vrijdag 8 november 2013
weblogbrief 9.02, 8 november 2013
Weblogbrief 9.02, vrijdag 8 november 2013
“¿Qué tal, todos?”, “hoe is het met jullie allemaal?” Mijn vorige brief begon ik met jullie aan te spreken als “amiguitos lejanos”, verre vrienden. Volgens mijn woordenboek had dat “parientes lejanos” moeten zijn, verre familieleden, tenminste als in het Canarische equivalent van “een goede buur is beter dan een verre vriend”. Hier is dat “Más vale el vecino cercano que el pariente lejano”, “je hebt meer aan een goede buur dan aan een ver familielid”.
Hoe dan ook, in deze brief nieuwe komen zeker ook “vecinos cercanos” aan de beurt. Vooruit, laat ik maar direct met een beetje beginnen, mijn overbuurman van Negonza, het magere scharminkel dat steevast voor de deur van de kleding- en schoenenzaak staat te roken. Stond te roken, moet ik zeggen, want hij er intussen verschwunden. De zaak wordt nu door twee dames gerund, tijdelijk of is het permanent. Is een van de twee zijn vrouw/vriendin? Ik heb hem, Negonzo zelf, deze week nog niet gesignaleerd.
Dan mag ik nu naar een boulevardverhaaltje van niks. Daar op Las Canteras stond vorig jaar al, maar nu wordt hij vereeuwigd, een clown, eigenlijk een pantominespeler om de kinderen die langs liepen,te vermaken en daarmee zijn geld te verdienen. Voor zich had en heeft hij een bordje staan, bij zijn hoedje, met de tekst: “Si tu me das una moneda, el mimo te regala una bella”, “als je me een munt geeft, krijg je van de pantominespeler iets moois”. Er zijn waardelozer manieren om in je onderhoud te voorzien, kameraden. Maar of hij er een belegde boterham aan verdient... Misschien is het een bijbaantje...
Afgelopen maandag ging ik van het oude faculteitsgebouw met bus 12 naar huis. Bijna op Santa Catalina aangekomen koos ik ervoor om door te rijden naar mijn parkje bij Castillo de la Luz. Daar is het prima zitten op een bank, met mijn E-reader gericht op Jo Nesbo’s boek “De sneeuwman”. Voor details, zie mijn boekenhoekje beneden. Hier vermeld ik alvast iets dat ik op bladzijde 158 van het boek las en “geschikt acht om met jullie te delen”. Waar komt het woord “deadline” vandaan? Het zou voor het eerst gebruikt zijn in de Amerikaanse burgeroorlog. Als je een aantal tegenstanders gevangen had genomen op het slagveld, zette je ze bij elkaar op een kluitje en trok om de groep een lijn, een cirkel. En wee je gebeente als een gevangene het waagde om daarbuiten te komen; die werd genadeloos afgeknald, dus dan liet je het wel uit je hoofd. Leuk om te lezen, zo’n ethymologie weetje.
Maar goed, ik zit met jullie niet ergens op een weitje in de VS in vroegere tijden, maar bij het Lichtkasteel, el Castillo de la Luz, voorbij La Puntilla vlakbij de haven. Het forse gebouw is al vele eeuwen oud en toen ik er voor het eerst kwam in 2005, maakte de gemeente druk plannen om het eens grondig op te knappen. Er werd een vrij hoog dicht hek omheen gezet, waardoor de doorkijk wegviel en geloof het of niet, er is aan het kasteel zelf een tijdlang heel wat opgeknapt. Een paar jaar geleden hoefde eigenlijk bijna alleen nog het stukje van het parkje rondom het kasteel te worden verfraaid en aangeharkt, voordat het aan de bevolking kon worden teruggegeven, maar toen sloeg de financiële crisis ook hier genadeloos toe. Het is tot de dag van vandaag nog steeds niet af, er is denk ik sindsdien geen reparatie meer uitgevoerd. Het kasteel staat al weer tijden in de laatste steigers en is nog steeds ongeschikt als bijv. attractie om eens op zondagmiddag heen te lopen en de trap naar boven te ronden. Wij, Palmezen, moeten ons nog steeds behelpen met het terras en de speeltuin ernaast en vanzelfsprkend komt de toeristenbus er langs, maar daar is alles mee gezegd.
Op mijn balkonnetje woensdagochtend kwam er iets bij me op dat ik graag aan de dierenvrienden onder jullie wil voorleggen. Tegenwoordig worden wij, mensen, ouder dan in mijn jonge jaren. Was 65, 70 jaar toen nog een gezegende leeftijd om dood te gaan, tegenwoordig heeft de doorsnee Westerse mens dan nog zo’n 10, 15 jaar te gaan, de dames en in mindere mate ook de heren en in ieder geval verkeert men dan deels ook nog in een (vrij) blakende gezondheid. Niemand bij mijn weten weet waar dat door komt, waarom we nu veel langer leven; men beweert wel dat onze veranderde voeding er de reden van zou zijn. Volgens mij zijn dat boze tongen die niet weten waar ze het over hebben. Krijgen we nog een verdere verlenging van de levensduur in landen als Nederland en Spanje in de (nabije) toekomst? Er zijn kleinere onderwerpen om eens over te mijmeren.
Als het eraan ligt wat we dagelijks op ons bordje krijgen, zou dat denk ik wellicht ook voor bijv. onze huisdieren moeten gelden; die hebben nu ook een heel andere voeding. Vroeger werden honden nog geen 15 jaar en katten maar een paar jaren meer, maar hoe zit dat vandaag de dag? Mogen we eveneens spreken van een algemene trend in Westerse landen dat onze honden en katten en wie weet ook andere Westerse dieren ouder worden, langer van hun pensioen mogen genieten? En verschillen ze daarin drastisch van hun soortgenoten in bijv. de meeste Afrikaanse landen, waar het eten helaas nog steeds een stuk minder is, zowel kwalitatief als kwantitatief? Een interessant onderwerp!
Woensdagavond op weg van mijn ommetje naar huis zag ik in de etalage van een groente- en fruitwinkel een vrucht liggen die ik absoluut niet kon thuisbrengen, Ze was rond en zo groot als een forse tennisbal, van buiten vooral rose met ietsje groen en van binnen donkerrood, paars. De naam die erbij stond, was “pita haya”. Volgens mijn woordenboek is het dan een agave (pita) van een beuk (haya), maar zeker weten is anders. Is de agave bij sommigen van jullie bekend als vrucht en eetwaar? Ik zal er toch eens eentje gaan proberen.
Donderdagavond op plaza Farray kwam ik een ouderwetse melkreclame tegen in een nieuw jasje. Het gaat om een kind met een zwartwitte koe met ernaast het embleem van “(Central Lechera) Asturiana, lo mejor por naturaleza”. Om jullie en mij definitief over te halen om dit product uit (oorspronkelijk) Noord-Spanje aan te schaffen staat er de volgende tekst onder: “Para que los hijos crezcan como se merecen”, om de kinderen te laten groeien zoals ze verdienen. Is dat genoeg aansporing of moet ik erbij vertellen dat het wel om “sabor 2013” gaat?
En dan komt nu mijn voorbeschouwing van een concert waar ik naar toe hoop te gaan? Op een bord bij het toeristenbureautje aan de boulevard las ik dat het stadsorkest van zo’n 30 man weer eens een uitvoering gaat geven bij mij in de buurt, op de plaza Saulo Torón. Vanavond, vrijdag om 7 uur, gaat het gebeuren en ik meld jullie nu al dat ik prominent (of minder prominent, who cares?) aanwezig zal zijn. De voorstelling is helemaal gratis in de open lucht bij 20+ graden en duurt, met een sigarettenpauze halverwege, een uur. Aan het opzetten van de kerststal op het strand daar is men nog niet begonnen, dat komt volgende maand pas, neem ik aan, dus wat het thema van de avond wordt, staat te bezien. Als jullie er geen overwegend bezwaar tegen hebben, zal ik er in mijn volgende brief nader op ingaan.
In mijn brief 9.01 vertelde ik al over de kleine horeca-veranderingen aan de rechterkant van de boulevard. Aan de linkerkant, in de richting van Las Arenas, is het eveneens nog altijd hetzelfde. Allen La Vicondesa, de brood- en taartjeszaak naast Granier is alweer verdwenen. Voor die zaak werd net iets minder reclame gemaakt en dat is ze opgebroken. Granier ernaast floreert als nooit tevoren, net als trouwens een andere Granierm zaak in de Ripoche bij mij om de hoek. En ter completering, de zaak op de hoek bij het beeldje van de visser, met net verderop, heet nu La Jarra.
Een doe-het-zelver os in goed Spaans een bricolador. Regel 1 bij doe-het-zelven dat je dan de juiste spullen hebt om te klussen. In Las Palmas zijn er heel veel zaken waar je allerlei gereedschap, verf, electra en noem maar op kunt kopen, “tiendas de bricolaje”. Zeker in crisistijd wil El Corte Inglés dan ook best een graantje, zeg maar graan, meepikken. Deze novembermaand staat een reclame voor “BriCor” op de gevel van het zuidgebouw; het bijbehoorde embleem van een huisje moet de aankomende bricolador verder naar binnen helpen, naar het stukje kelder waar kennelijk een keur aan bricolaje te koop is.
Ik kocht iets heel anders in de winkel en kreeg een “Brico-Cheque vale por 10€, para próximas compras en BriCor” cadeau. Op de achterkant van mijn waardepapier vond ik de details: “Cómo utilizar tu Brico-Cheque. Ven a Bricor del 4 de noviembre al 9 de diciembre de 2013 y podrás descontarte el valor de este Brico-Cheque en cualquier compra que realices por importe superior a 50€”. Dan volgen er wel nog de nodige kleine lettertjes, die ik maar met moeite kan ontcijferen. Onder een vergrootglas, bij wijze van spreken, lees ik: “Te devolvemos el importe total de tus compras en Brico-Cheque de 10€. Solo se podrá canjear un Brico-Cheque de 10€ por cada operación de compra realizada del 4/11.2013 al 9/12/2013 cuyo importe sea superior a 50€. Los Brico-Cheques no son canjeables por dinero, ni acumulables a otros vales promocionales. En casa de devolución de las compras efectuadas las días 31 de octubre , 1, 2 y 3 noviembre de 2013 de deberá hacer entrega de estos Brico-Cheques. Consultar condiciones en tienda y en nuestra web.bricor.es. Dat valt me alleszins mee, mensen, meer dan ik vooraf dacht, En wat betekent “canjear”? Dat is ruilen, uitwisselen. Verder vind ik dat het woord Brico-Cheque iets te vaak in de tekst voorkomt. Maar goed, als Spaans lesje doe ik het ervoor.
En met deze woorden gaat alweer mijn tweede blog de deur uit. Zoals ik bekend mag veronderstellen, volgt hieronder nog een mooie boekenbijlage die jullie vooral niet mogen missen. Verder wens ik iedereen het beste, ook a.s. maandag d’n 11de vaan d’n 11de, Sint Maarten, maar ook de dag dat “de Vriedhof” weer vol boeren staat die in de provinciehoofdstad “de karneval” komen inluiden. Als ik in Maastricht was, zou ik als worteleboer de Maas oversteken om iets van de sfeer te proeven. Een mens kan echter niet alles hebben, dus hoor ik het maar op afstand aan.
Houd intussen de moed erin, eet eens een appelflap en wordt het langzaam niet tijd om alvast wat strooigoed in huis te halen? Dat mag overigens pas op over een week gestrooid worden, als Zwarte Piet weer in het land komt. Ik bedank een ieder hartelijk dat hij en zij helemaal tot hier hebben doorgelezen en verder is het tot ziens maar weer, hasta luego, van onverlaat, zelfs meestal iets te vroeg op een afspraak, PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Ton & Marion zijn wat je noemt echte fans van Jo Nesbø. Ze hebben vorige week zelfs een hele stapel van diens moordboeken meegenomen naar Gran Canaria. Van dezelfde Noorse schrijver heb ik tot dusver één boek gelezen, “De vleermuisman” over een Noorse rechercheur, Harry Hole, die het helemaal aan de andere kant van de wereld opneemt tegen een huise seriemoordenaar. Bijzonder kon ik het boek destijds niet vinden.
Niettemin, deze week ben ik op Maastrichtse voorspraak maar eens aan een tweede Nesbø begonnen. Op mijn E-reader heb ik er diverse staan. Ik heb gekozen voor “De Sneeuwman”, uit 2005 vermoed ik. Het speelt in Oslo en in Bergen. Hoofdpersoon is alweer Harry Hole van de afdeling Geweldsdelicten, met zijn 40 jaar nog altijd even nors en gedreven als de jaren ervoor. Hij is inmiddels hernieuwd vrijgezel, sinds zijn vriendin Rakel Fauke (met haar zoon Oleg) hem heeft ingeruild voor een anatomiedokter genaamd Mathias. Er verdwijnen de laatste jaren iets te veel vrouwen in Oslo, ook recent weer een, Birte, aan het begin van de sneeuwperiode, met in de tuin een sneeuwpop. Harry vraagt zich af of er wellicht een moordenaar rondloopt. Van zijn directe chef Gunnar Nilsen krijgt hij een paar mensen toegewezen om het uit te zoeken: Magnus Skarre, Björn Holm en nieuwkomer Katrine Bratt. Later verdwijnen er nog meer dames en het groepje rond Harry begint een ware klopjacht op overigens wisselende daders: een halve plastisch chrirurg, een natuurkundeprofessor, een bekende journalist en tenslotte zelfs zijn teamlid Katrine Bratt, die de dochter van een oudpolitieman uit Bergen, ijzeren Rafto, blijkt te zijn, die eerder verdwenen is. Wie is uiteindelijk de echte dader of daderes?
En dan is het nu tijd voor een intermezzo. Volgens Jo Nesbø’s boek zou 15-20 % van alle vaders niet de echte vader is, blijkens een Zweeds onderzoek. Ik ga niet in herhaling vallen; een paar jaar terug heb ik in een blog al eens uitgelegd dat ik dat getal nogal betwijfel, dat het werkelijke cijfer waarschijnlijk veel lager is.Ik heb toen zelfs een onderzoekje voorgesteld om een en ander echt te bekijken. Los daarvan wordt in het boek een zeldzame dominant erfelijke ziekte besproken, de ziekte van Fahr, een kruising tussen vroege dementie en Parkinson, waarvan ik nog nooit gehoord heb. En ook de combinatie van geen tepels hebben als man, de ziekte van Raynaud (dooie vingers) en huidafwijking sclerodermie is mij onbekend.
Wat vind ik van Jo Nesbø’s nieuwe proeve van bekwaamheid? Op mijn E-apparaatje heb ik “De sneeuwman” best wel geregeld met animo zitten lezen. Zelfs betrapte ik me erop dat ik er dinsdagavond op een bank bij El Corte Inglés niet af kon blijven. Aan de andere kant, er zit m.i. genoeg flauwekul in het boek om het niet al te hoog te kunnen waarderen. En het slot vind ik echt nogal uit de lucht gegrepen. Dus kom ik niet verder dan een 7-. Helaas, maar als T&M een E-reader hadden, zou ik zonder probleem alle overige Nesbø’s naar hen kunnen doorsturen zonder zelf een kopie te bewaren.
“Op één been kun je niet staan”, hoe zou je dat in het Spaans zeggen? “Met beide benen op de grond staan” is gemakkelijk, dat is “tener los pies bien firmes en la tierra”. (pie = voet) Echter, in Spanje sta je niet verkeerd op één been (voet), maar daarop loop je slecht, “con un solo pie no se anda bien”. In plaats van “pie” kun je ook “rueda” zeggen, wiel, “con una rueda no anda una carreta”, want welke kar komt nou redelijk vooruit op één wiel?
Mijn tweede been is een pareltje van niemand minder dan good old J. (Jan) Bernlef uit 1984, “Hersenschimmen”. Ik was al vele jaren naar het boek op zoek en was wat blij, toen ik het zo maar tussen mijn duizenden gekopieerde E-readerboeken vond. Het moest uiteraard stante pede naar mijn Sony-apparaatje en deze week heb ik het, met lampje, gelezen. Het boek heeft (maar) 109 bladzijden, op mijn e-reader zijn er dat zo´n 150, schat ik en het is meer een novelle dan een roman. ¨Hersenschimmen¨ speelt in een dorpje vlakbij Boston, Gloucester.
Nederlander Maarten Klein, 71 jaar, is daar 15 jaar eerder gaan wonen, met zijn vrouw Vera. Hij werkte eerst bij de IMCO, een organisatie die zich met visvangst quota bezig houdt, maar inmiddels is hij thuis als “pensionista”. Al vanaf het begin van het boek is Maarten veel meer dan een beetje vergeetachtig. Hij heeft echt gaten in zijn geheugen zitten, kan zich sommige dingen die hij net heeft meegemaakt, even later al niet of nauwelijks meer herinneren en gaandeweg leeft hij steeds meer in een wereld van vroeger, lang geleden, bijv. in de Tweede Wereldoorlog. De kinderen van Maarten en Vera zijn al lang de deur uit, maar naast Vera begint zelfs de hond, Robert, zich af en toe af te vragen of zijn baasje nog wel goed snik is (voor zo ver een hond verstand van psychiatrie heeft, natuurlijk). Vera kan het al vrij snel niet meer alleen aan en gaat wel eens uithuilen bij buurvrouw Ellen Robbins. Huisdokter Eardly moet eraan te pas komen en niet veel later is er een vrouwelijke hulp in huis, Phil Taylor, om Vera enigszins te ontlasten en Maarten´s aberrante gedrag binnen de perken te houden. Niettemin, de ziekte – overduidelijk dementie - verhevigt gestaag en op het einde van het boek, niet zo heel lang af van het begin, zit Maarten Klein voor zich uit te staren in een gesloten inrichting.
Tussendoor vraag ik mij af of Bernlef het wel bij het juiste eind heeft, als hij iets dat hij een bepaald soort geel vindt, eigeel gaat noemen. Moet dat niet eidooiergeel zijn? Aan de andere kant, ik heb de neiging om HET aanrecht te zeggen, terwijl het, getuige Bernlef, overduidelijk de aanrecht moet zijn. Hij wijst mij in zijn boek terecht terecht of klopt er toch nog iets van de uitspraak: “Het recht van de vrouw is het aanrecht”?
Waarom Bernlef zijn aangrijpende dementieverhaal helemaal in de VS heeft gesitueerd en niet gewoon in Alkmaar of Amsterdam, weet ik niet. Hij zal er wel een bedoeling mee gehad hebben, maar die zie ik niet. Het boek geeft wel een pracht van een beschrijving over hoe het met je kan aflopen als bejaarde, vooruit senior, als je op die leeftijd nog steeds nog geen dodelijke hartvaatziekte of kanker hebt opgelopen. Dementie, dat is nog eens een afloop die ik mezelf absoluut niet wens. Ik hoop maar dat ik dan op tijd uit mijn lijden verlost word. Los daarvan prijs ik de neurologen in Maasstricht de hemel in die Bernlef’s “Hersenschimmen” aan medische studenten aanraden om te lezen, zoals bijv. ook Renate Rubenstein’s boek over multiple sklerose en soortgelijke leesboeken tegen een achtergrond van bijv. epilepsie, een beroerte of de ziekte van Parkinson. Bij het boek hoort volgens mij een heel mooi recensiecijfer, zo overtuigend en aangrijpend vind ik het verhaal, Bernlef krijgt van mij een 8½ voor zijn “Hersenschimmen”. Ik kan het boek ter lezing ende vermaak aan de vele niet-dokters onder jullie aanbevelen, zeker de vele 60-plussers in mijn door de wol geverfde vrienden- en kennissenkring. “Hersenschimmen”, e sjoen book!
maandag 4 november 2013
Welogbrief 9.01, 4 november 2013
Hola, verre vrienden, amiguitos lejanos, of het zo moet zijn, hier ben ik weer met deeltje 1 van mijn feuilleton: “Hoe komt Jan Splinter door de winter”. Wie mij de komende zes maanden min of meer wekelijks wil aanhoren, zal hopelijk een aardig beeld krijgen van mijn wedervaren hier. Hier is hij, mijn eerste brief van jaar 9 in Las Palmas, vol goede moed.
Afgelopen vrijdag mocht ik weer eens van Maastricht naar mijn eiland vertrekken. Deze keer ging het van het NS station in Maastricht naar Schiphol en vandaar om kwart voor 3 met vliegmaatschappij Transavia via La Palma (zonder SS) naar (Las Palmas De) Gran Canaria, waar ik blij van zin nog net in de streekbus van kwart over 8 naar Santa Catalina kon stappen. En helaas, Trudie moest al donderdagavond afscheid van mij nemen; en omgekeerd; voor de eerste keer werd ik op weg naar mijn winter in Las Palmas niet naar een Duits vliegveld gebracht. Daar staat tegenover dat Ton & Marion in hetzelfde vliegtuig als ik naar Gran Canaria zaten. Op “el aeropuerto” hier namen ze vervolgens een taxi naar het zuiden, naar Playa Del Inglés, terwijl ik me, zuinig als ik ben (?), in de streekbuis naar het noorden hees. Over ruim een week komen T&M me in mijn tweede stadswoning opzoeken, met kinderen en aanhang. Dat wordt dan uitgebreid “kemissies” doen om het ze naar de zin te maken.
Op weg naar huis hier vrijdagavond begon ik met enkele noodinkopen bij de Spar in de Ripoche, N.B. ‘avonds nog open op vrije dag Allerheiligen. Daarna pakte ik mijn koffer deels uit en begon aan een blikje Coca Cola Zero. Toch, het zal jullie niet verbazen dat ik even voor 11 al mijn moede hoofd ter ruste legde. Op zaterdagmorgen werd ik verkwikt wakker om bijna 8 uur. Als een goed begin het halve werk is, kan ook deze winter waarschijnlijk niet meer stuk.
En dan zou ik nu iets moeten zeggen over mijn muziek van de eerste Palmese dagen. Echter, mijn Verbatim harde schijf van maar liefst twee Terabyte en met daarop bijna 1 Terabyte muziek geeft geen sjoege. Ik heb hem afgelopen donderdag nog uitgeprobeerd in Maastricht, op dezelfde oude computer als waarop ik nu zit te typen, en toen kwam er best mooie muziek uit het apparaat. De afgelopen dagen hier niet dus en ik vrees dat jullie het de komende maanden zonder mijn favoriete muziek zullen gaan stellen. Tant pis!
In mijn amuse briefje 9.00 gaf ik jullie de tekst door van “De Jordaanwals”, waarmee zanger Johnny Jordaan in 1955 en later hoge ogen gooide. Hebben jullie meegekregen dat het nummer gaat over de “clash” tussen Amsterdamse volksmuziek en de eerste rock ‘n’ roll? Los daarvan, ik ben de afgelopen zomer verscheidene malen in Amsterdam geweest, bovenal om mijn kleindochters te ontmoeten, maar ook – zoals steeds – om oude koeien uit de sloot te halen. Hier zijn er twee.
De eerste 3, 4 jaren van mijn Amsterdamse leven, in 1964 en daarna, woonde ik in de Linnaeusstraat op een zolderkamertje. Tegenover mijn optrekje was beneden een café, waar ik wel eens, op zondagavond, naar het klaverjassen ging kijken. Omdat de naam van de zaak mij anno 2013 niet meer te binnen wilde schieten, liep ik er van de zomer een keer heen. Het café bestaat nog steeds, werd ik gewaar, tegenover de vestiging van de Hema in de straat. Zelfs is het aanzien binnen niet veranderd, o.a. met zijn foute kleedjes op de tafeltjes. En dan komt nu de naam nog een keer: Café Sport. Inderdaad, Café Sport.
Gerustgesteld liep ik daarna via de Middenweg naar mijn tweede obstakel, de slagerij om de hoek van het optrekje van Pieke Bartholomeus in die tijd. Ook van die nering op de Wethouder Frankesweg was de naam uit mijn geheugen verdwenen. Er is zoveel middenstand verdwenen in de afgelopen vijftig jaar, zou de slagerij nog wel bestaan? Het was trouwnes niet zo maar een slagerij, nee, het was de eerste slagerij bij mijn weten die in de vitrine ter verkoop een grote bak vleessalade had staan, een simpel mengsel van corned beef, zilveruitjes en mayonaise, maar lekker... Ik heb het de laatste jaren mijn gasten met carnaval nog wel eens voorgezet, maar moet jullie teleurgesteld vertellen dat vooral ik er niet vanaf kon blijven. Helaas, de slagerij is er anno 2013 niet meer en hoe de slagerij destijds heette, blijft mij vooralsnog een raadsel.
Lluis had het al aangekondigd; mijn Luis Morote hier, althans het stuk voor mijn deur, heeft een aardige gedaantewisseling ondergaan de afgelopen zomer. Ze is nu autovrij en vooral het ontbreken van de loeiende sirenes van ambulances doet mij deugd. Mijn India mannetje beneden met zijn zonnebrillen, horloges e.d. is er uiteraard wel nog en ik heb ook Carlos met zijn koffiehuis al gespot. Aan de overkant zie ik vanaf mijn balkon wel een verandering: het Cubaanse café Sol Y Son is omgedoopt tot Azafrán. Azafrán? Bij eerste lezing dacht ik zo waar dat azafrán staat voor stewardess, maar het hele uithangbord boven de toegang gaat van “La tasca del azafrán, auténtica comida mediterránea” met een bloemetje ernaast. Geachte toehoorders, een stewardess noemt zich in het Spaans een “azafata”; als er el, niet la voor staat, is het een steward. Mijn “azafrán” staat voor saffraan, dat kruid dat bijv. in een paella op zijn plaats is (en een stuk duurder is dan bijv. brandnetel).
Willen jullie nog een verandering, zeg verbetering? De flat precies tegenover mijn etage is nu weer mooi bruin geschilderd. Om de balkons staat zelfs op de meeste plaatsen een nieuw hek. Tegelijkertijd betrap ik mijn directe overburen van twee hoog, vader en zoon, erop dat ze nog steeds min of meer ongegeneerd mijn woning in kunnen kijken en ik in de hunne. De zoon, ongeveer 40-45 jaar oud, denk ik, gaat ’s ochtends zeker weer naar me zwaaien.
Terug naar afgelopen zomer. Ik ben deze keer drie keer op vakantie geweest, als ik mijn uitstapjes in de Euregio (Luik, Visé, Hasselt, Aken) en in de Randstad (Amsterdam, Leiden-Oegstgeest) niet hoef mee te tellen. In mei al ging ik met Trudie, Marij, Rim, Désirée en Tristan naar Boedapest. Ik was al eens eerder in 1993 of zo in die stad geweest, met destijdse bridgevriend Jo, maar mijn hernieuwde kennismaking beviel me uitstekend. Belangrijk pluspunt: we zaten (een dag of vijf) in een royaal appartement op letterlijk een steenworp afstand van het centrale plein in de stad. Boedapest, ik kan het iedereen van harte aanbevelen om daar weer eens een weekje heen te gaan. Er is in de zomermaanden van alles te beleven.
Van 20 t/m 28 augustus zat ik met Trudie in de Baltische staten, waarom staten en niet landen? In mijn vriendenkring heb ik de landen samen wel aangeduid als Baltica, maar het samenvoegen van de drie zou m.i. niet straffeloos kunnen gebeuren. Daarvoor zie ik vooralsnog te veel verschillen tussen Lithouwen (beetje Duits, Pools), Letland (bij Zweden) en Estland (met veel Finse toeristen). Weten jullie de drie hoofdsteden nog uit het hoofd? Dat zijn dus, van beneden naar boven, Vilnius, Riga en Tallinn. We gingen met het vliegtuig op en neer naar Baltica, maar ter plekke van Vilnius via Riga naar Tallinn met de bus, in gezelschap van zo’n 30 Limburgers. Het meest staat mij nog de buurt bij net naast het centrum van Riga vol met Jugenstil huizen, waar ook ons hotel daar was. En om Trudie te plezieren noem ik hier ook het centrum van Tallinn, dat alles van toeristenstadje Valkenburg heeft, maar wel veel groter is. Je moet er een keer geweest zijn, in Baltica, is mijn oordeel, maar daarna hoeft het niet meer. Overigens, Tallinn ligt maar zo’n 200 km van Sint Petersburg vandaan.
Mijn derde en laatste zomervakantie deed ik zonder Trudie en met een hindernis. Op 30 september zou ik met SRC een rondreis van twee weken maken door Zuid-Italië en Sicilië. De reisorganisatie bleek echter onder het recent failliet verklaarde OAD te vallen, dus ging mijn reis op het allerlaatste moment niet door; dat werd me drie dagen voor vertrek telefonisch meegedeeld. Voor mijn geld terug kon ik een beroep doen op reisverzekeringsorganisatie SGR. (Of is het omgekeerd, SGR en SRC, ik heb in Maastricht in een ordner zitten.) Ik hoop nog steeds zo’n kleine 1700 euro terug te ontvangen. Dezelfde 27 september heb ik toen maar een rondreis alleen Sicilië van een week bij KRAS geboekt, te vertrekken op 2 oktober vanaf Schiphol naar Catania. KRAS is en blijft KRAS, met de bus ter plekke trokken we, zo’n 25 man, eenvoudigweg van de ene bezienswaardigheid naar de volgende, met steeds enige bijbetaling. Nog een geluk dat ik 65+ ben, dat scheelde behoorlijk in mijn entreegeld op het laarspunteiland. En ik vond en vind Sicilië best leuk voor een week, maar ook dat eiland hoeft nu voor mij niet meer, met al zijn Griekse tempels, Romeinse amfitheaters en middeleeuwse kerken (kathedraal en basiliek soms bovenop een moskee). Het interessantste vond ik op Sicilië nog mijn vrije middag en avond in Palermo, naast de gezamenlijke maaltijden met de groep en, niet te vergeten, de legio verhalen van reisleidster Dita, o.a. over de diverse bomen, struiken en planten, de landspolitiek van mensen als Berlusconi en de Siciliaanse maffia en de bestrijding ervan. Een boek over de maffia dat ze mij aanraadde te lezen, “Cosa Nostra” uit 2004 van John Dickie, heb ik mee naar Las Palmas genomen en zal er hier zeker aan moeten geloven.
Heb ik de afgelopen zomer in Maastricht stil gezeten? Heb ik zelfs mijn (achter)tuin, keurig op het noorden, verwaarloosd? Nee dus, ik ben de gelukkige eigenaar van een heel regiment planten, die ik zelfs heel af en toe wat water heb gegeven. Van links naar rechts koester ik vooraan lin mijn tuin drie grote fuchsias, verderop staat klimop, euphorbia, taxusboom, hertshooi (hypericum), longkruid, papaver, zenegroen (ajuga), laurierkers en zo waar sinds kort ook weer een hortensia. Rechts daarvan is er nandina, vuurdoorn, moerascipresboom (?), hulst en skimmia en meer vooraan rechts longkruid, vrouwenmantel, weigelia, lelietjes van dalen, vingerhoedkruid, een heleboel herfstasters en tenslotte helemaal vooraan nog eens twee nieuwere fuchsia’s.
Liesbeth, een golfviendin van Greetje en tevens ex-biologielerares, heeft ze eind augustus een beurt gegeven en me de namen geleerd. Voor een mooi overzicht van zo ongeveer alle tuinplanten die er bestaan, verwijs ik jullie verder naar de site van Esveld kwekerij, volgens haar een “must”. Of ik er zelf ook nog eens naartoe internet...?
Afgelopen zaterdagavond werd ik weer eens hier in Las Palmas welkom geheten door Noe. We troffen elkaar om 6 uur bij La Guarida, waar op dat moment een nogal waterig orkestje met zangeres net was beginnen te spelen. Al snel hielden we het er voor gezien en zaten eerst op een bank aan de boulevard bij te praten en daarna was het tijd voor onze eerste kennismaking met het grote, sinds vorig jaar nieuwe café-restaurant Oleiros aan de Playa Chica. De naam Oleiros is Gallicisch en genoemd naar de eigenaar, wist de dame die ons bediende, te vermelden.
Daarna mochten we naar de levende muziek van Tasquita Cambullonera aan de kop van Las Canteras, direct onder mijn favoriete eettent Casa Carmelo, waar Duitse camarera Steffie ons al opwachtte. Weihenstephaner kon je er niet krijgen, Trudie, maar de Paulaner smaakte prima op het terras. Voeg daarbij de aandacht die Noe en ik kregen van Cucu (vriend met Lorena) en een Cubaase dame, genaamd Haydee, aan het tafeltje naast ons. Die wist mij zelfs bijna over te halen voor een hernieuwd bezoek aan theater Cuyas in Triana om daar een zarzuela, operette, bij te wonen, Las Leandras, de peseta’s. Pas om middernacht mocht ik mijn flat en bed weer opzoeken.
Terzijde, alles bij elkaar was ik zaterdagavond goed voor ruim twee liter pils, maar naar de wc hoefde ik niet, geen enkele keer, totdat ik thuis kwam. In dezelfde tijd moest Noe vier of vijf keer plassen. Plas ik te weinig, Noe te veel of maakt het allemaal geen donder uit? ’s Nachts moet ik tegenwoordig wel altijd een keer uit om te plassen, meestal alleen om een uur of 6, sporadisch twee keer. Dat lijkt me op mijn leeftijd normaal, maar waarom is het leeftijdgebonden?
En alweer terzijde, ook op Las Canteras is weinig tot niks veranderd. Je zou ook kunnen zeggen dat de boulevard er nog altijd even mooi bij ligt. Vooruit, enkele details zijn wel anders. Schuin tegenover het toeristenbureauhuisje is een aantal café-restaurants, waarvan er een van naam is veranderd. Baluarte is nu Balalaika, een zaak die eerst in een zijstraat was, maar zich kennelijk naar de eerste rij heeft opgewerkt. Het staat bij dezen op mijn nominatie voor een keertje uit eten. Verderop, aan de calle Gran Canaria, ligt nu rechts (van de boulevard af gezien) Cocina Peruana. Het staat op de plaats van een eerder Turkse restaurant. Op een zuil bij de entree staan rare figuren met daaronder het zinnetje “linea de nasca”. “Nasca”, is dat iets Peruaans? Mijn wooordenboek geeft niet thuis. Aan de andere kant is nu Mad Bread gevestigd, een winkel voor brood, taartjes, pizza en alweer met een terras. Als ik een eetzaak in Las Palmas had, zou ik er ook een terras bijmaken, al was het maar omdat je daar mag roken (wat ik zelf al 18 jaar niet meer doe). En tenslotte, de pizzatent op de punt van Las Canteras, bij de bocht, is vervangen door Loony’s. “Pinxos, tapas y mucho más... picando en Loopy’s.”, staat er drie keer op de gevel. “Picar” betekent een helemaal dingen, maar ook proeven, “probar”.
Van Noe leerde ik zaterdagavond twee woordjes die maar als Spaans lesje moeten dienen.
Allereerst is daar “preciosura”. Het woord “precioso” kennen jullie wellicht; het is het Spaanse equivalent van mooi, prachtig. Gesteld dat iemand van jullie er nog een schepje bovenop wil doen, dan zegt hij tegen de aangesprokene dat ze “preciosura” is, zo iets als prachtig in het kwadraat,
Een vreemde taal kun je in het geheel niet beheersen of je kunt er prima mee overweg. Ik heb dat bijv. met Engels en Duits, talen die ik behoorlijk (maar zeker niet perfect) onder de knie heb, terwijl bijv. Arabisch en Chinees voor mij nog steeds koeterwaals zijn. Er is ook een uitdrukking voor als je je in een taal aardig kunt redden zonder dat je van de hoed en de rand weet. Noe heeft dat tegenwoordig met Portugees, vertelde hij mij. Hij heeft belangstelling voor die taal en daarbij wort hij verondersteld voor zijn werk op de Kaapverdische eilanden, waar Portugees gesproken wordt, een beetje met de mensen mee te kunnen praten. In het Spaans gebruik je dan het werkwoord “defenderse en”. “Se defiende en portugués”, vindt Noe en ik kan me intussen hopelijk een beetje redden in het Spaans, me defiendo en español.
En daarmee sluit ik brief 9.01 af. Wie op mijn blog de tekst van het nieuwe caranavalsliedje van de Tempeleers wilde lezen, zal nog een weekje of zo moeten wachten. Voor de uitverkorene(n) en met welk nummer ruim ik volgende keer plaats in.
De neefjes en nichtjes van Trudie hebben het zaterdag zonder mij moeten doen. Ik was er graag bij geweest, op hun jaarlijkse reunie, tegenwoordig eindigend met een buffet op Eddy’s ex-school, maar een mens kan niet alles hebben. Voor nu wens ik jullie zonder uitzondering een prettige voortzetting van de herfst en “veer zien us” binnenkort weer, hoop ik maar. Hasta luego, tot ziens, vanuit een 25+ graden Las Palmas, jullie toegenegen PaulK.
BOEKENHOEKJE:
Volgens Noe moet ik hoognodig eens kennismaken met de zwarte humor van detective Pepe Carvalho. Hij is de man om wie een en ander draait in de boeken van Manuel Vazquez Montalban. Waar heb ik die naam eerder gehoord? Mij staat vaag bij dat ik jaren terug enkele van zijn boeken in vereenvoudige vorm in het boekwinkeltje op Plaza Farray gekocht heb en vervolgens nog gelezen ook. Ook in mijn BOEKENLIJST tref ik zo waar één boek van hem aan, “Los mares del sur” uit 1981, in het Engels vertaald als “Southern seas” en in het Nederlands als “Tahiti ligt bij Barcelona”.
Van mijn familie in Amsterdam, met Eva voorop, kreeg ik voor mijn verjaardag een Sony e-reader, met lampje. Hoef ik niet meer steeds met dozen boeken te sjouwen van Maastricht naar Las Palmas en vice versa. Ik heb gewacht met hem te gebruiken tot afgelopen vrijdag op weg naar hier. Zou het wel bevallen, een boek lezen zonder dat je het echt in je handen hebt? Intussen is er eentje helemaal uit, “Stoner” van John Williams, dat ik al eerder wilde lezen en mijn vrees is niet terecht. Ik heb het probleemloos gelezen en daarbij: het scheelt natuurlijk wel, als je je boeken (vele duizenden) gratis, maar clandestien, krijgt aangeleverd.
Jullie willen ook nog mijn recensie van “Stoner”? Als ik het wel heb, is het gepubliceerd in 1965, een kleine 50 jaar terug, maar heeft Joost Zwagerman het onlangs voor Nederland uit de lappenmand gehaald. Met veel succes, zo veel dat ik hier maar geen beschrijving van de inhoud ga geven; bijna iedereen kent het al. In een paar zinnen: het boek gaat van zijn vroege jeugd tot aan zijn dood over William Stoner, eerst student en daarna docent Engels aan de Universiteit van Missouri in de stad Columbia. De precieze bijbehorende jaartallen zijn 1891 (geboorte) en 1956 (overlijden). We krijgen een inkijkje in zijn niet al te geslaagde privé-leven en zijn werk op de afdeling Engels.
Eerlijk is eerlijk, (ook) ik vind het een heel aardig boek. Een 8 als eindcijfer is op zijn plaats en wie weet, begin ik later ook nog eens aan een van zijn andere boeken: “Nothing but the night”, “Batcher’s crossing” of “Augustus”.
En geloof het of niet, op de valreep heb ik ook nog een dun e-readerboekje van René Appel uit, “Hittegolf” uit 2009. De 77 bladzijden bevatten naast het titelverhaal vijf andere miniproefjes van bekwaamheid: “Bloedheet”, “Burn-out”, “Een bikini met oogjes”, “Vakantiewerk” en “Het gele monster”. Alle zes zijn ze eerder in blaadjes als Playboy en zo verschenen en hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat het in de verhaaltjes hartje zomer is, de mussen vallen bij wijze van spreken van het dak.
Ook dit boekje is me vanaf mijn e-reader goed bevallen. Als ik moet kiezen, vind ik van de zes verhaaltjes “Burn-out” het aardigste, misschien omdat het in dat verhaal niet een keer, maar twee keer misgaat. Ik kom voor “Hittegolf” uit op een 7½, best in orde. Van René Appel heb ik nog meer boeken in petto.
Was het dat voor mijn boekenhoekje? In Maastricht afgelopen zomer heb ik niet veel gelezen, maar een eenvoudig lijstje van de boeken geef ik hier toch, voor wat het waard is. Daar komen ze, in chronologische volgorde:
Sue Grafton - K is for killer - 1994
Rosalie Sprooten – De Heerenkuil – 2000
James Lee Burke – Bergafwaarts (Swan Park) – 2009
Harry Knipschild – De Bekering Van De Wereld – 2013
Bettine Vriesekoop – Bij De Chinees – 2007
Nancy Huston – Breuklijnen (Lignes De Faille) – 2006
Jan Blokker – Mij hebben ze niet – 1980
Yvonne Kroonenberg – Hoe komen we de feestdagen door? – 2012
Tom Lanoye – Heldere Hemel - 2012
Theo Thijssen – Het Taaie Ongerief - 1932
Alexander Poesjkin - De verhalen van wijlen Iwan Petrowitsj Bjelkin; Schoppenvrouw; Biografische schets – 1967
Peter Buwalda – Bonita Avenue - 2011 (gedeeltelijk)
Dan Brown – Inferno – 2013
Mohamed El-Fers – Oum Kalsoum - 1991
Ton van Reen – De vuurverkoper – 2012
Ravelli - ... - 2013-11-03
Ton van Reen – De Bende van de Bokkenrijders – 2003 (Een verzameling van vier jeugdboeken: Ontsnapt aan de galg, 1986, Vurige ruiters, 89, De gesel van het zwarte goud, 92, Het loon van de duivel, 94)
Van het best te pruimen boek van Ravelli, overduidelijk een Limbo met een halve priesteropleiding achter de kiezen, ben ik helaas de titel vergeten. Het ligt nu ter lezing bij Trudie en die kan jullie de titel zonder probleem doorgeven, als daar belangstelling voor is.
woensdag 30 oktober 2013
Woensdag 30 oktober 2013
Weblogbrief 9.0
Zoals aangekondigd in een e-mail aan jan en alleman open ik mijn Las Palmas schrijfsels deze negende winter met de tekst van Johnny Jordaan's evergreen "De Jordaanwals" uit 1955. Een beetje Nederlander denkt er de muziek vanzelf bij. Voor mindere goden verwijs ik naar "Jordaanwals" op YouTube. Ik zie jullie binnenkort groten getale aanschuiven. Tot dan, PaulK.
Weblogbrief 9.0
Zoals aangekondigd in een e-mail aan jan en alleman open ik mijn Las Palmas schrijfsels deze negende winter met de tekst van Johnny Jordaan's evergreen "De Jordaanwals" uit 1955. Een beetje Nederlander denkt er de muziek vanzelf bij. Voor mindere goden verwijs ik naar "Jordaanwals" op YouTube. Ik zie jullie binnenkort groten getale aanschuiven. Tot dan, PaulK.
Wanneer ik de mensen zie dansen
Dan blijf ik verwonderd soms staan
Wat zijn dat nou voor bokkesprongen
Waar komt al die onzin vandaan
Ze smakken, ze gooien, ze smijten
Wanneer ik 't zie, word ik naar
Misschien is het leuk in Amerika
Geef mij dan toch veel liever maar
Zo'n lekkere wals, van die baaie rokken
Zo'n heerlijke wals uit de Jordaan
Die me weer herinnert aan de tijd der lokken
En bloedrooie kralen, en pantoffeltjes aan
De orgels, die draaien, we zwieren, we zwaaien
Je ziet die baaie rokken als hoepeltjes gaan
En we draaien weer rechts om, links om
Op die ouwe toffe wals uit de Jordaan
Een wals is m'n lust en m'n leven
Daar laat ik m'n eten voor staan
Waarom als een wilde te springen
Een mens is toch geen baviaan
Wat heb ik nou aan boogie woogie
Die zenuwe dans maakt me kwaad
Ik vind het gewoonweg maar poppekast
Geef mij maar Jordaans fabrikaat
Zo'n lekkere wals, van die baaie rokken
Zo'n heerlijke wals uit de Jordaan
Die me weer herinnert aan de tijd der lokken
En bloedrooie kralen, en pantoffeltjes aan
De orgels, die draaien, we zwieren, we zwaaien
Je ziet die baaie rokken als hoepeltjes gaan
En we draaien weer rechts om, links om
Op die ouwe toffe wals uit de Jordaan
Dan blijf ik verwonderd soms staan
Wat zijn dat nou voor bokkesprongen
Waar komt al die onzin vandaan
Ze smakken, ze gooien, ze smijten
Wanneer ik 't zie, word ik naar
Misschien is het leuk in Amerika
Geef mij dan toch veel liever maar
Zo'n lekkere wals, van die baaie rokken
Zo'n heerlijke wals uit de Jordaan
Die me weer herinnert aan de tijd der lokken
En bloedrooie kralen, en pantoffeltjes aan
De orgels, die draaien, we zwieren, we zwaaien
Je ziet die baaie rokken als hoepeltjes gaan
En we draaien weer rechts om, links om
Op die ouwe toffe wals uit de Jordaan
Een wals is m'n lust en m'n leven
Daar laat ik m'n eten voor staan
Waarom als een wilde te springen
Een mens is toch geen baviaan
Wat heb ik nou aan boogie woogie
Die zenuwe dans maakt me kwaad
Ik vind het gewoonweg maar poppekast
Geef mij maar Jordaans fabrikaat
Zo'n lekkere wals, van die baaie rokken
Zo'n heerlijke wals uit de Jordaan
Die me weer herinnert aan de tijd der lokken
En bloedrooie kralen, en pantoffeltjes aan
De orgels, die draaien, we zwieren, we zwaaien
Je ziet die baaie rokken als hoepeltjes gaan
En we draaien weer rechts om, links om
Op die ouwe toffe wals uit de Jordaan
donderdag 25 april 2013
Weblogbrief 8.30, 25 april 2013
Weblogbrief 8.30, 25 april 2013
¡Hola! Mi círculo íntimo! Is het er toch weer van gekomen. Ik hoopte dat ik ook deze winter de dertig brieven zou kunnen volmaken, maar hopen is iets anders dan doen. Hier is hij, mijn drie keer tiende en (dat wel) laatste brief van mijn jaar 8 in Las Palmas de Gran Canaria. En de dunste van dit winterseizoen is het niet, ik heb me voor dit laatste schrijven aardig zitten uitsloven. En dat terwijl we hier een “calima” hebben, de hitte en stofwolk die komt overwaaien vanuit Afrika naar mijn eiland toe. De afgelopen dagen, eigenlijk vanaf zaterdag al, was het hier best warm, met overdag een temperatuur tot boven de 30 graden. Ik zit hier niet voor “de bok z’n kloete” voor de kust van de Sahara. Als ik de afgelopen dagen ’s ochtends vroeg op mijn thermometer keek, gaf hij al 25 graden aan. Etel die maandagmorgen voor het laatst deze winter kwam “pótse”, vond het maar niks, maar ondergetekende, van huis uit amfibie, want ik neem ongestoord de temperatuur van de omgeving aan, vond de afwisseling prima de luxe.
Wat zal ik eens kiezen als mijn laatste muziek van deze winter? Er zijn zangers en zangeressen die zo vloeiend een liedje kunnen brengen dat je er alleen maar jaloers op kunt zijn. Voor wie namen wil horen, denk eens aan Dean Martin, meer nog dan Frank Sinatra, Elvis Presley of voor iets moderners Robbie Williams. En bij de dames is het net zo: Billie Holiday, Dinah Washington of Edith Piaf. Vooruit, laat ik ook eens een Nederlandse noemen: Teddy Scholten, de mevrouw die met “Een beetje” de wereld veroverde, of toch in ieder geval West-Europa. Ik moet met voorrang eens een compilatie van haar downloaden. Kennen jullie de tekst van “Een beetje” nog? Dat is nog eens een klassieker.
Bovenstaande artiesten en met hun vele anderen zijn eersteklas en staan hoog in mijn aanzien. Toch kan ik jullie evenzeer een rijtje namen geven van zangers en zangeressen die op een zangauditie stante pede door de mand zouden vallen, maar in mijn persoonlijke hitparade wel bij de bovensten eindigen. Moet ik jullie daarvan ook voorbeelden geven? Luister eens naar Tom Waits, Louis Armstrong, Chavela Vargas, Joaquin Sabina; die hebben stemmen om kolen te kloppen, ze kunnen er eigenlijk geen hout van, maar wat klinken ze apart. Uit de krakkemikkige hoek van nepcrooners heb ik een drietal platen voor jullie voor mijn ultieme muziekbijdrage, en het zijn platen van echte coryfeeën.
Ik begin met good old Bob Dylan. Misschien dat hij in de zestiger jaren nog een beetje kon zingen, toen hij de straten van Zuid-Manhattan afschuimde, maar al snel was het beste eraf, in de jaren 90 zeker. En plotseling, in 1997, zag zijn CD “Time out of mind” het daglicht; de man was toen al 56. Ik heb zelden zo iets moois gehoord. Hier zijn de elf nummers:
01. Love sick
02. Dirt road blues
03. Standing in the doorway
04. Million miles
05. Trying to get to heaven
06. “Til I fell in love with you
07. Not dark yet
08. Cold irons bound
09. Make you feel my love
10. Can’t wait
11. Highlands
Is het mogelijk om binnen deze serie nog weer eens opnieuw te kiezen welke liedjes het allerbeste zijn? Singer-songwriter Bobby Zimmerman met “Love sick”, “Highlands” en bovenal “Not dark yet”. Als het een Miele was, zou ik zeggen: er is geen betere.
Ik beloofde een drietal, hier is nummertje twee. Canadees Neil Young heeft de neiging om hoger te willen zingen dan hij aankan. Nou vind ik dat niet heel erg, maar op het Maastrichtse conservatorium zul je hem als zangdocent niet aantreffen (tegenwoordig misschien wel als gitarist). Hij is in 1994 bijna 50, als zijn “Sleeps with angels” uitkomt, een plaat om zelfs per koptelefoon naar te luisteren, als je aan het fietsen bent. Het ene nummer is nog adembenemender dan het andere. Ook nu volsta ik maar met de twaalf liedjes van de CD gewoon op te sommen:
01. My heart
02. Prime of time
03. Drive by
04. Sleeps with angels
05. Western hero
06. Change your mind
07. Blue eden
08. Safeway cart
09. Train of love
10. Trans Am
11. Piece of crap
12. A dream that can last
Alweer is nog weer een superkeuze niet of nauwelijks te doen. Wat vinden jullie van nummers als “Sleeps with angels”, “Safeway cart” en vooral “Blue eden”? Daar kan een mens vandaag de dag niet meer zonder.
Ik had er drie beloofd met een foute stem, dus geef ik er hier nog eentje prijs: Lucinda Williams. Ook zij heeft enige moeite om maat te houden, laat staan om op de goede toonhoogte te blijven, maar wat is haar Americanamuziek onweerstaanbaar. In 1998 kwam haar beste plaat op de markt, voor mij dan: “Car wheels on a gravel road”, de dame liep toen naar de 50 toe, nu is ze precies 60. Ik zag haar in die tijd het titelnummer zingen in het programma van David Letterman en kon alleen maar roepen van “Wat sjoen!” Laat ik alle dertien nummers van de CD maar weer met jullie doorlopen; hier zijn ze:
01. Right in time
02. Car wheels on a gravel road
03. 2 kool 2 be 4-gotten
04. Drunkel angel
05. Concrete and varbed wire
06. Lake Charles
07. Can’t let go
08. I lost it
09. Metal fireceaker
10. Greenville
11. Still I long for your kiss
12. Joy
13. Jackson
Wat een geweld, ik kan er nauwelijks over uit! Liedjes als “Right in time”, “Drunken angel” en bovenal “Lake Charles” zijn naar mij bescheiden mening echt wereldnummers. Vooral dat “Lake Charles”, dat is trouwnes haar geboorteplaats in het zuiden van Louisiana, niet ver van de grens met Texas, dat is er eentje die zonder meer in aanmerking komt voor mijn top 20 aller tijden, die op mijn crematie best uit de luidsprekers mag klinken. Ik krijg er geen genoeg van, zo indrukwekkend.
Ik heb nog een correctie aan te brengen op mijn vorige brief. Op de “mercado central” vroeg ik mijn koffiemannetje, bij wie ik nog een paar pakken koffie ging kopen, naar het woord “arábico”. Met Arabisch, “árabe”, “arábigo” heeft het inderdaad niks te maken en een koffiesoort als “arábico Brasil” is zeer wel denkbaar. Kort gezegd, zijn er twee koffieplanten, “arábico” en “robusto”. De eerste plant komt op diverse plekken in de wereld voor en de tweede is Afrikaans. In mijn woordenboek vind ik de namen vreemd genoeg niet terug, maar goed, als je de deskundige raadpleegt, komt een en ander meestal op zijn pootjes terecht.
Op het pleintje voor de markt, waar ook wel kanariepietjes verkocht worden en geregeld Roemeense dames zitten te bedelen, stond zaterdag een busje met daarop in kapitale letters: “Vida sin colesterol”. Alsof het een gunst was, kon je daar je bloedwaarde van je “cholesterol” laten meten> Achteraf kwam dan ongetwijfeld het advies om meer Danone te eten dan wel dagelijks cholesterolverlagende medicatie te nemen. Er stond een hele rij mensen van alle leeftijden te wachten tot ze aan de beurt waren voor hun bloedprik. Een politiebusje om de LDL/HDL-onverlaten af te voeren heb ik niet gezien, laar staan een pelotonnetje ME-ers om eens flink om zich heen te slaan. Heeft er dan niemand iets geleerd van een boek als dat van Kendrick uit 2007, “The great Cholesterol Con”?
Laat ik maar vlug naar een ander, meer alledaags onderwerp gaan. Afgelopen dinsdag 23 april was het hier “Día del libro” en kreeg je in de erkende winkel 10% korting op de aankoopprijs van je boek. En ik nam me voor om vandaag, tijdens mijn lange pauze tussen de praatjes van Lluis en die van mij en Almudena in ieder geval ook naar de boekenmarkt op San Telmo te gaan, die daar nu gaande is.
Ik neem maar aan dat in Nederland idem dito nu zoiets als een “boekenweek” is of die bij ons eerder? In ieder geval vroeger werd die altijd geopend met een boekenbal, voor de schrijverswereld, en daar zette dan de redactie van mijn lijfblad Propria Cures de zaak op stelten. En, geloof het of niet, er zijn mensen die de gratis boekenweekgeschenken sparen. Voor mij zijn die krijgertjes zelden de moeite waard.
De afgelopen week, vooral vanaf zaterdag t/m dinsdag, was het warmer dan gewoonlijk voor de tijd van het jaar. Reden te over dus om zelfs ’s avonds in een korte broek rond te lopen of zo eentje tot net over de knie. Ik heb er twee met die tussenmaat, allebei met een brede elastieken bovenrand. Eentje is intussen vaalrood van het vaak dragen en moet aan het kruis nodig eens opnieuw gestikt worden. Dus liep ik tijdens de tropische dagen rond in de andere, iets tussen lichtgroen en grijs in, met een extra zak rechts voor. Ik geef toe: het is mijn kleur niet, maar driekwart broeken met mijn buikmaat zijn niet altijd voorradig. Het liefste zou ik de broek in een badje zwarte of donkerblauwe verf doen om er acceptabeler bij te lopen.
Ik heb dat ook met polo’s. Die heb ik in alle kleuren, van helwit tot donkerzwart, met alles ertussen in. Ooit kreeg ik er twee van Eva, merk Gap, ik geloof helemaal uit de VS opgestuurd voor vaderdag. En gegoten dat ze zaten! Echter, laat er nou eentje lichtblauw van kleur zijn! Die heb ik, om het niet te gek te maken, toch een aantal keren gedragen, als Eva in de buurt was, maar zijn lot was toch om in de vuilnisbak gedeponeerd te worden. Als ik toen dat verfbadje had gehad, dat ik me vandaag de dag voor mijn lichtgroene broek toewens, had hij, de polo, een heel lang leven beschoren kunnen zijn. Helaas!
Zaterdagmiddag had ik met Noé afgesproken bij La Guarida , het café met zoveel muziek in zijn vaandel. Ik was er keurig op tijd, even voor 6 uur, maar mijn jonge vriend, het lijkt wel Kuifje, liet op zich wachten. Dus kon ik eens op mijn gemak met de muziekanten van die namiddag kennismaken: een viertal met een doorsnee zanger en idem dito basgitarist, allebei niks bijzonders, een al te lakse sologitarist, hij had net zo goed op een stoel kunnen gaan zitten, en een drummer die ik al van honderden meters afstand gewaar werd. Die drummer (“en la batería”) was mijn type, daarmee kon ik best door één deur, ook nog wel meer dan een, als jullie het eerlijk willen weten. Tussen de aanwezige publiek zag ik een vriend van Noé, mijn naamgenoot Pablo, die drie dames onder zijn hoede had. Bij die heb ik nog even staan praten.
Noé liet om half 7 weten dat hij eraan kwam, maar het klokje had al 7 geslagen, toen hij er daadwerkelijk was. Het werd een gezellige avond met (vooral) ons tweeën. We zaten knusjes op het plein bij de speeltuin annex basketbalveld, daarna op de plaza del Pilar en nog weer later aan de boulevard bij Las Arenas. En overal waren we ter plekke, als er net levende muziek er uit de luidsprekers en versterkers kwam. Op de plaza del Pilar, aan de Lepanto, aten we, tussen honderden vooral jongeren, bij ons bier een lekker broodje, een “arrepa”, van een zaak uit Venezuela, genaamd “Oh! Que Bonito!”. Het verbaasde me dat de naam, ook op de T-shirts van de bediening, niet met een ¡ begon, maar volgens Noé doet niet iedereen meer me aan die Spaanse gewoonte. Tegenwoordig zijn “wij” Engels, was zijn verzuchting.
Je leert steeds weer bij, op een uitheems zaterdagavondje, deze keer over matig alcoholische dranken. Ik vroeg Noé naar de TINTO DE VERANO. Volgens hem was dat rode wijn met spa of locale 7-up, casera, half om half. Voordat ik het goed en wel doorhad, kwam hij met een drietal andere “meidendrankjes” voor de dag. Wat is een CLARA? Dat is een mix van bier met Fanta limon (clara de limon), bier met casera (clara de casera) dan wel bier met echte 7-up (clara de 7-up). En verwar hem niet met een CALIMOCHO. Daarvoor staat een mix van rode wijn en coca cola, eventueel aangevuld met een scheutje Martini. En ten slotte, weet iemand van jullie wat een REBUJITO is? Dan gaat het om een combinatie van een zoete witte wijn, vino manzanilla, met 7-up en veel ijs.
Trudie gaat, als ik net terug in Nederland ben, met Math geocachen op Fuerteventura. In die periode, 1 t/m 11 mei, heb ik alle tijd voor mijn bezoek aan Tonnie & Piet en Dalí, Lux, Eva & Jan Willem in Amsterdam en vervolgens aan Harry en Bert & Ada in Oegstgeest en Leiden. Greetje is op mijn dagen in Oegstgeest wandelen in Luxemburg, dus met Harry kan ik dan ongehinderd Maastrichts praten (het zijn haar woorden).
Aan Noé vroeg ik naar een paar interessante plekken op het gortdroge Fuerteventura, ongeveer 120 km in lengte, ten oosten van Gran Canaria. Ik wilde graag namen horen van plekken, die je zo vlug niet afloopt, als je alleen in je reisgids kijkt. Daarmee kunnen Trudie en Math de komende dagen alvast warm draaien. Vlakbij het vliegveld in het midden van het eiland ligt de plaats Puerto del Rosario en daar is het dus NIET te doen, het is volgens Noé een stadje van niks. Voor het betere werk kun je allereerst naar het noordoosten reizen, naar de plaats CORRALEJO, die vele malen leuker is. Het eilandje er vlakbij, ISLA DE LOBOS, is maar luttele kilometers van Lanzarote af. De andere aanrader van Noé is om naar het zuiden af te zakken, naar MORROJABLE. Trudie, als jullie dat doen, kunnen jullie ook COFETE meepakken aan de echte zuidwest kust, waar destijds nazi-generaal Winter een verblijf had en waar op het uiteinde van WO2 bekende nazi’s plastisch chirurgisch werden bijgewerkt, voordat ze definitief naar Zuid-Amerika mochten vluchten. En - laatste tip - halverwege de westkust ligt op letterlijk een steenworp van het strand van GARCEY een kapot cruiseschip; het gevaarte is daar begin jaren 90 half de zee in gezonken, maar niet helemaal.
Dinsdagmorgen had ik eindelijk weer eens een onderwerp voor de veel gelezen rubriek “Klein leed”. Ik had maandagmorgen een doos boeken en kleren ingepakt, in mijn oude, Nederlandse doos van de PTT of hoe dat bedrijf zich tegenwoordig pleegt te noemen. Hier hoort daar nog weer een grauwbruin “papel de embalaje” omheen, anders wil het postkantoor aan de calle Bernardo de la Torre het niet voor me versturen. Dus moest ik eerst naar een winkel daar in de buurt om pakpapier te kopen; een analoge zaak bij mij om de hoek heeft het niet. Mensen zoals ik nemen het steevast een beetje ruim, dus kwam ik maandagmiddag thuis met vier bij anderhalve meter papier, voor de prijs van zegge € 1,14.
Uit het niets herinnerde ik me vervolgens dat ik vorig jaar een royale hoeveelheid pakpapier gekocht had. Na enig zoeken vond ik het overgebleven papier in de schoenenkast in de zijkamer, ruim genoeg om mijn “caja” mee te omwikkelen. Het oude papier deed ik om de op zich al postklare doos en dinsdagmorgen stapte ik daarmee monter als altijd in een taxi, op naar het postkantoor. Ter plekke was een oudere dame mij zeer behulpzaam met het verzenden van de doos en met een reçu-tje van € 63,90 stond ik een kwartier later weer buiten. (Terzijde, hier betaal je bijna het dubbele van Nederland om een postpakket te versturen.) Wanneer mijn doos, geprioriteerd en wel, in Maastricht aan zal komen, staat in de sterren, maar naar mijn € 1.14 voor het extra pakpapier kan ik sowieso fluiten.
Is het “klein leed”? Wie het kleine leed niet eert, is het grote niet weerd.
Ik schrijf mijn weblogbrieven niet ter plekke, vlak voordat ik ze verstuur aan jullie, maar grotendeels gaandeweg. Dus vertel ik jullie bij voorbaat dat Lluis vanmorgen een pracht van een “charla” heeft gehouden over de uitkomst het Predimed-onderzoek. Ik kan het nog steeds maar half geloven: jarenlang trouw zijn aan de mediterrane keuken, vergeleken met hooguit adviezen om minder vet te eten, zou de kans op het krijgen van een hartvaatziekte behoorlijk verkleinen. Meer vis, meer groente en fruit, meer olijfolie, meer noten, dat is de boodschap van het onderzoeksteam uit Barcelona en zijdelings ook Lluis. En ik maar denken: hebben we het gezeur over: calcium en magnesium, barbecuen, cholesterol, voedingsvezel, antioxydanten en wat weet ik nog meer eindelijk achter de rug, of de voedingswereld begint ons weer murw te maken met iets nieuws, iets dat Ancel Keys vijftig jaar geleden al ten onrechte voor waar hield. Op zijplaatsen als Cyprus, daar weten ze pas wat gezond voor hart en bloedvaren is, was toen zijn adagium.
Ik vertel jullie dus nu ook al vast dat Almudena vanmiddag tussen 5 en 6 de vloer met mij zal aanvegen, als ik maar enigszins ga volhouden in mijn praatje dan dat vet eten niet zo gevaarlijk is als mensen wel denken. Maar discussie moet er zijn, dus zal ik mijn dwarse standpunt duur verkopen. Mijn verhaal vanmiddag is in notendop dat niet-experimenteel epidemiologisch onderzoek op voedingsgebied weinig zinvol is, hoe groot je de cohorten ook maakt. Daarbij zal ik de mensen vertellen dat er - het lijkt wel of ze weggemoffeld zijn - wel diverse voedingsexperimenten zijn, die veel minder overtuigend bewijs laten zien dat vet eten slecht is voor hart en bloedvaten. Pas na de nodige kritiek uit de zaal zal ik mondjesmaat toegeven dat PUFA’S (poly unsaturated fatty acids) misschien ietsje beter zijn dan volvette producten, maar dat we het vooral niet moeten overdrijven.
Gisteren en eergisteren heb ik naar de Europacupwedstrijden gekeken, soms moet dat zo maar eens gebeuren. Dinsdagavond speelde Bayern Münchem thuis tegen Barcelona en in de tweede helft was het echt een spel van kat en muis, met Arjan Robben in een opvallende rol. Misschien was Lionel Messi niet in zijn beste vorm, maar met name de uitgedunde achterhoede van Barcelona maakte er een potje van. De uitslag, 4-0 voor Bayern München, is zodanig dat ik de return niet meer hoef te zien volgende week. Woensdagavond was Borussia Dortmund aan de beurt om Real Madrid in de pan te hakken. Ook dat gebeurde in de tweede helft in Dortmund genadeloos; met een uitslag van 4-1 is ook tussen die twee clubs de return voor de vaak. Heb ik, en met mij iedereen hier, een ommekeer in het Europese voetbal gezien, waarbij de Spaanse topploegen langzaam uitgerangeerd zijn en de Duitse meer nog dan vorig jaar de macht hebben overgenomen? Geldt dat ook voor de landenteams bij de WK in Brazilie volgend jaar? En wat doen Ajax en PSV, en het Nederlandse elftal? Voor wie van het spelletje houdt, staat, denk ik, een mooi jaar voor de deur.
Ik ga jullie ten slotte verrassen door jullie een Spaans lesje te besparen. Deze brief is al zo lang dat ik jullie rust gun, hooguit kom ik met iets Duits, want naar dat voetballand verplaats ik mij over een dag of drie op weg naar Maastricht. Kennen jullie de meezinger van Peter Held nog, die vroeger dagelijks om 11 uur ’s avonds op de radio gespeeld werd bij een actualiteitenprogramma? Gute Nacht, Freunde, es ist Zeit für mich zu gehen. Wass ich noch zu sagen hätte, dauert eine Zigarette und ein letstes Glas im Stehen! Dat lijkt me een uitstekende uittro voor deze achtste serie brieven. Over een half jaar, als ik wederom naar Las Palmas kom, zet ik mijn weblogboek met verve voort, maar nu houd ik ermee op. Tot binnenkort in levenden lijve, hasta pronto, 97 kilitos en persona, Paul.
BOEKENBIJLAGE
Mijn boekenbijlage is een stukje van mijn brieven geworden dat ik niet kan laten zitten, zelfs als een boek dat ik gelezen heb, een beetje uit de toon valt. Eerder deze winter besprak ik in deze mij sympathieke rubriek een alleszins verteerbaar boek van Don Winslow, genaamd “The gentlemen’s hour”. En toch, er ontbrak iets aan. Het was een vervolg op een eerder boek dat ik eigenlijk daarvóór had moeten lezen: “The dawn patrol”. In dat boek van Don Winslow werden o.a. de karakters van het zestal surfers uit de doeken gedaan dat steeds in de vroegste ochtend bijeen kwam om de golven in de omgeving van San Diego te keuren. Dit eerste boek van de twee is uit 2008 en op de valreep maak ik mijn verzuim goed.
Hier zijn ze, alle zes, te beginnen met hoofdpersoon Boone Daniels. Hij was vroeger politieagent, maar na een affaire rond een zesjarig kind (Rain) heeft hij zijn ontslag ingediend en is nu privé-detective. Zijn slagzin luidt: “Alles smaakt beter op een tortilla”. Hij heeft of liever had een losvaste verhouding met Sunny (Emily) Day. Ze is serveerster in The Sundowner in afwachting van haar grote doorbraak als erkend surfer; het wachten is slechts op de hoogste golven. Nummer drie is Johnny Banzai, officieel Kodani, een braaf getrouwde Japanner, die in tegenstelling tot Boone wel nog bij de politie is, op de afdeling moorden (met naarling Steve Harrington als baas). Dan is er Dave, geen achternaam, tenzij jullie hem net als Don Winslow The Love God willen noemen, omdat hij als strandwacht al een vracht dames heeft veroverd. Hij is als de skileraar in de winter: hele hordes vrouwen smachten naar hem, en krijgen vervolgens waar ze op hopen. Dawn patrol nummertje vijf is High Tide, van huis uit Josiah Pamavatuu uit Samoa, een rastaman van 350 pond, in het leven na de vroege ochtend voorman bij de gemeentewerken. En dan is hier ten slotte de zesde, de veel jongere Hang Twelve, vanwege zijn twaalf tenen, in zijn paspoort Brian Brousseau, die echt bergen eten kan vermalen zonder dat hij over zijn nek gaat.
Zijn jullie bijgepraat? Dan wil ik het nu wel ook nog even hebben over de belangrijkste bijfiguren. Voorop noem ik dan Petra Hall, een Engelse jonge advocate, die Boone inhuurt om te helpen bij het opsporen van een dame van lichte zeden, en die gaandeweg steeds meer trek in de man krijgt (trekken de tegengestelden elkaar aan?). Dan is er Cheerful, van huis uit Ben Carruthers, multimiljonair en o.a. eigenaar van de winkel in surfspullen, Pacific Surf, waar Boone en Hang Twelve uithelpen. Cheerful is een oudere man van 60 al (is dat oud?), dun en boomlang. En niet te vergeten Terry “D-cup” Cole, plastisch chirurg, die er zijn werk van maakt om schoonheden en mindere schoonheden van ander lichaamsmateriaal te voorzien. Aan de kant van de boeven treffen we o.a. Dan Silver met zijn bars met paaldansende dames en Red Eddie, eigenlijk Julius Pakololo, die niet te beroerd is om met zijn diverse handeltjes, drugs en meisjes, scheppen geld te verdienen. Komen ze ongeschonden door het boek? Daarvoor verwijs ik met graagte naar het einde dit boek en ook “The gentlemen’s hour”.
Terzijde, “mojado” is het Spaanse woord voor nat, maar een mojado is ook een illegaal. Die lopen er voldoende rond in Zuid-Californië en aan fatsoenlijk werk komen is bepaald niet gemakkelijk. Voor wie het nog niet wist: de Verenigde Staten hebben halverwege de negentiende eeuw een flink stuk van Mexico ingelijfd om er zelf groter van te worden. De woorden surf en surfen zijn afgeleid van “surface”, oppervlakte; de surfer wordt verondersteld over het water te lopen, tenminste als de maan en de wind gunstig staan. Het is skateboarden aan de zee, zou je kunnen zeggen. Heel af en toe zijn bij San Diego de golven zo hoog dat je een rassurfer als vooral Sunny moet zijn om er overheen te scheren.
Wie beide boeken van Don Winslow nog niet kent, raad ik dringend aan om eerst “The dawn patrol” te lezen en daarna “The gentlemen’s hour”. Dan is het dubbel genieten geblazen. Dit boek munt uit in zijn taalgebruik; het is zo goed Amerikaans, met alle kolderzinnetjes erbij, dat het m.i. als verplichte Engelse literatuur dienst kan doen. Ik vind “The dawn patrol” meer een leesboek van de bovenste soort dan een thriller waar de spanning vanaf druipt. Maar wat is het een super boek. Ik geef er als recensiecijfer een 9- voor. En dat ik nog veel andere boeken van Don Winslow mag tegenkomen.
Mijn tweede boek wordt, toepasselijk, eindelijk eens een Spaans boek, wel in het Nederlands vertaald: “Bal masqué” van thrillerschrijfster Elia Barceló. Ook dat boek kan de toets der kritiek niet helemaal doorstaan. Ik had hier wel eens van haar gehoord en was wat blij, toen ik een dik boek van haar aantrof op mijn De Slegte site. Alleen was het boek een verzameling van drie moordboeken: “Bal masqué”, “Tangohart” en “Stemmen uit het verleden”. Bij elkaar gaat het om 1094 bladzijden, te verdelen in 436, 121 en de overige 537. Het eerste is uit 2004, het tweede uit 2007 en het derde, tevens het langste verhaal uit 2002, en nou komt het: ik heb alleen het eerste van de drie ter bespreking; de andere komen later nog eens. Het boek speelt voornamelijk in (Spaanse kringen in) Parijs. Volgens de kaft van het boek is Elia Barceló in 1957 in Alicante geboren en geeft ze les in Spaanse literatuur en schrijfkunst aan de universiteit van Innsbruck. Zoals ze op de foto staat, wil ik best eens een avondje met haar uit.
De 44-jarige Ari(el) Lenormand is een aantal maanden in Parijs vanwege het schrijven van een biografie van schrijver Raúl de la Torre. Die is alweer zo’n tien jaar dood, overleden in 1991, na een woelig leven dat in 1922 in Argentinië begint en zich vanaf de jaren 50 voornamelijk in Parijs afspeelt, in de plaatselijke artiestenkringen. De la Torre heeft een aantal dichtbundels, boeken met korte verhalen en dagboeken op zijn naam staan. Het bekendste is hij echter geworden met twee romans, “Amor a Roma” uit 1964 en De la Torre in het kwadraat” uit 1973. Zijn vrouw is schrijfster van kinderboeken Amelia Gayarre en als die ook met een roman voor volwassenen bij hun vriend en uitgever André Terrasse verschijnt, wijst die haar roman, Labyrint der palindromen, af, omdat hij denkt dat haar man Raúl de schrijver ervan is. Vlak daarop verandert dezelfde Raúl de la Torre van uitgever. In 1976 scheidt hij van Amelia en de jaren erna is hij getrouwd met de Poolse Amanda Simansky, totdat die in 1979 door een auto-ongeluk om het leven komt. In de tachtiger jaren wordt Raúl opeens een verklaarde homosexueel, vanaf 1985 leeft hij samen met Hervé Daladier, nog een jonge man, die enkele jaren later aan AIDS te gronde gaat. Twee jaar daarna pleegt Raúl zelfmoord.
Weten jullie zo het een en ander? Dan ga ik nu vertellen dat van bovenstaand verhaaltje een heleboel niet waar blijkt te zijn. Biograaf Ari
Lenormand komt er steeds meer achter dat de vork heel anders in de steel zit. Hij hoort en leest van alles, van en over André Terrasse en diens vriend Yves Durand, van en over Amelia, met als koosnaam Hauteclaire Stassin, en diverse andere mensen uit de omgeving van Raúl de la Torre , zoals Sabine, Maurice en vooral Armand, via diens familielid Solange. En zo waar, op het einde wordt Ari stapel van Amelia en met haar en André en Yves neemt hij het leven van Raúl nog eens door, op zijn Hercule Poirot’s.
Ik vind het detectiveboek (“polar” in het Frans) van Elia Barceló zeer wel te pruimen. Vooraf dacht ik: als dat maar wat wordt, het moordverhaal van alweer een bekendheid in dameskringen, maar ik ben best gecharmeerd geraakt. Op het einde trekt het een beetje, maar ik moet zeggen: alles bij elkaar komt ze heel goed weg met haar “Disfraces terribles”, in goed ABN “Bal masqué”. Na enig wikken en wegen geef ik haar er een 8- voor, best wel goed. En de twee andere boeken in mijn bezit van Elia Barceló moeten er t.z.t. ook maar aan geloven.
En nog is mijn boekenbijlage niet uit. Ik heb er sinds woensdagmiddag aan het einde van de middag nog eentje, te weten “The Drop” van Michael Connelly, uit 2011. Over de schrijver wil ik geen kwaad woord horen, zeker als politiedetective Harry Bosch in het spel is, in zijn vertrouwde Los Angeles. De man kan bij mij al vele jaren niet meer stuk.
“The drop” is niet alleen een val of sprong uit een hoog gebouw, maar staat ook voor de Deferred Retirement Option Plan. Sinds een paar jaren heeft de politie van Los Angeles een Open-Unsolved Unit, met Gail Duvall aan het hoofd, Tim Marcia als zijn rechterhand, “whip”, en twaalf rechercheurs in teams van twee die aan “cold cases” werken, oude moorden waarbij nu een DNA-match gevonden is. Een van de zes teams bestaat uit Harry Bosch met de jongere David Chu. Ze worden op een verkrachting uit 1989 gezet, twintig jaar eerder, Clayton Pell. Alleen, toen was Clayton Pell pas acht jaar; nu krijgt hij therapeutisch hulp van Hannah Stone, waarmee Harry Bosch best mee door één deur kan. Bij nader inzien blijkt het om een andere verkrachter te gaan, “Chill”, met een meisje als slachtoffer, die destijds een spoortje bloed in haar nek had van Clayton, die dus later op hetzelfde pad is gegaan. Het duurt even voordat hem hebben en dan blijkt dat hij nóg een en ander op zijn kerfstok heeft.
Gelijktijdig wordt Harry Bosch gesommeerd om de dood van George Irving te onderzoeken, een val van een balkon op de bovenste etage van een duur hotel, Chateau Marmont. Opdrachtgever voor het onderzoek is een oude vijand van hem, Irvin Iring, vader van George, nu wethouder van Los Angeles. Ook deze zaak pakt Harry Bosch aan en met de wethouder op zijn hielen komt hij een zaak op het spoor van een taxibedrijf, Regent, dat een bestaand taxibedrijf, Black and White, opzij wil zetten bij het verwerven van rechten om mensen uit Hollywood te vervoeren. Bij de zwendel zou George Irving betrokken zijn, maar ook diens vriend en politieman Bobby Mason, met steeds op de achtergrond vader Irvin Irving. Ene Mark McQuillen is er destijds uitgebonjourd bij de politie vanwege zijn agressieve aanpak met verdachten, die hij graag in de “choke hold” neemt. Nu is hij werkverdeler bij het taxibedrijf Black and White, dat op het punt staat veel werk te verliezen. Heeft hij George misschien een duw omlaag heeft gegeven dan wel dat de man toch gewoon omlaag is gevallen of gesprongen? Zoals dat hoort bij een politieverhaal van Harry Bosch, hier samen met David Chu, komt ook deze zaak op zijn foute pootjes terecht.
Vertel me vooral niet dat ik deze Michael Connelly wellicht minder zie zitten. De schrijver van tientallen bestsellers kan het nog steeds. Zijn “The drop” is echt spannend en tussen de bedrijven door is er een lach, bijv. van dochter Maddie van Harry Bosch, en aan traan, bijv. van oud-collega Kiz Rider, die gevraagd wordt een dubbelrol te spelen. Het boek kan op het stapeltje “bijzonder” met een 8½ als recensiecijfer. Ik heb ze intussen allemaal, de boeken van Michael Connelly en het eind is, geloof ik nog niet in zicht, gelukkig maar.
vrijdag 19 april 2013
Weblogbrief 8.29, 19 april 2013
Weblogbrief 8.29, 19 april 2013
¡Buen día, compinches! Nog een week en mijn winter in Las
Palmas zit er weer op. Wat maak je toch wat mee in een week, als je het allemaal
terughaalt. En dan heb ik het niet over allerlei dingen die door mijn hoofd
spoken en desnoods via dit medium een uitweg zoeken, maar ook over wat er zo al
om mij heen gebeurt. Ik ga jullie alweer met beide verassen, sorry verrassen.
Hier is mijn voorlaatste brief van deze jaargang, nummertje 8.29. Dat hij moge smaken!
Het zal ergens halverwege de jaren 80
geweest zijn dat ik in de Waldeck Pyrmontstraat op bezoek was bij de buren van
nummer 30, Mieke en Theun Hamer. Harry kent Theun misschien nog als een ver
familielid van bisschop Hamer, waarop hij gepromoveerd is; hij heeft Theun er
wel eens over gesproken. Ik was er die keer om Eva op te halen, die lang
bevriend is geweest met een dochter van Mieke en Theun, Rozemarijn. Zoals dat
gaat, kwam er een fles op tafel en toen kwam Mieke, zelf zangeres in die tijd,
met twee platen op de proppen die ze erg mooi vond. De ene was van Barry
Reynolds, “I Scare Myself” uit 1982 en de andere van Kevin Coyne, “Beautiful
Extremes” uit 1977. Ook ik was direct gecharmeerd en wilde best een kopietje van
de platen hebben, in die tijd een cassettebandje. Dat kwam er, Mieke kwam het
zelf aanreiken. Niet lang daarna verhuisden de Hamertjes naar randdorp van
Maastricht, Itteren. Daar ik met Wil en Eva nog één keer geweest ben, maar contact
“verwatert” nogal eens, als mensen verhuisd zijn: uit het oog, uit het hart. Ik
heb Mieke de laatste 25 jaar niet of nauwelijks meer gezien en ik heb haar nooit
naar meer muziek van Barry Reynolds en Kevin Coyne kunnen vragen.
Mooi zijn en blijven de beide platen,
zo mooi dat ik ze jullie hier als muziek van de week aanbied. Ik begin met
Barry Reynolds. De Brit werd in de periode 1978-1983 vooral bekend als
liedjesschrijver voor Marianne Faithfull; drie platen bevatten nummers van de
man. Later, in 1999 hebben ze het samen nog eens geprobeerd. Het bekendste
nummer van Barry Reynolds voor Marianne Faithfull is ongetwijfeld “Broken
English”. Hij werkte eveneens met Sly & Robbie, voor de mensen die dat iets
zegt. En nou komt het: in 1982 kwam een LP van hem uit met eigen nummers die
hij zelf ook maar eens in een studio had opgenomen. Als titel kreeg de plaat
inderdaad “I Scare Myself” mee. Waarom er geen tweede van Barry Reynolds
verschenen is, weet ik niet. Zijn enige album is ook na dertig jaar nog steeds
de moeite van het afluisteren waard. Ik volsta hier met alle tien liedjes op te
sommen. (Fenian is iets Iers, komt zijn familie oorspronkelijk uit Eire, Erin?)
01. I scare myself
02. Irony
03. Guilt
04. More money
05. Till the doctor gets back
06. Broken English
07. Times Square
08. Over here (no time for justice)
09. Give me love
10. The bold Fenian men
Gaan we naar de andere van de twee, Kevin Coyne. Als
ik die nu opzoek op Wikipedia, komt er een heel verhaal boven tafel. Deze Engelander
(niet: een 7 Up met een kraag pils) overleed in 2004 als 70-jarige aan
longfibrose in het Duitse Neurenberg. Zijn kracht zat hem in zijn onorthodoxe
muziekstijl, ik neem aan ook levensstijl, waarbij hij graag een intense stem
opzette. Nogal eens gaat hij in zijn nummers te keer tegen het onrecht dat de
“mentally ill” wordt aangedaan. Hij had zijn eigen publiek, bij wie hij best populair
was. En heeft hij meer dan één album op zijn naam staan? Nou komt het: ik tel
er 28, achtentwintig. Daarvan is “Beautiful Extremes” de achtste (en ik heb er
nog eentje kunnen bemachtigen uit hetzelfde jaar). En wat is ze mooi, die
plaat. Een van de nummers van “Beautiful Extremes” staat, geloof ik, zelfs in
mijn top 100 aller tijden: “Roses in your room”, een liedje met op de
achtergrond een radio aan. Vooruit, ook van Kevin Coyne geef ik jullie gewoon
de nummers van de plaat op een rijtje. En terzijde, ik heb hem niet, ook niet
op mijn iPod, maar kan alle nummers zonder probleem voor- en nazingen, als
jullie mijn krakkemikkig stemgeluid willen accepteren.
01. Something gone wrong
02. Looking for the river
03. Roses in our room
04. Face in the mirror
05. All the bateered babies
06. Right in hand
07. Hello friends, hello
everybody
08. Mona, where;’s my trousers?
09. So strange
10. Rainbow curve
11. Fool
Genoeg over muziek, er zijn nog meer
onderwerpen om te bespreken. Afgelopen woensdag hebben René en Maddy hun nieuwe
woning in de Begijnenstraat (aan de Poort Waarachtig in Maastricht) ingewijd. Voor
mij was het ietsje te vroeg, maar Trudie was uiteraard present. Hoe zeg je dat;
een house-warming party, op zijn Frans, want René is van origine leraar Frans,
nu een half jaar met prepensioen. Dat zoeken we op, zou men bij Twee Voor
Twaalf zeggen, in ons Nederlands-Franse woordenboek op je computer. “Une
pendaison de la crenaillère” is de vertaling, letterlijk het ophangen van het
hangijzer, en kortweg een “cremaillère”. (In het Spaans is een houseparty een
“fiesta house”, maar een housewarming party? Mijn gok voor het moment:
“inauguración de la casa”.)
In een eerder brief had ik het over
verzekeringsmaatschappij MAPFRE, een grote speler in de bankwereld, zo blijkt.
Bij mij om de hoek in de Ripoche is een filiaal ervan gevestigd en daar zie ik achter
de ruit een annonce, die René en Maddy, nog net geen 60, interessant zullen
vinden, want hij slaat op mensen tussen de 40 en 60 jaar. Nog een paar jaar,
dan mogen Eva & JW en Trudie’s kinderen er ook van profiteren.
“No “arriesque” el
dinero de su jubilación. Traslade los derechos consolidados de su plan de
pensiones de cualquier caja o banco. MAPFRE le garantizamos el capital + una
rentabilidad fija basta su jubilación. Además despendiendo de la edad (40-60 jaar, blijkt in een
voetnoot) e importe le garantizamos una
rentabilidad de hasta un ¡¡5.91%!! Pase e informe, no le cuesta nada y estamos
hablando de ¡¡su futuro!! Waarom het rentepercentage 5.91 is en niet iets
simpeler 5.9 of 6%, daarnaar alleen al zou ik eens binnen eens moeten informeren.
Of het zo moet zijn, is er geen
verschil in alcohol tussen een glas bier, een glas wijn en een glaasje sterke
drank. Netjes uitgeschonken giet je in alle drie gevallen 10 gram alcohol naar
binnen. Met koffie is hetzelfde aan de hand, maar daar hoor je de mensen niet
over. Een espresso heet hier “café solo” en ik houd vol dat daar net zoveel
koffieboon in vermalen zit als in een “café americano”. Bij de laatste is
alleen nog wat water toegevoegd. Overigens, een doorsnee Amerikaan, niet van
Italiaanse afkomst, vindt een “café americano” nog steeds te sterk spul. Die wil
zijn koffie graag nog wat slapper, op zijn Starbucks, en in zijn grote
Amerikaanse mok is de koffie nog weer extra verdund.
Als ik te kiezen heb, is mij een “café
solo”, ook met een glas water ernaast, ietsje te geconcentreerd. Ik ga persoonlijk,
coffeewise, voor de middenmaat, “café americano” met een kleine a aan het begin
van americano. Over melk in de koffie zal ik het niet hebben, dat is iets voor
watjes.
Bovenstaande is niet meer dan een
inleiding voor mijn cafetariaverhaal. In mijn Amsterdamse jaren (1964-1980) had
je daar nog allerlei koffiehuizen. Ze zijn er intussen uitgebonjourd, een café
is geen koffiehuis meer, maar een zaak, waar je bovenal iets te drinken bestelt.
Zeker ’s avonds is er soms zelfs geen koffie meer te krijgen. Hier is de koffiehuisformule
wel nog intact, hoewel, nogal wat van die zaken hebben een embleem met daarop
Bc, bar cafetería.
Een van de aanleidingen om hier op Luis
Morote 30 te gaan wonen is dat een van de betere cafeterías van de stad bij mij
beneden was en nog steeds is. Het is een zaak zonder enig buitenterras, maar
verder is ze wel helemaal open aan de voorkant. Ene Carlos zwaait er de scepter,
een taaie man van middelbare leeftijd met een gulle lach. Hij werkt zich met
zijn van boven kale kop een uur in de rondte met het zetten en uitserveren van
koffie. Uiteraard kun je er ook iets anders drinken, zelfs een kleinigheidje
nuttigen, maar koffie is zijn vlag.
Nou wil het geval dat zijn apparatuur
het begaf in de week voor Pasen. Trudie en Marij, toen ze hier waren, hebben
meegekregen dat hij zijn tent tijdelijk moest sluiten tot allerlei nieuwe
spullen gearriveerd waren. De afgelopen drie weken heeft hij, bij gebrek aan
beter, ook maar eens zijn toonbank en tafeltje en stoeltjes mondjesmaat laten
moderniseren. Natuurlijk was hij dagelijks present om het werk te controleren en
zelfs om de meest verstokte klanten van een handgemaakt kopje koffie te voorzien,
buitengaats. En toen... En toen... Sinds een paar dagen is hij weer helemaal
bij de les. Als ik nog op een oor lig ‘s ochtends, staat hij al als vanouds met
zijn klanten te keuvelen.
Ik
heb hier mijn eigen koffiezetapparaat, een onafhankelijk type. Toch heeft het
wel wat, koffie in een koffiehuis als dat van Carlos. Voordat ik terug naar
Nederland ga/kom, ga ik toch weer eens een bakje bij hem doen.
Afgelopen dinsdag was ik de vorige keer
op de faculteit. Ik zal niet in herhaling vervallen, maar toen ik om 1 uur op
mijn etage arriveerde, was er behalve Patricia, die tot half 3 bleef, helemaal
niemand. Wel ontwaarde ik om half 4 bij het kopieerapparaat Marta, die elders op
een kamer bivakkeert. Ik verzond braaf mijn brief 8.28 aan jullie, las en
beantwoordde mijn e-mail, zat een tijdje op het internet, o.a. om meer over
Kevin Coyne te weten te komen en las een alleszins aardig artikel van Harry
over de Engelse groep Badfinger, heel populair in de jaren 1968-1973. Ik val in
herhaling, ik weet het, maar www.harryknipschild.nl blijft voor mij een
interessante site en niet alleen omdat Harry mijn broer is. Zijn stukken over
popmuziek verdienen een groot publiek (en zijn missie- en reisverhalen
tussendoor neem ik op de koop toe). Onlangs is een tweede boek van hem over de
missie verschenen, “De bekering van de wereld”, een pakkende titel. Ik ga het
me bij hem thuis aanschaffen, met een opdracht van de auteur, als ik over ruim
twee weken in Oegstgeest ben.
Het was 4 uur, iets eerder dan anders, toen
ik besloot om de pijp aan Maarten te geven, wat een rare uitdrukking, en de
kuierlatten te nemen, die vind ik beter, te voet naar Vegueta te lopen. Het was
wel 20+ graden, maar bewolkt, en dan is een stuk wandelen misschien gezond,
maar bovenal aangenaam. En daar liep ik noordwaarts, langs het gebouw van de
guardia civil. Zoals gebruikelijk stond er eentje met een driehoekig petje op
bij de slagboom. Hij knikte mij vriendelijk toe en wie ben ik om dan niet met
“adios” te antwoorden. Ik passeerde de atletiekrenbaan en even later de vier
brede, flats, foeilelijk en te dicht op elkaar gebouwd, die bijna klaar zijn om
allerlei overheidspersoneel te gaan huisvesten. Dat gaat nog een pantomime worden!
Eigenlijk veel sneller dan ik vermoedde,
stond ik op de Plaza Alcalde Alejandro del Castillo en kon ik eindelijk eens
het kerkhof bezoeken, waar ik met de bus weet ik hoe vaak al langs gekomen ben
zonder ik er uitstapte. Binnen de muren van “el cementerio” was het erg stil.
Een medewerker zat op een van de grote familiegrafstenen een broodje te eten,
maar bezoekers kon ik niet ontdekken, niet een. De begraafplaats is zo’n 150
bij 150 meter,
schat ik, met in het voorste deel een aantal grote, echte graven, maar aan de
zijkanten ook allerlei muurgraven. Het
achterste deel heeft alleen maar een heleboel muurgraven, aan de zijkanten en
in het midden ook nog een aantal. De muurgraven zijn vierkant, meestal zeg
driekwart bij driekwart meter, maar in het achterste deel zag ik ook kleinere, zelfs
ook openingen waar ik met mijn brede schouders niet doorheen zou kunnen komen.
Op bijna alle graven stond niet het bekende R.I.P., Requiescat In Pace, maar
D.E.P., Descanse En Paz, hij/zij ruste in vrede in het Spaans. Ik heb er nog
even lopen zoeken naar de graven van de moeder van Jorge en die van Patricia,
maar snel zag ik in dat het in die zee van graven, als ze er al lagen, geen
doen was. Na een half uur hield ik het kerkhof voor gezien.
Verderop naar het noorden was een
stukje van niks langs de snelweg en toen kwam ik bij het “Centro de atención
especiallizada Prudencio Guzman”. Daar stappen altijd een hoop mensen uit de
bus, het werk daar heeft iets met gezondheid te maken, maar wat precies, kreeg
ik zo vlug niet mee. De “rastro solidario” ernaast, een wel zeer rommelige
binnenmarkt met vrachten uiteenlopende spullen, was dicht, toen ik erlangs
kwam. De alternatieve winkel was alleen open tussen 9 en 2 en tussen 5 en 7 op
werkdagen en dat 5 uur mag met een klein korreltje zout genomen worden. Dus had
ik wel tijd om het immense standbeeld op het pleintje eens goed te bekijken:
een ouderwetse half ontblote baardmans met een stok in de aanslag. Een bordje
naast het beeld vertelde iets meer. Het was ene “Adarema
(espaldas anchas), notable Guayre del Guanartemato de Galdar. Celebre por su
valentia fortaleza participó en la batalla del Guiniguada (1478)”. Hij
zal de veldslag niet overleefd hebben met al zijn dapperheid en kracht. Van de
oorspronkelijke bewoners van Gran Canaria, tegenwoordig als relikwieën gekoesterd,
als ik het wel heb, destijds niemand overgebleven in de strijd tegen het West-Europese,
vooral Spaanse geweld.
Ik ben nou toch onderweg, zullen we nog
een klein stukje Vegueta nemen? Nog weer noordelijker liep ik allereerst langs
het “Palacio de Justicia”. Van buiten zit het er met zijn bijzondere gevel
nogal grauwbruin uit en het was dinsdag om kwart over 5 zo gesloten als wat.
Pottenkijker als ik ben, loop ik dan wel de trappen op en kijk met mijn beste
ogen door de glazen ruiten naar binnen. De hal en de trappen naar één hoog
waren een en al marmer. Voor minder doen de magistraten het kennelijk niet.
Voorbij het paleis van justitie ging ik
omhoog om op het plein achter de kathedraal te komen, de “plaza del pilar
nuevo”. Een “pilar” is niet alleen een pilaar, maar ook een waterbak, van
steen, “cantería”, behorende bij een fontein. “En esta plaza se
erigió a fines del S. XV (vijftiende eeuw) la primera Iglesia
Catedral al de Santa Ana, después conocido como “Iglesia Vieja”. A mitad del S.
XVIII (achttiende eeuw) se instaló un
pilar de cantería para el suministro de agua. Al finalizar esa centuria se
levantó el respaldo (rug, achterkant) de
la actual catedral. El pilar sigue dando nombre a la plazuela”.
Opzij naast de fontein en waterbak is het nogal groene beeld te vinden
van Nestor Álamo met ernaast, in dezelfde steen, enkele boeken op een eenvoudige
stoel. Het is uit 2003 en best indrukwekkend. Aan de “plaza del pilar nuevo”
zijn verder een paar bibliotheekhuizen en de achterkant van de “casa de Colon”,
het huis van Columbus. De zeeman heeft er zegge en schrijve een nacht geslapen
op zijn tweede reis, geloof ik. In het huis en museum, best leuk, ben ik al zo
vaak geweest met bezoekers uit Nederland dat ik het deze keer “links” heb laten
liggen, zelfs de twee papagaaien. Aan het “plein van de nieuwe waterbak” is
bovendien een behoorlijk groot huis te koop aan de kant waar het naambord van
het plein staat; ik denk dat het niet voor een habbekrats te krijgen is.
Ietsje verderop is trouwens een
tweedehands boekwinkel, waar Noé me nog eens heen wil slepen, “El rincon del
lector”, “librería solidaria”. In de kelder zie ik daar een klein rekje Engelse
boeken en een bak Cd’s, maar veel stelt het allemaal niet voor. (Als het op
tweedehands boeken aankomt, kies ik liever voor de winkel “Libros de ocasión”
aan de Cirilo Moreno bij El Corte Inglés. Daar heb ik bijv. nog eens een
kookboek van Isabel Allende voor Trudie uitgehaald.)
Gaan we naar de voorkant van de “Iglesia
Vieja”, de kathedraal Santa Ana. Eerlijk is eerlijk, ik vind het maar een plomp
gebouw zonder de leuke fritsen en fratsen waarmee sommige bekende kerken gesierd
zijn. En om het nog onaantrekkelijker te maken, mag je alleen bij speciale
gelegenheden binnen een kijkje nemen, bijv. als de processie uittrekt op
palmzondag. Ik ben uiteraard wel eens binnen geweest; veel stelt het niet voor,
het is vooral een nogal lege ruimte. De kerk is dicht voor restauratie, staat
op de buitengevel, al vanaf 1995. Op andere plakkaten op de buitenwand staat aangegeven
dat er vroeger wel eens halve zaligen en heiligen voorbij kwamen om de kerk met
een bezoek te vereren. Ik geef jullie één voorbeeld: “Su
santidad Pio XII siendo cardenal secretario estado visita esta S.I. Catedral
cuando se dirigia al congreso eucaristo de Buenos Aires como legado pontifico
el 28 septiembre de 1934.”
De toren is voor het
toeristenpubliek wel te bezoeken, los van de kerk, maar een klim kost anderhalve
euro per gelovige.
Mijn allerlaatste Vegueta-stukje gaat
over het langwerpige plein bij de kathedraal, de “plaza Santa Ana”. Net als het
Vrijthof in Maastricht is het veel te leeg en mede daarom naar mijn mening best
saai. Wel is de toegang prima verzorgd met de twee keer vier stenen honden van
redelijke grootte. Daar is niks mis mee, met die viervoeters! Aan de andere kant
van het plein staat het zoveelste overheidsgebouw dat potdicht is. “Para información turística de esta lugar, marque desde su teléfono el
numero 902507250”. Het bellen kost 46 cent per minuut, dus daar begint
een Hollander zoals ik niet aan. De diverse grote huizen aan de lange zijkanten
van de “plaza Santa Ana” hebben interessante gevels en balkons, dat zij gezegd.
Vanaf de kerk halverwege links zie ik o.a. het archiefgebouw opduiken. Vlak
erbij is het enige terrasje van het plein. Dat is bij ons op Santa Catalina wel
eens anders, denk ik dan. Als ik even plaats neem op een bank, komt net een vrouw
aan die een zak met maïskorrels voor de duiven bij zich heeft. In een mum van
tijd komen er 40 à 50 aanvliegen.
Ik ben blij, als ik de snelweg mag
oversteken en terug mag keren naar de drukke, bewoonde wereld, te beginnen met
de “plaza de las ranas” van Triana.
Af en toe begeef ik mij keukenwaarts
hier om eten klaar te maken voor een aantal keren. Bezoekers uit Nederland
kennen mijn onevenaarbare soep met ballen, om maar een zijstraat te noemen. De
afgelopen dagen mocht ik weer eens aan de tonijn en dus ging een groot blik van
een kilo door mijn blikopener, goed voor drie royale porties. Daar hoort wel
groente bij; in dit geval lijkt mij een mix van vleestomaten, rode paprika’s en
rode uien mij opportuun. Dus ging ik woensdagmorgen eerst naar de Spar en stond
ik om 11 uur groeten te wassen en te snijden. Bij het snijden van de rode uien
viel mij iets op, dat de keukenprinsessen (en -prinsen) wellicht wel weten:
tussen de schillen van zo’n ui zitten doorzichtige velletjes. Daarover hoor je de
meesterkoks niet! En waarvoor God ze heeft toegevoegd aan de uien, is mij niet
duidelijk; ik weet geeneens wat het zijn, die langwerpige velletjes. Kan iemand
van jullie mij uit de brand helpen?
Wisten jullie dat gisteren, zondag 21
april, een topdag was voor de vele basketballiefhebbers hier? Ons clubje,
eredivisie uiteraard, moest het opnemen tegen als ik het wel heb de kampioen
van vorig jaar: Real Madrid. Ik heb daarbij twee vreemde toevoegingen. Eentje
is dat “onze” club niet meer Basketbalclub Las Palmas heet, maar Herbalife, om
de gelijknamige sponsor, een firma in heilzame planten tegen betaling een
plezier te doen. De tweede toevoeging is het tijdstip van de wedstrijd. Als de
wedstrijd niet op de televisie wordt uitgezonden, heeft de sponsor de neiging
om zijn bijdrage af te blazen, dus stond de wedstrijd aangekondigd voor 11.40
uur in de morgen. Zo ver is het kennelijk ook al met het “baloncesto” gekomen:
de sponsors dirigeren.
Jullie en ik weten dat het de grootste
flauwekul is, maar allemaal - niet alleen de kneusjes - hebben we de neiging om
in de bus en trein in de rijrichting te gaan zitten. Ik zie het dan ook als een
misser dat de nieuwe “guaguas” hier weinig dubbele plaatsen vooruit hebben,
maar wel een aantal vierzitsbanken met twee plaatsen met de bus mee en twee tegen
de rijrichting in. Dan zie je soms de raarste taferelen. Ik heb al uiterst krakkemikkige
bejaarden zien staan in de bus, op hun laatste benen, omdat alleen nog plekken
tegen de busrichting in vrij waren. “Ik moet er toch zo uit”, is dan de bekende
verontschuldiging. Ammehoela, denk ik dan, ammenooitniet! (Op zijn Spaans kun
je dan zeggen: “¡Una porra!”, letterlijk een gummiknuppel. Bedoeld is geloof
ik: al sla je me met de gummiknuppel, dan nog vertel ik het nog niet.)
Los daarvan, op een tweezitsbank, in de
goede rijrichting uiteraard, vind ik dat je moet aanschuiven. Als beide
plaatsen nog vrij zijn, hoor je aan het raam te gaan zitten, zodat er eventueel
nog iemand bij kan. Het komt helaas nogal eens voor dat iemand aan de
middenkant van de bus gaat zitten en de raamkant de raamkant laat. Is dat de
weg om ervoor te zorgen dat er niemand naast je komt zitten, nee toch? Zo zijn
we niet getrouwd, mensen! Het is al erg genoeg dat er maar zo weinig plekken in
de rijrichting zijn; ga de boel nou niet verder versjteren!
Moet ik, na al zoveel Spaans
tussendoor, nog met een lesje komen? Nee, liever niet! Dan doe ik het net, maar
het is wel een kleintje. Ik zal jullie zeker meer dan eens over mijn
koffiemannetje in de mercado central verteld hebben, een middenstander om zaken
mee te doen. Toen mijn voorraad blikjes en mij koffie de afgelopen week op
waren, moest ik noodgedwongen bij El Corte Inglés zijn en dus heb ik gezondigd:
ik heb daar een pak koffie gekocht. Eéntje, niet meer, morgen ga ik het bij de
koffie-expert goedmaken. Op het uitheemse koffiepak staat haast geen tekst, het
eigen merk van de winkel is “Natural,
café tostado molido. Hemos seleccionado los cafés de
las mejores procedencias y los hemos tostado, molido y envasado al vacío, para
que conserven intacto todos u aroma y sabor. Consejos para preparar un buen
café: utilice una cuchara sopera por cada taza de café. Use
agua mineral o de la máxima pureza. No lo deje hervir. Servir recién hecho, nunca recalentado. Consejos de conservación:
Una vez abierto el paquete, métalo en un recipiente hermético y consérvelo en
el frigorífico hasta que vuelva a utilizarlo.” Volgens mij heb ik jullie al eens iets dergelijks
voorgeschoteld, maar mijn betere adviezen mogen best eens herhaald worden,
toch? De “eigen merk” koffie van El Corte Inglés is in zoverre anders dan die van
mijn mannetje dat ik het met een mix moet doen van vier gelijke delen koffie
uit Colombia, Brazilië, Guatemala en ergens uit Afrika. En vreemd genoeg noemt
men alle vier delen “arábica”; is dat iets anders dan Arabisch (dat je volgens
mijn woordenboek in het Spaans met een G schrijft, niet met een C)?
Jullie kunnen het me doen. Vanmiddag
zet ik deze brief op het internet en dan heb ik rust tot a.s. donderdag. Dan ga
ik ’s ochtends heel vroeg naar het praatje van Lluis voor de clinici hier luisteren.
Daarna heb ik die dag alle tijd om te niksen en voor jullie mijn dertigste
brief te vervolmaken en op te sturen. Daarna, om 5 uur “en la tarde”, ga ik
tegen Almudena in het strijdperk treden over vet eten en het ontstaan van hart-
en vaatziekten. Wie van de twee gaat in de contramine? Ikke! Ik zal jullie daar
in mijn laatste brief met plezier over lastig vallen. En daarna weer ga ik met
enkele mensen van de club van Lluis “picotear” in Vegueta.
Voor nu, het is lente, volgens Ton ook
in Nederland. Eindelijk zijn jullie verlost van een strenge Nederlandse winter,
ik ook. Laat er de komende dagen geen gras over groeien en hou je daarbij wel
nog een weekje haaks. Ik wens het jullie, tot ziens, hasta luego, compleminte,
con la cortesía de Sr. Don Pablo Knipschild Jongen.
APÉNDICE
Ik heb maar één boek helemaal uit voor deze,
mijn voorlaatste brief, maar het is wel geschreven door een grootheid op
thrillergebied, Donna Leon. De Amerikaanse, uit New Jersey, is geboren in 1942
en woont sinds 1981 in
Venetië, waar haar moord- en doodslagboeken allemaal spelen. Van Donna Leon heb
ik hier al eens een boek, zelfs meer boeken besproken, in positieve zin, maar
hoe ik aan “Friends in high places” kom? Is dat het boek dat ik eens van Eddy
“vaan noonk Pie” gekregen heb? Hoe dan ook, het is uit 2001 en ze heeft er als
bijna 60-jarige een “silver dagger” aan overgehouden.
Commissaris van politie, dottor Guido
Brunetti is de man die weer eens een zaakje (of meer) heeft op te knappen. Hij
krijgt ene Franco Rossi van het kadaster thuis op bezoek, een ouderwetse ambtenaar.
Die legt hem dapper uit dat zijn ruime flat, de vierde etage van een prachtig
woonhuis aan de gracht, wellicht moet worden afgebroken. Lang geleden zou er geen
vergunning voor de bouw van de extra etage zijn aangevraagd door een vorige
bewoner met vervolgens de goedkeuring van de overheid. Guido’s vrouw Paola wil
haar vader inschakelen om de zaak op orde te maken op de bekendse Venetiaanse
wijze, maar Guido koestert nog steeds de linkse ideeën uit zijn jeugd en vraagt
zich af wat hij er zelf aan kan doen.
Dan wordt de dag erop Franco Rossi
vermoord en wordt het tijd om thrilleractie te ondernemen. Met de hulp van zijn
assistent Vianello en meer nog secretaresse Elettra komt Guido Brunetti in een
web terecht van allerlei corruptie, vreemde huizenkoop en -verkoop en
onderhandse geldleningen, tegen een rente waar je U tegen zegt. De kampioenen
op dat terrein zijn Angelina & Massimo Volpato, twee bejaarden die eruit zien
als straatarme muizen, maar intussen zo schatrijk zijn als het maar zijn kan.
Intussen blijven andere doden niet uit, zoals advocaat Cappelli, student Marco
en een junkenduo uit het gebouw waar Franco Rossi kennelijk omlaag is gestort.
Terzijde wordt Roberto, zoon van Guido’s baas vice-questore Patta, betrapt op
het dealen van ecstasy; dat wil pa Patta maar wat graag onder de pet houden.
Waar eindigt het, vraag ik me dan in arren moede af. Bij signorina Loredana
Dolfin, uit een oud geslacht, en vooral haar baas, ingeniere Fabrizio dal
Carlo, van het kadaster? Hebben die misschien iets met de Volpato’s? En welke
rol spelen de banken, in het geval die niet bereid zijn om zelf als
geldschieter te dienen? Joost, in dit geval Giovanni, mag het weten.
Wie zijn Xenophon wil ophalen, hoe het
Griekse leger vanuit Perzië terug naar eigen land trok, kan eveneens in
“Friends in high places” terecht. En hoe heet ook al weer een mobieltje in het
Italiaans? “Telefonino”. Ik vind dat Donna Leon best weer een leuk boek heeft
geschreven, boekje eigenlijk, want echt pontificaal kan ik het niet noemen. Ik
kon het Engels deze keer zeg maar zonder enig woordenboek volgen, dat is weer
eens wat anders na een boek van Sansom uit de zestiende eeuw. “Friends in high
places” gaat dus best voor een hoog punt, maar voor heel hoog is het mij iets te
gewoontjes. Een 7½ geef ik ervoor, dat is niet verkeerd. Terug in Maastricht ga
ik Eddy, de Venetië-deskundige in mijn kennissenkring, vragen wat de beste
Donna Leon’s zijn. Volgens mij heeft hij ze allemaal en de beste zal ik aan
mijn boekenverlanglijstje toevoegen.
Abonneren op:
Posts (Atom)