Weblogbrief 14.07, 14 december 2018
Queridos amigos y familia, daar ben ik al weer, niet meer dan vier dagen na mijn vorige brief. Ik heb over de afgelopen dagen best nog het nodige aan jullie te “verdutsen”. Daar gaan we, terug in de tijd.
Op de heenweg naar de gezondheidsfaculteit afgelopen maandag is het druk, maar ik heb wel een mooie zitplaats. Onderweg verrast El Corte Inglés me met een aparte reclame: “La ilusión de regalar”. “Ilusión” staat niet alleen voor illusie, waandenkbeeld, maar ook voor droom. Het gaat dus om “de droom om een cadeau aan iemand te geven”.
Op de universiteit post ik eerst mijn brief 14.06 aan jullie (en maak voor mezelf een kopie op de printer). Dan mail ik Ton dat ik een behoorlijke portie “zoervlies” zal bewaren voor met kerstmis. Een man alleen moet wat! Dan zijn Harry’s clips aan de beurt. Deze keer ben ik nogal gecharmeerd van een half uur museum RockArt in Hoek van Holland. Diverse mensen die geïnterviewd worden, o.a. Johan Derksen, zijn van mening dat het museum met vooral overheidsgeld verplaatst moet worden naar de residentie, “O o Den Haag mooie stad achter de duinen”. Jaap & Jacqueline Schut die het meeste aan de zaak trekken, komen uitvoerig in beeld.
Een mooie andere clip komt voor rekening van bluesmuzikant Daniel Castro. Hij is uit Ensenada in Baja California en ik neem maar aan dat dat in Mexico is. Zijn versie van “I’ll play the blues for you” doet me er hevig naar verlangen – net als vorige keer met Gary B B Coleman met zijn “The sky is crying” – om eens een hele (overzicht) cd van de man in mijn computer te installeren. Prachtig!
Via de clips van Harry kom ik aan de rechter zijkant uit op een college, vijf keer een kwartier, van Ralph Wijers voor YouTube site Universiteit van Nederland. De man, al aardig kaal en met een hoge stem, is professor in de sterrenkunde. Hij legt in voor mij begrijpelijke taal het een en ander uit over de oerknal, 14 miljard jaar geleden. Het begin is niet meer dan een heel gloeiende prop ter grootte van een pompelmoes (grapefruit voor de jongeren). Die springt uit elkaar, alle kanten op en zo ontstaat ons heelal. Dat wordt steeds omvangrijker, als een ballon die steeds verder opgeblazen wordt, waarbij de snelheid van uitzetting toeneemt. Wat we nu zien in de hemel, zijn allerlei planeten, sterren en melkwegen van nu, maar vooral van vroeger en heel vroeger. Hoe kleiner ze zijn, des te verder weg. In totaal zouden er, als ik het goed heb onthouden, zo’n 100 miljard melkwegen in ons heelal zijn, ieder met zijn eigen legio zonnen met daaromheen weer planeten. We zien overigens maar een klein deel (4%) plus zwarte stof (23%) van het totaal; de rest blijft verborgen. Volgens Ralph Wijers – en die kan het weten – is er vóór de oerknal niks. Interessant is de zijvraag of er nog meer heelallen zijn, ontstaan uit andere oerknallen.
Daarna lees ik Harry’s artikel over popster Stevie Nicks. Het meisje uit Phoenix, Arizona, geboren in 1948, maakt haar eerste plaat samen met Lindsay Buckingham in 1973 en treedt daarna samen met hem toe tot Fleetwood Mac. Vanaf 1976, nog vóór de opnames van de beroemde LP “Rumours” is ze al verslaafd aan de cocaïne. Ze houdt ermee op, als haar neus bijna van haar gezicht af is gevallen. Omdat ik de diverse clips bij het artikel nog moe bekijken, lijkt het mij raadzaam om mijn mening tot a.s vrijdag uit te stellen – iets voor mijn volgende brief.
Als ik ‘s avonds mijn appartement binnenkom en de keuken betreed, zie ik mijn eerste kakkerlak van de winter in huis. Hij of zij is zo’n vier centimeter lang en loopt onder een mooi donkerbruin schild, als hij mij doorheeft, steeds rapper. Ik heb mijn schoenen nog aan en terwijl hij naarstig op zoek is naar een veilig heenkomen, vermorzel ik hem onder mijn rechterschoen.
Vraag: stel het is een zwanger vrouwtje. Verspreid ik dan nu de eitjes door het huis en kunnen zo later weer nieuwe jonge kakkerlakken in huis komen te zitten? Mag ik hem (haar) ook niet gewoon in de prullenbak doen, omdat een dode kakkerlak soortgenoten aantrekt? Met de eenvoudige hulp van het internet kom ik er niet uit of het broodjes aap verhalen zijn of dat ik beter rekening kan houden met de volkswijsheden.
De dinsdagmorgen begin ik maar weer eens met vanaf mijn balkon naar beneden te kijken naar de spelende kinderen. “De Francesco” en “Don Manué” aan de overkant zijn vandaag dicht, maar bij Carlos is daardoor misschien wel des te meer reuring. Ik zie een meisje zitten met een cortado (koffie met drupje melk) voor zich. Ze is het gapen kennelijk nog niet verleerd. Dan zie ik op haar T-shirt staan: “I don’t want to wake up”. Daarvan lijkt me een vertaling niet nodig.
Mijn vermaledijde sok is terecht! Normaliter loop ik hier in huis en op straat zonder sokken. In het vliegtuig hierheen begin november heb ik echter wel nog sokken aangehad. Na het wassen ervan een paar dagen erna wist ik er nog maar eentje terug te vinden en hoe ik toen ook heb gezocht, de andere leek definitief het hazenpad te hebben gekozen.
Vanmorgen doe ik een schone korte broek aan, mijn blauwwitte, en wonder boven wonder, daarin zit ie netjes verstopt. In mijn huis kan je je als sok wel weg te maken, maar eens ontdek ik je toch (net als de kakkerlak gisteravond).
Het is intussen al middag, als ik denk dat het echt tijd wordt voor wat opbeurende “arbeidsvitaminen”. Ik heb Amerikaan John Moreland hier al eens een beurt gegeven, maar nog een kan volgens mij bij hem geen kwaad. De man is intussen 33 jaar, echt jong nog, en qua postuur ben ik vergeleken met hem nog steeds een iel mannetje. Deze keer kies ik voor John Moreland’s “In the throes” uit 2013. Hier zijn ze tien nummers:
01. Blacklist
02. Blues & kuzdu
03. Break my heart sweetly
04. God’s medicine
05. Gospel
06. I need you to tell me who I am
07. Nobody gives a damn about songs anymore
08. Oh Julia
09. Your spell
10. 3:59 AM
Het blijft een wonderlijke vent, die John Moreland. Zijn muziek is naar mijn onbescheiden mening erg goed, op deze plaat vooral de nummers 1, 3, 4, 5, 8 en 9. Als ik al niet thuis was hier, zou ik zeggen: met die muziek kan ik thuiskomen. Ik heb nu al zeven cd’s van hem, de eerste uit 2008 - toen was hij 23 – en ik kijk alweer uit naar zijn volgende.
Als ik ‘s avonds bij La Oliva door mijn nu.nl berichten loop, valt me vooral het gemekker in het Verenigd Koninkrijk op. Wat een pantomime! In de Britse politiek is kennelijk geen meerderheid te krijgen voor het compromisvoorstel over de Brexit, dat premier en leidster van de “conservative party” Teresa May met haar mensen bij de Europese Unie in Brussel bedongen heeft met oeverloos onderhandelen. Vooral over Noord-Ierland is er nog blijvende, grote onenigheid. Wat doet de weifelende dame nu? Ze gaat nu overal in Europa bij staatshoofden op de koffie of thee langs om wie weet nog weer eens een extra toezegging te krijgen, na alle gerek en getrek in de afgelopen jaren. Dan moet je iemand als Juncker of Merkel zijn om nou eens klip en klaar tegen de niet zo ijzeren dame te zeggen dat de tijd van onderhandelen voorbij is. Het is nu dit compromis of helemaal niks. Teresa May overleeft wel een stemming binnen haar partij om haar af te zetten, maar als ze al enige ruggengraat had, is die weg. Achteraf gezien hadden de Britten misschien toch maar beter in de Europese Unie kunnen blijven.
Eerder heb ik jullie uitgelegd dat een “mecedora” een schommelstoel is. Kom ik langs een van de vele zandsculpturen op Las Canteras, een niet door de overheid gesponsorde, en daar lees ik: “Gracias a su mecenazgo”. Wat is dat nou weer? Volgens mijn onvolprezen diccionario is het Algemeen Beschaafd Spaans voor begunstiging, sponsoring, met hetzelfde begin als “mecenas”, sponsor. Dat jullie het maar weten.
Alweer terzijde, waarom is dat dankjewel voor “gracia” steevast in het meervoud? Wat is er mis met het enkelvoud? Volgens mijn woordenboek staat dat voor gunst, charme, gratie, geestigheid en vriendelijkheid. Die woorden zitten voor mij allemaal best in de buurt van “dankjewel”. “Mucha gracia”, beste lezers.
December is voor mij de maand dat families dicht op elkaar kruipen. In stijl komen Trudie en Math op zondag de 23ste met de kinderen en kleinkinderen bij elkaar in Eindhoven voor de kerstdis. Hier is vooral de 24ste ´s avonds, ook al is het een maandag, het moment om de familiebanden weer eens strak aan te halen. Het is een verplicht nummer voor bijna alle mensen in Las Palmas die ik ken.
Zelf heb ik een uitnodiging binnen om dan de boot naar Santa Cruz de Tenerife te nemen en daar op de 24ste – als genode gast, “invitado” – de jaarlijkse aanstaande geboorte van de Here Jezus te vieren bij Noé thuis, met diens familie. Ongelovige als ik ben (Noé trouwens ook) heb ik de uitnodiging beleefd afgeslagen, maar vereerd ben ik wel. Ik prefereer om die maandagavond op mijn balkon te zitten met een drankje en een mooi boek. En als het weer onverhoopt tegen mocht zitten, kan ik altijd nog een mooie film op mijn laptop kijken.
Betekent dat het einde voor mijn relatie met Noé, omdat hij vanaf begin januari (uiteraard pas na Driekoningen) definitief naar Madrid verhuist om daar bij het reumatologisch genootschap zijn brood te gaan verdienen? Nee, gelukkig niet! Er staat mij op 28 december sowieso eerst nog een groepsmaaltijd te wachten met Noé en zijn vele vrienden hier in Las Palmas. Die is voorgeprogrammeerd in Koreaans restaurant Kim’s Pojanmacha. Het is een idee van smulpaap Juli om daar samen te gaan eten (en drinken uiteraard). En waar is de nering gesitueerd? Daarvoor hoef ik maar bij mij de hoek om te lopen op de Secretario Artiles. Ik zou er bij wijze van spreken in mijn pyjama heen kunnen, zo dichtbij is het.
Als ik er woensdagavond alvast eens langs loop, zie ik op de hoek van de Secretario Artiles met de Alfredo Jones alleen maar een klein bord met uitheemse tekens, kennelijk Koreaans, en zeer dichte deuren. Niettemin wordt mij door Noé en anderen verzekerd dat het daar op de 28ste ‘s avonds goed toeven is.
Op de donderdag ga ik jullie eens verslag doen van alle fotografische kunst op mijn prikbord, dat aan de muur bij het voeteneind van mijn bed hangt. Aan top zie ik een foto van Lux & Dalí op een glijbaan, een fotootje van Trudie samen met mijn kleinkinderen in een parkje en een recente uitvergroting van Trudie (genomen door Greetje). Daaronder zijn van links naar rechts een foto van mijn favoriete viertal rechtstreekse familie uit Amsterdam-Zuid, met Eva en Jan Willem, dan een kleintje van mij tussen de neptulpen bij het Guggenheim-museum in Bilbao, eentje van Wil Gijsen omringd door Maastrichtse buschauffeurs en afdrukken van mijn aangetrouwde kleinkinderen uit Eindhoven (Tygo, Renske & Anoek als Sinterklaas en Zwarte Pieten) en Amby (Yves & Raúl aan een muziekinstrument). Onder de tekst van het nieuwe carnavalsliedje (Ech woer! Jeh jao!) dat er ook hangt, zitten mijn achterneefjes Julien & Luno op een soort van tandem. De fel gekleurde overzichtstentoonstelling wordt gecompleteerd met de poster die ik van Eva in oktober kreeg: een intens gelukkig gezinnetje met twee katten.
Eigenlijk zou ik een foto moeten maken van het prikbord en die bij deze brief voegen, maar ik weet niet goed hoe ik die ergens in mijn blog geplakt krijg. Dus doen we het met tekst.
Dan is het nu tijd om jullie te vertellen over een boek dat ik zo nuttig vind dat ik mijn bespreking ervan gewoon in deze tekst zet en niet in mijn altijd interessante boekenbijlage. Ik krijg het, voordat ik naar hiero afreisde, cadeau van Susanne en Peter; het was een aanrader in een van de Medisch Contacten. De titel is “Factfulness”, in Nederlandse vertaling “Feitenkennis”, met als ondertitel: “10 redenen waarom we een verkeerd beeld van de wereld hebben en waarom het beter gaat dan je denkt”.
Het boek is vlotjes geschreven door de Zweed Hans Rosling, met plaatjes (bubbels) van zijn zoon Ola en schoondochter Anna. Kent iemand van jullie Hans Rosling? Ik moest passen, ben min of meer blanco aan het boek begonnen. De man is in 1948 geboren in Uppsala, waar hij later ook statistiek en geneeskunde studeert. Daarna gaat hij als naar India en Mozambique. Vanaf 1997 is hij Professor Internationale Gezondheidszorg in Stockholm. Met Ola & Anna richt hij in 2005 de Gapminder Foundation op, om de onwetendheid van het echte wereldbeeld te bestrijden. Intussen is hij met zijn lezingen de hele globe al de nodige keren afgereisd. Volgens Time behoort hij in 2012 tot de honderd invloedrijkste mensen ter wereld. Een aantal jaren terug besluiten Hans, Ola & Anna om hun verhaal ook in een boek vast te leggen. Als het boek in concept klaar is, overlijdt Hans Rosling voortijdig aan alvleesklierkanker in 2017. Postuum komt het boek “Factfulness” uit in het voorjaar van 2018. Het boek overal promoten is Hans Rosling niet meer gegeven, maar Ola & Anna zetten het werk voort.
Dit is niet een boek om even met een paar zinnetjes af te handelen. Het begint al direct, als mij dertien vragen met drie antwoordcategorieën worden voorgelegd. Als ik die over de opwarming van de aarde volgens de klimaatexperts weglaat, houd ik een twaalftal over, allemaal over grote onderwerpen, waarvan ik net zoveel antwoorden goed blijk te hebben als de eerste de beste aap. Hier zijn ze:
01. Hoeveel meisjes in de lage inkomensklasse maken de basisschool af?
02. Waar woont het grootst deel van de wereldbevolking?
03. Hoe verandert in de afgelopen 20 jaar het deel van de wereldbevolking in extreme armoede?
04. Wat is nu de levensverwachting in de wereld?>BR>
05. Nu zijn er 2 miljard kinderen van 0-15 jaar. Hoe is dat in 2100?
06. Volgens de VN zijn er in 2100 4 miljard meer mensen. Zijn dat vooral kinderen (0-15), volwassenen (15-74) of oude mensen (boven 75)?
07. Hoe is de afgelopen 100 jaar de verandering van het aantal slachtoffers door natuurrampen?
08. Hoe is de verdeling van de huidige 7 miljard mensen over de continenten?
09. Hoeveel eenjarigen zijn nu ingeënt tegen een ziekte?
10. Wereldwijd hebben mannen 10 jaar op school gezeten. Hoe is dat bij vrouwen?
11. In 1996 golden tijgers, reuzenpanda’s en zwarte neushoorns als bedreigde dieren. Hoe is dit nu?
12. Hoeveel procent van de mensheid heeft enige toegang tot elektriciteit?
Probeer zelf maar eens de goede antwoorden op te lepelen. Ik neem aan dat je vervolgens alle antwoorden op deze Gapminder Test gemakkelijk kunt vinden op de site van Gapminder dan wel op bijv. dollarstreet.org. Wie er niet uitkomt, kan de antwoorden ook van mij krijgen.
Veel van wat Hans Rosling beweert, hangt volgens hem samen met inkomens en de verdeling ervan. Hij begint zijn boek ongeveer met de verzuchting dat er al lang geen kloof meer is tussen de ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Ons idee daarover dateert van vijftig jaar terug, toen de mensen in bijv. het verre oosten nog grotendeels in grote armoede leefden. Vandaag de dag kunnen we veel beter uitgaan van vier inkomensniveaus, met als afkappunten 2, 8, en 32 dollar per dag. India en zeker China zaten in 1965 nog op niveau 1 en dat hebben ze al lang verlaten. Ze zijn overgestoken naar niveau 2 en 3, waar trouwens de overgrote meerderheid van de wereldbevolking nu zit. Op niveau 1 (blote voeten, geen eigen water, koken met brandhout, dorre grond, geen medicijnen) bevinden zich nog maar 700 miljoen mensen (van de ruim 7 miljard), nog geen 10 procent. In 1966 was dat nog 50% en in 1800 85%. De wereldbevolking is er de laatste eeuwen gestaag maar onmiskenbaar op vooruit gegaan en niet zo’n beetje ook! Een van de belangrijkste opgaven voor de komende tijd is om ook de kleine minderheid van landen op niveau 1, zoals Somalië, Congo, Mozambique en Afghanistan, naar minstens niveau 2 te gaan tillen.
De vier niveaus worden aansprekend uitgelegd op blz. 44-47 in het boek. Het blijkt dat allerlei belangrijke gezondheidskenmerken niets of nauwelijks van doen hebben met cultuur of religie, maar over de hele wereld bovenal met het inkomen. Voorbeeld: wie rijk is, neemt minder kinderen. Dat geldt zowel voor de “heidenen”, de hindoes, de christenen als de islamieten.
De Roslings komen met een lijst van tien vooroordelen die ervoor gezorgd hebben dat mensen (ook slimme mensen) met een totaal verkeerd beeld van de werkelijkheid zitten opgescheept. Het boek is volgens dat stramien (instincten) in tien hoofdstukken verdeeld. Op blz. 264 wordt een en ander nog eens voor mij samengevat:
01. Kloof. Zoek naar de meerderheid.
02. Negativiteit. Reken op slecht nieuws.
03. Rechte lijn. Lijnen kunnen buigen.
04. Angst. Bereken de risico’s.
05. Grootte. Zie dingen in verhouding.
06. Generalisatie. Zet vraagtekens bij je categorieën.
07. Noodlot. Langzame verandering is ook verandering.
08. Één perspectief. Zorg dat je een gereedschapskist krijgt.
09. Zondebok. Wijs geen schuldige aan.
10. Urgentie. Zet kleine stapjes.
Als concrete voorbeeld geldt volgens Hans Rosling de bankencrisis tien jaar terug. Die kun je niet zo maar op het conto van de CEO’s of raden van bestuur van de grote banken schuiven, zelfs niet op dat van de aandeelhouders. Daaronder zit het geld van onze pensioenfondsen.
Nog eentje? De mensensmokkelaars zijn volgens hem bepaald niet de enige schuldigen, als het over al die bootjes gaat die van Syrië en Libië onze Europese kant op komen en soms zinken. Daarvoor moet je bijv. ook kijken naar het beleid op onze vliegvelden ten aanzien van de vluchtelingen: oorlogsvluchtelingen en gelukzoekers. Die zijn per persoon moeilijk uit elkaar te houden aan de grens en worden dus in veel te groten getale provisorisch binnengelaten.
Nog een derde voorbeeld? Dan neem ik er eentje waarbij ik er helemaal naast heb gezeten. De wereldbevolking neemt volgens Hans Rosling niet exponentieel toe, zoals in bijv. een boek van Dan Brown gesuggereerd wordt. In 2100, als inkomensniveau 1 nagenoeg is uitgebannen, hebben we pas 11 miljard mensen volgens de deskundigen van de Verenigde Naties en daarna blijft het aantal mensen op de wereld min of meer gelijk.
Nog een laatste om het af te leren? Nu landen als India en China al lang het niveau 1 ontstegen zijn, is daar veel meer afzet te halen voor westerse bedrijven dan het op het akelige af interesseren van de rijken in niveau 4 voor nog meer snufjes. Misschien worden West-Europa en de Verenigde Staten t.z.t. wel overruled door de steeds meer overheersende industrie van voormalige “derdewereldlanden”.
Als grote gevaren, naast het nog onbekende, ziet Hans Rosling voor de nabije toekomst een vijftal opdoemen: een nieuwe wereldwijde pandemie (zoals de Spaanse griep honderd jaar terug), een nieuwe instorting va de financiële markt (men leert het nooit), een derde wereldoorlog, de onvermijdelijke verandering van het klimaat en (de al genoemde) extreme armoede. Ik voeg daar als mijn verzuchting aan toe: vooral voor een nieuwe wereldoorlog, met atoombommen en al, moeten we waken. Zoals het nu gaat met de NAVO en dergelijke, komt de wereldvrede zeker niet dichterbij – integendeel. Maar wie ben ik?
Ik beveel jullie “Factfulness” (Feitenkennis) van Hans Rosling e.a. van ganser harte ter lezing aan. Ik kan best de bezwaren gaan opsommen die aan onderzoek als dat van Hans Rosling verbonden zijn. Epi-onderzoek op meer individuele basis zou sterker overkomen. Tegelijkertijd vind ik ook dat zijn boodschap een veel ruimere verspreiding verdient dan alleen onder de “happy few” die bereid is om eens een boek (of e-reader) ter hand te nemen.
Voor de vroege vrijdagmorgen heb ik jullie leed te melden. Als ik om even over 8 over de leuning van het balkon hang om de voetballertjes gade te slaan - jongens en meisjes, altijd een belevenis – komt er een politieman beneden aanlopen. (Of is het een handhaver, bedenk ik nog.) Een hele meute hermandad staat vanaf kwart voor 8 tot kwart voor 9 niks te doen in de buurt van de school, zogenaamd om het verkeer in goede banen te leiden, maar deze heeft nog een piepkleine missie. Hij pakt met enige bravoure de voetballertjes hun bal af. Dan houdt ook nog eens een toespraak, voordat hij terug naar zijn fiets loopt om “het bruine monster” in een tas achterop te doen. Hoe bestaat het? Met het weghouden van alle auto’s is de straat eindelijk weer een klein beetje terug voor de spelende kinderen, komt een “govie” aan de kinderen uitleggen dat balspelen uiteraard taboe zijn. Ik heb er verder geen woorden voor, zo erg vind ik het.
Ik had jullie alweer voor vandaag een brief beloofd en nu is hij af. Doe er je voordeel mee. Wat is erop tegen om het boek van Hans Rosling op je verlanglijstje van kerstcadeautjes te zetten. Daar kun je trouwens best een handje kransjes bij vermalen. Mijn volgende brief gaat, zoals het nu uitziet, het licht zien op donderdag 20 december. Dan zie ik de hoogzwangere Maria al op een ezel zitten met Jozef lopend naast haar, op weg naar de stal.
Het ik nog een laatste advies aan jullie uit te serveren? Niet? Dan sluit ik bij dezen deze brief 14.07 af. Het ga jullie goed, beter zelfs, en tot kijk maar weer, hasta luego, Paul.
BOEKHOEK
Voor deze brief heb ik maar vier dagen tot mijn beschikking gehad. Daarbij is ook nog eens een boek van de bijlage verdwenen richting hoofdtekst. Dan ben ik blij dat ik toch nog een moordboek heb om jullie mee te verrassen. Het heet “Innocent Graves” en is van Engelsman Peter Robinson. Eerder is de thrillerauteur hier al een paar keer onder het mes gegaan, met succes. Dit boek is uit 1997 en speelt in Yorkshire in de buurt van Leeds (het plaatsje Eastvale) en ook nog een beetje in Londen.
Centrale man in het verhaal is detective chief inspector Alan Banks. Zijn opdracht is om de moord op de 16-jarige Deborah Harrison te ontrafelen, die is gewurgd op een plaatselijk kerkhof. Directe helpers van Banks bij het onderzoek zijn o.a. Barry Stott, Susan Gay en Jim Hatchley en boven hem in de hiërarchie zitten Gristhorpe en Riddle. Deborah is de dochter van een heel rijk echtpaar: Geoffey en Silvie Harrison, met vriend aan huis Michael Clayton. Het lijk van Deborah is ontdekt door Rebecca Charters, vrouw van dominee Daniel Charters en tot voor kort ook de bedvriendin van leraar Patrick Metcalfe. Als potentiële daders komen – naast bovengenoemde mensen – ene Ive Jelaĉić uit Kroatië in aanmerking, Deborah’s ex-vriendje John Spinks en dan – als een duvel uit een doosje – Engelse leraar Owen Pierce, de ex van ene Michelle. Owen Pierce moet het wel zijn, maar dan wordt hij in een strafproces vrijgesproken. Vlak daarop valt er een tweede slachtoffer, de zeventienjarige Ellen Gilchristy en de verdenking die eerder op Owen Pierce rustte, krijgt alleen maar nieuwe voeding. Dan komen op een computer en in Deborah’s verloren gewaande dagboek aanwijzingen voor een andere dader komen drijven.
Peter Robinson vind ik echt een prima thrillerschrijver. Zijn “Innocent Graves” leest als een Zwitserse trein en hoewel ik al snel een vermoeden van een andere dader dan degene die onder vuur komt te liggen, blijft het boek mij de hele tijd boeien. Als recensiecijfer heb ik er een 8+ voor over, echt goed. Ik ga kijken of ik nog meer boeken van peter Robinson met DCI Banks in de hoofdrol kan vinden.
vrijdag 14 december 2018
maandag 10 december 2018
Weblogbrief 14.06, 10 december 2018
Weblogbrief 14.06, 10 december 2018
Queridos amigos y familia, zoals gangbaar begin ik mijn nieuwe bief steeds, als ik in bus 12 stap, op weg naar de universiteit. Mijn vorige heb ik dan net “gekuist” en mijn middageten achter de rug; ik wil op tijd naar de universiteit vertrekken. Deze keer begin ik een “parada solicitada”, halte eerder. Voor de lunch heb ik een grote portie zuurvlees (“zoervleis”, “estofado op ze Mestreechs”) in de ijskast staan, die volgens Trudie nu wel geconsumeerd dient te worden. Dat laat ik me vandaag geen twee keer zeggen. Dus zit ik om 12 uur ‘s middags aan een delicatesse die zijn gelijke niet of nauwelijks kent. Dit is mijn galgenmaal (voor het geval dat ik vanmiddag op de universiteit aan de galg eindig), zo lekker! Ik heb nog drie verdere porties in mijn mini-diepvries staan, dus herhaling van zetten is zeker nog aanstaande.
Op de universiteit krijg ik van Harry een artikel over gouverneur-generaal JB van Heutsz te lezen. De lieveling van koningin Wilhelmina heeft een kleine honderd jaar terug een standbeeld vrdiend en gekregen op een begraafplaats in Amsterdam en uiteraard ook een borstbeeld Coevorden, waar hij vandaan komt, geboren is. JB zou heel belangrijk zijn geweest voor het Hollands houden van “Oost-Indië” in de Atjeh-oorlog. In de jaren 1960 en later is de man wonderwel als “koloniale bezetter” van zijn voetstuk gevallen, heeft men de beelden weggehaald. Is dat wel terecht, vraagt geschiedkundige Harry zich af?
Mijn belangstelling gaart deze keer echter vooral uit naar een van Harry’s clips. Daarin speelt ene Gary B. B. Coleman gitaar op een manier zoals bijna alleen bluesmuzikanten van het hoogste niveau dat kunnen. De zwarte man is geboren in Paris, Texas in 1947 en is helaas maar 47 jaar geworden. Ik had nog niet van hem gehoord, maar ga ik goed maken. Ik ga t.z.t. graag een cd van hem op mijn computer zetten (bijv. The best of GC, uit 1991).
In bus 12 heb ik op de terugweg altijd een mooie zitplaats, omdat de faculteit gezondheidswetenschappen na de Carrefour in het zuiden van de stad pas de tweede halte is. Deze keer kan ik (helaas) niet naast de chauffeur vooraan plaatsnemen, omdat die plek al bezet is. Dus wijk ik uit naar een stoel in de tweede helft van de autobus, aan het middenpad.
Een paar haltes verder is de bus al aardig vol. Er komt een grote, dikke man de bus in met een kerstmuts op zijn hoofd. Op 4 december vind ik dat aan de vroege kant, maar vooruit. Hij gaat pal naast mij staan, eigenlijk leunt hij tegen mij aan, met zijn volle lijf tegen mijn rechter zijkant. Vervolgens is er nog nauwelijks beweging in hem te krijgen. Hij lijkt in de verste verte niet op Albert Einstein of Bill Gates, om eens een paar intelligente zijstraten te noemen. Eerder heb ik in de bus van doen met een exemplaar van de sector “minder bedeelden”, “verstandelijk gehandicapten”, laten we zeggen de drummer van de Josti-band.
Als we San Telmo naderen, roept uit het niets een kleine, mager uitgevallen vrouw: “Paco?” om zich heen. Dat laat de kolos zich geen twee keer zeggen. Hij maakt zich van mij los, worstelt zich naar de uitgang en hobbelt vervolgens achter haar aan de bus uit.
‘s Avonds lees ik in mijn bibliotheekje dat het mooie weer aanhoudt. Voor de komende dagen voorspelt het plaatselijke KNMI “cielos despejados”, een onbewolkte hemel als een spiegel.
De marathon van Las Palmas is deze winter op zondag 27 januari, op de verjaardag van Lux. Daarvóór komt eerst nog op 16 december de loopwedstrijd van baasje plus hond in het parque Romano (www.canwerun.com) en uiteraard op oudejaarsmiddag de niet te missen Silvesterloop. De laatste is ‘s middags en duurt gelukkig niet zo lang. Die heeft wel wat. Hoe dan ook denk ik dat de gemeente en provincie graag hardloopwedstrijden organiseren, omdat die bijna niks kosten (alleen wat consumptiebonnen voor vrijwilligers).
Ik zie ook al een vroege aankondiging van carnaval, die deze winter in het teken staat van “una noche de Río”. Carnaval is hier meer uitgesmeerd, tussen 15 februari en 10 maart. De “Pregón”, opening, komt deze keer van komiek Manolo Vieira. Mijn Nederlandse intermezzo rond carnaval is van 20 februari tot 9 maart. Dus kan ik nu wel naar de Pregón gaan kijken, op plaza Santa Ana, met Marcel en consorten die dan hier op bezoek zijn. En ik ben weer net terug voor het staartje, zeg maar staart: op 9 maart ‘s avonds en ‘s nachts staat de “Gran Cabalgata”, de groeten optoch, op het programma en de avond erop nog eens de “Entierro”, met ten grave dragen van de sardine. Heb ik nog meer over carnaval? Vooruit, er zijn deze keer 23 murgas, wijkgroepen die op het Santa Catalina podium een half uur krijgen om ons te amuseren. De finale met de acht besten op zaterdag op 23 februari ga ik missen. Dan zit ik met de eetclub bij Piet & Tonnie in Mokum.
Laat ik deze bijdrage “oet de gezette” afsluiten met een cartoon uit La Provincia. Een oudere man is in de krant verdiept en zegt: “Tenemos una navidad con muchas luces y un govierno con pocas luces”, er komt meer licht uit de kerstversiering dan uit het gouvernement.
Bestaat het woord surprisendag? Mijn grote van Dale zegt van niet, maar die kent zelfs het woord surprisenavond niet, dat ik weet niet hoe lang al gangbaar is in het ABN en zeker ook in het ABM. Mijn vraag: waarom wordt voor Sint Nicolaas ieder jaar een man uitgekozen, in Maastricht iemand als Jan Janssen? Wordt het niet tijd dat we een vrouw die eer eens gaan gunnen? Net als bij de verkiezing van Prins Carnaval?
Dan acht ik het tijd voor muziek, liefst met een Sint Nicolaastintje. Ik kan zo vlug maar op één artiestennaam komen (maar dan laat ik o.a. wel Nico Haak en Stefan Nicolai weg.): Nico. Deze Duits-Amerikaanse zangeres kennen jullie wellicht nog als de toegevoegde waarde van de Velvet Underground (Lou Reed, John Cale) op hun beste cd: “The Velvet Underground & Nico”. Zij mag twee nummers zingen: “Femme fatale” en “I’ll be your mirror”. Als ik eerlijk ben, zijn dat niet mijn favoriete liedjes op de plaat. Daarna heeft Nico ook solowerk op de plaat gezet: op mijn computer is ze goed voor twee cd’s: “Desertshore” uit 1970 en “Chelsea live” uit 1985. Hier zijn de acht plus twee nummers solo op “Desertshore” en met de Velvet Underground:
01. Janitor of lunacy
02. The falconer
03. My only child
04. Le petit chevalier
05. Abschied
06. Afraid
07. Mutterlein
08. All that is my own
09. Femme fatale
10. I’ll be your mirror
Overhouden doet het niet. Mag ik het daarbij laten? Laat ik hier nog toevoegen dat haar stem wel wat weg heeft van die van Marianne Faithfull uit de periode dat die bekomen was (denk ik) van haar langdurige heroïneverslaving.
Bij een Sint Nicolaas hoort uiteraard ook een al dan niet zwarte Piet. Ook daarvoor heb ik niet een regiment gegadigden tot mijn beschikking, tenzij ik “Peter” includeer. Voor Piet (in het Engels Pete) kom ik maar tot twee namen van artiesten voor jullie: Pete Seeger en Pete Townsend. Daarbij heb ik een uitgesproken voorkeur voor de laatste, met zijn complete armslag op de gitaar. De fout om hier en nu dan maar eens een van diens soloplaten te promoten maak ik na Nico niet. Ik wijk uit naar een verzamelplaat van de Who, waarop Pete Townsend het boegbeeld is, naast zanger en warhoofd Roger Daltry. Hier zijn de veertien nummers van hun “Meaty Beaty Big And Bouncy”:
01. I can’t explain
02. The kids are alright
03. Happy Jack
04. I can see for miles
05. Pictures of Lily
06. My generation
07. The seeker
08. Anyway anyhow anywhere
09. Pinball winzard
10. A legal matter
11. Boris the spider
12. The magic bus
13. Substitude
14. I’m a boy
Zal ik jullie eens iets verklappen? Op drie na kan ik alle nummers, als er tenminste niemand in de buurt is, meezingen. “Pictures of Lily, maake my life so wonderful”, etc… Dit is de rock ‘n’ roll waar ik als jongeman van heb gehouden. Alleen bij “The seeker”, “Boris the spider” en “The magic bus” moet ik verstek laten gaan. Goud van oud!
‘s Avonds ga ik naar El Corte Inglés om mijn mondvoorraad op peil te brengen. Tussen mijn boodschappen zit ook een “cóctel de gambas”, 450 gram diepzeegarnalen in een sausje, van de firma Ensalandía. Goedkoop is anders, maar je krijgt wel waar voor je geld. Ik zal hem morgen, op de “día de la constitución española” zeker eens proberen. Even dacht ik nog dat “gambas” kleine kreeften waren. Mis! Kreeften, jongens en meisjes, zijn “cangrejos” en krabben idem dito (maar zo’n ronde met lange poten is een “centollo”). Een zeekreeft is een “langosta (de mar)” en dat woord staat ook voor sprinkhaan, naast bijv. “saltamontes”. Ik moet toch eens leren om al die verschillende Spaanse beestjes uit elkaar te leren houden. Een kreeftcocktail zou ik vertalen met “cóctel de langosta”.
Als ik op een bank ga zitten op het nog wel open stuk van de Mesa y López, heb ik vol zicht op een jongen en meisje op een bank tegenover de mijne. Ze hebben kennelijk wat uit te vechten, merk ik al snel. Hij praat op haar in als Brugman en zij heeft geregeld haar handen voor haar hoofd om zijn woordenstroom te verwerken. Voor mij is het een verkering die bijna op het eind is, maar dan stort ze zich in zijn armen. Even later gaan ze innig gearmd de Mesa y López af in de richting van de Tomas Miller. En toch, naar mijn bescheiden mening is hun relatie nog maar een kort leven beschoren (maar wie ben ik?).
Op de feestdag hoor ik uiteraard geen kinderen kwaken onder mijn balkon en komt de straat pas later tot leven. Nu ik toch bezig ben: laat ik eens iets vervelends zeggen over de toeristen in de drie flats tegenover mij, de vele aimabele niet te na gesproken.
Klein leed vind ik het, als men zich bespied waant, als ik ook maar eventjes een kijkje van de straat neem vanaf mijn balkon. Moeilijk heb ik het voor de variatie eens met een koppel plus een wat ouder iemand (oudere broer van de jongeman) die op nummertje 19 rechts twee hoog tijdelijk zijn ingetrokken. Ik vermoed dat ze uit Ierland komen, hoor hem iets tegen haar (Jacky) zeggen in onversneden Engels. Ik zie het nodige Ierse groen op de T-shirts die te drogen hangen. Het klein uitgevallen meisje hangt ongegeneerd haar kennelijk net gewassen ondergoed (wit) aan een drooglijn op het balkon. Haar vriend, met kaalgeschoren hoofd, loopt rond in louter een veredelde zwembroek en verder niks. De derde aanwezige, een fervente roker, is tevens goed voor het ene na het andere blikje bier, in de vroege uren al. Er zijn grenzen, denk ik dan (met mijn 72 jaar).
Even later zie ik ze beneden het ervan nemen bij “De Francesco”. Dit zijn dus niet mijn favoriete overburen. Ophoepelen dus! Ik zal blij zijn, als het drietal weer het ruime sop kiest.
‘s Middags en ‘s avonds is het een hele bedoeling in de Luis Morote. Carlos, Francesco en Don Mathé doen goede zaken, als ik me om 6 uur opmaak voor mijn rondje boulevard naar rechts. Er is voor een snelwandelaar (bij wijze van spreken) als ik haast geen doorkomen aan op Las Canteras. De “belén de arena”, kerststal van zand, verderop is geopend voor het publiek en daar staat me toch een rij te wachten: meer dan tien meter lang. De vele meters hoge kerstboom ernaast, barstensvol lichtjes en met een ster aan top, doet zijn werk naar behoren. Er vlakbij zie ik de vrouw met de houten pop haar danstrucje doen. Het is dringen om bij haar in de buurt te komen. De man die tegen vergoeding best een cartoon-portret van je wil maken, heeft zich pal naast de ingang van het “kerstgebeuren” opgesteld in afwachting van nieuwe klanten.
Ik loop door naar mijn (min of meer) vaste plek bij het NH-hotel, maar de royale bank daar, in een halve cirkel, zit al helemaal vol met oudere jongeren en nog ouder. Dus loop ik door naar een van de banken tegenover La Oliva om mijn e-mail en appjes te lezen. Daarna kijk ik op “nu.nl” wat ik allemaal aan recent nieuws gemist heb. Weinig of niks dus!
Als ik weer terug ben bij het NH-hotel, is er wel enige ruimte. Ik ga zitten en wie krijgt mij nog van mijn plek. Even later komt een bejaarde man naast mij zitten. Hij vist een sigaret uit een pakje en met zijn aansteker al in de aanslag zegt hij tegen mij: “No te molestes?”, je hebt er toch geen last van? Dat vind ik nou eens aardig. Ik vertel hen in mijn beste Canarisch-Spaans dat ik een ex-roker ben, die nog steeds gecharmeerd is van de tabaksrook bij anderen. Zo bouw je krediet op, over en weer. Dan vind ik het tijd om op mijn mobiel (met oortjes) op Google Play John Prine op te zoeken. Zijn nummer “Souvenirs” moest ik, naast “Hello in there”, maar eens bij de nummers zetten die in het café na mijn crematie gespeeld dienen te worden.
Het is net als gisteren bijna uitgestorven op de vroege morgen. Gniffelde schoolmeisjes voor mijn deur, geen een! Dan bedenk ik dat veel mensen van deze dag een (vrije) brugdag van gemaakt hebben, een “puente”. Dan heb je een lang weekend, terwijl je maar één vakantiedag hoeft in te leveren.
Sonia zou eerst op zaterdagmorgen komen “pótse”, maar heeft het tijdstip naar voren verschoven, naar vrijdagmiddag om 3 uur. Ze zal toch geen “puente” willen? Om even voor 3 staat ze inderdaad voor de deur, welgemoed. Pas om even voor 7 is ze uitgepoetst, met medeneming van de zijkamer en de tweede wc. Ik vertel haar dat die de volgende keer niet hoeven, omdat ik voorlopig geen slapers meer in mijn huis krijg. Ook alle ramen zemen hoeft voor mij niet iedere keer. In Maastricht bij mij thuis gebeurt dat maar een of twee keer per jaar. Als ze over twee weken weer komt, zal ze er rekening mee houden.
Het nieuws van de vrijdag is vanzelfsprekend de keuze van het CDU in Duitsland voor Annegret Kramp-Karrenbauer als opvolgster van Angela Merkel in 2021, bij de landelijke verkiezingen dan. Kramp, was dat niet een brillenwinkeltje in Maastricht, voordat het is opgekocht door een van de grote jongens met overal brillenkramen? Annegret Kramp is nu 56 jaar en haar politieke voorgeschiedenis is van Saarland. Ik neem aan dat Saarbrücken in Saarland ligt; in dat geval hebben we het over midwest-Duitsland, vlakbij Luxemburg en de Elzas. Zou ze ervoor gaan pleiten om de Elzas terug te geven aan Duitsland? Hoe dan ook, op de foto op nu.nl ziet ze er pront uit. Haar ideeën lijken erg op die van Merkel, alleen is ze wat feller als het over immigratie van vluchtelingen gaat. Wie weet, gaat ze het huidige Duitse beleid voortzetten, mocht ze over ruim twee jaar aan de macht komen.
Voor de zaterdagmorgen heb ik klein leed te melden. Ik doe het zijraam in de keuken open en dan valt een halfvolle doos lucifers naar beneden. De dames van “De Francesco”, die beneden iets van een “steinweeg” hebben, zullen er ongetwijfeld hun voordeel mee doen.
Ik ga me wassen,was ook mijn haar met shampoo (sjampo, lijkt me een beter woord) en ga jullie dan vervelen met een nieuwe cd. Ik had hem al zo’n beetje aangekondigd: hier is John Prine opnieuw, nu met “The Missing Years” uit 1991. De titel slaat op het laatste nummer van de plaat dat over de wilde tienerjaren van Jezus Christus gaat. Hier zijn de veertien nummers:
01. Picture show
02. All the best
03. The sins of Memphisto
04. Everybody wants to feel like you
05. It’s a big old goofy world
06. I want to be with you always
07. Daddy’s little pumpkin
08. Take a look at my heart
09. Great rain
10. Way back then
11. You got gold
12. Unlonely
13. Everybody’s cool
14. Jesus the missing years
Willen jullie nog nummers die ver boven het maaiveld uitsteken? Die heb ik deze keer eens vet gemaakt en cursief gezet. Lukt dat niet in mijn latere herhaling? Dan promoveer ik de nummertjes 1, 2, 3, 5, 8 en 10 nog maar eens op een orthodoxe manier. Voor een nummer als “Picture show” (met op het einde de woorden “young man from a small town with a very large imagination”) kunnen jullie me wakker maken, bij voorkeur na 8 uur ‘s morgens. Folkzanger John Prine loopt al heel lang mee. De eerste plaat die ik van hem heb, dateert van 1970 en ik heb deze zomer nog op de computer een kwartier film van hem gezien, waarop hij enkele van zijn allernieuwste aanwinsten promoot – echt prachtig. De man is er wel een stuk ouder op geworden, veel ouder zelfs, maar voor mij kan hij het nog steeds.
(Terzijde, waar staat het Engelse “goofy” op nummertje 5 ook al weer voor? De halfgare stripfiguur heeft zijn naam te danken aan de betekenis van het woord: belazerd, bespottelijk, verliefd, met vooruitstekende tanden.)
Dan wil ik jullie erop wijzen dat ook vandaag een min of meer feestdag is. Op 8 december wordt heel Spanje en idem dito katholiek Nederland geacht te vieren dat Maria Onbevlekt Ontvangen is, La Inmaculada Concepción. Dat is nog eens andere koek dan de bekende carnavalskrakers “’ne Wals met Maria” of “Daor kump Maria”.
Laat ik de verscheidene Maria-dagen ieder jaar voor jullie op een rijtje zetten, voor de zekerheid. Vandaag, op 8 december vieren we dat Maria, de Moeder Gods, zonder erfzonde geboren is. Voor het begin van de zwangerschap, Maria Boodschap, met zaad van de Heilige Geest, moeten we op 25 maart zijn. Negen maanden later – op 25 december – wordt Jezus geboren; daar kom ik over een paar weken nog over te spreken. Als de Zoon Gods veertig dagen oud is, met Maria Lichtmis, 2 februari, wordt hij door haar naar de tempel gebracht, voor de doop? Maria stijgt later in het jaar dan haar zoon ten hemel, op 15 augustus (als het Sainte Marie is in Luik).
Blijft staan wie weet op welke dag Maria geboren is. Daar heb ik eerlijk gezegd geen weet van. Wie van jullie wel? Op Google vind ik diverse sites die op 8 september uitkomen. Dat is maar tien dagen voor mijn verjaardag. Echter, ik heb nog geen enkele Maria daar melding van zien maken. (En Jozef, de voedstervader, wordt afgescheept met 19 maart, als in Sittard de jaarlijkse Sint Joep markt is).
Het trio uit “Eire” is gisteren vertrokken. Ik zie ze ‘s middags met hun koffers naar de taxistandplaats lopen aan de achterkant van Reina Isabel. Moet ik nou gelukkig zijn?
“Vader en zoon” van twee hoog hebben het wel te verduren. Intussen is er op één hoog, pal onder hen, een wat ouder koppel ingetrokken, ik houd het op een echtpaar van 50 plus. Omdat ze de gordijnen in de woonkamer niet dichtdoen, heb ik permanent zicht op ze. Ze zeggen geen boe of ba tegen elkaar, zeker niet op het balkon. Bijna de hele tijd zijn ze vooral voor zich uit aan het staren, als ze niet - ieder voor zich – met een tablet op schoot zitten. In de avonduren brandt er wel een kaarsje tussen hen in op hun balkon.
Ik ben zaterdagavond naar Las Arenas geweest. De rondgang stelde niet veel voor, maar wat was het poepie druk. Wat is eigenlijk de Nederlandse uitdrukking, als je wilt aangeven dat het heel druk is? Al snel ben ik in de Carrefour supermarkt om enkele exquise waren van de zaak in te slaan zoals hun morro (tête de veau), krabsalade en camembert. Als ik langs de paté’s en leverworst loop, zie ik een plek met potjes “paté con jabalí” staan. “Jabalí” - John van Ans kan het weten – is Spaans voor everzwijn. Eerder heb ik – op doorreis in Helsinki – eens een pot rendierpaté weten te bemachtigen, heerlijk. De “paté con jabali”, uit Frankrijk, ga ik zo meteen uitproberen.
Blijft de vraag wie bedacht heeft dat je lever(worst) beter paté kunt noemen. Is dat om een argeloze klant zoals ik het gevoel te geven dat hij of zij niet zo maar een stukje lever gaat eten , maar iets bijzonders, uit smulpapenland Frankrijk? Dat daar wel een prijskaartje aanhangt, wordt dan voor lief genomen. Hier in Las Palmas valt dat overigens wel mee, ook in de Carrefour. Voor een pot van 180 gram heb ik 1, 65 euro betaald – dat is goed te doen.
Op de zondag houd ik het rustig behalve dan dat ik mijn “paté con jabalí”, met 20% everzwijn, bij jullie kan aanbevelen. ‘s Avonds op Las Canteras zie ik een jongen lopen met op zijn trui: “Truth is expensive”, de waarheid zeggen is best duur. Ik zou hem niet genoteerd hebben, als hij niet ook een spreuk op de achterkant had. Daar stond: “The same lies, but with different words”, dezelfde leugens, maar nu anders gezegd. Dat maakt hem toch een bijzonderheid. Een meisje dat mij niet veel later passeert, schittert met “Don’t text your ex”, stuur geen sms’jes (mail, app) naar je vriendje met wie je net de relatie hebt verbroken. Om het af te leren heb ik nog een derde, nu van een oudere man. Op diens T-shirt staat in kapitalen: “Refuse to comply”, weiger om mee te werken. Daar kunnen mensen zoals John Urquart zaliger met zijn medische pillendoosjes het mee doen.
En dan is het alweer maandag de tiende, de dag dat ik jullie deze brief heb toegezegd. Vanmiddag ga ik hem op de universiteit op de elektronische brievenbus doen. En ik heb een surprise voor jullie: mijn volgende komt er eerder aan dan jullie voor mogelijk houden, a.s. vrijdagmiddag al, op 14 december.
Voor nu, werk alvast eens een complete chocoladeletter weg of een hele Piet van taai taai. Nieuwe christelijke feestdagen zijn in de maak en waarom zou je er met het hoogfeest van Kerstmis niet een beetje opgeblazen uit mogen zien. “Haw doe”, zouden ze in Noord-Brabant zeggen, “haw diech” en tot ziens maar weer, hasta luego, Paúl.
BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek deze week is er eentje dat Trudie bij mij op het balkon en op het strand heeft zitten lezen de afgelopen week. Ze heeft mij vervolgens met klem aangeraden om er ook aan te beginnen. Het is van Charles Lewinsky en heeft in het Zwitsers/Duits “Kastelau” als titel. In Nederlandse vertaling wordt dat “Alleen maar helden”, niet mijn titel. Het verhaal speelt vooral in het laatste jaar van WO II, eerst in Berlijn en dan in een plaatsje van niks: Kastelau. Dat ligt in het zuiden van Duitsland, niet ver van de Berghof, het buitenverblijf van Adolf Hitler. Het boek is uit 2014 (en in vertaling door Elly Schippers uit 2015).
Ene Samuel Saunders schrijft in de vroege jaren 90 een proefschrift over de jonge jaren van filmster Arnie Walton, die in zijn Duitse tijd nog gewoon Walter Arnold heet. We gaan terug in de tijd, naar 1944 en de eerste helft van 1945. Werner Wagenknecht schrijft (onder het pseudoniem Frank Ehrenfeldt) een filmscenario: “Liebe der Freiheit”, bedoeld als propaganda voor het Derde Rijk. De sterren in de film zijn naast Walter Arnold de akelige Maria Maar en komiek Augustin Schramm. De vriendin van Werner Wagenknecht, Tiziana Adam, krijgt een bijrol. Als Berlijn hen te heet onder de voeten wordt, verhuist het gezelschap per busje naar Kastelau, zie boven, ook regisseur Servatius en producent Kleinpeter. In een grote bus annex vrachtwagen zit de rest van de crew en het hulppersoneel, maar die wordt onderweg weggebombardeerd door een straaljager van de geallieerden. Als vervanging pikken ze in München enkele mensen op en dan komt Kastelau in beeld, met o.a. hotelhoudster Marianne Melchior en haar zoon, vader en zoon Heckenbichler (burgemeester), homo Basti Holzmayr en anderen. Ook als de film nagenoeg op is, gaat het opnemen gewoon door: blijven in Kastelau, maanden lang, wordt belangrijker gevonden dan teruggaan. Dan naderen de geallieerden en proberen ze een draai te geven aan de film en er een verzetsfilm tegen Hitler en Göring van te maken. Ongeveer laatste shot: Werner Wagenknecht, die tegen zijn zin een rolletje moet meespelen, wordt tijdens de opname doodgeschoten door Walter Arnold. Is het een vergissing?
Het boek is geen recht toe recht aan verhaal. Bijna steeds wordt gebruik gemaakt van overgebleven notities van Werner Wagenknecht voor zijn dood en nog meer van de interviews met Tiziana Adam, ruim veertig jaar later. Dat geeft het verhaal een heel aparte ingang. Andere bronnen zoals van Samuel Saunders zelf komen veel minder aan bod. Het proefschrift wordt door zijn promotor afgekeurd en Saunders eindigt als een armlastige videotheekeigenaar, wel nog op zoek naar erkenning achteraf.
Na Trudie’s loftuitingen kan ik uiteraard haast niet anders dan ook zelf Charles Lewinsky de hemel in prijzen voor zijn “Kastelau”. In eerdere boeken en een later werk heeft hij mij al laten zijn hoe goed en origineel hij als schrijver is. Met dit verhaal steek ik opnieuw de loftrompet over hem. Voor zijn “Kastelau” beloon ik hem met een volle 8 als recensiecijfer. De man staat intussen op mijn short list van favoriete auteurs.
Eén boek klinkt zo zuinig, dus ben ik blij dat ik nog een tweede te bespreken heb: Hypnose (in het Zweeds Hypnotisören) van Lars Kepler. Het is uit 2009 en speelt in Stockholm. En dik is het ook, 557 bladzijden. Ik ben wat blij dat ik het nog op tijd uit heb gekregen.
Hoofdpersonen in het boek zijn Erik Bark en zijn vrouw Simone (Sixan), plus hun aan hemofilie lijdende zoon Benjamin. Erik is psychiater van zijn vak met een speciale belangstelling voor hypnose. Hij heeft tien jaar terug een klasje van zeven patiënten gehad bij wie hij toen groepshypnose toepaste. Hun namen: Sibel, Pierre, Charlotte, Marek, Jussi, Lydia en Eva. Het ging mis, toen Lydia hem van poging tot moord beschuldigde. Erik moest toen beloven dat hij zich niet meer met hypnose zou inlaten.
Tien jaar later, nu dus, vraagt politieman Joona Linne aan Erik om de vijftienjarige, comateuze Josef Ek te hypnotiseren om zo inlichtingen over de dader te krijgen. Diens ouders en zusje zijn net vermoord, hij zit onder de messteken en zijn andere zus Evelyn, 23, is in gevaar. Dan ontrolt zich een verhaal dat steeds ingenieuzer wordt, zeker als ook nog eens zoon Benjamin van Erik ontvoerd wordt. Is Jozef behalve slachtoffer ook dader, wat hebben Evelyn, Eva en Lydia ermee van doen? Bijrollen zijn er o.a. van co-assistente Maja, kunstenaar Sim Shulman, Joona’s assistente Anja, Simone’s vader Kennet en Wailord, een figuur uit het Pokemonspel.. Laat ik verklappen dat op het einde zelfs Lapland nog in beeld komt.
Ik heb een hele zit gehad aan “Hypnose” van Lars Kepler. Het boek begint veelbelovend, maar gaandeweg wordt het mij allemaal echt wat veel van het goede (slechte). Dat drukt mijn recensiecijfer, zoals jullie je wel kunnen voorstellen. Ik kom uit op een 7- als eindresultaat. Lars Kepler wordt geen vriend van mij, hooguit een vage kennis.
Queridos amigos y familia, zoals gangbaar begin ik mijn nieuwe bief steeds, als ik in bus 12 stap, op weg naar de universiteit. Mijn vorige heb ik dan net “gekuist” en mijn middageten achter de rug; ik wil op tijd naar de universiteit vertrekken. Deze keer begin ik een “parada solicitada”, halte eerder. Voor de lunch heb ik een grote portie zuurvlees (“zoervleis”, “estofado op ze Mestreechs”) in de ijskast staan, die volgens Trudie nu wel geconsumeerd dient te worden. Dat laat ik me vandaag geen twee keer zeggen. Dus zit ik om 12 uur ‘s middags aan een delicatesse die zijn gelijke niet of nauwelijks kent. Dit is mijn galgenmaal (voor het geval dat ik vanmiddag op de universiteit aan de galg eindig), zo lekker! Ik heb nog drie verdere porties in mijn mini-diepvries staan, dus herhaling van zetten is zeker nog aanstaande.
Op de universiteit krijg ik van Harry een artikel over gouverneur-generaal JB van Heutsz te lezen. De lieveling van koningin Wilhelmina heeft een kleine honderd jaar terug een standbeeld vrdiend en gekregen op een begraafplaats in Amsterdam en uiteraard ook een borstbeeld Coevorden, waar hij vandaan komt, geboren is. JB zou heel belangrijk zijn geweest voor het Hollands houden van “Oost-Indië” in de Atjeh-oorlog. In de jaren 1960 en later is de man wonderwel als “koloniale bezetter” van zijn voetstuk gevallen, heeft men de beelden weggehaald. Is dat wel terecht, vraagt geschiedkundige Harry zich af?
Mijn belangstelling gaart deze keer echter vooral uit naar een van Harry’s clips. Daarin speelt ene Gary B. B. Coleman gitaar op een manier zoals bijna alleen bluesmuzikanten van het hoogste niveau dat kunnen. De zwarte man is geboren in Paris, Texas in 1947 en is helaas maar 47 jaar geworden. Ik had nog niet van hem gehoord, maar ga ik goed maken. Ik ga t.z.t. graag een cd van hem op mijn computer zetten (bijv. The best of GC, uit 1991).
In bus 12 heb ik op de terugweg altijd een mooie zitplaats, omdat de faculteit gezondheidswetenschappen na de Carrefour in het zuiden van de stad pas de tweede halte is. Deze keer kan ik (helaas) niet naast de chauffeur vooraan plaatsnemen, omdat die plek al bezet is. Dus wijk ik uit naar een stoel in de tweede helft van de autobus, aan het middenpad.
Een paar haltes verder is de bus al aardig vol. Er komt een grote, dikke man de bus in met een kerstmuts op zijn hoofd. Op 4 december vind ik dat aan de vroege kant, maar vooruit. Hij gaat pal naast mij staan, eigenlijk leunt hij tegen mij aan, met zijn volle lijf tegen mijn rechter zijkant. Vervolgens is er nog nauwelijks beweging in hem te krijgen. Hij lijkt in de verste verte niet op Albert Einstein of Bill Gates, om eens een paar intelligente zijstraten te noemen. Eerder heb ik in de bus van doen met een exemplaar van de sector “minder bedeelden”, “verstandelijk gehandicapten”, laten we zeggen de drummer van de Josti-band.
Als we San Telmo naderen, roept uit het niets een kleine, mager uitgevallen vrouw: “Paco?” om zich heen. Dat laat de kolos zich geen twee keer zeggen. Hij maakt zich van mij los, worstelt zich naar de uitgang en hobbelt vervolgens achter haar aan de bus uit.
‘s Avonds lees ik in mijn bibliotheekje dat het mooie weer aanhoudt. Voor de komende dagen voorspelt het plaatselijke KNMI “cielos despejados”, een onbewolkte hemel als een spiegel.
De marathon van Las Palmas is deze winter op zondag 27 januari, op de verjaardag van Lux. Daarvóór komt eerst nog op 16 december de loopwedstrijd van baasje plus hond in het parque Romano (www.canwerun.com) en uiteraard op oudejaarsmiddag de niet te missen Silvesterloop. De laatste is ‘s middags en duurt gelukkig niet zo lang. Die heeft wel wat. Hoe dan ook denk ik dat de gemeente en provincie graag hardloopwedstrijden organiseren, omdat die bijna niks kosten (alleen wat consumptiebonnen voor vrijwilligers).
Ik zie ook al een vroege aankondiging van carnaval, die deze winter in het teken staat van “una noche de Río”. Carnaval is hier meer uitgesmeerd, tussen 15 februari en 10 maart. De “Pregón”, opening, komt deze keer van komiek Manolo Vieira. Mijn Nederlandse intermezzo rond carnaval is van 20 februari tot 9 maart. Dus kan ik nu wel naar de Pregón gaan kijken, op plaza Santa Ana, met Marcel en consorten die dan hier op bezoek zijn. En ik ben weer net terug voor het staartje, zeg maar staart: op 9 maart ‘s avonds en ‘s nachts staat de “Gran Cabalgata”, de groeten optoch, op het programma en de avond erop nog eens de “Entierro”, met ten grave dragen van de sardine. Heb ik nog meer over carnaval? Vooruit, er zijn deze keer 23 murgas, wijkgroepen die op het Santa Catalina podium een half uur krijgen om ons te amuseren. De finale met de acht besten op zaterdag op 23 februari ga ik missen. Dan zit ik met de eetclub bij Piet & Tonnie in Mokum.
Laat ik deze bijdrage “oet de gezette” afsluiten met een cartoon uit La Provincia. Een oudere man is in de krant verdiept en zegt: “Tenemos una navidad con muchas luces y un govierno con pocas luces”, er komt meer licht uit de kerstversiering dan uit het gouvernement.
Bestaat het woord surprisendag? Mijn grote van Dale zegt van niet, maar die kent zelfs het woord surprisenavond niet, dat ik weet niet hoe lang al gangbaar is in het ABN en zeker ook in het ABM. Mijn vraag: waarom wordt voor Sint Nicolaas ieder jaar een man uitgekozen, in Maastricht iemand als Jan Janssen? Wordt het niet tijd dat we een vrouw die eer eens gaan gunnen? Net als bij de verkiezing van Prins Carnaval?
Dan acht ik het tijd voor muziek, liefst met een Sint Nicolaastintje. Ik kan zo vlug maar op één artiestennaam komen (maar dan laat ik o.a. wel Nico Haak en Stefan Nicolai weg.): Nico. Deze Duits-Amerikaanse zangeres kennen jullie wellicht nog als de toegevoegde waarde van de Velvet Underground (Lou Reed, John Cale) op hun beste cd: “The Velvet Underground & Nico”. Zij mag twee nummers zingen: “Femme fatale” en “I’ll be your mirror”. Als ik eerlijk ben, zijn dat niet mijn favoriete liedjes op de plaat. Daarna heeft Nico ook solowerk op de plaat gezet: op mijn computer is ze goed voor twee cd’s: “Desertshore” uit 1970 en “Chelsea live” uit 1985. Hier zijn de acht plus twee nummers solo op “Desertshore” en met de Velvet Underground:
01. Janitor of lunacy
02. The falconer
03. My only child
04. Le petit chevalier
05. Abschied
06. Afraid
07. Mutterlein
08. All that is my own
09. Femme fatale
10. I’ll be your mirror
Overhouden doet het niet. Mag ik het daarbij laten? Laat ik hier nog toevoegen dat haar stem wel wat weg heeft van die van Marianne Faithfull uit de periode dat die bekomen was (denk ik) van haar langdurige heroïneverslaving.
Bij een Sint Nicolaas hoort uiteraard ook een al dan niet zwarte Piet. Ook daarvoor heb ik niet een regiment gegadigden tot mijn beschikking, tenzij ik “Peter” includeer. Voor Piet (in het Engels Pete) kom ik maar tot twee namen van artiesten voor jullie: Pete Seeger en Pete Townsend. Daarbij heb ik een uitgesproken voorkeur voor de laatste, met zijn complete armslag op de gitaar. De fout om hier en nu dan maar eens een van diens soloplaten te promoten maak ik na Nico niet. Ik wijk uit naar een verzamelplaat van de Who, waarop Pete Townsend het boegbeeld is, naast zanger en warhoofd Roger Daltry. Hier zijn de veertien nummers van hun “Meaty Beaty Big And Bouncy”:
01. I can’t explain
02. The kids are alright
03. Happy Jack
04. I can see for miles
05. Pictures of Lily
06. My generation
07. The seeker
08. Anyway anyhow anywhere
09. Pinball winzard
10. A legal matter
11. Boris the spider
12. The magic bus
13. Substitude
14. I’m a boy
Zal ik jullie eens iets verklappen? Op drie na kan ik alle nummers, als er tenminste niemand in de buurt is, meezingen. “Pictures of Lily, maake my life so wonderful”, etc… Dit is de rock ‘n’ roll waar ik als jongeman van heb gehouden. Alleen bij “The seeker”, “Boris the spider” en “The magic bus” moet ik verstek laten gaan. Goud van oud!
‘s Avonds ga ik naar El Corte Inglés om mijn mondvoorraad op peil te brengen. Tussen mijn boodschappen zit ook een “cóctel de gambas”, 450 gram diepzeegarnalen in een sausje, van de firma Ensalandía. Goedkoop is anders, maar je krijgt wel waar voor je geld. Ik zal hem morgen, op de “día de la constitución española” zeker eens proberen. Even dacht ik nog dat “gambas” kleine kreeften waren. Mis! Kreeften, jongens en meisjes, zijn “cangrejos” en krabben idem dito (maar zo’n ronde met lange poten is een “centollo”). Een zeekreeft is een “langosta (de mar)” en dat woord staat ook voor sprinkhaan, naast bijv. “saltamontes”. Ik moet toch eens leren om al die verschillende Spaanse beestjes uit elkaar te leren houden. Een kreeftcocktail zou ik vertalen met “cóctel de langosta”.
Als ik op een bank ga zitten op het nog wel open stuk van de Mesa y López, heb ik vol zicht op een jongen en meisje op een bank tegenover de mijne. Ze hebben kennelijk wat uit te vechten, merk ik al snel. Hij praat op haar in als Brugman en zij heeft geregeld haar handen voor haar hoofd om zijn woordenstroom te verwerken. Voor mij is het een verkering die bijna op het eind is, maar dan stort ze zich in zijn armen. Even later gaan ze innig gearmd de Mesa y López af in de richting van de Tomas Miller. En toch, naar mijn bescheiden mening is hun relatie nog maar een kort leven beschoren (maar wie ben ik?).
Op de feestdag hoor ik uiteraard geen kinderen kwaken onder mijn balkon en komt de straat pas later tot leven. Nu ik toch bezig ben: laat ik eens iets vervelends zeggen over de toeristen in de drie flats tegenover mij, de vele aimabele niet te na gesproken.
Klein leed vind ik het, als men zich bespied waant, als ik ook maar eventjes een kijkje van de straat neem vanaf mijn balkon. Moeilijk heb ik het voor de variatie eens met een koppel plus een wat ouder iemand (oudere broer van de jongeman) die op nummertje 19 rechts twee hoog tijdelijk zijn ingetrokken. Ik vermoed dat ze uit Ierland komen, hoor hem iets tegen haar (Jacky) zeggen in onversneden Engels. Ik zie het nodige Ierse groen op de T-shirts die te drogen hangen. Het klein uitgevallen meisje hangt ongegeneerd haar kennelijk net gewassen ondergoed (wit) aan een drooglijn op het balkon. Haar vriend, met kaalgeschoren hoofd, loopt rond in louter een veredelde zwembroek en verder niks. De derde aanwezige, een fervente roker, is tevens goed voor het ene na het andere blikje bier, in de vroege uren al. Er zijn grenzen, denk ik dan (met mijn 72 jaar).
Even later zie ik ze beneden het ervan nemen bij “De Francesco”. Dit zijn dus niet mijn favoriete overburen. Ophoepelen dus! Ik zal blij zijn, als het drietal weer het ruime sop kiest.
‘s Middags en ‘s avonds is het een hele bedoeling in de Luis Morote. Carlos, Francesco en Don Mathé doen goede zaken, als ik me om 6 uur opmaak voor mijn rondje boulevard naar rechts. Er is voor een snelwandelaar (bij wijze van spreken) als ik haast geen doorkomen aan op Las Canteras. De “belén de arena”, kerststal van zand, verderop is geopend voor het publiek en daar staat me toch een rij te wachten: meer dan tien meter lang. De vele meters hoge kerstboom ernaast, barstensvol lichtjes en met een ster aan top, doet zijn werk naar behoren. Er vlakbij zie ik de vrouw met de houten pop haar danstrucje doen. Het is dringen om bij haar in de buurt te komen. De man die tegen vergoeding best een cartoon-portret van je wil maken, heeft zich pal naast de ingang van het “kerstgebeuren” opgesteld in afwachting van nieuwe klanten.
Ik loop door naar mijn (min of meer) vaste plek bij het NH-hotel, maar de royale bank daar, in een halve cirkel, zit al helemaal vol met oudere jongeren en nog ouder. Dus loop ik door naar een van de banken tegenover La Oliva om mijn e-mail en appjes te lezen. Daarna kijk ik op “nu.nl” wat ik allemaal aan recent nieuws gemist heb. Weinig of niks dus!
Als ik weer terug ben bij het NH-hotel, is er wel enige ruimte. Ik ga zitten en wie krijgt mij nog van mijn plek. Even later komt een bejaarde man naast mij zitten. Hij vist een sigaret uit een pakje en met zijn aansteker al in de aanslag zegt hij tegen mij: “No te molestes?”, je hebt er toch geen last van? Dat vind ik nou eens aardig. Ik vertel hen in mijn beste Canarisch-Spaans dat ik een ex-roker ben, die nog steeds gecharmeerd is van de tabaksrook bij anderen. Zo bouw je krediet op, over en weer. Dan vind ik het tijd om op mijn mobiel (met oortjes) op Google Play John Prine op te zoeken. Zijn nummer “Souvenirs” moest ik, naast “Hello in there”, maar eens bij de nummers zetten die in het café na mijn crematie gespeeld dienen te worden.
Het is net als gisteren bijna uitgestorven op de vroege morgen. Gniffelde schoolmeisjes voor mijn deur, geen een! Dan bedenk ik dat veel mensen van deze dag een (vrije) brugdag van gemaakt hebben, een “puente”. Dan heb je een lang weekend, terwijl je maar één vakantiedag hoeft in te leveren.
Sonia zou eerst op zaterdagmorgen komen “pótse”, maar heeft het tijdstip naar voren verschoven, naar vrijdagmiddag om 3 uur. Ze zal toch geen “puente” willen? Om even voor 3 staat ze inderdaad voor de deur, welgemoed. Pas om even voor 7 is ze uitgepoetst, met medeneming van de zijkamer en de tweede wc. Ik vertel haar dat die de volgende keer niet hoeven, omdat ik voorlopig geen slapers meer in mijn huis krijg. Ook alle ramen zemen hoeft voor mij niet iedere keer. In Maastricht bij mij thuis gebeurt dat maar een of twee keer per jaar. Als ze over twee weken weer komt, zal ze er rekening mee houden.
Het nieuws van de vrijdag is vanzelfsprekend de keuze van het CDU in Duitsland voor Annegret Kramp-Karrenbauer als opvolgster van Angela Merkel in 2021, bij de landelijke verkiezingen dan. Kramp, was dat niet een brillenwinkeltje in Maastricht, voordat het is opgekocht door een van de grote jongens met overal brillenkramen? Annegret Kramp is nu 56 jaar en haar politieke voorgeschiedenis is van Saarland. Ik neem aan dat Saarbrücken in Saarland ligt; in dat geval hebben we het over midwest-Duitsland, vlakbij Luxemburg en de Elzas. Zou ze ervoor gaan pleiten om de Elzas terug te geven aan Duitsland? Hoe dan ook, op de foto op nu.nl ziet ze er pront uit. Haar ideeën lijken erg op die van Merkel, alleen is ze wat feller als het over immigratie van vluchtelingen gaat. Wie weet, gaat ze het huidige Duitse beleid voortzetten, mocht ze over ruim twee jaar aan de macht komen.
Voor de zaterdagmorgen heb ik klein leed te melden. Ik doe het zijraam in de keuken open en dan valt een halfvolle doos lucifers naar beneden. De dames van “De Francesco”, die beneden iets van een “steinweeg” hebben, zullen er ongetwijfeld hun voordeel mee doen.
Ik ga me wassen,was ook mijn haar met shampoo (sjampo, lijkt me een beter woord) en ga jullie dan vervelen met een nieuwe cd. Ik had hem al zo’n beetje aangekondigd: hier is John Prine opnieuw, nu met “The Missing Years” uit 1991. De titel slaat op het laatste nummer van de plaat dat over de wilde tienerjaren van Jezus Christus gaat. Hier zijn de veertien nummers:
01. Picture show
02. All the best
03. The sins of Memphisto
04. Everybody wants to feel like you
05. It’s a big old goofy world
06. I want to be with you always
07. Daddy’s little pumpkin
08. Take a look at my heart
09. Great rain
10. Way back then
11. You got gold
12. Unlonely
13. Everybody’s cool
14. Jesus the missing years
Willen jullie nog nummers die ver boven het maaiveld uitsteken? Die heb ik deze keer eens vet gemaakt en cursief gezet. Lukt dat niet in mijn latere herhaling? Dan promoveer ik de nummertjes 1, 2, 3, 5, 8 en 10 nog maar eens op een orthodoxe manier. Voor een nummer als “Picture show” (met op het einde de woorden “young man from a small town with a very large imagination”) kunnen jullie me wakker maken, bij voorkeur na 8 uur ‘s morgens. Folkzanger John Prine loopt al heel lang mee. De eerste plaat die ik van hem heb, dateert van 1970 en ik heb deze zomer nog op de computer een kwartier film van hem gezien, waarop hij enkele van zijn allernieuwste aanwinsten promoot – echt prachtig. De man is er wel een stuk ouder op geworden, veel ouder zelfs, maar voor mij kan hij het nog steeds.
(Terzijde, waar staat het Engelse “goofy” op nummertje 5 ook al weer voor? De halfgare stripfiguur heeft zijn naam te danken aan de betekenis van het woord: belazerd, bespottelijk, verliefd, met vooruitstekende tanden.)
Dan wil ik jullie erop wijzen dat ook vandaag een min of meer feestdag is. Op 8 december wordt heel Spanje en idem dito katholiek Nederland geacht te vieren dat Maria Onbevlekt Ontvangen is, La Inmaculada Concepción. Dat is nog eens andere koek dan de bekende carnavalskrakers “’ne Wals met Maria” of “Daor kump Maria”.
Laat ik de verscheidene Maria-dagen ieder jaar voor jullie op een rijtje zetten, voor de zekerheid. Vandaag, op 8 december vieren we dat Maria, de Moeder Gods, zonder erfzonde geboren is. Voor het begin van de zwangerschap, Maria Boodschap, met zaad van de Heilige Geest, moeten we op 25 maart zijn. Negen maanden later – op 25 december – wordt Jezus geboren; daar kom ik over een paar weken nog over te spreken. Als de Zoon Gods veertig dagen oud is, met Maria Lichtmis, 2 februari, wordt hij door haar naar de tempel gebracht, voor de doop? Maria stijgt later in het jaar dan haar zoon ten hemel, op 15 augustus (als het Sainte Marie is in Luik).
Blijft staan wie weet op welke dag Maria geboren is. Daar heb ik eerlijk gezegd geen weet van. Wie van jullie wel? Op Google vind ik diverse sites die op 8 september uitkomen. Dat is maar tien dagen voor mijn verjaardag. Echter, ik heb nog geen enkele Maria daar melding van zien maken. (En Jozef, de voedstervader, wordt afgescheept met 19 maart, als in Sittard de jaarlijkse Sint Joep markt is).
Het trio uit “Eire” is gisteren vertrokken. Ik zie ze ‘s middags met hun koffers naar de taxistandplaats lopen aan de achterkant van Reina Isabel. Moet ik nou gelukkig zijn?
“Vader en zoon” van twee hoog hebben het wel te verduren. Intussen is er op één hoog, pal onder hen, een wat ouder koppel ingetrokken, ik houd het op een echtpaar van 50 plus. Omdat ze de gordijnen in de woonkamer niet dichtdoen, heb ik permanent zicht op ze. Ze zeggen geen boe of ba tegen elkaar, zeker niet op het balkon. Bijna de hele tijd zijn ze vooral voor zich uit aan het staren, als ze niet - ieder voor zich – met een tablet op schoot zitten. In de avonduren brandt er wel een kaarsje tussen hen in op hun balkon.
Ik ben zaterdagavond naar Las Arenas geweest. De rondgang stelde niet veel voor, maar wat was het poepie druk. Wat is eigenlijk de Nederlandse uitdrukking, als je wilt aangeven dat het heel druk is? Al snel ben ik in de Carrefour supermarkt om enkele exquise waren van de zaak in te slaan zoals hun morro (tête de veau), krabsalade en camembert. Als ik langs de paté’s en leverworst loop, zie ik een plek met potjes “paté con jabalí” staan. “Jabalí” - John van Ans kan het weten – is Spaans voor everzwijn. Eerder heb ik – op doorreis in Helsinki – eens een pot rendierpaté weten te bemachtigen, heerlijk. De “paté con jabali”, uit Frankrijk, ga ik zo meteen uitproberen.
Blijft de vraag wie bedacht heeft dat je lever(worst) beter paté kunt noemen. Is dat om een argeloze klant zoals ik het gevoel te geven dat hij of zij niet zo maar een stukje lever gaat eten , maar iets bijzonders, uit smulpapenland Frankrijk? Dat daar wel een prijskaartje aanhangt, wordt dan voor lief genomen. Hier in Las Palmas valt dat overigens wel mee, ook in de Carrefour. Voor een pot van 180 gram heb ik 1, 65 euro betaald – dat is goed te doen.
Op de zondag houd ik het rustig behalve dan dat ik mijn “paté con jabalí”, met 20% everzwijn, bij jullie kan aanbevelen. ‘s Avonds op Las Canteras zie ik een jongen lopen met op zijn trui: “Truth is expensive”, de waarheid zeggen is best duur. Ik zou hem niet genoteerd hebben, als hij niet ook een spreuk op de achterkant had. Daar stond: “The same lies, but with different words”, dezelfde leugens, maar nu anders gezegd. Dat maakt hem toch een bijzonderheid. Een meisje dat mij niet veel later passeert, schittert met “Don’t text your ex”, stuur geen sms’jes (mail, app) naar je vriendje met wie je net de relatie hebt verbroken. Om het af te leren heb ik nog een derde, nu van een oudere man. Op diens T-shirt staat in kapitalen: “Refuse to comply”, weiger om mee te werken. Daar kunnen mensen zoals John Urquart zaliger met zijn medische pillendoosjes het mee doen.
En dan is het alweer maandag de tiende, de dag dat ik jullie deze brief heb toegezegd. Vanmiddag ga ik hem op de universiteit op de elektronische brievenbus doen. En ik heb een surprise voor jullie: mijn volgende komt er eerder aan dan jullie voor mogelijk houden, a.s. vrijdagmiddag al, op 14 december.
Voor nu, werk alvast eens een complete chocoladeletter weg of een hele Piet van taai taai. Nieuwe christelijke feestdagen zijn in de maak en waarom zou je er met het hoogfeest van Kerstmis niet een beetje opgeblazen uit mogen zien. “Haw doe”, zouden ze in Noord-Brabant zeggen, “haw diech” en tot ziens maar weer, hasta luego, Paúl.
BOEKENBIJLAGE
Mijn eerste boek deze week is er eentje dat Trudie bij mij op het balkon en op het strand heeft zitten lezen de afgelopen week. Ze heeft mij vervolgens met klem aangeraden om er ook aan te beginnen. Het is van Charles Lewinsky en heeft in het Zwitsers/Duits “Kastelau” als titel. In Nederlandse vertaling wordt dat “Alleen maar helden”, niet mijn titel. Het verhaal speelt vooral in het laatste jaar van WO II, eerst in Berlijn en dan in een plaatsje van niks: Kastelau. Dat ligt in het zuiden van Duitsland, niet ver van de Berghof, het buitenverblijf van Adolf Hitler. Het boek is uit 2014 (en in vertaling door Elly Schippers uit 2015).
Ene Samuel Saunders schrijft in de vroege jaren 90 een proefschrift over de jonge jaren van filmster Arnie Walton, die in zijn Duitse tijd nog gewoon Walter Arnold heet. We gaan terug in de tijd, naar 1944 en de eerste helft van 1945. Werner Wagenknecht schrijft (onder het pseudoniem Frank Ehrenfeldt) een filmscenario: “Liebe der Freiheit”, bedoeld als propaganda voor het Derde Rijk. De sterren in de film zijn naast Walter Arnold de akelige Maria Maar en komiek Augustin Schramm. De vriendin van Werner Wagenknecht, Tiziana Adam, krijgt een bijrol. Als Berlijn hen te heet onder de voeten wordt, verhuist het gezelschap per busje naar Kastelau, zie boven, ook regisseur Servatius en producent Kleinpeter. In een grote bus annex vrachtwagen zit de rest van de crew en het hulppersoneel, maar die wordt onderweg weggebombardeerd door een straaljager van de geallieerden. Als vervanging pikken ze in München enkele mensen op en dan komt Kastelau in beeld, met o.a. hotelhoudster Marianne Melchior en haar zoon, vader en zoon Heckenbichler (burgemeester), homo Basti Holzmayr en anderen. Ook als de film nagenoeg op is, gaat het opnemen gewoon door: blijven in Kastelau, maanden lang, wordt belangrijker gevonden dan teruggaan. Dan naderen de geallieerden en proberen ze een draai te geven aan de film en er een verzetsfilm tegen Hitler en Göring van te maken. Ongeveer laatste shot: Werner Wagenknecht, die tegen zijn zin een rolletje moet meespelen, wordt tijdens de opname doodgeschoten door Walter Arnold. Is het een vergissing?
Het boek is geen recht toe recht aan verhaal. Bijna steeds wordt gebruik gemaakt van overgebleven notities van Werner Wagenknecht voor zijn dood en nog meer van de interviews met Tiziana Adam, ruim veertig jaar later. Dat geeft het verhaal een heel aparte ingang. Andere bronnen zoals van Samuel Saunders zelf komen veel minder aan bod. Het proefschrift wordt door zijn promotor afgekeurd en Saunders eindigt als een armlastige videotheekeigenaar, wel nog op zoek naar erkenning achteraf.
Na Trudie’s loftuitingen kan ik uiteraard haast niet anders dan ook zelf Charles Lewinsky de hemel in prijzen voor zijn “Kastelau”. In eerdere boeken en een later werk heeft hij mij al laten zijn hoe goed en origineel hij als schrijver is. Met dit verhaal steek ik opnieuw de loftrompet over hem. Voor zijn “Kastelau” beloon ik hem met een volle 8 als recensiecijfer. De man staat intussen op mijn short list van favoriete auteurs.
Eén boek klinkt zo zuinig, dus ben ik blij dat ik nog een tweede te bespreken heb: Hypnose (in het Zweeds Hypnotisören) van Lars Kepler. Het is uit 2009 en speelt in Stockholm. En dik is het ook, 557 bladzijden. Ik ben wat blij dat ik het nog op tijd uit heb gekregen.
Hoofdpersonen in het boek zijn Erik Bark en zijn vrouw Simone (Sixan), plus hun aan hemofilie lijdende zoon Benjamin. Erik is psychiater van zijn vak met een speciale belangstelling voor hypnose. Hij heeft tien jaar terug een klasje van zeven patiënten gehad bij wie hij toen groepshypnose toepaste. Hun namen: Sibel, Pierre, Charlotte, Marek, Jussi, Lydia en Eva. Het ging mis, toen Lydia hem van poging tot moord beschuldigde. Erik moest toen beloven dat hij zich niet meer met hypnose zou inlaten.
Tien jaar later, nu dus, vraagt politieman Joona Linne aan Erik om de vijftienjarige, comateuze Josef Ek te hypnotiseren om zo inlichtingen over de dader te krijgen. Diens ouders en zusje zijn net vermoord, hij zit onder de messteken en zijn andere zus Evelyn, 23, is in gevaar. Dan ontrolt zich een verhaal dat steeds ingenieuzer wordt, zeker als ook nog eens zoon Benjamin van Erik ontvoerd wordt. Is Jozef behalve slachtoffer ook dader, wat hebben Evelyn, Eva en Lydia ermee van doen? Bijrollen zijn er o.a. van co-assistente Maja, kunstenaar Sim Shulman, Joona’s assistente Anja, Simone’s vader Kennet en Wailord, een figuur uit het Pokemonspel.. Laat ik verklappen dat op het einde zelfs Lapland nog in beeld komt.
Ik heb een hele zit gehad aan “Hypnose” van Lars Kepler. Het boek begint veelbelovend, maar gaandeweg wordt het mij allemaal echt wat veel van het goede (slechte). Dat drukt mijn recensiecijfer, zoals jullie je wel kunnen voorstellen. Ik kom uit op een 7- als eindresultaat. Lars Kepler wordt geen vriend van mij, hooguit een vage kennis.
dinsdag 4 december 2018
weblogbrief 14.05, 4 december 2018
Weblogbrief 14.05, 4 december 2018
Queridos amigos y familia, dit wordt een andere brief dan de vier vorige. Afgelopen dinsdag is Trudie zo vrij geweest van mijn gastvrijheid gebruik te gaan maken en daar komt Greetje nog eens boven op, als die afgelopen donderdag boven water komt. Twee vliegen in een klap! Natuurlijk, ze zijn de afgelopen dagen heel coulant voor me geweest, hebben me zelfs af en toe met rust gelaten, maar een inbreuk is het en blijft het. Deze brief staat dus in het teken van de verbroedering, wat zeg ik, zelfs verzustering.
Bij een vakantie hoort enige voorpret, dus begin ik met jullie daarover te vertellen. Al in de bus maandag een week terug heb ik prijs, als ik een meisje zie binnenkomen met op haar trui: “Style is not just about looks. It’s about attitude”. Ik heb de kreet wel eens eerder ergens gehoord, maar op het truitje van een bakvis blijft hij geslaagd.
Aangekomen op de universiteit begin ik met een rondje door de gang. Lluis is er helaas niet, maar Patricia en Jorge wel. Hun leg ik nog eens geduldig uit dat ik met Sonia als “pótsvrow” (is het vrow of vrouw?) een heel tevreden mens ben. Ik kan weer van de vloer eten (als ik dat wil), nu ze afgelopen zaterdag geweest is. Ik krijg hun beider zegen en blijf nog even bij Jorge na zitten kletsen. Als ik hem vraag waarom hij een heel stel snoepjes op het bureau heeft liggen, legt hij omstandig uit dat hij, sinds hij is gestopt met roken – volgens hem al meer dan een jaar terug – wel nog aanhoudend aan sigaretten denkt. De snoepjes zijn er om hem dan op andere gedachten te brengen.
Als Jorge iets op zijn computer intikt, lukt dat niet helemaal en volgt een “shit”. Dat lijkt me niks voor hem. Hij zou zich dan toch van “mierda” moeten bedienen of evt. het Duitse “Scheisse”. Zelf heb ik wel iets met het Franse “merde”. Dan bedenk ik dat wij geen Nederlands equivalent hebben. Heeft een van jullie ooit wel eens “stront”, “keutel” of “poep” geroepen, als er iets niet 100% naar wens is? Wij Hollanders zijn al zo verengelst dat we ons gevoeglijk van “shit” bedienen of het al even Engelse “fuck”.
Op you.be/pzP8cUv9f80 vind ik een versie van “Ech woer, jeh jao!”, die niet gecorrumpeerd is door het facebookgedoe van de Tempeleers. Het nieuwe carnavalsliedje blijft een aardige meezinger, van de “4 köp & batteraof”. Wel valt op dat ik eerst het refrein twee keer voorgeschoteld krijg, dan maar zegge en schrijve één keer het koeplet, gevolgd door nog eens drie keer het refrein. Hierbij ontsla ik jullie van de plicht om het koeplet uit je hoofd te leren. Het refrein zal er over een paar maanden ingestampt moeten zijn.
Aardig op YouTube vind ik een bijdrage van dertien minuten, waarin van allerlei liedjes de originele en een latere versie worden getoond. Natuurlijk, jullie weten dat bijv. “Venus” van Bananarama origineel van Shocking Blue is, “Nothing compares 2U” van Sinead O’Connor een nummer is van Prince (met Rosie Gaines) en “Knocking on heaven’s door” van Guns ‘n’ Roses op het conto komt van Bob Dylan. Maar weten jullie ook dat bijv. “I will always love you” (Whitney Houston), “Girls just wanna have fun” (Cyndi Lauper), “Torn” (Natalie Imbruglia), “Twist and shout” (Beatles), “Black Magic Woman” (Santana) dan wel “Hound Dog” (Elvis Presley) geen originele opnames zijn? Bij al deze en andere nummers is hun iemand vooraf gegaan, bij “Hound dog” als voorbeeld Big Mama Thornton.
In bus 12 op de terugweg naar mijn parkje – het schemert al een beetje – zie ik een grote advertentie van de firma EresCris. Ik ken hepatitis A, hepatitis B, maar heden ten dage is ook hepatitis C onder de mensen. Daar zou je zo maar van kunnen genezen, als je eerst enige pecunia naar EresCris overmaakt.
In mijn bibliotheekje bij het Lichtkasteel en aanpalend parkje lees ik van alles in de bladen. Helaas, pindakaas, ik heb de grote demonstratie tegen de “violencia de género” gemist. Het was weer paars in het kwadraat, ook in Las Palmas op zondag 25 november. “Su justicia y sus politicas nos asesinan”, jullie recht en politiek vermoorden ons, “Callar duele mas”, zwijgen doet meer pijn, “No mires al otro lado”, kijk niet de andere kant op.
El Corte Inglés heeft op de noordgevel van Mesa y Lopez een nieuwe kerstverlichting. Ze is 24 meter hoog en er zijn maar liefst 400 ledlampen in gebruik.
Willen jullie ook nog iets uit de landelijke pers? Ik vind in El Mundo een cartoon: sinds Trump zijn de (Supreme Court) rechters zo onafhankelijk dat ze zelf het koffiehuis mogen uitzoeken voor hun “cordadito”. Pedro Sanchez blijft mopperen over de status van Gibraltar en de 27 landen van de Europese Unie stemmen met pijn in het hart in met de voorgestelde Brexit van het Britse koninkrijk over enkele maanden. Theresa May heeft wel nog een en ander uit te leggen in het Britse parlement.
Ik eindig mijn krantenbijdrage met een verzuchting. In toenemende mate krijg ik een godsgloeiende hekel aan die Emmanuel Macron van Frankrijk. Hoe die het bijna derdewereldland weer naar pole-positie weet te werken, daar kan ik maar moeilijk tegen. Voor Macron heb ik – al zou ik het willen – vooralsnog geen goed woord over. Hoe is de man in godsnaam aan de macht gekomen, vanuit het vage midden? En dan maar meepraten met de grote jongens of hij de baas is.
Jullie rockers zijn uiteraard bekend met fenomeen Eddie Cochran, die in zijn korte leven bijna even beroemd werd als Elvis, zeker in Engeland. Wie kent hem niet met zijn “Summertime blues”, “Come on, everybody”, Jeannie, Jeannie, Jeannie”, “Something else”, “Weekend” en vooral – mijn favoriet – “Three steps to heaven”. Zoals dat wel vaker gaat, mag de naaste familie een beetje van het succes meeprofiteren. Dus neemt Eddie Cochran ook een plaat op met zijn broer Hank. Laat ik die eens voor de variatie aan jullie voorzetten. Hij heet “Eddie Cochran Brothers” en hier zijn de tien nummers die ik tot mijn beschikking heb:
01. Tired and sleepy
02. Fool’s paradise
03. Open the door
04. Slow down
05. Pink-peg slacks
06. Latch in (Hank solo)
07. My love to remember
08. Latch on
09. Yesterday’s heartbreak
10. I’m ready (Hank solo)
Dat is nog eens echte broederliefde. Ik vind de plaat wel wat hebben, zelfs ook de paar rock ‘n’ rollnummers die Hank Cochran in zijn uppie mag brengen. Het is een aardig intermezzo tussen al het Eddie Cochran geweld.
De dinsdagmiddag staat in het teken van mijn eraan komend bezoek. Ik weet niet hoe snel ik halfvolle melk en de juiste theezakjes in huis moet halen voor Trudie, en laat ik de pruimenjam niet vergeten. Daar komt voor Greetje donderdag nog yoghurt en crispies bij, zonder welke ze de dag niet monter kan beginnen.
Dan kan ik ´s avonds gaan kijken naar de kerstverlichting van El Corte Inglés. De ledlampen zouden voor 130.000 (!) lichtpunten zorgen. Als ik ervoor sta, bij de aanleg van het station van een treintje in wording, moet ik toegeven dat ik iets waars in zit. De middenruimte van de Avenida is helemaal verscholen achter dichte hekken en erachter is het nog een complete rotzooi. Gelukkig is het verderop op Mesa y López wel nog als vanouds, met een mooi middenstuk met banken en voorbij snuffelende honden geflankeerd door hun baasjes.
Susito en Ruurd, hier in Las Palmas in oktober, hebben me er met een e-mail op gewezen dat ze voor het warme eten goed terecht konden in de calle Olof Palme, rechts bij de plaza d’España op het einde van de Mesa y López. In die straat ontdek ik, vlakbij de Guanarteme, een Koreaans (of is het Japans?) restaurant waar je voor 12 euro 50 je buik rond kunt eten. De zaak heet Shitori II en het buffet “a la carta” staart me vanaf het raam waar ik door kijk, liefdevol aan. Daar moest ik maar eens een keer heen. Het ligt ter hoogte van de SuperDino op de Guanarteme.
Dan ga ik op die hoofdstraat eerst naar links om bij de Caixabank, naast hotel Astoria, geld uit de muur te halen. Bij mijn weten is dat nog de enige plek waar je niet hoeft te betalen voor je transactie. Overal elders, ook bij de grote banken, wordt je verondersteld een kleine twee euro neer te tellen, voordat de Automatic Teller Machine bereid is om geld te fourneren.
Meer naar rechts, vanuit Shirori II gezien, is het bekende plazoleta Farray, waar het op de diverse terrassen goed toeven is, al dan niet met voetbal op een televisie. Bij de fontein op een bank zit ik dichtbij genoeg om op een groot scherm bij La Rosa te kijken naar een stukje Roma-Real. Dan stap ik op om op mijn balkon het vierde deel van Patricia Highsmith’ epos over Tom Ripley uit te lezen.
Voor mijn deur, op de bank bij Carlos, krijg ik mee dat Ajax uit van AEK Athene gewonnen heeft, met 0-2. De club is daarmee al zeker van overwintering in de Champions League - eindelijk na 13 jaar, maar moet zich in de zesde en laatste wedstrijd voor deze eerste ronde (op 12 december) thuis wel Bayern München van het vege lijf houden om groepswinnaar te worden.
Dan is het tien over 12 locale tijd. Ik zit te wachten op het balkon en hoor Trudie beneden mijn naam roepen. Ze heeft sleutels van het appartement en staat even later in huis. Laat of niet, ze pakt haar tas uit en wil dan nog een drankje op het balkon. Om bijna 1 uur liggen we in het tweepersoonsbed.
Nadat ik mijn pillen heb genomen en koffie heb gezet, zit ik om kwart voor 9 ‘s morgens alweer naar de moeders te kijken, die de kinderen op school afgeleverd hebben en nu elkaar bijpraten over het leven zelf. Om 9 uur, best vroeg voor haar na zo’n lange reisdag, verheft ook Trudie zich. Niet veel later wordt me mijn eerste mok koffie aangereikt. Het ritueel van melk en knäckebröd met jam voltrekt zich voor mijn ogen. Dan gaat ze zich snel wassen, want Carlos wacht beneden met zijn vers geperste jus d’orange en daarbij dient de gedigitaliseerde versie van Dagblad De Limburger te worden doorgenomen.
Niet veel later vertrekt ze naar het strand, terwijl ik word opgescheept met boodschappen doen in de Mercado del Puerto: eerst verse zalm en tonijn halen bij de visboer en dan twee kilo “carne de ternero” (kalfsvlees) “en cubitos” (in blokjes) en driekwart kilo “carne molido” (gehakt). De slager waar Trudie op valt, is er niet, dus wijk ik voor mijn vlees uit naar carnicería van de buurman, “Ca’ Juan”. Ook daar word ik – door slager Juan zelf – prima geholpen. Met mijn boodschappen loop ik over de Paseo De Las Canteras (volledige naam) en de Alfredo Jones (met een ch) terug naar “mi casa, su casa”, terwijl Trudie in het zand ligt.
Er wordt geluncht en als ik dan met mijn boek door mag, gaat Trudie nogmaals strandwaarts. Dan is het douchen en op naar het terras bij het Lichtkasteel, want daar ligt tussen de struiken een geocache die ze vandaag perse nog moet veroveren. Later krijg ik thuis mijn verse tonijn voorgezet, als afsluiting van mijn eerste dag met haar. Goodbye, Ruby Wednesday, who could hang a name on you.
Op donderdag staan we wat later op, maar dan herhaalt het ochtendritueel zich. Trudie begint de dag met mijn twee kilo zuurvlees, gisteren in de azijn gezet, aan te braden en van van uien en stoofmix te voorzien. Later gaat het spul in dozen in mijn beperkte diepvriesvak. Ik krijg hulp van haar bij het klaarmaken van een grote pan tomaten-groentesoep. Sterker nog, als ik de prei van plastic ontdoe (jezusmina), snijd ik me in mijn vinger met het aardappelmesje. Eerlijk, ik doe het bepaald niet expres, maar het leidt er wel toe dat Trudie ook die honneurs waarneemt. In plaats van kraanwater komt ze voor de ongetwijfeld copieuze soep wel met flessenwater op de proppen. (Volgens Trudie hoort soep hier in Las Palmas niet met kraanwater bereid te worden, maar met “blauwe spa”). Dat gaat nog wat worden, na het te verwachten drinkgelag in de vroege avond, als we op de soep gaan aanvallen.
Er volgen twee bezoeken van haar aan het strand, voor en na de lunch. Daarna verdwijnt ze richting Santa Catalina om met de streekbus naar “el aeropuerto” te gaan. Als er geen oponthouden of dergelijke zijn, verschijnt Greetje (Margaretha Anna) daar om kwart voor 6 ongeveer bij de uitgang. Ik verwacht het dameskoppel een uur later terug bij Carlos op het terras.
Intermezzo: hoe heten een vlieg, een mug, een kakkerlak, een spin, een mier, een teek, een hoofdluis, een schaamluis, een vlo en een teek in het ABS? Ik heb het in die taal over resp. een “mosca”, “mosquito”, “cucaracha”, “araña”, “hormiga”, “piojo”, ”ladilla”, “pulga” en “garrapata”.
Vooral de teken, “garrapatas” beginnen zorgenkindjes te worden. Dat geldt zeker voor mensen die graag in de tuin werken of het leuk vinden om door struiken e.d. te lopen. Trudie krijgt er geregeld mee van doen, als ze op zoek is naar geocaches in het veld. In de Euregio, maar ook hier kunnen ze zomaar in de struiken zitten. Als dan een van die mormels (een op de zes?) besmet is met de ziekte van Lyme, heb je echt een probleem, als je gestoken bent (en een uitlopende concentrische cirkel om het wondje ontstaat). Onbehandeld kun je met diverse akelige toestanden geconfronteerd gaan worden, zoals gewrichtsklachten en erge moeheid. De effectiefste oplossing is om bij zelfs maar verdenking op een besmette tekenbeet een antibioticakuur bij de huisarts te gaan halen.
Ik zit vanaf even over half 7 bij Carlos op het terras te wachten tot ze eraan komen. Om vijf voor 7 is het zo ver. Wat zal ik verder nog over de avond vertellen? We nemen het ervan, eerst bij Carlos die extra aardig tegen de dames doet, dan om half 10, 10 uur in mijn bijkeuken met de onovertroffen tomaten-groentesoep met ballen. En zoals dat gaat na veel drank, om een uur of 11 leggen we onze moede lijven ter ruste.
Vanaf 8 uur is het weer volop leven in de straat. Niet alleen verzamelen de jongetjes zich om een balletje te trappen en vertellen de meisjes elkaar hun diepste geheimen, ook in mijn woning komt het leven hernieuwd op gang. Dan blijkt – tot mijn teleurstelling – dat de rijst crispies met chocolade te knapperig zijn voor Greetje’s tere keel. Gelukkig vinden de minibekertjes yoghurt en het sinaasappelsap wel de juiste weg.
Als mijn bezoek hernieuwd bij Carlos zit, vind ik de tijd om jullie met een tweede pareltje op mijn Verbatim te confronteren. De cd die ik jullie nu ga presenteren, heet “Big Mama’s”. Ik heb het vermoeden dat hij van Rocky komt, want maar elf nummers op de plaat, dat is mij aan de magere kant. Is het weer een van zijn “Unvollendete”? Laat ik er nog enkele mooie nummers van andere Big Mama’s aan toevoegen: Sister Rosetta Tharpe, Bessie Smith, Lucille Bogan, Ma Rainey en Big Mama Thornton. Hier is de cd “Big Mama’s” met mijn aanvulling:
01. Shirley Johnson – Prisoner of love
02. Big Time Sarah – Gonna have a murder on your hands
03. Big Time Sarah – Love fever
04. Zora Young – Daughter of the son of a gun
05. Gloria Shannon – One eyed man
06. Maggie Burrell – Baby won’t you please come home
07. Maggie Burrell – Pride and joy
08. Mary Lane – I wonder why
09. Mary Lane – Coming home
10. Pat Scott – Today I sing the blues
11. Pat Scott – Let’s do it again
12. Down bij the riverside – Sister Rosetta Tharpe (+ Dependable Boys)
13. Down hearted blues – Bessie Smith
14. Lucille Bogan – Drinking blues
15. Ma Rainey – Moonshine blues
16. Big Mama Thornton – Hound dog
De cd “Big Mama’s”, te weten de eerste elf nummers , vind ik best te verteren. De vijf toevoegingen maken er een bovenste beste plaat van.
Op vrijdagmiddag vertrekken Trudie en Greetje te voet naar kustdorpje Las Coloradas vlak boven Las Palmas. Het wandelvermogen van Greetje blijkt dan toch nog niet je dat te zijn. Echter,als ik me om vijf uur bij La Oliva aandien, zitten ze daar zoals afgesproken wel gezellig voor zich uit te kijken. Op nog geen tien meter meer naar rechts zie ik Noé en Lorena met wie ik ook heb afgesproken. Ik zorg ervoor dat we met zijn vijven aan een tafel zitten en dan kan de drank rijkelijk gaan vloeien, uren lang.
Om 9 uur verplaatst ons gezelschap zich naar Amigo Camilo voor de maaltijd. Laat ik eens de tapas noemen, die vooral uit Noé’s koker komen: “salpicon de mariscos” (zeevruchtensalade), “mejillones” (mosselen), “rejos” (staafinkvis) en “papas arrugadas” (aardappeltjes met twee soorten “mojo” saus). Als hoofdgerecht, maar niet voor mij, volgen daarop “salmonetes” (gebakken zee barbelen), “puntillas” (minisardientjes) en “calamares” (inktvisringen). De Hollandse dames, intussen al aardig over de rooie van de witte wijn, krijgen tot slot nog eens met Lorena “polvito” (met rijst), “leche asada (gebakken melk) en “mousse gofio” (iets lokaals) voorgezet. Noé en ik sluiten de “cena” (maar niet “la última cena”) af met een glaasje Johnny Walker Black Label. Niet veel later ben ik blij dat ik mijn bed kan opzoeken.
Helaas, ik kan niet naar het feest van tandarts Tachela bij San Telmo, want ik word verondersteld met Trudie en Greetje vandaag een bezoek te brengen aan clubhotel Riu Gran Canaria in Maspalomas in het zuiden van het eiland. Daar zitten Marja, Claar & Cintha gereed om ons een aangename middag (en begin van de avond) te bezorgen. De dames hebben net kennis met elkaar gemaakt, als ze de eerste (en tweede) cava voor zich hebben staan.
Om even voor twee uur gaan we buiten aan tafel. Het buffet binnen is zo omvangrijk dat ik jullie maar niet ga vertellen waaruit ik en de anderen kunnen kiezen. Mijn eigen keuze is eerst een gazpacho (koude soep met toebehoren), dan een salade van allerlei soorten vis, vervolgens stoofvlees en kabeljauw met spinazie en als toetje verschillende ijsjes en pudding met mandarijn. Vanwege mijn drankgelag op de vrijdag houd ik mezelf (als enge) in en drink, althans tot half 5, geen alcohol. Daarna ben ik nog wel enkele uren in de weer met een viertal glazen Aperol/cava. In de bus terug naar de stadswereld van LPGC dommel ik enkele keren weg.
Dan vraag ik mij, ongeveer ter hoogte van het voorbij trekkend vliegveld, af wat “STOP” in het Spaans is. Ik denken, denken. Trudie komt desgevraagd aanzetten met werkwoord “parar”, stoppen en een “parada”, stopplaats. Maar stop als stopwoordje, als kreet? Het gangbare woord is volgens mijn woordenboek: !alto!, !ya basta! “Alto” is hoog en een “alto” is een hoogte, waar je een pauze inlast. Wat raar dat mij dat woord niet bekend is, dat ik het op school hier nooit meegekregen heb.
Op de zondagmorgen zie ik Greetje solo beneden naar “De Francesco” afzakken voor een kopje koffie en een stuk taart. Trudie en ik zitten eerst te lezen op het balkon. Om 11 uur gaan we gedrieën naar de rommelmarkt. Daar koopt Trudie twee leren tasjes ter vervanging van haar huidige, die enigszins versleten is. Daarbij is ze goed voor een set van vier grote wasknijpers (“pinzas”) die volgens de dames in Maspalomas ideaal zijn om je strandhanddoeken (“toallas”) aan de bedjes (“hamacas”) te bevestigen. Ik vul mijn voorraadje dvd’s aan met een zestal nieuwe exemplaren.
Na ons bezoek aan de markt zitten we eerst bij La Alemana, maar als de koffie daar maar niet wil komen, wijken we uit naar Lolita Pluma. ‘s Middags is het voor de dames strandweer en voor mij mijn tweede boek uitlezen. In de avond buurten we op Las Canteras met op het einde een zitje op het terras naast Granier. De soep thuis laat zich daarna andermaal goed smaken.
Dan neemt de door de week weer zijn aanvang. Geluk bij een ongeluk, in de ochtend wacht het strand. Daarentegen gaan mijn bezoekers in de middag naar het “historische” centrum in het zuiden van de stad: Triana/Vegueta, Trudie te voet en Greetje later met de bus. Ze nemen een duokijkje bij het huis van Columbus, fotograferen de kathedraal, doen de “plaza de las ranas” en dan dalen ze af naar McCarthys voor kippenvleugeltjes en “vino tinto”. Ik voeg me om 6 uur bij ze en ben dan toch nog goed voor twee pinten Guinness. Dan mogen ze nog een kwartier of zo naar de uitgestalde kleren kijken in de grote Desigual-winkel in de calle mayor de Triana, voordat we bus 1 nemen, terug naar de Luis Morote.
Daar wordt ten laatsten male overvloedig gegeten bij chinees restaurant Hong Kong en dan is het weer slapen geblazen. Op de dinsdagmorgen heeft het stel nog net tijd om van Carlos afscheid te nemen en dan breng ik ze naar de Global streekbus met zijn “salcai utinse”?
Met een verzuchting eindig ik hiermee ook mijn vijfde brief aan jullie. Het was me het weekje wel. Aan de andere kant, Trudie meer nog dan Greetje heeft me wel weer een aangename week bezorgd, met de nodige sjeu.
Komt hierna nog een nieuwe weblogbrief? Wel wis en drie! Mijn volgende post voor jullie heb ik in gedachte voor a.s. maandag 10 december. Sinterklaas is dan al weer lang en breed vertrokken naar Mira of ergens in het verre vasteland van Spanje, met medeneming van de zak met stoute kinderen.
Voor nu, morgen is het zo ver. Dan wordt van jullie een bovenmenselijke inspanning verlangd: het uitserveren van bij elkaar geflanste rijmelarij. Laat je niet kisten, ook niet als je wordt afgescheept met een pyjama of een stropdas (die mijn oma zaliger niet een “krevat”, maar “‘ne bindel” noemde). En bedenk wel dat je ook nog het hoogfeest van Kerstmis te verduren krijgt. Het leed kan niet op. Voor nu, tot ziens maar weer, hasta luego, Paúl (met een streepje op de u, zoals ook in Saúl en Raúl).
BOEKENBIJLAGE
Ik had jullie nog deel 4 van de Ripley-kwartologie (nieuw woord) beloofd, dus hier is mijn recensie daarvan. Patricia Highsmith heeft er ongetwijfeld ook deze keer haar stinkende best op gedaan. Het heet “The Boy Who Followed Ripley” en is uit 1980. Voor wie het weten wil: het gaat om nagenoeg 200 bladzijden in een heel kleine letter.
Tom Ripley ontmoet in zijn woonplaatsje Villeperce bij Parijs een jongeman, in wie hij al snel Frank Pierson herkent, de 16-jarige zoon van de onlangs overleden multimiljonair John Pierson. Die zou in zijn rolstoel van een klip zijn gevallen bij zijn villa in het Amerikaanse Maine. Frank is hem vervolgens gesmeerd naar Europa, maar biecht Tom als eerste op dat het geen zelfmoord was of een ongeluk, maar dat hij zijn vader van de klip heeft afgeduwd. Frank is enigszins getormenteerd, niet alleen omdat hij over de dood van zijn vader inzit, maar ook omdat zijn vriendinnetje Teresa hem in de steek heeft gelaten. Het duo Tom & Frank gaat vervolgens samen naar Berlijn voor enige buitenlandse ontspanning, als de Franse grond onder Frank’s voeten hem te heet wordt. Daar wordt Frank gekidnapt door een stelletje amateurs, maar Tom brengt redding. Dan zien we de terugweg van de twee via Hamburg naar Parijs terugkeren en uiteindelijk naar New York en alweer Maine belanden.
“The Boy Who Followed Ripley” vind ik alweer goed te lezen, net als de vorige Ripleys, maar veel nieuws weet Patricia Highsmith me met dit boek niet meer voor te zetten. Dat gaat haar bezuren met een iets lager recensiecijfer: een 7. Ik moet t.z.t. wel weer eens andere van de boeken van deze dame van de oude garde gaan lezen.
Dan ben ik bij boek 2: Mo Hayder’s “Wolf”, dat ik in vertaling heb gevonden in de boekenlast op de Heerderweg in Maastricht. Het is uit 2014 en speelt in Somerset in het Verenigd Koninkrijk.
Een ouder echtpaar, Oliver & Matilda Anchor-Ferrers, woont met dochter Lucia in een villa daar. Ze worden overvallen door een tweetal boeven: Honey en Molina, die eigenlijk Theo Honig en Ian (The Nerd) heten. Het is de boeven vooral te doen om Oliver die in een te verschijnen autobiografie kwaad gaat spreken over hun baas van firma Gauntlet, afnemer van Oliver Anchor-Ferrrers’ Wolf raketten. Op de achtergrond speelt een drama van vijftien jaar eerder, als de ex-vriend van Lucia, genaamd Hugo, samen met zijn nieuwe vriendin Sophie vermoord wordt door – naar men denkt – ene Minnet Kable. En dan is er nu de verdwijning van Ginny Van Der Bolt, huishoudster van zowel de grootouders van Hugo als van de Anchor-Ferrers familie. Jack Caffery, de held-politieman in alle boeken van Mo Hayder, weet de familie en daarmee ook de boeven op te sporen, maar dan is het wel nog even puzzelen wie nou de echte ploerten zijn. Voor een belangrijke ondersteunende rol komt Bear in aanmerking, het hondje dat Jack Caffery op zijn speurtocht vergezelt.
Boeken van Mo Hayder zijn altijd aangenaam leesvoer. Dat geldt ook voor “Wolf”, voor details over de titel zie bijv. blz. 139. Echter, tegelijkertijd geef ik als mijn mening dat het einde van het verhaal enigszins gekunsteld in elkaar steekt. Daarbij heeft Oliver Anchor-Ferrers wel ietsje te erg te lijden van zijn hartoperatie (blijf kloppen, blijf kloppen, varkenshart). Dat maakt dat ik im groszem Ganze aan de zuinige kant ben met mijn recensiecijfer: een 7. Toch haak ik niet af en zal ik t.z.t. weer andere boeken van Mo Hayder blijven lezen.
Queridos amigos y familia, dit wordt een andere brief dan de vier vorige. Afgelopen dinsdag is Trudie zo vrij geweest van mijn gastvrijheid gebruik te gaan maken en daar komt Greetje nog eens boven op, als die afgelopen donderdag boven water komt. Twee vliegen in een klap! Natuurlijk, ze zijn de afgelopen dagen heel coulant voor me geweest, hebben me zelfs af en toe met rust gelaten, maar een inbreuk is het en blijft het. Deze brief staat dus in het teken van de verbroedering, wat zeg ik, zelfs verzustering.
Bij een vakantie hoort enige voorpret, dus begin ik met jullie daarover te vertellen. Al in de bus maandag een week terug heb ik prijs, als ik een meisje zie binnenkomen met op haar trui: “Style is not just about looks. It’s about attitude”. Ik heb de kreet wel eens eerder ergens gehoord, maar op het truitje van een bakvis blijft hij geslaagd.
Aangekomen op de universiteit begin ik met een rondje door de gang. Lluis is er helaas niet, maar Patricia en Jorge wel. Hun leg ik nog eens geduldig uit dat ik met Sonia als “pótsvrow” (is het vrow of vrouw?) een heel tevreden mens ben. Ik kan weer van de vloer eten (als ik dat wil), nu ze afgelopen zaterdag geweest is. Ik krijg hun beider zegen en blijf nog even bij Jorge na zitten kletsen. Als ik hem vraag waarom hij een heel stel snoepjes op het bureau heeft liggen, legt hij omstandig uit dat hij, sinds hij is gestopt met roken – volgens hem al meer dan een jaar terug – wel nog aanhoudend aan sigaretten denkt. De snoepjes zijn er om hem dan op andere gedachten te brengen.
Als Jorge iets op zijn computer intikt, lukt dat niet helemaal en volgt een “shit”. Dat lijkt me niks voor hem. Hij zou zich dan toch van “mierda” moeten bedienen of evt. het Duitse “Scheisse”. Zelf heb ik wel iets met het Franse “merde”. Dan bedenk ik dat wij geen Nederlands equivalent hebben. Heeft een van jullie ooit wel eens “stront”, “keutel” of “poep” geroepen, als er iets niet 100% naar wens is? Wij Hollanders zijn al zo verengelst dat we ons gevoeglijk van “shit” bedienen of het al even Engelse “fuck”.
Op you.be/pzP8cUv9f80 vind ik een versie van “Ech woer, jeh jao!”, die niet gecorrumpeerd is door het facebookgedoe van de Tempeleers. Het nieuwe carnavalsliedje blijft een aardige meezinger, van de “4 köp & batteraof”. Wel valt op dat ik eerst het refrein twee keer voorgeschoteld krijg, dan maar zegge en schrijve één keer het koeplet, gevolgd door nog eens drie keer het refrein. Hierbij ontsla ik jullie van de plicht om het koeplet uit je hoofd te leren. Het refrein zal er over een paar maanden ingestampt moeten zijn.
Aardig op YouTube vind ik een bijdrage van dertien minuten, waarin van allerlei liedjes de originele en een latere versie worden getoond. Natuurlijk, jullie weten dat bijv. “Venus” van Bananarama origineel van Shocking Blue is, “Nothing compares 2U” van Sinead O’Connor een nummer is van Prince (met Rosie Gaines) en “Knocking on heaven’s door” van Guns ‘n’ Roses op het conto komt van Bob Dylan. Maar weten jullie ook dat bijv. “I will always love you” (Whitney Houston), “Girls just wanna have fun” (Cyndi Lauper), “Torn” (Natalie Imbruglia), “Twist and shout” (Beatles), “Black Magic Woman” (Santana) dan wel “Hound Dog” (Elvis Presley) geen originele opnames zijn? Bij al deze en andere nummers is hun iemand vooraf gegaan, bij “Hound dog” als voorbeeld Big Mama Thornton.
In bus 12 op de terugweg naar mijn parkje – het schemert al een beetje – zie ik een grote advertentie van de firma EresCris. Ik ken hepatitis A, hepatitis B, maar heden ten dage is ook hepatitis C onder de mensen. Daar zou je zo maar van kunnen genezen, als je eerst enige pecunia naar EresCris overmaakt.
In mijn bibliotheekje bij het Lichtkasteel en aanpalend parkje lees ik van alles in de bladen. Helaas, pindakaas, ik heb de grote demonstratie tegen de “violencia de género” gemist. Het was weer paars in het kwadraat, ook in Las Palmas op zondag 25 november. “Su justicia y sus politicas nos asesinan”, jullie recht en politiek vermoorden ons, “Callar duele mas”, zwijgen doet meer pijn, “No mires al otro lado”, kijk niet de andere kant op.
El Corte Inglés heeft op de noordgevel van Mesa y Lopez een nieuwe kerstverlichting. Ze is 24 meter hoog en er zijn maar liefst 400 ledlampen in gebruik.
Willen jullie ook nog iets uit de landelijke pers? Ik vind in El Mundo een cartoon: sinds Trump zijn de (Supreme Court) rechters zo onafhankelijk dat ze zelf het koffiehuis mogen uitzoeken voor hun “cordadito”. Pedro Sanchez blijft mopperen over de status van Gibraltar en de 27 landen van de Europese Unie stemmen met pijn in het hart in met de voorgestelde Brexit van het Britse koninkrijk over enkele maanden. Theresa May heeft wel nog een en ander uit te leggen in het Britse parlement.
Ik eindig mijn krantenbijdrage met een verzuchting. In toenemende mate krijg ik een godsgloeiende hekel aan die Emmanuel Macron van Frankrijk. Hoe die het bijna derdewereldland weer naar pole-positie weet te werken, daar kan ik maar moeilijk tegen. Voor Macron heb ik – al zou ik het willen – vooralsnog geen goed woord over. Hoe is de man in godsnaam aan de macht gekomen, vanuit het vage midden? En dan maar meepraten met de grote jongens of hij de baas is.
Jullie rockers zijn uiteraard bekend met fenomeen Eddie Cochran, die in zijn korte leven bijna even beroemd werd als Elvis, zeker in Engeland. Wie kent hem niet met zijn “Summertime blues”, “Come on, everybody”, Jeannie, Jeannie, Jeannie”, “Something else”, “Weekend” en vooral – mijn favoriet – “Three steps to heaven”. Zoals dat wel vaker gaat, mag de naaste familie een beetje van het succes meeprofiteren. Dus neemt Eddie Cochran ook een plaat op met zijn broer Hank. Laat ik die eens voor de variatie aan jullie voorzetten. Hij heet “Eddie Cochran Brothers” en hier zijn de tien nummers die ik tot mijn beschikking heb:
01. Tired and sleepy
02. Fool’s paradise
03. Open the door
04. Slow down
05. Pink-peg slacks
06. Latch in (Hank solo)
07. My love to remember
08. Latch on
09. Yesterday’s heartbreak
10. I’m ready (Hank solo)
Dat is nog eens echte broederliefde. Ik vind de plaat wel wat hebben, zelfs ook de paar rock ‘n’ rollnummers die Hank Cochran in zijn uppie mag brengen. Het is een aardig intermezzo tussen al het Eddie Cochran geweld.
De dinsdagmiddag staat in het teken van mijn eraan komend bezoek. Ik weet niet hoe snel ik halfvolle melk en de juiste theezakjes in huis moet halen voor Trudie, en laat ik de pruimenjam niet vergeten. Daar komt voor Greetje donderdag nog yoghurt en crispies bij, zonder welke ze de dag niet monter kan beginnen.
Dan kan ik ´s avonds gaan kijken naar de kerstverlichting van El Corte Inglés. De ledlampen zouden voor 130.000 (!) lichtpunten zorgen. Als ik ervoor sta, bij de aanleg van het station van een treintje in wording, moet ik toegeven dat ik iets waars in zit. De middenruimte van de Avenida is helemaal verscholen achter dichte hekken en erachter is het nog een complete rotzooi. Gelukkig is het verderop op Mesa y López wel nog als vanouds, met een mooi middenstuk met banken en voorbij snuffelende honden geflankeerd door hun baasjes.
Susito en Ruurd, hier in Las Palmas in oktober, hebben me er met een e-mail op gewezen dat ze voor het warme eten goed terecht konden in de calle Olof Palme, rechts bij de plaza d’España op het einde van de Mesa y López. In die straat ontdek ik, vlakbij de Guanarteme, een Koreaans (of is het Japans?) restaurant waar je voor 12 euro 50 je buik rond kunt eten. De zaak heet Shitori II en het buffet “a la carta” staart me vanaf het raam waar ik door kijk, liefdevol aan. Daar moest ik maar eens een keer heen. Het ligt ter hoogte van de SuperDino op de Guanarteme.
Dan ga ik op die hoofdstraat eerst naar links om bij de Caixabank, naast hotel Astoria, geld uit de muur te halen. Bij mijn weten is dat nog de enige plek waar je niet hoeft te betalen voor je transactie. Overal elders, ook bij de grote banken, wordt je verondersteld een kleine twee euro neer te tellen, voordat de Automatic Teller Machine bereid is om geld te fourneren.
Meer naar rechts, vanuit Shirori II gezien, is het bekende plazoleta Farray, waar het op de diverse terrassen goed toeven is, al dan niet met voetbal op een televisie. Bij de fontein op een bank zit ik dichtbij genoeg om op een groot scherm bij La Rosa te kijken naar een stukje Roma-Real. Dan stap ik op om op mijn balkon het vierde deel van Patricia Highsmith’ epos over Tom Ripley uit te lezen.
Voor mijn deur, op de bank bij Carlos, krijg ik mee dat Ajax uit van AEK Athene gewonnen heeft, met 0-2. De club is daarmee al zeker van overwintering in de Champions League - eindelijk na 13 jaar, maar moet zich in de zesde en laatste wedstrijd voor deze eerste ronde (op 12 december) thuis wel Bayern München van het vege lijf houden om groepswinnaar te worden.
Dan is het tien over 12 locale tijd. Ik zit te wachten op het balkon en hoor Trudie beneden mijn naam roepen. Ze heeft sleutels van het appartement en staat even later in huis. Laat of niet, ze pakt haar tas uit en wil dan nog een drankje op het balkon. Om bijna 1 uur liggen we in het tweepersoonsbed.
Nadat ik mijn pillen heb genomen en koffie heb gezet, zit ik om kwart voor 9 ‘s morgens alweer naar de moeders te kijken, die de kinderen op school afgeleverd hebben en nu elkaar bijpraten over het leven zelf. Om 9 uur, best vroeg voor haar na zo’n lange reisdag, verheft ook Trudie zich. Niet veel later wordt me mijn eerste mok koffie aangereikt. Het ritueel van melk en knäckebröd met jam voltrekt zich voor mijn ogen. Dan gaat ze zich snel wassen, want Carlos wacht beneden met zijn vers geperste jus d’orange en daarbij dient de gedigitaliseerde versie van Dagblad De Limburger te worden doorgenomen.
Niet veel later vertrekt ze naar het strand, terwijl ik word opgescheept met boodschappen doen in de Mercado del Puerto: eerst verse zalm en tonijn halen bij de visboer en dan twee kilo “carne de ternero” (kalfsvlees) “en cubitos” (in blokjes) en driekwart kilo “carne molido” (gehakt). De slager waar Trudie op valt, is er niet, dus wijk ik voor mijn vlees uit naar carnicería van de buurman, “Ca’ Juan”. Ook daar word ik – door slager Juan zelf – prima geholpen. Met mijn boodschappen loop ik over de Paseo De Las Canteras (volledige naam) en de Alfredo Jones (met een ch) terug naar “mi casa, su casa”, terwijl Trudie in het zand ligt.
Er wordt geluncht en als ik dan met mijn boek door mag, gaat Trudie nogmaals strandwaarts. Dan is het douchen en op naar het terras bij het Lichtkasteel, want daar ligt tussen de struiken een geocache die ze vandaag perse nog moet veroveren. Later krijg ik thuis mijn verse tonijn voorgezet, als afsluiting van mijn eerste dag met haar. Goodbye, Ruby Wednesday, who could hang a name on you.
Op donderdag staan we wat later op, maar dan herhaalt het ochtendritueel zich. Trudie begint de dag met mijn twee kilo zuurvlees, gisteren in de azijn gezet, aan te braden en van van uien en stoofmix te voorzien. Later gaat het spul in dozen in mijn beperkte diepvriesvak. Ik krijg hulp van haar bij het klaarmaken van een grote pan tomaten-groentesoep. Sterker nog, als ik de prei van plastic ontdoe (jezusmina), snijd ik me in mijn vinger met het aardappelmesje. Eerlijk, ik doe het bepaald niet expres, maar het leidt er wel toe dat Trudie ook die honneurs waarneemt. In plaats van kraanwater komt ze voor de ongetwijfeld copieuze soep wel met flessenwater op de proppen. (Volgens Trudie hoort soep hier in Las Palmas niet met kraanwater bereid te worden, maar met “blauwe spa”). Dat gaat nog wat worden, na het te verwachten drinkgelag in de vroege avond, als we op de soep gaan aanvallen.
Er volgen twee bezoeken van haar aan het strand, voor en na de lunch. Daarna verdwijnt ze richting Santa Catalina om met de streekbus naar “el aeropuerto” te gaan. Als er geen oponthouden of dergelijke zijn, verschijnt Greetje (Margaretha Anna) daar om kwart voor 6 ongeveer bij de uitgang. Ik verwacht het dameskoppel een uur later terug bij Carlos op het terras.
Intermezzo: hoe heten een vlieg, een mug, een kakkerlak, een spin, een mier, een teek, een hoofdluis, een schaamluis, een vlo en een teek in het ABS? Ik heb het in die taal over resp. een “mosca”, “mosquito”, “cucaracha”, “araña”, “hormiga”, “piojo”, ”ladilla”, “pulga” en “garrapata”.
Vooral de teken, “garrapatas” beginnen zorgenkindjes te worden. Dat geldt zeker voor mensen die graag in de tuin werken of het leuk vinden om door struiken e.d. te lopen. Trudie krijgt er geregeld mee van doen, als ze op zoek is naar geocaches in het veld. In de Euregio, maar ook hier kunnen ze zomaar in de struiken zitten. Als dan een van die mormels (een op de zes?) besmet is met de ziekte van Lyme, heb je echt een probleem, als je gestoken bent (en een uitlopende concentrische cirkel om het wondje ontstaat). Onbehandeld kun je met diverse akelige toestanden geconfronteerd gaan worden, zoals gewrichtsklachten en erge moeheid. De effectiefste oplossing is om bij zelfs maar verdenking op een besmette tekenbeet een antibioticakuur bij de huisarts te gaan halen.
Ik zit vanaf even over half 7 bij Carlos op het terras te wachten tot ze eraan komen. Om vijf voor 7 is het zo ver. Wat zal ik verder nog over de avond vertellen? We nemen het ervan, eerst bij Carlos die extra aardig tegen de dames doet, dan om half 10, 10 uur in mijn bijkeuken met de onovertroffen tomaten-groentesoep met ballen. En zoals dat gaat na veel drank, om een uur of 11 leggen we onze moede lijven ter ruste.
Vanaf 8 uur is het weer volop leven in de straat. Niet alleen verzamelen de jongetjes zich om een balletje te trappen en vertellen de meisjes elkaar hun diepste geheimen, ook in mijn woning komt het leven hernieuwd op gang. Dan blijkt – tot mijn teleurstelling – dat de rijst crispies met chocolade te knapperig zijn voor Greetje’s tere keel. Gelukkig vinden de minibekertjes yoghurt en het sinaasappelsap wel de juiste weg.
Als mijn bezoek hernieuwd bij Carlos zit, vind ik de tijd om jullie met een tweede pareltje op mijn Verbatim te confronteren. De cd die ik jullie nu ga presenteren, heet “Big Mama’s”. Ik heb het vermoeden dat hij van Rocky komt, want maar elf nummers op de plaat, dat is mij aan de magere kant. Is het weer een van zijn “Unvollendete”? Laat ik er nog enkele mooie nummers van andere Big Mama’s aan toevoegen: Sister Rosetta Tharpe, Bessie Smith, Lucille Bogan, Ma Rainey en Big Mama Thornton. Hier is de cd “Big Mama’s” met mijn aanvulling:
01. Shirley Johnson – Prisoner of love
02. Big Time Sarah – Gonna have a murder on your hands
03. Big Time Sarah – Love fever
04. Zora Young – Daughter of the son of a gun
05. Gloria Shannon – One eyed man
06. Maggie Burrell – Baby won’t you please come home
07. Maggie Burrell – Pride and joy
08. Mary Lane – I wonder why
09. Mary Lane – Coming home
10. Pat Scott – Today I sing the blues
11. Pat Scott – Let’s do it again
12. Down bij the riverside – Sister Rosetta Tharpe (+ Dependable Boys)
13. Down hearted blues – Bessie Smith
14. Lucille Bogan – Drinking blues
15. Ma Rainey – Moonshine blues
16. Big Mama Thornton – Hound dog
De cd “Big Mama’s”, te weten de eerste elf nummers , vind ik best te verteren. De vijf toevoegingen maken er een bovenste beste plaat van.
Op vrijdagmiddag vertrekken Trudie en Greetje te voet naar kustdorpje Las Coloradas vlak boven Las Palmas. Het wandelvermogen van Greetje blijkt dan toch nog niet je dat te zijn. Echter,als ik me om vijf uur bij La Oliva aandien, zitten ze daar zoals afgesproken wel gezellig voor zich uit te kijken. Op nog geen tien meter meer naar rechts zie ik Noé en Lorena met wie ik ook heb afgesproken. Ik zorg ervoor dat we met zijn vijven aan een tafel zitten en dan kan de drank rijkelijk gaan vloeien, uren lang.
Om 9 uur verplaatst ons gezelschap zich naar Amigo Camilo voor de maaltijd. Laat ik eens de tapas noemen, die vooral uit Noé’s koker komen: “salpicon de mariscos” (zeevruchtensalade), “mejillones” (mosselen), “rejos” (staafinkvis) en “papas arrugadas” (aardappeltjes met twee soorten “mojo” saus). Als hoofdgerecht, maar niet voor mij, volgen daarop “salmonetes” (gebakken zee barbelen), “puntillas” (minisardientjes) en “calamares” (inktvisringen). De Hollandse dames, intussen al aardig over de rooie van de witte wijn, krijgen tot slot nog eens met Lorena “polvito” (met rijst), “leche asada (gebakken melk) en “mousse gofio” (iets lokaals) voorgezet. Noé en ik sluiten de “cena” (maar niet “la última cena”) af met een glaasje Johnny Walker Black Label. Niet veel later ben ik blij dat ik mijn bed kan opzoeken.
Helaas, ik kan niet naar het feest van tandarts Tachela bij San Telmo, want ik word verondersteld met Trudie en Greetje vandaag een bezoek te brengen aan clubhotel Riu Gran Canaria in Maspalomas in het zuiden van het eiland. Daar zitten Marja, Claar & Cintha gereed om ons een aangename middag (en begin van de avond) te bezorgen. De dames hebben net kennis met elkaar gemaakt, als ze de eerste (en tweede) cava voor zich hebben staan.
Om even voor twee uur gaan we buiten aan tafel. Het buffet binnen is zo omvangrijk dat ik jullie maar niet ga vertellen waaruit ik en de anderen kunnen kiezen. Mijn eigen keuze is eerst een gazpacho (koude soep met toebehoren), dan een salade van allerlei soorten vis, vervolgens stoofvlees en kabeljauw met spinazie en als toetje verschillende ijsjes en pudding met mandarijn. Vanwege mijn drankgelag op de vrijdag houd ik mezelf (als enge) in en drink, althans tot half 5, geen alcohol. Daarna ben ik nog wel enkele uren in de weer met een viertal glazen Aperol/cava. In de bus terug naar de stadswereld van LPGC dommel ik enkele keren weg.
Dan vraag ik mij, ongeveer ter hoogte van het voorbij trekkend vliegveld, af wat “STOP” in het Spaans is. Ik denken, denken. Trudie komt desgevraagd aanzetten met werkwoord “parar”, stoppen en een “parada”, stopplaats. Maar stop als stopwoordje, als kreet? Het gangbare woord is volgens mijn woordenboek: !alto!, !ya basta! “Alto” is hoog en een “alto” is een hoogte, waar je een pauze inlast. Wat raar dat mij dat woord niet bekend is, dat ik het op school hier nooit meegekregen heb.
Op de zondagmorgen zie ik Greetje solo beneden naar “De Francesco” afzakken voor een kopje koffie en een stuk taart. Trudie en ik zitten eerst te lezen op het balkon. Om 11 uur gaan we gedrieën naar de rommelmarkt. Daar koopt Trudie twee leren tasjes ter vervanging van haar huidige, die enigszins versleten is. Daarbij is ze goed voor een set van vier grote wasknijpers (“pinzas”) die volgens de dames in Maspalomas ideaal zijn om je strandhanddoeken (“toallas”) aan de bedjes (“hamacas”) te bevestigen. Ik vul mijn voorraadje dvd’s aan met een zestal nieuwe exemplaren.
Na ons bezoek aan de markt zitten we eerst bij La Alemana, maar als de koffie daar maar niet wil komen, wijken we uit naar Lolita Pluma. ‘s Middags is het voor de dames strandweer en voor mij mijn tweede boek uitlezen. In de avond buurten we op Las Canteras met op het einde een zitje op het terras naast Granier. De soep thuis laat zich daarna andermaal goed smaken.
Dan neemt de door de week weer zijn aanvang. Geluk bij een ongeluk, in de ochtend wacht het strand. Daarentegen gaan mijn bezoekers in de middag naar het “historische” centrum in het zuiden van de stad: Triana/Vegueta, Trudie te voet en Greetje later met de bus. Ze nemen een duokijkje bij het huis van Columbus, fotograferen de kathedraal, doen de “plaza de las ranas” en dan dalen ze af naar McCarthys voor kippenvleugeltjes en “vino tinto”. Ik voeg me om 6 uur bij ze en ben dan toch nog goed voor twee pinten Guinness. Dan mogen ze nog een kwartier of zo naar de uitgestalde kleren kijken in de grote Desigual-winkel in de calle mayor de Triana, voordat we bus 1 nemen, terug naar de Luis Morote.
Daar wordt ten laatsten male overvloedig gegeten bij chinees restaurant Hong Kong en dan is het weer slapen geblazen. Op de dinsdagmorgen heeft het stel nog net tijd om van Carlos afscheid te nemen en dan breng ik ze naar de Global streekbus met zijn “salcai utinse”?
Met een verzuchting eindig ik hiermee ook mijn vijfde brief aan jullie. Het was me het weekje wel. Aan de andere kant, Trudie meer nog dan Greetje heeft me wel weer een aangename week bezorgd, met de nodige sjeu.
Komt hierna nog een nieuwe weblogbrief? Wel wis en drie! Mijn volgende post voor jullie heb ik in gedachte voor a.s. maandag 10 december. Sinterklaas is dan al weer lang en breed vertrokken naar Mira of ergens in het verre vasteland van Spanje, met medeneming van de zak met stoute kinderen.
Voor nu, morgen is het zo ver. Dan wordt van jullie een bovenmenselijke inspanning verlangd: het uitserveren van bij elkaar geflanste rijmelarij. Laat je niet kisten, ook niet als je wordt afgescheept met een pyjama of een stropdas (die mijn oma zaliger niet een “krevat”, maar “‘ne bindel” noemde). En bedenk wel dat je ook nog het hoogfeest van Kerstmis te verduren krijgt. Het leed kan niet op. Voor nu, tot ziens maar weer, hasta luego, Paúl (met een streepje op de u, zoals ook in Saúl en Raúl).
BOEKENBIJLAGE
Ik had jullie nog deel 4 van de Ripley-kwartologie (nieuw woord) beloofd, dus hier is mijn recensie daarvan. Patricia Highsmith heeft er ongetwijfeld ook deze keer haar stinkende best op gedaan. Het heet “The Boy Who Followed Ripley” en is uit 1980. Voor wie het weten wil: het gaat om nagenoeg 200 bladzijden in een heel kleine letter.
Tom Ripley ontmoet in zijn woonplaatsje Villeperce bij Parijs een jongeman, in wie hij al snel Frank Pierson herkent, de 16-jarige zoon van de onlangs overleden multimiljonair John Pierson. Die zou in zijn rolstoel van een klip zijn gevallen bij zijn villa in het Amerikaanse Maine. Frank is hem vervolgens gesmeerd naar Europa, maar biecht Tom als eerste op dat het geen zelfmoord was of een ongeluk, maar dat hij zijn vader van de klip heeft afgeduwd. Frank is enigszins getormenteerd, niet alleen omdat hij over de dood van zijn vader inzit, maar ook omdat zijn vriendinnetje Teresa hem in de steek heeft gelaten. Het duo Tom & Frank gaat vervolgens samen naar Berlijn voor enige buitenlandse ontspanning, als de Franse grond onder Frank’s voeten hem te heet wordt. Daar wordt Frank gekidnapt door een stelletje amateurs, maar Tom brengt redding. Dan zien we de terugweg van de twee via Hamburg naar Parijs terugkeren en uiteindelijk naar New York en alweer Maine belanden.
“The Boy Who Followed Ripley” vind ik alweer goed te lezen, net als de vorige Ripleys, maar veel nieuws weet Patricia Highsmith me met dit boek niet meer voor te zetten. Dat gaat haar bezuren met een iets lager recensiecijfer: een 7. Ik moet t.z.t. wel weer eens andere van de boeken van deze dame van de oude garde gaan lezen.
Dan ben ik bij boek 2: Mo Hayder’s “Wolf”, dat ik in vertaling heb gevonden in de boekenlast op de Heerderweg in Maastricht. Het is uit 2014 en speelt in Somerset in het Verenigd Koninkrijk.
Een ouder echtpaar, Oliver & Matilda Anchor-Ferrers, woont met dochter Lucia in een villa daar. Ze worden overvallen door een tweetal boeven: Honey en Molina, die eigenlijk Theo Honig en Ian (The Nerd) heten. Het is de boeven vooral te doen om Oliver die in een te verschijnen autobiografie kwaad gaat spreken over hun baas van firma Gauntlet, afnemer van Oliver Anchor-Ferrrers’ Wolf raketten. Op de achtergrond speelt een drama van vijftien jaar eerder, als de ex-vriend van Lucia, genaamd Hugo, samen met zijn nieuwe vriendin Sophie vermoord wordt door – naar men denkt – ene Minnet Kable. En dan is er nu de verdwijning van Ginny Van Der Bolt, huishoudster van zowel de grootouders van Hugo als van de Anchor-Ferrers familie. Jack Caffery, de held-politieman in alle boeken van Mo Hayder, weet de familie en daarmee ook de boeven op te sporen, maar dan is het wel nog even puzzelen wie nou de echte ploerten zijn. Voor een belangrijke ondersteunende rol komt Bear in aanmerking, het hondje dat Jack Caffery op zijn speurtocht vergezelt.
Boeken van Mo Hayder zijn altijd aangenaam leesvoer. Dat geldt ook voor “Wolf”, voor details over de titel zie bijv. blz. 139. Echter, tegelijkertijd geef ik als mijn mening dat het einde van het verhaal enigszins gekunsteld in elkaar steekt. Daarbij heeft Oliver Anchor-Ferrers wel ietsje te erg te lijden van zijn hartoperatie (blijf kloppen, blijf kloppen, varkenshart). Dat maakt dat ik im groszem Ganze aan de zuinige kant ben met mijn recensiecijfer: een 7. Toch haak ik niet af en zal ik t.z.t. weer andere boeken van Mo Hayder blijven lezen.
maandag 26 november 2018
Weblogbrief 14.04, 26 november 2018
Weblogbrief 14.04, 26 november 2018
Queridos amigos y familia, je hebt de krant uit en bent aan een volgende beker koffie toe. Wat ga je nu eens ter hand nemen? Dan valt je in dat je mijn vierde brief nog moet lezen. Ter lering ende vermaak, hier is hij.
Op de universiteit afgelopen maandagmiddag begin ik uiteraard met rond te vragen wie een nieuwe “limpiadora” voor mij heeft. Ik meld me persoonlijk en uitgebreid eerst bij Patricia en even later ook nog eens bij Lluis. Heeft een van hen er misschien nog eentje in de aanbieding? Patricia gaat het aan een vriendin vragen, die nu moeilijk bereikbaar is, maar vanavond thuis zou zijn. Lluis zal morgenvroeg zijn eigen poetsvrouw polsen of ze me het komende half jaar ter wille wil zijn.
Dan pas verstuur ik mijn vorige brief aan jullie en daarna zijn mijn e-mails en Harry’s website aan de beurt. De keuringsdienst van waarde verrast me vervolgens met een uitzending over bier. Kan ik Heineken, Amstel, Bavaria, Brand, Jupiler e.d. uit elkaar houden, als ze blind krijg voorgezet? Zelfs bierkenner Derek Walsh heeft er de grootste moeite mee. Alleen de brouwer van Hertog Jan kan zijn eigen bier na enig proeven onderscheiden van andere merken. Is dat niet wonderbaar?
Arjen Lubach en zijn team leggen me uit waarom AirB&B, een idee van Joe Gebba nu multimiljonair, geen goed idee is. Diverse vastgoedmensen in plaatsen als Amsterdam hebben intussen hele en halve straten opgekocht om de kleine stukjes woningen een voor een aan toeristen te verhuren, het hele jaar door. Het is verworden tot een min of meer illegale vorm van hotelletje spelen, met een hoop ongerief, omdat sommige gasten van de onderkomen een zwijnenstal maken. Daarbij leidt AirB&B ook nog eens tot hogere huisprijzen en huren voor permanente inwoners.
Andere kreten van verontwaardiging de afgelopen weken hebben mij evenzeer aangesproken. Zie bijv. het verhaal van Arjen Lubach´s club over dictator Viktor Orbán van Hongarije die Europarlementariër Judith Sargentini de les wil lezen, over de aanwezigheid van Willem Alexanders met minister Koenders bij de begrafenis van een Saoedi-Arabische koning, over de onwil van de Europese Commissie om het kleren laten maken in Thailand en Myanmar met een wet van kinderarbeid te ontdoen, over de onwil van de VVD, CDA, ANWB en de Telegraaf om rekeningrijden (met een spitsheffing) in te voeren om aldus het peperdure fileprobleem echt te verzachten. Ik heb echt wat met die Arjen Lubach en zijn team.
Bij de Hipercor van El Corte Inglés koop ik weer eens “morro”, de originele tête de veau (“morro” staat voor snuit). Met “setas” erbij, champignons, voorzie ik weer eens een copieuze maaltijd. Als groente – de schijf van vijf – neem ik er een pot “cardo troceado” mee. “Troceado” is gesneden, maar wat zal ik eens vinden van “cardo”? Dat is Spaans voor distel, zoals in “cardo borriquero”, wegdistel (ook misbaksel) en “cardo corredor”, wilde kruisdistel. Dat wordt wat: tête de veau met gesneden distel, in een rode saus met stokbrood uit Galicië.
Ton mailt me dat het in Maastricht nu echt winter geworden is. Overdag is het daar net boven nul en s nachts rond het vriespunt een graadje of twintig verschil met Las Palmas.
Dan laat Trudie laat me per app. weten dat ze nu snipverkouden is. Dat gaat nog wat worden, als ze over een weekje hier is. Misschien moet ik haar aanraden om hier dan wel op zijn Japans een lapje voor haar gezicht te houden, in de hoop dat ik daarmee de verkoudheidsdans ontspring. Vannacht heb ik trouwens ook al een paar keer liggen hoesten in mijn bed. Zou het virus al eerder de oversteek naar de Canarische eilanden hebben gemaakt (of omgekeerd van hier naar Maastricht)?
Het is gemakkelijker om een balkon af te breken, de hele handel naar voren te verplaatsen om daarmee de kamer groter te maken dan een vernield (het zijn mijn woorden) balkon weer in ere te herstellen. Bij mij op nummertje 30 ben ik nog de enige van de zes die een balkon heeft. Eigenlijk leef ik overdag op mijn balkon, zeg de 3 van de 90 m2 die ik tot mijn beschikking heb. Aan de overkant is deze week het zoveelste balkon opgeofferd. Precies bij mij tegenover staan twee flatgebouwen met twee keer zes flats. In alle twee zijn nu nog maar drie van de twaalf flats met een balkon over.
Naast de twee flatgebouwen rechts zie ik voor het eerst Negonzo weer eens. Fanatieke lezers van eerdere jaargangen van deze brieven zullen hem nog herkennen als de man van kledingwinkel Negonza, een zaak die nu al weer een aantal jaren door het leven gaat als “Besito volao”. Ik kan het niet helpen: hij ziet er niet jong meer uit, meer een man van middelbare leeftijd. Een oudere jongere! Dan kijk ik op mijn badkamer hier eens in de spiegel en geef toe dat ik ook niet meer moeders mooiste ben. Vraagje: ben ik dat wel ooit geweest?
Ik had nu eigenlijk als stukje muziek Françoise Hardy voor jullie in gedachte, al vijftig jaar de vrouw van (de vorige week genoemde) Jacques Dutronc. In de eerste jaren zestig viel Carl, tweelingbroer van Ellen, mij daar nogal eens mee lastig. Echter, haar plaat, “(Parentheses)”, met twaalf duetten met bekende artiesten zoals Henri Salvador en Julio Iglesias, die ik op de rommelmarkt heb gekocht, kan mijn goedkeuring niet echt wegdragen. De schoonheid van vroeger ziet er in 2006 nu met spierwit haar nog steeds patent uit, dat weer wel, maar haar gezang – dat ik destijds al matig vond - is er niet echt op vooruit gegaan. Zelfs een nummer van haar samen met haar man kan, vind ik, niet door de beugel.
Wat let mij om dan maar uit te wijken naar Mark Knopfler, een van mijn favorietste gitaristen. Kennen jullie “Altamira” al, de soundtrack van de gelijknamige film waarvoor hij samen met Evelyn Glennie voor verantwoordelijk is? Hier zijn de tien nummers:
01. Altamira
02. Maria
03. Dream of the bison
04. By the grave
05. Onward
06. Marcelino’s despair
07. Fairwell to the bison
08. This is science
09. Glory of the cave
10. Fairwell to Altamira
Een soundtrack, het is behelpen, maar Mark Knopfler laat toch weer eens opnieuw zien hoe goed hij op sommige nummers met een gitaar overweg kan. Luister eens met mij naar liedjes 1, 2, 5, 9 en 10. Terzijde, ook Evelyn Glennie kan er wat van. Ik heb alle cd’s van Mark Knopfler. Hij gaat, hoop ik maar, nog een tijdje door met muziek maken.
Op de donderdag is het, na twee dagen prachtweer, de hele dag aan het spetteren. De ene bui is net afgelopen, als de lucht weer betrekt om de volgende aan te kondigen. En het gaat maar door, de hele godganselijke dag. Zelfs mijn overdekt balkonnetje dreigt niet te ontsnappen.
De oplossing is dan om je er weinig van aan te trekken en een mooie film op te zetten. Op overvloedige regendagen als deze kan ik in Maastricht een film of drie, vier, met als afwisseling het journaal of een praatprogramma, best aan. Hier heb ik helaas minder uitwijkmogelijkheid. Bij de aanvang van een volgende striemende vlaag regen tover ik wel ‘s avonds een film te voorschijn: “Master & Commander”, van regisseur Peter Weir uit ik geloof 1996. De film duurt ruim twee uur, lang genoeg om mij toch nog een leuke avond te bezorgen.
In de hoofdrol zie ik Russell Crowe; hij speelt kapitein (Lucky) Jack Aubrey van een Brits oorlogsschip de HMS Sunshine, in 1805. Het is de tijd van Napoleon versus Nelson. Belangrijke bijfiguren op het schip zijn o.a. dokter Stephen Maturin (Paul Bettany), Pullings ( James D’Arcy) en Blakeley (Max Pirkis). De Sunshine neemt het een aantal keren op tegen een – eigenlijk beter toegerust – Frans oorlogsschip, de Acheron. De twee achtervolgen elkaar over de oceanen en hoe kan het anders in een Engelstalige rolprent – de Fransen delven uiteindelijk het onderspit. Terzijde gebeurt ook van alles. Ik geef hier als voorbeeld de dood van ene Hollom die (zoals Jonah in de bijbel) een vloek voor het schip lijkt te zijn en de aanwezigheid van de Britten op de Galápagoseilanden, waar natuurkenner Stephen Maturin met zijn hulp Blakeley verscheidene nog onbekende dieren ontdekt.
Hoewel ik het normaliter niet zo heb op films met schepengeweld, vind ik “Master & Commander” van regisseur Peter Weir toch best de moeite waard. Vaag staat me bij dat ik hem een keer op tv heb gezien, vele jaren terug. Echter, terwijl nu zelfs de ruiten van mijn balkon een wasbeurt krijgen, mag ik constateren dat het allemaal dik voor elkaar is met deze film. Ik kan hem jullie aanraden, bij voorkeur voor een avondje bank zitten bij een goed functionerende centrale verwarming.
Dan is het op vrijdag weer min of meer zoals het hier hoort te zijn. Natuurlijk, de vroege ochtend begint koud, met 17 graden op mijn balkon (= 15 graden beneden), maar de temperatuur gaat wel omhoog en waaien is er niet bij, regen al helemaal niet. Als het een paar uur later 39 graden is op mijn apparaatje, moet ik wel toegeven dat mijn thermometertje nu in de volle zon staat. In de schaduw kom ik ook in de middag niet verder dan 22 graden.
´s Middags schakel ik naast Patricia en Lluis ook Noé´s vriendin Lorena in om nog op tijd een “pótsvrow” in huis te krijgen. Jorge mailt mij dat ene Ana misschien bereid is te komen, maar als ik haar een paar keer bel en ook nog eens e-mail, krijg ik vooralsnog geen respons. Vanessa, die de honneurs van Lluis waarneemt die naar Londen is, heeft nog niet gereageerd. Dan appt Lorena dat ze er een heeft: Sonia, die bereid is om zelfs op nu, zaterdagmorgen (om 9 uur, vroeg, hè?) te komen poetsen. Ik ben uit de brand!
‘s Avonds loop ik voor het eerst deze winter naar mijn bibliotheekje aan Las Canteras bij het basketbalveld. Daar is het minder druk dan ik van de vrijdagavonden gewend ben. In de kranten vind ik niet veel nieuws dat ik interessant vind. De locale kranten gaan bladzijden lang door over de stortregen gisteren die geleid zou hebben tot overstromingen (“inundaciones”), ondergelopen straten (“calles desbordadas”) en zelfs ook uitval van elektriciteit (“caída del fluido electrico”). Inderdaad, aan de boulevard hebben enkele lantaarnpalen het begeven. Dat moet ons Palmezen nou net gebeuren, als de koning (Felipe VI) een dagje op bezoek is. Regen is een zegen voor al het groen hier, dus voorspellen de klimaatmensen dapper dat het 2100 minder zal regenen.
Het Europese nieuws concentreert zich al dagen hier op Gibraltar. Als de Britten uit de Europese Unie stappen, wil Spanje dat puntje bij de ingang van de Middellandse Zee best hebben, maar in Brussel (Duitsland, Frankrijk) denkt men daar anders over, helaas. Het blijft vooralsnog een open kwestie. Donald Trump voert nog steeds een beleid dat ik met goed fatsoen anders zal noemen. Hij is nu weer bezig met de muur op de grens met Mexico, die hij wel door Mexico wil laten betalen. Een rechter van de “Supreme Court” kapittelt de Amerikaanse president, omdat die te weinig oog zou hebben voor de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
Het is op vrijdag 23 november wel volle maan. Waarvan acte!
Op zaterdagmorgen om tien voor 9 al kan ik Sonia verwelkomen. Ze zal een jaar of 40, 50 zijn en ziet er met haar gitzwarte paardenstaart en lange lichaam gezond uit. Voordat ze met schoonmaken begint, kleedt ze zich eerst om, trekt ze werkkleding aan, o.a. een T-shirt van rumfabrikant Arehucas. Dat doet me denken aan mijn oudere overbuurvrouw hier die ik niet anders ken dan in een Hema schort, als ze iedere morgenvroeg het balkon komt afstoffen. Ik zie haar het flatgebouw uitkomen om boodschappen te doen, in een geperste nieuwe spijkerboek en een suède jasje. Ook een mens zoals ik kan zich vergissen, denk ik dan maar.
Zal ik nog een nieuw plaatje op jullie uitproberen? Na het tegenvallen van Françoise Hardy en het filmgeluid van Mark en Evelyn moet dat zo maar kunnen. Afgelopen zomer zie ik bij Centre Ceramique een nieuwe plaat van Mary Gauthier liggen, tenminste dat denk ik. Blijkt het een misverstand te zijn; de cd “Rosemary and garlic” is niet van haar. Vooralsnog houd ik het op Anna van den Hoogen en Dolf Smolenaers, omdat die op mijn extra schijf als componisten genoteerd staan. Zijn het Vlamingen? Hun muziek lijkt op die van bijv. Sara McLachlan (voor wie haar kent). De zang van de dame op de plaat is aan de hoge, zoete kant, maar niet perse verkeerd. Dit zijn de tien nummers:
01. Birds
02. I’m here
03. Julia
04. Blue boy
05. Take this hand
06. The tempest
07. Fireflies
08. Wintering
09. Shine
10. Dreamer
Ik ga geen speciale, losse nummers naar voren schuiven. Dit is er een voor de breedte. Goed gedaan, Anna en Dolf. Zo kom je nog eens ergens, als je bibliotheek een foutje (bedankt!) maakt.
Sonia heeft intussen veel meer werk, vooral aan de keuken, dan ik voor mogelijk heb gehouden. De kookplaat wordt naar voren geschoven en eindelijk krijgt de achterkant (“muy sucio”, heel smerig) een beurt. Ik word erop uitgestuurd om bij de Spar extra poetsspullen te gaan kopen: “lejia con detergente” (bleekwater), “quitagrasa” (ontvetter), “liquido piso” (schoonmaakmiddel) en “paños limpiar, bayetas” (keukendoekjes). Pas na vijf uur houdt de grote schoonmaak van Sonia op en kan ik weer pico bello door mijn huis banjeren. Gelukkig is de “limpiadora” van formaat bereid om mij over twee weken opnieuw met een bezoek te komen vereren.
Als Sonia eindelijk het hazenpad heeft gekozen en ik ook nog eens een provisorische maaltijd naar binnen heb gewerkt, e-mail ik Trudie, Lorena, Lluis, Patricia & Jorge enthousiast dat ik in mijn poetsmissie geslaagd ben.
‘s Avonds staat in het schemeruur (“hora crepiscular”) een bezoek van mij aan tentoonstelling “Fashion & Friends” op de rol. Ze is in het gebouw naast Elder op Santa Catalina, waarvan ik de naam maar niet kan onthouden. Ik zie vele tientallen kraampjes met vooral kleren, schoenen en alweer “spiegeltjes en kraaltjes”. Aardig zijn misschien twee kramen, waar je gratis een miniglaasje Tia Maria en DiSaronno kunt proeven. Een grote tent ernaast is de gereserveerde plek voor modeshows.
Ik meld de tentoonstelling vooral in deze brief, omdat ze heel veel mensen trekt, vooral jongeren. Wat een overvloed! Buiten zijn diverse tijdelijke bars en op de vele banken daarbij is haast geen plekje meer te krijgen, zo druk.
Ik ben echter van plan om op zaterdagavond naar het voetbal te gaan kijken. ‘s Middags heeft Real Madrid weer eens verloren, nu van Eibar, en die zie ik zo vlug niet meer landskampioen worden dit jaar (zonder Cristiano Ronaldo). Dan gaat het denk ik vooral tussen mijn Barcelona en Atletico Madrid (met Sevilla als derde kandidaat). Om kwart voor 9 jullie tijd – bij mij een uur vroeger – treffen ze elkaar in Madrid, in de Wanda Metropolitano, me mij op het terras van El Palikeo hier. Trainers Simione en Valverde houden het vooraf op een beschaafd handje voor elkaar en de Spaanse voetbalbond meldt trots nog maar eens: “No es fútbol, es la liga”.
Atletico is een elftal, waar het niet goed tegen te spelen is. Als je tegen ze aanvalt - en dat doet Barcelona zeker in de eerste helft – trekt het met heel veel man terug, is nagenoeg iedereen achter de bal. En dan staat nog eens een boom van een kerel in het doel: Oblak, die het een en ander best tegen wil houden. Atletico heeft ieder jaar opnieuw de minste tegengoals in de competitie. Het is ook deze keer echt behelpen. Er gebeurt weinig voor de doelen. Ik zie een paar aardige acties van Messi, maar serieuze doelpogingen, ho maar!
In de rust, zoals ook vóór de wedstrijd, worden we gebombardeerd met reclames. Apart vind ik die van smeermiddel Babaria, “aceite de cannabis”, cannabisolie. Daar kun je je huid kennelijk heel erg mee verwennen. Ik geloof niet dat we Barbaria in Nederland, het land van Nivea, al hebben.
Ook in de tweede helft is Atletico tegen Barcelona geen vetpot. Er gebeurt zo weinig dat ik met 0-0 als eindresultaat vrede begin te krijgen. Dan – uit het niets – zie ik Griezman op rechts opkomen en voorzetten. Piqué kan nog net redding brengen. Even later, in minuut 77, krijgt Atletico zijn eerste corner. De bal komt voorbij het doel op het hoofd van Diego Costa, die over een totaal verbouwereerde Ter Steegen heen zo maar kan inkoppen. Keepersfout? Hoe dan ook, de midvoor van Atletico wordt door zijn ploeggenoten omstandig gefêteerd. De thuisclub, die nog haast niks heeft klaargespeeld, staat zo maar met 1-0 voor. Het aftellen tot het eindsignaal met de nodige nepblessures kan beginnen. Barcelona brengt nog twee nieuwe spelers in, onder wie als linksbuiten de in onmin geraakte Dembélé. En geloof het of niet, die brengt vlak voor tijd met een diagonaal schot langs drie Atletico-benen de stand alsnog op 1-1. Gerechtigheid!
Het terras van El Palikeo, duidelijk op de hand van Barcelona, kan toch nog met een enigszins hersteld ego terug naar waar men vandaan gekomen is.
Overdag op zondag doe ik al vroeg een was en daarna zit ik vooral te lezen. Dan vind ik dat ik dat ik mijn ijskast eens moet ontdooien. Vooral het toch al beperkte diepvriesvakje is echt een ijsbaan. Het ontdooien gaat met enige waterschade gepaard, mijn onvolkomenheid. Niettemin, Trudie kan de min of meer vriesruimte nou wel weer met porties zuurvlees vullen.
;s Avonds is het op Las Canteras best druk. En dan heb ik het niet alleen over allochtonen, maar ook de Palmezen zelf lopen in het halve donker te paraderen of het voor niks is. Op mijn vaste stek bij het NH-hotel kijk ik eerst de mensen uit en daarna doe ik er nog een zondags muziekje bij. Nu.nl toont de trotse Max Verstappen met zijn vijfde podiumplaats op rij en zijn vierde plaats over het hele seizoen. Op mijn telefoon zie ik nu trouwens een pracht van een foto verschijnen van Tygo als sinterklaas, met mijter, en Renske en Anoek als zwarte pieten. Die ga ik printen en op het prikbord doen.
En zo is het alweer maandag. Nog één dag en dan staat Trudie voor de deur, wel pas in de late avond. Vanaf donderdag komt Greetje daar als extra gezelschap bij. Hun bezoek aan mij duurt tot dinsdag 4 december, de dag voor surprisenavond, als ze weer naar Holanda moeten afreizen. Dat lijkt me dan ook de dag dat ik met goed fatsoen ‘s middags mijn volgende brief aan jullie kan versturen.
Houd het hoofd koel de komende dagen en laat je niet opnaaien. Mijn advies: begin tijdig met gedichten maken voor surprisenavond en waarom niet eens een of meer sonnetten in elkaar geflanst. Hoe zo’n 14-regelig gedicht precies uitziet, met bijbehorende rijmwoorden, is in je oude schoolboek Nederlands nog wel te vinden en anders kan het internet uitkomst bieden. Ik voorspel jullie tevens dat je er voor de aanschaf van echte boterletter met amandelspijs dit jaar tijdig moet bij zijn. Anders wordt het behelpen met taai-taai en dergelijke.
Intussen wens ik jullie alvast een aangename voortzetting van de donkere dagen voor kerstmis en tot mijn volgende brief maar weer, “saludos” en “hasta luego”, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Patricia Highsmith schrijft in de jaren 50 tot 80 naast andere thrillers een serie van vier boeken met de gefortuneerde, maar toch boef Tom Ripley. Deze week bespreek ik deel 3: “Ripley’s Game” uit 1974. Dat boek speelt hoofdzakelijk in Fontainebleau, vlak onder Parijs.
Naast Tom Ripley speelt vooral Jonathan (Jon) Trevanny een hoofdrol in het verhaal. Die is braaf getrouwd met Simone, ze hebben een zoontje en is van zijn vak lijstenmaker. Helaas is het gezin best arm en zou, zeker nu Jonathan ook nog een letale ziekte onder de leden heeft, best een extra centje kunnen gebruiken. Op voorspraak van Tom Ripley biedt ene Reeves Minot Jonathan aan om voor hem een paar maffiafiguren in Duitsland te komen vermoorden. Daarvoor krijgt hij een forse beloning, 40.000 pond, omgerekend bijna een half miljoen Franse francs. De eerste moord lukt vlekkeloos en de tweede, in een trein samen met Tom Ripley, lukt ook, maar er gaat wel een en ander mis. Daardoor kan de maffia het tweetal Tom en Jon op het spoor komen en ontstaat in Fontainebleau en omgeving de nodige commotie en misère. Wat vindt Simone er trouwens van, die buiten het moordplan is gelaten? Loop het wel goed af?
Ik vind “Ripley’s Game” (167 blz.) nog beter dan deel 2 (“Ripley Under Ground”). Patricia Highsmith schrijft opnieuw een spannend boek dat me best heeft geboeid. Ik heb er als recensiecijfer een volle 8 voor over. Binnenkort krijgen jullie ook nog mijn mening over deel 4.
Boek 2 is er een van Frances Fyfield. Ik heb haar eerder hier wel eens een pluim op haar hoed gestoken. Op de kaft van het boek, “Blood From Stone”, dat ik hier bespreek, staat als aanbeveling (van Laura Wilson in the Guardian): “One of Highsmith’s few true heirs”. The Observer voegt haar toe: “She’s up there with Rendell, James, McDermid and Walters”. En ik denk dan: James, wie is dat? Is dat Bill James? Overigens speelt “Blood From Stone” vooral in Londen.
Marianne Shearer, 51 jaar, springt van zes hoog omlaag in een hotel, haar dood tegemoet. Een fotograaf die net voorbij komt, kan het drama op de gevoelige plaat vastleggen, zodat de kranten er de voorpagina’s mee kunnen opsieren. Shearer was bij leven een bekende advocate, die er steeds alles aan deed om een zaak voor haar cliënt te winnen. Een half jaar terug heeft ze aldus Rick Boyd uit de gevangenis kunnen houden. Die had zijn toenmalige vriendin, de labiele 30-jarige Angel Joyce, eerst van het nodige geld beroofd en daarna zo erg en vaak toegetakeld dat ze zelfmoord pleegde. De zus van Angel, Hen(rietta), een ouderwetse kleermaakster, is uit heel ander hout gesneden. Zij gaat voorop om Rick Boyd en ook Marianne Shearer’s slappe broer Frank, alsnog aan de schandpaal te nagelen. Hulp krijgt ze daarbij van advocaten die voor de afwikkeling van de erfenis van Marianne Sheater zorgen: Thomas Noble en de nogal alternatieve Peter Friel. Trekken ze aan het langste eind?
Ik ben heel erg gecharmeerd van “Blood From Stone”, dat ik met verve heb zitten lezen. Het is heel spannend en laat ik hier als zijstap de belangstelling voor chique kleren noemen, waarmee Marianne Shearer en kennelijk ook Hen Joyce behept zijn. Dit is denk ik het beste boek dat ik de eerste maand van deze winter hier in handen heb gehad. Ik heb er een 8½ als recensiecijfer voor over. Frances Fyfield is nog lang niet van me af.
Queridos amigos y familia, je hebt de krant uit en bent aan een volgende beker koffie toe. Wat ga je nu eens ter hand nemen? Dan valt je in dat je mijn vierde brief nog moet lezen. Ter lering ende vermaak, hier is hij.
Op de universiteit afgelopen maandagmiddag begin ik uiteraard met rond te vragen wie een nieuwe “limpiadora” voor mij heeft. Ik meld me persoonlijk en uitgebreid eerst bij Patricia en even later ook nog eens bij Lluis. Heeft een van hen er misschien nog eentje in de aanbieding? Patricia gaat het aan een vriendin vragen, die nu moeilijk bereikbaar is, maar vanavond thuis zou zijn. Lluis zal morgenvroeg zijn eigen poetsvrouw polsen of ze me het komende half jaar ter wille wil zijn.
Dan pas verstuur ik mijn vorige brief aan jullie en daarna zijn mijn e-mails en Harry’s website aan de beurt. De keuringsdienst van waarde verrast me vervolgens met een uitzending over bier. Kan ik Heineken, Amstel, Bavaria, Brand, Jupiler e.d. uit elkaar houden, als ze blind krijg voorgezet? Zelfs bierkenner Derek Walsh heeft er de grootste moeite mee. Alleen de brouwer van Hertog Jan kan zijn eigen bier na enig proeven onderscheiden van andere merken. Is dat niet wonderbaar?
Arjen Lubach en zijn team leggen me uit waarom AirB&B, een idee van Joe Gebba nu multimiljonair, geen goed idee is. Diverse vastgoedmensen in plaatsen als Amsterdam hebben intussen hele en halve straten opgekocht om de kleine stukjes woningen een voor een aan toeristen te verhuren, het hele jaar door. Het is verworden tot een min of meer illegale vorm van hotelletje spelen, met een hoop ongerief, omdat sommige gasten van de onderkomen een zwijnenstal maken. Daarbij leidt AirB&B ook nog eens tot hogere huisprijzen en huren voor permanente inwoners.
Andere kreten van verontwaardiging de afgelopen weken hebben mij evenzeer aangesproken. Zie bijv. het verhaal van Arjen Lubach´s club over dictator Viktor Orbán van Hongarije die Europarlementariër Judith Sargentini de les wil lezen, over de aanwezigheid van Willem Alexanders met minister Koenders bij de begrafenis van een Saoedi-Arabische koning, over de onwil van de Europese Commissie om het kleren laten maken in Thailand en Myanmar met een wet van kinderarbeid te ontdoen, over de onwil van de VVD, CDA, ANWB en de Telegraaf om rekeningrijden (met een spitsheffing) in te voeren om aldus het peperdure fileprobleem echt te verzachten. Ik heb echt wat met die Arjen Lubach en zijn team.
Bij de Hipercor van El Corte Inglés koop ik weer eens “morro”, de originele tête de veau (“morro” staat voor snuit). Met “setas” erbij, champignons, voorzie ik weer eens een copieuze maaltijd. Als groente – de schijf van vijf – neem ik er een pot “cardo troceado” mee. “Troceado” is gesneden, maar wat zal ik eens vinden van “cardo”? Dat is Spaans voor distel, zoals in “cardo borriquero”, wegdistel (ook misbaksel) en “cardo corredor”, wilde kruisdistel. Dat wordt wat: tête de veau met gesneden distel, in een rode saus met stokbrood uit Galicië.
Ton mailt me dat het in Maastricht nu echt winter geworden is. Overdag is het daar net boven nul en s nachts rond het vriespunt een graadje of twintig verschil met Las Palmas.
Dan laat Trudie laat me per app. weten dat ze nu snipverkouden is. Dat gaat nog wat worden, als ze over een weekje hier is. Misschien moet ik haar aanraden om hier dan wel op zijn Japans een lapje voor haar gezicht te houden, in de hoop dat ik daarmee de verkoudheidsdans ontspring. Vannacht heb ik trouwens ook al een paar keer liggen hoesten in mijn bed. Zou het virus al eerder de oversteek naar de Canarische eilanden hebben gemaakt (of omgekeerd van hier naar Maastricht)?
Het is gemakkelijker om een balkon af te breken, de hele handel naar voren te verplaatsen om daarmee de kamer groter te maken dan een vernield (het zijn mijn woorden) balkon weer in ere te herstellen. Bij mij op nummertje 30 ben ik nog de enige van de zes die een balkon heeft. Eigenlijk leef ik overdag op mijn balkon, zeg de 3 van de 90 m2 die ik tot mijn beschikking heb. Aan de overkant is deze week het zoveelste balkon opgeofferd. Precies bij mij tegenover staan twee flatgebouwen met twee keer zes flats. In alle twee zijn nu nog maar drie van de twaalf flats met een balkon over.
Naast de twee flatgebouwen rechts zie ik voor het eerst Negonzo weer eens. Fanatieke lezers van eerdere jaargangen van deze brieven zullen hem nog herkennen als de man van kledingwinkel Negonza, een zaak die nu al weer een aantal jaren door het leven gaat als “Besito volao”. Ik kan het niet helpen: hij ziet er niet jong meer uit, meer een man van middelbare leeftijd. Een oudere jongere! Dan kijk ik op mijn badkamer hier eens in de spiegel en geef toe dat ik ook niet meer moeders mooiste ben. Vraagje: ben ik dat wel ooit geweest?
Ik had nu eigenlijk als stukje muziek Françoise Hardy voor jullie in gedachte, al vijftig jaar de vrouw van (de vorige week genoemde) Jacques Dutronc. In de eerste jaren zestig viel Carl, tweelingbroer van Ellen, mij daar nogal eens mee lastig. Echter, haar plaat, “(Parentheses)”, met twaalf duetten met bekende artiesten zoals Henri Salvador en Julio Iglesias, die ik op de rommelmarkt heb gekocht, kan mijn goedkeuring niet echt wegdragen. De schoonheid van vroeger ziet er in 2006 nu met spierwit haar nog steeds patent uit, dat weer wel, maar haar gezang – dat ik destijds al matig vond - is er niet echt op vooruit gegaan. Zelfs een nummer van haar samen met haar man kan, vind ik, niet door de beugel.
Wat let mij om dan maar uit te wijken naar Mark Knopfler, een van mijn favorietste gitaristen. Kennen jullie “Altamira” al, de soundtrack van de gelijknamige film waarvoor hij samen met Evelyn Glennie voor verantwoordelijk is? Hier zijn de tien nummers:
01. Altamira
02. Maria
03. Dream of the bison
04. By the grave
05. Onward
06. Marcelino’s despair
07. Fairwell to the bison
08. This is science
09. Glory of the cave
10. Fairwell to Altamira
Een soundtrack, het is behelpen, maar Mark Knopfler laat toch weer eens opnieuw zien hoe goed hij op sommige nummers met een gitaar overweg kan. Luister eens met mij naar liedjes 1, 2, 5, 9 en 10. Terzijde, ook Evelyn Glennie kan er wat van. Ik heb alle cd’s van Mark Knopfler. Hij gaat, hoop ik maar, nog een tijdje door met muziek maken.
Op de donderdag is het, na twee dagen prachtweer, de hele dag aan het spetteren. De ene bui is net afgelopen, als de lucht weer betrekt om de volgende aan te kondigen. En het gaat maar door, de hele godganselijke dag. Zelfs mijn overdekt balkonnetje dreigt niet te ontsnappen.
De oplossing is dan om je er weinig van aan te trekken en een mooie film op te zetten. Op overvloedige regendagen als deze kan ik in Maastricht een film of drie, vier, met als afwisseling het journaal of een praatprogramma, best aan. Hier heb ik helaas minder uitwijkmogelijkheid. Bij de aanvang van een volgende striemende vlaag regen tover ik wel ‘s avonds een film te voorschijn: “Master & Commander”, van regisseur Peter Weir uit ik geloof 1996. De film duurt ruim twee uur, lang genoeg om mij toch nog een leuke avond te bezorgen.
In de hoofdrol zie ik Russell Crowe; hij speelt kapitein (Lucky) Jack Aubrey van een Brits oorlogsschip de HMS Sunshine, in 1805. Het is de tijd van Napoleon versus Nelson. Belangrijke bijfiguren op het schip zijn o.a. dokter Stephen Maturin (Paul Bettany), Pullings ( James D’Arcy) en Blakeley (Max Pirkis). De Sunshine neemt het een aantal keren op tegen een – eigenlijk beter toegerust – Frans oorlogsschip, de Acheron. De twee achtervolgen elkaar over de oceanen en hoe kan het anders in een Engelstalige rolprent – de Fransen delven uiteindelijk het onderspit. Terzijde gebeurt ook van alles. Ik geef hier als voorbeeld de dood van ene Hollom die (zoals Jonah in de bijbel) een vloek voor het schip lijkt te zijn en de aanwezigheid van de Britten op de Galápagoseilanden, waar natuurkenner Stephen Maturin met zijn hulp Blakeley verscheidene nog onbekende dieren ontdekt.
Hoewel ik het normaliter niet zo heb op films met schepengeweld, vind ik “Master & Commander” van regisseur Peter Weir toch best de moeite waard. Vaag staat me bij dat ik hem een keer op tv heb gezien, vele jaren terug. Echter, terwijl nu zelfs de ruiten van mijn balkon een wasbeurt krijgen, mag ik constateren dat het allemaal dik voor elkaar is met deze film. Ik kan hem jullie aanraden, bij voorkeur voor een avondje bank zitten bij een goed functionerende centrale verwarming.
Dan is het op vrijdag weer min of meer zoals het hier hoort te zijn. Natuurlijk, de vroege ochtend begint koud, met 17 graden op mijn balkon (= 15 graden beneden), maar de temperatuur gaat wel omhoog en waaien is er niet bij, regen al helemaal niet. Als het een paar uur later 39 graden is op mijn apparaatje, moet ik wel toegeven dat mijn thermometertje nu in de volle zon staat. In de schaduw kom ik ook in de middag niet verder dan 22 graden.
´s Middags schakel ik naast Patricia en Lluis ook Noé´s vriendin Lorena in om nog op tijd een “pótsvrow” in huis te krijgen. Jorge mailt mij dat ene Ana misschien bereid is te komen, maar als ik haar een paar keer bel en ook nog eens e-mail, krijg ik vooralsnog geen respons. Vanessa, die de honneurs van Lluis waarneemt die naar Londen is, heeft nog niet gereageerd. Dan appt Lorena dat ze er een heeft: Sonia, die bereid is om zelfs op nu, zaterdagmorgen (om 9 uur, vroeg, hè?) te komen poetsen. Ik ben uit de brand!
‘s Avonds loop ik voor het eerst deze winter naar mijn bibliotheekje aan Las Canteras bij het basketbalveld. Daar is het minder druk dan ik van de vrijdagavonden gewend ben. In de kranten vind ik niet veel nieuws dat ik interessant vind. De locale kranten gaan bladzijden lang door over de stortregen gisteren die geleid zou hebben tot overstromingen (“inundaciones”), ondergelopen straten (“calles desbordadas”) en zelfs ook uitval van elektriciteit (“caída del fluido electrico”). Inderdaad, aan de boulevard hebben enkele lantaarnpalen het begeven. Dat moet ons Palmezen nou net gebeuren, als de koning (Felipe VI) een dagje op bezoek is. Regen is een zegen voor al het groen hier, dus voorspellen de klimaatmensen dapper dat het 2100 minder zal regenen.
Het Europese nieuws concentreert zich al dagen hier op Gibraltar. Als de Britten uit de Europese Unie stappen, wil Spanje dat puntje bij de ingang van de Middellandse Zee best hebben, maar in Brussel (Duitsland, Frankrijk) denkt men daar anders over, helaas. Het blijft vooralsnog een open kwestie. Donald Trump voert nog steeds een beleid dat ik met goed fatsoen anders zal noemen. Hij is nu weer bezig met de muur op de grens met Mexico, die hij wel door Mexico wil laten betalen. Een rechter van de “Supreme Court” kapittelt de Amerikaanse president, omdat die te weinig oog zou hebben voor de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
Het is op vrijdag 23 november wel volle maan. Waarvan acte!
Op zaterdagmorgen om tien voor 9 al kan ik Sonia verwelkomen. Ze zal een jaar of 40, 50 zijn en ziet er met haar gitzwarte paardenstaart en lange lichaam gezond uit. Voordat ze met schoonmaken begint, kleedt ze zich eerst om, trekt ze werkkleding aan, o.a. een T-shirt van rumfabrikant Arehucas. Dat doet me denken aan mijn oudere overbuurvrouw hier die ik niet anders ken dan in een Hema schort, als ze iedere morgenvroeg het balkon komt afstoffen. Ik zie haar het flatgebouw uitkomen om boodschappen te doen, in een geperste nieuwe spijkerboek en een suède jasje. Ook een mens zoals ik kan zich vergissen, denk ik dan maar.
Zal ik nog een nieuw plaatje op jullie uitproberen? Na het tegenvallen van Françoise Hardy en het filmgeluid van Mark en Evelyn moet dat zo maar kunnen. Afgelopen zomer zie ik bij Centre Ceramique een nieuwe plaat van Mary Gauthier liggen, tenminste dat denk ik. Blijkt het een misverstand te zijn; de cd “Rosemary and garlic” is niet van haar. Vooralsnog houd ik het op Anna van den Hoogen en Dolf Smolenaers, omdat die op mijn extra schijf als componisten genoteerd staan. Zijn het Vlamingen? Hun muziek lijkt op die van bijv. Sara McLachlan (voor wie haar kent). De zang van de dame op de plaat is aan de hoge, zoete kant, maar niet perse verkeerd. Dit zijn de tien nummers:
01. Birds
02. I’m here
03. Julia
04. Blue boy
05. Take this hand
06. The tempest
07. Fireflies
08. Wintering
09. Shine
10. Dreamer
Ik ga geen speciale, losse nummers naar voren schuiven. Dit is er een voor de breedte. Goed gedaan, Anna en Dolf. Zo kom je nog eens ergens, als je bibliotheek een foutje (bedankt!) maakt.
Sonia heeft intussen veel meer werk, vooral aan de keuken, dan ik voor mogelijk heb gehouden. De kookplaat wordt naar voren geschoven en eindelijk krijgt de achterkant (“muy sucio”, heel smerig) een beurt. Ik word erop uitgestuurd om bij de Spar extra poetsspullen te gaan kopen: “lejia con detergente” (bleekwater), “quitagrasa” (ontvetter), “liquido piso” (schoonmaakmiddel) en “paños limpiar, bayetas” (keukendoekjes). Pas na vijf uur houdt de grote schoonmaak van Sonia op en kan ik weer pico bello door mijn huis banjeren. Gelukkig is de “limpiadora” van formaat bereid om mij over twee weken opnieuw met een bezoek te komen vereren.
Als Sonia eindelijk het hazenpad heeft gekozen en ik ook nog eens een provisorische maaltijd naar binnen heb gewerkt, e-mail ik Trudie, Lorena, Lluis, Patricia & Jorge enthousiast dat ik in mijn poetsmissie geslaagd ben.
‘s Avonds staat in het schemeruur (“hora crepiscular”) een bezoek van mij aan tentoonstelling “Fashion & Friends” op de rol. Ze is in het gebouw naast Elder op Santa Catalina, waarvan ik de naam maar niet kan onthouden. Ik zie vele tientallen kraampjes met vooral kleren, schoenen en alweer “spiegeltjes en kraaltjes”. Aardig zijn misschien twee kramen, waar je gratis een miniglaasje Tia Maria en DiSaronno kunt proeven. Een grote tent ernaast is de gereserveerde plek voor modeshows.
Ik meld de tentoonstelling vooral in deze brief, omdat ze heel veel mensen trekt, vooral jongeren. Wat een overvloed! Buiten zijn diverse tijdelijke bars en op de vele banken daarbij is haast geen plekje meer te krijgen, zo druk.
Ik ben echter van plan om op zaterdagavond naar het voetbal te gaan kijken. ‘s Middags heeft Real Madrid weer eens verloren, nu van Eibar, en die zie ik zo vlug niet meer landskampioen worden dit jaar (zonder Cristiano Ronaldo). Dan gaat het denk ik vooral tussen mijn Barcelona en Atletico Madrid (met Sevilla als derde kandidaat). Om kwart voor 9 jullie tijd – bij mij een uur vroeger – treffen ze elkaar in Madrid, in de Wanda Metropolitano, me mij op het terras van El Palikeo hier. Trainers Simione en Valverde houden het vooraf op een beschaafd handje voor elkaar en de Spaanse voetbalbond meldt trots nog maar eens: “No es fútbol, es la liga”.
Atletico is een elftal, waar het niet goed tegen te spelen is. Als je tegen ze aanvalt - en dat doet Barcelona zeker in de eerste helft – trekt het met heel veel man terug, is nagenoeg iedereen achter de bal. En dan staat nog eens een boom van een kerel in het doel: Oblak, die het een en ander best tegen wil houden. Atletico heeft ieder jaar opnieuw de minste tegengoals in de competitie. Het is ook deze keer echt behelpen. Er gebeurt weinig voor de doelen. Ik zie een paar aardige acties van Messi, maar serieuze doelpogingen, ho maar!
In de rust, zoals ook vóór de wedstrijd, worden we gebombardeerd met reclames. Apart vind ik die van smeermiddel Babaria, “aceite de cannabis”, cannabisolie. Daar kun je je huid kennelijk heel erg mee verwennen. Ik geloof niet dat we Barbaria in Nederland, het land van Nivea, al hebben.
Ook in de tweede helft is Atletico tegen Barcelona geen vetpot. Er gebeurt zo weinig dat ik met 0-0 als eindresultaat vrede begin te krijgen. Dan – uit het niets – zie ik Griezman op rechts opkomen en voorzetten. Piqué kan nog net redding brengen. Even later, in minuut 77, krijgt Atletico zijn eerste corner. De bal komt voorbij het doel op het hoofd van Diego Costa, die over een totaal verbouwereerde Ter Steegen heen zo maar kan inkoppen. Keepersfout? Hoe dan ook, de midvoor van Atletico wordt door zijn ploeggenoten omstandig gefêteerd. De thuisclub, die nog haast niks heeft klaargespeeld, staat zo maar met 1-0 voor. Het aftellen tot het eindsignaal met de nodige nepblessures kan beginnen. Barcelona brengt nog twee nieuwe spelers in, onder wie als linksbuiten de in onmin geraakte Dembélé. En geloof het of niet, die brengt vlak voor tijd met een diagonaal schot langs drie Atletico-benen de stand alsnog op 1-1. Gerechtigheid!
Het terras van El Palikeo, duidelijk op de hand van Barcelona, kan toch nog met een enigszins hersteld ego terug naar waar men vandaan gekomen is.
Overdag op zondag doe ik al vroeg een was en daarna zit ik vooral te lezen. Dan vind ik dat ik dat ik mijn ijskast eens moet ontdooien. Vooral het toch al beperkte diepvriesvakje is echt een ijsbaan. Het ontdooien gaat met enige waterschade gepaard, mijn onvolkomenheid. Niettemin, Trudie kan de min of meer vriesruimte nou wel weer met porties zuurvlees vullen.
;s Avonds is het op Las Canteras best druk. En dan heb ik het niet alleen over allochtonen, maar ook de Palmezen zelf lopen in het halve donker te paraderen of het voor niks is. Op mijn vaste stek bij het NH-hotel kijk ik eerst de mensen uit en daarna doe ik er nog een zondags muziekje bij. Nu.nl toont de trotse Max Verstappen met zijn vijfde podiumplaats op rij en zijn vierde plaats over het hele seizoen. Op mijn telefoon zie ik nu trouwens een pracht van een foto verschijnen van Tygo als sinterklaas, met mijter, en Renske en Anoek als zwarte pieten. Die ga ik printen en op het prikbord doen.
En zo is het alweer maandag. Nog één dag en dan staat Trudie voor de deur, wel pas in de late avond. Vanaf donderdag komt Greetje daar als extra gezelschap bij. Hun bezoek aan mij duurt tot dinsdag 4 december, de dag voor surprisenavond, als ze weer naar Holanda moeten afreizen. Dat lijkt me dan ook de dag dat ik met goed fatsoen ‘s middags mijn volgende brief aan jullie kan versturen.
Houd het hoofd koel de komende dagen en laat je niet opnaaien. Mijn advies: begin tijdig met gedichten maken voor surprisenavond en waarom niet eens een of meer sonnetten in elkaar geflanst. Hoe zo’n 14-regelig gedicht precies uitziet, met bijbehorende rijmwoorden, is in je oude schoolboek Nederlands nog wel te vinden en anders kan het internet uitkomst bieden. Ik voorspel jullie tevens dat je er voor de aanschaf van echte boterletter met amandelspijs dit jaar tijdig moet bij zijn. Anders wordt het behelpen met taai-taai en dergelijke.
Intussen wens ik jullie alvast een aangename voortzetting van de donkere dagen voor kerstmis en tot mijn volgende brief maar weer, “saludos” en “hasta luego”, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Patricia Highsmith schrijft in de jaren 50 tot 80 naast andere thrillers een serie van vier boeken met de gefortuneerde, maar toch boef Tom Ripley. Deze week bespreek ik deel 3: “Ripley’s Game” uit 1974. Dat boek speelt hoofdzakelijk in Fontainebleau, vlak onder Parijs.
Naast Tom Ripley speelt vooral Jonathan (Jon) Trevanny een hoofdrol in het verhaal. Die is braaf getrouwd met Simone, ze hebben een zoontje en is van zijn vak lijstenmaker. Helaas is het gezin best arm en zou, zeker nu Jonathan ook nog een letale ziekte onder de leden heeft, best een extra centje kunnen gebruiken. Op voorspraak van Tom Ripley biedt ene Reeves Minot Jonathan aan om voor hem een paar maffiafiguren in Duitsland te komen vermoorden. Daarvoor krijgt hij een forse beloning, 40.000 pond, omgerekend bijna een half miljoen Franse francs. De eerste moord lukt vlekkeloos en de tweede, in een trein samen met Tom Ripley, lukt ook, maar er gaat wel een en ander mis. Daardoor kan de maffia het tweetal Tom en Jon op het spoor komen en ontstaat in Fontainebleau en omgeving de nodige commotie en misère. Wat vindt Simone er trouwens van, die buiten het moordplan is gelaten? Loop het wel goed af?
Ik vind “Ripley’s Game” (167 blz.) nog beter dan deel 2 (“Ripley Under Ground”). Patricia Highsmith schrijft opnieuw een spannend boek dat me best heeft geboeid. Ik heb er als recensiecijfer een volle 8 voor over. Binnenkort krijgen jullie ook nog mijn mening over deel 4.
Boek 2 is er een van Frances Fyfield. Ik heb haar eerder hier wel eens een pluim op haar hoed gestoken. Op de kaft van het boek, “Blood From Stone”, dat ik hier bespreek, staat als aanbeveling (van Laura Wilson in the Guardian): “One of Highsmith’s few true heirs”. The Observer voegt haar toe: “She’s up there with Rendell, James, McDermid and Walters”. En ik denk dan: James, wie is dat? Is dat Bill James? Overigens speelt “Blood From Stone” vooral in Londen.
Marianne Shearer, 51 jaar, springt van zes hoog omlaag in een hotel, haar dood tegemoet. Een fotograaf die net voorbij komt, kan het drama op de gevoelige plaat vastleggen, zodat de kranten er de voorpagina’s mee kunnen opsieren. Shearer was bij leven een bekende advocate, die er steeds alles aan deed om een zaak voor haar cliënt te winnen. Een half jaar terug heeft ze aldus Rick Boyd uit de gevangenis kunnen houden. Die had zijn toenmalige vriendin, de labiele 30-jarige Angel Joyce, eerst van het nodige geld beroofd en daarna zo erg en vaak toegetakeld dat ze zelfmoord pleegde. De zus van Angel, Hen(rietta), een ouderwetse kleermaakster, is uit heel ander hout gesneden. Zij gaat voorop om Rick Boyd en ook Marianne Shearer’s slappe broer Frank, alsnog aan de schandpaal te nagelen. Hulp krijgt ze daarbij van advocaten die voor de afwikkeling van de erfenis van Marianne Sheater zorgen: Thomas Noble en de nogal alternatieve Peter Friel. Trekken ze aan het langste eind?
Ik ben heel erg gecharmeerd van “Blood From Stone”, dat ik met verve heb zitten lezen. Het is heel spannend en laat ik hier als zijstap de belangstelling voor chique kleren noemen, waarmee Marianne Shearer en kennelijk ook Hen Joyce behept zijn. Dit is denk ik het beste boek dat ik de eerste maand van deze winter hier in handen heb gehad. Ik heb er een 8½ als recensiecijfer voor over. Frances Fyfield is nog lang niet van me af.
maandag 19 november 2018
Weblogbrief 14.03, 19 november 2018
Weblogbrief 14.03, 19 november 2018
Querid@s amig@s y familia, het is tijd om jullie weer eens bij te praten over mijn wederwaardigheden (“peripecias” in het Spaans) hier in het verre Las Palmas de Gran Canaria. Ik heb alweer een interessant weekje achter de kiezen en jullie zitten hopelijk klaar om mee te genieten. Daar gaan we.
Mijn week begint op de afgelopen maandagmiddag al, als ik op bus 12 sta te wachten, die mij het lange end (een half uur bussen) naar het zuiden van de stad moet brengen. Onderweg zie ik een wervelende reclame van “#lasmigranteshablan”. Ik neem maar aan dat het iets van de overheid is, want een gironummer om geld naartoe te storten staat er niet bij. Het gaat om louter een tekst. “No me quiero ir. Mi vida está aquí. Donde tengo mi trabajo. Donde tuve a mis hijos, Donde los educo y van al cole.” Voor wie het Spaans onvoldoende machtig is: “Ik wil niet weggaan. Mijn leven is hier. Waar ik mijn werk heb. Waar ik mijn kinderen heb gekregen. Waar ik ben opvoed en waar ze naar school gaan.”
Zou zo’n tekst ook in Nederland aanspreken, het land waar mensen als Wilders en Baudet met hun “Eigen volk eerst” zo’n belangrijke stem krijgen? Waar met name de VVD toch ook aardig tegen ultrarechts aan het aanschurken is? Of is het ook hier op het eiland in toenemende mate: “weg met die migranten” en doet de overheid zijn best met teksten als deze om het tij te keren?
Van mijn middag op de universiteit staat mij deze keer vooral bij hoe Arjen Lubach eerst gehakt maakt van het boeddhisme (op 4 november) en daarna een lans breekt voor meer kernenergie (op 11 november).
Laat ik met hem en zijn team eerst een woordje wijden aan het boeddhisme. Uiteraard is dat net zo’n achterlijke stroming als het katholicisme, het hindoeïsme en alle andere godsdiensten en “levensovertuigingen”. God en Boeddha bestaan niet; dat jullie het maar ingeprent krijgen. Zo iemand als de Dalai Lama, de zoveelste afstammeling van zijn dikke voorbeeld, uiteraard uit Tibet, daar kun je in het beste geval alleen maar medelijden mee hebben. “Your holyness”, mijn fiets. En als ik dan op de tv Erica Terpstra voorgeschoteld krijg die ter plekke kommetjes rijst uitdeelt, aan de mannen eerst uiteraard en dan pas de vrouwen, wil ik er echt niks mee van doen hebben. Gelukkig staat er geen beeldje van de Boeddha in mijn boekenkast, in Maastricht niet en hier heb ik zelfs geen boekenkast.
En dan mag ik nu naar Lubach’s pleidooi voor meer kernenergie. Op dit moment hebben we in Nederland alleen (nog) Borssele en die kerncentrale is goed voor ik geloof 3% van onze totale energiebehoefte van het moment. De bijdrage van zon- en windenergie is ondanks alle inspanning van overheid en milieuorganisaties steeds niet hoger dan 2%. Biomassa is ook bepaald geen vetpot, met zijn bijdrage van hooguit 10 à 20%. Helaas, pindakaas, het overgrote deel van onze energie op dit moment komt uit kolen en gas. Al decennia lang roep ik, en mij diverse milieufreaks, dat we met veel minder energie toekunnen, dat we allerlei energie-slorpers zoals de privé-auto en sommige industrie beter kunnen “ausradieren”. Echter, daar kan ik helaas maar weinig handen voor op elkaar krijgen in dit “democratische” land, waar de mensen gewoon doorgaan met steeds meer consumeren. Eerder zie ik het wagenpark alleen maar verder groeien. De industrie wil wel geld van de overheid zien, als bijv. de Groningse gaskraan wordt dichtgedraaid.
Zo gek is dus het verhaal van Arjen Lubach niet dat we in dat geval meer met kernenergie moeten gaan doen. Je kan er best op afdingen, maar het is wel goed voor de lucht, de atmosfeer – aan de CO2 uitstoot draagt kernenergie niet bij. En nu nog steeds naar de ramp in Tsjernobyl verwijzen is ronduit lachwekkend. De installatie daar in Oekraïne was hopeloos verouderd, zou heden ten dage van zijn leven niet meer door een keuring komen. Bij de huidige stand van wetenschap kunnen we beter naar de kernramp in het Japanse Fukushima, waarbij zegge en schrijve hooguit één dode door straling te betreuren was. Dat is nog eens andere koek dan wat ons wordt voorgespiegeld over de nadelen van opwarming van de aarde. Natuurlijk, het haast eeuwig opslaan van hoogwaardig kernafval in een pakhuis - momenteel ongeveer een kuub per jaar in Nederland – staat me best tegen, maar met zeg een paar honderd kuub afval kunnen we wel vijftig jaar voort om iets beters voor de energievoorziening te ontdekken dan kolen en gas. Ik ben en blijf een aanhanger van veel minder energiegebruik, zeker nou ook derde wereldlanden willen gaan meeprofiteren van de westerse welvaart. Maar geloof het of niet, sinds 11 november ben ik met dank aan “Zondag met Lubach” wel aardig om. Het Duitse idee om kernenergie helemaal uit te bannen (en over te gaan op o.a. bruinkool) is het mijne geloof ik niet meer. Misschien moeten we af van het akelige concept van “radioactieve straling is perse fout”.
Afgelopen zomer liet mijn vroegere collega van epidemiologie Patty Nelemans mij bij haar thuis een aparte cd horen van Amr Diab. Wie is dat nou weer, zullen jullie vragen. In de Arabische wereld is de man een begrip, eerlijk is eerlijk; daar schalt zijn muziek nog steeds “over pleinen en straten”. Dus heb ik me drie cd’s van de Egyptenaar (uit 1961) toegeëigend: “Nour el ain” uit 1996, Tamally maak uit 2000 en overzichtsplaat “The very best of Amr Diab” uit 2001, die ik al van Patty leende. Laat ik de compilatie eens voor jullie op de draaitafel leggen, eraan voorbijgaand dat zijn taaltje helaas niet aan mij besteed is. Moet ik eens een mondje Arabisch gaan leren? Van Patty heb ik begrepen dat “habibi” staat voor meisje, maar verder komt zij ook niet. Hier zijn de veertien nummers:
01. Kalby ekhtarak
02. Amarain
03. Nour el ain
04. Awedony
05. Tamally maak
06. Albey (+ Khaled)
07. Kalast feek kol al kalam
08. El alem Alla
09. Ana
10. Men awwal merra (mehtajelha)
11. We heya amla aed delwat
12. Bahibak aktar (+ Angela Dimitriou)
13. Ana mahma kibirt sugheir
14. Habibi (remix)
Het is wel letter voor letter overtypen van de titels op mijn iTunes. Het minste wat ik ervan kan zeggen, is dat het weer eens iets heel anders is. “(Habibi) (A) Nour el ain”, met een heuse trekzak erbij, vind ik hier voor de kust van Marokko aimabeler dan ik vooraf voor mogelijk heb gehouden. Die Amr Diab met zijn jongenskop is niet voor de poes. Ook “Tamally maak” (spreek uit: temelly maak) kan er heel royaal mee door. Extra aandacht heb ik daarbij voor de nummers 1, 7, 10, 11 en 12. En lied 14: “Habibi”, hoewel een remix van 3, laat ik met plezier nog eens uit mijn geluidsbox komen.
Op mijn eiland heb ik vele jaren lang geregeld op een terras gezeten met Noé. Hij is een heel stuk jonger dan ik, 41 jaar zoals Eva, maar we hebben wel samen de nodige bomen opgezet. Ik vind hem als onderzoeker, vooral van medische literatuur over therapieën, erg ijverig en hij weet intussen ook best waarover het gaat. Een aantal jaren terug is hij naar (Santa Cruz de) Tenerife verhuisd, vanwege een nieuwe baan. Daar ben ik hem ook nog twee keer gaan opzoeken. Daar bovenop is hij de afgelopen jaren geregeld naar zijn “favourite city” gekomen voor weekendjes vertier, ook met mij.
Het laatste jaar zat hij daarnaast ook vaak in Madrid, vooral omdat hij daar zijn nieuwe vriendin had: Laura. Die zoveelste relatie is helaas sinds kort voorbij, maar toch vertrekt hij nu wel definitief naar de hoofdstad van Spanje. Trots e-mailt hij mij dat hij vanaf het komende jaar is aangesteld als “evidence based medicine researcher at the Spanish Society for Rheumatology” en die is nou eenmaal niet in Las Palmas of Santa Cruz, maar helemaal in Madrid gevestigd. Binnenkort komt hij wel nog weer een keer buurten en dan zal ik hem vragen of ik in het voorjaar (als de strenge winter daar voorbij is) een keer een weekend naar de “peninsula” kan komen.
Ik ben hier weer sinds 3 november. Vlak voor mijn aankomst heeft Lluis nog een “potsvrow” laten komen om mijn etagewoning in maagdelijke staat te brengen. Dan wacht je even voordat je zelf weer met je eigen “limpiadora” Laura op de proppen komt.
Vanmiddag, op woensdag 14 november, bel ik Laura op haar mobiel. Blijkt haar telefoonnummer niet meer te bestaan. Ik heb het echt foutloos opgeschreven en vind zelfs een briefje van haar met het nummer. Heeft ze nu een nieuwe telefoon en heeft ze vergeten om het nummer daarvan aan mij door te geven? Ik had nog wel met haar afgesproken in mei dat ze vanaf november weer zou komen. Of heeft Laura, sinds kort afgestudeerd in de criminologie, een baan elders gevonden? Who knows.
Hoe dan ook, ik heb geen achternaam, ik heb geen ander nummer of adres van haar en Mariela, van wie ik haar telefoonnummer ooit gekregen heb, werkt niet meer voor Lluis. Goede raad is duur, heel duur.
Op de woensdagavond kijk ik mijn eerste film op de laptop. Hij heet: “Natural enemy”, is uit 1996 en Donald Sutherland speelt een hoofdrol. Hij is in de film Ted, de man van Sandy. Zij blijkt lang geleden als tiener een kind bij de geboorte te hebben afgestaan, een jongetje. Dat heet Jeremy en is nu oud genoeg om stiekem als medewerker van Ted en ook als huisgenoot te fungeren. En wat is hij gewelddadig. (La venganza le consumirá a fuego lento.) Loopt het verhaal goed af? In ieder geval bevalt de film van regisseur Douglas Jackson mij maar matig. Ik vind hem te weinig indrukwekkend om t.z.t. mee terug naar Maastricht te nemen en ga hem hier ergens achterlaten.
Mensen nemen hier meestal de bus, de auto of de taxi, als ze een afstand hebben af te leggen. Voor toeristen komen daar de rode dubbeldekker bij, die hen van de ene naar de andere bezienswaardigheid brengt. Sinds een of twee jaren is er ook toeristisch vervoer met kar met paard. Tot de dingen die je zo al kunt doen, als je hier bent, is daarmee een rondrit maken, vanaf Santa Catalina, met koetsier en al. In het overdekte wagentje is links en rechts een bank, waarop je royaal twee aan twee kunt zitten. Ik neem aan dat de hele stad door gecrost kan worden, maar zeker weten doe ik dat niet. Je kunt ook een tijdje in je rijtuigje “kijken naar de kont van het paard”.
En dan komt nu mijn vraag: hoort de kar met paard en koetsier bij het langzame verkeer, zoals de fiets of dient ze te worden ingedeeld bij het snelverkeer zoals de auto? Op mijn stuk Luis Morote – binnenkort is de hele straat autovrij – zijn auto’s taboe (behalve die van de gemeente en bij reparaties en verhuizingen). Voor fietsers is wel een strook min of meer vrijgehouden. En nou komt het: in het verleden meden de kar en paard voertuigen de straat, maar vandaag de dag zie ik de houten gevallen achter een paard steeds vaker langskomen onder mijn balkon. Ik denk dat “we” ze maar moeten gedogen, pourquoi pas?
Donderdagavond ben ik natuurlijk veel te vroeg bij de WOMAD, “el festival del mundo” op Santa Catalina. Het echte werk, de muziek dus, begint om 8 uur, maar ik loop er al rond om half 8. Dat geeft mij wel alle gelegenheid om eens een kijkje te nemen op de markt met snuisterijen. Terzijde hangt een metershoge Canarische hond, of is het een tijger, met als onderschrift: “El rugido del Tropicalismo”, het gebrul van de Tropical. Ik ben op zijn tijd een fan van het bekende bier van Gran Canaria en de aankondiging gaat me niet in de koude kleren zitten.
Ik zie in de diverse stalletjes alle bekende toeristische apekool in veelvoud voorbijkomen: armbanden, truitjes, sjaals, hoedjes, ook poppen en klokken, allemaal “fair trade” of in iedere geval “handgemaakt”, van alleen maar “natuurlijke” materialen. De meeste verkopers, onder wie opvallend veel dames, zien er overigens uit alsof ze oprecht menen wat ze zeggen. Het lijkt of ze echt achter de producten staan die ze verkopen en dat bedoel ik hier niet alleen letterlijk. Ik persoonlijk heb er helemaal niks mee. Voor mij zijn het “spiegeltjes en kraaltjes”, om onze hulp aan Afrika in de jaren vijftig te memoreren, “zilverpapier”. Het beste tentje staat voor mij helemaal op een hoekje, waar enkele jongens chocolade uit de regio aan de man proberen te brengen. Misschien moet ik een deze dagen daar eens iets gaan kopen.
Keurig op tijd (om 8 uur) kondigt een beetje een schreeuwlelijk van een man op het grote podium met luide stem aan dat er niks boven de WOMAD gaat. Waar zou het woord ook al weer een afkorting van zijn, vraag ik mij in gemoede af. Dit jaar wordt het muziekfestival voor de twintigste keer gehouden, met maar liefst – hier gaat zijn stem een octaaf omhoog – 23 bijdragen. Niet veel later kondigt hij het openingsoptreden aan: een jongedame genaamd María José Llergo die ons komt verrassen met een flamenco-optreden. Ze is uit Cordoba en wordt begeleid door een al even jeugdige gast met een Spaanse gitaar, Marc López. Hun muziek begint nogal slapjes en veel beter wordt het niet, als María verderop enkele olé’s laat klinken, terwijl Marc dan woest zijn instrument ranselt. Nogal abrupt, na nog geen veertig minuten, zit hun bijdrage er weer op.
Het is dan even wachten op de volgende bijdrage: Bejo + DJ Pimp. Die Bejo blijkt om kwart over 9 een volbloed Spaanstalige rapper te zijn, uit Tenerife of zo, die verondersteld wordt mij het komende uur bijzonder te gaan amuseren. DJ Pimp, spreek uit Piiiiimp, staat schuin achter hem en bemonstert een synthetisizer. Ik kan er niet voor warm lopen, helaas. Bij het derde nummer nok ik af, mij niet gezien! Om kwart voor 10 zit ik met een Ricard met spa en een mooi boek weer op mijn balkonnetje. Het gedonder en geknetter gaat verderop nog een hele tijd door, maar ik heb voldoende afstand om er geen last van te hebben.
Op de vrijdagmorgen bedenk ik nog eens opnieuw dat ik echt niet zonder potsvrow kan. A.s maandag op de universiteit zal ik nog eens proberen er werk van te maken, als ik niet eerder al bij de WOMAD een kennis tegen kom die mij kan helpen aan een “limpiadora”.
Dan bedenk ik dat een nieuw plaatje geen kwaad kan. Afgelopen zomer heb ik me in Maastricht zitten afvragen of Jacques Dutronc een man was met maar één hit: “Il est cinq heures, Paris s’eveille”. Als ik dan in de digitale catalogus van Muziekweb in Rotterdam kijk, blijkt er een overzichtsplaat te zijn uit 2009, met drie keer twintig nummers van de man: uit de periodes 66-68, 67-71 en 72+. Hier is allerlei moois uit zijn beginjaren:
01. Et moi, et moi, et moi
02. Les playboys
03. On nous cache tout, on nous dit rien
04. Mini, mini, mini
05. Les gens sont fous, s tempps sont fous
06. Les cactus
07. L’aventurier
08. La comparade
09. J’aime les filles
10. J’ai tout lu, tout vu, tout bu
11. L’idole
12. La publicité
13. Le plus difficile
14. Les rois de la réforme
15. L’espace d’une fille
16. Hippie, hippie, hourah
17. Le courrier du coeur
18. Comment elles dorment
19. Fais pas çi, fais pas ça
20. La fille du Père Noël (live)
Van Jacques Dutronc kun je een hoop beweren, maar “Il est cinq heures, Paris s’éveille” is zeker niet zijn enige hit, en ook niet zijn eerste. Uit de periode 1966-68 kan ik, met de cd in mijn hand, zonder probleem een aantal andere, eerdere meezingers opsommen: “Et moi, et moi, et moi”, “Les playboys”, “Mini, mini, mini” en “J’aime les filles”. Ook verderop op de plaat ontdek ik aansprekende liedjes, zoals “Le plus difficile” en “Hippie, hippie, hourah”.
Onderweg naar mijn volgende bezoek aan de WOMAD kom ik in mijn straat een meisje tegen dat op haar t-shirt heeft staan: “yo no soy blogger”, ik ben geen blogger. Heb ik hier eerder niet al eens een “niet blogger” t-shirt aandacht gegeven? Hoe dan ook, ik ben het wel, een blogger. Dan loop ik richting het podium op Santa Catalina, waar de groep Château rouge (met een hoedje op de a vanwege de weggelaten s) zijn opwachting maakt.
Mijn tweede avond WOMAD heeft meer goeds voor mij in petto dan de avond ervoor. Het is met Château rouge direct raak. De groep, vooral drie gitaren, komt overigens niet uit Frankrijk, maar van de Canarische Eilanden. Er begint een stukje Sergio Leone (vermoed ik) te spelen, dan komen de gitaristen op en zetten vol in, als eersteklas vervangers van de beroemde componist, met wat je noemt stevige rock ‘n’ roll. Er wordt bij gezongen, meestal in het Engels, maar ook af en toe in het Spaans. Een woordje Frans kan ik niet ontdekken. Kan de groep zich niet beter “Castillo rojo” of “Red Castle” noemen? Het ziet er allemaal wel heel professioneel uit.
Om 7 uur is het aan de achterkant van Santa Catalina voor het eerst te doen. Daar treedt dan Ida Susal op. Ik ken haar niet, maar een groot publiek heeft ze met haar bandje wel. Ik vrees dat ze hier uiterst populair is. Als frontvrouw bespeelt ze een megatrommel en een gitaar en daarbij is ze ook nog eens de zangeres en dame die de nummers aan elkaar praat. Ik vind haar niet zo geslaagd, eerlijk gezegd zelfs een beetje tegenvallen.
Dat maakt dat ik haar optreden niet helemaal uit zie en me in de richting van de “Gastrobares” beweeg. Bares is het meervoud van bar en gastrobares zijn er kennelijk voor het eten, de maag. “Hamburguesas, perritos calientes (hotdogs), papas fritas”, het is er allemaal. De mensen van de verschillende neringen hebben een goede avond, als ik het zo bekijk.
Dan ga ik, met de meute, terug naar Santa Catalina, voor een optreden van Maalem Hamid El Kasri. De man is uit Marokko, begrijp ik, en hij begeleidt zich op een houten geval dat wel iets van een gitaar wegheeft, zelf in elkaar gezet. Links en rechts van hem staan twee mannen met trommeltjes (The 4 Tops?) en de zaak wordt gecompleteerd met een drummer (en op het einde ook nog een echte gitarist). Maalem en nog heeft een wat vreemde stem en klinkt 100% Arabisch. Ik versta er net als bij Amt Diab geen woord van. Veel verschillende tonen komen niet uit zijn tokkelinstrument. Ook van Maalem’s tussenstukjes krijg ik niks mee, maar een keer hoor ik hem wel “Gracias” zeggen en op het einde, tussen een litanie aan Marokkaans, ook “I love you”. Enkele Marokkanen bij mij in de buurt kunnen er geen genoeg van krijgen.
Op weg terug naar het tweede podium zie ik een mooie reclame van Pepsi Max, mijn tweede keus als het om suikervrije cola gaat. “Si no la amas, no la has probado”, als je er niet van houdt, heb je het niet geprobeerd. Dan sta ik oog in oog met de groep Talisk, een drietal uit Schotland: in het midden een jongen, die op Messi lijkt, met iets dat op een bandoneón lijkt. Links van hem zit een groot uitgevallen meisje met een viool en rechts een jongen op gitaar. Geloof het of niet, maar ze spelen – instrumentaal, geen zang – het dak van de tent, adembenemend. En het gaat maar door, waarbij met name de bandoneonista (bestaat het woord?) ons steeds meer opzweept, in een echt ijltempo. Zelfs ik zie mezelf meedeinen op de Schotse volksmuziek. Voor een optreden als van Talisk, daarvoor kom ik naar de WOMAD.
Het is over 10 uur, als ik terug naar het podium op Santa Catalina ga. Daar is net Delgres begonnen, overduidelijk een Franse groep, getuige ook de eerste liedjes in het Frans. Het gaat om een man met gitaar, geflankeerd door eentje met een bombardon (het lijkt Rocky wel) en voor de compleetheid nog een drummer aan zijn “batería”. Vooral om de gitarist is het kennelijk te doen. Echter, na vier uur muziek hiervóór “how iech de pin d’rin” en ga terug naar mijn balkonnetje. Ik moet trouwens eens vreselijk plassen en daar heb ik op mijn etage twee wc’s voor.
Zaterdag, haarwasdag. Vorige week heb ik als champoo nog mijn eigen Reflon Flex Clásico, met keratine gebruikt, maar de kennissen van Eva, hier op bezoek, hebben een halfvolle fles Geniol Champú Anticaspa achtergelaten. Volgens de verpakking is het de “eleccion natural para tu familia”, natuurlijke keuze voor je gezin/familie, en ook nog eens met “menta y piritionato”, munt en … Hier houdt mijn kennis op. “Piritionato” of iets wat daar dicht bij komt is niet in mijn Spaans woordenboek te vinden. “Piripi” is bezopen, een “piro” is een snotlap (zakdoek), maar “piritionato”? Toch staat het zo op de fles. Het champoo-spul, van een firma uit Barcelona, “refresca y previene formación de caspa”, is verfrissend en voorkomt roosvorming.
Vooralsnog is het mij allemaal om het even, of ik nou Revlon Flex Clásico op mijn kop smeer of Geniol Champú Anticaspa.
‘s Middags begint het eerst te miezeren, maar al snel gaat het over in spetteren. Ik weet niet hoe snel ik mijn wasgoed moet binnenhalen, dat op mijn plat hangt te drogen. Als ik om even voor 6 naar Santa Catalina wil, voor een derde avondje WOMAD, komt het water opnieuw met bakken nar beneden. Ik wacht op het overdekte balkon (loggia dus) en gelukkig is het een kwartier later weer droog. Niettemin, om 7 uur, als ik nieuwe aanstalten maak, volgt een nieuwe stortbui. Nu begin ik me toch af te vragen of ik niet beter thuis kan blijven. De hele tijd regen is hier een zeldzaamheid, maar Las Palmas zit in deze tijd van het jaar niet om buitjes verlegen.
Dan, bij een volgende “sjoor” om half 9, houd ik het buitenleven voor gezien en kies voor een film op mijn laptop. Het wordt “Heaven and earth” van regisseur Oliver Stone. Het is net net als zijn eerdere “Platoon” en “Born on the fourth of July” een Vietnamfilm, deze keer twee uur en een kwartier lang. Deze keer is hij echter helemaal bedacht vanuit de Vietnamezen. Voor de rol van hoofdpersonen Le Ly en haar moeder tekenen Joan Chen en Hiep Thi Le. We volgen ze eerst in hun dorp Ky La, dat in 1953 al met de Fransen van doen krijgt. Het dorp delft definitief het onderspit, als de mensen van Diem, gesteund door Amerika, in 1963 komen vertellen dat de club van vrijheidsstrijders, de Vietkong, een grote bende communistische vijand is. Le Ly verhuist naar Saigon en later naar Danang, wanneer ze in Saigon ontslagen wordt, als de huiseigenaar haar heeft zwanger gemaakt. Dan komt ene Steve Butler in beeld, gespeld door Tommy Lee Jones, die zich over haar ontfermt en haar later met de kinderen ook meeneemt naar de Verenigde Staten, naar San Diego. Daar loopt het huwelijk drie jaar later op de klippen. Het verhaalt eindigt, als Le Ly – intussen een succesrijke zakenvrouw – nog veel later nog eens teruggaat naar haar geboortedorp.
Querid@s amig@s y familia, het is tijd om jullie weer eens bij te praten over mijn wederwaardigheden (“peripecias” in het Spaans) hier in het verre Las Palmas de Gran Canaria. Ik heb alweer een interessant weekje achter de kiezen en jullie zitten hopelijk klaar om mee te genieten. Daar gaan we.
Mijn week begint op de afgelopen maandagmiddag al, als ik op bus 12 sta te wachten, die mij het lange end (een half uur bussen) naar het zuiden van de stad moet brengen. Onderweg zie ik een wervelende reclame van “#lasmigranteshablan”. Ik neem maar aan dat het iets van de overheid is, want een gironummer om geld naartoe te storten staat er niet bij. Het gaat om louter een tekst. “No me quiero ir. Mi vida está aquí. Donde tengo mi trabajo. Donde tuve a mis hijos, Donde los educo y van al cole.” Voor wie het Spaans onvoldoende machtig is: “Ik wil niet weggaan. Mijn leven is hier. Waar ik mijn werk heb. Waar ik mijn kinderen heb gekregen. Waar ik ben opvoed en waar ze naar school gaan.”
Zou zo’n tekst ook in Nederland aanspreken, het land waar mensen als Wilders en Baudet met hun “Eigen volk eerst” zo’n belangrijke stem krijgen? Waar met name de VVD toch ook aardig tegen ultrarechts aan het aanschurken is? Of is het ook hier op het eiland in toenemende mate: “weg met die migranten” en doet de overheid zijn best met teksten als deze om het tij te keren?
Van mijn middag op de universiteit staat mij deze keer vooral bij hoe Arjen Lubach eerst gehakt maakt van het boeddhisme (op 4 november) en daarna een lans breekt voor meer kernenergie (op 11 november).
Laat ik met hem en zijn team eerst een woordje wijden aan het boeddhisme. Uiteraard is dat net zo’n achterlijke stroming als het katholicisme, het hindoeïsme en alle andere godsdiensten en “levensovertuigingen”. God en Boeddha bestaan niet; dat jullie het maar ingeprent krijgen. Zo iemand als de Dalai Lama, de zoveelste afstammeling van zijn dikke voorbeeld, uiteraard uit Tibet, daar kun je in het beste geval alleen maar medelijden mee hebben. “Your holyness”, mijn fiets. En als ik dan op de tv Erica Terpstra voorgeschoteld krijg die ter plekke kommetjes rijst uitdeelt, aan de mannen eerst uiteraard en dan pas de vrouwen, wil ik er echt niks mee van doen hebben. Gelukkig staat er geen beeldje van de Boeddha in mijn boekenkast, in Maastricht niet en hier heb ik zelfs geen boekenkast.
En dan mag ik nu naar Lubach’s pleidooi voor meer kernenergie. Op dit moment hebben we in Nederland alleen (nog) Borssele en die kerncentrale is goed voor ik geloof 3% van onze totale energiebehoefte van het moment. De bijdrage van zon- en windenergie is ondanks alle inspanning van overheid en milieuorganisaties steeds niet hoger dan 2%. Biomassa is ook bepaald geen vetpot, met zijn bijdrage van hooguit 10 à 20%. Helaas, pindakaas, het overgrote deel van onze energie op dit moment komt uit kolen en gas. Al decennia lang roep ik, en mij diverse milieufreaks, dat we met veel minder energie toekunnen, dat we allerlei energie-slorpers zoals de privé-auto en sommige industrie beter kunnen “ausradieren”. Echter, daar kan ik helaas maar weinig handen voor op elkaar krijgen in dit “democratische” land, waar de mensen gewoon doorgaan met steeds meer consumeren. Eerder zie ik het wagenpark alleen maar verder groeien. De industrie wil wel geld van de overheid zien, als bijv. de Groningse gaskraan wordt dichtgedraaid.
Zo gek is dus het verhaal van Arjen Lubach niet dat we in dat geval meer met kernenergie moeten gaan doen. Je kan er best op afdingen, maar het is wel goed voor de lucht, de atmosfeer – aan de CO2 uitstoot draagt kernenergie niet bij. En nu nog steeds naar de ramp in Tsjernobyl verwijzen is ronduit lachwekkend. De installatie daar in Oekraïne was hopeloos verouderd, zou heden ten dage van zijn leven niet meer door een keuring komen. Bij de huidige stand van wetenschap kunnen we beter naar de kernramp in het Japanse Fukushima, waarbij zegge en schrijve hooguit één dode door straling te betreuren was. Dat is nog eens andere koek dan wat ons wordt voorgespiegeld over de nadelen van opwarming van de aarde. Natuurlijk, het haast eeuwig opslaan van hoogwaardig kernafval in een pakhuis - momenteel ongeveer een kuub per jaar in Nederland – staat me best tegen, maar met zeg een paar honderd kuub afval kunnen we wel vijftig jaar voort om iets beters voor de energievoorziening te ontdekken dan kolen en gas. Ik ben en blijf een aanhanger van veel minder energiegebruik, zeker nou ook derde wereldlanden willen gaan meeprofiteren van de westerse welvaart. Maar geloof het of niet, sinds 11 november ben ik met dank aan “Zondag met Lubach” wel aardig om. Het Duitse idee om kernenergie helemaal uit te bannen (en over te gaan op o.a. bruinkool) is het mijne geloof ik niet meer. Misschien moeten we af van het akelige concept van “radioactieve straling is perse fout”.
Afgelopen zomer liet mijn vroegere collega van epidemiologie Patty Nelemans mij bij haar thuis een aparte cd horen van Amr Diab. Wie is dat nou weer, zullen jullie vragen. In de Arabische wereld is de man een begrip, eerlijk is eerlijk; daar schalt zijn muziek nog steeds “over pleinen en straten”. Dus heb ik me drie cd’s van de Egyptenaar (uit 1961) toegeëigend: “Nour el ain” uit 1996, Tamally maak uit 2000 en overzichtsplaat “The very best of Amr Diab” uit 2001, die ik al van Patty leende. Laat ik de compilatie eens voor jullie op de draaitafel leggen, eraan voorbijgaand dat zijn taaltje helaas niet aan mij besteed is. Moet ik eens een mondje Arabisch gaan leren? Van Patty heb ik begrepen dat “habibi” staat voor meisje, maar verder komt zij ook niet. Hier zijn de veertien nummers:
01. Kalby ekhtarak
02. Amarain
03. Nour el ain
04. Awedony
05. Tamally maak
06. Albey (+ Khaled)
07. Kalast feek kol al kalam
08. El alem Alla
09. Ana
10. Men awwal merra (mehtajelha)
11. We heya amla aed delwat
12. Bahibak aktar (+ Angela Dimitriou)
13. Ana mahma kibirt sugheir
14. Habibi (remix)
Het is wel letter voor letter overtypen van de titels op mijn iTunes. Het minste wat ik ervan kan zeggen, is dat het weer eens iets heel anders is. “(Habibi) (A) Nour el ain”, met een heuse trekzak erbij, vind ik hier voor de kust van Marokko aimabeler dan ik vooraf voor mogelijk heb gehouden. Die Amr Diab met zijn jongenskop is niet voor de poes. Ook “Tamally maak” (spreek uit: temelly maak) kan er heel royaal mee door. Extra aandacht heb ik daarbij voor de nummers 1, 7, 10, 11 en 12. En lied 14: “Habibi”, hoewel een remix van 3, laat ik met plezier nog eens uit mijn geluidsbox komen.
Op mijn eiland heb ik vele jaren lang geregeld op een terras gezeten met Noé. Hij is een heel stuk jonger dan ik, 41 jaar zoals Eva, maar we hebben wel samen de nodige bomen opgezet. Ik vind hem als onderzoeker, vooral van medische literatuur over therapieën, erg ijverig en hij weet intussen ook best waarover het gaat. Een aantal jaren terug is hij naar (Santa Cruz de) Tenerife verhuisd, vanwege een nieuwe baan. Daar ben ik hem ook nog twee keer gaan opzoeken. Daar bovenop is hij de afgelopen jaren geregeld naar zijn “favourite city” gekomen voor weekendjes vertier, ook met mij.
Het laatste jaar zat hij daarnaast ook vaak in Madrid, vooral omdat hij daar zijn nieuwe vriendin had: Laura. Die zoveelste relatie is helaas sinds kort voorbij, maar toch vertrekt hij nu wel definitief naar de hoofdstad van Spanje. Trots e-mailt hij mij dat hij vanaf het komende jaar is aangesteld als “evidence based medicine researcher at the Spanish Society for Rheumatology” en die is nou eenmaal niet in Las Palmas of Santa Cruz, maar helemaal in Madrid gevestigd. Binnenkort komt hij wel nog weer een keer buurten en dan zal ik hem vragen of ik in het voorjaar (als de strenge winter daar voorbij is) een keer een weekend naar de “peninsula” kan komen.
Ik ben hier weer sinds 3 november. Vlak voor mijn aankomst heeft Lluis nog een “potsvrow” laten komen om mijn etagewoning in maagdelijke staat te brengen. Dan wacht je even voordat je zelf weer met je eigen “limpiadora” Laura op de proppen komt.
Vanmiddag, op woensdag 14 november, bel ik Laura op haar mobiel. Blijkt haar telefoonnummer niet meer te bestaan. Ik heb het echt foutloos opgeschreven en vind zelfs een briefje van haar met het nummer. Heeft ze nu een nieuwe telefoon en heeft ze vergeten om het nummer daarvan aan mij door te geven? Ik had nog wel met haar afgesproken in mei dat ze vanaf november weer zou komen. Of heeft Laura, sinds kort afgestudeerd in de criminologie, een baan elders gevonden? Who knows.
Hoe dan ook, ik heb geen achternaam, ik heb geen ander nummer of adres van haar en Mariela, van wie ik haar telefoonnummer ooit gekregen heb, werkt niet meer voor Lluis. Goede raad is duur, heel duur.
Op de woensdagavond kijk ik mijn eerste film op de laptop. Hij heet: “Natural enemy”, is uit 1996 en Donald Sutherland speelt een hoofdrol. Hij is in de film Ted, de man van Sandy. Zij blijkt lang geleden als tiener een kind bij de geboorte te hebben afgestaan, een jongetje. Dat heet Jeremy en is nu oud genoeg om stiekem als medewerker van Ted en ook als huisgenoot te fungeren. En wat is hij gewelddadig. (La venganza le consumirá a fuego lento.) Loopt het verhaal goed af? In ieder geval bevalt de film van regisseur Douglas Jackson mij maar matig. Ik vind hem te weinig indrukwekkend om t.z.t. mee terug naar Maastricht te nemen en ga hem hier ergens achterlaten.
Mensen nemen hier meestal de bus, de auto of de taxi, als ze een afstand hebben af te leggen. Voor toeristen komen daar de rode dubbeldekker bij, die hen van de ene naar de andere bezienswaardigheid brengt. Sinds een of twee jaren is er ook toeristisch vervoer met kar met paard. Tot de dingen die je zo al kunt doen, als je hier bent, is daarmee een rondrit maken, vanaf Santa Catalina, met koetsier en al. In het overdekte wagentje is links en rechts een bank, waarop je royaal twee aan twee kunt zitten. Ik neem aan dat de hele stad door gecrost kan worden, maar zeker weten doe ik dat niet. Je kunt ook een tijdje in je rijtuigje “kijken naar de kont van het paard”.
En dan komt nu mijn vraag: hoort de kar met paard en koetsier bij het langzame verkeer, zoals de fiets of dient ze te worden ingedeeld bij het snelverkeer zoals de auto? Op mijn stuk Luis Morote – binnenkort is de hele straat autovrij – zijn auto’s taboe (behalve die van de gemeente en bij reparaties en verhuizingen). Voor fietsers is wel een strook min of meer vrijgehouden. En nou komt het: in het verleden meden de kar en paard voertuigen de straat, maar vandaag de dag zie ik de houten gevallen achter een paard steeds vaker langskomen onder mijn balkon. Ik denk dat “we” ze maar moeten gedogen, pourquoi pas?
Donderdagavond ben ik natuurlijk veel te vroeg bij de WOMAD, “el festival del mundo” op Santa Catalina. Het echte werk, de muziek dus, begint om 8 uur, maar ik loop er al rond om half 8. Dat geeft mij wel alle gelegenheid om eens een kijkje te nemen op de markt met snuisterijen. Terzijde hangt een metershoge Canarische hond, of is het een tijger, met als onderschrift: “El rugido del Tropicalismo”, het gebrul van de Tropical. Ik ben op zijn tijd een fan van het bekende bier van Gran Canaria en de aankondiging gaat me niet in de koude kleren zitten.
Ik zie in de diverse stalletjes alle bekende toeristische apekool in veelvoud voorbijkomen: armbanden, truitjes, sjaals, hoedjes, ook poppen en klokken, allemaal “fair trade” of in iedere geval “handgemaakt”, van alleen maar “natuurlijke” materialen. De meeste verkopers, onder wie opvallend veel dames, zien er overigens uit alsof ze oprecht menen wat ze zeggen. Het lijkt of ze echt achter de producten staan die ze verkopen en dat bedoel ik hier niet alleen letterlijk. Ik persoonlijk heb er helemaal niks mee. Voor mij zijn het “spiegeltjes en kraaltjes”, om onze hulp aan Afrika in de jaren vijftig te memoreren, “zilverpapier”. Het beste tentje staat voor mij helemaal op een hoekje, waar enkele jongens chocolade uit de regio aan de man proberen te brengen. Misschien moet ik een deze dagen daar eens iets gaan kopen.
Keurig op tijd (om 8 uur) kondigt een beetje een schreeuwlelijk van een man op het grote podium met luide stem aan dat er niks boven de WOMAD gaat. Waar zou het woord ook al weer een afkorting van zijn, vraag ik mij in gemoede af. Dit jaar wordt het muziekfestival voor de twintigste keer gehouden, met maar liefst – hier gaat zijn stem een octaaf omhoog – 23 bijdragen. Niet veel later kondigt hij het openingsoptreden aan: een jongedame genaamd María José Llergo die ons komt verrassen met een flamenco-optreden. Ze is uit Cordoba en wordt begeleid door een al even jeugdige gast met een Spaanse gitaar, Marc López. Hun muziek begint nogal slapjes en veel beter wordt het niet, als María verderop enkele olé’s laat klinken, terwijl Marc dan woest zijn instrument ranselt. Nogal abrupt, na nog geen veertig minuten, zit hun bijdrage er weer op.
Het is dan even wachten op de volgende bijdrage: Bejo + DJ Pimp. Die Bejo blijkt om kwart over 9 een volbloed Spaanstalige rapper te zijn, uit Tenerife of zo, die verondersteld wordt mij het komende uur bijzonder te gaan amuseren. DJ Pimp, spreek uit Piiiiimp, staat schuin achter hem en bemonstert een synthetisizer. Ik kan er niet voor warm lopen, helaas. Bij het derde nummer nok ik af, mij niet gezien! Om kwart voor 10 zit ik met een Ricard met spa en een mooi boek weer op mijn balkonnetje. Het gedonder en geknetter gaat verderop nog een hele tijd door, maar ik heb voldoende afstand om er geen last van te hebben.
Op de vrijdagmorgen bedenk ik nog eens opnieuw dat ik echt niet zonder potsvrow kan. A.s maandag op de universiteit zal ik nog eens proberen er werk van te maken, als ik niet eerder al bij de WOMAD een kennis tegen kom die mij kan helpen aan een “limpiadora”.
Dan bedenk ik dat een nieuw plaatje geen kwaad kan. Afgelopen zomer heb ik me in Maastricht zitten afvragen of Jacques Dutronc een man was met maar één hit: “Il est cinq heures, Paris s’eveille”. Als ik dan in de digitale catalogus van Muziekweb in Rotterdam kijk, blijkt er een overzichtsplaat te zijn uit 2009, met drie keer twintig nummers van de man: uit de periodes 66-68, 67-71 en 72+. Hier is allerlei moois uit zijn beginjaren:
01. Et moi, et moi, et moi
02. Les playboys
03. On nous cache tout, on nous dit rien
04. Mini, mini, mini
05. Les gens sont fous, s tempps sont fous
06. Les cactus
07. L’aventurier
08. La comparade
09. J’aime les filles
10. J’ai tout lu, tout vu, tout bu
11. L’idole
12. La publicité
13. Le plus difficile
14. Les rois de la réforme
15. L’espace d’une fille
16. Hippie, hippie, hourah
17. Le courrier du coeur
18. Comment elles dorment
19. Fais pas çi, fais pas ça
20. La fille du Père Noël (live)
Van Jacques Dutronc kun je een hoop beweren, maar “Il est cinq heures, Paris s’éveille” is zeker niet zijn enige hit, en ook niet zijn eerste. Uit de periode 1966-68 kan ik, met de cd in mijn hand, zonder probleem een aantal andere, eerdere meezingers opsommen: “Et moi, et moi, et moi”, “Les playboys”, “Mini, mini, mini” en “J’aime les filles”. Ook verderop op de plaat ontdek ik aansprekende liedjes, zoals “Le plus difficile” en “Hippie, hippie, hourah”.
Onderweg naar mijn volgende bezoek aan de WOMAD kom ik in mijn straat een meisje tegen dat op haar t-shirt heeft staan: “yo no soy blogger”, ik ben geen blogger. Heb ik hier eerder niet al eens een “niet blogger” t-shirt aandacht gegeven? Hoe dan ook, ik ben het wel, een blogger. Dan loop ik richting het podium op Santa Catalina, waar de groep Château rouge (met een hoedje op de a vanwege de weggelaten s) zijn opwachting maakt.
Mijn tweede avond WOMAD heeft meer goeds voor mij in petto dan de avond ervoor. Het is met Château rouge direct raak. De groep, vooral drie gitaren, komt overigens niet uit Frankrijk, maar van de Canarische Eilanden. Er begint een stukje Sergio Leone (vermoed ik) te spelen, dan komen de gitaristen op en zetten vol in, als eersteklas vervangers van de beroemde componist, met wat je noemt stevige rock ‘n’ roll. Er wordt bij gezongen, meestal in het Engels, maar ook af en toe in het Spaans. Een woordje Frans kan ik niet ontdekken. Kan de groep zich niet beter “Castillo rojo” of “Red Castle” noemen? Het ziet er allemaal wel heel professioneel uit.
Om 7 uur is het aan de achterkant van Santa Catalina voor het eerst te doen. Daar treedt dan Ida Susal op. Ik ken haar niet, maar een groot publiek heeft ze met haar bandje wel. Ik vrees dat ze hier uiterst populair is. Als frontvrouw bespeelt ze een megatrommel en een gitaar en daarbij is ze ook nog eens de zangeres en dame die de nummers aan elkaar praat. Ik vind haar niet zo geslaagd, eerlijk gezegd zelfs een beetje tegenvallen.
Dat maakt dat ik haar optreden niet helemaal uit zie en me in de richting van de “Gastrobares” beweeg. Bares is het meervoud van bar en gastrobares zijn er kennelijk voor het eten, de maag. “Hamburguesas, perritos calientes (hotdogs), papas fritas”, het is er allemaal. De mensen van de verschillende neringen hebben een goede avond, als ik het zo bekijk.
Dan ga ik, met de meute, terug naar Santa Catalina, voor een optreden van Maalem Hamid El Kasri. De man is uit Marokko, begrijp ik, en hij begeleidt zich op een houten geval dat wel iets van een gitaar wegheeft, zelf in elkaar gezet. Links en rechts van hem staan twee mannen met trommeltjes (The 4 Tops?) en de zaak wordt gecompleteerd met een drummer (en op het einde ook nog een echte gitarist). Maalem en nog heeft een wat vreemde stem en klinkt 100% Arabisch. Ik versta er net als bij Amt Diab geen woord van. Veel verschillende tonen komen niet uit zijn tokkelinstrument. Ook van Maalem’s tussenstukjes krijg ik niks mee, maar een keer hoor ik hem wel “Gracias” zeggen en op het einde, tussen een litanie aan Marokkaans, ook “I love you”. Enkele Marokkanen bij mij in de buurt kunnen er geen genoeg van krijgen.
Op weg terug naar het tweede podium zie ik een mooie reclame van Pepsi Max, mijn tweede keus als het om suikervrije cola gaat. “Si no la amas, no la has probado”, als je er niet van houdt, heb je het niet geprobeerd. Dan sta ik oog in oog met de groep Talisk, een drietal uit Schotland: in het midden een jongen, die op Messi lijkt, met iets dat op een bandoneón lijkt. Links van hem zit een groot uitgevallen meisje met een viool en rechts een jongen op gitaar. Geloof het of niet, maar ze spelen – instrumentaal, geen zang – het dak van de tent, adembenemend. En het gaat maar door, waarbij met name de bandoneonista (bestaat het woord?) ons steeds meer opzweept, in een echt ijltempo. Zelfs ik zie mezelf meedeinen op de Schotse volksmuziek. Voor een optreden als van Talisk, daarvoor kom ik naar de WOMAD.
Het is over 10 uur, als ik terug naar het podium op Santa Catalina ga. Daar is net Delgres begonnen, overduidelijk een Franse groep, getuige ook de eerste liedjes in het Frans. Het gaat om een man met gitaar, geflankeerd door eentje met een bombardon (het lijkt Rocky wel) en voor de compleetheid nog een drummer aan zijn “batería”. Vooral om de gitarist is het kennelijk te doen. Echter, na vier uur muziek hiervóór “how iech de pin d’rin” en ga terug naar mijn balkonnetje. Ik moet trouwens eens vreselijk plassen en daar heb ik op mijn etage twee wc’s voor.
Zaterdag, haarwasdag. Vorige week heb ik als champoo nog mijn eigen Reflon Flex Clásico, met keratine gebruikt, maar de kennissen van Eva, hier op bezoek, hebben een halfvolle fles Geniol Champú Anticaspa achtergelaten. Volgens de verpakking is het de “eleccion natural para tu familia”, natuurlijke keuze voor je gezin/familie, en ook nog eens met “menta y piritionato”, munt en … Hier houdt mijn kennis op. “Piritionato” of iets wat daar dicht bij komt is niet in mijn Spaans woordenboek te vinden. “Piripi” is bezopen, een “piro” is een snotlap (zakdoek), maar “piritionato”? Toch staat het zo op de fles. Het champoo-spul, van een firma uit Barcelona, “refresca y previene formación de caspa”, is verfrissend en voorkomt roosvorming.
Vooralsnog is het mij allemaal om het even, of ik nou Revlon Flex Clásico op mijn kop smeer of Geniol Champú Anticaspa.
‘s Middags begint het eerst te miezeren, maar al snel gaat het over in spetteren. Ik weet niet hoe snel ik mijn wasgoed moet binnenhalen, dat op mijn plat hangt te drogen. Als ik om even voor 6 naar Santa Catalina wil, voor een derde avondje WOMAD, komt het water opnieuw met bakken nar beneden. Ik wacht op het overdekte balkon (loggia dus) en gelukkig is het een kwartier later weer droog. Niettemin, om 7 uur, als ik nieuwe aanstalten maak, volgt een nieuwe stortbui. Nu begin ik me toch af te vragen of ik niet beter thuis kan blijven. De hele tijd regen is hier een zeldzaamheid, maar Las Palmas zit in deze tijd van het jaar niet om buitjes verlegen.
Dan, bij een volgende “sjoor” om half 9, houd ik het buitenleven voor gezien en kies voor een film op mijn laptop. Het wordt “Heaven and earth” van regisseur Oliver Stone. Het is net net als zijn eerdere “Platoon” en “Born on the fourth of July” een Vietnamfilm, deze keer twee uur en een kwartier lang. Deze keer is hij echter helemaal bedacht vanuit de Vietnamezen. Voor de rol van hoofdpersonen Le Ly en haar moeder tekenen Joan Chen en Hiep Thi Le. We volgen ze eerst in hun dorp Ky La, dat in 1953 al met de Fransen van doen krijgt. Het dorp delft definitief het onderspit, als de mensen van Diem, gesteund door Amerika, in 1963 komen vertellen dat de club van vrijheidsstrijders, de Vietkong, een grote bende communistische vijand is. Le Ly verhuist naar Saigon en later naar Danang, wanneer ze in Saigon ontslagen wordt, als de huiseigenaar haar heeft zwanger gemaakt. Dan komt ene Steve Butler in beeld, gespeld door Tommy Lee Jones, die zich over haar ontfermt en haar later met de kinderen ook meeneemt naar de Verenigde Staten, naar San Diego. Daar loopt het huwelijk drie jaar later op de klippen. Het verhaalt eindigt, als Le Ly – intussen een succesrijke zakenvrouw – nog veel later nog eens teruggaat naar haar geboortedorp.
Abonneren op:
Posts (Atom)