donderdag 1 december 2011

Weblogbrief 7.07, 1 december 2011


         Estimados campesinos de zanahorias y otra gente de Holanda en toda su estrechez de miras,  daar ben ik weer, twee dagen later dan op mijn gebruikelijke dinsdag, maar daaraan is Noé debet. Hij wilde eerst een dagje extra om het concept artikel over Arnica te schrijven (dat dagje heeft hij gekregen) en toen moest hij opeens naar Tenerife voor zijn andere baantje. Jorge zat gistermiddag bij de tandarts, nog even los van zijn bezigheden elders, dus werd en wordt het donderdagmiddag. !Perdón! !Disculpame! Overigens, ook volgende week komt mijn brief niet op dinsdag, maar dan op woensdag. Dinsdag is het “día de la constitución” en dan mag heel Spanje buiten spelen. (En a.s. donderdag viert María haar concepción en is het wederom feest geblazen.)

         Met zo’n lange week achter de rug begin ik mijn wederwaardigheden pas  op de woensdagavond (van de vorige week). Toen bestond mijn avondmaaltijd uit twee dubbele boterhammen met kaas en ham, gesmolten in mijn koekenpan. Daarna zat ik moe maar voldaan bij te komen op het balkon met een blikje, toen het plotseling akelig hard begon te regenen. Ik had kunnen blijven zitten – het is een loggia – maar moest fatsoenshalve wel binnen een aantal ramen dichtdoen in de flat. En toen dacht ik ineens: ik heb nog een mooie film liggen, die ik onlangs bij Daily Price heb gekocht. Hij is van regisseur Mark Rydell en de Spaanse titel luidt: “Ayer, Hoy Y Por Siempre”, gisteren, vandaag en voor altijd. Ik geef jullie hier eerst de samenvatting, zoals die achterop de DVD te vinden is.
         “El mundo está en guerra, y Eddie Sparks es el humorista más ácido y cotizado de América, hasta que Dixie Leonard aparece en escena. Ella es divertida, desborda talento e ironía y desde el momento en que se conocen, ponen las tropas a sus pies y se meten el mudo en el bolsillo. Juntos acompañan a tres generaciones de diferentes guerras desde el frente de batalla a la vida cotidiana. Su química es explosiva dentro y fuera del escenario y les hace amigos, enemigos ye incluso héroes.”
         Weten jullie nu al meer? Zo nee, dan zal ik hier ook maar een Maastrichtse synopsis geven. Om te beginnen: Eddie Sparks wordt gespeeld door James Caan en wie staat voor Dixie Leonard: niemand minder dan Bette Midler. Jullie kennen haar misschien van haar cd’s en haast wekl zeker van een aantal films, vooral “The Rose”. Echter, ze is haar carrière begonnen als entertainer, een vrouw bovendien die niet verlegen zat om een beetje vieze praat, als daar reden voor was. In “For The Boys” - zo heet de film oorspronkelijk; hij is uit 1991 - combineert ze met verve haar zangkwaliteit met die van schuine moppentapper.
         Hier is een stukje inhoud. Art Singer (George Segal) werkt voor Eddie Sparks en als die voor de Amerikaanse troepen optreedt in 1942, is er nog een zangeresje nodig. Voor dat doel laat Art zijn nichtje Dixie  Leonard overkomen. Ze steelt vervolgens de show, niet alleen door de sterren van de hemel te zingen, maar ook door er de juiste foute grappen tussendoor te gooien. Het duo Eddie & Dixie wordt een soort Bob & Bing (Hope & Crosby), als jullie je die op het WO2-oorlogspad nog herinneren. Helaas overlijdt Dixie’s man, oorlogsfotograaf, in de strijd. Na de oorlog gaat Dixie met Eddie als koppel door. Ze maken samen bijv. voor Bailey koffie een hele serie radioprogramma’s. In de vijftiger jaren belanden ze met zijn tweeën zo waar ook weer in Korea om de  troepen daar te vermaken. En passant wordt oom Art ontslagen, omdat hij zoals wel meer filmmensen sympathie voor het communisme zou hebben. De wederzijdse sympathie bekoelt verder, als Eddie zijn best doet om Dixie over te halen om het troepen-vermaken-kunstje ook nog eens te doen in Vietnam in 1969. Haar zoon Danny zit daar soldaat, daarom gaat ze toch maar mee, maar ter plaatse sterft Danny zo ongeveer in haar armen. Daarmee is het wel op voor Dixie, ze wil vanaf dan met Eddie niks meer te maken hebben. De film eindigt ermee dat Eddie en Dixie op hun oude dag een medaille krijgen uitgereikt en bij die gelegenheid ziet ze Eddie dan toch nog een keer. Dan zingen ze samen nog een stukje “I Remember You” (dat ik vooral ken van Frank Ifield). Einde film.         Ik kan me “For The Boys” niet herinneren van de bioscoop destijds, de televisie of het dvd-circuit. Algemener, wij maar denken dat alle films zo maar beschikbaar zijn, maar ik beweer hier dat er een heleboel de Nederlandse markt nooit of te nimmer bereiken. Toch is “For The Boys” een mooie film, die ik jullie van harte kan aanbevelen. Wie dat wil, kan hem eens van me lenen, als ik in Maastricht ben.
         Enne... één enkele schuine mop van Bette Midler wil ik jullie niet onthouden; we schrijven minuut 25 van de film, als Dixie voor het eerst ”for the boys” moet optreden. Voordat ze met haar eerste liedje begint, maakt ze een praatje met ster Eddie op het podium. Het zou zo lang geduurd hebben, voordat ze er was, omdat het vliegtuig waarmee ze kwam, benzineproblemen had. “The co-pilot, a lovely young boy” werd er volgens Dixie helemaal nerveus van. Ze kijkt dan eens ondeugend en zegt: “This one is taking a long hard pull. So I did, for two hours. Waarop Eddie riposteert met: “For two hours, along with you, that boy deserves a purple heart”, een oorlogsmedaille. En dan komt Dixie’s antwoord: “It was purple, all right, but I think it was not his heart.”

         Voor mijn muziek van deze week begin ik uiteraard met Bette Midler. Voor wie in leeftijden geïnteresseerd is, morgen, 1 december, wordt ze 66 en passeert ze mij weer (tot 18 september). Ik heb al heel lang een verzamelplaat van Bette Midler in mijn bezit: “Experience The Divine. Greatest Hits” uit 1993 (of is het 1996?). Pas afgelopen zomer vulde ik via Centre Ceramique mijn collectie aan met vier cd’s: “Some People’s Lives” uit 1990, “Bette” uit 2000, “The Rosemary Clooney Songbook” uit 2003 en “The Peggy Lee Songbook” uit 2005. Ik weet het, Bette Midler is goed voor veel meer albums, maar toch, het begin is gemaakt. En het is niet alles goud dat er blinkt op de cd’s, maar er staan heel mooie liedjes tussen. Mijn veruit favoriete nummer van Bette Midler, waar ik niet vaak genoeg naar kan luisteren, heet “Hello In There”, met een tekst om van te smullen. Ik weet het, jullie denken natuurlijk vooral aan “Beast Of Burden”, oorspronkelijk van de Rolling Stones, en “The Rose”, het slotaccoord van de gelijknamige film uit 1979. Maar wat vinden jullie van bijv. “From A Distance”, “That’s How Heartaches Are Made”, “Big Spender” en “Mambo Italiano”?
         “Mambo Italiano”? Heeft Bette Midler dat ook gezongen? Hebben we het over de megahit van Rosemary Clooney, de dame die ik sowieso in ere houd vanwege “Botch-a-me”? Helaas, ik heb nog geen enkele cd van haar in huis te hebben, maar ze staat wel met zes verschillende nummers op verzamelplaten. “Mambo Italiano” van Rosemary Clooney vind ik terug op de cd-serie Jukebox revival. “A girl went back to Napoli, because she missed the scenery, the native dances and the charming songs, but wait a minute, something’s wrong. Hey mambo, mambo italiano”.
         Dat lijkt me een mooie overstap naar een volgend muziekuitstapje. Ik kreeg Jukebox revival, een serie van 5x20 nummers, van Rocky, niet compleet, maar vooruit. Er staat echt van alles op uit de vijftiger jaren. Ik heb de hele jukebox een paar keer afgedraaid, dat kostte in mijn jeugd heel wat kwartjes. Maar ik kan jullie nu wel een elftal gouwe ouwes op een rijtje zetten, waar je U tegen zegt. Hier zijn ze: “Changing Partners” van Patti Page, “Cherry Pink And Apple Blossom White” van Perez Prado, “Cry Me A River” van Julie London, “Experience unnecessary” van Sarah Vaughan, “Good rocking tonight” van Elvis Presley, “Hearts of stone” van de Fontana Sisters, “Sh-boom” van de Crew Cuts, “Sincerely” van de McGuire Sisters, “The Rock And Roll Waltz” van Kay Starr, “Vaya Con Dios” van de Andrew Sisters en “Whatever Lola Wants Lola Gets” van nogmaals Sarah Vaughan.
         En nog is het niet op, mijn muziek van de week. Als toetje heb ik voor jullie Rosie Gaines. Eerder vertelde ik hoe gecharmeerd ik van haar ben, sinds ik haar bijdrage aan “Nothing compares 2 U” van Prince heb gehoord (en op dvd gezien). Rosie Gaines maakte in de vroege jaren 90 deel uit van de New Power Generation, de entourage van Prince zal ik maar zeggen. Daarop begon ze aan een solocarrière, hoewel ze wel nog af en toe bij Prince een nummertje bleef meezingen. Haar eerste en belangrijkste plaat heeft als titel “Closer Than Close” en is uit 1995. Jorge kwam er onlangs mee aanzetten en nu ligt-ie afgestoft en wel op de denkbeeldige draaitafel. Natuurlijk is het titelnummer de moeite waard, maar daarmee is de koek niet op. Er staan eerlijk gezegd ook wat minder geslaagde nummers op de plaat, maar hier zijn positieve uitzonderingen: “I Want U”, “I Almost Lost You” en “Get The Ghetto Off Your Mind”. En dan heb ik een heel bijzonder liedje voor het laatst bewaard: “Bubble World”. Met dat nummer is Rosie Gaines op haar bovengemiddelds!  

         Een tussendoortje. Ik hoorde dat mijn tweede thuis Las Palmas niet in het ultieme rijtje staat om culturele hoofdstad van 2016 te worden. Onze best hebben we wel gedaan, wij van “Somos la ciudad de mar y culturas”, maar de belangen van andere steden zijn groot, misschien te groot. Blijft een mooi affiche over dat hier op een aantal plaatsten hangt. Daarop staat nog eens hoe “divertida, actual, natural, activa, histórica y cálida” de stad wel niet is. Ik kan het daar alleen maar mee eens zijn. Als LPGC nog niet bestond, zou ze direct moeten worden uitgevonden.

         Afgelopen zaterdagmorgen heb ik wel een uur staan “potse”. T&M kwamen eraan voor een bezoekje op de zaterdagmiddag en wie ben ik om ze teleur te stellen en niet even keuken en badkamer een beurt te geven met mijn bezem en mijn emmer sop. En als ik dan toch bezig ben, kan ik net zo goed ook de slaapkamer en het balkom even aanvegen. En geloof het of niet, ik trof tussen de “stöb” twee nieuwe stukjes glas aan, ongetwijfeld van het drinkglas dat ik vorige week heb laten vallen. Het zal me benieuwen of er nog meer ligt. Je zou haast voor de lol nog eens een glas laten vallen, of de glazen asbak die ik net gekocht heb, om te zien hoe ver het glas zich verspreidt.

         Ik heb een beetje raar idee. Lachen is iets dat ik helaas tegenwoordig minder doe dan vroeger en Las Palmas niet alleen, omdat de mensen niet helemaal uit mijn Spaans wijs worden. Dat heeft, vrees ik, ook met mijn leeftijd te maken. Om bij de jeugd te beginnen, kinderen lachen wat af en met jongeren onder elkaar valt nog veel meer het nodige te glimlachen en te lachen, zelfs te schateren en dergelijke . Echter, met het voortschrijden van de leeftijd wordt het lachen minder, “het lachen vergaat je”. Bij complete ouderen zoals ik is in het algemeen maar behelpen, uitzonderingen daar gelaten.
         Bij Ton en Marion ben ik in goede handen, als het om psychologische onderwerpen gaat. Ik zag ze zaterdagmiddag weer hier in Las Palmas en wat blijkt: met name Marion is het niet met me eens. Zij vindt leeftijd helemaal niet zo’n belangrijke factor, volgens haar is lachen leeftijdonafhankelijk. Geef haar maar het verschil tussen mannen en vrouwen. Als het op lachen aankomt, is lachen volgens haar veel meer iets van vrouwen dan van mannen. “Ze heeft een lach aan haar kont hangen”, is een uitdrukking die daarbij hoort. Zijn mannen  vooral op de wereld gezet om vrouwen aan het lachen te maken? Ton houdt zich op de vlakte over het onderwerp. Terwijl Marion en ik een aardig boompje opzetten, gaat hij op zoek naar een bank om zijn rug wat rust te gunnen.

         Ton, om hem ook wat krediet te geven, is meer nog dan Marion een persoon die graag op vaste tijden eet: ’s ochtends als hij opstaat, om 12 uur en om 5 uur. De laatste maaltijd is bij Ton steevast de warme; daar helpt geen lief moedertje aan. Dus zat ik zaterdagmiddag al om klokslag 5 uur bij El  Gallo Feliz met Marion naast me en Ton tegenover me. En binnen, want ze vonden het een beetje fris worden. Niet veel later stond een royale salade en knoflookbrood op tafel, waarna we alle drie aan de “pollo asado” mochten, een halve kip de “man”, best te doen, maar met helaas enigszins kleffe frieten. We willen graag een beetje op tijd weer terug zijn in ons huisje, werd mij vriendelijk, doch dringend verzocht en dus werd het de Globalbus van kwart voor 7, waarmee ze weer “huis”waarts keerden.
         En - dat weer wel - kon ik mij keurig opmaken voor mijn hernieuwde ontmoeting met Cristiana, in gezelschap van Noé. Cristiana is een Italiaanse collega van mij, een voedingsingenieur, die mij met het nodige vuur op Fabrizio de André opmerkzaam heeft gemaakt. Ze woont nog in Milaan, maar vertrekt over een paar weken naar Zuid-Afrika voor een nieuwe baan in de buurt van Johannesburg.
         Met haar en Noé had ik om 7 uur zaterdagavond afgesproken op het terras van Tasquita Cambullonera, maar ze zaten voor mij gereed bij El Bacha, een Libanees eethuisje annex terras vlakbij het toeristenbureau, dus ietsje dichterbij. (En waarom heet El Bacha El Bacha? Is dat misschien geen Spaans woord, want het staat zelfs niet in mijn groot woordenboek? Antwoord: de eigenaar heet van achteren Bacha.) Een uur lang hebben we elkaar bijgepraat.
         En toen vertelde Noé me dat Loreena daar om de hoek woont. De rest van Noé’s kring zat in haar flat en op zijn verzoek kwam de hele meute om ongeveer 8 uur naar beneden om met ons bij El Bacha plaats te nemen. Daarbij was ook Loreena zelf, die net een cystennier heeft laten verwijderen in het Dr. Negrin ziekenhuis en pas sinds een aantal dagen weer thuis is. Er werden drankjes gedronken en nootjes gegeten door de dames en heren, waarna de hele groep met ons drieën erbij weer de stap naar Loreena’s flatje maakte voor Tropical bier en Mexicaanse burrito’s. Het gehaktachtige spul met allerlei toevoegingen, waaromheen het dunne pannenkoekje moet, was in een grote wokpan klaargemaakt en zag er lekker uit. Ik heb dus ter plekke moeten uitleggen waarom ik als enige geen burrito hoefde, zelfs niet één. Ik vertellen dat ik eerder al uitgebreid gegeten had met T&M, conform de eettijden van doorsnee Nederland, maar daar snapte men werkelijk niks van. Om 5 uur, dan zit Spanje nog aan de middagmaaltijd of anders net aan de tapas. Wat zeg je daarop terug (ik eet ook liever veel later)? Verder dan “wie weet, is al te laat je avondeten naar binnen werken wel ongezond” kwam ik niet. Om 11 uur mocht ik terug naar mijn “piso”, maar een groot deel van het gezelschap ging toen op weg naar de discotheek.

                  Gisteravond deed ik mijn wandelingetje langs de boulevard en bleef enigszins “verpopzak” staan bij de kerststal in zand en in wording en meer nog bij de erbij horende tien (?) meter hoge kerstboom in wording op de boulevard. Hij, de boom, bestaat uit een dikke stam en een stuk of tien, elf horizontale donkergroene ringen van verschillende grootte. De ringen komen van onderaf gezien in afnemende grootte om de stam te hangen. Als het gevaarte rechtop staat, over een paar dagen?, zie je pas goed dat de ringen echt steeds kleiner worden, met bovenop een ster als piek.
         Voorbijgangers kunnen zich in de nabij gelegen tent vervoegen bij een hittepetit meisje die er 100% uitziet als een kerstman, pak, muts, laarzen, alles, alleen de baard ontbreekt. Ze ontvangen dan van haar een grote rode kaart, waarop ze hun wens kenbaar mogen maken en hem dan aan een van de kerstringen van de boom, nu nog op de grond, bevestigen. Geheel in stijl heet de boom: “el árbol de los deseos”, de wensboom. Zal ik ook eens...? Nee, zo diep zink ik niet, maar even kijken wat men zo al aan wensen heeft geuit, daar heb ik mij wel aan bezondigd. “Gezondheid” en “vrede”, dat zijn geziene onderwerpen voor de feestdagen, naast uiteraard “feliz navidad” en dergelijke. 

         Hebben jullie wel eens honderd of zo honden voorbij zien komen, in galop, als je dat zo kunt zeggen, met hun baasjes aan de leiband? Dat gebeurde mij zondagmorgen even over 10 uur, toen ik met mijn koffie en mijn boek op het balkon zat. Aan de optocht vooraf ging een auto met twee politieagenten en daarna kwam, echt waar, een hele roedel viervoeters voorbij, in alle maten en soorten. Voor wat achtergrond: op Santa Catalina hier is een grote hondenshow dit weekeinde, “un día de perros, eigenlijk dos días, twee dagen. Natuurlijk trekken de echte kampioenen belangstelling, maar “het publiek” is er niet alleen om op te zitten en de hondse wonderen te aanschouwen, men mag ook een beetje meedoen. Zo is er een speeltuintje, waar de baasjes (“los asistentes”) met hun wolf, buldog of pekinees van alles mogen, bijv. hopen dat hun beest door een lange buis wil lopen. Een folder vertelt omstandig wat er allemaal binnen en buiten te doen is, ik citeer voor jullie de “actividades permanentes”: “Reviones caninas, taller infantil, taller de peluqueria, taller de educación canina, cafeteria, taller para quitar fobias a los perros, stand de adopción.” Ik vind het vooral een aardige bedoeling, omdat er echt ontzettend veel honden op de been zijn, die elkaar bovendien aanhoudend besnuffelen. En het blaffen valt reusachtig mee.


         In stijl geef ik jullie als Spaans lesje enige “Ordenes básicos de obediencia”. Ze zijn bedoeld voor honden, maar misschien kan ik Trudie en Marij aldus de komende week enige gehoorzaamheid bijbrengen.
         SIENTATE. Coger un trocito de comida con una mano y sostenerlo encima del perro. Esperar a que se siente y, en ese momento, pronunciar la palabra “sientate”. A continuación, premiar al perro una caricia y el trocito de comida.
         QUIETO. Este ejercicio debe practicarse una vez el perro ha aprendido bien la orden “sientate”. Hacer que el perro se siente y colocarse delante suyo con la palma de la mano extendida. En ese momento, pronunciar la palabra “quieto”. Premiar de inmediato al perro con una caricia y un trocito de comida.
         VEN. Llamar al perro por su nombre y añadir la orden “ven” en un tono de voz enérgico. Extender los brazos y caminar hacia atrás, alejándose poco a poco del perro. Si el perro acude, premiar su conducta con una caricia y un  trocito de comida.
         JUNTO. Para controlar la conducta del perro durante el paseo es muy importante el tipo de collar utilizado. Los collares recomendados son los tipos “halter”, tambien denominados dogales. Colocar el collar y empezar a caminar con el perro. Si se adelanta, retrasa o separa de la persona, aplicar una corrección dando un ligero tirón de correa. Si el perro obedece, premiar su conducta con una caricia y un trocito de comida.  
         Hebben jullie gezien dat alle vier “órdenes básicas” eindigen met “premiar al perro con una caricia y un trocito de comida”? Daar ben ik ook aan toe, vooral aan die uitgeserveerde “trocito de comida”, eventueel met een “caricia” als extraatje.

         Dus, mag ik het daarbij laten? Nog even los van mijn boekenbijlage, altijd leuk en ditmaal zelfs verhelderend (zie boek 3), is het al weer een aardig epistel geworden. Zo’n brief schrijven kost meer tijd dan jullie waarschijnlijk vermoeden, maar ik doe het (ook voor mezelf en) met plezier. Vergeet niet om dit weekend, voordat je gaat slapen,  je schoen te voorzien van een wortel en een handje stro, dan komt het maandagavond in orde en hoef je dinsdag niet voor straf met de boot naar Spanje. A.s. zaterdag komen Trudie en Marij hier de gelederen versterken, dus dat wordt nog wat. Mijn volgende brief komt – als alles meezit – op woensdag over een week, maar niet getreurd: jullie krijgen de onvervalste “compleminte” van mij en ook nog eens een welgemeend hasta luego, tot ziens. Namens de feestcommissie en voorzien van mijn elektronische handtekening, mi firma electrónica, PaulK.

BOEKENBIJLAGE

         Het schijnt een gewoonte te zijn in nogal wat landen, in ieder geval tot voor kort, om bij echtparen de dames aan te spreken als mevrouw voornaam en achternaam van de man. Jullie willen een voorbeeld? Tonnie Cozijnsen zou Mevrouw Piet van Kalken heten en Marion Deliège Mevrouw Ton Knipschild. Hoe komen “ze” erop!
         Mijn eerste boek is er een van Sue Grafton, “”G” Is For Gumshoe” uit 1990. Een gumshoe is volgens mijn woordenboek niet alleen een gymschoen, maar ook een detective. En uitgeverij BZZToH vertaalt “ “G” is for gumshoe” niet met “G staat voor gympie” of “G staat voor (detective)” - kan iemand van jullie een mooi Nederlands equivalent bedenken? BZZToH maakt ervan: “G van genadeloos”. Het verhaal speelt in Santa Teresa, bij Los Angeles.
         Hoofdpersoon Kinsey Millhone is inmiddels net 33 en krijgt te maken met drie gebeurtenissen, ik citeer van de eerste pagina: “1. De reconstructie van mijn appartement was voltooid zodat ik het weer kon betrekken. 2. Ik werd ingehuurd door een zekere Ms. Clyde Gersh om haar moeder terug te halen uit de Mojavewoestijn. 3. Ik kwam hoog op Tyrone Patty’s lijst van uit de weg te ruimen personen.”
         Het appartement ziet er pico bello uit en inderdaad, de moeder van Irene Gersh, Agnes, Old Mama met haar beginnende dementie, moet van elders versleept worden naar een verpleeghuis in Santa Teresa. Kinsey wil dat wel organiseren, maar zonder slag of stoot gaat dat niet. Daarbij komt Agnes of hoe ze heet aanzetten met maar half te begrijpen griezelige verhalen over vroeger. Gaande het verhaal blijkt ene Patrick Bronfen daarin een steeds prominentere rol te spelen. En eveneens inderdaad, Tyrone Patty heeft huurmoordenaars ingezet om het de mensen die hem de bak in hebben laten draaien, betaald te zetten; daar hoort Kinsey als privé detective bij. Vanwege het gevaar om vermoord te worden doet ze een beroep op collega Robert Dietz. Het is niet lang wachten en dan verschijnt de huurmoordenaar, Mark Darian Messinger, met zijn zoontje Eric. En loopt het verhaal naar zijn climax.
         Ik heb wel wat met Sue Grafton. Ieder jaar komt ze met een nieuwe Kinsey Millrose, die steeds weer een jaar ouder is. “”G” Is For Gumshoe” is haar zevende voor wie het alfabet kan opzeggen. Het is tevens de winnaar van de Anthony Award van 1991, een klinkende thrillerprijs in de V.S. Het boek is redelijk spannend, vind ik, er gebeurt tenminste het nodige en op zijn tijd kan er best een grapje af. Ik vond het liefdesleven van mini- huisarts Neil Hess, die op zoek is naar een echtgenote, wel aardig. En snoep ervan dat Kinsey absoluut niet kan koken en het liefste in de McDonalds of zo eet. Er zijn maar weinig losse eindjes in het verhaal, hoewel, helemaal tot in detail kloppen doet alles m.i. ook weer niet en op het einde worden mensen iets te gemakkelijk overhoop geschoten. Ik stuur Sue Grafton terug in haar hok met een 7½.

         Mijn tweede boek is er een van S J Rozan, voor haar vrienden en familie Shira Judith Rozan. S J is geboren in 1950, in de gouden appel, New York, waar ze nog steeds woont. Architect als ze van origine is, speelt haar verhaal “No Colder Place” in de bouwwereld van New York, voor wie het naadje van de kous wil weten: rond de bouw van een veertig etages hoge wolkenkrabber op de hoek van de 99ste Straat en Broadway. Het is uit 1997 en haar zoveelste Bill Smith/Lydia Chin verhaal.
         Privé detective Bill Smith werkt voor het bureau van Chuck DeMattis, Fucking Chuckie, als hij als metselaar wordt ingezet om van binnenuit de gang van zaken te volgen. Zijn plek is op de zesde etage in aanbouw, waar hij samen met Mike DiMaio een muur aan het metselen is. Al snel is van alles mis: Reg Philips belandt in het ziekenhuis, Lenny Pellegrini verdwijnt in de bouwgrond en voorman Joe Romeo, onder verdenking, valt uit een lift met fatale afloop. Later komt daar nog Chester Hamilton bij, die eerder een knokpartij van buitenstaanders met het personeel heeft georganiseerd. Er vallen alles bij elkaar voldoende doden voor Bill Smith en ook voor Lydia Chin, die als secretaresse wordt ingezet, om zich ermee te blijven bemoeien. Is een van de chefs, zoals John Lozano, het schuld, zit het probleem misschien ergens hogerop bij de subcontractbazen of moeten we bij de top zijn, bij vader en/of zoon Dan Crowell, de hoofdaannemers. En gaat de opdrachtgever, Denise Armstrong, wel vrij uit of doet zij misschien zaken met maffioso (in het Nederlands met twee effen) Louie Falco? Terug naar de werkvloer: wat is metselaar Mike DiMaio, pissig dat er voortdurend met inferieur materaal moet worden gewerkt. Wie steeds de goedkoopste spijkers en zo gebruikt bij de bouw van een wolkenkrabber, moet niet raar opkijken als het bouwwerk na een tijdje akelige gebreken gaat vertonen. Draait het dan toch weer om vooral geld?
         Voor mij is “No Colder Place” een heel spannend boek dat ik met plezier heb gelezen. Ik ben niet zo bekend met de bouwwereld, integendeel, maar ik voel me “verrijkt”, nu ik het verhaal van mevrouw S J Rozan uit heb. Ze schrijft mooi, erg mooi, en mag zich m.i. met dit boek terecht de winnaar noemen van een Anthony Award, die van 1998. Ik beloon haar “No Colder Place” met een 8+, vooruit een 8½, en neem mij voor om nog meer van haar te gaan lezen. Zo ontdek je een nieuwe schrijfster en zo ga je weer op zoek naar nieuwe boeken.

         Piet en Tonnie maakten mij attent op het boek “Flat Earth News” uit 2008, geschreven door krantenjournalist Nick Davies, een Engelse oude rot in het vak. Het is geen moordboek, zo veel is zeker. Volgens The Guardian is dit nonfictionboek wel “A mess” en The Times maakt het nog bonter met de krachtterm “Rubbish”, maar hangt men daar wellicht het standpunt aan dat “Dog doesn’t eat dog”, over je journalistieke collega’s schrijf je niet, zeker niet in negatieve zin?
         Laat ik beginnen met de eindconclusie van Nick Davies: “I fear that the illness is terminal”. Zwartgallig als hij is, geeft hij eigenlijk geen cent meer voor de journalistiek in Engeland en waarschijnlijk ook daarbuiten, zoals in landen als de Verenigde Staten, Canada en Australië. (Nogal Engelstalig georiënteerd is hij wel.) Hoe komt dat zo? Vroeger waren er een heleboel journalisten die als doel hadden: interessante waarheden opsporen en die aan hun klanten doorgeven in begrijpelijke taal. Davies zelf was zeer gecharmeerd van het werk van mensen als Bob Woodward (van de Watergate affaire), zo zeer zelfs dat hij niet wist hoe snel hij zelf ook in de journalistiek terecht moest komen, eerst als hulpje en later steeds meer als waarheidbrenger.
         In de afgelopen 30, 40 jaar is het idee dat de pers er is om te vertellen hoe belangrijke onderwerpen in elkaar steken, steeds meer verwaterd. Er zijn vandaag de dag veel minder journalisten die wel veel meer stukjes de “man” moeten schrijven en graag met voorrang. Jonge collega’s met nog bijna geen ervaring worden steeds vaker zonder training voor de leeuwen gegooid. En dat geldt niet alleen voor de landelijke bladen, maar ook voor de regiopers, de radio en de televisie. Wat eens een uitgebreid netwerk was met allerlei soorten van nieuwsgaarders, met daartussen ook nog allerlei specialisten, is verworden, aldus Nick Davies, tot een beperkt aantal bedrijven, corporaties, die de markt grotendeels in handen hebben.
         Daarbij wordt in zeer toenemende mate gebruik gemaakt van nieuws, waar men niet zelf achteraan gaat. Het wordt min of meer hapklaar aan de pers aangeboden door de Press Association, PA, vgl. ons Algemeen Nederlands Persbureau ANP. Wat de PA niet netjes en compact aanbiedt, blijft veelal ongerapporteerd. En de journalist die de berichten van de PA overneemt, gaat er steeds minder op uit, controleert ook steeds minder of “het” wel klopt. Hij of zij is vervangen door de bureauzitter die de hele dag kijkt wat hij van het PA-net kan halen. Misschien verandert men nog een paar woorden, om het authentiek te laten lijken, soms voegt men zelfs een citaatje aan het onderwerp toe, na iemand gebeld te hebben, maar het journalistenbestaan is volgens Davies tegenwoordig een bureaubaan, met veel stukjes schrijven, geplukt van de telex.
         Om het nog erger te maken zijn er tegenwoordig grote Public Relations en Propaganda afdelingen bij de overheid, nationaal en regionaal, de oppositie, de pressiegroepen, de industrie, de winkelketens, het midden- en kleinbedrijf, noem maar op. Die zijn er niet primair om het nieuws van hun werkgevers klip en klaar voor het voetlicht te brengen, maar om het zo voordelig mogelijk te presenteren, als dat nodig is met weglating van kwalijke feiten en verdraaiingen. Het heeft een officieel tintje, zeker als je zo’n netjes uitgegeven persbericht van bijv. de landelijke overheid onder ogen krijgt, soms zelfs met een aangeklede persconferentie erbij. Ben je dan als journalist niet vanzelf geneigd om het “nieuws” maar ongeschonden af te drukken? En natuurlijk, er zijn ook nog wel onafhankelijke journalisten, maar hun aantal wordt steeds kleiner.
         Op wereldniveau is het misschien nog akeliger dan op landelijk en regionaal niveau: een beperkt aantal journalisten van Associated Press (AP) en Reuters bepaalt grotendeels wat wij mondiaal op ons bordje krijgen. Andere persbureaus zijn verdwenen en/of geminiseerd op een enkele uitzondering na. En geloof het of niet, maar die twee grote agentschappen hebben ook minder personeel dan vroeger, in sommige landen zelfs niemand. Een enkeling of een paar journalisten in een ver land beslissen dan wat er aan internationaal nieuws op het journaal komt en wat er op de voorpagina van de krant staat.
         Wat voor nieuws krijgen we dan bij voorkeur? In de woorden van Nick Davies: vooral goedkope verhaaltjes, geselecteerd, met een hang naar “altijd beide kanten van het verhaal vertellen”, als een onderwerp controversieel is. Er moet door de pers boven alles geld verdiend worden voor de uitgever, dus zijn er veel lezers nodig, die krijgen wat ze graag willen en wat ze graag willen lezen. In extremis maakt de pers daarbij ook nog gebruik van buitenstaanders: privé detectives, corrupte politie-agenten e.d. die tegen een soms vorstelijke beloning bereid zijn om bekende mensen af te luisteren, hun computers te kraken, hun vuilniszakken te legen enz. En dan praat Nick Davies niet alleen over het aldus bedienen van de schandaalpers, die daar gretig gebruik van maakt, maar ook van de bekende kranten.
         Hij eindigt zijn boek met allerlei akelige verhalen in drie kranten: The Sunday Times, The Observer en The Daily Mail, om zijn punt te maken. Het hele boek staat trouwens bol van de voorbeelden over van alles en nog wat: de zogenaamde millenniumbug, het drugs- en alcoholprobleem, het Engelse koningshuis, de legio oorlogen zoals recent in Irak en nog steeds in Afghanistan, het gedoe rond Osama bin Laden en Al Qaida, de PR van diverse Engelse regeringen, noem maar op,
         Wij in Nederland hebben geen Rupert Murdoch, maar toch. Als de helft waar is van wat Nick Davies over de pers in Engeland beweert en Nederland een mediaprobleem heeft dat de helft van dat van Engeland is, dan moeten jullie dit boek allemaal met voorrang gaan lezen, want dan klopt er maar bitter weinig van wat in de krant gedrukt staat en in de tv nieuwsrubrieken aan de orde is. Ik denk oprecht dat Nick Davies al een beetje gelijk heeft, zelfs als zijn klaagzang maar gedeeltelijk klopt. Laten we er dan vooral voor zorgen dat hij in de nabije toekomst niet helemaal gelijk krijgt. En wie weet het, misschien geven de nieuwe media, vooral het internet, met zijn vrije toegang via blogs en websites, enige soelaas. Zeg ik zonder aan een recensiecijfer te denken.


          

dinsdag 22 november 2011

weblogbrief 7.06, 22 november 2011


Weblogbrief 7.06, 22 november 2011

         “Oye, mira.”, hoor, kijk. Nog meer dan in het Nederlands spreek je in het Spaans een groep mensen aan in het enkelvoud, liever dan in het meervoud. “Oíd, mirad”, ik krijg het nauwelijks mijn strot uit. Queridos tios, hier is mijn zesde blog van deze winter. Is het nog geen winter, maar nog steeds najaar? Dan wacht maar af, “espera”, “we” in Nederland gaan zonder pardon een aantal strenge maanden tegemoet, met wind, regen, ijzel en sneeuw. Als was de aardbol de afgelopen decennia niet opgewarmd, maar afgekoeld.

         In Nederland zijn de weken voor Sinterklaas begonnen. Ik begrijp dat Lux, mijn Lux, in Amsterdam present was bij de vrolijke intocht. Heeft ze al haar schoen mogen zetten, met een wortel en wat stro voor het paard? Ik ga het bij Eva en Jan Willem per e-mail controleren.
         Hier is bij gebrek aan een Goedheiligman en zijn Zwarte Pieten de aanloop naar de kerst begonnen, nu al, meer dan een maand voor 25 december. Aan de boulevard is het zand al gestort voor een nieuwe “Belén de arena”. De aftelkalenders zijn op diverse plaatsen nog te koop, binnenkort tegen een lagere prijs. Er staan links en rechts al kerstbomen, opgetuigd en wel. (Als die niet van plastic zijn, vrees ik dat ze zijn compleet “uitgeruizeld” voordat het 25 december is.) El Corte Inglés, om eens een van de grotere winkels te noemen, is de afgelopen week opgesierd met allerlei kerstspul, niet mijn idee, waarbij mij vooral de grote rode ballen met strik een doorn in het oog zijn. Enne... aan het balkon van mijn foute overburen, dat koppel met tienerdochter, dat ’s avonds laat graag en luid ruzie maakt, hangen de drie kerstmannetjes alweer aan een wit touwtje te bungelen.

         Gelukkig, De Spar, de buurtwinkel, “Siempre cerca de tí”, is nog niet aan begonnen met zijn kerstversiering. Wel probeert men tegenwoordig goede sier te maken met de leegzin (tegenovergestelde van volzin): “simplemente ahorrarás”, bij ons ga je eenvoudigweg geld uitsparen. Het 25-jarig jubileum van De Spar heeft bovendien nog een andere aardige slagzin opgeleverd: “25 años alimentando ilusiones”, die zin laat ik graag onvertaald.

         Ik weet niet of ik dat al eerder heb verteld, maar jullie moeten niet denken dat ik deze brief op de dinsdagmiddag op de universiteit zit te schrijven. Daar is hij eerstens te lang en te doorwrocht voor en tweedens heb ik dan nog wel wat anders te doen: Noé, Jorge en de anderen lastig vallen met mijn geneuzel, het cafetaria beneden frequenteren, mijn e-mailtjes lezen en schrijven, zo nodig de nieuwste foto van Lux printen, de laatste stukjes op Harry’s website lezen, een of ander artikel uit PubMed dat mij bezighoudt, downloaden, favoriete muzikanten of schrijvers opzoeken op Wikipedia, het internet afstruinen op andere memorabilia, noem maar op. Eerlijk is eerlijk, als ik naar de afdeling  van Lluis ga - hij zit overigens in zijn uppie vele etages lager dan de rest - heb ik steeds een memory stick (hoe heet zo’n ding in het Nederlands?) bij me, waar mijn brief over de afgelopen week al opstaat. Een enkele keer verander ik op het laatste moment nog wat, zoals deze week om jullie de verkiezingsuitslag door te brieven, maar dan wordt hij aan jullie verstuurd.
         Tegenwoordig, nu ik vooral met Noé verkeer, ga ik wel eerder weer naar huis dan vorige jaren. Noé is een man van vroeg beginnen en vindt dat hij op tijd naar huis mag, om half 6 ongeveer. Daarbij, deze maand is hij iedere dinsdagmiddag bij een dokter, een orthopeed, te vinden om wat hyaluronzuur in zijn enigszins kapotte knie te laten spuiten. Basketbal... Zijn afspraak is steevast om een uur of 6; dokters werken hier ’s avonds tot een uur of 8; misschien moesten ze dat in Nederland ook eens gaan doen. (Café’s gaan in Maastricht toch ook niet om 6 uur dicht, omdat de ober dan naar huis wil voor zijn avondeten.)

         Terug naar afgelopen dinsdag. Noé was met de motor, met een extra helm en moest op tijd bij de orthopeed in het Dr. Negrin ziekenhuis zijn voor zijn derde injectie (van de vijf). Maar eerst wou hij mij best even in Triana afzetten, waar ik graag eens rond wilde struinen. En dus begon mijn dinsdagavond met een nogal waaghalzerig ritje in Zuid-Las Palmas, waar ik overigens best schik in had. Om even over half 6 stond ik aan parque de San Telmo, iets te vroeg zelfs voor mijn wandeling door het oude Las Palmas. Dus mocht ik eerst nog op een bank daar zitten om in mijn boek (“Booked for murder”, zie beneden) te lezen.
         De calle mayor de Triana is aan het begin bij het parkje verrijkt met alweer een mooi kunstwerk van meer dan vijf meter hoog. Het is iets bijna ronds van staal met beneden een opgerold lint - niet gemakkelijk uit te leggen aan buitenstaanders, maar de moeite waard. Vooraan in de straat zijn twee winkels, waar ik altijd met enige bewondering naar kijk. Allereerst vraag ik jullie aandacht voor Herrera Cerpa, van origine een “centro auditivo”, voor gehoorapparaten, maar men doet vandaag de dag ook in brillen en lenzen. In de etalage trof ik een aardige reclame aan, die ik jullie niet wil onthouden: “Que el vaho no te arruine el dia” , dat de stoom je dag niet ruïneert. Het zal wel slaan op de brillen die ze verkopen, zonder welke je maar wazig kunt zien. Maar daaronder lees ik nog een tweede zin, die ik maar half snap: “Acabo de entregar media vaca en un joyería.” Er staat letterlijk, denk ik: Ik heb net een halve koe naar de juwelierswinkel gebracht. Als het zo erg gesteld is met je gezichtsvermogen, dan komt een brilletje inderdaad van pas.
         Direct voorbij Herrera Cerpa is nog zo’n zaak, die niet aflaat mijn belangstelling te trekken: Oriente. Blijkens twee grote marmeren aankondigingen in de gevel verkoopt men daar “sombreros”; de rechter etalage geeft daar tevens blijk van door allerlei hoofddeksels uit te stallen. Beste “manslui”, voor al jullie hoofddeksels, van Borsalino via Panama tot Belgische keeperspet en Baskische pielemöts, hier is het te doen. Steeds als ik langs Oriente loop en ook nog eens naar binnen kijk, kom ik op het idee om mij eens een nette hoed aan te schaffen, maar “tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren” (Willem Elsschot). En uiteraard, ook deze nering is enigszins verwaterd; je kunt er heden ten dage bijv. ook terecht voor de betere waaiers, “abanicos”. En maar zwaaien, is er nog iemand voor wie ik eens zo’n waaier moet meebrengen naar Nederland?
         Zal ik er nog eentje doen in de straat, bijv. de muziekwinkel vlakbij Iers café McCarthy, waar tientallen ukeleles aan het plafond hangen? Nee, liever doe ik er nog eentje verderop. Als trouwe lezers van mijn brieven zijn jullie inmiddels bekend met de plaza de las Ranas, het langwerpige Amorsplein met twee water spuwende kikkers. Als je voorbij dat pleintje niet naar links richting kathedraal gaat, maar naar rechts, kom je in de calle Muro. Die is maar kort en komt al snel uit op een groot plein. In een eetzaak aan de linkerkant heb ik wel eens bij familie van Jorge moeten lunchen, wat toen geen succes was. Ik neem jullie echter graag mee naar de rechterkant, de plaza Cairaso, met midden op het plein een borstbeeld van de man en het jaartal 1876. Daarachter ligt een groot, wit gebouw, met op de gevel de woorden “illustrisimo gabinete literario”. Het is te vinden in iedere gids van Las Palmas, dus kijk daar maar voor de detaillering. Waar het mij om te doen is, is niet dat gebouw, maar de royale nering rechts van het borstbeeld: Hotel Madrid. Beneden is een ouderwets café, de ruimte lijkt op de Vogelstruis aan het Vrijthof, met een vracht aan foto’s aan de muren, alleen is dit eetcafé duidelijk een maatje groter. Daarbij, het terras buiten bevalt me minstens zo erg; daar is het goed toeven. Voor de goede verstaander, ik heb er sinds deze week een favoriete uitspanning bij, genaamd Hotel Madrid.

         Gaan we naar mijn muziek van deze week - een beetje aan de late kant, maar daarom niet getreurd. Ik kom deze keer aanzetten met een viertal Amerikaanse groepen, een blanke uit de jaren 60 en drie zwarte uit de jaren 50.     Beginnen we met de blanke: Tommy James & The Shondells. Van hen heb ik sinds pas de  Anthology cd,  uit 1990, maar de nummers zijn wel zeker van vele decennia eerder. Wie kent nog hun grote hit uit 1965, dat moet toch geen te moeilijke vraag zijn? “Hanky Panky”, in één keer goed! Op het album staan 27 nummers en ik kon me verder vooral vinden in “Crimson and clover”, niet verkeerd, en nog meer in “Mony Mony”. Ik had dat “Mony, Mony” om een onduidelijke reden weggestopt in een duister hoekje van mijn hersenen, maar nu ik het weer hoor, kan ik het zo weer meeblèren. Wie weet wat er nog meer verborgen zit in onbekende stukjes van mijn brein!
         Gaan we naar het zwarte geweld. Nummertje twee van deze week is een zwarte meidengroep, de Chantels, met een meer dan sopraanstem voorop: Arlene Smith. Hun cd, The Chantels genaamd, is uit 1958 en helaas, op de hoes staat een jukebox en geen foto van de groep; daarvoor moest ik naar Gooogle images. Van andere doo wop verzamelcd’s die ik al heb, met liedjes van legio groepen, begrijp ik dat “Maybe” het belangrijkste nummer van de Chantels is, uit 1957. Op dit eigen album staan “Maybe” natuurlijk ook, inderdaad mooi, maar de overige elf liedjes hebben onder ons gezegd ook wel “wat”. Ik laat daarom mijn voorkeur eens achterwege. Wel geef ik hier toe dat het ene nummer nog hoger klinkt dan het andere.
         Gaan we naar dee vijf zwarte mannen van de Cadillacs Ook hier is leadzanger, Earl Carroll, niet te beroerd om met zijn stem een eindje de lucht in te gaan. Daarbij zijn de Cadillacs versterkt met een saxofonist die bij tijden de sterren van de hemel speelt, ene Jesse “Tex” Powell volgens het internet. (Het lijkt af en toe wel King Curtis, die zichzelf mede verantwoordelijk mag noemen voor een aantal hits van de Coasters, zoals Yakety Yak.) Van de Cadillacs heb ik de cd  The Best Of The Cadillacs uit 1990 te pakken kunnen krijgen, uiteraard met dank aan Jorge. De 18 nummers op het album zijn een heel stuk ouder, volgens Allmusic uit de jaren 1954-1962. Natuurlijk staat “Speedoo” erop, uit 1955, plus het instrumentale, op saxofoon “Speedoo is back”, maar er is op de plaat meer genietbare doo wop. Luister eens, al was het maar om mij een plezier te doen, naar “Gloria”, “Zoom”, “Woe is me” en “Peek-A-Boo”, het Engelse woord voor kiekeboe. Het betere werk!
         Ik had jullie drie zwarte jaren 50 groepen beloofd, dus kom ik ook nog met de Clovers aanzetten. Dat was een van de populairste doo wopgroepen, wel nogal eens in een andere samenstelling, maar met Buddy Bailey vaak in een prominente rol. Ik kan jullie hier verblijden met drie cd’s van de groep: “The Clovers”, “Dance Party” en de bootleg “Atlantic Recordings Round-Up”, van het label van Ahmet Ertegan. Ik heb het over zo’n 50 verschillende nummers, meer dan twee uur muziek en dan tel ik de dubbelen van mijn doo wop verzamelcd’s niet mee. Uiteraard wijs ik jullie op “Devil or angel” en niet te vergeten ook “Down in the valley”, “Fool, fool, fool” en “One mint jump”, maar er is meer. En ook de Clovers hebben een saxofonist ingehuurd voor het af en toe stelen van de show; zijn (?) naam kan ik zo vlug op het internet niet vinden. Hoort dat misschien een beetje bij doo wop, zo’n sax als extraatje?  Hier is een aantal nummers met een mooi saxofoonstukje erin, alfabetisch: “Good Lovin’”, “Hey Miss Fanny”, “I’m a lonely fool”, “If you love me”, “In the morning time”, “Love bug”, “Love potion No. 9” en - de laatste zullen de eerste zijn - “There’s no tomorrow (there’s just tonight)”.   

         En dan is het nu tijd voor mijn altijd levendige rubriek KLEIN LEED. Afgelopen woensdagavond gebeurde het onvermijdelijke. Het was net half 11 geweest en ik zat met een leesboek (“Een keel van glas”) en twee drankjes op het balkon. Net had ik mijn glas mandarijnsap, naast een whiskytje, geleegd, toen het van de kruk naast mijn leunstoel op de grond viel. De afstand is niet groot, maar bij mij komt het glas dan wel op ouderwetse tegels terecht. Het brak, in meer dan 100 stukjes. Hoe komt dat toch dat sommige glazen in maar een paar stukken uiteen vallen en andere compleet versplinteren? Op dat onderwerp zou toch eens iemand op moeten promoveren.
         Laat of niet, ik heb vervolgens een minuut of tien staan poetsen en vegen om alle stukjes van mijn balkon en een stukje slaapkamer verwijderd te krijgen. En nou komt het: dacht ik. Op dondermorgen vond ik nog een heel regiment ministukjes, die ik op woensdagavond kennelijk over het hoofd gezien had en vergeten was op te ruimen. Als “je” van doen hebt met een verkeerd glas, kun “je” je lol op. Zelfs gebeurde het mij donderdagmorgen dat een splinter in mijn linker wijsvinger bleef zitten en ik vanwege het bloeden even later met een pleister rondliep.

         Wat mij vanzelf op een aanpalend onderwerp brengt: ik bloed relatief gemakkelijk, omdat ik al sinds 1995 medicatie gebruik om mijn bloed te verdunnen. Eerst was dat Sintrom, maar ik werd het snel beu om daarvoor tweewekelijks of zo naar de trombosedienst te moeten gaan. De optimale dosis Sintrom varieert nogal en dus dien je op geleide van je INR - wat dat is, ga ik hier niet uitleggen - de dosis steeds aan te passen. Dus stapte ik over op 100mg aspirine “brisper” per dag, waarmee geen dosisprobleem is en dat ook nog diverse andere voordelen heeft. Ik heb het vele jaren zonder probleem geslikt naast mijn andere medicatie. (Misschien zou iedereen preventief dagelijks een kinderaspirientje moeten nemen, maar daarover graag een andere keer. Ik zal het er eens met Mariëlle over hebben.)
         Echter, in ieder geval sinds deze zomer boezemfibrilleer ik - een teken van ouderdom? – gelukkig in een niet al te hoge frequentie. Ik de literatuur over ontstollen opnieuw lezen, ook de meest recente, en nu ben ik overgestapt op Pradaxa 2x110 mg per dag. Het is een nieuw middel, dat nog niet door mijn verzekeraar vergoed wordt. Dat ben ik dus zelf aan het betalen, zo’n 1000 euro op jaarbasis.    

         We hebben net verkiezingen achter de rug hier, voor het gouvernement en de Tweede Kamer. Eerder al vertelde ik jullie over Nueva Canarias, ik neem aan meer een regionale partij, die het probeert te maken met “Gran Canaria, con +fuerza que nunca”. De afgelopen week werd er ook door andere politieke partijen overdreven veel reclame uitgedeeld en aan lantaarnpalen opgehangen. Opvallend: als hier iemand een folder in zijn handen gedrukt krijgt, van een politieke partij of anderszins, gooit hij of zij hem niet achteloos op de grond. De straten hier zijn vreemd genoeg niet bezaaid met reclamemateriaal. Is dat iets typisch Spaans of zijn wij in Nederland sloddervossen?
         Wat kwam er zo al voorbij de afgelopen week? Canarias verde y roja, la izquierda plural, waarschijnlijk eveneens iets regionaals, kwam aanzetten met de slagzin: “Democracia o mercados. Tú eliges”. Hun slogan lijkt - of ze het nou leuk vinden of niet - op die van de UPD, de Unión Progreso y Democracia. Die verblijdt me met “Cada voto vale. Toma la palabra. Tú decides.” Hebben beide partijen hetzelfde reclamebureau in de arm genomen? Zelf heb ik wel wat op met de Partida Humanista, die van de gebroken geweertjes. Die kwam aanzetten met: “Si quieres un mundo nuevo, desarma el sistema”.
         Echter, zeker landelijk gaat het natuurlijk vooral om de clash tussen de PSOE en de Partida Popular; wie grijpt deze keer de macht? De PSOE, de socialisten, maakten zich bekend met “Vota PSOE. Pelea por lo que quieres”, stem op de PSOE, vecht voor wat je graag wilt. Daar heeft de concurrent, de  Partida Popular (PP) van de conservatieven en katholieken, niet van terug, zou je zeggen. Maar toch, hun reclameadviseur zet daar onverdroten tegenover: “Vota PP. Súmate al cambio”, stem op de PP, sluit je aan bij de verandering. Ik tref de boodschap in kapitale letters zelfs aan bovenop mijn favoriete hoge flatgebouw met een bochtje in het bovenste stuk.
         Vooraf voorspelde Noé me dat de PP zonder pardon aan het langste eind zou trekken, volgens hem ongelukkigerwijs. En wat is het geworden? Hier is de uitslag/ Allerreerst de opkomst, die is met 72% ongeveer conform de verwachting. En de PP van Mariano Rajoy heeft de verkiezing met groot verschil t.o.v. de PSOE gewonnen: 53% versus 31%. De diverse andere partijen samen waren goed voor de overige 15%. DE PP heeft een absolute meerderheid, ongelooflijk. Binnenkort houdt de PSOE een congres, waar men de foute uitslag zal proberen te verklaren. Zapatero is dood, leve Mariano Rajoy, 56 jaar en met een dun baardje.

         Terwijl de verschillende politieke partijen zich afvroegen of ze wel voldoende zouden “scoren”, afgelopen zondag, zat ik in de bus naar Playa del Inglés om Ton en Marion weer eens met een bezoek te vereren. Ook de streekbus hier is bezig om een vooruit-betalen-graag kaartsysteem in te voeren, zoals dat in Nederland al het geval is. “Recuerde validar tu salida”, want anders betaal je een tientje extra, zal ik maar zeggen. Gelukkig had ik nog een tienrittenkaart van afgelopen winter, dus ik kon de dans volledig ontspringen. En daarbij kon je ook nog gewoon bij de chauffeur een kaartke kopen.
         Een mooie zin voor onderweg - ze staat in Las Palmas op een aantal plaatsen boven de snelweg - vind ik “Velocidad controlada por radar”, met radar controlereen we of je niet te hard rijdt. Het is “por”, want het heeft iets van oorzaak, Marcel. Een andere winnaar onderweg was voor mij “!Vamos pa’l sur!”, op naar het zuiden, met “para”, want daar gaan we immers heen, Trudie, en niet langs.
         Zoals altijd kan ik het met T&M wel vinden. Ze zitten voor zeven weken in een bungalowtje in Playa, in Dragon 2 bij Yumbo. Het is overduidelijk van meer gemakken voorzien dan mijn flat in LPGC, met geregelde externe poetsbeurten, een draadloze internetverbinding en maar liefst 250 verschillende zenders op de plasma tv, waaronder alle Nederlandse. (Eigenlijk is het gekkenwerk hoe wij in Maastricht ons massaal een tv-abonnement van Home of zo laten aansmeren. Van de zomer ga ik Eddy van Elly eens vragen naar een schotelantenne. Hij is erop overgestapt na een akelige ruzie met Home.)
         Met T&M heb ik zondag weer eens op zijn ouderwets Hollands geluncht om vervolgens met hun plaats te nemen op een terras aan de boulevard van Playa. Wat kwamen daar veel Afrikaanse horloge- en zonnebrillenverkopers voorbij, ik telde er zo’n twintig in een uur tijd. En maar zwoegen, maar iets verkopen, ho maar. Het wordt tijd dat Marja zich daar eens meldt. Terug op het nest trakteerden T&M me op een overheerlijke Caesar salade of wat zij daarvan gemaakt hadden, met een ijsje na, heel lekker. En vervolgens mochten we om klokslag 6 uur locale tijd kijken naar de zondagse Studio Sport, met de samenvattingen van het eredivisievoetbal, onder het genot van een beker Douwe Egberts koffie. Ton bracht me terug naar de bus; om kwart over 7 ging ik weer richting Las Palmas, eerst met de Globalbus naar San Telmo met aansluitend de stadsbus naar Santa Catalina.  

         Het is alweer zo’n 30 jaar geleden dat ik een heuse epidemie van diarree mocht onderzoeken, veroorzaakt door verkeerd eten (klaarmaken). Het artikel dat ik erover schreef, had als kop: De Europot, een mooi idee van Bart Sikkens, met wie ik toen in een “capaciteitsgroep” zat. Het speelt allemaal in Maastricht en ik herinner me met terugwerkende kracht dat ik toen zelf een aantal bobo’s heb ondervraagd. Daar zat ook Sjeng Kremers bij, de toenmalige commissaris van de koningin in Limburg, die maar niet wilde toegeven dat hij aanhoudend op de pot zat. Zijn vrouw was veel opener naar mij toe, ook over hem. Van zijn chauffeur had Kremers te horen gekregen dat je bij de Eurotopmaaltijd wel van het uitgestalde buffet mocht eten, als je maar geen huzarensalade nam; die zat vol foute bacteriën, waar je ziek van werd. Het buffet weghalen kwam vervolgens niet in de man op. Hij at met smaak wel een paar gevulde tomaten, niet wetend dat daar dezelfde huzarensalade inzat. En ziek dat hij werd...
         Dat brengt mij bij mijn Spaanse lesje. Ik kocht een doosje Philadelphia Original, een beter merk smeerkaas, en daar zat een aardig recept bij voor het maken van gevulde tomaten. Daar gaan we.
         Ingredientes: 4 tomatos de rama, 20 aceitunas negras, 120g de pimiento rojo, 200g de atún al natural, 100g de Philadelphia Original, aceite, sal, pistacho verde.
         Preparación: 1. Escalda los tomatos en agua hirviendo para poder pelarlos. 2. Pica las aceitunas negras, el pimiento rojo y mézclalo en un bol con el atún bien escurido y con Philadelphia. Ponlo a punto de sal y rellena los tomatos. 3. Acompáñalos con aceite y pistacho verde espolvoreado por encima.
         Marij, jij bent nogal van de Philadelphia. Kun jij die in december hier een keer maken, die gevulde tomaten? Trudie zou je kunnen helpen bij het vertalen van het recept en zorgen voor wat zuurvlees met gebakken aardappelen erna. Dan doe ik er wel een fles Sangre de Toro bij. Ik heb trouwens nog een tweede fles rode wijn in huis, die er eveneens aan mag geloven. Die heb ik van Noé, nadat hij met vrienden in San Mateo op een “wienpreuverij” fors had ingekocht. 

         En daarmee kom ik aan het einde, “el fin”, van deze zonnige brief. En om jullie gerust te stellen, zaterdagavond stonden we even voor 7 uur aan de boulevard met zo’n 50 mensen te genieten van “Los Gumbo”, een popgroepje dat furore maakte bij La Guardia en toen begon het toch opeens te gieten... Ongelooflijk, een echte tropische bui! Ik wist niet hoe snel ik moest schuilen en wat was ik blij dat ik een uurtje later thuis op mijn balkon zat. Gelukkig was het toen weer net droog en liep toutes (meervoud?) Las Palmas beneden mij al weer te kletsen en te flaneren. Zelfs hier is het soms uitkijken.
         Laat ik jullie het allerbeste wensen in deze donkere dagen voor Sinterklaas. En laat ik het niet vergeten: tot ziens, hasta luego, en dat jullie er nog veel mogen lusten, PaulK.
          
BOEKENBIJLAGE

         Mijn eerste boek van de afgelopen week heb ik in het begin van deze brief al genoemd. Van Val (V.L.) McDermid heb ik nagenoeg alle boeken; ze zit in mijn top 25 thrillerschrijvers. Afgelopen zomer vond ik een nog niet gelezen Lindsay Gordon boek van haar in een tweedehands boekwinkel bovenaan de Amsterdamse Kalverstraat. Het is de vijfde van in totaal zes Lindsay Gordons, uit 1996.
         In de hele serie komen haast alleen maar lesbische dames voor, in dit boek op het overdrevene af. Lindsay, inmiddels 37, woont al zes jaar in de buurt van San Francisco. Uit het niets vliegt ze naar Londen, als blijkt dat haar vriendin Penny Varnavides vermoord is en Penny’s ex-vriendin Meredith Miller van de moord beschuldigd wordt. Voor de nadere informatie, Penny is een gevierde auteur van de Darkliners meisjesboeken en heeft nu een boek voor volwassenen bijna af. Dat gaat binnenkort gepubliceerd worden bij Murdoch, de uitgeverij van miljonair Danny King..
         In Londen logeert private eye Lindsay bij haar vriendinnen Helen en Kirsten en krijgt ze terzijde te maken met een uiterst onverkwikkelijke affaire in Helen’s filmbedrijfje. Die zaak lost ze snel en afdoende op. De moord op Penny geeft haar veel meer kopzorgen. Ze beschuldigt eerst Penny’s agente, Catriona Polson, maar is dat wel terecht? Dan komen er steeds meer aanwijzingen dat Penny’s editor, Baz Burton, het gedaan heeft, maar heeft die niet een onweerlegbaar alibi? Zou Meredith dan toch de moord op haar geweten hebben? Op het eind bemoeit ook Sophie Hartley, de vriendin van Lindsay, zich er nog mee en racen “we” naar een onverwachte ontknoping. Voor de bijrollen van het verhaal nomineer ik Derek Knight, de bovenbuurman die alles ziet, naast Lauren die de balie van de uitgeverij bemenst, met pondtekens (£) in haar ogen.
         Bij vroege boeken van Val McDermid horen citaten van prachtige one-liners. P. 16: “You have many fine qualities, Lindsay, but discretion isn’t even in your top forty.” P. 131: “Forget the sorry mess of tired vegetation that passes for salad in this country. When I rule the world, the person who developed iceberg lettuce will be first up against the wall.” P. 166 (in een Italiaans restaurant): “Even the arrival of a lasagne that looked rich enough to have its own Swiss bank account couldn’t relieve her gloom.” P. 204: “And in this business , where reputation goes, authors follow, sure as seagulls follow the sardine boat.” P. 275: “No permanent damage, I trust? Geri Cusack asked, her creamy voice as rich as a pint of Guinness on a winter night. I suspect I’ll have to forget the modelling career,” Lindsay said drily.”
         Wat is dat toch met die Val McDermid? Ze scoort steeds weer. Ook dit Lindsay Gordon mystery book heeft de juiste spanningsboog, waarbij de ergste streken worden afgewisseld met de gekste grappen. “Booked for murder” krijgt zijn welverdiende plekje tussen de andere kleine meesterwerkjes van haar. Ik beloon het graag met een 8+.

         Aan mijn tweede boek gaat een verhaaltje vooraf. Ans Bouman vertelde mij eens dat ze een appartement in Parijs heeft met nog wel een bejaarde vrouw erin. Die krijgt iedere maand geld van haar, een behoorlijk bedrag, maar als ze komt te overlijden, is de woning van Ans. En dan maar hopen dat ze geen 100 wordt, denk ik.  Ik heb het destijds maar een raar verhaal gevonden, maar Ans wist dat het tegenwoordig wel vaker gebeurt. Het zou een nieuwe vorm van een woning kopen zijn.
         Mijn tweede leesboek van deze week is er een van Peter de Zwaan, getiteld “Een keel van glas”. Het is uit 1997, daarbij op en top Nederlands, maar in welke stad het precies speelt, blijft onduidelijk.
         De ikpersoon is vrijgezel Marc Johansz, een sjacheraar, die voor zijn gerief graag een beroep doet op de service van Mamma Ruth Escort. In het begin van het boek wordt hij geopereerd aan strottenhoofdkanker, waarvoor hij vervolgens nog 35 keer bestraald wordt, per hoofdstuk van het boek een keer. In het dagelijkse leven verdient Marc zijn geld met afpersing. Hij werkt ook als koerier voor ene Hammers, brengt voor die persoon koffers met geld naar het buitenland (bestemd voor een Afrikaans land, waar men liever cash geld heeft dan cheques). Gaande het verhaal gaat hij tevens voor de vrouw van Hammers, Nanny Lobb, alleenstaande hoogbejaarden in een eigen woning controleren. De uitgekozen personen zitten allemaal vlak tegen hun dood aan en zo hoort het ook (zie boven). Ze krijgen van Nanny Lobb een deal: maandelijks een som geld, maar bij doodgaan vervalt de woning aan Nanny. Zo nodig worden ze bij dat doodgaan nog een handje geholpen door Circolo de Kolos en andere hulpjes van de firma van Nanny, maar dat staat niet in het contract. Voor de bijrollen van dit verhaal komen Pina en Mona van het escortbureau in aanmerking en zeker ook zoon Roxx van Hammers en Nany Lobb. Roxx heeft een vriendje, Roy, die weet hoe je een schuur marihuanaplanten het beste kunt verzorgen. Het eindigt ermee dat... dat ga ik jullie niet vertellen.
         Laat ik over dit boek eens kort en duidelijk zijn: ik vind “Een keel van glas” een mooi en spannend verhaal, misschien wel een van de aardigste Nederlandse thrillers die ik in alle jaren hier heb gelezen. Het is bovendien heel leuk opgeschreven door Peter de Zwaan, met een vacht aan komische zinnetjes. En voor mij zijn zowel de koeriersdienst van geldtransporten als de makelaardijzwendel van hoogbejaarden nog net acceptabel. Dus geef ik Peter de Zwaan voor “Een keel van glas” zo maar een 8+. Alweer een 8+, zullen jullie zeggen, maar voor een Nederlands boek is het een heel hoog punt. Het komt in de kast van de klassiekers, ik kan het ook niet helpen.

         Tussendoor, kennen jullie Sommersby nog, de film uit 1993 met Jodie Foster en Richard Gere. Die gaat over een doodgewaande man die na de Amerikaanse burgeroorlog huiswaarts keert. Of is het een bedrieger?

         Op de valreep heb ik nog een boek helemaal uitgelezen. Josephine Tey, eigenlijk Elisabeth Mackintosh, is beroemd geworden, in ieder geval bij mij,  met het boek “The daughter of time”. Lees dat boek, fantastisch! Maar ze schreef meer moois, onder het pseudoniem Gordon Daviot en dat van Josephine Tey. In 1949 zag “Brat Farrar” het licht, dat speelt op her platteland van Zuid-Engeland.
         Hier is een stukje inhoud. Vlak voordat zijn tweelingbroer Simon Ashby 21 wordt en het landgoed Latchetts met manege erft, komt zijn broer “Patrick” (Pat) plotseling uit het niets aanzetten. Hij is net iets eerder geboren dan Simon, dus is het landgoed van hem. Patrick is acht jaar eerder vermist, toen ze 13 waren, vlak na het noodlottige ongeluk van de ouders. Iedereen dacht toen dat hij zelfmoord gepleegd had en niemand was op het idee gekomen dat hij er gewoon tussenuit geknepen was. Vanaf het begin is klip en klaar dat de nieuwe “Patrick” Ashby eigenlijk Brat Farrar is, een bedrieger, maar hij lijkt sprekend op Simon en heeft alle trekken van een Ashly. De diverse mensen in huis en de omgeving accepteren “Patrick” dan ook snel als de verloren zoon: tante Bee (Beatrice) die de familie bestiert, zus Eleanor (Nell), de jonge tweeling Jane en Ruth en het personeel van Latchetts. Dan zijn er de huisvrienden Gregory en Nancy Peck, notaris Sandel, Dr. Spence, Macallan van de krant, diverse paardenvrienden plus nog een heleboel anderen. Ook die lijken zonder uitzondering te geloven dat hun “Patrick” is weergekeerd. Echter, tweelingbroer Simon geeft niet op; hij blijft maar volhouden dat de echte Patrick allang dood is. Waarop Brat Farrar het naadje van de kous wil weten.
         Wat vind ik van “Brat Farrar”? Dat Josephine Tey een heel eind boven het maaiveld uitsteekt, wist ik al, maar “Brat Farrar”, eerder geschreven dan “The daughter of time”, is gewoon mijn boek. Wat is het mooi geschreven, hoe onderhoudend en vol onderhuidse spanning, met al die ego’s tussen de raspaarden. (Af en toe lijkt het wel of ik een Dick Francis in handen heb.) “Vermits” in een boekbespreking een enkel mini-minpuntje haast verplicht is, dan houd ik hier staande dat de allerlaatste bladzijden voor mij niet hadden gehoeven. Zonder die zou ik het boek nog perfecter hebben gevonden. Ik beloon “Brat Farrar” van Josephine Tey zo maar met een 9-.