele leven bezig moeten zijn met lijnen, terwijl dat bij de meesten paarlen voor de zwijnen is. (Wordt iemands uiteindelijke aanleg voor dikte bepaald in het eerste levensjaar, als het totaal aan vetcellen wordt vastgelegd?)
Als ik bij De Spar boodschappen doe, valt me weer eens op hoeveel goedkoper allerlei eten en drinken hier is vergeleken met Nederland. Laat ik de bon er eens voor jullie bij pakken. Voor bijna een kilo (!) makreel betaal ik hier 5 euro 59, voor twee ons jonge kaas 83 eurocent en – het toppunt – een twee literpak overheerlijk perziksap gaat in mijn boodschappenmandje voor 1 euro 29. Het is niet anders, de dagelijkse boodschappen zijn hier echt te geef.
‘s Avonds ben ik om half 6 eerder op Las Canteras dan normaal. Wat is het vandaag, 1 mei, mooi weer! Het strand ligt nog behoorlijk vol met badgasten en op de terrassen is haast geen plek meer te krijgen. Als ik later op mijn bank ga zitten, zie ik hoe voor mijn ogen nagenoeg blote lijven weer omgeturnd worden tot acceptabele kledij. Dat is een heel contrast met de vele tientallen dames in flamenco-outfit die voorbij paraderen. Ze komen van een grote tent bij La Puntilla, waar “het” vanmiddag nog steeds kennelijk gebeurd is. Weten jullie al dat “estar flamenco” staat voor een mooi lijf hebben? Ik kan het er niet van maken, als ik de diverse konten aanschouw. Dat red je niet, zelfs niet met een bloem of mooie kam in je haar. Bij flamenco denk ik trouwens eerder aan Vlaming dan aan de muziek van mensen als Paco de Lucia of zigeuner El Camarón, de garnaal).
Dan is het weer tijd voor voetbal. Vanavond speelt Real Madrid de tweede thuiswedstrijd tegen Bayern München voor een finaleplaats in de Europacup. In de eerste van de twee vorige week verliest Bayern thuis van Real met 1-2. Vanavond hoeft Real dus alleen maar gelijk te spelen, mag zelfs met 1-0 verliezen, om naar de finale Kiev te mogen. Het “Estadio Santiago Bernabéu” zit stampvol en vlak vóór de wedstrijd worden op de tribune twee superspandoeken uitgerold. Op eentje staat: DEFENDAMOS EL TRONO, laten we onze (winnaars)troon verdedigen. Ernaast zie ik: CONQUISTEMOS LA GLORIA, laten we de roem veroveren.
En dan gebeurt ongeveer direct wat het hele stadion, met uitzondering van het Bayern-vak, niet heeft voorzien. Al na minder dan drie minuten schiet Kimmell van Bayern de 0-1 binnen. Maar goed, niet veel later staat het al weer 1-1 door een kopbal van Benzema. Daarna zijn er mooie kansen over en weer, maar mijn idee is dat Bayern in de eerste helft meer van het spel heeft dan Real. In minuut 45 maakt Marcelo in het strafschopgebied van Real hands, maar de scheidsrechter vindt het aangeschoten hands. Met enige goede wil kan ik me daar wel in vinden. Het blijft daarmee 1-1 tot de rust.
De thee is net op, als keeper Ulreich van Bayern op een minder geslaagde terugspeelbal vreselijk in de fout gaat. Hij maait compleet over het leer heen en Karim Benzema, hij alweer, heeft de bal maar voor het intikken. Wat een onvergeeflijke blunder, “metedura de pata”, “patinazo”, “traspie”, “otrocidad” om het ook eens op zijn Spaans te zeggen! “!Que imperdonable barbandad!”. Het lijkt wel alsof Ulreich er grof voor betaald is om over de bal heen te maaien. Bayern moet er nu twee inschieten om te winnen en ja, nadat Ronaldo weer eens voor open doel over schiet, scoort James (Rodríguez, je zegt Chames) wel de 2-2 in minuut 63. Daarna is het echt storm lopen van Bayern op het doel van Real. Sergio Ramos en zijn maten moeten alle zeilen bijzetten en keeper Keilor Navas verricht het ene wonder na het andere. Aan de andere kant stelt Ronaldo nog steeds niks voor, helaas. En dan, inclusief bijna zes minuten extra tijd, is het nog steeds 2-2 en is Real Madrid toch weer spekkoper.
Zou er dit jaar opnieuw gewonnen gaan worden, voor de zoveelste keer? Dan moet de Koninklijke zich op 26 mei wel nog van (waarschijnlijk) Liverpool ontdoen, met Mo Salah in de gelederen. Zie beneden.
Op de woensdagmorgen begin ik niet alleen aan een nieuw boek, maar ook aan een nieuwe plaat. Na twee keer muziek van vrij recente datum kies ik voor echt vergane glorie. Welke rock ‘n’ rollartiest kwam op 3 februari 1959 om het leven bij een vliegtuigongeluk in de sneeuw, samen met Buddy Holly, The Big Bopper en piloot Roger Peterson? Even denken, even denken… Dat was uiteraard de dan zeventienjarige Ritchie Valens, eigenlijk Ritchie Valenzuela. Hij is geboren op 13 mei 1941, uit de San Fernando Valley bij Los Angeles. Als hij nu nog geleefd had, had hij volgende week zijn 77ste verjaardag kunnen vieren. Wisten jullie al dat Ritchie Valens als de dood was om te vliegen? Laat ik nog eens de LP draaien, waar zijn wereldhit “La Bamba” uit 1958 op staat. “La bamba” is van origine een Mexicaans volksliedje, waar door Ritchie Valens een rocknummer van gemaakt is. Op de single ervan staat op de achterkant “Donna”, ook heel mooi, en vergeet ook zijn nummer “Come on, let’s go” niet. Hier is de hele LP nog eens die in maart 1959, een maand na zijn dood, is uitgekomen. Ze heet “Ritchie Valens” met de volgende twaalf liedjes:
01.That’s my little Suzie
02.In a Turkish town
03.Come on, let’s go
04.Donna
05.Bony Maronie
06.Ooh my head
07.La bamba
08.Bluebirds over the mountain
09.Hi-tone
10.Framed
11.We belong together
12.Dooby-dooby-wah
Wat een power en dat voor nog een tiener! Ik ga hier geen uitschieters noemen, of toch? Dan geef ik “That’s my little Suzie”, “Ooh my head” en “We belong together” nog een extra punt. Ik heb ook nog een CD van de man van ongetwijfeld latere datum: “Hits And Other Favorites”, waarop naast de twaalf nummers van “Ritchie Valens” nog zestien andere liedjes staan. Hier en nu ga ik echter voor het origineel.
Als Laura boven is om te komen poetsen, vraag ik haar om eens naar “La bamba” te luisteren, een nummer van ver voor haar tijd. Vooraf denkt ze dat ze het niet zal kennen, uit 1958? Even later staat ze erop mee te dansen.
Om half 1 is mijn woning weer tiptop en kan ik me geheel en al aan makreel met roggebrood en gemengde salade wijden. Als toetje zet ik mezelf eerst twee crackers met pindakaas voor en dan gaat er nog een yoghurtje naar binnen.
Op de boulevard is het nog druk. Zou het toeristenleger zich intussen definitief aan het roeren zijn? Ik spot een jongen met op zijn trui: “GAME OVER”. Of ik dat wat vind? En ik zie het zoveelste t-shirt met daarop: RAMONES. Hoe komt het toch dat deze punkgroep zoveel aandacht op t-shirts krijgt? Zijn bij concerten van de Ramones steeds gratis t-shirts uitgedeeld? En waar blijven de polo’s met Joaquín Sabina erop, bijv. in een bokspose?
Terwijl Joaquín Sabina zich hier in de Las Palmas Arena opmaakt om de mensen een geslaagde avond te bezorgen, kuier ik om kwart over 7 naar El Palikeo. Je moet er een beetje op tijd bij zijn, als je een plekje vooraan op het terras wilt veroveren. Mijn vaste compaan op het terras van El Palikeo is de laatste weken een (ik denk ongediplomeerde) psychotherapeut in ruste uit Noorwegen. Een van zijn eerste zinnen is dat hij als alcoholist al vijftien droog staat. Leren ze je dat bij A.A.-bijeenkomsten? Hij wil geen wedstrijd missen en zit er al, met zijn mobieltje te spelen, als ik eraan kom. Naast hem, in het midden voor het scherm, is nog een stoel vrij. Heeft hij die (de stoel) voor mij vrijgehouden? Het is een uitgelezen plaats, dat wel. Omdat ik een habitué begin te worden, krijg ik nu ook een hand van de aardige ober. Ik moet ze allebei eens vragen hoe ze heten.
Om klokslag kwart voor 8 (Canarische tijd) begint de return van AS Roma tegen Liverpool, in het Romeinse Stadio Olimpico. Het stadion is tot de nok gevuld met vooral mensen die menen dat de stunt van AS Roma tegen Barcelona best wel eens herhaald zou kunnen worden. Drie doelpunten verschil, dat moet te doen zijn. In het Liverpool-vak hangt de vlag met “Passion beyond reason” er een beetje verwaaid bij en ik hoor geen Gerry and the Pacemakers. Ik zie trainer Jürgen Klopp van Liverpool tegelijkertijd denken: wat kan me na een klinkende 5-2 overwinning in de thuiswedstrijd nog gebeuren?
In het doel bij AS Roma staat ene Becker en de voorste drie heten El Shaarawy, Dzeko en Schick. Bij Liverpool gaat het om Karius in de goal en het trio (Mo) Salah, Firmino en Mané, dat jullie het maar weten. Dezelfde Mané, gitzwart en met een wel zeer aparte haarlijn, is in minuut 9 goed voor de 0-1. De voorsprong voor Liverpool wordt even later alweer teniet gedaan, als de bal in de kluts voor het doel van Liverpool op het achterhoofd van verdediger Milner terecht komt en dan tot ontzetting van keeper Becker in het doel verdwijnt: 1-1. Het stadion veert op en spreekkoren worden v=hernieuwd aangeheven. Dan krijgt AS Roma min of meer de kous op de kop, lijkt het, als Wijnaldum (naast van Dijk uit Nederland) de 1-2 binnen kopt in minuut 26. Iemand als El Shaarawy kan dan wel vervolgens via een Liverpoolspeler op de paal schieten, maar daarmee verander je de stand niet. In minuut 44 wordt AS Roma echt een penalty onthouden, vind ik, als keeper Karius een speler (Dzeko?) in het strafschopgebied vloert, maar 1-2 blijft het.
De tweede helft is net begonnen, als Dzeko in minuut 52 toch de 2-2 binnen schiet. Zou het toch nog een wedstrijd worden? Even later, in minuut 63, wordt AS Roma opnieuw een penalty onthouden of is het deze keer aangeschoten hands? Aan de andere kant kunnen Salah – in deze wedstrijd vooral goed voor een aantal voorzetten – en consorten ook niet echt meer een vuist maken. Wordt het een roemloze afgang van de thuisploeg? Dan maakt Naiggolan er in minuut 86 toch nog 3-2 van en krijgt AS Roma op de valreep, in minuut 93, nog een m.i. niet terechte penalty. Niettemin, met een einduitslag van 4-2 is het pleit beslecht, het leed geleden en hebben de mensen van “You’ll never walk alone” toch aan het langste eind getrokken. Een cleane wedstrijd is het wel geweest; ik heb geen enkele heel zware overtredingen gezien.
De nummer 3 van Spanje, Real Madrid, gaat het dus in de Champions League finale opnemen tegen de nummer 3 van Engeland, Liverpool. Die finale is over 3½ week in Kiev, of all places. De landskampioenen van beide landen zijn er eerder allebei uitgeknikkerd, Barcelona door AS Roma en Manchester City door Liverpool. Toch kijk ik uit naar een boeiende confrontatie.
En dan is het donderdag en mag ik weer terug naar mijn straat, mijn overburen. Bij mij tegenover, zeg maar direct onder de “vader en zoon”, wordt druk geboord, geschilderd en getimmerd. Ik neem aan dat de man die er volgens mij gaat wonen, een eind vijftiger schat ik, er ook al slaapt. Hij heeft overdag wel hulp van een jonger iemand bij zijn doe-het-zelven, “bricolaje”. Enig meubilair en aanverwante zaken kan ik nog niet ontdekken, maar ik neem aan dat binnenkort een verhuiswagen voor de deur staat. Op het balkon van de flat zie ik nu een zit-autootje staan. Is het speelgoed voor als een peuter bij opa op bezoek komt?
Dan is er ander nieuws, over de aardige jongen van de katten, ook op een hoog, maar twee woningen naar links. Hij had de laatste tijd nog maar één kat over, die hij wel nog trots aan een touwtje iedere avond voor de deur uitliet. Echter, helaas pindakaas, de man, en zijn solokat neem ik aan, zijn onlangs met de noorderzon vertrokken. De woning is eerst nog even te huur aangeboden, maar daar is al vrij snel “Vende” van gemaakt, in de verkoop. Voor meer informatie kunnen jullie terecht op telefoonnummer 928 261650.
‘s Avonds wissel ik met ommetjes af met eentje naar links over de boulevard en dan via een zijstraatje naar het Parque Pino Apolinario vóór de plaza Farray. Daar ga ik zitten met mijn boek op schoot, maar met vooral oog voor de jeugd, de ouders en de opa’s en oma’s om mij heen. Ik herinner me dat ik er nog eens met Spaanse lerares Natalia heb staan kletsen, terwijl haar dochtertje in de speeltuin doende was. Natalia was toen verbaasd dat ik het woord “tunera” niet kende, dat met grote letters op de muur staat bij een cactusachtige boom. Een “tunera” is een boom van met cactusvijgen, “tunas”. En daarnaast is het ook een klein studentengezelschap in historische kostuums dat muziek maakt.
Het parkje is in 2012 helemaal opgeknapt en is iets van 25 bij 25 meter. Een groot deel is grasveld met bomen en speeltuin. Daarnaast zijn er o.a. twaalf tuintjes van zo’n 25 m2 en is er een behoorlijk grote kruidentuin. Bij de diverse kruiden, “hierbas aromáticas”, staan ook weer allerlei namen. Jullie weten toch wel dat “tomillo” Spaans is voor tijm”? En wat is “cilantro”? Daar heb ik zo vlug met al mijn jaren Spanje geen antwoord op. Mijn woordenboek brengt uitkomst: koriander.
Op weg naar alweer een voetbalwedstrijd loop ik eerst even ( twee minuutjes) langs de auto-tentoonstelling op Santa Catalina die het mij de komende dagen nog lastig gaat maken. Ik kijk recht in het gezicht van een overduidelijke mecanicien die aan het sleutelen is aan een van de blikkendozen. Op zijn trui heeft hij staan: WHAT’S ON A MAN”S MIND? Ik vrees dat hij als antwoord auto’s bedoelt.
Royaal op tijd ben ik bij El Palikeo toch weer paraat, nu voor een tweede halve finale in de European League, oorspronkelijk bedoeld voor de diverse bekerkampioenen, maar steeds meer een onderonsje tussen de nummers 3 van de eerste ronde van de Champions League. Atlético neemt het in Madrid op tegen Arsenal. De eerdere wedstrijd in Londen eindigde in 1-1. “Rumbo hacia Lyon” zie ik op een groot spandoek vooraf staan, (wij van Atlético zetten) koers naar Lyon (waar de finale is). Trainer Simeone van Atlético is overigens naar de tribune verbannen, omdat hij zich in de eerdere wedstrijd misdragen zou hebben.
Wedstrijden van Atlético zijn meestal saai, omdat men vooral aan de achterkant alles gesloten wil houden. Het is in de Spaanse liga de club met de minste tegendoelpunten, maar ook met veel minder eigen doelpunten dan Barcelona en Real. Ook deze confrontatie met Arsenal kan op een vloeipapiertje. Er staan bij Atlético steeds zoveel eigen mensen voor het doel dat er haast geen beginnen aan is. 0-0 is al genoeg, maar als Diego Costa op aangeven van Griezmann de 1-0 maakt in de extra tijd in de eerste helft, is daarna het catanaccio weer troef. Natuurlijk, op het einde zie ik legio Atlético-supporters met hun sjaaltjes zwaaien. Die zijn kennelijk tevredener dan ik met een wedstrijd van niks, als er maar gewonnen wordt.
Mijn belangrijkste wapenfeit van de donderdagavond is dat ik een mooie poster van Joaquín Sabina met gitaar naast El Palikeo van de muur heb gehaald. Hij staat er patent op en ik neem maar aan dat de Gran Canaria Arena woensdagavond aan zijn voeten heeft gelegen. “Lo Niego Todo”, wat een titel? Als ik nou ook nog eens de CD zou kunnen confisqueren...
Om mij heen zie ik zoveel mensen met tatoeages dat ik me begin af te vragen waarom ik er een hekel aan heb. Dan bedenk ik op vrijdagmorgen dat tatoeages wel vooral iets van blanken is; ik zie haast nooit zwarten ermee lopen. Nou kunnen jullie riposteren: zwart op zwart, dat wordt niks, maar heden ten dage zou je als neger best een witte of lichtgekleurde kunnen laten zetten, toch. Ik zal het eens vragen aan een andere voetbalfan bij El Palikeo, die bij mijn weten geen “tattoo” heeft, maar wel van Ivoorkust is, Côte d’Ivoire oftewel in het Spaans “Costa del Marfil”. Misschien kan hij me uit de brand helpen.
En dan is de tijd weer gekomen om weer tussentijds afscheid van jullie te nemen. Vanmiddag gaat deze 28ste brief uit op de universiteit en dan heb ik er nog twee te gaan. Mijn voorlaatste komt waarschijnlijk over precies een week, op vrijdag 11 mei.
Voor nu, ga eens helemaal naar het buitenland. Het hoeft voor mij niet helemaal Sicilië of zo te zijn, hoewel het daar best aangenaam is, een terras in Kanne, een ijsje in Visé of een potje mosterd in Aken kan ook. Thuis blijven zitten is ook niet alles. Ondergetekende houdt hier “nog effe pin”, maar het terugkeren naar de Euregio begint toch al een beetje te trekken. Tot kijk maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek, eentje van Patricia D. Cornwell, is al best lang geleden uitgekomen, in 1993. Het is haar vierde in de serie van pathologe Kay Scarpetta. Op een bijgevoegd fotootje ziet de schrijfster, een voormalige politie-verslaggeefster, er nog best jong uit (maar in 25 jaar kan een hoop veranderen, kijk maar naar mij). Even denk ik dat ik het boek lang geleden al eens gelezen heb, maar dat kan ik er bij nader inzien toch niet van maken. De titel is “Cruel And Unusual” en ik heb het deze keer als echte paperback gelezen (uit de boekenvoorraad beneden in de flat van Ton & Marion). Het verhaal speelt in hoofdstad Richmond van de Amerikaanse staat Virginia, aan de oostkust onder Washington DC.
“Coroner”, sectiespecialiste Kay Scarpetta en haar wat onbehouwen politievriend Pete Marino hebben net de dood van Ronnie Waddell mogen verwerken, die tien jaar eerder een bekende TV-”anchor woman” heeft vermoord. Dan krijgen ze van doen met het afslachten van de dertienjarige Eddie Heath, een beetje op dezelfde manier als de TV-dame tien jaar eerder. En het kan niet op: vlak daarop blijkt een oudere astrologe, Jennifer Deighton, geen zelfmoord gepleegd te hebben, maar ook omgebracht te zijn. Als dan ook nog Kay Scarpetta’s assistente Susan Story vermoord wordt, zijn de rapen helemaal gaar en zit ik als lezer echt te wachten op wie volgt. Interessante bijrollen zijn er deze keer voor o.a. (uiteraard) Kay’s nu 17-jarige nichtje Lucy, “profiler” Benton Wesley en Kay’s oud-leraar en advocaat Nicholas Brueman. Aan de kant van de daders noem ik hier mispunt Ben Stevens van Scarpetta’s medisch bureau, Helen de Hun (Grimes) van de gevangenis en haar vriendje, en vooruit, ook gouverneur Norring, die allergisch lijkt te zijn voor schaaldieren.
Vraagje: zijn schaaldieren zoals mosselen en oesters echt geen vissen? Ander vraagje: weten jullie al wat een eider eend is en hoe de veren ervan er uitzien? Als Kay Scarpetta op blz. 366 aan Pete Marino vraagt of zijn bloeddruk al een beetje gezakt is, is zijn antwoord: “You want to know the truth? Some days, if I was a kettle, I’d be whistling”.
Hier in Las Palmas is Patricia Cornwell nog steeds een van de populairste thrillerschrijvers, meer dan in Nederland. Voor mij mogen vooral haar vroege Kay Scarpetta’s er echt zijn. Daar reken ik “Cruel and unusaual “ ook bij. Het boek gaat mee naar Maastricht met een volle 8 als recensiecijfer. Ik moet toch eens uitzoeken welke verder boeken van vóór 2000 ik van Patricia D. Cornwell nog niet gelezen heb (en die dan zien te vinden uiteraard).
Op één been kun je niet staan, althans niet voor lang. Dus ben ik blij dat ik jullie ook nog kan verblijden met een tweede boek, op mijn e-reader. Het heet “Candlemoth”, stervensuur in het Nederlands en de schrijver is RJ (Roger Jon) Ellory. Mij staat bij dat hij uit het Engelse Birmingham is en hoe dan ook heeft hij op zijn fotootje een combinatie van een rode snor en idem dito baardje. De vertaling van “Candlemoth” is van 2013, maar het origineel is al tien jaar eerder gepubliceerd. Ik vind na lezing van het boek de Engelse titel: “Candlemoth” van de schrijver veel beter dan “Stervensuur”. Waarom wordt daar niet gewoon “Nachtvlinder” van gemaakt, beste mensen van de uitgeverij? Het boek speelt zich vooral af in een dorpje van niks genaamd Greenleaf, ergens in North Carolina bij het Lake Marion.
Daniel (Danny) Ford, blanke huid, geboren in 1946, staat in november 1982 zo ongeveer op het punt om zich in de elektrische stoel te nestelen vanwege het vermoorden van zijn zwarte vriend Nathan Verney. In de maanden voor zijn terechtstelling vertelt hij aan gevangenispater John Rousseau wat hij in zijn korte leven zo al heeft gedaan en gelaten. Daniel en Nathan kennen elkaar al vanaf dat ze zes jaar jong zijn en trekken vanaf dan veel met elkaar op. Belangrijke mensen in Daniel’s jeugd zijn behalve zijn moeder, die een prima gebraden ham serveert, de weduwe Eve Chantry van de nachtvlinder en twee meisjes: Caroline en Linny. De laatste is de dochter van een zeer conservatieve en rijke zakenman, ook belangrijk in de Ku Klux Clan. Als Nathan in 1968 vanwege Vietnam in militaire dienst zou moeten, neemt hij met Daniel de benen. Ze zijn anderhalf jaar onderweg in zuidelijke staten. Vlak na kerstmis 1969 keren ze terug in Greenleaf, naar het huis van Daniel, als diens moeder dood blijkt te zijn. Dan gaat het faliekant mis. Nathan wordt compleet onthoofd met een bijl en de ook aanwezige vriendin Lilly verdwijnt in een psychiatrische inrichting. Daniel wordt ervoor ter dood veroordeeld en in de twaalf jaar erop worden de diverse verzoeken om een mildere straf steeds resoluut verworpen. In de dodencel wacht hij de terchtstelling af, met cipiers om zich heen zoals Harlon West en Clarence Timmons.
RJ Ellory is volgens mij een begenadigd schrijver en van zijn “Candlemoth” heb ik oprecht weer genoten. Hij vertelt een boeiend verhaal en en passant krijg ik ook nog het nodige mee van het leven op het platteland van de Verenigde Staten in vooral de jaren 50 en 60. Ik kan jullie het boek zeer ter lezing aanraden en heb er als recensiecijfer een 8½ voor over. Van RJ Ellory heb ik gelukkig nog een paar noten op mijn zang. Die ga ik ook lezen, dat is zeker.
vrijdag 27 april 2018
Weblogbrief 13.27, 27 april 2018
Weblogbrief 13.27, 27 april 2018
Querid@s amig@s y familia, hier ben ik weer, N.B. op de verjaardag van zijne majesteit. Naar de Oranje rommelmarkt, waar je eindelijk die CD gaat uithalen waarnaar je al jaren op zoek bent, kun je best een uurtje later gaan. Eerst wordt je verondersteld deze brief te lezen. Ik heb hem deze keer niet al te lang gemaakt, maar hij is wel van eredivisie kwaliteit. Avanti (of is dat mijn zoveelste fout, als ik iets Italiaans probeer?).
Als ik de afgelopen maandagmiddag op mijn kamer op de universiteit aankom, ben ik redelijk laat en even later al is het half 3 en zie ik Isabel, naar me zwaaiend, alweer naar de gang en elders verdwijnen. Ik doe mijn ding: mijn vorige brief aan jullie versturen, een kopie naar de printer sturen en in een moeite door ook een artikel van Cooper et al. Uit 2003 over yoga en astma afdrukken. Daarmee hoop ik later die middag sier te maken. Later print ik ook nog twee mooie foto’s: eentje van de familie van Ton op Aruba en de andere van Eva en Jan Willem met hun getuigen en aanhang. Ze hebben de afgelopen zaterdagavond bij Beluga in Maastricht aan tafel gezeten; dat is nog eens een aardige nasleep van de bruiloft in november.
Dan is het tijd voor yoga en Jorge. Hij heeft op 23 april naamdag, San Jorge (Sjors van Jimmy ook) en dus krijgt hij een hand van me. Als hij me later in de avond vertelt dat Lluis die dag jarig is, krijgt die nog een telefonische felicitatie van me. Helaas heeft Jorge mijn CD van Joaquín Sabina niet op het internet kunnen vinden, maar hij vertelt mij het verhaal op een manier dat ik denk dat hij niet echt serieus gezocht heeft.
Vanaf half 6 hebben we een best wel geslaagde discussie met de twee studenten. Aleida heeft er nog wat moeite mee dat ik zo maar allerlei artikelen over pranayama en COPD het raam uit gooi, omdat m.i. de verkeerde controlegroep (ga maar weer naar huis, geen placebo) gekozen is en ik de paar stukken met een acceptabele placebo controlegroep, waar niks uit komt, een beetje de hemel in zit te prijzen. Rubén – zo heet de andere student – zit wel veel meer op mijn lijn. Hij heeft ook al aardig door hoe het eventueel in nieuw onderzoek wel moet. Over twee weken komen we met zijn vieren voor de laatste keer bij elkaar.
Dinsdagmorgen kies ik als mijn “arbeidsvitaminen” voor de allerlaatste CD die ik van Vangelis heb: “Rosetta” uit 2016. Hier zijn de dertien nummers, eerder onderdelen, want de nummers horen bij elkaar, vormen een geheel:
01.Origin (Arrival)
02.Starstuff
03.Infinitude
04.Exo genesis
05.Celestial whispers
06.Albedo 0.06
07.Sunlight
08.Rosetta
09.Philae’s descent
10.Mission accomplié (Rosetta’s waltz)
11.Perihelium
12.Elegy
13.Return to the void
Vangelis timmert met zijn enigszins alternatieve muziek voor de zoveelste keer aan de weg, maar laat mij dat wel iets te erg weten. Niettemin kan ik zijn CD “Rosetta” best weer waarderen. Ik noem hier speciaal “Infinitude”, “Rosetta” (in engere zin) en “Return to the void” als mooie muziek.
Dinsdagmiddag eet ik “atún con aceite de girasol”, tonijn in de zonnebloemolie van de firma “Miau”. Die is uit Calahorra in de wijnstreek La Rioja. Ik zou persoonlijk voor een andere naam dan “Miau” gekozen hebben. Het merk doet me ietsje teveel aan kattenvoer denken. Niettemin, de smaak is raak!
Vandaag de dag worden we geregeld gezegend met nieuwe woorden die rechtstreeks uit het Engelse taalgebied afkomstig is. Alleen Frankrijk, lijkt het, onttrekt zich nog aardig aan de verengelsing (en heeft bijv. een eigen mooi woord voor pinautomaat dat ik onlangs hoorde: DAP, distribanque, distributeur automatique de billets). Een van de lelijkste van de laatste tijd vind ik “app” of nog erger “WhatsApp”. Als ik in mijn boek het woord “flashlight-app” tegenkom in N.B. een Nederlandse vertaling, spring ik een beetje uit mijn vel. Van het Engelse woord moet toch een aangenamer equivalent in het ABN gemaakt kunnen worden.
Aan de andere kant herinner ik me wel nog levendig hoe een flashlight-app me een beetje gered heeft, toen ik bij het diner op de bruiloft van Eva & Jan Willem als eerste een kort praatje moest afsteken. Geloof het of niet, maar ik had net mij papiertje te voorschijn gehaald als geheugensteuntje, toen het licht nagenoeg verdween in de Amsterdamse eetzaak, waar we met zijn tachtigen zaten. Dan ben je zelfs als routinier wel onthand. Ik sloeg me er niettemin aardig doorheen, maar was blij dat ik na een minuut of twee werd bijgelicht door iemands “flashlight-app”.
Bij mijn volgende praatje, als het er nog ooit van komt, weet ik nu al dat ik een klein zaklampje bij me ga hebben, voor alle zekerheid, voor het geval dat mijn publiek me onverhoeds in de duisternis zet. Heb ik ook zo’n app (excusez le mot!) op mijn mobieltje? Het zal wel, maar hem vinden is mij nog niet echt gegeven.
Dan is het dinsdagavond en maak ik mij op om naar Bayern München tegen Real Madrid te gaan kijken. Blijkt, als ik me op tijd installeer bij El Palikeo, dat vanavond Liverpool tegen AS Roma is en morgen pas Bayern-Real. Het zij zo, dan kan ik in ieder geval eens Mohamed (Mo) Salah aan het werk zien, de rechtsbuiten met nummer 11 en sterspeler van Liverpool. Er doen ook een paar Nederlandse mee zoals Wijnaldum bij Liverpool (na een kwartier) en Strootman bij AS Roma. Dan is het tijd voor nog een laatste keer “You’ll never walk alone” op Anfield Road, in de versie van Gerry and the Pacemakers, en kan de wedstrijd beginnen.
Het verhaal van de wedstrijd is eenvoudig verteld. Na enkele kansen over en weer schiet Salah na ruim een half uur magistraal de 1-0 binnen, in de verre kruising, en vlak voor de rust maakt hij er 2-0 van met een mooie doorloopbal. De man is inderdaad van het kaliber Ronaldo en Messi, lijkt het wel. Na de rust wordt het vervolgens 3-0 (Mané) en 4-0 (Firmino) uit voorzetten van Salah en dan ook nog eens 5-0 uit een kopbal van Firmino bij een corner. Einde verhaal? Nog niet voor de 100%, want vlak voor tijd komt AS Roma zo maar terug met 5-1 door Dzeko en 5-2 uit een penalty. Met AS Roma tegen Barcelona in het achterhoofd een paar weken terug kan het volgende week misschien toch nog vuurwerk worden.
Als ik woensdagmiddag wil gaan pinnen tegenover mijn Sparwinkel in de Alfredo Jones, blijkt dat ik daar vanaf nu 1.95 euro voor iedere transactie verondersteld word te gaan betalen. Dat lijkt natuurlijk nergens op, maar Trudie heeft me er eerder, toen ze in december hier was, al voor gewaarschuwd.
Vroeger pinde ik altijd gewoon naast de deur bij een filiaal van Bankía, maar de vestiging is vorig jaar opgeheven. Het aantal filialen van Bankia en ook van de andere banken is nu drastisch minder, met het nodige ontslag van personeel, maar er zijn wel veel meer geldautomaten. Dat lost het probleem een beetje op, maar natuurlijk niet helemaal. En dan zou je nu serieus voor je pinnen moeten gaan betalen?
Eerst stoppen de banken ermee om me nog rente te geven op mijn saldo en dan is ook ineens de rente op mijn spaarrekening passé. Nu is het pinnen aan de beurt. Beste bankiers, wat hebben jullie voor hierna in gedachte? De volgende stap – bedenk ik voor hen – is dat je verplicht wordt om een bedragje aan je bank af te staan, als je salaris of pensioen op je rekening wordt overgemaakt.
(Ik laat mijn “cajero automático” in de Alfredo Jones dus maar voor wat ze is en pin even later bij de ATM, automatic teller machine, van Santander. Daar hoef ik gelukkig nog geen provisie te betalen. Ik neem mijn veroordeling van de grote banken weer enigszins terug.)
Woensdagmiddag laat mag Vangelis weer terug in zijn mand en schakel ik over op Country- en Westernster Jim Reeves. Wie kent hem niet, van o.a. “He’ll have to go” (Put your sweet lips a little closer to the phone). Hij werd geboren in 1923 en kwam om bij een vliegtuigongeluk in 1964; oud is hij dus niet geworden, integendeel. Via de CD-theek in Rotterdam heb ik van de zomer een doosje met vier CDs van Jim Reeves kunnen bemachtigen, eigenlijk acht LPs van twaalf nummers per stuk, allemaal uit de periode 1956-1960. Voor de variatie kies ik nou eens niet de eerste of de laatste die ik heb, maar voor een tussendoortje: “Songs To Warm The Heart” uit 1959. Hier zijn de twaalf liedjes:
01.Someday (you’ll want to want me)
02.Just call me lonesome
03.(Now and then there’s) A fool such as I
04.’Till the end of the world
05.How’s the world treating you
06.Throw another log on the fire
07.Making believe
08.Satan can’t hold me
09.Am I losing you
10.Scarlett ribbons (for her hair)
11.Dear hearts and gentle people
12.May the Good Lord bless and keep you
Eerlijk is eerlijk, af en toe hoop ik oprecht dat Jim Reeves eens vreselijk uit de band zal springen, maar nee, hij blijft de onverbiddelijke zoetgevooisdheid zelve. Dat hij ook nog eens sommige van zijn nummers aan de “Good Lord” opdraagt, de vijand van “Satan”, maakt het er niet echt beter op. Zou hij in het leven van alledag ook een doetje geweest zijn? Zo ziet hij wel uit.
Toch vind ik “Songs To Warm The Heart” wel best een mooie plaat. Nou heb ik de neiging om iedere CD die ik voor jullie draai, terug te brengen tot de helft, liedjes die ik dan tot uitschieters naar boven bombardeer. Op deze plaat van Jim Reeves zijn dat, naast uiteraard “Throw another log on the fire” (dat was de reden dat ik de CD uitkoos), “Someday”, “Just call me lonesome”, “How’s the world treating you”, “Am I losing you” en niet te vergeten “Making believe”. Dat “Making believe” is echt ook een klassieker geworden. Ik heb het van een hele serie artiesten: Conway Twitty & Loretta Lynn, Dolly Parton, Duane Eddy, Emmylou Harris, Floyd Cramer, Jim Reeves, Kitty Wells, en Wanda Jackson.
Zoals al valselijk aangekondigd zit ik ‘s avonds opnieuw gereed voor een voetbaltopper: Bayern München tegen Real Madrid, nu echt, in de Allianz Arena in München, waar volgens mij wel 100.000 mensen in kunnen. Zo verdien je op één avond een kapitaal, dat je dan wel weer in een mum kwijt bent, als je de spelers moet uitbetalen. Scheidsrechter tussen de zee van roodwitte Bayern-vlaggen is “onze” Björn Kuypers, dat jullie het maar weten. Bij Bayern München doet Arjen Robben mee. Kan die het verschil nog maken op zijn oude dag (34 jaar)? Hij gaat helaas zo ongeveer bij zijn eerste balcontact al op het gras zitten en verdwijnt dan naar de catacomben.
Eigenlijk gebeurt er in de wedstrijd niet zo veel, zeker niet in de eerste helft. Ik kan maar twee momenten echt naar voren halen, maar het zijn wel allebei doelpunten. Na een half uur schiet Kimmich van rechts op doel, keeper Navas van Real verkijkt zich er finaal op en het staat 1-0. Het stadion kolkt. Die Navas, voornaam Keilor, laat trouwens een aantal keren iets te gemakkelijk de bal los, als hij een aanval van Bayern moet opvangen. Dan, vlak voor de rust, krijgt Marcelo vanaf de rand van het strafschopgebied een uitgelezen kans en staat het zo maar weer 1-1, als hij de bal over de grond in de uiterste hoek schuift.
De tweede helft heeft iets meer schwung. Invaller Asensio (voor de tegenvallende Isco) tikt in minuut 54 de 1-2 binnen en dan is het even stil in de Arena (behalve bij de Real-supporters uiteraard). Daarna gebeurt er van alles, maar bijna doelpunten zie ik niet meer, laat staan echte. Opvallend vind ik dat in de Bayern-voorhoede Ribéry heel aktief is en Lewandowsky en Müller weinig laten zien. Ook Cristiano Ronaldo aan Real-kant kan geen vuist maken, de hele wedstrijd niet.
Over bij elkaar genomen vind ik in retrospectief dat Real Madrid inderdaad net ietsje beter was. Een gelijk spel, zelfs een 0-1 in Madrid volgende week, is nu genoeg om van Real Madrid weer Champions League finalist te maken. Ik schat in dat we, ik in ieder geval, over vier weken naar Liverpool tegen Real Madrid zitten te kijken in Kiev. Mijn hoop is dat “faraón” Mo Salah dan het verschil gaat maken.
Op de plek aan de boulevard naast Balalaika,waar jarenlang een glutenvrije eetzaak was gevestigd, El Molinet, is deze week een nieuwe nering geopend: “El Perenquén”. Men doet vooral in souvenirs van de stad en het eiland, maar hebben we al niet een vracht van dat soort zaken? Alleen al bij mij in de straat zijn er een aantal en als ik om de hoek mag meetellen, kom ik zo boven de tien uit. Op de plek van El Perenquén had m.i. veel beter nog weer een extra café-restaurant gevestigd kunnen worden. Vooruit, een Balkanrestaurant of een Oudhollandse tent had er niet misstaan.
Los daarvan, waar het woord “perenquén” precies voor staat, moet ik nog eens ergens navragen. Het grote Spaans-Nederlandse woordenboek op mijn laptop kent het niet en ook mijn Canarische en argot-dictionaire geven niet thuis.
In de nacht van woensdag op donderdag word ik wakker en nou eens niet, omdat ik moet plassen. Ik denk ineens: van Transavia heb ik nooit bericht meer gekregen over de door mij geaccepteerde wijziging van mijn vlucht op 19 mei. Dan schrik je toch even. Eind oktober al heb ik mijn terugvlucht van binnenkort geboekt, zo’n zes maanden terug. Ik zou om 16.40 uur vertrekken op het vliegveld hier (en om 10 uur ‘s avonds ongeveer in Eindhoven aankomen). Later, eind december of zo, wordt daar zo maar 17.40 als vertrektijd van gemaakt, een uur later, en via Transavia op de computer kan ik kiezen tussen acceptatie, een ander vliegtuig nemen of mijn geld terugkrijgen. Ik kies voor optie 1: een uur later vertrekken, maar inderdaad: een bevestiging van Transavia daarover heb ik niet meer gehad.
Een beetje zorgwekkend vind ik het toch wel. Vanmiddag heb ik dus maar eens met Transavia gebeld voor alle zekerheid. De nette jongeman die mij op de infolijn te woord staat, leg ik de situatie uit en hij weet al snel te bevestigen dat ik op de passagierslijst van vlucht HV 6780 voor 19 mei sta. Hij stuurt me voor alle zekerheid ook nog een mailtje erover.
Oké, maar het is toch een pak van mijn hart, “se me ha quitado un peso de encima”. Ik ben opgelucht, “aliviado”.
Een weblogbrief van mij mag niet verzanden in een compleet sportkrantje, dus kijk ik donderdagavond expres niet naar Arsenal tegen Atletico Madrid. Ik ga op de boulevard mijn blokje om naar links en zit om even over 7 in het bibliotheekje bij de basketvelden. Druk is het niet, maar dat kan mede komen, omdat het nogal waait.
In de regionale krant La Provincia lees ik een lang artikel over het aantal buitenlanders dat permanent hier op de Canarische Eilanden woont. Als vanzelf is er ook een tekening bij met de landen met de meeste import. Het verbaast me een beetje, maar Italië staat op 1 met ruim 45 duizend. Dan volgen Duitsland en Groot Engeland met allebei 25 duizend, Marokko met 17 duizend en Venezuela met 12 duizend. Cuba en China staan zesde en zevende en Nederland moet het doen met een vijftiende plek met een bijdrage van ruim 3.000 allochtonen hier. Misschien moet ik me hier toch eens aanmelden bij de gemeente (maar vrees dat ik dan wel gedoe krijg, als ik vertel dat ik de helft van de tijd in Nederland woon en de helft van de tijd hier).
In de andere regionale, Canarias7, lees ik dat (nu al?) gekozen is voor het motto van het volgende carnaval in Las Palmas. Bereid je er maar op voor, dat wordt: “Una Noche En Río”, een nacht in Rio, dat bijna de helft van alle stemmen heeft gekregen.
Op de terugweg naar huis over de Guanarteme kom ik de nodige cafés tegen waar Arsenal tegen Atletico op de TV te zien is. Als ik op Plaza Farray het staartje van de eerste helft kijk, staat het nog steeds 0-0.
Op vrijdagmorgen zit ik al om even voor 8 op mijn balkonnetje. Ik ben even eerder wakker gemaakt door wat ik voor een schetterende vrouw houd, met een mobieltje op de bank. Fout! Het blijkt een van de jongetjes te zijn die nu al aan het voetballen zijn. Gaandeweg komen er steeds meer Messi’s en Ronaldo’s bij, onder wie ook twee meisjes. Goed zo, waarom zou voetballen alleen iets voor jongens zijn? (Maar of ik nu ook naar damesvoetbal wil gaan kijken, is andere koek.)
Als Carlos om half 9 klaar staat om een aantal moeders welkom te heten voor een na-het-naar-school-brengen-onderonsje, met één vader erbij, staat het terras bij De Francesco ook op al. Carlos is ‘s iedere morgen zo vroeg al koffie aan het zetten – de luiken van zijn zaak gaan om ongeveer 6 uur omhoog – dat hij zijn zaak met recht een cafetería mag noemen. Francesco en zijn dames zijn meer voor de koffie met een taartje, ietsje later op de dag.
En dan ben ik weer klaar met een mouw breien (klopt dat wel?) aan mijn brief en wordt het tijd om hem aan jullie over te dragen. Ga er maar van uit dat hij vanmiddag bij jullie op de mat ligt. Voor mijn volgende neem ik weer een hele week; die krijgen jullie pas op vrijdagmiddag 4 mei. Houd er die dag wel rekening mee dat je om 8 uur ‘s avonds een minuut stilte in acht neemt vanwege de dodenherdenking.
Voor nu, zet hem op, jullie ook dames, want nog even en mei komt er al weer aan. Zeem de diverse ramen van je huis of flat alvast eens of laat dat doen zoals ik door de werkster. En eet eens een “speebekske” – met wat scherpe mosterd en roggebrood overheerlijk, “dat gief ‘t hei neet, helaas”. Toedeloe, of in goed Spaans hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Zou ik meer dan één boek uitkrijgen in deze midweek van vijf dagen? In ieder geval was ik in boek 1 al halverwege, toen mijn 27ste brief op beginnen stond. Ik heb voor jullie op mijn e-reader eens een jeugdboek doorgenomen: “Gevonden” (“Found” in het Amerikaans) van thrillerschrijver Harlan Coben. Het is van 2014 en speelt in een klein plaatsje in New Jersey.
Hoofdpersoon is niet ex-basketballer Myron Bolivar, die ik van andere Coben-boeken ken, maar zijn neefje Mickey. Die zit in het plaatsje op de middelbare school en is al even bedreven is in het spelletje als zijn oom vroeger. Hij is nog vrij nieuw op school, maar wordt wel gevraagd voor het basketbalteam. Dat doet het heel goed, met spelers als Troy Taylor, Brandon Foley en Buck Schultz, hoewel er misschien corticosteroiden in het spel zijn. Mickey’s nieuwe vrienden buiten het basketbal zijn vooral drie andere tieners: de excentrieke Ema, ex-vriendin van Troy Rachel en Spoon. Spoon ligt in het ziekenhuis, nu hij door een schietpartij vanaf het midden van zijn lijf verlamd is. Tot de andere namen, die ik hier wil noemen, horen in ieder geval vleermuisvrouwtje Lizzy met haar Abeona shelter, waar al tijden lang vluchtende kinderen worden opgevangen en ex-vluchteling Luther. De laatste zou verantwoordelijk zijn voor de dood van Mickey’s vader, waardoor Mickeys moeder aan de drugs is geraakt. Of heeft Luther Mickey’s vader al heel lang in gijzeling?
Harlan Coben heeft mij door de jaren heen al het nodige leesgenot verschaft met zijn thrillers. Bij dit jeugdboek “Found” is dat helaas veel minder het geval. Het lijkt wel of ik er ergens in een eerder boek in val en dat het na het einde nog weer doorgaat. Ook mis ik in het verhaal zelf de echte spanning en zijn er diverse losse eindjes. Alles bij elkaar genomen gaat Harlan Coben voor “Found” naar huis met niet meer dan een 6 als recensiecijfer. Ik heb er nog meer van hem op mijn e-reader; hopelijk zijn die beter.
Ik heb er mijn best op moeten doen, maar mijn tweede boek is gelukkig ook uit. Het is nou eens geen thriller. Het boek is uit 2014 en heeft als titel in het Deens”Jensporten”. De vertaler naar het Nederlands op mijn e-reader maakt daar “Portret van een man” van. De auteur is ene Jens Christian Grøndahl. Staat dat Jens in Jensporten voor de schrijver? Het verhaal speelt zich grotendeels af in Kopenhagen.
Het boek geeft een uitgebreide inkijk in het leven van de ik-persoon, naamloos. Deel 1 gaat vooral over diens jeugd, zijn nogal slome vader, zijn moeder die eigenlijk wel meer wil en zijn oudere zus Kirsten die helemaal op haar pootjes terecht gaat komen. Als tiener adoreert de ik-persoon Karl Marx, zo erg dat zijn Duits er erg door opknapt. Er zijn jeugdliefdes en dan trouwt hij met psychologe in de dop Maria, uit een rijk gezin, die veel praktischer dan hij is. Na een aantal jaren, als hun enige dochter Julie zes is, gaan ze weer uit elkaar.
Deel 2 speelt, als de ik-persoon bijna 50 is. Hij verdient zijn geld als leraar, best gedreven, en toont nog steeds extra interesse in Duitse literatuur en filosofie. Hij heeft daarbij een los-vast relatie met wiskundelerares Benedicte op de school. Dan wordt Stanko een leerling in zijn klas. Hij is een vluchteling uit Krajina (Servië), die naar Kopenhagen is gekomen met zijn moeder Ivana. Stanko komt zelfs een week bij hem in huis wonen, als Ivana plotseling naar haar geboortestreek terug wil. Niet veel later verdwijnen beiden weer uit beeld.
In deel 3 wordt de ik-persoon 60 en opa. Dochter Julie en haar kindje zwaaien naar de ik-persoon bij het skypen, als hij zijn verjaardag ontlopen heeft door naar Rome te gaan. Daar ontmoet hij wel de jonge Deense fotografe Jessie. Met haar bezoekt hij de tempelruïnes van Paestum onder Napels (nooit van gehoord, liggen die bij Pompei?), waar Jessie ook foto’s maakt.
Het is alles bij elkaar best een aardige (auto?)biografie van zo maar iemand, met de nodige filosofische en poëtische uitweidingen. Ook de diverse voorbijgaande liefdes in het leven van de (eigenlijk) einzelgänger komen goed aan bod. Als recensiecijfer heb ik een 7½ voor het boek over, voor non-fictie best in orde.
Querid@s amig@s y familia, hier ben ik weer, N.B. op de verjaardag van zijne majesteit. Naar de Oranje rommelmarkt, waar je eindelijk die CD gaat uithalen waarnaar je al jaren op zoek bent, kun je best een uurtje later gaan. Eerst wordt je verondersteld deze brief te lezen. Ik heb hem deze keer niet al te lang gemaakt, maar hij is wel van eredivisie kwaliteit. Avanti (of is dat mijn zoveelste fout, als ik iets Italiaans probeer?).
Als ik de afgelopen maandagmiddag op mijn kamer op de universiteit aankom, ben ik redelijk laat en even later al is het half 3 en zie ik Isabel, naar me zwaaiend, alweer naar de gang en elders verdwijnen. Ik doe mijn ding: mijn vorige brief aan jullie versturen, een kopie naar de printer sturen en in een moeite door ook een artikel van Cooper et al. Uit 2003 over yoga en astma afdrukken. Daarmee hoop ik later die middag sier te maken. Later print ik ook nog twee mooie foto’s: eentje van de familie van Ton op Aruba en de andere van Eva en Jan Willem met hun getuigen en aanhang. Ze hebben de afgelopen zaterdagavond bij Beluga in Maastricht aan tafel gezeten; dat is nog eens een aardige nasleep van de bruiloft in november.
Dan is het tijd voor yoga en Jorge. Hij heeft op 23 april naamdag, San Jorge (Sjors van Jimmy ook) en dus krijgt hij een hand van me. Als hij me later in de avond vertelt dat Lluis die dag jarig is, krijgt die nog een telefonische felicitatie van me. Helaas heeft Jorge mijn CD van Joaquín Sabina niet op het internet kunnen vinden, maar hij vertelt mij het verhaal op een manier dat ik denk dat hij niet echt serieus gezocht heeft.
Vanaf half 6 hebben we een best wel geslaagde discussie met de twee studenten. Aleida heeft er nog wat moeite mee dat ik zo maar allerlei artikelen over pranayama en COPD het raam uit gooi, omdat m.i. de verkeerde controlegroep (ga maar weer naar huis, geen placebo) gekozen is en ik de paar stukken met een acceptabele placebo controlegroep, waar niks uit komt, een beetje de hemel in zit te prijzen. Rubén – zo heet de andere student – zit wel veel meer op mijn lijn. Hij heeft ook al aardig door hoe het eventueel in nieuw onderzoek wel moet. Over twee weken komen we met zijn vieren voor de laatste keer bij elkaar.
Dinsdagmorgen kies ik als mijn “arbeidsvitaminen” voor de allerlaatste CD die ik van Vangelis heb: “Rosetta” uit 2016. Hier zijn de dertien nummers, eerder onderdelen, want de nummers horen bij elkaar, vormen een geheel:
01.Origin (Arrival)
02.Starstuff
03.Infinitude
04.Exo genesis
05.Celestial whispers
06.Albedo 0.06
07.Sunlight
08.Rosetta
09.Philae’s descent
10.Mission accomplié (Rosetta’s waltz)
11.Perihelium
12.Elegy
13.Return to the void
Vangelis timmert met zijn enigszins alternatieve muziek voor de zoveelste keer aan de weg, maar laat mij dat wel iets te erg weten. Niettemin kan ik zijn CD “Rosetta” best weer waarderen. Ik noem hier speciaal “Infinitude”, “Rosetta” (in engere zin) en “Return to the void” als mooie muziek.
Dinsdagmiddag eet ik “atún con aceite de girasol”, tonijn in de zonnebloemolie van de firma “Miau”. Die is uit Calahorra in de wijnstreek La Rioja. Ik zou persoonlijk voor een andere naam dan “Miau” gekozen hebben. Het merk doet me ietsje teveel aan kattenvoer denken. Niettemin, de smaak is raak!
Vandaag de dag worden we geregeld gezegend met nieuwe woorden die rechtstreeks uit het Engelse taalgebied afkomstig is. Alleen Frankrijk, lijkt het, onttrekt zich nog aardig aan de verengelsing (en heeft bijv. een eigen mooi woord voor pinautomaat dat ik onlangs hoorde: DAP, distribanque, distributeur automatique de billets). Een van de lelijkste van de laatste tijd vind ik “app” of nog erger “WhatsApp”. Als ik in mijn boek het woord “flashlight-app” tegenkom in N.B. een Nederlandse vertaling, spring ik een beetje uit mijn vel. Van het Engelse woord moet toch een aangenamer equivalent in het ABN gemaakt kunnen worden.
Aan de andere kant herinner ik me wel nog levendig hoe een flashlight-app me een beetje gered heeft, toen ik bij het diner op de bruiloft van Eva & Jan Willem als eerste een kort praatje moest afsteken. Geloof het of niet, maar ik had net mij papiertje te voorschijn gehaald als geheugensteuntje, toen het licht nagenoeg verdween in de Amsterdamse eetzaak, waar we met zijn tachtigen zaten. Dan ben je zelfs als routinier wel onthand. Ik sloeg me er niettemin aardig doorheen, maar was blij dat ik na een minuut of twee werd bijgelicht door iemands “flashlight-app”.
Bij mijn volgende praatje, als het er nog ooit van komt, weet ik nu al dat ik een klein zaklampje bij me ga hebben, voor alle zekerheid, voor het geval dat mijn publiek me onverhoeds in de duisternis zet. Heb ik ook zo’n app (excusez le mot!) op mijn mobieltje? Het zal wel, maar hem vinden is mij nog niet echt gegeven.
Dan is het dinsdagavond en maak ik mij op om naar Bayern München tegen Real Madrid te gaan kijken. Blijkt, als ik me op tijd installeer bij El Palikeo, dat vanavond Liverpool tegen AS Roma is en morgen pas Bayern-Real. Het zij zo, dan kan ik in ieder geval eens Mohamed (Mo) Salah aan het werk zien, de rechtsbuiten met nummer 11 en sterspeler van Liverpool. Er doen ook een paar Nederlandse mee zoals Wijnaldum bij Liverpool (na een kwartier) en Strootman bij AS Roma. Dan is het tijd voor nog een laatste keer “You’ll never walk alone” op Anfield Road, in de versie van Gerry and the Pacemakers, en kan de wedstrijd beginnen.
Het verhaal van de wedstrijd is eenvoudig verteld. Na enkele kansen over en weer schiet Salah na ruim een half uur magistraal de 1-0 binnen, in de verre kruising, en vlak voor de rust maakt hij er 2-0 van met een mooie doorloopbal. De man is inderdaad van het kaliber Ronaldo en Messi, lijkt het wel. Na de rust wordt het vervolgens 3-0 (Mané) en 4-0 (Firmino) uit voorzetten van Salah en dan ook nog eens 5-0 uit een kopbal van Firmino bij een corner. Einde verhaal? Nog niet voor de 100%, want vlak voor tijd komt AS Roma zo maar terug met 5-1 door Dzeko en 5-2 uit een penalty. Met AS Roma tegen Barcelona in het achterhoofd een paar weken terug kan het volgende week misschien toch nog vuurwerk worden.
Als ik woensdagmiddag wil gaan pinnen tegenover mijn Sparwinkel in de Alfredo Jones, blijkt dat ik daar vanaf nu 1.95 euro voor iedere transactie verondersteld word te gaan betalen. Dat lijkt natuurlijk nergens op, maar Trudie heeft me er eerder, toen ze in december hier was, al voor gewaarschuwd.
Vroeger pinde ik altijd gewoon naast de deur bij een filiaal van Bankía, maar de vestiging is vorig jaar opgeheven. Het aantal filialen van Bankia en ook van de andere banken is nu drastisch minder, met het nodige ontslag van personeel, maar er zijn wel veel meer geldautomaten. Dat lost het probleem een beetje op, maar natuurlijk niet helemaal. En dan zou je nu serieus voor je pinnen moeten gaan betalen?
Eerst stoppen de banken ermee om me nog rente te geven op mijn saldo en dan is ook ineens de rente op mijn spaarrekening passé. Nu is het pinnen aan de beurt. Beste bankiers, wat hebben jullie voor hierna in gedachte? De volgende stap – bedenk ik voor hen – is dat je verplicht wordt om een bedragje aan je bank af te staan, als je salaris of pensioen op je rekening wordt overgemaakt.
(Ik laat mijn “cajero automático” in de Alfredo Jones dus maar voor wat ze is en pin even later bij de ATM, automatic teller machine, van Santander. Daar hoef ik gelukkig nog geen provisie te betalen. Ik neem mijn veroordeling van de grote banken weer enigszins terug.)
Woensdagmiddag laat mag Vangelis weer terug in zijn mand en schakel ik over op Country- en Westernster Jim Reeves. Wie kent hem niet, van o.a. “He’ll have to go” (Put your sweet lips a little closer to the phone). Hij werd geboren in 1923 en kwam om bij een vliegtuigongeluk in 1964; oud is hij dus niet geworden, integendeel. Via de CD-theek in Rotterdam heb ik van de zomer een doosje met vier CDs van Jim Reeves kunnen bemachtigen, eigenlijk acht LPs van twaalf nummers per stuk, allemaal uit de periode 1956-1960. Voor de variatie kies ik nou eens niet de eerste of de laatste die ik heb, maar voor een tussendoortje: “Songs To Warm The Heart” uit 1959. Hier zijn de twaalf liedjes:
01.Someday (you’ll want to want me)
02.Just call me lonesome
03.(Now and then there’s) A fool such as I
04.’Till the end of the world
05.How’s the world treating you
06.Throw another log on the fire
07.Making believe
08.Satan can’t hold me
09.Am I losing you
10.Scarlett ribbons (for her hair)
11.Dear hearts and gentle people
12.May the Good Lord bless and keep you
Eerlijk is eerlijk, af en toe hoop ik oprecht dat Jim Reeves eens vreselijk uit de band zal springen, maar nee, hij blijft de onverbiddelijke zoetgevooisdheid zelve. Dat hij ook nog eens sommige van zijn nummers aan de “Good Lord” opdraagt, de vijand van “Satan”, maakt het er niet echt beter op. Zou hij in het leven van alledag ook een doetje geweest zijn? Zo ziet hij wel uit.
Toch vind ik “Songs To Warm The Heart” wel best een mooie plaat. Nou heb ik de neiging om iedere CD die ik voor jullie draai, terug te brengen tot de helft, liedjes die ik dan tot uitschieters naar boven bombardeer. Op deze plaat van Jim Reeves zijn dat, naast uiteraard “Throw another log on the fire” (dat was de reden dat ik de CD uitkoos), “Someday”, “Just call me lonesome”, “How’s the world treating you”, “Am I losing you” en niet te vergeten “Making believe”. Dat “Making believe” is echt ook een klassieker geworden. Ik heb het van een hele serie artiesten: Conway Twitty & Loretta Lynn, Dolly Parton, Duane Eddy, Emmylou Harris, Floyd Cramer, Jim Reeves, Kitty Wells, en Wanda Jackson.
Zoals al valselijk aangekondigd zit ik ‘s avonds opnieuw gereed voor een voetbaltopper: Bayern München tegen Real Madrid, nu echt, in de Allianz Arena in München, waar volgens mij wel 100.000 mensen in kunnen. Zo verdien je op één avond een kapitaal, dat je dan wel weer in een mum kwijt bent, als je de spelers moet uitbetalen. Scheidsrechter tussen de zee van roodwitte Bayern-vlaggen is “onze” Björn Kuypers, dat jullie het maar weten. Bij Bayern München doet Arjen Robben mee. Kan die het verschil nog maken op zijn oude dag (34 jaar)? Hij gaat helaas zo ongeveer bij zijn eerste balcontact al op het gras zitten en verdwijnt dan naar de catacomben.
Eigenlijk gebeurt er in de wedstrijd niet zo veel, zeker niet in de eerste helft. Ik kan maar twee momenten echt naar voren halen, maar het zijn wel allebei doelpunten. Na een half uur schiet Kimmich van rechts op doel, keeper Navas van Real verkijkt zich er finaal op en het staat 1-0. Het stadion kolkt. Die Navas, voornaam Keilor, laat trouwens een aantal keren iets te gemakkelijk de bal los, als hij een aanval van Bayern moet opvangen. Dan, vlak voor de rust, krijgt Marcelo vanaf de rand van het strafschopgebied een uitgelezen kans en staat het zo maar weer 1-1, als hij de bal over de grond in de uiterste hoek schuift.
De tweede helft heeft iets meer schwung. Invaller Asensio (voor de tegenvallende Isco) tikt in minuut 54 de 1-2 binnen en dan is het even stil in de Arena (behalve bij de Real-supporters uiteraard). Daarna gebeurt er van alles, maar bijna doelpunten zie ik niet meer, laat staan echte. Opvallend vind ik dat in de Bayern-voorhoede Ribéry heel aktief is en Lewandowsky en Müller weinig laten zien. Ook Cristiano Ronaldo aan Real-kant kan geen vuist maken, de hele wedstrijd niet.
Over bij elkaar genomen vind ik in retrospectief dat Real Madrid inderdaad net ietsje beter was. Een gelijk spel, zelfs een 0-1 in Madrid volgende week, is nu genoeg om van Real Madrid weer Champions League finalist te maken. Ik schat in dat we, ik in ieder geval, over vier weken naar Liverpool tegen Real Madrid zitten te kijken in Kiev. Mijn hoop is dat “faraón” Mo Salah dan het verschil gaat maken.
Op de plek aan de boulevard naast Balalaika,waar jarenlang een glutenvrije eetzaak was gevestigd, El Molinet, is deze week een nieuwe nering geopend: “El Perenquén”. Men doet vooral in souvenirs van de stad en het eiland, maar hebben we al niet een vracht van dat soort zaken? Alleen al bij mij in de straat zijn er een aantal en als ik om de hoek mag meetellen, kom ik zo boven de tien uit. Op de plek van El Perenquén had m.i. veel beter nog weer een extra café-restaurant gevestigd kunnen worden. Vooruit, een Balkanrestaurant of een Oudhollandse tent had er niet misstaan.
Los daarvan, waar het woord “perenquén” precies voor staat, moet ik nog eens ergens navragen. Het grote Spaans-Nederlandse woordenboek op mijn laptop kent het niet en ook mijn Canarische en argot-dictionaire geven niet thuis.
In de nacht van woensdag op donderdag word ik wakker en nou eens niet, omdat ik moet plassen. Ik denk ineens: van Transavia heb ik nooit bericht meer gekregen over de door mij geaccepteerde wijziging van mijn vlucht op 19 mei. Dan schrik je toch even. Eind oktober al heb ik mijn terugvlucht van binnenkort geboekt, zo’n zes maanden terug. Ik zou om 16.40 uur vertrekken op het vliegveld hier (en om 10 uur ‘s avonds ongeveer in Eindhoven aankomen). Later, eind december of zo, wordt daar zo maar 17.40 als vertrektijd van gemaakt, een uur later, en via Transavia op de computer kan ik kiezen tussen acceptatie, een ander vliegtuig nemen of mijn geld terugkrijgen. Ik kies voor optie 1: een uur later vertrekken, maar inderdaad: een bevestiging van Transavia daarover heb ik niet meer gehad.
Een beetje zorgwekkend vind ik het toch wel. Vanmiddag heb ik dus maar eens met Transavia gebeld voor alle zekerheid. De nette jongeman die mij op de infolijn te woord staat, leg ik de situatie uit en hij weet al snel te bevestigen dat ik op de passagierslijst van vlucht HV 6780 voor 19 mei sta. Hij stuurt me voor alle zekerheid ook nog een mailtje erover.
Oké, maar het is toch een pak van mijn hart, “se me ha quitado un peso de encima”. Ik ben opgelucht, “aliviado”.
Een weblogbrief van mij mag niet verzanden in een compleet sportkrantje, dus kijk ik donderdagavond expres niet naar Arsenal tegen Atletico Madrid. Ik ga op de boulevard mijn blokje om naar links en zit om even over 7 in het bibliotheekje bij de basketvelden. Druk is het niet, maar dat kan mede komen, omdat het nogal waait.
In de regionale krant La Provincia lees ik een lang artikel over het aantal buitenlanders dat permanent hier op de Canarische Eilanden woont. Als vanzelf is er ook een tekening bij met de landen met de meeste import. Het verbaast me een beetje, maar Italië staat op 1 met ruim 45 duizend. Dan volgen Duitsland en Groot Engeland met allebei 25 duizend, Marokko met 17 duizend en Venezuela met 12 duizend. Cuba en China staan zesde en zevende en Nederland moet het doen met een vijftiende plek met een bijdrage van ruim 3.000 allochtonen hier. Misschien moet ik me hier toch eens aanmelden bij de gemeente (maar vrees dat ik dan wel gedoe krijg, als ik vertel dat ik de helft van de tijd in Nederland woon en de helft van de tijd hier).
In de andere regionale, Canarias7, lees ik dat (nu al?) gekozen is voor het motto van het volgende carnaval in Las Palmas. Bereid je er maar op voor, dat wordt: “Una Noche En Río”, een nacht in Rio, dat bijna de helft van alle stemmen heeft gekregen.
Op de terugweg naar huis over de Guanarteme kom ik de nodige cafés tegen waar Arsenal tegen Atletico op de TV te zien is. Als ik op Plaza Farray het staartje van de eerste helft kijk, staat het nog steeds 0-0.
Op vrijdagmorgen zit ik al om even voor 8 op mijn balkonnetje. Ik ben even eerder wakker gemaakt door wat ik voor een schetterende vrouw houd, met een mobieltje op de bank. Fout! Het blijkt een van de jongetjes te zijn die nu al aan het voetballen zijn. Gaandeweg komen er steeds meer Messi’s en Ronaldo’s bij, onder wie ook twee meisjes. Goed zo, waarom zou voetballen alleen iets voor jongens zijn? (Maar of ik nu ook naar damesvoetbal wil gaan kijken, is andere koek.)
Als Carlos om half 9 klaar staat om een aantal moeders welkom te heten voor een na-het-naar-school-brengen-onderonsje, met één vader erbij, staat het terras bij De Francesco ook op al. Carlos is ‘s iedere morgen zo vroeg al koffie aan het zetten – de luiken van zijn zaak gaan om ongeveer 6 uur omhoog – dat hij zijn zaak met recht een cafetería mag noemen. Francesco en zijn dames zijn meer voor de koffie met een taartje, ietsje later op de dag.
En dan ben ik weer klaar met een mouw breien (klopt dat wel?) aan mijn brief en wordt het tijd om hem aan jullie over te dragen. Ga er maar van uit dat hij vanmiddag bij jullie op de mat ligt. Voor mijn volgende neem ik weer een hele week; die krijgen jullie pas op vrijdagmiddag 4 mei. Houd er die dag wel rekening mee dat je om 8 uur ‘s avonds een minuut stilte in acht neemt vanwege de dodenherdenking.
Voor nu, zet hem op, jullie ook dames, want nog even en mei komt er al weer aan. Zeem de diverse ramen van je huis of flat alvast eens of laat dat doen zoals ik door de werkster. En eet eens een “speebekske” – met wat scherpe mosterd en roggebrood overheerlijk, “dat gief ‘t hei neet, helaas”. Toedeloe, of in goed Spaans hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Zou ik meer dan één boek uitkrijgen in deze midweek van vijf dagen? In ieder geval was ik in boek 1 al halverwege, toen mijn 27ste brief op beginnen stond. Ik heb voor jullie op mijn e-reader eens een jeugdboek doorgenomen: “Gevonden” (“Found” in het Amerikaans) van thrillerschrijver Harlan Coben. Het is van 2014 en speelt in een klein plaatsje in New Jersey.
Hoofdpersoon is niet ex-basketballer Myron Bolivar, die ik van andere Coben-boeken ken, maar zijn neefje Mickey. Die zit in het plaatsje op de middelbare school en is al even bedreven is in het spelletje als zijn oom vroeger. Hij is nog vrij nieuw op school, maar wordt wel gevraagd voor het basketbalteam. Dat doet het heel goed, met spelers als Troy Taylor, Brandon Foley en Buck Schultz, hoewel er misschien corticosteroiden in het spel zijn. Mickey’s nieuwe vrienden buiten het basketbal zijn vooral drie andere tieners: de excentrieke Ema, ex-vriendin van Troy Rachel en Spoon. Spoon ligt in het ziekenhuis, nu hij door een schietpartij vanaf het midden van zijn lijf verlamd is. Tot de andere namen, die ik hier wil noemen, horen in ieder geval vleermuisvrouwtje Lizzy met haar Abeona shelter, waar al tijden lang vluchtende kinderen worden opgevangen en ex-vluchteling Luther. De laatste zou verantwoordelijk zijn voor de dood van Mickey’s vader, waardoor Mickeys moeder aan de drugs is geraakt. Of heeft Luther Mickey’s vader al heel lang in gijzeling?
Harlan Coben heeft mij door de jaren heen al het nodige leesgenot verschaft met zijn thrillers. Bij dit jeugdboek “Found” is dat helaas veel minder het geval. Het lijkt wel of ik er ergens in een eerder boek in val en dat het na het einde nog weer doorgaat. Ook mis ik in het verhaal zelf de echte spanning en zijn er diverse losse eindjes. Alles bij elkaar genomen gaat Harlan Coben voor “Found” naar huis met niet meer dan een 6 als recensiecijfer. Ik heb er nog meer van hem op mijn e-reader; hopelijk zijn die beter.
Ik heb er mijn best op moeten doen, maar mijn tweede boek is gelukkig ook uit. Het is nou eens geen thriller. Het boek is uit 2014 en heeft als titel in het Deens”Jensporten”. De vertaler naar het Nederlands op mijn e-reader maakt daar “Portret van een man” van. De auteur is ene Jens Christian Grøndahl. Staat dat Jens in Jensporten voor de schrijver? Het verhaal speelt zich grotendeels af in Kopenhagen.
Het boek geeft een uitgebreide inkijk in het leven van de ik-persoon, naamloos. Deel 1 gaat vooral over diens jeugd, zijn nogal slome vader, zijn moeder die eigenlijk wel meer wil en zijn oudere zus Kirsten die helemaal op haar pootjes terecht gaat komen. Als tiener adoreert de ik-persoon Karl Marx, zo erg dat zijn Duits er erg door opknapt. Er zijn jeugdliefdes en dan trouwt hij met psychologe in de dop Maria, uit een rijk gezin, die veel praktischer dan hij is. Na een aantal jaren, als hun enige dochter Julie zes is, gaan ze weer uit elkaar.
Deel 2 speelt, als de ik-persoon bijna 50 is. Hij verdient zijn geld als leraar, best gedreven, en toont nog steeds extra interesse in Duitse literatuur en filosofie. Hij heeft daarbij een los-vast relatie met wiskundelerares Benedicte op de school. Dan wordt Stanko een leerling in zijn klas. Hij is een vluchteling uit Krajina (Servië), die naar Kopenhagen is gekomen met zijn moeder Ivana. Stanko komt zelfs een week bij hem in huis wonen, als Ivana plotseling naar haar geboortestreek terug wil. Niet veel later verdwijnen beiden weer uit beeld.
In deel 3 wordt de ik-persoon 60 en opa. Dochter Julie en haar kindje zwaaien naar de ik-persoon bij het skypen, als hij zijn verjaardag ontlopen heeft door naar Rome te gaan. Daar ontmoet hij wel de jonge Deense fotografe Jessie. Met haar bezoekt hij de tempelruïnes van Paestum onder Napels (nooit van gehoord, liggen die bij Pompei?), waar Jessie ook foto’s maakt.
Het is alles bij elkaar best een aardige (auto?)biografie van zo maar iemand, met de nodige filosofische en poëtische uitweidingen. Ook de diverse voorbijgaande liefdes in het leven van de (eigenlijk) einzelgänger komen goed aan bod. Als recensiecijfer heb ik een 7½ voor het boek over, voor non-fictie best in orde.
maandag 23 april 2018
Weblogbrief 13.26, 23 april 2018
Weblogbrief 13.26, 23 april 2018
Querid@s amig@s y familia, het begint op te schieten. Over minder dan vier weken verruil ik mijn min of meer solitaire haven hier in Las Palmas voor een “ongewisse” (?) toekomst in de Euregio. Het is niet anders. Ik kan ook beweren dat ik nog een maand volop goed weer te gaan heb hier in dit buitengebied van Spanje. (Maar ik zie ik op NU.NL dat Nederland aan een vroege zomer begonnen is.) Hier is mijn op vier na laatste terugblik van deze winter.
Hier is wederom een dagboek geworden met terugwerkende kracht. Op mijn kamer bij “Sciencias Clínicas” krijg ik van Isabel een “buenos” en dan is het tijd om te kijken of mijn computer het nog doet. Zoals steeds vertrekt Isabel niet veel tijd later naar haar koude dorpje, maar geeft me wel eerst braaf een “rechter handje”.
Ik heb intussen mijn brief aan jullie al gepost en ben nu druk met mijn mailtjes. Daarna is Harry’s website weer aan de beurt. Bij zijn clips vind ik er een van de mij onbekende Tom Walker, een andere uitvoering van Passenger en Ed Sheeran. Diens “Leave the light on” bevalt me wel. Wisten jullie trouwens dat Hans Vermeulen (van de Sandy Coast) al een half jaar dood is? Mij staat er maar vaag iets van bij. Niettemin, het podium met een hele zooi artiesten die hem postuum een eerbetoon brengen, is nieuw voor mij. “True love, that’s a wonder”, ik heb wel eens minder aansprekende popmuziek uit Nederlandse contreien gehoord.
Om half 5 – ik heb dan al van alles uitgespookt – geef ik er op mijn kamer de brui aan en ga naar Jorge, die dan toch op zijn kamer zit. Ik stel hem voor om aan studente Aleida te vragen wat ze vindt van de beperking van haar literatuur tot Prayanama yoga en COPD? Voor een klip en klaar antwoord moet je geloof ik nog steeds niet bij mijn Palmese epidemiologie broeder zijn. Aan de andere kant, hij heeft wel twee Cochrane Collaboration reviews voor me. Eentje, uit 2012, gaat over allerlei “Breathing exercises for chronic obstructive pulmonary disease”, met zestien RCTs waarvan er twee over yoga gaan. Die heb ik al in mijn bezit, bedenk ik later.
De andere review is m.i. recenter en to-the-pointer. Hij is van ene Zu-Yao Yang et al. Uit 2016, gaat alleen over het effecten van yoga, maar heeft als titel “Yoga for astma”. Astma, is dat iets heel anders dan COPD? Volgens mij niet; ik denk dat chronisch astma, emfyseem en bronchitis op een klinische hoop mogen, onder de (vroegere) verzamelnaam: astmatische bronchitis. Tussen de vijftien RCTs in deze astma-review zitten er twee met een echte controlegroep: eentje van Cooper et al. uit 2003 en een andere van Sabina (niet Joaquín) et al. uit 2005. Die twee ga ik zeker nog eens omlaag halen (downloaden) en kopiëren. Eerder al hebben Jorge en ik al de referenties van RCTs in het artikel van Kaminsky et al. uit 2017 naar de printer gestuurd.
Belangrijkste euvel voor mij op dit moment is (1) de blindering van de controlegroep en in mindere mate van de effectbeoordelaars (2) de inclusie van astma (en emfyseem?) in de review als een vorm van COPD. Laten we, als Aleida ook present is en wie weet ook de andere student, maar een meer definitieve keuze maken. De twee studenten, met Aleida voorop, zouden een review kunnen schrijven over het nut van yoga als adjuvans bij de behandeling van COPD, met enige nadruk op het verschil in de keuze van de controlegroep.
Bij het scheiden van de markt vertel ik Jorge dat ik de CD “Lo Niego Todo” van Joaquín Sabina bij El Corte Inglés heb willen kopen, maar dat hij daar uitverkocht is. Hoe bestaat het, zo vlak voor zijn optreden hier. Jorge heeft hem ook niet, maar wil best eens voor me op internet kijken of hij hem ergens kan downloaden. Komt het misschien toch weer goed tussen ons.
Op de terugweg naar het centrum heb ik weer een aardigheidje voor jullie dat in bus 12 begint. Als ik instap zijn de twee mooiste solo-zitplaatsen vooraan al allebei bezet en moet ik het doen met een plek verderop op een tweezitsbank. Niet veel later stapt een man in, hij ziet de vrije plek naast me en gaat pontificaal op de rand van mijn colbertje zitten. Hij roept wel nog “perdon”, maar geeft verder weinig krimp. Mijn mobiel in de zijzak van mijn jasje wordt intussen op een haar na gemold.
Jullie mogen best weten dat ik geen “smaalbetser” ben, maar ik behoor ook niet tot het slag dat veel meer dan zijn eigen zitplaats claimt in een bus. Ik trek mijn intussen gekreukelde “americano” terug naar mijn kant van de bank en denk: dat “perdon”, dat wordt hier soms al te gemakkelijk gebezigd.
In het Nederlands is het standaard woordje soms “pardon”, maar meestal “sorry” (al dan niet met de toevoeging: “mijn naam is Corrie”). In plaats van “perdon” zeg je hier ook wel “perdona” (en “perdone”, als je het tegen een pensionista zoals mij hebt). En dan is er ook nog “disculpa(e) me”, maar dat voor mij ietsje meer een verzoek: kun je misschien… dan een goedmakertje achteraf.
Op de dinsdag is het uiteraard weer tijd voor de “arbeidsvitaminen”. Ik heb deze zomer een dubbelCD buitgemaakt op Centre Ceramique die ik, hoewel uit de oude doos, toch zeer presentabel vind. Het gaat in totaal om 48 liedjes, afkomstig van in totaal negentien musicals uit de periode 1940-1954, onder de titel “Best Of Broadway”. Moet ik het niet te gek maken, niet de hele santenkraam hier gaan opsommen? Dan beperk ik me per musical tot maar één nummer. Hier gaan we, negentien keer:
01.Porgy And Bess, 1940, Anne Brown
Summertime
02.Oklahoma, 1943, Alfred Drake
Oh what a beautiful morning
03.Carousel, 1943, Christine Johnson
You’ll never walk alone
04.Showboat, 1946, Kenneth Spencer
Ol’ man river
05.Annie Get Your Gun, 1946, Cast
There’s no business like show business
06.Girl Crazy, 1947, Ethel Merman
I got rhythm
07.High Button Shoes, 1947, Nanette Fabray + Jack McCauley
Papa, won’t you dance with me
08.Brigadoon, 1947, David Brooks + Marion Bell
Almost like being in love
09.On The Town, 1947, Betty Comdon + Adolph Green
Some other time
10.South Pacific, 1949, Mary Martin
I’m gonna wash that man right outa my hair
11.Gentlemen prefer blonds, 1949, Carol Channing
Diamonds are a girl’s best friend
12.Kiss me Kate, 1949, Patricia Morison
So in love
13.Where’s Charley, 1949, Ray Bolger
Once in love with Amy
14.Call me madam, 1950, Russell Nype + Galma Talva
It’s a lovely day today
15. Guys And Dolls, 1950, Robert Alda + Isabel Bigley
I’ll know
16.The King And I, 1951, Gertrud Laurence + Yul Brynner
Shall we dance
17.Kismet, 1953, Doretta Morrow + Richard Kiley
Stranger in paradise
18.Wonderful town, 1953, George Gaynes
A quiet girl
19.The Boy Friend, 1954, Anne Rodgers + Anthony Hayes
I could be happy with you
Wat een serie! En vertel me niet dat musicals volkomen uit de tijd zijn. Als ik om me heen kijk naar ouderen zoals Trudie en Marij of jongeren zoals Susan of Damaris, dan zie ik hoe springlevend de musical nog steeds is, in en om Broadway in New York, in het theaterdistrict in Londen en ook op uitgelezen plekken in Nederland. Vooral het vrouwelijke volksdeel is nog steeds zeer bereid om het halve land af te reizen plus voor een prijzig entreekaartje te dokken om er weer eens bij te zijn.
Dan is het woensdag, “miercoles”, en komt Laura poetsen en ook nog eens mijn badrand kitten met een goedje dat ik in een ferretería heb gehaald: “silicona”. Het hagelwitte spul dat ik gekocht heb, komt uit een tube van de firma Soudal uit het Belgische Turnhout – wie had dat gedacht? Het bevat een of ander isotiazoline en is zurig, elastisch en resistent tegen o.a. schimmels, ultraviolet straling en chemische troep.
Terwijl klusjesvrouw, “conseguidora”, Laura doende is, vraag ik jullie naar Spaanse rijmwoorden op het woord “silicona”. Vooruit, ik beperk me hier tot die van twee lettergrepen om het (voor mezelf en voor jullie) niet te moeilijk te maken. Echter, kom me niet aan met “doña”, mevrouw, want dat rijmt voor geen meter op (sili)cona. Ook van bijv. “cona” zelf kan ik geen chocola maken en het woord “dona” ken ik alleen in “dona sangre”, geef bloed.
Met enig gehaspel kom ikzelf tot zegge en schrijve tot drie -ona rijmwoorden van twee lettergrepen. Laat ik deze keer eens achteraan in het alfabet beginnen. “Zona” kennen jullie wel, het Nederlandse zone. Bijv. staat de “zona caliente” voor de rosse buurt, een “zona de desastre” is een rampgebied en bij mij voor de deur is “zona peatonal”, voetgangersgebied. Gaan we naar “nona”, dat is niet negen, want dat is in het Spaans “nueve”. Wel is het Zuid-Amerikaans voor oma, maar hier in de stad heb ik het woord ook wel eens gehoord. Terzijde, een veel gangbaarder woord voor oma zijn “abuela”, kortweg “abu” en eventueel het kinderlijke “yaya”.
Blijft over het derde woord van vanmorgen: “mona”, waar ik zo vlug niet op ben gekomen, maar dat ik wel had moeten weten. “Mona” is niet alleen de naam van een favoriete penvriendin van vroeger, maar vooral de evenknie van “mono”, aap. Een aangeklede, opzichtig geklede aap is hier een “mona vestida de seda”. (Seda = zijde.) Daarnaast is “mona” ook argot voor dronkenschap. “Estar como una mona” is zo zat als een aap zijn en “dormir la mona” is je roes uitslapen.
Als ik al vóór 8 uur mijn balkon op stap, zitten op de bank tegenover mijn woning vijf zwervers, vier mannen en één vrouw. Ze laten zich maar heel moeilijk verjagen door de kinderen en hun begeleiders, als die even later bezit van het meubilair willen nemen. Zelfs het hondje dat tegenwoordig steevast onderdeel van de schoolmeute is, heeft het er maar moeilijk mee. Dan geven de zwervers het op, maar als om half 9 de bank weer leeg is, komen ze terug voor een tweede rondje bank zitten.
In de middag heb ik eenzelfde verhaal voor jullie. Twee zatlappen, een man en een vrouw van middelbare leeftijd, af en toe even aangevuld met soortgenoten, bezetten de godganselijke tijd dezelfde bank, mijn bank. Ze doen vooral niks behalve sigaretjes roken en aanhoudend blikjes bier open trekken en opdrinken. Van het min of meer permanente duo heeft de nogal slonzige dame een donkerblauwe trui met capuchon aan, met als opschrift: #GYMAHOLIC. Ik vermoed eerlijk gezegd dat ze bedrevener is met alcohol dan in gymmen. Ze zit er al, als ik om 1 uur mijn lunch op heb en terug op het balkon ga zitten om pas om half 6 zie ik haar weer aftaaien.
En wie zit er op donderdagmorgen op mijn bank, als ik de schoolkinderen heb uitgezwaaid: de uiterst aangename zanger/gitarist die weliswaar zijn bier niet graag laat staan, maar die hier als straatzanger wel ook al vele jaren de sterren van de hemel kweelt. Ik vermoed dat de man een communistische inborst heeft, want zijn nummers – het ene nog hartverscheurender dan het andere – gaan bijna zonder uitzondering over de onderdrukking van de kleine man “door het grootkapitaal”. Zou hij een Cubaanse achtergrond hebben? Naast hem op de bank heeft hij trouwens niet alleen zijn vriendin zitten, maar daar staat ook zijn gitaar te pronken, in een stoffen hoes. Als ik hem weer eens zingend en spelend tegenkom, ga ik hem eens belonen met wat geld. Zou hij ook een CD hebben opgenomen met zijn beste nummers? Dan lijkt me dat een verantwoorde koop.
Hoogtepunt van mijn woensdagavond is het hernieuwde bezoek aan mijn Marokkaanse coiffeur. Net als de vorige keer kies ik met zijn welnemen voor stand 2 van zijn apparaat, “muy corto”. Minder dan tien minuten later is hij al bezig aan de finishing touch. Trots als een pauw loop ik ven later over de boulevard.
Daar komt mij een jongedame tegemoet, met op haar trui het opschrift: “Where did YOU sleep last night?” Mijn respons is simpelweg: in mijn eigen bedje, met mijn “stóppelekop”.
Via Harry heb ik eens een clip gekregen van Tom Rush over onze toenemende vergeetachtigheid op oudere leeftijd. Is dan het begin van dementie in aantocht of is het een broodje aap, “bocadillo de mono” (als dat in het Spaans ook zo zou heten). Het “ik ben het even kwijt”-nummer, uit 2007, heet “The remember song” en al mijn lezers boven de 65 nodig ik bij dezen van harte uit om het eens op YouTube op te zoeken.
Iemand als ondergetekende wil dan over de artiest uitgebreider zijn licht laten schijnen. Tom Rush is van 1941, inmiddels stokoud dus, en komt uit New Hampshire, the Granite State in het noordoosten van de V.S. De man heeft vanaf 1962 een onnoemelijk aantal LPs en CDs gemaakt, waarvan ik er al elf bemachtigd heb: acht uit de periode 1963-1974, eentje uit 2006, een live CD en nog eentje waarvan ik de herkomst niet weet. Blues, Songs & Balads uit 1963 is de eerste die ik heb en bij mijn weten zijn derde. Aangezien de plaat 74 minuten duurt en maar liefst 22 nummers telt, weet ik haast zeker dat het oorspronkelijk een dubbelLP is. Hier komen alle liedjes van de plaat op een rijtje:
01.Dunac and Brady
02.I don’t want your millions, mister
03.San Francisco bay blues
04.Mole’s moan
05.Rye whiskey
06.Big fat woman
07.Nine pound hammer
08.Diamond Joe
09.Mobile-Texas line
10.Joe Turner
11.Everyday day in the week
12.Alabama bound
13.More pretty girls
14.Sister Kate
15.Original talking blues
16.Pallet on the floor
17.Drop down mama
18.Rag mama
19.Barb’ry Allen
20.Cocaine
21.Come back baby
22.Stackerlee
Bij het laatste nummer: Stackerlee, heb ik natuurlijk ook Lloyd Price voor ogen (van wie ik nog altijd “Just because” heel mooi vind, een nummer dat ik ook van Freddy Fender en van John Lennon heb). En liedje 4 op de plaat: Mole’s moan, herinnert me eraan dat singer-songwriter Tom Rush best goed met een gitaar overweg kan. Meer dan gemiddelde nummers op het dubbelalbum vind ik bij nader inzien “Duncan and Brady”, “San Francisco bay blues”, “Nine pound hammer”, “Joe Turner”, “Alabama bound”, “Pallet on the floor”, “Barb’ry Allen” en “Cocaine”. Apart, maar meer een gesproken dan gezongen nummer vind ik “Original talking blues”. Dat heeft Tom Rush in dezelfde stijl opgenomen als Bob Dylan “Talkin’ New York”, een jaar eerder, diens eerste eigen nummer bij mijn weten.
Ik kom nog even terug op de film met Michael Caine waar ik in mijn vorige brief even aan refereerde. De prachtfilm waarop ik doelde - zo slecht is mijn geheugen nog niet! – heet “Educating Rita” uit 1983. Michael Caine speelt daarin de rol van de zuipschuit professor Frank Bryant in Liverpool die de weg kwijt lijkt te zijn, geestelijk dan. Dan komt een kapster hem lastig vallen, Susan “Rita” White. Ze wil zijn studente worden, zich graag met zijn hulp cultureel verheffen, zich allerlei Engelse literatuur eigen maken. Kostelijk, ik kan niet anders zeggen! De film komt zonder meer in mijn top 50 van beste films aller tijden.
De dame in kwestie heet in het dagelijkse leven Julie Walters, geboren in 1950, en is in Engeland vooral bekend van haar rollen in min of meer toneelstukken op de televisie. De Engelse Wikipedia voegt daaraan toe dat “Educating Rita” waarschijnlijk de eerste speelfilm is waarin ze een hoofdrol heeft. Later is Julie Waters kennelijk wel ook als filmster bekend geworden in de diverse Harry Potter films (die ik niet gezien heb). Wel herken ik haar stante pede weer, als ik haar terugzie as “Rosie”, een van de drie vriendinnen van Meryl Streep in “Mamma mia”.
Interessant nieuws in de kranten is voor mij het aftreden van Raúl Castro in Cuba. Zijn opvolger als president is Miguel Diaz-Canel, een communist – dat wel – die N.B. na de revolutie geboren is, in 1960. Als hij de kant van zijn voorgangers op gaat, kan hij best een tijdje mee.
In El País zie ik een cartoon van een bedelaar met een bakje voor zich. Hij houdt een bordje vast met de tekst: “El crimen no paga”, misdaad betaalt zich niet uit. Vinden jullie hem niet leuk? Ik anders wel! De Waalse Pijl, voor de kenners met de muur van Huy, heet trouwens in goed Spaans “La Flecha Valona”.
Onderweg terug naar huis zie ik een dame voorbij komen – iets alternatiefs heeft ze wel – met op haar trui: “My soulmate is a dog”. Zo kan die wel weer voor vandaag.
Als ik vrijdag de straat op wil om enkele boodschapjes te doen, kan ik mijn sleutels niet vinden. Ik weet zeker dat ik ze gisteravond nog gebruikt heb om mijn “barak” in te komen, maar waar zijn ze gebleven? In een zak van mijn lange bruine broek zie ik ze niet. Dan ga je allerlei andere plekken nalopen, daarna kijk je ongeveer overal, zelfs onder het bed, maar sleutels, ho maar. Dan loop ik nogmaals van mijn broek naar mijn colbertje en wat zit er in mijn rechter binnenzak? Mijn sleutels, keurig in zijn hoesje van niks. Wie zoekt, zal vinden, “quien busca, halla”.
Vrijdagavond breng ik weliswaar een bezoek aan El Corte Inglés, maar kan niks ontdekken dat de moeite van het vermelden hier waard is. Het enig, onderweg erheen, is een bord dwars op de gevel van een café-restaurant. Ik lees: “Cuidado con los toldos” en heb geen idee wat “toldos” zijn. Terug op het honk zoek ik het uiteraard op: een “toldo” is een zonnescherm; er staat: pas op voor de zonneschermen”.
Terzijde, op de CD-afdeling ligt nog steeds geen enkel exemplaar van “Lo niego todo” van Joaquín Sabina. Wel kijk ik een beetje verlangend naar een mooie overzichtsCD van de Talking Heads met een vracht hits erop. David Byrne zie ik nog steeds zitten, hoewel ik nog maar twee nummers van zijn groep heb: “Road to nowhere” en “Psychokiller”. Ik vrees dat er nogal wat muziek van de Talking Heads teloor is gegaan, toen mijn harde schijven een aantal jaren terug gecrasht zijn.
Als surrogaat, nee dat is niet helemaal eerlijk, ik begin opnieuw. Op de zaterdagmorgen kijk ik op mijn computer naar bekende punkartiesten en kom uit bij de Sex Pistols, Patti Smith en Nirvana. De Sex Pistols vind ik twee keer niks, wat een schorem. Van Patti Smith heb ik nog stteds maar één CD, “Banga”, en die heb heb ik jullie nog niet zo lang geleden al gepresenteerd. Mijn keuze valt dus deze keer op Nirvana. De punkgroep die furore gemaakt heeft in de jaren 1987 tot 1994, toen frontman Kurt Cobain (geboren in 1967 in kustplaats Aberdeen in de Amerikaanse staat Washington) een eind aan zijn leven maakte. Ik mis de eerste CD van de groep: Bleach uit 1987, maar ben wel gezegend met “Nevermind” uit 1991 en “In Utero” uit 1993. Ik had jullie ook blij kunnen maken met de “Grandos Exitos”, maar kies hier voor de registratie van een live optreden van de groep voor MTV.
MTV is de bekende muziekzender, die ik uit het verleden vooral ken als de zender van de clips van allerlei popmuziek. De zender begint later ook met her en der prijzen uit te delen en met live optredens van bekende artiesten, die ook als album verschijnen. Ik heb in het algemeen niet veel op met muziek van live optredens, maar die van MTV mogen er zijn. Laat ik voor deze punk-plaat van Nirvana: “MTV Unplugged in New York” (uit 1993?) eens over mijn hart strijken. Ze telt veertien nummers:
01.About a girl
02.Come as you are
03.Jesus doesn’t want me for a sunbeam
04.The man who sold the world
05.Pennyroyal tea
06.Dumb
07.Polly
08.On a plain
09.Something in the way
10.Plateau
11.Oh, me
12.Lake of fire
13.All apologies
14.Where did you sleep last night
Allereerst: refereert dat “Where did you sleep last night” op het t-shirt dat mij woensdagavond op Las Canteras passeerde, aan het laatste nummer op de Nirvana-plaat? Dat gezegd hebbend vertel ik jullie in een moeite door dat ik “MTV Unplugged In New York” best een aparte compilatie vind. Zes nummers ken ik ook van “Nevermind” en”In Utero”, de rest is nieuw voor mij. In het linkerrijtje noteer ik “Come as you are”, “Dumb” en uiteraard “Something in the way”, maar ook “Jesus doesn’t want me for a sunbeam” (sunbeam = zonnestraal), “Plateau” en “Lake of fire”. Bij nader inzien valt de punkmuziek me best mee, mits je er maar de juiste artiesten bij zet.>BR>
Als ik de CD “MTV Unplugged in New York”van Nirvana voor de tweede keer op heb staan, is het kwart over 11 en is de tijd voor de regionale zang- en dansgroep aangebroken om me weer te komen teisteren op het balkon. Sodeju, wanneer houdt het geblèr op de zaterdagmorgen weer eens op? Ik heb nu twee mogelijkheden: compleet inbinden en naar het achterhuis gaan of de deur naar het balkon dichthouden en aan de laptop plaatsnemen. Deze zaterdagmorgen kies ik voor inbinden en ga me douchen, inclusief mijn gemillimeterde haar wassen. Wel zoek ik eerst nog even een CV van niks van Curt Cobain bij elkaar en welke andere studio-albums Nirvana heeft gefabriceerd (“Bleach” dus).
Soms kom je in een boek iets tegen waarvan je denkt: dat verdient een plek in mijn weblogbrief. Op blz. 362-363 in boek 3 van deze week, zie verder beneden, wordt de etymologie van het Engelse woord “junkie” (“junky” mag ook) uit de doeken gedaan. Het woord is al meer dan honderd jaar oud, uit de tijd dat de eerste heroïneverslaafden oud ijzer uit de haven van Philadelphia pikten en het verkochten om hun verslaving te kunnen betalen.
En dan is er natuurlijk op zaterdagavond de finale van de “Copa Del Rey”, de bekerfinale. De twee kemphanen zijn net allebei uit de Champions League geknikkerd en vanavond is hun goedmakertje. Sevilla heeft onlangs aan het kortste eind getrokken tegen Bayern München, dat nu dit jaar volgens mij Europees kampioen gaat worden. Over de 3-0 nederlaag van Barcelona in en tegen AS Roma wil ik het liever niet meer hebben. Om half 9 zit ik bij El Palikeo voor de buis, op de eerste rij met naast me een gitzwarte fan van Barça in een Leo Messi truitje. Het strijdtoneel is het (denk ik) uitverkochte stadion van Atletico Madrid, met ook “El Rey Felipe VI” op de tribune.
Wat zal ik er eens over zeggen, als jullie de uitslag al kennen. Een paar weken terug heeft Barcelona nog net aan gelijk kunnen spelen tegen Sevilla, maar deze keer is het echt kat en muis. In het doel bij Barcelona in bekerwedstrijden staat als een rots in de branding Jasper Cillessen, die in minuut 14 na een aanval van Sevilla de bal keihard tot voorbij de middenlijn trapt. Daar vangt Coutinho hem op, loopt door en passt hem dan naar Suárez die vlak voor het doel gereed staat. Hij laat zich zo’n kans niet ontnemen: 1-0. Messi komt maar niet in zijn ritme en heeft er ook last van dat de grensrechter aan de kant van Sevilla’s keeper bij herhaling zijn vlag in de lucht steekt, als het nog net geen buitenspel is. In minuut 27 puntert de uitblinkende – vind ik ook - Iniesta de bal onderkant lat van bijna een metertje of twintig, net niet. Het wachten is daarmee op minuut 31, als Messi, op een mooie hakbal van Jordi Alba, toch de 2-0 binnen schiet. Suárez maakt er in minuut 40 met een mooie doorloopbal 3-0 van en wij van het terras weten: het is eigenlijk nu al einde match.
In de rust is deze keer weinig reclame, zelfs wat algemeen nieuws, omdat de wedstrijd door TVE wordt uitgezonden. Daarna is in de tweede helft eerst Iniesta aan de beurt met nummertje 4 na een pass van Messi en tenslotte mag Coutinho na een penalty wegens hands de 5-0 intikken. Iniesta krijgt vlak voor het einde een applauswissel – en terecht! Ik zie de onderdeur als aanvoerder even later de diverse bobo’s en ook El Rey een hand geven. Vervolgens mag hij met de nieuw verworven beker, bijna net zo hoog als hijzelf, naar het veld aflopen, waar de andere spelers en staf hem al staan op te wachten. Het is tijd voor een gezamenlijk op en neer dansje, maar dan sta ik op om balkonwaarts te keren.
Op zondagmiddag maak ik na mijn warme middageten (zondag, wat wil je!) een begin in een nieuw boek, maar na enkele tientallen bladzijden denk ik dat ik het al eerder gelezen heb. Ik lees nog een hoofdstuk of zo door, maar dan is het zeker. Het zal een aantal jaren terug zijn, maar toch. Dus begin ik dapper aan een ander.
De zondagavonden laat zijn ook in Las Palmas vooral geschikt om naar Arjan Lubach te kijken, desnoods naar iets met voetballen. Ik vang de luwte op door weer eens een DVD-film op te zetten (met drank en nootjes erbij). Deze keer is “12 monkeys” (“doce monos” in het Spaans) aan de beurt, van Terry Gilliam. Hij is uit 2003 met in de hoofdrollen Bruce Willis, Madeleine Stowe en Brad Pitt. De film krijgt in het Spaans als motto mee: “El futuro es historia”, de toekomst is geschiedenis. Daar word ik niet echt wijzer van. Laat ik liever maar gewoon gaan kijken.
Er zijn in 2035 nog maar weinig mensen over en die zitten ook nog eens elders, niet meer op de aarde. Dat komt, omdat in 1997 een onbekend virus de wereldbevolking voor 99% heeft uitgeroeid. James (Jim) Cole, gespeeld door Bruce Willis, wordt terug in de tijd gestuurd, eerst foutief naar 1990, ook nog even naar 1917, maar uiteindelijk is hij dan toch waar hij zijn moet: in het najaar van 1996. In Philadelphia gaat hij besmette insecten vangen, waartegen dan – als hij weer terug is – een vaccin kan worden gemaakt, dat de ramp van 1997 ongedaan kan maken. Op zijn speurtocht naar de juiste beestjes wordt hij geholpen door psychiater Kathryn Railly ( Madeleine Stowe), terwijl ook de knotsgekke Jeffrey Goines (Brad Pitt), zoon van een bekende viroloog, een duit in het zakje doet. Jeffrey leidt een groep mensen tegen dierenleed, het leger van de 12 apen, en blijkt met het dodelijke virus niks van doen te hebben, blijkt gaandeweg. De boosdoener is een roodharige man die het over de wereld gaat verspreiden.
Ik vind “12 monkeys” best een aardige film, maar overhouden doet hij niet. Er wordt best adequaat geacteerd, maar vooral de verhaallijn is niet helemaal waar ik enthousiast van wordt. Als Laura op 2 mei weer komt poetsen, mag ze de DVD wat mij betreft meenemen (en ook diverse andere films die ik niet nog eens hoef te zien).
En dan is het al weer maandag en mag ik voor de 26ste keer de brui eraan geven. Vanmiddag ga ik deze brief aan jullie weer versturen op de universiteit en daarna ga ik een potje bakkeleien met Aleida, Jorge en de andere student, die ik pas maar een keer gezien heb. Als het aan mij ligt, gaan we het dan in ieder geval ook over het nut van yoga bij astmatische bronchitis hebben. Jullie zijn als mijn publiek weer a.s. vrijdag 27 april aan de beurt, als El Rey De Holanda 51 wordt.
In de tussentijd verlang ik wel dat jullie je zomerse kleren weer opbergen. Ik weet het: de afgelopen dagen was het in Nederland warmer dan hier en vanmorgen regent het hier zelfs een beetje. Dat moet en gaat veranderen, laat daar geen misverstand over zijn. Op het Onze Lieve Vrouweplein en in het Beatrixpark hoort het minstens tien graden kouder te zijn dan op Las Canteras. Verder wens ik het kort te houden: “haw pin!” Tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Om redenen die ik maar gedeeltelijk kan begrijpen, heb ik niet erg veel op met schrijver John Grisham. Komt het, omdat ik enkele verfilmingen van zijn boeken niet helemaal je dat heb gevonden? Wil ik me en beetje afzetten tegen mensen die deze Amerikaanse schrijver boven aan hun verlanglijst hebben staan? En toch, als ik de afgelopen week een boek van hem op mijn e-reader zie staan, “Sycamore Row” uit 2013, in Nederlandse vertaling “De Erfgenaam”, kan ik het niet laten om eraan te beginnen. Het verhaal speelt in 1988-1989 in een plaatsje van niks, Clanton in Ford County, in de staat Mississippi. De dichtst bijzijnde grote steden zijn Tupelo en Memphis.
Het plaatsje zit vol met advocaten, maar veel te verdienen valt er voor hen niet. Dan hangt de doodzieke (longkanker) Seth Hubbard, geschat vermogen 24 miljoen dollar, zich op. Advocaat Jake Brigance die eerder een zwarte vrij heeft gekregen in de nog steeds door blanken gedomineerde staat, krijgt postuum een brief van hem met een handgeschreven vers testament. Daarmee onterft Seth Hubbard zijn twee kinderen (plus kleinkinderen) en laat bijna al zijn geld na aan zijn huishoudster Lettie Lang. De twee kinderen: Herschel en Ramona (en haar man Ian), zijn furieus over de testamentwijziging en nemen dus een vracht advocaten in de arm om het nieuwe testament aan te vechten.
Jack Brigance krijgt bij het daarop volgende proces steun van administrateur Quince Lundy, politieman Ozzie Walls, collega-advocaat Harry Rex Vonner, zatlap en ex-advocaat Lucien Wilbanks en dochter Portia van Lettie Lang. Bij de tegenpartij – oorspronkelijk een hele horde advocaten – trekt advocaat Wane Lanier uiteindelijk de zaak naar zich toe. Rechter Reuben Atlee is niet te beroerd om zich geregeld eveneens met de procesgang te bemoeien. Hoe verloopt het proces, voor een twaalfkoppige jury? Wane Lanier en zijn mensen (vooral Myron Pankey) blijken een paar akelige troeven in de hand te hebben om Jake Brigand en Lettie Lang te vloeren. Dan komt Lucien Wilbanks op de proppen met een getuigenis van Seth’s jongere broer Ancil. Die noemt zich sinds ruim vijftig jaar Lonny Clark en weet de zaak weer compleet de andere kant op te trekken door een voorval in 1930, bijna zestig jaar eerder, toen Ancil en ook Seth nog kinderen waren. Is het laatste woord aan rechter Reuben Atlee, als die een schikking voorstelt?
Ik heb echt genoten van John Grisham’s boek “De Erfgenaam”; het is niet anders. Ik ben bekend met prima rechtbankverhalen van andere thrillerschrijvers zoals John Turow en Michael Connelly, maar het gedoe rond dit erfrechtproces vind ik zonder meer prachtig. Wat is het een spannend verhaal en dat laat ik een aantal zijlijnen, hoe interessant ook, nog maar even voor wat ze zijn. Mijn hoge recensiecijfer krijgt alleen op het einde een mini-deukje, als de gebeurtenis van heel lang geleden mij als ietsje te definitief wordt gepresenteerd. John Grisham’s “De Erfgenaam” gaat terug in de bijzondere thrillerkast met een 8½ als recensiecijfer. Van nu af aan ga ik ook andere boeken van hem lezen. Ik vrees dat ik er een favoriete schrijver bij heb.
Gaan we naar nummertje 2. Dat is een boek dat veel minder dik is,niet meer dan zo’n 200 bladzijden, als ik de foto’s snel bekijk en de uitgebreide verantwoording weglaat. Van Annejet van der Zijl heb ik eerder al biografieën gelezen, o.a. over prins Bernhard en Annie Schmidt. Waarom ze ook “De Amerikaanse Prinses” heeft gedaan, was mij een beetje een raadsel. De achtergrond blijkt te zijn dat ze bij haar onderzoek naar het leven van de jonge Bernhard (met een promotie in 2009) vanzelf op Allene Tew stuit en dan denkt: aan die geslaagde dame ga ik ook een boek wijden. Dat vraagt dan vanzelf om een recensie. Het boek is uitgekomen in 2015 en speelt op allerlei plekken, vooral Jamestown bij Newport, Pittsburgh en New York in de V.S. en Parijs en de Rivièra in Frankrijk.
Hoe maak je een resumé van een biografie zonder dat je de sjeu ervan prijs wilt geven? Laat ik het lange leven van Allene Tew, van 1872 tot 1955, doorlopen aan de hand van haar huwelijken. Het enigszins losgeslagen meisje begint haar leven in een arm gezin in een plaatsje van niets, Jamestown. Daar loopt ze rijkaard Tod Hostetter tegen het lijf, waarna ze met hem naar New York verhuist. Ze trouwen in 1890, Allene’s leven – plotseling in rijkdom – kan niet op. Dan blijkt de man met zijn zeilboot en jachtclub ook een eeuwige gokker te zijn, die daar uiteraard aan onderdoor gaat. Allene en Tod krijgen drie kinderen, van wie er ééntje direct dood gaat. In 1901 scheiden ze en het jaar erop gaat Tod dood, op 32-jarige leeftijd.
Allene’s tweede man heet Morton Nicols en hij is nog veel welvarender dan Tod. Ze trouwt met hem in 1904 en maakt dan met hem een wereldreis van een jaar. Ook het nieuwe huwelijk houdt maar beperkte tijd stand, tot 1909. Dan komt echtgenoot 3 in beeld, Anson Burchard. Eigenlijk is deze ingenieur van General Electric de eerste met wie Allene echt een duurzame relatie heeft. Helaas overlijden in die tijd wel allebei haar kinderen: Teddy als piloot in “de grote oorlog” en Greta aan de Spaanse griep. Haar jaren met Ansom zijn niettemin best gelukkig, tot hij plotseling de geest geeft in 1927, op 62-jarige leeftijd.
Allene is het schoolvoorbeeld van nooit de moed laten zakken, je steeds opnieuw aanpassen aan een verandering (voor details: zie Charles Darwin). Ze verhuist na de dood van Ansom Burchard naar Europa, waar ze in 1929 de vrouw wordt van Zuid-Duitser Henry Reuss. Vanaf nu mag ze zich prinses noemen, vanwege diens adellijke titel. Reuss heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk; eentje, Marlisa, heeft een bloedhekel aan Allene, maar de andere, Heiner, en Allene mogen elkaar wel. Als Henry Reuss doodgaat, is in 1936 Paul Kotsebue aan de beurt, nummertje 5. In diens omgeving komt ze – op bladzijde 175 voor het eerst – ook Bernhard zur Lippe Biesterfeld (Bernilo) tegen, als die zich aandient in Allene’s luxe woning in Parijs. Vanaf die tijd zijn de Oranjes voor de tweede keer in beeld (eerder ook al, als Henry Reuss aanspraak op de Nederlandse troon wil maken, als het lijkt dat Wilhelmina geen kind kan krijgen).
Op 68-jarige leeftijd neemt Allene het huis over van “Mrs. Astor” in Newport (die haar eerder niet mocht) en later, als ze al bijna 80 is, koopt ze ook een huis in Cap-d’Ail aan de Rivièra. Ze overlijdt aan maagkanker in 1955, waarna – het lijkt wel een boek van John Grisham, zie boven – acht jaar touw getrokken wordt over de aanzienlijke erfenis. Met succes blijkt Allene drie jaar vóór haar dood de neven, nichten en dergelijke van de Tews onterfd te hebben ten gunste van echtgenoot Paul Kotzebue (Rus), stiefzoon Heiner Reuss (Duitser) en Kitty, de ex-vriendin van Teddy.
Geloof het of niet, maar ik heb “De Amerikaanse Prinses” van Annejet van der Zijl in twee dagen uitgelezen en met het nodige plezier. Of ik sindsdien een verhoogde interesse heb in het leven van financieel geslaagde mensen, betwijfel ik zeer, maar vooral leuk heb ik het boek best gevonden. Het heeft een goede beschrijving van één mens in een lange geschiedenis: in een kustplaatsje, WOI. de roaring twenties, de beurskrach, de crisisjaren en antisemitisme, WOII, het nieuwe elan. Ik heb er als recensiecijfer zo maar een 8 voor over.
Ik heb er nog een voor deze, mij zo dierbare rubriek. Als je een hele week min of meer op jezelf bent aangewezen, wat let je dan om na boek 2, zeker als dat niet erg dik is, stante pede aan een nieuw te beginnen. Dus is hier ook nog mijn bespreking van “De Schim” (in het Noors: Gjenferd) van de Noorse thrillerschrijver Jo Nesbø. Ik ben deze winter echt aan een inhaalrace met hem bezig, lijkt het wel. De Schim – ik heb het als echt boek gelezen – is van 2011 en speelt uiteraard in Oslo. Terzijde verwijst “De schim” denk ik vooral naar een uitspraak op blz. 144: “De gevangenis is erger dan de dood. De dood is gemakkelijk, die maakt je ziel vrij. Maar de gevangenis eet je ziel op tot er geen mens meer in je zit. Tot je een schim bent geworden”.
Harry Hole, net terug ook het Verre Oosten, wordt geconfronteerd met de dood van Gusto Hanssen, een jongen die verslaafd is aan een variant van heroïne, genaamd violine. Datzelfde geldt voor zijn vriendje Oleg, de 18-jarige zoon van Harry Hole’s voormalige vriendin Rakel, en Gusto’s stiefzusje Irene. Komt de violine van elders of gewoon uit Oslo, uit het Radiumhospitaal? In ieder geval wordt de motorclub van Los Lobos die gewone erg versneden heroïne aan de man en vrouw brengt, erdoor buitenspel gezet ten gunstige van een Russisch gezelschap van ene “Dubai”, zijn twee kozakken en anderen. Harry Hole krijgt bij zijn naspeuring hulp van Rakel’s nieuwe vriend Hans Christian Simonsen en verder o.a. Martine Eckhoff van het Leger des Heils. In de semipolitiek, waarvan het boek doortrokken is, treffen we wederom Mikael Bellman aan, nu hoofd van Georganiseerde Criminaliteit, diens rare vriend Truls Berntsen en gemeente secretaris Isabelle Skøpen. De dame lust er wel pap van, en dan heb ik het niet alleen over paarden, maar nog meer over seks. Komt Harry Hole te weten hoe de vork in de steel zit?
Als het over sfeertekening gaat, is Jo Nesbø mijn man. Hij weet voor de zoveelste keer een akelig spannend verhaal neer te zetten, dat ik prima leesvoer heb gevonden. Maar tegelijkertijd vind ik ook dit epos (539 blz.) net als andere van hem ietsje aan de lange kant en ben ik ook weer blij, als ik er helemaal doorheen ben. Als recensiecijfer krijgt “De Schim” van mij een 7½, in orde, maar net niet je dat. Ik heb er nog meer van Jo Nesbø liggen die t.z.t. ook voor een beurt in aanmerking komen.
Querid@s amig@s y familia, het begint op te schieten. Over minder dan vier weken verruil ik mijn min of meer solitaire haven hier in Las Palmas voor een “ongewisse” (?) toekomst in de Euregio. Het is niet anders. Ik kan ook beweren dat ik nog een maand volop goed weer te gaan heb hier in dit buitengebied van Spanje. (Maar ik zie ik op NU.NL dat Nederland aan een vroege zomer begonnen is.) Hier is mijn op vier na laatste terugblik van deze winter.
Hier is wederom een dagboek geworden met terugwerkende kracht. Op mijn kamer bij “Sciencias Clínicas” krijg ik van Isabel een “buenos” en dan is het tijd om te kijken of mijn computer het nog doet. Zoals steeds vertrekt Isabel niet veel tijd later naar haar koude dorpje, maar geeft me wel eerst braaf een “rechter handje”.
Ik heb intussen mijn brief aan jullie al gepost en ben nu druk met mijn mailtjes. Daarna is Harry’s website weer aan de beurt. Bij zijn clips vind ik er een van de mij onbekende Tom Walker, een andere uitvoering van Passenger en Ed Sheeran. Diens “Leave the light on” bevalt me wel. Wisten jullie trouwens dat Hans Vermeulen (van de Sandy Coast) al een half jaar dood is? Mij staat er maar vaag iets van bij. Niettemin, het podium met een hele zooi artiesten die hem postuum een eerbetoon brengen, is nieuw voor mij. “True love, that’s a wonder”, ik heb wel eens minder aansprekende popmuziek uit Nederlandse contreien gehoord.
Om half 5 – ik heb dan al van alles uitgespookt – geef ik er op mijn kamer de brui aan en ga naar Jorge, die dan toch op zijn kamer zit. Ik stel hem voor om aan studente Aleida te vragen wat ze vindt van de beperking van haar literatuur tot Prayanama yoga en COPD? Voor een klip en klaar antwoord moet je geloof ik nog steeds niet bij mijn Palmese epidemiologie broeder zijn. Aan de andere kant, hij heeft wel twee Cochrane Collaboration reviews voor me. Eentje, uit 2012, gaat over allerlei “Breathing exercises for chronic obstructive pulmonary disease”, met zestien RCTs waarvan er twee over yoga gaan. Die heb ik al in mijn bezit, bedenk ik later.
De andere review is m.i. recenter en to-the-pointer. Hij is van ene Zu-Yao Yang et al. Uit 2016, gaat alleen over het effecten van yoga, maar heeft als titel “Yoga for astma”. Astma, is dat iets heel anders dan COPD? Volgens mij niet; ik denk dat chronisch astma, emfyseem en bronchitis op een klinische hoop mogen, onder de (vroegere) verzamelnaam: astmatische bronchitis. Tussen de vijftien RCTs in deze astma-review zitten er twee met een echte controlegroep: eentje van Cooper et al. uit 2003 en een andere van Sabina (niet Joaquín) et al. uit 2005. Die twee ga ik zeker nog eens omlaag halen (downloaden) en kopiëren. Eerder al hebben Jorge en ik al de referenties van RCTs in het artikel van Kaminsky et al. uit 2017 naar de printer gestuurd.
Belangrijkste euvel voor mij op dit moment is (1) de blindering van de controlegroep en in mindere mate van de effectbeoordelaars (2) de inclusie van astma (en emfyseem?) in de review als een vorm van COPD. Laten we, als Aleida ook present is en wie weet ook de andere student, maar een meer definitieve keuze maken. De twee studenten, met Aleida voorop, zouden een review kunnen schrijven over het nut van yoga als adjuvans bij de behandeling van COPD, met enige nadruk op het verschil in de keuze van de controlegroep.
Bij het scheiden van de markt vertel ik Jorge dat ik de CD “Lo Niego Todo” van Joaquín Sabina bij El Corte Inglés heb willen kopen, maar dat hij daar uitverkocht is. Hoe bestaat het, zo vlak voor zijn optreden hier. Jorge heeft hem ook niet, maar wil best eens voor me op internet kijken of hij hem ergens kan downloaden. Komt het misschien toch weer goed tussen ons.
Op de terugweg naar het centrum heb ik weer een aardigheidje voor jullie dat in bus 12 begint. Als ik instap zijn de twee mooiste solo-zitplaatsen vooraan al allebei bezet en moet ik het doen met een plek verderop op een tweezitsbank. Niet veel later stapt een man in, hij ziet de vrije plek naast me en gaat pontificaal op de rand van mijn colbertje zitten. Hij roept wel nog “perdon”, maar geeft verder weinig krimp. Mijn mobiel in de zijzak van mijn jasje wordt intussen op een haar na gemold.
Jullie mogen best weten dat ik geen “smaalbetser” ben, maar ik behoor ook niet tot het slag dat veel meer dan zijn eigen zitplaats claimt in een bus. Ik trek mijn intussen gekreukelde “americano” terug naar mijn kant van de bank en denk: dat “perdon”, dat wordt hier soms al te gemakkelijk gebezigd.
In het Nederlands is het standaard woordje soms “pardon”, maar meestal “sorry” (al dan niet met de toevoeging: “mijn naam is Corrie”). In plaats van “perdon” zeg je hier ook wel “perdona” (en “perdone”, als je het tegen een pensionista zoals mij hebt). En dan is er ook nog “disculpa(e) me”, maar dat voor mij ietsje meer een verzoek: kun je misschien… dan een goedmakertje achteraf.
Op de dinsdag is het uiteraard weer tijd voor de “arbeidsvitaminen”. Ik heb deze zomer een dubbelCD buitgemaakt op Centre Ceramique die ik, hoewel uit de oude doos, toch zeer presentabel vind. Het gaat in totaal om 48 liedjes, afkomstig van in totaal negentien musicals uit de periode 1940-1954, onder de titel “Best Of Broadway”. Moet ik het niet te gek maken, niet de hele santenkraam hier gaan opsommen? Dan beperk ik me per musical tot maar één nummer. Hier gaan we, negentien keer:
01.Porgy And Bess, 1940, Anne Brown
Summertime
02.Oklahoma, 1943, Alfred Drake
Oh what a beautiful morning
03.Carousel, 1943, Christine Johnson
You’ll never walk alone
04.Showboat, 1946, Kenneth Spencer
Ol’ man river
05.Annie Get Your Gun, 1946, Cast
There’s no business like show business
06.Girl Crazy, 1947, Ethel Merman
I got rhythm
07.High Button Shoes, 1947, Nanette Fabray + Jack McCauley
Papa, won’t you dance with me
08.Brigadoon, 1947, David Brooks + Marion Bell
Almost like being in love
09.On The Town, 1947, Betty Comdon + Adolph Green
Some other time
10.South Pacific, 1949, Mary Martin
I’m gonna wash that man right outa my hair
11.Gentlemen prefer blonds, 1949, Carol Channing
Diamonds are a girl’s best friend
12.Kiss me Kate, 1949, Patricia Morison
So in love
13.Where’s Charley, 1949, Ray Bolger
Once in love with Amy
14.Call me madam, 1950, Russell Nype + Galma Talva
It’s a lovely day today
15. Guys And Dolls, 1950, Robert Alda + Isabel Bigley
I’ll know
16.The King And I, 1951, Gertrud Laurence + Yul Brynner
Shall we dance
17.Kismet, 1953, Doretta Morrow + Richard Kiley
Stranger in paradise
18.Wonderful town, 1953, George Gaynes
A quiet girl
19.The Boy Friend, 1954, Anne Rodgers + Anthony Hayes
I could be happy with you
Wat een serie! En vertel me niet dat musicals volkomen uit de tijd zijn. Als ik om me heen kijk naar ouderen zoals Trudie en Marij of jongeren zoals Susan of Damaris, dan zie ik hoe springlevend de musical nog steeds is, in en om Broadway in New York, in het theaterdistrict in Londen en ook op uitgelezen plekken in Nederland. Vooral het vrouwelijke volksdeel is nog steeds zeer bereid om het halve land af te reizen plus voor een prijzig entreekaartje te dokken om er weer eens bij te zijn.
Dan is het woensdag, “miercoles”, en komt Laura poetsen en ook nog eens mijn badrand kitten met een goedje dat ik in een ferretería heb gehaald: “silicona”. Het hagelwitte spul dat ik gekocht heb, komt uit een tube van de firma Soudal uit het Belgische Turnhout – wie had dat gedacht? Het bevat een of ander isotiazoline en is zurig, elastisch en resistent tegen o.a. schimmels, ultraviolet straling en chemische troep.
Terwijl klusjesvrouw, “conseguidora”, Laura doende is, vraag ik jullie naar Spaanse rijmwoorden op het woord “silicona”. Vooruit, ik beperk me hier tot die van twee lettergrepen om het (voor mezelf en voor jullie) niet te moeilijk te maken. Echter, kom me niet aan met “doña”, mevrouw, want dat rijmt voor geen meter op (sili)cona. Ook van bijv. “cona” zelf kan ik geen chocola maken en het woord “dona” ken ik alleen in “dona sangre”, geef bloed.
Met enig gehaspel kom ikzelf tot zegge en schrijve tot drie -ona rijmwoorden van twee lettergrepen. Laat ik deze keer eens achteraan in het alfabet beginnen. “Zona” kennen jullie wel, het Nederlandse zone. Bijv. staat de “zona caliente” voor de rosse buurt, een “zona de desastre” is een rampgebied en bij mij voor de deur is “zona peatonal”, voetgangersgebied. Gaan we naar “nona”, dat is niet negen, want dat is in het Spaans “nueve”. Wel is het Zuid-Amerikaans voor oma, maar hier in de stad heb ik het woord ook wel eens gehoord. Terzijde, een veel gangbaarder woord voor oma zijn “abuela”, kortweg “abu” en eventueel het kinderlijke “yaya”.
Blijft over het derde woord van vanmorgen: “mona”, waar ik zo vlug niet op ben gekomen, maar dat ik wel had moeten weten. “Mona” is niet alleen de naam van een favoriete penvriendin van vroeger, maar vooral de evenknie van “mono”, aap. Een aangeklede, opzichtig geklede aap is hier een “mona vestida de seda”. (Seda = zijde.) Daarnaast is “mona” ook argot voor dronkenschap. “Estar como una mona” is zo zat als een aap zijn en “dormir la mona” is je roes uitslapen.
Als ik al vóór 8 uur mijn balkon op stap, zitten op de bank tegenover mijn woning vijf zwervers, vier mannen en één vrouw. Ze laten zich maar heel moeilijk verjagen door de kinderen en hun begeleiders, als die even later bezit van het meubilair willen nemen. Zelfs het hondje dat tegenwoordig steevast onderdeel van de schoolmeute is, heeft het er maar moeilijk mee. Dan geven de zwervers het op, maar als om half 9 de bank weer leeg is, komen ze terug voor een tweede rondje bank zitten.
In de middag heb ik eenzelfde verhaal voor jullie. Twee zatlappen, een man en een vrouw van middelbare leeftijd, af en toe even aangevuld met soortgenoten, bezetten de godganselijke tijd dezelfde bank, mijn bank. Ze doen vooral niks behalve sigaretjes roken en aanhoudend blikjes bier open trekken en opdrinken. Van het min of meer permanente duo heeft de nogal slonzige dame een donkerblauwe trui met capuchon aan, met als opschrift: #GYMAHOLIC. Ik vermoed eerlijk gezegd dat ze bedrevener is met alcohol dan in gymmen. Ze zit er al, als ik om 1 uur mijn lunch op heb en terug op het balkon ga zitten om pas om half 6 zie ik haar weer aftaaien.
En wie zit er op donderdagmorgen op mijn bank, als ik de schoolkinderen heb uitgezwaaid: de uiterst aangename zanger/gitarist die weliswaar zijn bier niet graag laat staan, maar die hier als straatzanger wel ook al vele jaren de sterren van de hemel kweelt. Ik vermoed dat de man een communistische inborst heeft, want zijn nummers – het ene nog hartverscheurender dan het andere – gaan bijna zonder uitzondering over de onderdrukking van de kleine man “door het grootkapitaal”. Zou hij een Cubaanse achtergrond hebben? Naast hem op de bank heeft hij trouwens niet alleen zijn vriendin zitten, maar daar staat ook zijn gitaar te pronken, in een stoffen hoes. Als ik hem weer eens zingend en spelend tegenkom, ga ik hem eens belonen met wat geld. Zou hij ook een CD hebben opgenomen met zijn beste nummers? Dan lijkt me dat een verantwoorde koop.
Hoogtepunt van mijn woensdagavond is het hernieuwde bezoek aan mijn Marokkaanse coiffeur. Net als de vorige keer kies ik met zijn welnemen voor stand 2 van zijn apparaat, “muy corto”. Minder dan tien minuten later is hij al bezig aan de finishing touch. Trots als een pauw loop ik ven later over de boulevard.
Daar komt mij een jongedame tegemoet, met op haar trui het opschrift: “Where did YOU sleep last night?” Mijn respons is simpelweg: in mijn eigen bedje, met mijn “stóppelekop”.
Via Harry heb ik eens een clip gekregen van Tom Rush over onze toenemende vergeetachtigheid op oudere leeftijd. Is dan het begin van dementie in aantocht of is het een broodje aap, “bocadillo de mono” (als dat in het Spaans ook zo zou heten). Het “ik ben het even kwijt”-nummer, uit 2007, heet “The remember song” en al mijn lezers boven de 65 nodig ik bij dezen van harte uit om het eens op YouTube op te zoeken.
Iemand als ondergetekende wil dan over de artiest uitgebreider zijn licht laten schijnen. Tom Rush is van 1941, inmiddels stokoud dus, en komt uit New Hampshire, the Granite State in het noordoosten van de V.S. De man heeft vanaf 1962 een onnoemelijk aantal LPs en CDs gemaakt, waarvan ik er al elf bemachtigd heb: acht uit de periode 1963-1974, eentje uit 2006, een live CD en nog eentje waarvan ik de herkomst niet weet. Blues, Songs & Balads uit 1963 is de eerste die ik heb en bij mijn weten zijn derde. Aangezien de plaat 74 minuten duurt en maar liefst 22 nummers telt, weet ik haast zeker dat het oorspronkelijk een dubbelLP is. Hier komen alle liedjes van de plaat op een rijtje:
01.Dunac and Brady
02.I don’t want your millions, mister
03.San Francisco bay blues
04.Mole’s moan
05.Rye whiskey
06.Big fat woman
07.Nine pound hammer
08.Diamond Joe
09.Mobile-Texas line
10.Joe Turner
11.Everyday day in the week
12.Alabama bound
13.More pretty girls
14.Sister Kate
15.Original talking blues
16.Pallet on the floor
17.Drop down mama
18.Rag mama
19.Barb’ry Allen
20.Cocaine
21.Come back baby
22.Stackerlee
Bij het laatste nummer: Stackerlee, heb ik natuurlijk ook Lloyd Price voor ogen (van wie ik nog altijd “Just because” heel mooi vind, een nummer dat ik ook van Freddy Fender en van John Lennon heb). En liedje 4 op de plaat: Mole’s moan, herinnert me eraan dat singer-songwriter Tom Rush best goed met een gitaar overweg kan. Meer dan gemiddelde nummers op het dubbelalbum vind ik bij nader inzien “Duncan and Brady”, “San Francisco bay blues”, “Nine pound hammer”, “Joe Turner”, “Alabama bound”, “Pallet on the floor”, “Barb’ry Allen” en “Cocaine”. Apart, maar meer een gesproken dan gezongen nummer vind ik “Original talking blues”. Dat heeft Tom Rush in dezelfde stijl opgenomen als Bob Dylan “Talkin’ New York”, een jaar eerder, diens eerste eigen nummer bij mijn weten.
Ik kom nog even terug op de film met Michael Caine waar ik in mijn vorige brief even aan refereerde. De prachtfilm waarop ik doelde - zo slecht is mijn geheugen nog niet! – heet “Educating Rita” uit 1983. Michael Caine speelt daarin de rol van de zuipschuit professor Frank Bryant in Liverpool die de weg kwijt lijkt te zijn, geestelijk dan. Dan komt een kapster hem lastig vallen, Susan “Rita” White. Ze wil zijn studente worden, zich graag met zijn hulp cultureel verheffen, zich allerlei Engelse literatuur eigen maken. Kostelijk, ik kan niet anders zeggen! De film komt zonder meer in mijn top 50 van beste films aller tijden.
De dame in kwestie heet in het dagelijkse leven Julie Walters, geboren in 1950, en is in Engeland vooral bekend van haar rollen in min of meer toneelstukken op de televisie. De Engelse Wikipedia voegt daaraan toe dat “Educating Rita” waarschijnlijk de eerste speelfilm is waarin ze een hoofdrol heeft. Later is Julie Waters kennelijk wel ook als filmster bekend geworden in de diverse Harry Potter films (die ik niet gezien heb). Wel herken ik haar stante pede weer, als ik haar terugzie as “Rosie”, een van de drie vriendinnen van Meryl Streep in “Mamma mia”.
Interessant nieuws in de kranten is voor mij het aftreden van Raúl Castro in Cuba. Zijn opvolger als president is Miguel Diaz-Canel, een communist – dat wel – die N.B. na de revolutie geboren is, in 1960. Als hij de kant van zijn voorgangers op gaat, kan hij best een tijdje mee.
In El País zie ik een cartoon van een bedelaar met een bakje voor zich. Hij houdt een bordje vast met de tekst: “El crimen no paga”, misdaad betaalt zich niet uit. Vinden jullie hem niet leuk? Ik anders wel! De Waalse Pijl, voor de kenners met de muur van Huy, heet trouwens in goed Spaans “La Flecha Valona”.
Onderweg terug naar huis zie ik een dame voorbij komen – iets alternatiefs heeft ze wel – met op haar trui: “My soulmate is a dog”. Zo kan die wel weer voor vandaag.
Als ik vrijdag de straat op wil om enkele boodschapjes te doen, kan ik mijn sleutels niet vinden. Ik weet zeker dat ik ze gisteravond nog gebruikt heb om mijn “barak” in te komen, maar waar zijn ze gebleven? In een zak van mijn lange bruine broek zie ik ze niet. Dan ga je allerlei andere plekken nalopen, daarna kijk je ongeveer overal, zelfs onder het bed, maar sleutels, ho maar. Dan loop ik nogmaals van mijn broek naar mijn colbertje en wat zit er in mijn rechter binnenzak? Mijn sleutels, keurig in zijn hoesje van niks. Wie zoekt, zal vinden, “quien busca, halla”.
Vrijdagavond breng ik weliswaar een bezoek aan El Corte Inglés, maar kan niks ontdekken dat de moeite van het vermelden hier waard is. Het enig, onderweg erheen, is een bord dwars op de gevel van een café-restaurant. Ik lees: “Cuidado con los toldos” en heb geen idee wat “toldos” zijn. Terug op het honk zoek ik het uiteraard op: een “toldo” is een zonnescherm; er staat: pas op voor de zonneschermen”.
Terzijde, op de CD-afdeling ligt nog steeds geen enkel exemplaar van “Lo niego todo” van Joaquín Sabina. Wel kijk ik een beetje verlangend naar een mooie overzichtsCD van de Talking Heads met een vracht hits erop. David Byrne zie ik nog steeds zitten, hoewel ik nog maar twee nummers van zijn groep heb: “Road to nowhere” en “Psychokiller”. Ik vrees dat er nogal wat muziek van de Talking Heads teloor is gegaan, toen mijn harde schijven een aantal jaren terug gecrasht zijn.
Als surrogaat, nee dat is niet helemaal eerlijk, ik begin opnieuw. Op de zaterdagmorgen kijk ik op mijn computer naar bekende punkartiesten en kom uit bij de Sex Pistols, Patti Smith en Nirvana. De Sex Pistols vind ik twee keer niks, wat een schorem. Van Patti Smith heb ik nog stteds maar één CD, “Banga”, en die heb heb ik jullie nog niet zo lang geleden al gepresenteerd. Mijn keuze valt dus deze keer op Nirvana. De punkgroep die furore gemaakt heeft in de jaren 1987 tot 1994, toen frontman Kurt Cobain (geboren in 1967 in kustplaats Aberdeen in de Amerikaanse staat Washington) een eind aan zijn leven maakte. Ik mis de eerste CD van de groep: Bleach uit 1987, maar ben wel gezegend met “Nevermind” uit 1991 en “In Utero” uit 1993. Ik had jullie ook blij kunnen maken met de “Grandos Exitos”, maar kies hier voor de registratie van een live optreden van de groep voor MTV.
MTV is de bekende muziekzender, die ik uit het verleden vooral ken als de zender van de clips van allerlei popmuziek. De zender begint later ook met her en der prijzen uit te delen en met live optredens van bekende artiesten, die ook als album verschijnen. Ik heb in het algemeen niet veel op met muziek van live optredens, maar die van MTV mogen er zijn. Laat ik voor deze punk-plaat van Nirvana: “MTV Unplugged in New York” (uit 1993?) eens over mijn hart strijken. Ze telt veertien nummers:
01.About a girl
02.Come as you are
03.Jesus doesn’t want me for a sunbeam
04.The man who sold the world
05.Pennyroyal tea
06.Dumb
07.Polly
08.On a plain
09.Something in the way
10.Plateau
11.Oh, me
12.Lake of fire
13.All apologies
14.Where did you sleep last night
Allereerst: refereert dat “Where did you sleep last night” op het t-shirt dat mij woensdagavond op Las Canteras passeerde, aan het laatste nummer op de Nirvana-plaat? Dat gezegd hebbend vertel ik jullie in een moeite door dat ik “MTV Unplugged In New York” best een aparte compilatie vind. Zes nummers ken ik ook van “Nevermind” en”In Utero”, de rest is nieuw voor mij. In het linkerrijtje noteer ik “Come as you are”, “Dumb” en uiteraard “Something in the way”, maar ook “Jesus doesn’t want me for a sunbeam” (sunbeam = zonnestraal), “Plateau” en “Lake of fire”. Bij nader inzien valt de punkmuziek me best mee, mits je er maar de juiste artiesten bij zet.>BR>
Als ik de CD “MTV Unplugged in New York”van Nirvana voor de tweede keer op heb staan, is het kwart over 11 en is de tijd voor de regionale zang- en dansgroep aangebroken om me weer te komen teisteren op het balkon. Sodeju, wanneer houdt het geblèr op de zaterdagmorgen weer eens op? Ik heb nu twee mogelijkheden: compleet inbinden en naar het achterhuis gaan of de deur naar het balkon dichthouden en aan de laptop plaatsnemen. Deze zaterdagmorgen kies ik voor inbinden en ga me douchen, inclusief mijn gemillimeterde haar wassen. Wel zoek ik eerst nog even een CV van niks van Curt Cobain bij elkaar en welke andere studio-albums Nirvana heeft gefabriceerd (“Bleach” dus).
Soms kom je in een boek iets tegen waarvan je denkt: dat verdient een plek in mijn weblogbrief. Op blz. 362-363 in boek 3 van deze week, zie verder beneden, wordt de etymologie van het Engelse woord “junkie” (“junky” mag ook) uit de doeken gedaan. Het woord is al meer dan honderd jaar oud, uit de tijd dat de eerste heroïneverslaafden oud ijzer uit de haven van Philadelphia pikten en het verkochten om hun verslaving te kunnen betalen.
En dan is er natuurlijk op zaterdagavond de finale van de “Copa Del Rey”, de bekerfinale. De twee kemphanen zijn net allebei uit de Champions League geknikkerd en vanavond is hun goedmakertje. Sevilla heeft onlangs aan het kortste eind getrokken tegen Bayern München, dat nu dit jaar volgens mij Europees kampioen gaat worden. Over de 3-0 nederlaag van Barcelona in en tegen AS Roma wil ik het liever niet meer hebben. Om half 9 zit ik bij El Palikeo voor de buis, op de eerste rij met naast me een gitzwarte fan van Barça in een Leo Messi truitje. Het strijdtoneel is het (denk ik) uitverkochte stadion van Atletico Madrid, met ook “El Rey Felipe VI” op de tribune.
Wat zal ik er eens over zeggen, als jullie de uitslag al kennen. Een paar weken terug heeft Barcelona nog net aan gelijk kunnen spelen tegen Sevilla, maar deze keer is het echt kat en muis. In het doel bij Barcelona in bekerwedstrijden staat als een rots in de branding Jasper Cillessen, die in minuut 14 na een aanval van Sevilla de bal keihard tot voorbij de middenlijn trapt. Daar vangt Coutinho hem op, loopt door en passt hem dan naar Suárez die vlak voor het doel gereed staat. Hij laat zich zo’n kans niet ontnemen: 1-0. Messi komt maar niet in zijn ritme en heeft er ook last van dat de grensrechter aan de kant van Sevilla’s keeper bij herhaling zijn vlag in de lucht steekt, als het nog net geen buitenspel is. In minuut 27 puntert de uitblinkende – vind ik ook - Iniesta de bal onderkant lat van bijna een metertje of twintig, net niet. Het wachten is daarmee op minuut 31, als Messi, op een mooie hakbal van Jordi Alba, toch de 2-0 binnen schiet. Suárez maakt er in minuut 40 met een mooie doorloopbal 3-0 van en wij van het terras weten: het is eigenlijk nu al einde match.
In de rust is deze keer weinig reclame, zelfs wat algemeen nieuws, omdat de wedstrijd door TVE wordt uitgezonden. Daarna is in de tweede helft eerst Iniesta aan de beurt met nummertje 4 na een pass van Messi en tenslotte mag Coutinho na een penalty wegens hands de 5-0 intikken. Iniesta krijgt vlak voor het einde een applauswissel – en terecht! Ik zie de onderdeur als aanvoerder even later de diverse bobo’s en ook El Rey een hand geven. Vervolgens mag hij met de nieuw verworven beker, bijna net zo hoog als hijzelf, naar het veld aflopen, waar de andere spelers en staf hem al staan op te wachten. Het is tijd voor een gezamenlijk op en neer dansje, maar dan sta ik op om balkonwaarts te keren.
Op zondagmiddag maak ik na mijn warme middageten (zondag, wat wil je!) een begin in een nieuw boek, maar na enkele tientallen bladzijden denk ik dat ik het al eerder gelezen heb. Ik lees nog een hoofdstuk of zo door, maar dan is het zeker. Het zal een aantal jaren terug zijn, maar toch. Dus begin ik dapper aan een ander.
De zondagavonden laat zijn ook in Las Palmas vooral geschikt om naar Arjan Lubach te kijken, desnoods naar iets met voetballen. Ik vang de luwte op door weer eens een DVD-film op te zetten (met drank en nootjes erbij). Deze keer is “12 monkeys” (“doce monos” in het Spaans) aan de beurt, van Terry Gilliam. Hij is uit 2003 met in de hoofdrollen Bruce Willis, Madeleine Stowe en Brad Pitt. De film krijgt in het Spaans als motto mee: “El futuro es historia”, de toekomst is geschiedenis. Daar word ik niet echt wijzer van. Laat ik liever maar gewoon gaan kijken.
Er zijn in 2035 nog maar weinig mensen over en die zitten ook nog eens elders, niet meer op de aarde. Dat komt, omdat in 1997 een onbekend virus de wereldbevolking voor 99% heeft uitgeroeid. James (Jim) Cole, gespeeld door Bruce Willis, wordt terug in de tijd gestuurd, eerst foutief naar 1990, ook nog even naar 1917, maar uiteindelijk is hij dan toch waar hij zijn moet: in het najaar van 1996. In Philadelphia gaat hij besmette insecten vangen, waartegen dan – als hij weer terug is – een vaccin kan worden gemaakt, dat de ramp van 1997 ongedaan kan maken. Op zijn speurtocht naar de juiste beestjes wordt hij geholpen door psychiater Kathryn Railly ( Madeleine Stowe), terwijl ook de knotsgekke Jeffrey Goines (Brad Pitt), zoon van een bekende viroloog, een duit in het zakje doet. Jeffrey leidt een groep mensen tegen dierenleed, het leger van de 12 apen, en blijkt met het dodelijke virus niks van doen te hebben, blijkt gaandeweg. De boosdoener is een roodharige man die het over de wereld gaat verspreiden.
Ik vind “12 monkeys” best een aardige film, maar overhouden doet hij niet. Er wordt best adequaat geacteerd, maar vooral de verhaallijn is niet helemaal waar ik enthousiast van wordt. Als Laura op 2 mei weer komt poetsen, mag ze de DVD wat mij betreft meenemen (en ook diverse andere films die ik niet nog eens hoef te zien).
En dan is het al weer maandag en mag ik voor de 26ste keer de brui eraan geven. Vanmiddag ga ik deze brief aan jullie weer versturen op de universiteit en daarna ga ik een potje bakkeleien met Aleida, Jorge en de andere student, die ik pas maar een keer gezien heb. Als het aan mij ligt, gaan we het dan in ieder geval ook over het nut van yoga bij astmatische bronchitis hebben. Jullie zijn als mijn publiek weer a.s. vrijdag 27 april aan de beurt, als El Rey De Holanda 51 wordt.
In de tussentijd verlang ik wel dat jullie je zomerse kleren weer opbergen. Ik weet het: de afgelopen dagen was het in Nederland warmer dan hier en vanmorgen regent het hier zelfs een beetje. Dat moet en gaat veranderen, laat daar geen misverstand over zijn. Op het Onze Lieve Vrouweplein en in het Beatrixpark hoort het minstens tien graden kouder te zijn dan op Las Canteras. Verder wens ik het kort te houden: “haw pin!” Tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Om redenen die ik maar gedeeltelijk kan begrijpen, heb ik niet erg veel op met schrijver John Grisham. Komt het, omdat ik enkele verfilmingen van zijn boeken niet helemaal je dat heb gevonden? Wil ik me en beetje afzetten tegen mensen die deze Amerikaanse schrijver boven aan hun verlanglijst hebben staan? En toch, als ik de afgelopen week een boek van hem op mijn e-reader zie staan, “Sycamore Row” uit 2013, in Nederlandse vertaling “De Erfgenaam”, kan ik het niet laten om eraan te beginnen. Het verhaal speelt in 1988-1989 in een plaatsje van niks, Clanton in Ford County, in de staat Mississippi. De dichtst bijzijnde grote steden zijn Tupelo en Memphis.
Het plaatsje zit vol met advocaten, maar veel te verdienen valt er voor hen niet. Dan hangt de doodzieke (longkanker) Seth Hubbard, geschat vermogen 24 miljoen dollar, zich op. Advocaat Jake Brigance die eerder een zwarte vrij heeft gekregen in de nog steeds door blanken gedomineerde staat, krijgt postuum een brief van hem met een handgeschreven vers testament. Daarmee onterft Seth Hubbard zijn twee kinderen (plus kleinkinderen) en laat bijna al zijn geld na aan zijn huishoudster Lettie Lang. De twee kinderen: Herschel en Ramona (en haar man Ian), zijn furieus over de testamentwijziging en nemen dus een vracht advocaten in de arm om het nieuwe testament aan te vechten.
Jack Brigance krijgt bij het daarop volgende proces steun van administrateur Quince Lundy, politieman Ozzie Walls, collega-advocaat Harry Rex Vonner, zatlap en ex-advocaat Lucien Wilbanks en dochter Portia van Lettie Lang. Bij de tegenpartij – oorspronkelijk een hele horde advocaten – trekt advocaat Wane Lanier uiteindelijk de zaak naar zich toe. Rechter Reuben Atlee is niet te beroerd om zich geregeld eveneens met de procesgang te bemoeien. Hoe verloopt het proces, voor een twaalfkoppige jury? Wane Lanier en zijn mensen (vooral Myron Pankey) blijken een paar akelige troeven in de hand te hebben om Jake Brigand en Lettie Lang te vloeren. Dan komt Lucien Wilbanks op de proppen met een getuigenis van Seth’s jongere broer Ancil. Die noemt zich sinds ruim vijftig jaar Lonny Clark en weet de zaak weer compleet de andere kant op te trekken door een voorval in 1930, bijna zestig jaar eerder, toen Ancil en ook Seth nog kinderen waren. Is het laatste woord aan rechter Reuben Atlee, als die een schikking voorstelt?
Ik heb echt genoten van John Grisham’s boek “De Erfgenaam”; het is niet anders. Ik ben bekend met prima rechtbankverhalen van andere thrillerschrijvers zoals John Turow en Michael Connelly, maar het gedoe rond dit erfrechtproces vind ik zonder meer prachtig. Wat is het een spannend verhaal en dat laat ik een aantal zijlijnen, hoe interessant ook, nog maar even voor wat ze zijn. Mijn hoge recensiecijfer krijgt alleen op het einde een mini-deukje, als de gebeurtenis van heel lang geleden mij als ietsje te definitief wordt gepresenteerd. John Grisham’s “De Erfgenaam” gaat terug in de bijzondere thrillerkast met een 8½ als recensiecijfer. Van nu af aan ga ik ook andere boeken van hem lezen. Ik vrees dat ik er een favoriete schrijver bij heb.
Gaan we naar nummertje 2. Dat is een boek dat veel minder dik is,niet meer dan zo’n 200 bladzijden, als ik de foto’s snel bekijk en de uitgebreide verantwoording weglaat. Van Annejet van der Zijl heb ik eerder al biografieën gelezen, o.a. over prins Bernhard en Annie Schmidt. Waarom ze ook “De Amerikaanse Prinses” heeft gedaan, was mij een beetje een raadsel. De achtergrond blijkt te zijn dat ze bij haar onderzoek naar het leven van de jonge Bernhard (met een promotie in 2009) vanzelf op Allene Tew stuit en dan denkt: aan die geslaagde dame ga ik ook een boek wijden. Dat vraagt dan vanzelf om een recensie. Het boek is uitgekomen in 2015 en speelt op allerlei plekken, vooral Jamestown bij Newport, Pittsburgh en New York in de V.S. en Parijs en de Rivièra in Frankrijk.
Hoe maak je een resumé van een biografie zonder dat je de sjeu ervan prijs wilt geven? Laat ik het lange leven van Allene Tew, van 1872 tot 1955, doorlopen aan de hand van haar huwelijken. Het enigszins losgeslagen meisje begint haar leven in een arm gezin in een plaatsje van niets, Jamestown. Daar loopt ze rijkaard Tod Hostetter tegen het lijf, waarna ze met hem naar New York verhuist. Ze trouwen in 1890, Allene’s leven – plotseling in rijkdom – kan niet op. Dan blijkt de man met zijn zeilboot en jachtclub ook een eeuwige gokker te zijn, die daar uiteraard aan onderdoor gaat. Allene en Tod krijgen drie kinderen, van wie er ééntje direct dood gaat. In 1901 scheiden ze en het jaar erop gaat Tod dood, op 32-jarige leeftijd.
Allene’s tweede man heet Morton Nicols en hij is nog veel welvarender dan Tod. Ze trouwt met hem in 1904 en maakt dan met hem een wereldreis van een jaar. Ook het nieuwe huwelijk houdt maar beperkte tijd stand, tot 1909. Dan komt echtgenoot 3 in beeld, Anson Burchard. Eigenlijk is deze ingenieur van General Electric de eerste met wie Allene echt een duurzame relatie heeft. Helaas overlijden in die tijd wel allebei haar kinderen: Teddy als piloot in “de grote oorlog” en Greta aan de Spaanse griep. Haar jaren met Ansom zijn niettemin best gelukkig, tot hij plotseling de geest geeft in 1927, op 62-jarige leeftijd.
Allene is het schoolvoorbeeld van nooit de moed laten zakken, je steeds opnieuw aanpassen aan een verandering (voor details: zie Charles Darwin). Ze verhuist na de dood van Ansom Burchard naar Europa, waar ze in 1929 de vrouw wordt van Zuid-Duitser Henry Reuss. Vanaf nu mag ze zich prinses noemen, vanwege diens adellijke titel. Reuss heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk; eentje, Marlisa, heeft een bloedhekel aan Allene, maar de andere, Heiner, en Allene mogen elkaar wel. Als Henry Reuss doodgaat, is in 1936 Paul Kotsebue aan de beurt, nummertje 5. In diens omgeving komt ze – op bladzijde 175 voor het eerst – ook Bernhard zur Lippe Biesterfeld (Bernilo) tegen, als die zich aandient in Allene’s luxe woning in Parijs. Vanaf die tijd zijn de Oranjes voor de tweede keer in beeld (eerder ook al, als Henry Reuss aanspraak op de Nederlandse troon wil maken, als het lijkt dat Wilhelmina geen kind kan krijgen).
Op 68-jarige leeftijd neemt Allene het huis over van “Mrs. Astor” in Newport (die haar eerder niet mocht) en later, als ze al bijna 80 is, koopt ze ook een huis in Cap-d’Ail aan de Rivièra. Ze overlijdt aan maagkanker in 1955, waarna – het lijkt wel een boek van John Grisham, zie boven – acht jaar touw getrokken wordt over de aanzienlijke erfenis. Met succes blijkt Allene drie jaar vóór haar dood de neven, nichten en dergelijke van de Tews onterfd te hebben ten gunste van echtgenoot Paul Kotzebue (Rus), stiefzoon Heiner Reuss (Duitser) en Kitty, de ex-vriendin van Teddy.
Geloof het of niet, maar ik heb “De Amerikaanse Prinses” van Annejet van der Zijl in twee dagen uitgelezen en met het nodige plezier. Of ik sindsdien een verhoogde interesse heb in het leven van financieel geslaagde mensen, betwijfel ik zeer, maar vooral leuk heb ik het boek best gevonden. Het heeft een goede beschrijving van één mens in een lange geschiedenis: in een kustplaatsje, WOI. de roaring twenties, de beurskrach, de crisisjaren en antisemitisme, WOII, het nieuwe elan. Ik heb er als recensiecijfer zo maar een 8 voor over.
Ik heb er nog een voor deze, mij zo dierbare rubriek. Als je een hele week min of meer op jezelf bent aangewezen, wat let je dan om na boek 2, zeker als dat niet erg dik is, stante pede aan een nieuw te beginnen. Dus is hier ook nog mijn bespreking van “De Schim” (in het Noors: Gjenferd) van de Noorse thrillerschrijver Jo Nesbø. Ik ben deze winter echt aan een inhaalrace met hem bezig, lijkt het wel. De Schim – ik heb het als echt boek gelezen – is van 2011 en speelt uiteraard in Oslo. Terzijde verwijst “De schim” denk ik vooral naar een uitspraak op blz. 144: “De gevangenis is erger dan de dood. De dood is gemakkelijk, die maakt je ziel vrij. Maar de gevangenis eet je ziel op tot er geen mens meer in je zit. Tot je een schim bent geworden”.
Harry Hole, net terug ook het Verre Oosten, wordt geconfronteerd met de dood van Gusto Hanssen, een jongen die verslaafd is aan een variant van heroïne, genaamd violine. Datzelfde geldt voor zijn vriendje Oleg, de 18-jarige zoon van Harry Hole’s voormalige vriendin Rakel, en Gusto’s stiefzusje Irene. Komt de violine van elders of gewoon uit Oslo, uit het Radiumhospitaal? In ieder geval wordt de motorclub van Los Lobos die gewone erg versneden heroïne aan de man en vrouw brengt, erdoor buitenspel gezet ten gunstige van een Russisch gezelschap van ene “Dubai”, zijn twee kozakken en anderen. Harry Hole krijgt bij zijn naspeuring hulp van Rakel’s nieuwe vriend Hans Christian Simonsen en verder o.a. Martine Eckhoff van het Leger des Heils. In de semipolitiek, waarvan het boek doortrokken is, treffen we wederom Mikael Bellman aan, nu hoofd van Georganiseerde Criminaliteit, diens rare vriend Truls Berntsen en gemeente secretaris Isabelle Skøpen. De dame lust er wel pap van, en dan heb ik het niet alleen over paarden, maar nog meer over seks. Komt Harry Hole te weten hoe de vork in de steel zit?
Als het over sfeertekening gaat, is Jo Nesbø mijn man. Hij weet voor de zoveelste keer een akelig spannend verhaal neer te zetten, dat ik prima leesvoer heb gevonden. Maar tegelijkertijd vind ik ook dit epos (539 blz.) net als andere van hem ietsje aan de lange kant en ben ik ook weer blij, als ik er helemaal doorheen ben. Als recensiecijfer krijgt “De Schim” van mij een 7½, in orde, maar net niet je dat. Ik heb er nog meer van Jo Nesbø liggen die t.z.t. ook voor een beurt in aanmerking komen.
Abonneren op:
Posts (Atom)