dinsdag 3 april 2012

Weblogbrief 7.26, 3 april 2012

Weblogbrief 7.26, 3 april 2012

         Buenas tardes, gringos y gringitas, zitten we met onze hele hebben en houwen al weer in “De Gooj Week”, “La Semana Santa”, om het eens op zijn Canarisch te zeggen. Hier is het processiewerk met het nodige enthousiasme begonnen, op weg naar Jueves Santo en zeker Viernes Santo, als hier de hele santenkraam, todo el tinglado, stil ligt vanwege het kortstondige overlijden van de zoon van God. Daarna, op Paaszaterdag, Sabado Santo, kunnen pas weer boodschapjes gedaan worden om ten slotte op zondag van een zalige Pascua (De Resurrección) te genieten. Vanaf maandag is het hier weer “business as usual”; Tweede Paasdag is iets wat we hier niet kennen. En voor wie het wil horen, ook hier gelooft haast geen hond meer in wat de Kerk met een hoofdletter ons dezer dagen voorhoudt. Pasen is verworden tot een familiegebeuren zonder sterfgeval.
         Als ik dat perse gewild had, had ik afgelopen Palmzondag, Domingo De Ramos, al naar een processie in de oude stad (Triana, Vegueta) kunnen gaan kijken. En godvruchtig op mijn knieën kunnen gaan zitten, als de meer dan levensgrote bijbelse taferelen voorbijkomen op een platform, waaronder zo’n mannetje of twintig serieus de moord stikt. Trudie en Marij zijn met mij in het verleden een paar keer gaan kijken; die weten waarover ik praat.

         Moet ik deze week mijn muziek aanpassen? Ja en nee. In “La Semana Santa” draai ik Spaanse muziek voor jullie, maar wel van twee buitenlanders, Amerikanen, die het eens in het Spaans hebben geprobeerd.
         Tot de klassiekers van Las Palmas hoort wonderwel een Spaanstalig nummer van Nat King Cole: “Quizás, Quizás, Quizás ”. Ik hoor het liedje te pas en te onpas hier op allerlei plekken. Voor wie het niet weet, “quizás” is Spaans voor “misschien”. Ik heb het in de versie van zeker tien artiesten, onder wie de dames María Dolores Pradera en Caterina Valente, twee van mijn favoriete zangeressen. Nat King Cole zingt het op zijn plaat “Cole Español” uit 1958. Zijn succes met die plaat leidde ertoe dat hij daarna met nog twee van die niet-Engelse platen kwam. De eerste daarvan was “A Mis Amigos” in 1959 en daarop volgde, twee jaar voor zijn dood in 1964, “More Cole Español” (Die plaat had uiteraard beter “Más Cole Español” kunnen heten.) Nat King Cole, ik adoreer hem niet, vind hem een beetje een zachtgekookt eitje, maar als achtergrond kan zijn muziek er mee door.
         In totaal heb ik 35 nummers op de drie platen (11+12+12) en helaas, een Spaanse versie van Mona Lisa staat er niet op, ook geen Italiaanse (Leonardo da Vinci) of Franse (Louvre). Wel vind ik een ander Italiaans nummer: Arrivederci, Roma. De Portugezen/Brazilianen worden evenmin vergeten met “Suas Mãos” en “Não Tenho Lagrimas”. Maat toch, de overgrote meerderheid van de nummers is zo Spaans als het maar zijn kan en ik kan het Spaans van Nat King Cole nog aardig volgen ook. Er zal in de studio een Spaanse leraar of lerares aan te pas gekomen zijn om hem bij de Mexicaanse les te houden.
         De man, is me verteld, is echt een succesnummer, ook in het Spaans. Ik haal hier, naast “Quizàs, quizàs, quizàs”, nog een aantal andere liedjes voor jullie nog eens uit de vergetelheid: “Acércate Más”, “Adelita”, “Aquellos Ojos Verdes”, “Perfidia”, “Solamente Una Vez” en tot besluit “Vaya Con Dios”.
         Het laatste nummer: is het nou “Vaya Con Diós”, met de klemtoon op de o van Diós”, of “Vaya con Díos” met de klemtoon op de i? Nat King Cole zingt zo voluit als hij maar kan: “Diós”, en mocht God denken dat het “Díos” moet zijn, dan zal Hij de uitspraak van Nat King Cole en zijn lera(a)r(es) geen ramp vinden.

         Gaan we naar artiest nummer twee, of liever artieste, want bij mijn weten is Linda Ronstadt van het zeer vrouwelijke geslacht. Ik noemde haar hier al een paar weken terug als een van de mensen die met de Chieftains een nummer zong op de cd San Patriccio (met Ry Cooder aan de knoppen). Haar nummer heette “A La Orilla De Un Palmar”, op de rand van een palmbos, best aardig. Ter verdere intro: zij is ook de dame die Roy Orbison uit het slop haalde door van diens nummer “Blue Bayou” een kaskraker te maken.
         Heeft ze iets Mexicaans, het lijkt af en toe wel; is haar vader wellicht een Mexicaan? Linda Ronstadt, toch geen Mexicaanse achternaam, heb ik bij mijn weten nagenoeg compleet, bijna alle albums die ooit van haar verschenen zijn. Daar zitten drie Spaanstalige bij, te weten: “Canciones De Mi Padre” uit 1987, “Más Canciones” uit 1990 en ten slotte “Frenesi” uit 1992. Voor wie meer in compilaties dan originele cd’s geïnteresseerd is, ik heb ook nog “Mi Jardin Azul” uit 2010 voor jullie, met twintig nummers van haar drie eerdere Spaanstalige cd’s.
         Mijn eerste contact met Linda Ronstadt’s Spaanstalige muziek dateert van 1997 of zo, toen ik in Nicaragua op bezoek was bij iemand die later bij mij gepromoveerd is (op het onderwerp: diarree bij kleine kinderen en schoon drinkwater): Anneke Gorter. Op een van de laatste dagen daar gingen we getweeën naar een markt in Managua, waar van alles aan souvenirs te koop was. Bij een stalletje met gekopieerde cd’s kocht ik toen “Canciones De Mi Padre” voor een appel en een ei. Van Anneke, oorspronkelijk uit Roosendaal, heb ik nog steeds een felgekleurde deken in Maastricht, die ze mij toen cadeau gaf. Hoe zou het met haar zijn?
         Gaan we terug naar Linda Ronstadt. Die heb ik afgelopen zomer nog eens op een DVD van de bibliotheek gezien, samen met maatje 5 prammen Dolly Parton en Emmylou Harris, maar daarop zong ze geen woord Mexicaans. (Jullie kennen toch wel de twee cd’s die het trio in 1986 (“Trio I”) en 1998 (“Trio II”) maakte? Prachtig!) Op de drie Spaanstalige cd’s van Linda Ronstadt min of meer solo staan 13+12+13 nummers en willen jullie alweer een aantal uitschieters naar boven? Dan noem ik hier van “Canciones De Mi Padre” de nummers “Tú, Sólo Tú”, “Rogaciano El Huapanguero”, “Corrido De Cananea” en “La Barca De Guaymas”. Op “Más Canciones” val ik vooral voor “Griténme Piedras Del Campo”, “Siempre Hace Frio”, “Pena De los Amores” en “El Camino”. En helaas, de cd “Frenesi” vind ik wat minder - iets te veel mariachi? - maar om de tien vol te maken, krijgen hier de nummers “Alma Adentro” en  “Quiéreme mucho” ook een eervolle vermelding.
         (Ik kijk nog even of mijn tien nummers ook op “El Jardin Azul” staan. Dat blijkt nauwelijks het geval te zijn. Chacun son goût.)

         Als je het hier in je hoofd haalt om een aantal dagen uit huis te zijn zonder de buren en familie op de hoogte te stellen, sta je in no time overal aangeplakt, door de hele stad. Het heeft wel wat, toch? Kennen wij dat ook in Nederland? Ik denk: veel minder dan in Las Palmas. Eigenlijk zou ik de allernieuwste noodkreet, inclusief de boekdelen sprekende kleurenfoto, in zijn geheel hier moeten afdrukken, maar volgens mijn insiders hier is dat niet zo eenvoudig. Dus geef ik alleen de tekst.
         DESAPARECIDOS (Daar is geen woord Frans bij). Nuestros padres y abuelos Ana María Artiles García (74 años) y Antonio Quesada Díaz (76 años) NO HAN VUELTO A CASA. Desaparecieron el martes día 6 de marzo de 2012. Son vecinos del barrio de Guanarteme (Las Palmas de Gran Canaria) (voor jullie oriëntatie: dat is de wijk bij Plaza de Farray) y es allí donde fueron vistos la última vez. ¿Puedes aportar algo que nos ayude a encontrarlos?
         Mocht iemand van jullie Maria en/of Antonio aantreffen aan de grote tafel van café de Poort in Maastricht dan wel aan het raampje bij café de Zwart op het Amsterdamse Spui, llama, por favor, policía nacional 091, emergencias 112.
          
         Afgelopen donderdag was stakingsdag. Van Lluis begrijp ik dat vooral het openbaar vervoer in heel Spanje die dag “plat” had gelegen. Zelf had hij maar liefst tien uur vertraging gehad voor zijn vliegrit van Barcelona naar Gran Canaria. Wat erg!
         Ik deed het in Las Palmas rustig aan, maar ging om half 6 uiteraard wel richting de Plaza d’España om eens een kijkje te nemen bij de stakende medemens. Op weg erheen kreeg ik de zoveelste folder in mijn handen en alweer werd ik lekker gemaakt met een dibujo, tekening. Vier oudere rijke heren, “los empresarios discutiendo la próxima reforma laboral” vallen elkaar bij met de tekst:
1.      ¡Yo quiero una cláusula por la que tengan que trabajar gratis!
2.      ¿Y porqué no incluimos también el derecho de pernada?
3.      ¡Ah, y eso de las vacaciones solo para los que cumplan una jornada laboral de 24 horas!
4.      Creo que deberíamos exigir que las mujeres de nuestros trabajadores se encarguen de nuestro servicio doméstico.
         Wat is het recht op “pernada”? Een “pernada“ is een scheepsterm, een putting of puttingwant, met een t, ik heb geen flauw idee waar dat voor staat. (Bert Minne, jij weet iets van bootjes, kun jij me uit de brand helpen?) Het zal, denk ik, daarnaast ook zo iets als het recht op niks betekenen.
        
         Goed, ik was op tijd donderdagmiddag laat, jueves tarde, en “wat zien ik”? Al in de avenida José Mesa Y Lopez, de winkelstraat vlakbij, met o.a. El Corte Inglés, was het een drukte van jewelste en in de richting van de Plaza D’España werd het alleen nog maar voller, eivoller. Het plein zelf heb ik niet eens gehaald; al snel was ik blij met mijn schaduwplek op het middenstuk voor voetgangers, baby’s en honden. Links en rechts zijn er op de Mesa Y Lopez drie rijbanen en het middenstuk met legio banken is ongeveer even breed. Daar stond ik dus.
         Om ongeveer half 7 begon men links en rechts te lopen en toen ook het middenstuk, mijn middenstuk,  in beweging kwam, had ik het zo waar even te kwaad. Wat zal ik er verder van zeggen? Erg hard ging het niet, een marstempo zat er niet in, maar het duurde wel een vol uur voordat de laatste stakers voorbij waren, gevolgd door slechts enkele politiemensen in ornaat en politieauto’s. Wel stond bij El Corte Inglés - is dat een rechtse winkel? - tijdelijk een pelotonnetje oproer- of beschermpolitie voor de etalages. Vanaf Mesa Y Lopez ging de stoet naar links richting Triana en waarschijnlijk de hele avond door. Hoeveel mensen telde de demonstratie? Ik heb geen idee, maar het waren er in ieder geval vele duizenden, ook veel meer dan 10.000, vrees ik.
         Zoals breed aangekondigd was het een “HUELGA GENERAL CON TODO”, een algehele staking met iedereen, maar als je naar de vlaggen keek, was politiek links royaal oververtegenwoordigd: de communisten van de CCOO, de UGT, iets met de Canarische vlag, Nueva Canarias, Intersindical Canarias en ook, maar in mindere mate, de PSOE. Een vlag of iets anders met het embleem van de Partida Popular heb ik niet gezien, niet een keer zelfs. En ik werd bijna bedolven onder de spandoeken, met de meest uiteenlopende teksten. Om de sfeer te proeven, hier is zo maar een drietal dat ik opgeschreven heb:
MANOS ARRIBA. ESTO ES UN CONTRATO”,
“NO DEJEMOS A LOS BANQUEROS GOVERNAR EL MUNDO”,
“CONTRA EL PACTO DE LA AUSTERIDAD Y LOS RECORTES SOCIALES”.        Op een pamflet van de communisten, dat ik in mijn handen gedrukt kreeg, las ik dat “la burguesía y sus gobiernos han lanzado una ofensiva brutal contra los derechos y condiciones de vida de la clase trabajadora y los sectores populares”... “ninguna otra explicación cabe a permitir que la gran banca robe centenares de miles de viviendas, que se congelen los salarios y las pensiones, que se reduzcan nuestros derechos en sanidad y educación” ... “pero contra esta situación de agresividad sin límite, la clase trabajadora no podemos quedarnos como meros espectadores en un banquete de buitres donde somos el comida”. Wij arbeiders willen niet langer toeschouwer zijn op het banket van gieren, lijkenpikkers, waarbij we ook nog zelf als het eten dienen. Het is volgens de communisten, en niet alleen volgens die, “una barbarie capitalista”.
         En dan ga ik tenslotte naar de niet noodzakelijkerwijs beste, maar wel leukste slagzin die ik in de enorme demonstratie tegenkwam: “¡QUIDADO! ¡MOSCA COJONERA!” Die uitroep laat ik graag onvertaald! En ik spreek hier mijn waardering uit voor een grote groep brandweerlieden in de stoet, met gele helm op. Aardig vond ik trouwens ook de mensen die meeliepen met op hun trui de woorden “CERRADO POR HUELGA”. Op de toerenkiosk, gesloten uiteraard, op het middenstuk op Mesa Y Lopez tussen de twee El Corte Inglés reuzengebouwen, stond dezelfde tekst geplakt. Voor mij was het weer eens ouderwets genieten! Op zijn tijd een staking, daar knap ik helemaal van op. En solidair met de stakers ben ik deze keer ook nog.

         Trudie belde mij vrijdagmiddag op over mijn inkomstenbelasting. Het ingevulde formulier dient vóór a.s. zondag, 1 april, binnen te zijn bij de belasting en het was vrijdag al 29 maart. Normaliter vult ze het formulier voor mij rond carnaval in, als ik dan in Maastricht ben. Ook dit jaar heb ik vlak na carnaval braaf een hele reutemeteut getallen voor haar opgeschreven: wat ik verdien, althans wat ik toegeschoven krijg aan pensioen en AOW, dat ik geen hypotheek meer op mijn huis heb, wat niettemin de waarde van mijn  huis is, en - moeilijkste deel - wat ik allemaal aan spaarrekeningen op diverse banken heb staan heb plus de rente in 2011 over al die rekeningen . Van mijn rekeningen bij twee Turkse banken, die ik trouwens nodig eens moet opzeggen, kon ik zo vlug de precieze bedragen en rentes niet vinden, dus die rentes heb ik min of meer, maar eerlijk, gegokt. Allemaal in het nette. Raar trouwens dat je sinds het debacle met Icesave tegenwoordig zonder probleem, niet tot 20.000, maar tot 100.000 euro op een door de overheid goedgekeurde spaarrekening mag hebben staan.
         Niettemin, er is iets vreemds met mijn twee spaarloonregelingen via de SNS. Het geld daarvan heb ik afgelopen zomer, toen ik 65 werd, definitief geïnd. Het gaat bij elkaar om zo’n 25.000 euro, die ik toen braaf op mijn Triodosrekening heb laten bijschrijven. De mensen van de inkomstenbelasting willen daar nu graag een deel van hebben, heeft Trudie eind februari uitgelegd. De SNS beweert tegelijkertijd dat ik over de rente van een van de twee spaarloonrekeningen wel belasting dien te betalen, in box 1, en over de rente van de andere niet. Het zou te maken hebben met het aantal jaren dat die rekeningen lopen, maar bij mijn weten heb ik ze gelijktijdig opgestart en afgesloten. Ik kom niet wijs uit de materie en echt interesseren doet het me ook niet; ze doen maar.          Trudie is van het soort dat er dan achteraan gaat. Terwijl ik gewoon het vooraf al half ingevulde formulier van de belasting zou hebben gevolgd, correspondeert en belt zij met een deskundige van de SNS en grijpt zelfs naar de belastingalmanak. Alles bij elkaar genomen, denkt zij dat ik wel over de rente van beide spaarrekeningen belasting verschuldigd ben, maar vooralsnog geeft ze conform wat de meneer van de SNS denkt, alleen de rente van de ene op. Die rente gaat me zo’n 3500 euro; als de andere daar nog bijkomt, heb ik, denk ik, haast niks meer verdiend aan mijn loonspaarrekeningen bij de SNS. Maar vooruit, vrijdagmiddag is mijn ingevulde belastingformulier in Maastricht met mijn DigiDcode over het internet verstuurd aan de jongens en meisjes van de lichtblauwe enveloppen, waarvan er in februari steevast in mijn brievenbus belandt. Nu is het afwachten wat die ervan maken. Ik heb zo’n vermoeden dat ik over de andere spaarloonrekening bij de SNS alsnog wordt aangeslagen.

         Zaterdag om een uur of 5, 6 maakte ik voor de zoveelste keer mijn tochtje naar La Guarida aan de boulevard voor een stukje bovenste beste muziek. De groep die er speelde, maakte er veel werk van. Apart vond ik vooral een Amerikaan van mijn leeftijd, ene “Dave”, die een snorbaardje had en zijn kalende hoofd onder een cowboyhoed verborgen had. Hij heeft het bij La Guarida eerder ook wel eens laten zien: hij kan niet alleen aardig zingen, het nummer “Hotel California” kwam er zaterdag vlekkeloos uit, maar wil ook best een prachtriedel op zijn gitaar geven, als een liedje daarom vraagt. Sommige sologitaristen zijn opscheppers, maar dat kan ik van hem niet maken. Van de andere muzikanten viel mij vooral de zangeres op als boven de middelmaat uitstekend en daarbij was ze, zoals dat heet, zeer actief present, zelfs als ze even niks te doen had. Voeg daarbij de gastoptredens van een aantal omstanders, van wie sommige kennelijk in het locale circuit overbekend, en mijn anderhalf uur vertier bij La Guarida kon niet meer stuk.
         Na afloop keek ik ook nog eventjes naar een popgroep verderop bij het basketbalterrein, maar al snel vond ik de tijd gekomen voor een bezoekje aan Centro Comercial Las Arenas. Wat zal ik ervan zeggen? Veel verschil met eerder zie ik niet in de twee overdekte winkelstraten; het is nog steeds dezelfde rij: Zara, Pimkie, C&A, Berseka, Springfield, H&M, enz., die je ook in de belangrijkste winkelstraat van Maastricht, Lissabon en Buenos Aires aantreft. Carrefour had weer eens alle rekken op een andere plek gezet, zodat ik enige moeite had om mijn spullen te vinden. Ik kocht er een grote verpakking krabsalade, een stuk “Old Amsterdam” en een camembert van het huis. En zo waar, de chapata (het Spaanse equivalent van Ciabatta) was in de aanbieding, dus een chapata  nam ik ook mee. Ik liep ook nog een rondje Saturn, sinds kort de levensgrote concurrent van Media Markt hier. Daar zag ik memory sticks van 16 gigabyte liggen voor 13 euro (of liever 12.95 euro, ook Saturn kan het niet laten). Bijna had ik er een gekocht, maar bedacht toen dat ik er al twee van 8 en een van 4 in huis heb. Niet dus en ook bij de cd’s en dvd’s vond ik niks van mijn gading. Om half 10 zat ik op mijn balkon met blokjes kaas, chips en mijn leesboek (boek 3).

         Eigenlijk had ik als Spaans lesje iets anders in gedachte. Dat breng ik hier dan maar als rijtje woordjes; kunnen jullie er een geheel van maken: anzuelo, caña, corcho, hilo, molinillo, pes, plomo. Zo moeilijk moet het toch niet zijn.

         En dan mag ik nu naar mijn vorige week al trots aankondigde Spaans lesje, zeg maar Spaanse les, het recept om “knien op ze Canaries” te maken, konijn op Canarische wijze, conejo guisado “a mi manera” volgens de bedenker van het recept. Dat ben ik niet zelf, om de dooie dood niet, maar een mij onbekende dame, genaamd Elvira González Moreda. ¡Vamos!

Ingredientes:               
1 conejo de 1½ kilo
2 cebollas grandes
2 pimientos verdes medianos
1 cabeza de ajos
½ litro de cerveza
Aceite de oliva virgen extra
1 vaso de caldo de verduras (zanahoria, puerro, cebolla, calabacín y apio)
Perejil fresco
Orégano, tomillo, 2 hojitas de laurel
Sal y pimienta
1 kilo de papas punta

Preparación:
         Cortar el conejo en trozos medianos.
         La víspera, colocar el conejo en uno fuente honda y añadir la mitad de la cabeza de ajos machacadas con el perejil, el orégano, el laurel, sal, pimienta y un poco de aceite de oliva. Guardar en la nevera.
         Al día siguiente, se saca de la nevera media hora antes de cocinarlo. Se pone un sartén con aceite de oliva y se doran los trozos de conejo con los dientes de ajo restantes sin pelar. Una vez dorados, se apartan y en una cazuela, sofreímos en el mismo aceite, las cebollas y los pimientos picados. Se añade el conejo y un poquito de orégano, tomillo, 1 hoja de laurel, sal y pimienta. Se deja rehogar unos minutos. Se añade la cerveza y el caldo de verduras, lo tapamos y se deja cocer a fuego lento durante una hora.
         Se sirve en una fuente, espolvoreando el conejo con perejil fresco picado muy finamente y se acompaña de papas fritas o cocidas.

         Queridos gringos y gringitas, zo moet het toch lukken, potverdriedubbeltjes. Van de zomer, als jullie mij ongetwijfeld uitnodigen om eens bij jullie thuis een hapje te eten, mag “de schrik van Gran Canaria” ook best op tafel komen. En voor de duidelijkheid, begin deze week niet te vroeg met de “Canarische knien” klaar te maken, Paaszaterdag lijkt mij royaal op tijd. Anders zit je a.s. vrijdag al te smullen, Goede Vrijdag, de laatste dag van de vastentijd, als jullie voor een laatste vastenkeer veroordeeld zijn om vis en eieren te eten in plaats van vlees (en voor de kleintjes: de snoepjes tot zondag op te sparen).

         En dat was hem dan, mijn vooruitblik op Pasen. Het is overal Semana Santa druk hier, op de boulevard kon je afgelopen zondag over de koppen lopen. En helaas, een palmtakje kon ik toen zo vlug niet bemachtigen; daarvoor word je verondersteld eerst de mis bij te wonen en na afloop de pater daarmee te complimenteren. Dus heb ik maar een flink stuk palmtak van mijn eigen boom in de Luis Morote afgeknipt, het deel dat toch al vervaarlijk dicht bij mijn balkon kwam. Of ik het ook nog achter een zelf te vervaardigen houten kruis ga hangen, weet ik zo net nog niet. Maar het begin is gemaakt, hoor ik jullie mompelen.
         Het ga jullie goed de komende dagen. We zien elkaar weer vlak na de Paasdagen, uitgerust en wel. Tot ziens maar weer, “a luego”, om eens van mijn gangbare slotwoord af te wijken, amigo Pablo (met prik).    

BOEKENBIJLAGE

         Deze week begin ik met een boek van Dennis Lehane, dat wel gereed had gelegen in Maastricht, toen ik in oktober naar Las Palmas vertrok, maar, zoals dat zo mooi heet, onder op de stapel. En dus had ik het na carnaval pas bij me, want een Lehane laat ik liever niet lang in de kast liggen. Het gaat over “Sacred” uit 1997, zijn derde thriller. Het speelt in Boston, maar ook in de buurt van Tampa.
         De ikpersoon van het boek is Patrick Kenzie die samen met zijn Angie Gennaro een detectivebureautje runt. Terzijde, als je kijkt hoe ze zich beiden tegenover boeven gedragen, is het een wonder dat ze nog leven. In dit boek komen ze na een ongeluk van Angie net weer op gang. Hen wordt gevraagd door miljardair Trevor Stone om zijn knappe dochter Desiree op te sporen, die zoek is. Eerder was een bekende collega van Patrick daarmee belast, Jay Becker, maar die is intussen eveneens van de aardbodem verdwenen. Belangrijke figuren in Boston op weg naar Desiree zijn de mensen van Grief Release Inc, en de daarmee gelieerde Church Of Truth And Revelation, ene Manny, John en vooral Jeff Price. De laatste zou er met ruim twee miljoen dollar vandoor zijn. Verplaatsen we ons naar Tampa, waar de nodige doden vallen en dan weer terug naar Boston voor een wel heel aparte finale. Dan blijkt o.a. dat pa en dochter Stone allebei boeven zijn, rijke boeven, maar toch. En de afloop ga ik dus niet verklappen.
         “Sacred” vind ik meer een komisch boek, leuk om te lezen, dan dat ik van spanning op mijn balkonstoel zit te wippen. Heel geestig, dat is mijn omschrijving van Patrick, en Angie met haar karate doet eveneens een behoorlijke duit in het zakje. En dus heb ik nummertje drie van Dennis Lehane, toch 447 bladzijden, probleemloos in ruim twee dagen uitgelezen. Ik geef het als recensiecijfer een 7½, royaal aan de positieve kant van de streep, maar een echte moordboek kan ik er, ondanks de nodige moorden, niet van maken.

         De week is een hele week deze keer, dus heb ik meer dan een boek uit. Mijn tweede is er een van het bekende thrillerduo Nicci French. Hun “Land of the living” uit 2002 speelt in Londen. Het heeft vijf sterren in de thrillergids van  Vrij Nederland, half Nederland heeft het in Nederlandse vertaling (”De bewoonde wereld”) in de kast staan en de rest heeft het geleend van vrienden of familie dan wel bij de bibliotheek. Hier is mijn recensie van de originele versie.
         Van de 300 bladzijden gaan de eerste bijna 50 alleen over de opsluiting van Abbie Devereaux op een onbekende plek, met een kap over haar hoofd en stevig vastgebonden. Als ze zich weet te bevrijden en de wijde wereld invlucht, blijkt dat ze niet echt geloofd wordt, zeker niet als ze verklaart dat de weken voor de bevrijding uit haar geheugen gewist zijn. De politie in de persoon van Jack Cross ziet het niet zitten, psychiater Irene Beddoes vindt haar maar een psychologisch geval, op haar werk, een designbedrijf van interieurs, is haar bureau al opgeruimd en zelfs haar vriendenkring, Sadie, Sheila, Sam en anderen, twijfelt. En haar vriend Terry heeft al weer een nieuwe vriendin, Sally, met wie hij ook al hokt. Abbie gaat dus maar zelf op onderzoek uit naar de vraag wat ze de afgelopen tijd, dag voor dag, precies gedaan heeft, vooral in de dagen vlak voor haar kidnapping. Dat doet ze vanuit de flat van Jo, bij wie ze na een laatste ruzie met Terry is ingetrokken, en met enige hulp van Ben. Uiteindelijk komt ze oog in oog met haar kidnapper te staan...
         Eerlijk is eerlijk, als het op psychologische thrillers aankomt, zijn Nicci French uit het beste hout gesneden. Wat is “Land of the living” een spannend boek, zo vind je ze niet veel. En het verhaal duurt net lang genoeg om de spanning vast te houden. Dus aarzel ik geen moment en bedeel dit boek van Nicci French zo maar met een 8½. Echte liefhebbers van het genre, die het boek om welke reden dan ook nog niet bemachtigd hebben, kunnen, nee moeten het in de Engelse versie van mij lenen.

         Een mens alleen is veroordeeld tot extra lezen en mij bevalt dat nog altijd prima. Dus had ik gisteren, maandag, nog een derde boek uit, “Heartwood” van James Lee Burke uit 1999, in Nederlandse vertaling, “Harthout”, uit 2003. Het speelt in Texas in het plaatsje Deaf Smith, in de buurt van San Antonio. Daar kan het, zeker ’s zomers, heel erg warm zijn.
         Wat is eigenlijk harthout, met een t,  jongens en meisjes? Hardhout met een d is in het Engels “hardwood” en niet “heartwood”. Volgens mijn woordenboek staat “heartwood” voor “kernhout”. We nemen blz. 317 van het boek te hand. De schone Peggy Jean vraagt aan advocaat Billy Bob: “Hoe kom je aan de naam harthout?” Hij antwoordt: “Uit een verhaal dat mijn vader me heeft verteld toen ik werd gedoopt. Het heeft te maken met de manier waarop bepaalde boomsoorten vanuit het hart naar buiten groeien.” Extra informatie vinden jullie op blz. 183. “Bij sommige bomen ontstaat elk jaar een nieuwe laag hout onder de bast. De kern van de boom wordt steeds sterker en is uiteindelijk net ijzer. Oude knakkers beweren dat ze vroeger hun bijl daarop kapotsloegen.”
         “Harthout” gaat over advocaat, Billy Boy Holland, die het samen met zijn assistente en vriendin Temple Carrol opneemt tegen de echte boeven in zijn stadje. Dat zijn Earl Deitrich en zijn zoon Jeff, die aanhoudend de baas willen spelen en iedereen die hen niet zint, het liefste een kopje kleiner maken. Tot de mensen die het moeten ontgelden, reken ik in de eerste plaats Wilbur Pickett en zijn blinde vrouw Kippy Jo. Maar ook anderen zijn de klos zoals Ronnie Cruise, Esmeralda Ramirez en haar broer Chollo, Wesley Rhodes, zelfs Billy Bob’s zoon Lucas. Voor het uitvoerende werk komt niet Earl als eerste in aanmerking; hij besteedt dat graag uit aan zijn diverse helpers zoals Fletcher, Bubba, Chug en anderen, plus niet te vergeten sheriff Hugo Roberts en diens vazallen Kyle Rose en zo. Het aantal doden loopt gaande het boek op tot meer dan tien. L Q Navarro, vriend van Billy Bob, is daar niet bij, want die is al dood en laten we Pete en Beau maar te jong noemen en Peggy Jean te knap om al in dit boek de geest te geven.
         “Heartwood” was mij aangekondigd als een vijfsterrenboek en dat is het mijns inziens ook. Te glimlachen valt er niet al te veel, maar de spanning is geregeld echt om te snijden. Auteur James Lee Burke weet al te goed hoe je een moordboek in elkaar moet draaien en “Harthout” is daar een perfect voorbeeld van. Het boek krijgt van mij een recensiecijfer 8, wat goed is, moet ook als zodanig beoordeeld worden. Ik kijk uit naar zijn volgende, zie zelfs dat ik er nog eentje op mijn  stapeltje ligt (“Bergafwaarts”). Die zal er t.z.t. zeker ook aan moeten geloven.  

dinsdag 27 maart 2012

Weblogbrief 7.25, 27 maart 2012

Weblogbrief 7.25, 27 maart 2012

         ¡Que bueno! denken jullie ongetwijfeld, nu er alweer een brief uit Las Palmas op je laptopje verschijnt. Dat is nog eens wat anders dan alle ellende die de Maastrichtse, Nederlandse en andere pers tegenwoordig over ons uitstrooit. Ik heb de eer jullie weer lastig te mogen vallen met mijn muziek, mijn boek(en) en enkele wetenswaardigheden.
         Hoe was het overigens zondag, toen jullie doorhadden dat je een heel uur te kort gekomen was? Al te gemakkelijk is het misschien om aldus je avonden met een uur verlengen, gewoon door de klok een uur vooruit te zetten. Aan de andere kant, ik vind het ook wel iets hebben, zo’n uurtje extra ’s avonds. Je ziet het ook aan de gezichten van de mensen af; in Las Palmas is er nu iets meer animo, denk ik, om er het beste van te maken. Het blijft hier nu licht ’s avonds tot ongeveer half 9. Daarentegen is het in de morgen donker, niet licht genoeg, tot zeg 8 uur. Dat is wel weer eventjes wennen voor iemand als ik die niet in het donker wil opstaan.  

         Ik begin mijn muziek vandaag met niemand minder dan The Boss. Jullie denken natuurlijk: Bruce Springsteen met zijn E-Street Band, dat wordt het onvermijdelijke hoogtepunt van Pinkpop dit jaar. Op Pinkstermaandag 28 mei zal de man, met zijn fantastische recente cd “Wrecking ball” en alle muziek daarvóór (op mijn LaCie), het feestterrein in Kerkrade op zijn kop zetten. Gelijk hebben jullie, dat gaat ook gebeuren. Maar Bruce Springsteen is dan wel al een aantal weken aan zijn (zoveelste) wereldtour bezig. Op 15 mei, twee weken voordat hij bij Jan Smeets op de planken staat, kunnen we hier in Las Palmas al van hem en zijn E-Street Band genieten in het Estadio Gran Canaria. Op de aankondiging van het concert hier staat dat de verkoop van kaartjes intussen begonnen is: entradas ya a la venta. Wie te laat is voor kaartjes op Pinkpop, kan misschien hier nog terecht. En helaas, ik zit vanaf 27 april in Nederland en kan er hier dus niet bij zijn.

         Gaan we naar mijn echte muziek. Deze keer heb ik twee platen/artiesten  voor jullie. De eerste plaat is van 2011, heel recent dus, en staat op naam van Wynton Marsalis en Eric Clapton. De cd heeft de titel “Play the blues” meegekregen, met als ondertitel “Live from jazz at Lincoln Center”. En jongens en meisjes, dat Lincoln Center is uiteraard gesitueerd in New York.
         Van trompettist Marsalis had ik nog niks op schijf. Heeft hij na een officieel optreden in Maastricht niet nog eens bij café de Poort gespeeld, of was het café Servaas; ik ga het Rocky vragen. Eerlijk gezegd ben ik geen echte fan van hem, hoewel: swingen doet zijn muziek best wel. Misschien dien ik mijn oordeel over de man te herzien. Van gitaarvirtuoos Eric Clapton daarentegen heb ik god weet ik hoeveel cd’s al in mp3. Op sommige speelt hij met anderen, zoals met John Mayall, Keith Ricahrd, Buddy Guy en zijn maatjes van Cream, terwijl hij op diverse andere als solist genoteerd staat. In totaal kom ik tot 17 cd’s in mijn collectie plus dan nu zijn duet met Wynton Marsalis.
         Hier zijn de elf nummers van “Play the blues”, bij elkaar goed voor net geen 80 minuten muziek, het hangt erom:
01.     Ice Cream
02.     Forty-four
03.     Joe Turner’s Blues
04.     The Last Time
05.     Careless Love
06.     Kidman Blues
07.     Layla
08.     Joliet Bound
09.     Just A Closer Walk With Thee
10.     Corrine, Corrina
11.     Stagger Lee
         Wynton Marsalis & Eric Clapton, het is op de cd best genieten, en dan heb ik het ook over de diverse andere muzikanten. Ik vat het voor jullie samen als een ouderwetse jazzorkestregistratie, met Wynton en Eric op de voorgrond, blijkens de hoes allebei netjes met een stropdas om. Veel is een jazzherhaling van mij overbekende nummers, zoals “Ice Cream”, “Layla” en “Just A Closer Walk With Thee”; heel aardig. En “Corrine, Corrina” sprinkt er voor mij uit. Hoe vaak heb ik dat wel niet? Even opzoeken op mijn computer: het staat er al 12 keer op, van Big Joe Turner, Bob Dylan, Dean Martin, Floyd Cramer, Merle Haggard, Jimmy Whitherspoon, John Lennon, Lonnie Donegan, Mance Lipscomb, Marianne Faithfull, Ray Peterson en tenslotte het duo Taj Mahal & Ry Cooder. De beste versie vind ik nog altijd die van Ray Peterson, honingzoet, maar wat was het destijds een wereldhit.
         Bij nader inzien blijken niet alle nummers hetzelfde liedje te zijn, helaas. Dat gezegd hebbend, voeg ik “Corrine, Corrina” en de andere nummers van de beroemde trompettist en idem dito gitarist met hun gelegenheidsorkest toch met plezier toe aan mijn verzameling. En ik draai de cd voor jullie nog eens een keer extra.
        
         Gaan we voor mijn tweede muziekje, van zo’n vijftig jaar terug. Dat betreft een dame die ik begin jaren 60 hoog had zitten: Darlene Love. Kennen jullie haar überhaupt? Zij was de schoonheid die in 1962 “He’s a rebel” van The Crystals tot een wereldhit maakte. En voor de complete barbaren onder jullie, The Crystals zijn de meisjes van ook “Do Doo Ron Ron (when he walked me home)” en “And then he kissed me” in het jaar erna. Het nummer “He’s a rebel” en de latere hits van The Crystals werden geproduceerd door Phil Spector, nu al weer een tijdje in de gevangenis, maar wie kent hem niet? Ik heb één plaat van hem die hij zelf vol zingt met zijn Teddy Bears: “To know him is to love him” uit 1959.
         Dezelfde Darlene Love was in die tijd (1963-1966) goed voor een beperkt aantal nummers als soloartieste. Die ga ik hier eens braaf voor jullie opnoemen:
A fine, fine boy
Chapel of love
Long way to be happy
Strange love
Stumble and fall
(Today I met) The boy I’m gonna marry
Wait ‘til my Bobby gets home
         Ik tel er zeven op mijn 3 cd’s compilatie van Phil Spector’s “Back to mono”, eentje meer dan Allmusic me voorschotelt. Daarnaast zingt ze ook nog vier liedjes op een kerstcd van Phil Spector bij elkaar. Best leuk allemaal! Vooral “(Today I met) The boy I’m gonna marry” staat mij nog levendig bij.
         En ik heb nog een nagekomen verrassing: Darlene Love was ook de frontvrouw op “Zip-A-Dee-Doo-Dah” van Bob B. Soxx uit 1962. (Destijds dacht ik dat het Bobby Soxx was; een mens is nooit te oud om bij te leren.) Laat ik ter completering die Bob B. Soxx & The Blue Jeans, idem dito een kloon van Phil Spector, hier ook nog maar eens even naar voren halen. De groep van Soxx heeft verder, naast twee kerstliedjes, nog twee nummers op Phil Spector’s “Back to mono” staan: het uitgelaten nummer “Why do lovers break each other’s heart” uit 1962 en “Not too young to get married” uit 1966.
          
         Het gebeurt me niet iedere week, maar op zijn tijd maak ik de gang naar de kiosk op parque Santa Catania hier om een “bono”, tienrittenkaart te kopen. Ik doe dat doorgaans, als ik zo ongeveer halverwege mijn oude kaart ben. Afgelopen vrijdag was mijn recentste “bono” echter nog maagdelijk, maar nu al eentje erbij kopen kon geen kwaad. Dat bleek een goed idee te zijn, want vanaf maandag gaat de ritprijs van een buskaartje omhoog; dat is een paar weken terug besloten. Hier is het verhaaltje dat ik daarover op een aanplakbiljet in de bus las. El lunes 26 de marzo de 2012 entrarán en vigor las nuevas tarifas de guaguas municipales para los siguientes títulos de viaje: pago directo 1.30 euro, bono de 10 viajes 7.50. Volgt er nog een stukje tekst van niks, waarna de aankondiging eindigt met het gebruikelijke Disculpen las molestias. Hoe zo “sorry”? “Ze” van het busbedrijf doen een volle euro op de ritprijs van mijn “bono”, een verhoging met 15%. Dan laat je het bezinken en denkt: tien ritten voor 7.50 euro, het blijft te geef. Vanaf mijn volgende bono cross ik kriskras door Las Palmas voor 75 cent.

         Aanstaande donderdag, 29 maart,  gaan we hier weer eens staken en de straat op, contra las reformas laborales. Het is niet anders, de werkloosheid is hier helaas vele malen hoger dan in Nederland. Trouwens, veel te makken heeft de werkende arbeider en de ambtenaar hier vandaag de dag ook niet meer. En wie zijn schuld is dat potverdomme? Volgens mijn eenvoudige geest moeten we daarvoor bij een beperkt clubje rijkaards zijn, dat aan het graaien sloeg en nog steeds aan het graaien is. Die mensen en niemand anders hebben de armere medemens zijn brood en beleg langzaamaan afgenomen. Op een aankondiging van de staking staan twee van die rijke mannen in pak. De een zegt: “¡Que me echen más crisis como esta! ¡Estoy ganado más dinero que nunca!“.Waarop de ander hem bijvalt met: “¡Yo he matado a 3 pájaros de un tiro: he hecho un ere, he duplicado la jornada laboral, y he consequido acojonar a todod mis trabajadores!Zo kun je er natuurlijk ook tegenaan kijken: de zogenaamde “crisis” afwentelen op de hele bevolking, terwijl je zelf de kassa laat rinkelen. Foei!
         Ik schaar me zonder pardon in de grote club van de minder rijken, ook al heb ik niet echt een probleem. Hun acties ondersteun ik graag, ook die van donderdag. Wie weet, loop ik zelfs wel mee. Quieren acabar con los dereches laborales y sociales. Zij, de rijken, willen ons onze fundamentele rechten afnemen. Dat pikken we natuurlijk niet, ik ook niet. Dus: HUELGA GENERAL.
         Terzijde: nu begrijp ik ook beter, waarom het hier op het strand zo druk is, ook door de week. Als je in groten getale geen werk meer hebt, kan een zonnetje op je lijf geen kwaad. Een mens moet wat.

         Soms sta je versteld en denk je zelfs bij een bekend Engels woord: wat is met mij aan de hand, dat ik daarover bij een woordenboek te rade moet gaan? Ik heb (of liever: had, want het nu over) dat met bijv. het woord “surname”. Een vóórnaam is in het Engels: “first name”, “given name” of desnoods “christian name”. Het woord “surname”, hoewel het wel iets heeft van “vóórnaam”, is  perse niet vóórnaam. Voor achternaam gebruikt het Engelstalige volksdeel graag de woorden “second name”, “last name” of “family name”, maar dus wel ook het woord “surname”. Laat daar vanaf nu geen misverstand meer over bestaan!
         (Veel mensen hebben ook een “middle name”; de mijne is “Gerard’, omdat mijn opa van vaderskant, tevens mijn peetvader, zo heette. “Sjeira” Knipschild was zijn vóórnaam in goed Maastrichts, ik herinner me hem als een heel aardige man, die op niet al te oude leeftijd overleden is, in 1956. En voor alle duidelijkheid: “middle name” en “second name”, dat zijn dus ook verschillende namen.)
         (En, voor wie er prijs op stelt dat te weten, in het Spaans is het “nombre” en “apellido” of, als het een dubbele achternaam betreft, “apellido compuesto”. “Nombre” is eigenlijk “nombre de pila” en voor achternaam zeg je ook wel “nombre de familia”. Volgens mijn groot Nederlands-Spaans woordenboek hebben Spanjaarden geen middennaam; ik heb er in ieder geval geen woord voor kunnen vinden.)

         Vroeger, toen ik nog jong was, hield ik mijn vrienden en familie wel eens voor dat ik niet ouder wilde worden dan 65 jaar. Die leeftijd leek mij een uitgelezen moment om de geest te geven. Het gedoe van bejaard zijn en achter de geraniums zitten, met allerlei kwalen, ook dat nog, dat zag ik toen en zie ik nog steeds niet zitten. Mijn moeder overleed in 1985, toen ze 64 was en mijn vader in 1987 op 67- of 68-jarige leeftijd. (Zeker van de jaartallen ben ik niet meer, maar ik zit er voor allebei hoogstens een jaar naast.) Dus daar moest ik me maar aan confirmeren en ook niet te oud worden.
         Ik ben intussen al een half jaar een 65-jarige, heb zelfs met Sjaak en Toussaint een feestje gegeven, toen het zo ver was. Wordt het dan nu niet tijd dat ik jullie ga verlaten, het tijdelijke voor het eeuwige ga verruilen? Ik heb daarover een verhaaltje van niks: het bevalt me eigenlijk best om nog wat jaren als pensionado door het leven te gaan. Tachtig of zo zie ik mezelf niet worden, wil ik waarschijnlijk geeneens, maar eerlijk is eerlijk, nog een jaartje of vijf à tien rondlopen in redelijke gezondheid, daar is niks mee, vind ik tegenwoordig. Is het niet meer dan het bijstellen van een idee, als het zo ver is? Dat zij dan maar zo. Ik hoop overigens oprecht dat ik niet in een verpleeghuis of zo beland, dan maak ik er, hopelijk met jullie goedvinden, een einde aan. Maar zoals ik nu functioneer, wil ik graag nog even door.

         En met deze verzuchting ga ik naar mijn Spaans lesje, zoals het hoort op het einde van mijn brief. Eten en drinken, dat zijn dingen die je als AOW’er goed moet blijven doen, zeker op feestdagen. Ik kondig het vast aan: volgende week, vlak voor Pasen, krijgen jullie van mij het recept van “konijn op zijn Canarisch”, weer eens wat anders dan “knien in ’t zoer met e sjijfke peperkook vaan Franssen”. Waarom zouden jullie de Canarische variant niet eens op tafel zetten op de dag dat Jezus voor de zoveelste keer uit den dode herrijst? En voordat de “batse knien” op tafel komen, word ik verondersteld eerst met een acceptabel voorgerecht te komen. Op zijn Canarisch schotel ik jullie vandaag al “Potaje de berros” voor, waterkerssoep, een delicatesse, waar ik hier geregeld voor val.

Ingredientes:
¼ kilo de berros
4 papas medianas
¼ kilo de judías veteadas
2 piñas tiernas
1 tomate mediano
1 cebolla entera
3 dientes de ajo
½ tacita de aceita de oliva
Sal y agua

Preparación:
1.      Se ponen las judías de remojo la noche anterior para que se ablandan.
2.      En un caldero se ponen los ajos y la cebolla picadas. Se sofríen hasta que doren y se añaden las judías, la zanahoria, la calabaza, el calabacín y las habichuelas previamente traceados, el tomate, las piñas. Se le añanden tres litros de agua y se cocina a fuego lento durante unos 25 minutos.
3.      A media cocción le añadimos las papas y por último los berros, la sal y el aceite.
4.      Se deja al fuego medio hasta que esté totalmente guisado.
Se suele comer con queso tierno y gofio.
        
         Doen jullie het daarvoor, inclusief de jonge kaas en de gofio? (Als je niet weet wat gofio is, zoek er maar naar op de computer.) Ik zit zelf nog een beetje in mijn maag met dat “judías veteadas” bij de ingrediënten? Bedoelt de schrijver van het soeprecept daarmee dat er ook een wortel, een pompoen, een courgette en sperziebonen bij de ingrediënten horen te staan? Of heeft hij of zij dat gewoon vergeten? Voor mij is “veteada” trouwens geaderd, maar wat zijn geaderde bonen? Eens met een apart gerecht op tafel komen, het blijft een crime.

         Hoe dan ook, ik ga me nu in andere bezigheden storten (storten?) dan jullie nog weer van alles door te brieven. Het ga jullie goed de komende dagen en vergeet niet om iemand te vragen een palmtakje mee te nemen a.s. zondag voor achter het kruisbeeld. Of gaan jullie zelf nog ter kerke? In dat geval horen jullie een dezer dagen wel ook te gaan biechten. Voor nu, tot ziens maar weer, hasta luego, over een week laat ik graag opnieuw van me horen, PaulK (de goede moordenaar).

BOEKBIJLAGE

         Vandaag heb ik de eer om jullie in mijn bijlage voor te stellen aan Craig Russell. De man komt uit Schotland, dus zijn Schots Engels, en wie weet ook Gaelic, zal wel in orde zijn. Daarnaast spreekt hij vloeiend Duits, is me op het internet verteld. Voordat hij als thrillerschrijver naam maakte, was hij o.a. een tijdje politieman, maar sommig bloed kruipt nou eenmaal waar het niet gaan kan. Craig Russell is dus heden ten dage de auteur van een hele serie politieromans, die ofwel in Glasgow spelen dan wel in de buurt van Hamburg. Zijn Hamburge boeken hebben zonder uitzondering ene Jan Fabel in de ikrol, een Kriminalhauptkommissar. Ik las de afgelopen dagen zijn “Blood eagle”, gepubliceerd in 2005.
         In Engelstalige boeken ben je al heel wat, als je Detective Sergeant bent, laat staan Chief Constable. Hier wordt een Hauptkommissar geflankeerd door twee Oberkommissare, Maria Klee en Werner Meyer, terwijl ik naar de aanspreektitel van Anna Wollf en Paul Lindemann mag raden, maar voor minder dan gewoon Kommissar doen die het volgens mij ook niet. Taalvervuiling noemden we dat vroeger, toch?
         Het vijftal, en ook een beetje Jan Fabel’s nieuwe vriendin, psychologe Susanne Eckhardt,  neemt het op tegen verscheidene bendes, een uiterst rechtse club in de stad met o.a. vader en zoon Eitel, een zootje ongeregeld afkomstig uit de Ukraine, met ene Vasyl Vitrenko aan het hoofd, en een sekte die er vooral op uit is om het gedachtegoed van de oude Vikingen in ere te houden. Mag ik John MacSwain tot de laatste groep rekenen? Als Fabel en zijn team dan ook nog wordt tegengewerkt door kopstukken van de drugspolitie, zijn de rapen gaar. Er vallen legio doden en gewonden: een advocate, een hoertje (?), een bekende journaliste, een Turkse mafiabaas, een undercoveragent, een heroïnejunkie, andere dames en heren, noem maar op. En steeds kan Holger Braumer van de Hamburgse politie komen opdraven om op de plek van het delict naar aanwijzingen te zoeken. Worden de Eitels afgevoerd, verdwijnt Vasyl Vitrenko voorgoed achter de tralies en wat doen we met bijv. Björn Janssen en zijn aanbidding van Odin, Asatru? Na 468 bladzijden zijn jullie helemaal bijgepraat.
         Craig Russell valt me als auteur best mee. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar kan intussen begrijpen dat zijn partijtje meeblaast in thrillerland. Achteraf vraag ik me af of hij dat niet beter in het Duits had kunnen doen, zo Duits vind ik zijn royaal uitgemeten boek. Spannend vind ik zijn “Blood eagle” (Blut Adler) ook wel, maar op het einde zakt het verhaal m.i. een beetje in, helaas. Toch heb ik me er met plezier doorheen gewerkt en dat beloon ik hier graag met een 7½. Met deze proeve van bekwaamheid uit een onverwachte hoek heb ik wel wat.    

vrijdag 23 maart 2012

Weblogbrief 7.24, 23 maart 2012

Weblogbrief 7.24, 23 maart 2012

    Estimada clientela, hier is mijn weblogbrief 7.24, mijn zoveelste geschenk uit de hemel. Ik heb de afgelopen dagen echt mijn best moeten doen om voldoende spraakwater te krijgen om hem wat inhoud te geven. Haastige spoed is zelden goed, wordt gezegd, maar deze vrijdagmiddag ben ik dan toch weer spekkoning. 

    Laat ik niet beginnen met albóndigas, gehaktballetjes, toe te voegen aan mijn lijstje van tapas in mijn vorige brief, ze zijn me hier te klein. Een gehaktbal hoort, naast bijzonder smakelijk te zijn, ook een zekere substantie te hebben, een zeker volume, vind ik. En daarom is er tot dusver voor mij nog altijd maar één adres om ze aan te schaffen: bij mijn slager op het Voltaplein in Maastricht. Hij is de man die mijn ballen in de aanbieding heeft, gemaakt volgens het aloude recept van voormalige slager Huijdts op de Frankenstraat.
   
    Ik wou het hier als intro over een andere tekortkoming hebben in mijn vorige brief. In het verlengde van St. Patrick’s Day bracht ik afgelopen dinsdag Mary Black als artieste van de week. Lag ik in bed dinsdagnacht, dacht na over welke Ierse muziek ik allemaal had en kwam ook op The Chieftains uit. En  ineens schoot me te binnen dat ik van die folkgroep een cd heb die nota bene San Patricio (St. Patrick) heet, uit 2010. Daar moest ik woensdagmorgen bij mijn pot koffie het mijne van weten.
    Het volgende blijkt. Een paar jaar terug hebben The Chieftains een rondreis door Mexico gemaakt (net als Trudie en ik). De muziekopnames die ze daar toen  maakten, zijn samengebracht op een pracht van een plaat, San Patricio, 19 wunderschöne Lieder. De groep wordt per een of twee nummers door steeds andere artiesten vergezeld. Hier zijn ze, de Mexicanen en anderen die mee mochten doen: Lila Downs, Los Folkloristas, Linda Ronstadt, Los Cenzontles, Los Tigros Del Norte, Marachi Santa Fe De Jesus (Chuy) Guzman, La Negra Graciana, Carlos Nunez, Moya Brennan, Chavela Vargas, Camperos De Valles en uiteraard, zou ik zeggen, ook La Banda De Gaita De Batallón De San Patrico. De artiesten die ik al ken, heb ik voor jullie maar eens cursief gezet. Heel mooie muziek allemaal!

    En ik heb een artiest eventjes achtergehouden, maar hier komt hij dan toch. Op de cd staan ook twee nummers van The Chieftains samen met Ry Cooder. De titels van die nummers zijn: “The Sands Of Mexico” en “(Intro) Canción Mixteca”. Daarnaast is Ry Cooder prominent present als lid van de Banda De Gaita De Batallón De San Patricio, dat spreekt. De man doet het nog altijd, begrijp ik, andere, ondergewaardeerde artiesten een handje helpen. Wie herinnert zich niet, hoe hij de Buena Vista Social Club uit de vergetelheid heeft gerukt, hoe hij van Manuel Galbán opeens een fenomeen maakte, hoe hij de Rising Sons met Taj Mahal een hart onder de riem stak.
    In dat kader was Ry Cooder bijna twintig jaar terug eveneens actief als compagnon van Ali Farka Touré. Ali en nog wat, inmiddels 72 jaar, is uit Mali, ten oosten van Mauretanië, niet eens zo ver hiervandaan en is een gitarist van het zuiverste water. Reden voor Ry Cooder om met hem in 1994 de cd “Talking Timbuktu” te maken, werkelijk een beauty van een plaat, met zang en vooral gitaarmuziek om je vingers bij af te likken. Hier zijn alle tien nummers van het album:
01.    Bonde
02.    Soukora
03.    Gomni
04.    Sega
05.    Amandrai
06.    Lasidan
07.    Kelto
08.    Banga
09.    Ai Du
10.    Diaraby
    Ik zal jullie eerlijk bekennen: als iemand mij had gezegd dat het allerlei Afrikaanse tapas zijn, die titels, had ik het zo geloofd. Maar wat een mooie muziek! Luister eens met mij naar bijv. “Soukora”, “Amandrai” , “Lazidan” of “Ai Du”, je weet niet wat je hoort, zo bijzonder. Ik hoop oprecht nog de nodige andere muziek van Ali Farka Touré te kunnen bemachtigen.
    (En wisten jullie al dat hij zijn LP’s en CD’s jarenlang steeds weer dezelfde titel meegaf: Ali Farka Touré? Ik heb zes verschillende platen met die titel gevonden op Wikipedia, allemaal uit de periode 1976-1988. Pas na 1988 komen er andere namen in beeld.)

    Over een maand of wat, waarschijnlijk wordt het dinsdag 24 april om 5 uur, betreed ik hier het strijdperk met als mijn opponent Almudena (Sanchez), UHD bij het voedingsonderzoek hier. Wij tweeën gaan ons dan op gepaste wijze “vrijgele” over de vraag of/ hoe erg vet eten de kans op het krijgen van een hartvaatziekte bevordert. Dat zal gebeuren in het kader van (ik citeer uit de e-mail van Luis): The Canarian-Dutch Nutrition Research Group Entertainment. De voertaal is Spanglish; we zijn allebei veroordeeld om Engels te praten, mensen in het gehoor die daar niet zo goed in zijn ten spijt, maar desgevraagd kan een Spaans woordje of zin tussendoor geen kwaad. Hollands praten is mij is mij uitdrukkelijk verboden en Maastrichts mag ook niet.
    Almudena is klein en tenger, dus het zal jullie niet verbazen dat zij een aanhanger is van de vetarme pot. Ik daarentegen ben gevraagd om het standpunt te verdedigen dat een vette hap op zijn tijd geen kwaad kan. En ik weet het, etiologisch onderzoek en zeker voeding is al lang niet meer mijn favoriete onderwerp van studie, maar een openbare discussie over eetgewoontes en gezondheid, liefst met het aardappelschilmesje op tafel, is volgens mij nooit weg. Er wordt vooraf geloot wie mag beginnen en vervolgens krijgen Almudena en ik allebei 20 minuten om ons standpunt te presenteren. Daarna worden wij verondersteld om elkaar te ondervragen, te interrumperen en in alle vriendelijkheid met de grond gelijk te maken. Ik ben in het nadeel tussen de voedingsfreaks ter plekke, vrees ook dat Almudena ook nog terug kan vallen op enige hulp uit de zaal. Maar wat geeft het? Een paar dagen later kan ik jullie in Nederland vertellen dat ik probleemloos als winnaar uit de bus gekomen ben.

    Hoe bereid ik me op zo’n onderwerp voor? Ik ga het mezelf niet overdreven moeilijk maken, maar twee boeken over het onderwerp heb ik al uit. Allereerst is er Uffe Ravnskov’s boek “Feiten en fabels over cholesterol en cholesterolverlagende medicijnen” uit 2011, een vertaling van “The cholesterol myths”. Het tweede, uit 2008, dat ik al eerder las, is van Malcolm Kendrick en heeft als Nederlandse titel “De cholesterolhype” meegekregen; het is een vertaling van “The great cholesterol con”. Vooral het boek van Kendrick bevalt mij zeer. Beide auteurs zijn  overigens actief in THINCS, The International Network Of Cholesterol Skeptics.
    Toch kan ik niet zo maar op de twee boeken terugvallen, want die heeft hier niemand onder zijn pet. Ik ga dus nog wat relevante wetenschappelijke stukjes downloaden om aan mijn visie een mouw te breien. En later voeg ik dan nog wat grappen en klinkslagen toe om de zaak te completeren. Als jullie het leuk vinden, kom ik over een aantal weken erop terug, met een serieus probeersel van mijn presentatie.

    Het is wat met zo’n lezing van niks. Er gaat heel wat door je hoofd, althans het mijne, voordat ik bereid ben om bepaalde puntige uitspraken te doen. En één van de zaken waarover ik het wil hebben, is nou eens niet mijn precieze standpunt, maar het verschil tussen etiologie en voorlichting/opvoeding. Er is nog maar bitter weinig bekend over bepaalde voeding en het ontstaan van hartvaatziekte, onzekerheid is troef, dat wil ik in mijn voordracht graag benadrukken. Aan de andere kant, iets weten we wel, met een behoorlijke marge van onwaarschijnlijkheid. Het punt is dan, op welk moment je bereid bent, als ontvanger van de boodschap, er al rekening mee te houden.
    Ik beperk me hier tot één voorbeeld. Het lijkt erop dat bakken met olijfolie goed is voor de gezondheid, beter dan bakken met boter, margarine (transvet!) of andere olie. Maar moet ik nou bijv. de zonnebloemolie helemaal gaan afzweren en alleen nog maagdelijkste olijfolie gebruiken? Gelukkig heeft Luis me hier uit de brand geholpen door me enkele keren al, gratis en voor niks, een vijfliterfles van de superieurste olijfolie, van de Madrileense firma Vitólina, cadeau te doen. Hij krijgt daarvan hele schepen binnen in het kader van zijn bijdrage aan het onderzoek naar het nut van het mediterrane dieet. Dus die gebruik ik in mijn keuken al tijden onder het motto: of het wat voorstelt, weet ik nie, maar kwaad kan het ook niet.
    Algemener: of ik bereid ben het merendeel van mijn vet in mijn dieet te vervangen door suiker of (meer ter zake) onverzadigd vet en eiwit, dat hangt m.i. minstens zo veel af van wat ik lekker vind dan van het op peil houden van mijn gezondheid. Mijn motto: liever niet ouder dan 65 of 70 jaar worden met lol en goed van eten en drinken dan 75 of 80 met een ranzige smaak in de mond.

    In de flats aan de overkant op Luis Morote 19 gebeurt van alles. Wie ben ik om jullie met allerlei onsmakelijke details over de bewoners lastig te vallen, maar er zijn minstens twee wisselingen van de wacht, die ik niet ongepasseerd kan laten. Op vijf hoog links is het echtpaar vertrokken,  dat eerder zijn herdershond de deur uit moest doen, omdat die teveel herrie schopte, als ze werken waren. Vooral hem vond ik wel leuk, net als ik een fan van F.C. Barcelona. Echter, plotseling was hij foetsie (een nieuwe vriendin?) en iets later vertrok ook zij. Nu wordt er daar druk geboord en geklopt en zie ik een jong stel uit het raam hangen.
    Gaan we naar een hoog rechts, van mij uit gezien dan. Die “piso” heeft meer dan een jaar leeg gestaan, maar er zit nu beweging in. Het affiche met “te koop”, “se vende”, is van de ruit gehaald en zo waar heeft iemand, ik moet nog uitzoeken hoe en wat, al voorzichtig staan hakken in de zijmuur van de woonkamer. Ik ga er van uit dat er binnenkort verhuiswagens voor de deur staan, nog voor de pasen.
    Over de flat op een hoog rechts heb ik geen nieuws. Hij is kennelijk verhuurd (of verkocht) aan een dertiger die er alleen op zaterdag/zondag wel eens verblijft. Soms is zijn zoontje dan op het balkon en hij heeft ook een vriendin die af en toe opduikt. Hij is een echte poetser, loopt, als hij er is, graag met een bezem rond. Zelfs het net zo minuscule balkon als bij mij moet eraan geloven. Zij is meer van uitslapen en dan koffie en sigaretten. Door de week heb ik nog nooit iemand in die flat gezien.

    En dan wou ik nu even de uitdrukking “en profil” met jullie doornemen. “En profil”, dat is Frans voor wat precies? Een profiel is volgens mijn woordenboek een omtrek, een verzameling kenmerken, voor mijn part ook het loopvlak van een schoen). Maar “en profil”? Dat vind ik een beetje een rare uitdrukking: het is een zijaanzicht, bijv. van een gezicht op een foto, zegt mijn dictionnaire. ““En profil” gaat het nog wel, maar als je haar goed bekijkt, wat is die vrouw lelijk.”, lijkt me geen verkeerde zin.
    Is het in het Spaans ook “en perfil”? Nee, dus, wij hier hebben het over “de perfil”, als we een zijaanzicht bedoelen. “De perfil parezco más joven que lo que soy.”. Van opzij stel ik nog wel wat voor...

    Alsof ik een hond moet uitlaten, maak ik dagelijks meestal hetzelfde rondje om een uur of 6, op mijn gemak. Ik loop eerst naar hotel Reina Isabel, ga daar rechtsaf de boulevard op en eindig na een kwartier of zo op een bankje voorbij La Puntilla voor een stukje leeswerk. En terugkomen doe ik ook, heb maar geen angst.
    Halverwege, net voor de calle Tenerife wordt op dit moment druk geluchttennist. Je hebt volleyballen, je hebt tennissen, voor mijn part heb je ook nog squash, maar hier in het zand is er dit weekend een tenniscompetitie met echte harde batjes, waarbij het net min of meer op volleybalhoogte gespannen is. Meestal is het twee tegen twee. Echter, daar is het me niet om te doen nu. Ik wijs jullie op het driehoekige plein aan de boulevard ter hoogte van het luchttennis. Dat is genoemd naar een overleden dichter uit Telde, en Telde is zoals jullie behoren te weten, een plaatsje op een half uurtje ten zuiden van Las Palmas, met zo’n 20.000 inwoners. De naam van de poëet is Saulo Torón. Allé, omdat jullie zo blijven  aandringen, wijd ik vandaag mijn Spaans minilesje aan hem.
    La plaza de Saulo Torón constituye uno de los rincones con más sabor propio del largo paseo que bordea la playa. Restaurado convenientemente, se ha dedicado a este gran poeta teldense (1885-1974), que vivió y trabajó durante muchas décadas en esta zona de la ciudad, y cantó al Atlantico con versos tan íntimos, llenos de ineludibles querencias, como aquellos en los que nos dice como “De tanto mirar al mar/ voy creendo sólo en él/ y olvidando lo demás”.
    Entre sus obras destaca “Las monedas de cobre” (1919), con un poema inicial del poeta Pedro Salinas, “El caracol encantado” (1926)  y “Canciones de la orilla” (1932), con versos que tanto evocan esta Playa de las Canteras.”     Rest mij nog een opmerking. Drie bundeltjes in dertien jaar tijd, tussen 1919 en 1932, dat houdt niet over, maar wie ben ik om daarover te kankeren. Mijn vraag is wat de beroemde  woordkunstenaar daarna deed. Had hij daarnaast een baan, zoals wij allen? Of heeft hij al die jaren na 1932, het zijn er nog 42, vooral uit zijn neus zitten eten en verder niks? Het minste wat je van een uitgedichte dichter mag verwachten, is dat hij daarna heeft meegeholpen om het Plaza de Saulo Torón aan te leggen en schoon te houden? En vooruit, vanaf 1950, als hij 65 wordt, sturen we hem met AOW. 

    Aan alles komt een eind, wordt wel gezegd, aan deze brief zeker. Ik vind hem voor een tussendoortje best aardig in elkaar steken. Zo niet, jullie moeten het er maar voor doen, ik houd er nu mee op en ga nog een nieuwe poging wagen om rond het filmfestival in Monopol een klein ruikertje bloemen buiten te zetten. Het weekend komt eraan!
    Voor nu, ik acht de tijd gekomen om van het mooie weer te gaan profiteren, hoewel, waaien doet het sinds gisteren wel en behoorlijk ook. Ik hoop maar dat het snel weer ophoudt. En dat bij jullie nu ook wat lenteriger wordt. Lenteriger, is dat geen goed Nederlands? Luister dan maar eens naar een van de mooiste nummers van Toon Hermans: Lente me, van zijn allerlaatste cd “Als de liefde”. Zo maken ze die niet meer, die liedjes, denk ik wel eens. Over een dag of vier, vijf horen jullie weer van me, als er intussen geen rare dingen gebeuren. Jullie krijgen de “compleminte” van me, deze keer speciaal Bölke, de poes van Trudie, en tot ziens maar weer, hasta luego, PaulK.

BOEKBIJLAGE

    Kennen jullie de thrillerschrijfster S.J. Rozan nog, Shira Judith in haar vriendenkring? Eerder besprak ik van deze van origine architecte in deze rubriek “No colder place”, dat 100 % in New York speelt, haar stad. Toen ze in 2001 met “Reflecting the sky” kwam, het boek dat hier aan de beurt is, was ze 50 jaar. Ze won eerder al mooie prijzen en met dit boek de prestigieuze Best Private Investigator medaille of zo van 2002. De setting van het boek is wonderwel niet in The Big Apple, maar Hong Kong vandaag de dag. De beetje vreemde titel verwijst naar een van de vele ondoorgrondelijke spreuken in het boek: “Swiftly running water does not reflect the sky”.
    Ik heb nog een aardigheidje vooraf. In het eerder boek van S.J. Rozan dat ik las, was Bill Smith de ikfiguur, met zijn partner Lydia Chin in een bijrol. Hier is het omgekeerde het geval. Lydia, Ling Wan-Ju is het Kantonees, uit het New Yorkse Chinatown gaat in dit boek voor de glansrol. Ze wordt gevraagd om namens opa Gao de begrafenis te bezoeken van Wei Yao-Shi in Hong Kong en vooruit, Bill mag wel meekomen.
    De familie met de achternaam Wei domineert het verhaal. Yao-Shi hield er bij zijn leven in New York een vrouw op na en een zoon genaamd Frank (Fu-Ran), terwijl hij in Hong Kong ook een vrouw had zitten, ook met een zoon, Steven (Di-Fen). Steven op zijn beurt heeft ook weer een zoon Harry (Hao-Han) die nu zeven jaar is en in het begin van het boek al spoorloos is. Heeft de broer van Yao-Shi, genaamd Wei Ang-Ran, iets met de kidnapping van doen? Andere figuren ten huize van Steven zijn diens zwangere vrouw Li-Ling, zijn advocate Zhu Nai-Qian (Natalie) en niet te vergeten Maria Quezon. De laatste is afkomstig uit de naburige Philippijnen, ze is dus Filipina, waar ken ik dat woord ook alweer van, dames? Maria is de au pair, de amah van Harry en geeft net als Harry niet thuis tot op het einde van het boek. En Lydia Chin werkt in het boek intensief samen met detective sergeant Mark Quen (Quan Mai) van de Hong Kong politie, die zelfs nog een oogje op haar laat vallen, in het nette dan.     Jullie willen ook namen van boeven, mannen van de triade Strength And Harmony, die het import/exportbedrijf van Wei Ang-Ran gebruikt om de mooiste spullen uit China te smokkelen en te verkopen in Hong Kong of New York? Dan kan ik niet heen om namen als Iron Fist Chang, Tony Siu en Big John Chou? Echt slim zijn ze niet, zeker Tony en John moeten het vooral van hun spierbundels hebben, maar hun baas, antiekhandelaar Lee Lao Li is dat des te meer. Gelukkig, alles komt uiteindelijk wel op zijn pootjes terecht, als ik een enkele  dode hier en daar niet mee hoef te rekenen. Een veredelde bloedneus, dat is wat Bill eraan overhoudt en Lydia zelfs wat kleren.
    En mag ik dan nu naar mijn oordeel? Ik vind “Reflecting the sky” een heel aardig boek, best te pruimen en op zijn tijd ook wel geestig. Ook komt er genoeg eten voorbij om mij het water in de mond te laten lopen en zelfs genoeg sigaretjes en alcoholische drank, vooral als Bill “hot damn” Smith in beeld is. Echter, het verhaal duurt mij een beetje al te lang, als ik eerlijk moet zijn. Er zijn net iets te veel vragen naar mijn zin met bijbehorende antwoorden, waar ik me doorheen moet worstelen en dus was ik ook wel een blij mens, toen ik de laatste bladzijde 351 uit had. Dat vinden jullie terug in mijn recensiecijfer van “Reflecting the sky”. Ik geef S.J. Rozan een dikke 7 voor haar boek, maar meer zit er helaas niet in.  
       

dinsdag 20 maart 2012

Weblogbrief 7.23, 20 maart 2012

Weblogbrief 7.23, 20 maart 2012

    Buenos días, los de casa, laat ik er vandaag maar eens direct inkomen. Na mijn vorige bezoek aan de universiteit hier, op vrijdagmiddag laat. nam ik vanaf het oude faculteitsgebouw bus 12 naar de oude stad, Vegueta/Triana, nauwkeuriger gezegd naar het (nieuwe) theater daar. Vervolgens begaf ik mij opwaarts naar mijn Plaza De Las Ranas, in de verwachting dat het bij filmzaal Monopol al wel razend druk zou zijn om de filmfans te bedienen. Immers, het alweer dertiende filmfestival van Las Palmas begon op vrijdag 16 maart (t/m 24). Echter, helemaal niks was er nog te zien en te beleven, misschien was ik te vroeg. Dus verlegde ik mijn route naar het Cairascoplein met het mooie witte gebouw en opzij daarvan hotel Madrid. Daar was het gelukkig wel al te doen. Op het royale terras was geen tafeltje meer vrij, zodat ik mijn weekend noodzakelijkerwijs moest beginnen met op een bankje daar plaats te nemen.
    Op de terugweg keek ik nog eens opnieuw bij Monopol en nu was er tenminste een tafel bij de ingang geposteerd met daarachter enige behulpzame dames. De aankondigingen van wat er deze week allemaal te doen zal zijn, lieten nog even op zich wachten. Dus liep ik maar weer omlaag naar de winkelstraat, calle mayor de Triana. Op nummertje 41 bevindt zich daar pub McCarthy’s, Ierser kan niet. Het grote café, best groot, is permanent opgesierd met allerlei beroemde Guinness reclames, tot in de toiletten toe, terwijl de buitengevel opgesierd is met een ouderwetse, alweer Guinness, klok. En jullie weten het: zo’n half litertje Guinnessbier sla ik niet af, als iemand van jullie mij daarop eens wil tracteren (bijv. in Wieck in die Ierse tent aon de aw Maosbrögk). En wat hing in de enige etalage van McCarthy’s? Een Ierse vlag in de bekende kleuren groen, wit, oranje, met in het witte deel het woord St. Patrick’s Day. Immers, de dag erop, afgelopen zaterdag, was het zo ver: dan mocht alles wat Iers is, weer eens uit zijn dak gaan, ook in Las Palmas.
   
    Wat mij vanzelf bij mijn eerste muziek brengt, de stemmige stem van Mary Black. Voor de liefhebbers, de Ierse dame is van 1955 en inmiddels 56 jaar oud. Kennen jullie haar al/nog? Vele jaren terug heb ik eens een verzamelcd van haar bemachtigd, ik geloof via Centere Ceramique, met de foute titel “The collection”. Die cd heb ik daarna ik weet niet hoe vaak gedraaid in Maastricht. En waarom niet, hier zijn alle veertien nummers van die cd:
01.    The moon and St Christopher
02.    No frontiers
03.    Babes in the wood
04.    Carolina Rua
05.    Katie
06.    Columbus
07.    Adam at the window
08.    Ellis Island
09.    Bright blue rose
10.    Past the point of rescue
11.    Only a woman’s heart
12.    Roisin
13.    Tearing up the town
14.    There’s a train that leaves tonight
    Zo’n nummers als “Columbus”, “Ellis Island” en nog meer “The moon and St. Christopher”, daar kun je toch mee thuiskomen.
    Veel en veel later, was het afgelopen zomer of eerder, kon ik ineens (haast) alle andere platen van Mary Black op de kop tikken. Blijkens mijn LaCie is mijn “coup” van juni 2010, bijna twee jaar geleden dus. In mijn herinnering komt de hele bups van Henk van Berkel, waarvoor mijn hartelijke dank, Henk. Wat zal ik nog van Mary Black zeggen? Ze kweelt als een engeltje dat op je tong piest, foute vergelijking, en past haar muziek niet prima bij 17 maart, St. Patrick’s Day? Hier is mijn Mary Black collectie, tien studio-albums plus nog twee andere compilaties, naast “The collection” uit 2000:
(1983) Mary Black
(1985) Without the fanfare
(1987) By the time it gets dark
(1989) No frontiers
(1991) Babes in the wood
(1993) The holy ground
(1995) Circus
(1997) Shine
(2000) Speaking with the angel
(2005) Full Tide
(C1988) Collected
(C1995) Looking back
    Blijkt dat ik alleen de allerlaatste originele cd nog mis, “Stories from the sleepless” uit 2012. En, eerlijk is eerlijk, Mary Black lijkt meer op te hebben met St. Chrispher dan met St. Patrick. St. Christopher, be my guide, hoor ik haar roepen op het nummer “The moon and St. Christopher”.
    En jullie vragen je natuurlijk af, waar dat hele idee van St. Patrick’s Day dan wel vandaan komt. Laat ik de “Eyewitness Travel” van Dublin nou hier bij de hand hebben, omdat ik begin mei met Trudie en Marij een lang weekend naar Dublin ga. Dus kan ik de nieuwsgierigen onder jullie op hun wenken bedienen. De heilige Patrick, dat is de man die de Kelten gekerstend heeft, in 432 Anno Domini en daarna. Rond 450 was hij druk doende om al die Ieren te dopen, volgens het verhaal op de plek waar later, in de twaalfde eeuw, de St. Patrick’s Cathedral is gebouwd. Vandaag de dag is St. Patrick’s Day op 17 maart (en de dagen ervoor) het moment waarop de traditionele Ierse muziek in het zonnetje wordt gezet, vooral in de buurt van de Dublinse wijk Temple Bar. En daar moet op gedronken worden, hi ha ho! St. Patrick’s Day, het is een gelegenheid bij uitstek om de nalatenschap van Arthur Guinness van stal te halen. Hij begon in 1759 een brouwerijtje in Dublin en daarvandaan stamt zijn “black ale called porter” (voor details, zie mijn reisgids). Die drank, Dublins enige echte Guinness, een “stout”, maar dat mag je in Dublin niet zeggen, beschouw ik als een van de smakelijkste dranken die ik ken. Prosit!

    En wat bak ik ervan, muzikalerwijs in de nadagen van St. Patrick’s Day? Ik kon jullie moeilijk tot aan vandaag, dinsdag, met alleen maar de muziek van Mary Black lastig vallen, alles heeft zijn tijd en plaats. Dus heb ik mezelf vanaf maandagmorgen maar eens getrakteerd op iets nieuws van Canadese grijsaard Leonard Cohen. Ik heb de man van “Susanne”, “Sisers of mercy” en “So long, Marianne”, maar die nummers zijn echt van heel, heel lang geleden, nagenoeg compleet op mijn externe schijf, maar op zijn uitgestelde sterfbed, hij is intussen 77 jaar, verrast hij me toch nog weer een keer. Zijn uiterst recente, nieuwe cd heet “Old ideas”. Hij betaalt zijn bijdrage aan het bejaardenhuis door af en toe nog op te treden samen met een aimabel dameskoortje. Hier zijn de tien nummers van “Old ideas”, Leonard Cohen’s nieuwste gedachtegoed:
01.    Going home
02.    Amen
03.    Show me the place
04.    Darkness
05.    Anyhow
06.    Crazy to love you
07.    Come healing
08.    Banjo
09.    Lullaby
10.    Different sides
    Jullie hebben geen tijd om ze allemaal een paar keer af te luisteren? Dan beveel ik er een paar aan, omdat ze m.i. boven het maaiveld uitsteken: “Going home”, “Amen”, “Darkness” en “Banjo”. Vooral “Amen” kan er meer dan mee door. Met dank aan Jorge, die voor mij graag ook nog maar eens “Philip Glass: book of longing” uit 2007 en “Songs from the road” uit 2010 uit zijn hoge hoed moet toveren. 

    En dan acht ik de tijd rijp om jullie even bij te praten over de Nederlandse politiek. De rol van het christelijke midden, een hoofdrol zelfs tot/met van Agt met ook nog eens Balkenendse oprisping erna, is nu toch wel definitief uitgespeeld, denk ik. Nog even en wat rest, is een handje conservatievelingen met de Here in hun vaandel, voor wie het afwachten is of ze nog in de hemel komen. In mijn perceptie gaan de christenen zich nog eens verenigen met de groeiende groep aanhangers van Allah en Mohammed, om aldus een nieuw achtsblok te vormen.
    Rechts heeft onlangs zijn positie royaal verstevigd; hoe is het mogelijk, vraag ik mij in arren moede af, zo vlak na “de financiële crisis”. De broekriem moet toch niet een of meer gaatjes strakker, omdat de bouwvakker, de vuilnisman  en de onderwijzer het hebben laten afweten? De huidige impasse heeft toch vooral van doen met het steeds akeliger graaien van de rijken en de grote bedrijven? Hoe dan ook, Marc Rutte, jong en dan wil je wel eens wat, zit in het Catshuis te glunderen, na zijn verkiezing boven Rita Verdonk in de VVD een aantal jaren terug. En rechts van rechts heeft de club rond Geert Wilders een tweede partij van betekenis geformeerd.
    Hoe zit het aan de linkerkant? Daar zijn me al vele jaren iets teveel partijen actief, de Christenunie en de partij voor de Dieren niet meegerekend. Het gaat om het viertal Democraten 66, de Partij van de Arbeid, de Socialistische Partij en Groen Links. Kan het niet wat minder, jongens en meisjes, zou een linkse club of vooruit twee niet meer zin hebben? Ik vind sowieso dat de PvdA en de SP al veel eerder een groot socialistisch blok hadden moeten vormen. Onder Jan Marijnisse en Wouter Bos was dat misschien niet zo eenvoudig, ervan uitgaande dat twee kapiteins op één schip er een te veel is (wat ik niet vind). De recente periode daarna liet een Job Cohen zien die er als fractievoorzitter echt helemaal niks van terecht bracht. En, vooruit na Agnes Kant, daar kwam Emiel Roemer uit het niets die zich wel in tijd van niks tot een geschikte partijleider ontpopte. Wat had er dan meer voor de hand gelegen dan dat de PvdA en de SP zich zouden hebben samengevoegd tot een nieuwe partij?
    Nee dus, terwijl de SP groeit als kool, moest onlangs een verkiezing binnen de PvdA gaan beslissen wie van de fractieleden - ook dat nog, dat sluit een aantal interessante mensen uit - Cohen zou opvolgen, om voor te gaan bij het bestrijden van het gedachtegoed van vooral de SP in plaats van dat van rechts. Al direct dacht ik: als het dan maar Ronald Plasterk wordt, dat is tenminste nog een aardige man met kennis van zaken en daarbij acht ik hem er niet te beroerd voor om te proberen er links wat van te gaan maken. Helaas, pindakaas, sinds vrijdagmiddag weten we dat hij met 32% van de stemmen van de leden genoegen moest nemen, terwijl een van zijn medekandidaten, Diederik Samson, goed was voor 54%. Dus is de man die Greenpeace als opstapje gebruikte om de Nederlandse politiek met zijn gezicht te verrijken, de kersverse nieuwe leider van de PvdA. Uit zijn nek praten kan hij wel, die Samson, maar hoeveel linkse bagage heeft hij nou eigenlijk? Iemand als Emiel Roemer en ook mensen als Rutte en Wilders ter rechterzijde maken in tijd van niks gehakt van hem, denk ik. De PvdA met Diederik Samson aan het hoofd heeft voor mij als socialistische partij definitief afgedaan. Wie gelooft serieus dat we na de rechtse meute Rutte, Verhagen & Wilders rijp zijn voor minister-president Samson en zijn kabinet, binnenkort op de bordestrappen met koning Willem IV? Een werkelijk belachelijk idee!

    Zaterdagavond was ik hier te gast bij bankmedewerker August. Met ondergetekende waren daar eveneens mijn compaan Noé en zijn nieuw verworven vriendin Shiva. Het meisje met een Indische naam is scheikundige en werkt in Santa Cruz de Tenerefe voor Coca Cola. Wat waren we gevieren blij, toen het jazzgezelschapje voor La Guarida eindelijk uitgebonjourd was. Het bracht er niet echt iets van terecht, was mijn mening. Even later waren we toeschouwer bij het optreden van een aanmerkelijk betere rockband aan het basketbalveld langs de boulevard, maar daar liet het geluid het na enkele prachtnummers definitief afweten. Dus werd het tijd voor de warme maaltijd. We belandden op bijna het einde van de Guanarteme eerst bij een Hypercorwinkel (van El Corte Inglés) die mij nog onbekend was en daarna mochten we ons bij August op zijn krukken nestelen.
    Eten is hier meestal wat anders dan bij ons, ik denk veel relaxter en ook vanzelfsprekender. Om ongeveer half 9 werd in August zijn flat de eerste drank ingeschonken, ik bier en de anderen rode wijn. Daarna werd met het hoofdgerecht bereiden begonnen en kwamen daarvóór al snel drie soorten tapas op tafel: chorizoworst met stokbrood, groene asperges en champignons met een sausje. Om te vervolgen met  grote biefstukken en vers in de olie gebakken frieten. Het nagerecht bestond uit sterke drank (tequila, whisky), als kleine glaasjes, chupitos, dan wel aangelengd met Firgas, Coca Cola en 7-up, met voor de liefhebber nog allerlei mierenzoete baklava en zo. De weg terug naar mijn flat viel me zaterdagavond laat niet gemakkelijk. Om even voor 1 kroop ik onder de wol, nou ja, mijn katoenen dekentje dan.

    Had ik jullie vorige week niet beloofd dat ik ter afwisseling eens iets zou vertellen over rapmuziek? Dan moest ik daar nu maar eens gevolg aan geven. Met name de mensen van mijn leeftijd zullen mij voor een “sissy” uitmaken, maar op zijn tijd kan ik een stukje hiphop, rap best waarderen. Goed rapmuziek bemachtigen is weer een ander chapiter. Bijv. Jorge hier is oprecht van mening dat er na “Rapper’s delight” van de Sugarhill Gang, een nummer uit 1980, geen ruimte meer was voor nog meer van die “trash”. En dus, jongens en meisjes, kon hij mij niet terwille zijn, toen ik hem de afgelopen jaren, een paar keer zelfs, vroeg om mij eens een en ander “van die hiphop” te downloaden. Hij gaf eenvoudigweg niet thuis, zelfs niet, toen ik op de proppen kwam met het onvergetelijke “Jam” van Michael Jackson, afkomstig van de cd Dangerous uit 1991. En ook de prachtcd “The Eminem show” uit 2002  kon hem niet vermurwen. Zonder ook maar iets van mijn gading te bemachtigen moest ik mijn flat hier weer opzoeken.
    Maar het erbij laten zitten is niet mijn ding. Dus ben ik afgelopen zomer Centre Ceramique in Maastricht maar eens gaan frequenteren om mijn collectie hiphop enigszins op peil te brengen. Een eerste begin is intussen gemaakt; ik heb enige muziek van de volgende, bijna zonder uitzondering zwarte artiesten:
50 Cent
Beasty Boys
Dr Dre
Eminem
Gorillaz
Ice Cube
Jay-Z
Kayne West
Michael Jackson
Puff Daddy & The Family
Snoop Dogg
Sugarhill Gang
Timbaland
    Het beste van allemaal bevalt mij nog steeds Eminem, Slim Shady, van wie ik vijf cd’s heb. In de zwarte wereld van de rap is hij misschien wel de enige blanke die er mee door kan. Volgens mij dan, voor bijv. de Marokkaanse Ali B uit ons eigen kikkerland kom ik niet mijn bed uit, zet ik zelfs mijn kussen niet rechtop.
    En nou komt een aanbeveling van mij: de verschillende rappers zijn het meest presentabel, vind ik, als ik er een stukje video bij krijg. Het huidige medium voor de videoclip is vanzelfsprekend MTV en dus presenteer ik jullie trots de 25 nummers van de EMINEM MTV Collection. De DVD heeft geloof ik als ondertitel ”music hour”, maar bevat, zonder onderbreking, nummers van Eminem, vaak samen met anderen, over een totale tijdsduur van 1 uur 57 minuten. Waarom kopiëren jullie hem niet ook even van de bibliotheek, net als ik? Prachtig, al die clips van Eminem, what a jam:
Not afraid
Love the way you lie (ft. Rihanna)
Beautiful
Not afraid & Love the way you lie   
Forever
Fight music
Forget about Dre
Just lose it
Like toy soldiers
Just don’t give a shit
Lose yourself
Purple pills
My name is
Ass like that
Crack a bottle
Don’t approach me
Cleaning out my closet
Gatman & Robbin
Git up
Mockingbird
Mosh
My band
Guilty conscience
How come
3 AM
    Jorge met zijn softe gedoe kan me gestolen worden. Een middagje Eminem en verkocht en verknocht ben ik. En niet alleen met Eminem kan ik een feestje in mijn hoofd bouwen; ook sommige andere hiphop op mijn schijf is daartoe in staat. Nou jullie nog...

    Waar blijft mijn Spaanse lesje? Mijn pot Ybarra mayonaise heeft een deksel met daarop aan de zijkant: “Nueva tapa con botón de seguridad”. Mooi, hè? Bovendien staat bovenop de deksel (of moet ik spreken van het deksel?): “Cerrado al vacio. Debe hacer “clic” al abrir”. Ik heb de mayonaisepot al de nodige keren open en dicht gedaan, maar “clic”, ho maar. Gelukkig is de inhoud nog steeds prima te gebruiken als dressing, o.a. bij het uitserveren van tapas.
    Tapa, het woord komt ook van zo’n dekseltje. Men deed een dekseltje op zijn glas om de vliegen weg te houden; voor de aardigheid deed het café er een minihapje op en zo is de trend geboren. Vandaag de dag zijn er allerlei soorten tapas te koop in cafés. Zelfs zijn er restaurants die gespecialiseerd zijn in tapas. En dan heb ik het niet alleen over cacahuetes, of iets breder frutas secas, ook niet over alleen olivas of pimientos. De keuze is meestal veel ruimer. Hier zijn wat voorbeelden: chopitos, puntitos, pinchos de tortilla, champiñones con ajo, pedazos de chorizo, jamon  iberico, gambanitas, sardines, camarones, ropa vieja, quezo azul, anguila. De weet ik hoeveel soorten bocadillos in de aanbieding en de verscheidene comidas combinados laat ik dan maar even voor wat ze zijn.

    ¡Ya es primavera! Met die slagzin probeert El Corte Inglés mij al jarenlang te verleiden tot voorjaarsaankopen rond deze tijd van het jaar. Ik zag de aankondiging dit weekend ook weer staan, maar is dat niet een beetje voorbarig? De enige echte lente begint morgen pas, de 21ste en geen dag eerder, wat mij betreft. Dus vandaag, dinsdag, mogen jullie nog knus bij de kachel zitten, als vanaf morgen de ramen en deuren maar open gaan en de voorjaarsschoonmaak begint. Aanstaand weekend mag de klok zelfs weer verzet worden; hebben we ’s avonds weer een uur langer licht, maar in de vroege morgen moeten even de lampen aan. Het zij zo, verhelpen kan ik het in ieder geval niet. Maak er wat van, zou ik zeggen.
    En met deze opwekkende woorden brei ik een einde aan mijn alweer blog nummertje 7.23. Het duur waarschijnlijk een week, voordat ik jullie opnieuw mag lastig vallen. Voor de tussentijd is mijn advies: een zwaluw maakt nog geen zomer, maar wat moet een mens met een zwaluw? Tot ziens maar weer, hasta luego, van jullie hondstrouwe kanarie PaulK.
     
BOEKBIJLAGE

    Nu dien ik natuurlijk een Iers leesboek te kiezen, in stijl passend bij St. Patrick’s Day, Día de San Patricio, om het eens op zijn Spaans te zeggen. Echter, volgens mij is het enige boek uit Ierland dat ik heb, Ulysses van James Joyce en daar is, laat ik het maar toegeven, werkelijk geen doorkomen aan.  Na lezing van de eerste 150 bladzijden, van de 850, dacht ik: nu is de tijd gekomen om een pauze in te lassen, misschien wel een heel lange. Dus ben ik vrijdag noodzakelijkerwijs uitgeweken naar Schotland, dat in mijn simpele hoofd het dichtst bij Ierland in de buurt komt.
    Dit tweede deel van mijn halfmaartse blog moet het doen met alweer maar één boek, wel een Schots boek. Het heet “Resurrection men”, is uit 2001 en geschreven door thrillerkampioen Ian Rankin. Het speelt uiteraard in Edinburgh, zoals alle boeken van Ian Rankin, maar ook de steden Dundee, Glasgow en politieschool Tulliallan, halverwege tussen Edinburgh en Glasgow, komen aan bod. Om te bewijzen dat ik het helemaal uit heb gelezen, kom ik met een citaat bijna helemaal op het eind, op bladzijde 464. Daar zegt een van de meedoeners, McCullough: “I think some tombstones are best left undisturbed.” En dan denkt Rebus: “He is referring to resurrection.” De titel van het boek verwijst naar grafschenners, mensen die er lol in scheppen om op een kerkhof overledenen weer uit de grond te halen (en daarnaast wordt er ook minnetjes gerefereerd aan De Dag Des Oordeels, voor de gelovigen onder jullie).
    Hoofdpersoon in het boek is uiteraard John Rebus, detective inspector in Edinburgh. Als hij tijdens een ochtendsessie een kop thee naar het hoofd van zijn bazin Gill Templer gooit, moet hij voor straf op cursus in Tulliallan, “the last chance saloon” vóór zijn eventueel definitieve ontslag. Daar treft hij de andere vijf mensen van “the wild bunch”, met wie hij moet gaan werken aan een oude zaak, de moord op Rico Lomax zes jaar eerder, onder leiding van hoge politiepiet Archie Tennant. De andere vijf politiemensen met als gezamenlijk kenmerk dat ze net als Jihn Rebus met gezag niet veel ophebben, zijn: Allan Ward, Francis Gray, Jazz McCullough, Stu Sutherland en Tam Barclay. Die weten niet dat John Rebus een dubbele agenda heeft. In opdracht van een nog hogere politieman dan Tennant, Chief Constable David Strathern, moet hij ter plekke bekijken hoe corrupt sommige van de andere vijf wel zijn.
    Terwijl John Rebus met zijn coollega’s “the dead case” bestudeert, is zijn maatje Siobhan (dat is Gaelic voor “Shiv”) Clarke, detective sergeant, doende om, nu zonder hem, de moord op kunsthandelaar Eddie Marber op te lossen. Daarbij krijgt ze hulp van o.a. jonkie Davie Hynds en computerfanaat Eric Bain. Plus uiteraard toch weer van John Rebus, die het niet kan laten om zich tussendoor toch weer met het thuisfront te bemoeien. Siobhan komt uiteindelijk bij kunstenaar Malcolm Neilson als dader terecht, maar eerlijk gezegd gelooft ze niet echt dat hij de moord op zijn geweten heeft. Eddie Marber ging op zijn laatste “rit” per taxi naar huis, een taxi van het bedrijf MG Cabs. Is dat niet genoemd naar de favoriete auto, MG, van superboef Cafferty? De bazin van het bedrijf is ene Ellen Dempsey en laat die nou wat hebben met een van de mensen van “the wild bunch”. Vallen de twee zaken, die van Rico Lomax en van Eddie Marber dan in elkaar?
    “Resurrection men” heeft een vracht aan spelers in interessante bijrollen. Om er een stuk op wat te noemen, lees het boek en jullie weten meer van bijv. Bernie Johns, Dickie Diamond, Laura Stafford, “the Weasel” en ga zo maar door. Zelfs gaan jullie dan misschien (ik niet) begrijpen waarom Siobhan Clarke eindigt op de bank bij counseller Andre Thomson. Ik voorspel jullie trouwens: die Siobhan en John Rebus eindigen nog eens, over een boek of wat, in elkaars armen.
    Al het vorige gezegd hebbend, doe ik mede om jullie rijp te maken voor mijn oordeel. Ik vind “Resurrection men” een heel spannend boek en het feit dat hoofdrolspelers als John Rebus en Siobhan Clarke zich af en toe te buiten gaan, hij aan drank en zij aan zoetigheid, maakt mijn interesse er niet minder om, integendeel. Ian Rankin heeft met dit boek een echte klassieker afgeleverd en beloon hem daar graag voor met een 8½. Een ietsje meer humor en “resurrection men” was met een 9 terug de kast in gegaan. Wat kan de man goed schrijven!