dinsdag 12 maart 2013

Weblogbrief 8.21, 12 maart 2013



Weblogbrief 8.21, 12 maart 2013

         Soms, queridos amiguitos, doe je iets te laat, had je iets eerder moeten doen. Vorig weekend was het hier aan het waaien, dat houden jullie niet voor mogelijk, zo erg. Het begon bij mijn weten op zaterdagavond, overdag op zondag ging het wel, maar zondagavond was het woord “storm” op zijn plaats. En ik ben niet iemand die dergelijke woorden gemakkelijk uit mijn mond laat komen.
         Aan het begin van de zondagavond liep ik over de boulevard, als een van de zeer weinigen, bleek, in de richting van La Puntilla. Op bijna alle plaatsen waren de terrasstoelen weggehaald. Vlak voor de kiosk van het toeristenbureau zijn vijf terrassen op een rijtje vandaag de dag. Alleen Chinees Hong Kong had nog een paar stoelen en tafeltjes tegen de muur van de zaak staan. Daar zaten de mensen pal tegen de muur die uit waren op een verzetje dan wel binnen geen plek meer hadden kunnen krijgen. Ik liep, wat zeg ik, snelde haast vanzelf langs Las Canteras. In een van de eetzaakjes vlakbij calle Ferreras stonden wel nog enkele tafeltjes en stoelen buiten, maar die schoven onder mijn neus in de richting van het strand.
         Over de terugweg naar mijn flat zal ik het maar niet echt hebben. Toen kwam ik ineens nauwelijks vooruit en kreeg al het zand tegen me aan dat met het onheil meekwam. Thuis op mijn balkon, loggia eigenlijk, was het even later moeilijk uit te houden vanwege een plotselinge felle regenbui, die mij deed opschrikken, terwijl enkele grote palmtakken tot ver op mijn balkon zwiepten. Dan ga je maar naar binnen, toch, om met een muziekje op de achtergrond in een boek te gaan neuzen.
         Gelukkig was de storm maandag een stuk minder heftig en regende het haast niet meer. Dinsdagmorgen, toen ik opstond, waaide het nog wel, maar niet echt meer, een briesje. Ik had die dinsdag om 1 uur een afspraak met Lluis op de faculteit, over mijn flat en het werk. Dus dacht ik: laat ik hem eerst maar eens vragen hoe het precies zit, voordat ik bij jullie met de vreemdste verhalen kom aanzetten. En zo waar, al op weg naar mijn bus op Santa Catalina was er veel minder wind en bij het oude faculteitsgebouw aangekomen leek het wel of de “sorocco” (zo heet dat hier?) de geest had gegeven, definitief of in ieder geval tijdelijk. Van enige stormwind heb ik sindsdien inderdaad niet de minste last meer gehad.
         Vorige week maandag was in Madrid de persconferentie van het grote, voormalige onderzoeksproject Predimed. Er zou gebleken zijn, tot mijn verrassing, dat het mediterrane dieet mensen beschermt tegen het ontstaan van hart- en vaatziekten. Als ik het wel heb, is het verhaal intussen de hele wereld over gegaan. Lluis en onze afdeling waren verantwoordelijk voor het Gran Canarische deel van de multicenter studie en dus liet Lluis zich graag een aantal interviews welgevallen, samen met Jacqueline en Helena, de twee onderzoeksassistentes, Daar was hij tot in het weekend mee bezig geweest, maar ook hem had de storm rond 3 maart verrast. Echter, op dinsdagmiddag vertelde hij mij onomwonden dat alles vanaf nu weer zou zijn zoals wij van Las Palmas dat kennen: lekker weer, af en toe wat bewolking en nauwelijks of geen wind.
         Dat lijkt me een passend einde van mijn weerpraatje, maar hier is nog een staartje. Voor mij is Palmzondag de dag om de takken van mijn palmboom, die al te dichtbij komen, te snoeien. Ze horen immers niet bij al een vleugje wind over mijn balkon te gaan zwiepen. Was het dus wachten tot 24 maart, Palmzondag, voordat ik in actie mocht komen? Nee dus, wat moet gebeuren, moet gebeuren. Dus heb ik afgelopen woensdag alvast een grote palmtak drastisch gekortwiekt. Zijn uiteinde zit nou, bij mooi en windloos weer, op een kleine meter van mijn balkon. Zo doe ik dat, korte metten maak ik met al dat groen, als het niet anders kan!

         Een belangrijke gebeurtenis van de afgelopen week, misschien wel de belangrijkste, is het overlijden van Hugo Chávez, de president van Venezuela op 5 maart jongstleden. De uiterst charismatische man van linkse signatuur met een hang naar klinkend mediaoptreden is niet ouder dan 58 jaar geworden. Hij zou overleden zijn aan een “kanker van de onderbuik” volgens NU.NL, nadat hij daar al twee jaar onder gebukt ging en er in het land van zijn vriend Fidel Castro al vier keer aan geopereerd was. In de regeerperiode van Chávez, vanaf 1998, 1999, heeft hij nogal wat buitenlandse bedrijven genationaliseerd, vooral die met een overmatige belangstelling voor olie. Dat werd hem door nogal wat mensen niet in dank afgenomen, George W. Bush en hij waren bijv. niet echt elkaars vrienden.
         Op de uitvaart afgelopen vrijdag in Caracas was er niettemin een hele serie hoogwaardigheidsbekleders, vooral die met linkse ideeën. Tot mij verrassing was ook filmacteur Sean Penn present, wat ik voor hem vind pleiten. Binnen een maand, de verkiezing is op 14 april, moet er nu een opvolger komen voor Hugo Chávez en in afwachting daarvan past vice-president Nicolás Maduro op het huis. Het zal me benieuwen of de VS met zijn overlijden een nieuwe kans krijgen om het land in de greep te krijgen. Immers, het stikt er van de olie en wie wil die niet? En daarbij, wordt het niet tijd voor de VS “om het land eindelijk van zijn communistisch verleden te verlossen”? Aan de andere kant, wat is er tegen een door het eigen volk gewenst communisme, waarbij de bodemschatten nou eens niet voor een habbekrats naar elders worden verscheept, zoals in bijv. Nigeria? Misschien moet die Nicolás Maduro de aanstaande verkiezing maar winnen, waarom niet?

         Gaan we naar mijn muziek van deze week. Kennen jullie ene Magic Slim? En iemand met dezelfde artiestenvoornaam, Magic Sam? Of, een iets gemakkelijker raadseltje, iemand met dezelfde artiestenachternaam, Memphis Slim? Ik laat jullie hier met hen kennismaken dan wel hernieuwd kennismaken. Gemeenschappelijk aan de drie is dat het bluesknakkers uit de oude doos zijn en dat er een cd van hen is in de uitgebreide (meer dan 90 stuks) serie The Blues Collection.
         De CD van Magic Slim, om met hem te beginnen, is nummertje 67 in de serie en heeft als titel “Grand Slam”. Ik kom op de man, omdat hij onlangs overleden is, nog geen drie weken terug. Zijn echte naam is Morris Holt, hij is van 1937, 75 jaar oud geworden, en voor de insiders: wat is hij een begenadigde zanger en vooral gitaarspeler, uit de bekende Chicago blues scène. Zijn eerste plaatje dateert van 1966, de Beatles waren toen met het opnemen van Sergeant Pepper bezig, hij schreef het zelf en het heet “Scuffing”. Zijn “Grand Slam” bevat 14 nummers, waarvan er naast “Scuffing” nog vier andere door hemzelf geschreven zijn, de instrumentale nummers “Slamming”,“1823 South Michigan Avenue” “Teardrop” en natuurlijk het mooie “Early every morning”. De andere negen nummers op zijn overzichtscd mogen er eveneens “zijn”, zoals dat heet, bijv. “Walking the dog”, een hit van schrijver Rufus Thomas, en “Fanny Mae”, geschreven door ene Buster Brown. Zowaar staat op het album ook een nummer dat mede door Magic Sam is geschreven, “She belongs to me”.
         Dat nummer is dan maar mijn overgang naar muzikant nummertje 2, Magic Sam. Diens overzichtsplaat is de 21ste in The Blues Collection serie en ze heet “All your love”, genoemd naar zijn debuutplaatje. Magic Sam heet van achteren Magett en ik vind hem iets minder een gitarist en iets meer een zanger dan Magic Slim. Ook hij is uit het Chicago blues circuit, eveneens geboren in 1937, maar helaas is maar 32 jaar geworden. Vlak na zijn definitieve doorbraak op een blues festival in 1969 ging hij definitief voor ons verloren. Postuum zijn de nodige Cd’s van hem uitgekomen, maar ik doe het voor zijn tot ADD opgepimpte verzamel-cd. Daarop staan achttien nummers van de man, waarvan het merendeel eigen nummers betreft, o.a. “Everything gonna be alright”, “Easy baby”, “Out of bad luck”, “Mr. Charlie” en het instrumentale “Magic rocker”. Het verbaast me dat het bekende “Feelin’ good (We’re gonna boogie)” niet op zijn verzamelalbum te vinden is. Zijn debuutplaat “All your love” uit 1957 is overigens niet door hemzelf geschreven, maar door Otis Rush. Ook met Magic Sam is het goed kersen eten.
          Zoals eerder beloofd kom ik dan nu bij artiest 3, Memphis Slim. Ik neem aan dat velen van jullie van die man wel eens gehoord hebben. Hij heet eigenlijk John Len (of Peter) Chatman en is geboren in 1917, dat is nog voordat mijn vader het levenslicht zag, en de man heeft het 72 jaar volgehouden. Hij was niet van Chicago of omgeving, maar een jongen uit Memphis, Tennessee. En wat was hij tijdens zijn leven en daarna een zeer bekende bluespianist en zanger, daarbij ook een bekende schrijver van bluesnummers. Zijn “ding” zou de jump blues zijn, wat dat ook zijn mag. Memphis Slim maakte zijn eerste platen begin jaren 40, o.a. Beer drinking woman” en “Grinder man blues” en werkte in die tijd al samen met latere blueslegendes zoals Big Bill Broonzy en Sonny Boy Williamson. Later in de jaren 40 schreef hij legio bekende bluesnummers zoals “Nobody loves me (Everyday I have the blues)” en was hij ook actief voor Alan Lomax, die al die oude bluesnummers graag “aan de vergetelheid ontrukte”. In 1960 tourde hij met o.a. Willie Dixon door Europa en vanaf 1962 tot aan zijn dood in 1988 hield hij domicilie in Parijs.
         Zijn verzamel-cd in de serie The Blues Collection is nummertje 13 en heet naar zijn debuutplaatje “Beer drinking woman”. Maar daarmee is mijn collectie Memphis Slim niet op; ik heb nog drie andere platen van de man: “The ultimate jazz collection 4.1” met 24 nummers, samen met Willie Dixon “Willie’s blues” nog eens 12 en tot overmaat ook nog eens 21 op “The folk years 1959-1973”. Bij elkaar is hij op mijn externe harde schijf goed voor 3,8 uur muziek oftewel 71 nummers, ik tel ik de dubbele dan wel gewoon mee.
         De man kan misschien ook een beetje overweg met andere muziekinstrumenten zoals een bluesgitaar, mondharmonica of bas, maar zijn instrument van voorkeur is en blijft de piano. Daar is overigens niets mis mee, zeker als hij ook nog zijn pakkende stem erbij opzet. Heel af en toe komt een orgeltje als ondersteuning erbij, in “The Gimmick” op zijn The Folkway years 1959-1973. En zonder zijn zang mag hij er eveneens zijn, luister bijv. maar eens naar zijn piano zonder franje in “Stewball”. Niettemin, al was het maar om in stijl te blijven met Magic Slim en Magic Sam, geef ik hier extra aandacht aan de veertien nummers van The Blues Collection 13, Beer Drinkin’ woman:
01.    Late afternoon blues
02.    I believe I’ll settle down
03.    Born with the blues
04.    Bad luck and troubles
05.    Memphis Slim U.S.A.
06.    Just let me be
07.    Rockin’ chair blues
08.    I feel so good
09.    Slow blues
10.    Frisco bay
11.    Beer drinkin’ woman
12.    Blues for Bertha May
13.    In the evening
14.    If you see Kay
         De man boogie-woogiet nu op volle sterkte mijn complete flatje uit zijn grondvesten, niet meer normaal! Ik krijg nog last met mijn buren, als het zo doorgaat, maar heel af en toe moet het eens even kunnen, good old  Memphis Slim op oorlogssterkte met “Old Taylor”, gevolgd door “Diggin’ My Potatoes No. 2”, allebei uit The Ultimate Jazz Archive 14.1. En om het af te leren doe ik er “Built for comfort” met Willie Dixon bij.

         Ik heb jullie al verteld dat een aantal warme bakkers hier een greep naar de broodmacht aan het doen is, net zoals dat in Nederland een paar jaar terug het geval was. Eenzelfde fenomeen doet zich hier het laatste jaar voor met de groente- en fruitmarkt. Op allerlei plaatsen verschijnt uit het niets een winkel die betere waar tegen een lagere prijs aan zijn klanten belooft. Geturfd heb ik het niet, maar alleen in mijn buurtje tel ik meer dan tien groente- en fruitzaken.
         Laat ik er hier eens eentje uitlichten als pars pro toto. Op de Secretario Artiles om de hoek bij Ripoche is een “supermercado” verrezen met de naam Chonita Puerto. Wat Chonito is, weet ik niet, een voornaam van iemand?, maar Puerto staat in ieder geval voor haven, wat niet zo’n raar idee is, als je een winkel vlak bij de haven hebt. De zaak is gespecialiseerd, zegt een bord, in “frutas y verduras”, fruit en groente, maar je kunt er ook “pan y mucho más”, brood en nog veel meer, krijgen aan een “mejor precio”, aan een beste prijs. Naast de ingang staat in grote letters een aanbeveling die ik niet zou bedacht hebben, maar jullie toch niet wil onthouden. “Chacha, con estos precios yo me quedo Boba.” Mag ik die zin onvertaald laten? Vooruit, een tipje van de sluier licht ik op: een boba is een domme gans.

         Terzijde, ik heb de onbedwingbare neiging om de Spaanse woorden “puerro” en “apio” met elkaar te verwarren. Daarom heb ik ze nog maar eens opgezocht en hier zijn ze. Jullie mogen meegenieten, of je het nu leuk vindt of niet. “Puerro” is prei, in het Maastrichts “poor”, en “apio” staat voor selderij. In mijn groentesoep met ballen nemen ze een belangrijke plaats in, naast rode uien, paprika, tomaten en knoflook, cebollas rojas, pimiento, tomates y ajo. Een bijzonderheid is boor mij dat bijv. “apio” met de toevoeging “de montaña” het Spaanse woord is voor peterselie, althans hondspeterselie, wat dat ook zijn moge. Het gangbare, alledaagse woord voor peterselie is uiteraard “perejil”.

         Wat me vanzelf bij mijn eetgasten van vrijdagmiddag brengt. Om klokslag 2 uur plus een minuut ging de bel en daar kwamen ze naar boven: Noé op nog een enkele kruk na zijn operatie anderhalve week eerder, Argentijnse Lorena ofwel Lolly, net bekomen van haar thuisdialyse en haar vriend Cucu, de man van Arucas die geen woord Engels spreekt, maar wel altijd in is voor een Canarische grap. Voor wie dat wil weten, Cucu heet eigenlijk Jesús, het is zijn bijnaam, de afkorting van “cucurucho”, ijshoorntje. Mijn maaltijdsoep kwam op tafel en ik weet niet hoe vaak ze me een voor een gecomplimenteerd hebben. Het “muy bien” was niet van de lucht. En vervolgens was er een grote schaal aardbeien met een soort slagroom, die Lorena voor de gelegenheid had vervaardigd.
         Tot overmaat werd ik vervolgens uitgenodigd voor een Argentijnse barbecue, “asador”, de dag erop op de “finca” in de prairie bij Cucu thuis. Dus zat ik zaterdagmiddag om half twee met Noé en Agustín in de auto op weg naar Arucas of liever een dorpje, Cardones, bij een ander dorpje, Santidad, vlakbij Arucas. Agustín is een (tweede) vriend van Noé met die naam en hij is ontegenzeggelijk van Argentinië. Om 2 uur waren we ter plekke in Cardones, inderdaad een negorij. De ouders van Agustín 2, Ana en Frederico, waren al druk in de weer met de barbecue, de salades en als hapjes vooraf stonden er al twee soorten kaas en worst op de grote tafel buiten. Cucu zorgde voor de drank, fris en rode wijn, en de omlijsting werd verzorgd door een hondje genaamd Chinijo, jongetje in het taaltje van Lanzarote. Even later arriveerde nog een echtpaar vrienden van Cucu met hun dochtertje en ten slotte ook Lorena op haar brommer. Daarmee was de tijd aangebroken voor een wel zeer copieuze maaltijd. Naast een gebakken Italiaanse kaas, provoleta, stonden diverse soorten licht geblakerd vlees op het menu, van spek en worst, ook bloedworst, tot ribjes,  biefstukken en solomillo, een lendenstuk, dat Noé en ik hadden meegebracht. Zoals gezegd waren er bovendien allerlei salades, gewone sla en van vers geplukte tomaten, een bak rauw wortelen en ingewikkelde salademixen. Uit de kunst! Tussen alle Spaanse verhalen door vertelde ik nog maar eens in mijn Spanglish hoe royaal ik destijds in Buenos Aires in een asador had gegeten, erbij memorerend dat de huidige barbecue daar bepaald niet voor onder deed. Dat werd me in dank afgenomen, terwijl de drank nog eens de ronde deed en de zoveelste stukken vlees vanaf een schaal werden geserveerd.
         Na de maaltijd was er “mate”, een Argentijnse kruidenthee in een speciaal kopje met rietje, en voor wie dat liever wilde, zoals ik, lekkere koffie, aangevuld met wat whisky, “carajillo”. Genoeglijk zaten we daarna op het terras tot een uur of 6. Toen was het tijd om naar de carnavalsoptocht te kijken, die of het zo moest zijn, op dat moment naast het huis voorbij kwam. Cucu moest zich zo waar inhouden om niet achter de meute “verkleijders” aan te gaan. Het was intussen wel een stuk frisser geworden, dat heb je zo in het binnenland van Gran Canaria. Om 7 uur, half 8 aanvaardden Agustín, Noé en ondergetekende de terugtocht, nadat Cucu mij eerst op mijn donder had gegeven met pingpongen. Ik ben mijn routine daarin helemaal kwijt en moet er echt iets aan gaan doen. Om 8 uur zat ik weer op mijn balkon in de grote stad.

         Ander onderwerp! De middenstand evenals de warenhuizen houden ervan om van de ene bijzondere gelegenheid naar de volgende te hobbelen. De kassa moet wel blijven rinkelen en dus is Valentijnsdag (14 februari) maar net voorbij of de volgende hoogtijdag wordt aangekondigd. “Voedstervader” Jozef is pas op 19 maart toe aan zijn verjaardag vieren, maar wat is erop tegen om zijn omgeving en die van alle andere vaders alvast warm te laten lopen voor een passend cadeau. “Día del padre” is het hier, in tegenstelling tot Nederland, over precies een week. El Corte Inglés meldt in afwachting daarvan: “Nadie le conoce como tú”, niemand kent hem zo goed als jij, met daarbij een foto met de nodige suggesties.

         In de etalage van een bekende boekwinkel hier zag ik een uit het Nederlands vertaald boek liggen van Jan Eilander. Het heet El joven Cruyff, jongeman Cruyff. Ligt het in de Dominikanerkerk in stapels te koop? En staat het in Nederland in de boekentop 10?

         Met Noé en Agustín 1 zat ik vlakbij zijn flat op een bank op vrijdag 1 maart, anderhalve week terug. O.a. hadden we een hele discussie over de trots van de boulevard, de nieuwe lantaarnpalen daar. Ik vond ze vanaf het begin al mooi, toen ze enkele jaren terug verrezen, maar mijn gezelschap moest er aan wennen. Nu zijn we het er over eens dat ze echt een verrijking zijn over de hele lengte van Las Canteras, van El Auditorio tot aan La Puntilla. Ik denk overigens dat ze met de huidige economische crisis niet meer zouden zijn aangeschaft.
         En dan komt nu mijn vraag: hoeveel van die zilverkleurige kaarsrechte lantaarnpalen met een krom aanhangsel met een aantal lampen, ze hebben wel ieis van een groot windzeil, staan er langs de boulevard? Een lantaarnpaal heet in het Spaans een “farola” (en in het Engels een “streetlight”, “lamppost” voor als je met die taal moet behelpen). Noé schatte het aantal “farolas” uit zijn blote hoofd op een dikke honderd, desgevraagd kwam hij tot 110 om een preciezer getal te geven, over een lengte van 3,8 kilometer. Wiskundige Agus mat eerst met zijn ogen zo nauwkeurig mogelijk de afstand tussen twee “farolas”, zo’n 30 meter schatte hij, en deelde vervolgens de totale lengte van de boulevard, volgens hem zo’n 3 km, door die afstand. Ik kom tot 100, was zijn einduitspraak. Mijn bijdrage aan de discussie bestond eruit dat het er volgens mij een stuk minder waren, maar dat ik als epidemioloog van de oude stempel uiteraard bereid was om ze een keer voor hen te tellen. Zo veel werk is dat niet, minder dan een uur, en ik heb het intussen, bij mooi weer na de stormperiode, ook gedaan. Van El Auditorio tot aan La Guarida staan 30 lantaarnpalen, tussen La Guarida en de banken aan het eind van de Tomas Miller kom ik tot 21 en op het stuk vanaf de Tomas Miller tot het einde bij La Puntilla tel ik er nog eens 24. Het totale aantal “farolas” nieuwe stijl is dus, als ik mij geen lantaarnpaal vergist heb, op de kop af  75. Waarvan acte!

         Op de afgelopen vrijdag vroeg in de avond liep ik voor de variatie eens naar Santa Catalina en vervolgens in de richting van het streekbusstation. Daar was een uitgebreide markt gaande, met wel 20, 30 kraampjes, die allemaal betrekking hadden op activiteiten aan de zee. Ik zag er diverse clubs om te leren duiken (“bucear” heet dat hier) met bijbehorende duikerspakken, allerlei activiteiten van het leger en de marine (“armada española, un mar de posibilitades”), een aantal, dat boten en motors aan de man probeerden te brengen, cursusmateriaal om meer van de kustbodem te weten te komen, enkele scholen om te leren watersurfen, windsurfen of zelfs luchtsurfen, het nodige visgereedschap met videopresentatie, zelfs spullen om te kanoën (in het Spaans piraguïsmo), noem maar op. Terzijde was een behoorlijk grote ruimte voor lezingen en op een andere plek was de volksmuziekschool actief met optredens van mensen die het m.i. nog niet helemaal onder de knie hadden. En laten we het niet vergeten, waren diverse zeilscholen in the running om ons te verleiden tot beginnende dan wel gevorderde zeilactiviteiten. Een daarvan was gevestigd in de Real Club Victoria, voor de mensen die hier de weg een beetje weten, dat ligt aan de boulevard in La Puntilla, bij mijn favoriete bankzitplaats aan calle Ferreras. De “escula de vela” had als motto: “navega con nosotros”, vaar met ons, het lijkt wel een kerkgenootschap. Maar vooruit, ik zal jullie hier kond doen van wat men in een folder aan activiteiten te bieden heeft, in het Spaans, zodat het tevens als Spaans lesje kan dienen. En avant.
         “El REAL VICTORIA a lo largo de su historia, siempre ha desarrollado múltiples actividades relacionadas con el mar el la playa de Las Canteras. Actualmente cuenta con todos los medios técnicos, humanos y de seguridad para la práctica de los deportes náuticos en un marco incomparable y accesible para todos como son las instalaciones de la Escuela de Vela situado en la Plaza de la Puntilla. Acondicionado para llevar a cabo diferentes actividades náuticas durante todo el año como bautismos de mar, cursos, campus de verano, campamentos, etc…., tiene la capacidad de acoger a 28 alumnos con todas las comodidades necesarias para su aprendizaje (dormitorios, comedor, aula de clases, sala tv, vestuarios, varadero y rampa de acceso al mar.)
         Cada actividad cuenta con los correspondientes monitores, altamente cualificados y acostumbrados a dirigir grupos, así como con un sistema operativo de seguridad para velar por el buen desarrollo de la actividad. Cada alumno matriculado en cualquiera de los cursos dispondrá de su seguro obligatorio para salir al mar, así como de un diploma acreditativo de la participación en el curso.
         Destinado a todas aquellas personas que deseen tener su primera toma de contacto con el mar. Se realizan en un día y las actividades son las siguientes:
1.      Curso de optimist
2.      Curso de vela ligera
3.      Curso de windsurfing
4.      Curso de kayak de mar
5.      Curso de barquillo
6.      Curso de submarinismo
         Bij al deze cursussen staan ook weer stukjes, zo is de “curso de optimist” met name voor kinderen interessant en is de “curso de vela ligera” echt iets voor alle leeftijden. En daarbij, op diverse plekken is de folder verluchtigd met de alleraardigste plaatjes. Vraag er eens een aan, zou ik zeggen, bij de Escuela De Vela Real Club Victoria, calle Alonso Ojeda 1, 35008 Las Palmas de Gran Canaria. De moeite waard!
        
         Doen jullie het hiervoor? Of zal ik nog een velletje of zo doorgaan? Liever niet? Dan kom ik hiermee aan het einde van mijn brief nummertje 21 van dit jaar. Ik ben eigenlijk wel blij dat hij af is, dan kan ik hem vanmiddag op de faculteit zonder pardon aan het internet prijsgeven. Nog een luttel minuutje en dan staat hij op mijn memory stick om vervolgens afgevoerd te worden.
         En daarmee ben ik tevens toe aan mijn raadgeving van deze week. Die is simpelweg: maak je niet te dik, dun is de mode. Ik bedoel dat overdrachtelijk, want wat maakt het uit of je een kilootje meer of minder weegt. Als het van boven nog maar goed zit.
         Over een dag of zeven komt mijn volgende leesvoer eraan. In afwachting daarvan moeten jullie het doen met “hasta luego”, tot ziens maar weer, vanuit een Canarische stad in het voorjaar, wat zeg ik, zomer. Adie, met de compleminte vaan Pablo.

BOEKENBIJLAGE

         In Engelstalige boeken word ik anno 2013 nog steeds geconfronteerd met andere lengtematen dan de mij bekende meters. Is jullie bekend dat een meter (of beter 99 cm) in Engeland geboekt staat als 3 feet 3 inch? En dat ik in de Verenigde Staten niet 1 meter 78 ben, maar 5 feet 10 oftewel 5 keer 0.3048 plus 10 keer 0.0254 meter? Genoeg daarover, het wordt tijd dat ze daarmee stoppen. En in een moeite door moesten “ze” ook maar eens een eind maken aan hun gedoe met het lichaamsgewicht in stone (6.35 kilo). Ik hoop met mijn afvallen onder de 15 stone te komen, in normaal jargon 95 kilo.

         Vorige week presenteerde ik jullie met enige schroom, maar verder op met de nodige animo, een nieuwe, ook nog vrouwelijke schrijver van rechtbankcrime, Jillane Hoffman. Haar boek Retribution vond ik zo goed dat ik me a.s. zomer zeker nog eens aan haar ga wagen. Voor wie van dat soort boeken houdt, heb ik er deze week nog een, in 2008 vertaald in het Nederlands: “Verdiende straf”. Het is er een van intussen al acht rechtbankboeken van de Amerikaanse auteur William Lashner, geboren in 1959. In het Engels heet het boek “Fatal flaw”, het is van 2003 en speelt voornamelijk in Philadelphia, de stad waar Lashner ook woont. En waar ligt Philadelphia precies? Het juiste antwoord is: ergens halverwege tussen New York en Washington, in de staat Pennsylvania.
         De ikpersoon in het boek is ene Victor Carl, eind dertiger en advocaat, bevriend met een andere advocaat Guy Forrest. Die wordt ervan beschuldigd zijn nieuwe vriendin Hailey Prouix te hebben doodgeschoten. Hoe kan dat, als hij zo smoorverliefd op haar is? Bij diens verdediging wordt Victor Carl bijgestaan door zijn collega Beth Derringer en later ook detective Phil Skink, mijn type. Tot de tegenpartij reken ik niet Guy’s ex-vrouw Leila, die blijft van hem houden, ondanks alles. Aan de andere kant, haar vader, Jonah Peale, ziet hem al in een dodencel zitten. Andere tegenstanders van Guy Forrest zijn bijv. openbare aanklager Troy Jefferson en het politieduo Breger & Stone, zonder voornaam.
         Op de achtergrond spelen enkele affaires van vroeger, in het plaatsje Pierce in West-Virginia, waar Hailey vandaan komt. Eentje betreft de rol van de familie van Hailey destijds, met name haar oom Larry Cutlip (en zijn huidige helper Bobo) en van haar tweelingzus Roylynn. De andere zaak heeft te maken met een aantal jongens in Hailey’s tienertijd en een pokerclubje van destijds, waaraan dezelfde Larry Cutlip een aardige cent aan bijverdiende. En om het nog ietsje ingewikkelder te maken, maar dan houd ik ook op: wat moesten Guy Forrest en Hailey Prouix met de mislukte prostaatoperatie van ene Juan Gonzalez?
         Het klinkt allemaal nogal gewoontjes, maar William Lashner brengt het verhaal met echt veel schwung. Wat weet hij Victor Carl, die terzijde zelf ook met Hailey het bed in duikt, goed neer te zetten evenals zijn cliënt Guy Forrest. Die laat hij bijna nog voor de moord op Hailey opdraaien. En wat blijkt die Larry Cutlip een oorverdovend mispunt te zijn met zijn maniertjes, hoe hij de tweeling destijds toch maar gered heeft met zijn harde hand. De prijs voor de beste bijrol gaat zonder meer voor Phil Skink, die intussen wel op zijn cholesterol moet letten. Het boek heeft een aparte stijl en boven alles vind ik het woordgebruik, met dank aan vertaalster Riek Borgers-Hoving, heel bijzonder. Daar hoort een hoog recensiecijfer bij, een 8½, welverdiend. Ook William Lashner is met zijn “Fatal flaw” nog niet van me af; van hem ga ik met plezier meer thrillers lezen.

         Hier is mijn thrillerintermezzo. In het boek “Fatal flaw” somt Phil Skink op welke aardappelgerechten er in een restaurant, waar hij samen met Victor Carl gaat eten, allemaal op de kaart staan. Hier zijn ze:
1.      Aardappelkoekjes
2.      Aardappels Dauphinoise
3.      Aardappelpuree
4.      Geroosterde aardappelschijfjes
5.      Pommes Duchesse
6.      Pommes Parisienne
7.      Franse frietjes
8.      Aardappelkroketjes
9.      Gepofte aardappels met zure room.
         Victor Carl voegt er daar moeiteloos eentje aan toe: de klassieke gebakken aardappels. En, denk ik dan, waar zijn de gewone tot semiprak gekookte gevallen, die zo prima bij de Hollandse pot passen?
        
         Op één been kun je niet goed staan, dus is hier mijn tweede boek, “Fallen” van Karin Slaughter uit 2011. En in welke stad is het te doen? Atlanta natuurlijk, de hoofdstad van Georgia die vanwege Coca Cola in het jaar 2000 bijna uit het niets de Olympische Spelen mocht organiseren.
         Er is meer dan een hoofdpersoon in het boek. Ik begin met Faith Mitchell, 34 jaar, van het Georgia Bureau of Investigations, het GBI, de tegenhanger van de stadspolitie. Zij komt terug van een computercursus om haar babydochtertje op te halen bij oma, de iets te vroeg gepensioneerd politievrouw Evelyn Mitchell. Blijkt die gekidnapt te zijn en met Faith aan de trekker zijn er al snel drie doden in het huis te betreuren, vier zelfs. Op de achtergrond speelt de corruptie van zes van de ondergeschikten van Evelyn in het verleden.
         De andere hoofdpersoon is de partner van Faith Mitchell, Will Trent, ook 34, die er samen met GBI-baas Amanda (Mandy) Wagner eveneens achteraan gaat. Terzijde begint Will zijn relatie met Angie af te bouwen en schoorvoetend in de armen te vallen van kinderarts Sara Linton, bij lezers van schrijfster Slaughter welbekend. Will en Amanda komen o.a. terecht bij zus en broer Ling van The Yellow. Daarnaast is er bijv. Ignatio Ortiz van The Brown, hoofd van Los Texicanos en neef van Evelyns vriend Hector Ortiz. Hoe loopt het af, voor jullie een vraag, voor mij een weet.
         Een bijrol van betekenis kan ik de bejaarde Roz Levy, buurvrouw van Evelyn, niet ontzeggen, maar eerlijk is eerlijk, er gaat niks boven een directe stoot in de maag of onder de gordel van Evelyns vroegere partner Amanda. Ik beperk me hier tot twee van de vele voorbeelden. Op blz. 359 zit Sara Linton’s haar zit helemaal door elkaar; het staat bovendien rechtop. Zegt Amanda tegen haar: “I’ve loved what you’ve done to your hair”. En op blz. 385 lees ik over Amanda en Will: “If Amanda told him that that she called the old gal at the White House and borrowed the nuclear codes, he would just nod”.
         Met Karin Slaughter kan ik moeiteloos door één deur. Steeds weer opnieuw weet ze hoe ze mij in haar greep moet krijgen en het boek “Fallen” is daarop geen uitzondering, integendeel. Het staat bol van de spanning en wat weet ze er weer een meesterwerkje van te brouwen. Met, zoals ik net zei, af en toe een grap of uitspatting die ik graag wil bewaren voor slechtere tijden. Gelukkig maakte ze deze keer op het einde een misser, m.i., door op blz. 417 van de 463 met nog een nieuwe complicatie en naam te komen. Dat weerhield me ervan om haar voor “Fallen’ een 9 te geven, maar met een 8½ zal ze ook best content zijn. Ik ga haar nieuwe boeken “Nature” en Criminal” uit 2012 en “Unseen” uit 2013 zeker ook lezen.

         Het kan niet op, ik heb ook nog een boek van Ruth Rendell voor jullie uitgelezen, “Live flesh” uit 1986, in 2004 in Nederlandse vertaling bij Bruna verschenen met de leuke vertaaltitel “Een tweede huid”. Het boek speelt in de omgeving van Londen op het iets plattere land zogezegd en Ruth Rendell, dat moge toch wel bij jullie bekend zijn, is de “gran dama” van de Engelse thrillerwereld met haar inmiddels 83 jaar. Toen ze het schreef, was ze in de vijftig.
         Haar verhaal gaat over iemand die mijn oma Mai vroeger een rare genoemd zou hebben, een man genaamd Victor Jenner. Hij is ervan bezeten om op zijn tijd dames lastig te vallen, te verkrachten, en bovendien is hij gezegend met een af en toe oncontroleerbare woede. Fobieën zijn hem evenmin vreemd, vooral schildpadden kunnen hem panisch maken. Als Victor voor de zoveelste keer een meisje lastig gevallen heeft, onverrichter zake deze keer en “men” achter hem aan gaat, verschuilt zich in een huis. Daar moet dan een ander meisje, Rosemary, het bijna ontgelden. Met haar als zijn schild probeert Victor vervolgens een toegesnelde politieagent te ontlopen, hoofdagent David Fleetwood, die maar niet geloven kan, lijkt het, dat Victor’s pistool echt is. De agent krijgt ter plekke een kogel in zijn onderrug en dan draait onze rare voor ruim tien jaar de bak in.
         Als 38-jarige mag Victor Jenner weer de straat op en dan gaat hij op zoek naar zijn opponent van vroeger “om het eens uit te praten”. David Fleetwood is sinds de “moordpoging”, volgens de rechtbank, zwaar invalide. Hij zit in een rolstoel en woont nu met een vriendin Clare Conway in een mooi huis, Sans Souci genaamd, in de buurt van Londen, randgemeente Theydon Bois. Victor weet zich steeds meer aan David en ook Clare op te dringen, en als Clare dan ook nog een keer met hem vreemdgaat - David kan door zijn verlamming ook niet meer vrijen - gaan bij Victor de knoppen steeds meer op rood staan. Intussen heeft hij geen werk, maar weet wel hopen geld te stelen van zijn tante Muriel. En hoe eindigt het verhaal? David ziet de verschijningsdatum van zijn boek over zijn carrière voor en na de “moordpoging” naderen, tante Muriel staat intussen in vlam voor meubelopkoper Joe Jupp en wat doet Victor? Die rijdt nu ook in een rolstoel rond, voor de show, als het volgende meisje dat hij wil aanranden, hem een grote snijwond in zijn borst bezorgt. En wil Clare hem nog wel ontmoeten, laat staan hem in bed uitnodigen, nu hij al te opdringerig tegen zijn omgeving begin t e worden?
         “Een tweede huid” vind ik het zoveelste best aardige boek van Ruth Rendell. Mooi geschreven en daarbij gelardeerd met interessante beschrijvingen van flora en fauna. Echt spannend is anders, voor mij staat het verhaal dichter bij een psychiatrische gevalbeschrijving, Rendell kan dat als geen ander, zo’n verwrongen leven schetsen en dus is het boek er voor mij eentje waar ik probleemloos doorheen kom. Ik twijfel over mijn cijfer, maar als ik moet, kom ik op een 7½ voor “Live flesh”.

dinsdag 5 maart 2013

Weblogbrief 8.20, 5 maart 2013



Weblogbrief 8.20, 5 maart 2013

         Of het zo moet zijn, hier ben ik weer, compadres y comadres, met een volgend bewijs van mijn kunnen. Het is wat, een man alleen op een subtropisch eiland, maar ik doe het nog even ervoor. Bovendien: maart roert zijn staart, hoe zou je dat in het Spaans zeggen? En laat ik niet vergeten om Harry geluk te wensen, met terugwerkende kracht. Hij is afgelopen vrijdag soixante-neuf geworden, dus scheelt hij in leeftijd met mij nog steeds net zoveel als Lux met Dalí. ¡Feliz cumpleaños!
         Intussen is het weer hier gedraaid richting bewolkt. Was het voor carnaval nog allemaal pais en vree met de zon, de laatste week heb ik heel wat wolken te verduren gehad. Natuurlijk, het blijft hier overdag boven de 20 graden, maar het zonnetje heeft zich minder laten zien dan ik gewend ben. Met name in de eerste uren van de middag is dat een voordeel, als “de koperen ploert” zo gedraaid is dat hij pal op mijn balkon schijnt. Dan kun je een boekje op het balkon lezen wel schudden en moet ik of uitwijken naar een kamer binnen, bijv. op mijn bed, of naar een bank in de buurt. Pas na ongeveer 4 uur, half 5 is het wel weer te doen. Mensen, vooral in de middag heb ik niks tegen wat bewolking. Echter, helaas is het maar zelden het geval dat ik van mijn middagbewolking kan genieten.

         Op de boulevard, waar ik bijna steevast mijn ronde maak tussen 6 en 8, zei iemand een woord dat ik wel ken van mijn Spaanse les, maar al lang niet meer gehoord heb: “bandido”. Moet ik het nog voor jullie vertalen; het is Spaans voor bandiet. En denk nou niet dat een eenarmige bandiet, zo’n gokapparaat voor minder bedeelden, “un bandido con un brazo” is. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Het Spaanse equivalent daarvan is “una tragaperras”. Het is bedoeld om je muntjes (perras) op te slokken (tragar).

         Dat lijkt me wel genoeg inleiding, we gaan naar mijn muziek van deze week. Een Italiaanse collega van me, Cristiana, ze werkt momenteel ergens in Zuid-Afrika, maakte mij destijds attent op enkele favorieten artiesten van haar uit haar geboorteland. Ze was vooral weg van Fabrizio de Andre, de Italiaanse Bob Dylan, maar over hem wil ik het nu niet hebben. Via Henk kreeg ik in 2011 zijn complete oeuvre toegespeeld en ik draai hem nog steeds af en toe. Eerste klas amusement!
         Deze keer kom ik aanzetten met een dame, Mina Mazzini, intussen al 72 jaar oud. Haar artiestennaam is Mina en wat was ze een belhamel in mijn jeugd, met haar - toen al - Madonna-uitstraling. Ze was vooral populair in de jaren 60 en 70; in 1978 stopte ze met haar openbare optredens. Van de tot dusver 77 albums van Mina heb ik er drie op MP3 staan. Hier zijn ze:
1.      Le Canconi D’Amore
2.      Mina Quasi Jannacci
3.      Misanthologia
         Haar allereerste singletje heet “Nessuro”, uit 1959, en haar eerste album uit 1960 is “Tintorella di luna”, het titelnummer van die LP staat me nog wel bij. Wanneer “Le canconi d’amore” verschijnt, weet ik niet, maar “Mina Quasi Jannacci” is van 1977 en het dubbelalbum “Minanthologia” is van 1997. Misschien moet ik hier nog vermelden dat ze op de zwarte lijst staat van de Italiaanse TV en radio, nadat ze in 1963 bekend heeft een relatie te hebben met een getrouwde man. Wat een schande, nog erger dan het feit dat ze in het openbaar wel eens een sigaretje opsteekt. Gelukkig heeft haar zangcarrière niet echt onder de boycot geleden; ze blijft hoe dan ook een hit in Italië en diverse buitenlanden. En, om mijn verhaaltje over Mina af te sluiten, ga ik “Se telefonando” uit 1966, geschreven door Ennio Morricone, weer eens opzetten; het staat op “Le canconi d’amore”, prachtig. Voor wie in Mina’s muziek geïnteresseerd is, probeer ook eens “Someday (you’ll want me to want you)”, pure jazz. Of nog mooier, de diverse langzame nummers zoals bijv. “Badesso sono tua”, in het Italiaans vanzelfsprekend, met daarbij haar bravoure.

         Hier is een intermezzo, een spreuk op een T-shirt, in het Spaans uiteraard. Zelfs in Las Palmas zijn de opschriften op T-shirts vandaag de dag meestal in het Engels; dat vind ik maar niks. Echter, dinsdagavond zit ik op mijn favoriete uitkijkpost aan de boulevard bij calle Ferreras, komt een man van middelbare leeftijd langs lopen met op zijn borst een parachute in boekvorm met eronder een mannetje aan de touwtjes. Daar weer onder stond met vette hoofdletters geschreven:
         NO HAY LÍMITES PARA SOÑAR
         Willen jullie er een vertaling in het ABN bij? Er zijn geen grenzen als het om dromen gaat. Toch weer aardig, vind ik. Ik vermoed dat het een aanbeveling uit de boekenwereld is om de tv te laten voor wat hij is en eens een boek ter hand te nemen. Nou, dat is bij mij niet tegen een vreemde gezegd; ik lees me hier echt een end in de rondte! En mijn tv hier staat al vele maanden op de nulstand.

         En dan wordt het nu tijd voor mijn tweede muziekkeuze van deze week: Rocco Granata. Inderdaad, ook hij is uit Italië, Calabrië om precies te zijn, maar zijn ouders verhuisden hem wel naar België, toen hij pas 10 jaar was, in 1948. Zijn favoriete muziekinstrument is de accordeon en daarop speelt hij met verve, als in 1959 zijn debuutplaatje, dubbelhit “Marina/Manuela” uitkomt. Hij zingt er nog bij ook en wie weet maakte “Marina” “het” daardoor helemaal. Vam Harry heb ik dat Henk Severs van platenzaak De Harp in de Maastrichtse Spilstraat nog een rolletje van betekenis heeft gespeeld, omdat veel Belgen na de vrijdagochtendmarkt daar het plaatje kwamen kopen. Ondergetekende, ik dus, kan het nummer nog steeds zonder probleem nog meezingen, in mijn volbloed nep-Italiaans: “Y sono amorato di Marina... Marina, ti volio tu presto escuchar”. Als Italië-kenner Piet dit leest, zal hij mij ongetwijfeld kapittelen, maar dat zij dan maar zo. En wat een fantastische accordeonsolo in het midden van het nummer! Voor wie dat leuk vindt, is mijn toetje dat Rocco Granata met “Marina” als dance mix dertig jaar later ten tweeden male een hit heeft.
         Ik ga hier niet alle zestien nummers van de man van zijn verzamelplaat opsommen, die ik voor jullie op de draaitafel heb liggen. De man rijgt er met zijn omfloerste stem een prima ketting van, met nummers in het Italiaans zoals “Sole Italiano”, in het Italiaans/Duits, bijv. “Buena notte, bambino, alles waβ  man will, das kan man nicht haben”, en in het Duits met een Italiaans accent, zoals in “Ich will dich einfach lieben”. Zo waar vind ik op zijn site ook een handvol Nederlands/Vlaamstalige nummers, zoals “Noordzeestrand” en “Zomersproetjes”.
         Harry heeft “Marina” eens van YouTube geplukt en aan mij doorgespeeld. Naast op de trekzak is de man kennelijk ook een aanwinst op het filmpapier. Rocco Granata, als ik mag kiezen tussen hem en Mina, is hij voor mij nog net ietsje bezienswaardiger dan Mina.

         Hier in Las Palmas heb ik twee colbertjes, die ik ’s avonds en bij gelegenheid wel eens aanheb. Eentje is van C&A, CANDA, het is volgens het etiket van polyester, kleur: suède bruin, en moet het doen zonder split. Het andere, zwart en van het merk Elixer, speciaal geweven voor COM4, is 50% WV, 47% PL en 3% EA, zonder dat ik er aldus wijzer van wordt. Het was bij aankoop in een Wiecks kledingzaakje wel wat duurder en, nou komt het, heeft aan de achterkant een split in het midden.
         Ik heb er eerlijk gezegd nooit over nagedacht of een split in een colbertje nog ergens voor staat. Echter, op blz. 44 van het boek van Lee Child (Gone Tomorrow, 2009, zie beneden) krijg ik uitsluitsel. Geen split duidt op een Italiaans model en een enkele split in het midden is volgens Lee Child typisch een Frans trekje.
         En wat is er aan de hand, als er zowel een split links als rechts zit? Dan gaat het om het Engelse model, el corte inglés. Voor verdere details verwijs ik jullie naar het internet.

         Intussen heb ik ook deze winter weer iedereen ontmoet die raar doet en waar mijn oog op is gevallen. Hinkepie tegenwoordig met een vriendin, de man met het vingertje, de snelwandelaarster, noem maar op. Alleen de vrouw met de bal ben ik de afgelopen maanden nog niet tegengekomen. Ze is opzichtig gekleed, zeer opzichtig mag ik wel zeggen, en loopt over Las Canteras, terwijl ze een bal maatje 5 zachtjes voor zich uit drijft. Ik heb haar ook wel eens met twee ballen voor zich uit zien gaan, maar dat is bij uitzondering. En wee je gebeente, als je hem, de bal dan, als toeschouwer een zetje durft te geven. Dan breek je de betovering op een pijnlijke manier. Hoe dan ook, ze is foetsie, ik hoop maar dat het tijdelijk is, want ze hoort wel bij het meubilair.
         In haar plaats kies ik nu voor een echtpaar van (iets jonger dan) mijn leeftijd. Ze lopen iedere schemeravond over de boulevard en ik denk dat het buitenlanders zijn. Hij is 100% bij zijn positieven, maar zij is een evident slachtoffer van een beroerte die niet helemaal genezen is. Ze sleept erg met een been en hijst zichzelf voortdurend op met een kruk aan de ene kant, terwijl hij de andere kant voor zijn rekening neemt. Daarbij zijn ze niet te beroerd om naar elkaar te glimlachen, zelfs elkaar een kooswoordje toe te roepen. Een mooi stel op leeftijd! Ik hoop oprecht dat ze niet tijdelijk hier zijn.

         Dat boek van Lee Child, in het Nederlands “Sluipschutter” geheten, is trouwens goed meer aardigheden. Hier is er nog eentje. Weten jullie waar ons woord “hallo” vandaan komt? Op blz. 248 van het boek staat dat het pas als begroeting gebruikt wordt sinds de uitvinding van de telefoon. Het zou een verbastering zijn van “halloo”, als uitdrukking van verbazing of schok. (In het Engels is het volgens mij wel met een e in plaats van een a: hello, helloo.) Keken mensen vroeger maar raar op van het rinkelen van de telefoon?
         En nou ik toch bezig ben, hoe zit het dan met het Spaanse equivalent van “hallo”? Volgens mijn woordenboek dient dat vertaald te worden met “dime” of “digame”, als je de telefoon opneemt en met “oiga”, als je de aandacht wilt trekken. Als ik bijv. de bus in stap of mijn buren groet, gebruik ik wel eens “hola” als vertaling van “hallo, hoe gaat het?” Echter, als uitroep van verbazing word ik verondersteld om “jo”, “jolin” of “vaya” te roepen, maar dat heb ik nog nooit van mijn leven gedaan. Hallo, het woord blijft in het Spaans een moeilijk te nemen barrière.

         Afgelopen vrijdagmiddag ging ik op bezoek bij Noe thuis, maar daar gaat een verhaal aan vooraf dat ik jullie niet wil onthouden. In 2002 zag ik een artikel van een Amerikaanse orthopedisch chirurg, J.D. Moseley. Hij is de eerste auteur van een pracht van een wetenschappelijk onderzoek bij patiënten met een langdurig ontstekingsprobleem van de knie in verband met artrose. Orthopeden willen dan graag eens een kijkje in de knie nemen, soms ook wat van het foute weefsel weghalen. In zijn “clinical trial” werden “random” drie groepen gevormd van ongeveer 60 per groep, een groep bij wie alleen gekeken werd, eentje met kijken en weghalen en een derde groep, bij wie wel de knie werd ingegaan, maar daarna niets werd gedaan, niet gekeken en niets weggehaald. De patiënten werden twee jaar gevolgd en wat bleek? Tussen de drie groepen was er in de loop der tijd geen enkel verschil in pijnbeleving en kniefunctie. Dan zou je dus zeggen: weg met de artroscopie bij artrose van de knie, maar zo zit de wereld van de orthopeden helaas niet in elkaar. De beroepsgroep sloot de rijen en ging gewoon door met waar ze mee bezig was.
         Noe heeft bij mijn weten (nog) geen artroseprobleem. Hij is een ex-basketballer, geen NBA-niveau, zelfs geen locaal profniveau, maar hij was best goed genoeg als amateur. Ook kende hij maar weinig echte blessures, behalve dan dat zijn linker knie op zijn 21ste een keer volledig op slot ging, waarvoor hij destijds geopereerd werd. Anderhalf jaar geleden, hij was toen 34, was zijn rechterknie aan de beurt. Hij hoorde tijdens een basketbalpartijtje een “krak” en wist stante pede dat zijn rechter knie het begeven had en zijn basketballoopbaan definitief voorbij was.
         Omdat Noe niet (meer) particulier verzekerd was, maar gewoon in het “National Health System” zit, moest hij daarna eerst een half jaar wachten op de definitieve diagnose, een los stukje laterale meniscus, en daarna kreeg hij fysiotherapie (oefeningen, ultrageluid) in afwachting van zijn operatie een jaar later, nu dus. Afgelopen maandag werd het afvallige stukje meniscus verwijderd en bleek er tijdens de kijkoperatie ook iets fout te zijn aan zijn laterale ligament. Dat mankement wordt later nog eens een keer gerepareerd. En als het allemaal voorbij is, hoopt en verwacht Noe nog zo’n 40, 50 jaar mee te gaan zonder een probleem met zijn knieën en met lopen. Zeker weten is er echter absoluut niet bij.
         En dan komt nu mijn vraag: hoe zinvol is dit allemaal? Is het verhaal van Moseley et al. alleen waar voor een artroseprobleem van de knie of geldt hetzelfde bijv. ook voor een meer acuut knieprobleem? Concreet, hoeveel beter af is Noe, nou hij zich (ook) in zijn rechter knie heeft laten kijken, zelfs laten helpen door een deskundige. En wat is het extra nut van ook nog eens zijn laterale ligament weghalen in de nabije toekomst?
         Klinisch epidemiologisch onderzoek, het blijft behelpen, maar zonder goed uitgevoerde klinische trials is het helemaal dweilen met de kraan open, denk ik. De studie van Moseley et al. uit 2002 gebruik ik graag als voorbeeld, waarom er ook op ander terrein dan met geneesmiddelen placebogecontroleerde experimenten nodig zijn. Waarvan acte!

         Noe was afgelopen vrijdag al zo ver genezen dat hij met mij en twee vrienden, Agus en Lorena, in zijn kielzog wel de vijftig meter van zijn flat naar de boulevard wilde afleggen, onbelast op twee krukken. Of het zo moest zijn, bracht ik ter sprake wat voor Spaanse namen er allemaal zijn voor een café. Binnen een paar minuten had ik van mijn gezelschap een heel rijtje, dat ik jullie niet wil onthouden: café, cafetería, bar, pub, tasca, tasquita, taberna, cervecería, bodega (voor wijn), ronería (voor rum), bochinche, chiringuito, terraza, enyesquería (voor tapas=enyesques) en als je uitgebreider wilt eten, restaurante. Whiskería staat niet in het rijtje, dat is volgens mijn Canarische gezelschap een nachtclub met paaldansen.

         Eerder vertelde ik jullie over een goed bedoelde reclame op de universiteit dat we zuinig moesten aan moeten doen met elektriciteit. Vriendelijk doch dringend werd iedereen verzocht om bij het weggaan het licht op de kamer uit te doen.
         Er blijkt een analoge reclame te bestaan voor het zuinig zijn met water. Ze heet “Cada gota cuenta”, iedere druppel telt en er staat een lekkende kraan bij. Alsof dat niet voldoende aansporing is om het niet te gek te maken, citeer ik hier ook de rest van de annonce. “Un grifo que gotea pierde alrededor de 100 litro de agua al mes”, een druppelende kraan verliest ongeveer 100 liter water per maand. Waaraan de bedenker en wijsneus doodleuk toevoegt: “El agua es un derecho, cuidarla un deber”. De laatste zin lijkt me typisch een zinnetje voor koning Willem 4 om voor jullie en mij te vertalen. Niettemin, een WC-kraantje in mijn flat begon vorig jaar een beetje te druppelen en voordat ik eindelijk een loodgieter in huis had, kon Lluis het wel al aan zijn waterrekening van die maand zien.

         En dan is het nu tijd voor een stukje onvervalste junkielyriek. Ik weet het, het merendeel van jullie leest mijn boekenbijlage niet. Geen tijd, geen zin, geen belangstelling, wie zal het zeggen. Daarom is het misschien wel handig, als ik af en toe iets algemeens uit een boek hier vermeld. Ik neem jullie mee naar “Retribution” van Jilliane Hoffman uit 2004. Ik heb het boek in het Engels gelezen, mijn recensie zien jullie beneden. Hier is een zin of vijf over nicotineverslaving, op blz. 117 van het boek, Daar gaan we.
         “The flame on the match head danced and jumped in her fingers. (...) Finally, the fragrant snippets of brown tobacco kissed the match and the tip burned  a smoldering orange, and the familiar and comforting smell filled the car. She leaned back in the driver’s seat, (…) closed her eyes, and inhaled the smoke deep into her chest, exhaling slowly. The nicotine found her lungs and raced quickly through her bloodstream, finally reaching her brain and her central nervous system, and, like magic, immediately relaxing all those frayed, tense nerves it had met along the way. It was a sensation that nonsmokers would never - could never - understand, but, she imagined, other addicts could.”
         Als ik dit alineaatje lees, kan ik als ex-roker zonder pardon weer met roken beginnen. Ik heb wel eens geopperd dat ik als 65-jarige mijn oude gewoonte weer zou oppakken, na zeventien stoppen, maar onlangs heb ik er 70 jaar van gemaakt. Wie durft te beweren dat roken alleen maar nadelen heeft, is niet goed bij zijn hoofd.

         En dan u iets heel anders. Ik vind het best, als een voetballer reclame maakt voor een bepaald merk voetbalschoenen. Voetbalclub PSV loopt in principe op Nikes, en vooruit, de bal van het WK komt van Adidas. Gekker wordt het, als bijv. Johan Cruijff niet alleen vertelt dat hij als het even kan, op nog weer een ander merk loopt, Puma geloof ik, maar ook model staat voor Chupa chups, lollies dus. En Frank Rijkaard, die ik altijd een mooie voetballer heb gevonden, moet mij niet aan komen zetten met zijn onderbroekenlijn. Idem dito, T-shirts van Lionel Messi zijn aan mij niet besteed, maar ooit zal ik Lux of Dalí nog eens een origineel Barcelona-shirt omhangen.
         In de wereld van zangers en zangeressen is tegenwoordig iets dergelijks aan de gang. Dat Mina nog steeds behartenswaardige Cd’s maakt en Madonna op het podium een fenomeen blijft, mijn zegen heeft het. Echter, kom me niet aan met de kledinglijn van Shakira of de bh’s van Jennifer Lopez, daar vind ik niets van! De nieuwste loot aan de geldboom is tieneridool Justin Bieber. Die presteert het om de etalage van TOPAZ, mijn geurtjeswinkel, te sieren met zijn tronie naast een “new fragrance”, een nieuw parfum. Het heet “Girlfriend”, zal ongetwijfeld een paar centen kosten en ik denk er geen moment aan om me een flesje “Girlfriend” aan te schaffen, nog in geen honderd jaar. Integendeel, al contrario! Zelfs als zanger vind ik die hele Justin Bieber met zijn maniertjes nog steeds helemaal niks. Henk Spaan, wie kent hem nog uit zijn tijd met Harry Vermeegen, zou geroepen hebben: “Vuilnisman, kan die zak ook mee?”

         In de stadsbus zag ik een flyer hangen met zinnetjes als “¡Llévatelo!”, neem hem mee, “¡Es para ti!”, hij is voor jou, en “¡Transbordos gratuitos!”, gratis overstappen. Dan kan ik het niet laten, dan moet ik wel doorlezen. Ik heb iets met het werkwoord “bussen” en de aansporing als “Multiplica tus posibilidades de moverte por la ciudad”, vermeerder je mogelijkheden om je door de stad te bewegen, is aan mij wel besteed. De tekst van de flyer is eveneens in het Spaans, dus om met mij mee te lezen, dienen jullie wel even een andere bril op te zetten. Hier is hij, compleet, het is tevens mijn Spaans lesje.
         “Junto a la nueva red de transporte, Guaguas Municipales pone en marcha el transbordo gratuito. Con esta medida se despenaliza económicamente la correspondencia entre todas las líneas, de manera que con un único pago podrás cambiar de línea y realizar cualquier desplazamiento urbano. A nivel tarifario se iguala la oferta de servicio y la combinación de líneas puede sustituir una conexión directa, sin que por ello sufras una penalización económica. A su vez, el aumento de frecuencia de los servicios contrarresta el cambio de hábitos que supone realizar una correspondencia. Las condiciones del transbordo gratuito son las siguientes: a) Solo 1 transbordo gratuito b) Todas las líneas pueden transbordar contra todas, excepto contra sí misma c) Tiempo autorizado para el transbordo desde la primera cancelación: 1 hora y 30 minutos d) Autorizado para todos los títulos propios de Guaguas Municipales excepto en pago directo.
         Jullie lezen het goed: vanaf nu mag ik met mijn 10rittenkaart niet alleen de bus in, maar ook overstappen, als ik dat wens. Het moet wel binnen anderhalf uur en niet op dezelfde lijn. Ik zou zelfs met bus 13 naar de faculteit kunnen gaan en, wel binnen anderhalf uur, met bus 12 weer terug. Denk ik. Of ik dan twee keer mijn bono in de automaat dien te steken, waarbij hij de tweede keer wel aangeeft, maar niet aanslaat, zegt het verhaal niet, helaas. Niettemin, Las Palmas laat zich met zijn “guaguas” voor de zoveelste keer van zijn goede kant zien.

         En daarmee is het einde nakende van mijn twintigste brief aan jullie deze winter, tenminste voor de subgroep van jullie die het weigert om mijn boekenbijlage aan een kruisverhoor te onderwerpen. Het is niet niks, een epistel van enige lengte te schrijven zonder dat jullie ergens op weg naar het einde op de deleteknop drukken. Voor wie al afgehaakt is, heb ik geen uitlui, maar de goegemeente die tot hier of nog verder komt, heb ik een welgemeend “hasta luego”, tot ziens maar weer, met een high five voor de heren en voor de dames een ouderwetse “hug” van boezemvriend PaulK.

BOEKENBIJLAGE

         Eerder heb ik jullie al eens kond gedaan van de meest gelezen of is het best verkochte boeken van El Corte Inglés. Wat zijn op dit moment, begin maart, de klappers? Ik tel er twee, naast uiteraard de Vijftig Kleuren Grijs, als ik mag afgaan op de stapels uitgestalde boeken. Het eerste is er een waarvan ik nog maar moet zien of het boek ook Nederland zal bereiken: “El secreto del Nilo”, het geheim van de Nijl, van ene Antonio Cabanas. In ieder geval een aardige titel, vind ik. Het andere zal zeker ook in het Nederalnds vertaald gaan worden of al zijn. Het is van Ilfonso Falcones, ‘ne sjoene maan zou Trudie zeggen. Hij werd beroemd met “La catedral del mar”, De kathedraal bij de zee, dat in het oude Barcelona speelt. Ik kon het boek best appreciëren en de opvolger: “La mano de Fátima”, de hand van Fatima, was al evenzeer goed voor een bovenmatige verkoop. Ik vrees dus dat zijn nieuwste, “La reina descalza”, de koningin op blote voeten, eveneens voor de hoofdprijs zal gaan. Ik moet er toch eens aan beginnen...

         Gaan we naar mijn eerste boek, van Lee Child. Thuis heet hij Jim Grant, zijn thrillernaam is een pseudoniem, en hij is Engelsman, van 1954 en een fan van voetbalclub Aston Villa. Zijn voorliggende boek is er een in de Jack Reacher serie, “Gone tomorrow”, in het Nederlands verbasterd tot “De sluipschutter”. Het is uit 2009, ook in vertaling, en speelt in New York City. En voor wie dat nog niet weet, NYC is 830 km² groot; hoeveel voetbalvelden zijn dat?
         Bijzonder aan Jack Reacher is dat jij ex-militair is en geen woning heeft. Als hij wil slapen, stapt hij een hotel binnen voor een kamer, bij voorkeur ’s avonds laat, zodat hij met de nachtwacht een deal kan sluiten. Het boek begint heel goed, met een beschrijving hoe je aan iemand kunt zien of hij of zij een zelfmoordterrorist is. Jack zit in de nachtmetro en meent oprecht dat de vrouw in hetzelfde rijtuig alle elf kenmerken van een opblaasbom vertoont (bij mannen zijn het er twaalf). Dan schiet ze, Susan Mark, zichzelf voor haar kop met een pistool en begint het verhaal.
         Tot de medestanders van Jack Reacher reken ik bovenal rechercheur Theresa Lee en daarnaast noem ik politieman en Susan’s broer Jacob (Jake). Terzijde, aan zijn kant staan eveneens congreslid John Sansom uit North Carolina en diens bodyguard Springfield. Gaan we naar de tegenstanders, naast de FBI en de mensen van Defensie. Het gaat in het boek om een groep van twintig mensen die ik hier gemakshalve maar Oosterlingen zal noemen. Aan het hoofd ervan staat de inmiddels oude Svetlana Roth, van het Rode Leger (?) en haar dochter (?) Lila, een ware schoonheid. Heel vroeger, in 1983, in de tijd dat de VS nog aan de kant van de bevolking en de moedjahedien (voorloper van de taliban) stond, toen zowel Reacher als Sansom nog jong waren, heeft Delta-kapitein Sansom in Afghanistan op de Russen een VAL buitgemaakt. Dat is een “silent sniper” geweer, van een sluipschutter, waarvoor Sansom later van president Ronald Reagan een Distinguished Service Medal kreeg, een heel bijzondere onderscheiding. Of was het voor iets anders tijdens diens missie in Afghanistan? Hoe dan ook, zowel John Sansom als Lila Roth is nu op zoek naar een foto die destijds gemaakt zou zijn en die Susan Mark op een geheugenstick zou hebben staan. Jack Reacher weer waar de foto is en wil er met Lila en Svetlana Roth best een robbetje om vechten.
         Wat vind ik van het boek? Het begin, later nog eens herhaald op blz. 337 en volgende, vind ik fantastisch. En voor wie van de oudere New Yorkse metrowagens houdt, voor het subwaysurfen ben ik een beetje te oud aan het worden. Lee Child houdt me 400 bladzijden lang bij de les en met de nodige spanning in mijn lijf. Ook vind ik het best in orde, hoe ik een aantal keren op een ander been wordt gezet. Mijn minpuntje is dat ik geen fan ben van boeken die in een gevecht eindigen; ik ben meer van de understatements en subtiele moordpartijen. Over mijn eindcijfer heb ik een dagje moeten nadenken, maar hier is het; ik beloon “De sluipschutter” met een volle 8. Op zijn tijd ga ik opnieuw aan een vechtboek van Lee Child beginnen. Op mijn verlanglijstje staan als eerste genoemd: “Bad luck and trouble” uit 2007 en “Worth dying for” uit 2010.

         Gaan we naar boek 2, het debuut van Jilliane Hoffman, een dame met een rechtenstudie achter de rug. Nergens op het internet, voor zo ver ik weet, vertelt ze haar leeftijd, maar ze zal ergens eind jaren 60 geboren zijn, als ze vanaf 1992 in haar vak actief is, voordat ze schrijfster wordt. Ze is dus een vroege veertiger, daarbij is ze van Queens, maar woont met haar man en twee kinderen tegenwoordig in Zuid-Florida. Daar speelt ook haar boek, Retribution uit 2004, een onvervalst rechtbankspektakel. (Retribution is het Engelse woord voor vergelding. En alstublieft, verwar het niet met “The retribution”, een recent boek van Val McDermid.)
         Bijna meester in de rechten is ze, Chloe Larson, als ze in haar flatje in New York vreselijk verkracht wordt door iemand met een clownsmasker op en daarna voor bijna dood wordt achtergelaten. Als trofee heeft de onbekende dader zelfs haar halskettinkje meegenomen. Twaalf jaar later is Chloe er nog steeds niet overheen. Ze heeft zelfs haar naam veranderd en noemt zich nu C.J. Townsend. Als openbare aanklager woont en werkt ze in Miami. Het laatste jaar zit ze, samen met de politie, vooral achter een seriemoordenaar aan, Cupid, die al 11 keer heeft toegeslagen. Een van de rechercheurs, Dom(inick) Falcoretti, is haar zeer dierbaar, maar daarmee is niets verkeerds gezegd over de collega’s, Manny “Bear” Alvarez, Eddie Bowman, Chris Masterson en anderen. Met haar secretaresse heeft C.J. wel geregeld mot en beroepshalve botst ze nogal met de mensen van de FBI, die graag mooie zaken, die bijna in kannen en kruiken zijn, voor zichzelf willen opeisen.
         Dan is er uit het niets een verdachte, Bill Bantling, die met het lijk van een slachtoffer in de achterbak van zijn auto betrapt wordt. Met haar hart eruit, net als bij alle eerdere slachtoffers. En laat die Bill Bantling nou de man zijn die C.J.  twaalf jaar eerder in New York zo erg heeft toegetakeld. Onze vrouw van het O.M. stort bijna in en dan blijkt de zaak in New York inmiddels ook nog verjaard te zijn. Niemand behalve zij weet van de verkrachting, zelfs Dom Falcoretti niet. De enige die alle details heeft mogen aanhoren, is haar psychiater Greg Chambers, bij wie ze wekelijks te biecht gaat.
         Dan brengt de advocaat van NB Bill Bantling redding door expres niet goed door te vragen en het wachten is daarna alleen nog maar op aanvullend bewijs dat Bill Bantling naar de dodencel mag. Niettemin, wat moet ik intussen vinden van wat ik op blz. 328 en op blz. 340 lees? Einde van mijn samenvatting, meer verklap ik niet.
         Laat ik dan nu maar bekennen dat ik “Retribution” een schitterend boek vind. Jilliane Hoffman, een vrouw nog wel, steekt m.i. met haar debuut mensen als Turow en Grisham naar de kroon en mijn zegen heeft ze. Het gaat om een nogal aparte rechtbankthriller, die prima gepresenteerd wordt zonder enige flauwekul en tot de laatste bladzijde, blz. 448, blijf ik geboeid lezen. Ik geef Jilliane Hoffman er met plezier een 8½ voor, vooruit een 8¾, omdat het maart is, en neem me hierbij voor dat ik nog meer boeken van haar ga lezen. Na “Retribution” heeft ze er nog vier geschreven en daar zal zeker zeker nog wel een nieuw pareltje tussen zitten.