Weblogbrief 11.26, 4 april 2016
“¡Qué bonita!” zei een vrouw naast me tegen haar dochtertje aan Las Canteras. Ze wees op de zeelucht achter haar, om kwart voor 9 ’s avonds. Het was nog net niet donker en tegen een ondergrond van de zee was de lucht echt donkerblauw aan het worden, wel met nog enkele nu donkere wolken er in. Het kind vond de lucht een stuk minder geslaagd, bezig als het was met haar nieuwe speeltje, twee grote ringen aan een ijzer plus een rondje met zijwieltjes. Hoewel ik niet veel op heb met taferelen van Hollandse meesters uit de negentiende eeuw, zeker niet de zeegezichten, kan ik het plaatje van de moeder best wel waarderen. Maar is het nou “qué bonita” of “qué bonito”?
Deze week begin ik maar eens met muziek, op de maandagavond al. In 1963 verscheen een aparte plaat, later ook als Cd uitgebracht, van een folk-groep genaamd The Big 3. De drie artiesten waren ene Jim Hendricks, nooit van gehoord, Tim Rose, die ken ik, en Mama Cass Elliot, een paar later al het boegbeeld van The Mamas & The Papas, met ook John Philips, maar toen wel al behoorlijk dik. Op mijn externe schijf staat de plaat van The Big 3 genoteerd als “1963 - feat. MCE, TR & JH”, ik kort de drie namen nu maar even af om niet in herhaling te vervallen. Ze bevat 57 minuten folk, bijna een uur, verspreid over 21 nummers, dat zijn er veel meer dan op een Lp. Zijn er later op de Cd allerlei nummers toegevoegd? Ik sla niks over, hier zijn ze allemaal:
01.I may be right
02.Anna Fia (Feher)
03.Tony & Della
04.Grandfather’s clock
05.Silkie
06.Ringo
07.Down in the valley
08.Wild women
09.All the pretty little horses
10.Glory, glory
11.Come away Melinda
12.Young girl’s lament
13.Banjo song
14.Winken blinken and nod
15.Ho honey oh
16.Nora’s dove (Dink’s song)
17.Come along
18.Rider
19.It makes a long time man feel bad
20.Sing hallelujah
21.Dark as a dungeon
Ik heb de Cd gekregen van Peter, die mij bij hem thuis in Smeermaas uiteraard als eerste de Banjo Song opzet, in de hoop en verwachting dat ik daar Venus van Shocking Blue, het latere nummer van Robbie van Leeuwen uit 1969, in herken. Dat klopt, maar in alle eerlijkheid kun je voor veel muzieknummers wel een eerder nummer bedenken dat er op lijkt. Het hoeft nog niet direct je reinste plagiaat te betekenen. Het kan ook toeval zijn plus een beetje van wat de maker van de nieuwe melodie ergens in zijn achterhoofd verstopt heeft zitten. Daarbij – dat weet Peter ook – is de “Banjo Song“ geïnspireerd op een negentiende eeuw nummer van Stephen Foster, genaamd “Oh Susanna”. Hier is een stukje: “Banjo song”: Oh Susanna, don’t you cry for me, ‘cause I‘m going to Louisiasa with a b.a.n.j.o on my knee”. Hoe het ook zij, Robbie van Leeuwen heeft er een villa aan overgehouden.
Ik vind intussen ook dat The Big 3 best aardige folkmuziek ten gehore brengen. Jullie kennen wellicht nog van vroeger het Kingston Trio, Peter, Paul & Mary en de Rooftop Singers, om eens drie andere triootjes te noemen. Dit is er dus ook zo een en best de moeite waard. En voordat jullie aankomen met “die oude volksmuziek, dat is niks voor mij”, luister eens naar “Silkie”, “Wild women”, “Come away, Melinda” en/of “Winken blinken and nod”. En natuurlijk naar de “Banjo song”. Best aardig, toch?
Weten jullie wat “ELA” is? Dat is de Spaanse afkorting van Esclerosis Lateral Amiotrofica, in goed Nederlands ALS. Bij de bushalte waar ik gistermiddag stond te wachten op lijn 12 naar het zuiden, las ik een heel verhaal over ELA. De kop luidde: CONDENADOS A MUERTE, veroordeeld om dood te gaan, met daaronder een foto van twee jonge mensen in de bloei van hun leven. De onderkop luidde: INVESTIGACIÓN = SOLUCIÓN, onderzoek geeft de oplossing. Er volgde een stuk tekst, dat ik hier niet ga vertalen: “4000 Personas condenados a muerte en España por una enfermedad degenerativa, incurable y mortal, 900 nuevos casos cada año. Sola la investigación puede salvarlos.” .
Horen jullie het eens van een ander. Er staat geen gironummer bij de aankondiging, maar dat zal er ongetwijfeld komen, als deel 2 van de bede om onderzoeksgeld op het gebied van ALS verschijnt.
In dezelfde sector heb ik er nog een die ik een stuk minder geslaagd vind. Ik zie tegen de achtergrond van een rood vlak een winkelwagentje waarin een kind gestopt wordt. Voor details, ongetwijfeld om geld uit onze zakken te halen, word ik verwezen naar www.adoptauntio.es. Tio is het Spaanse woord voor “oom” en in het dagelijkse leven ook voor kind of tiener. Kennelijk wordt mij gevraagd een kind te adopteren, ik neem aan uit een arm land, en waarschijnlijk gaat het hier bovendien niet om een eenmalige bijdrage voor een “goed doel”, welk eigenlijk, maar (zoals bijv. bij Unicef) over een geregelde bijdrage.
Los daarvan, als ik iets bijzonders zie op mijn weg naar de faculteit, dus nog voordat ik mijn brief aan jullie post, moet het dan nog in die brief mee of mag het wachten tot mijn volgende brief. Geldt dat ook voor een boek dat ik net uit heb, voordat ik naar de faculteit ga? Ik weet het: het is niet echt belangrijk, maar iemand als ik, met mijn regeltjes, zit er mooi mee.
Bij de grote bibliotheek in het lage gebouw tegenover de “aulario” van de gezondheidsfaculteit in Las Palmas Zuid staat buiten een grote bus, waarin je je eerder geleende boeken kwijt kunt. Devolución de libros en prestamo. Er staat zelfs een tijdsaanduiding bij: de lunes a viernes: 8.30 h. y 19.30 h. Wie zijn geleende boek op vrijdagavond na half 8 in de bus doet, kan pas op maandagmorgen zien of het op tijd is terugbezorgd. Het doet me denken aan de grote brievenbus bij de ingang van Centre Ceramique in Maastricht. Ook daar hebben we sinds een paar jaar geloof ik een terugbreng-brievenbus, best een idee.
Op de terugweg naar het noorden van de stad zie ik bij de gebouwen van het gerechtsgebouw in het water een grote ronde toren van zeg vijf meter hoog. Ik heb hem niet eerder genoemd, dus doe ik dat maar eens bij dezen. Waar zou hij voor geweest zijn? Lag er vroeger een kasteeltje in de zee of –waarschijnlijker – lag het land daar ietsje verder naar de zee toe? Dat zijn nou futiliteiten waar deze jongen zijn hoofd over kan breken. In Maastricht zou ik het al lang hebben opgezocht of aan iemand van de VVV of een deskundige hebben gevraagd.
Ik had in mijn vorige brief natuurlijk een paar woorden (of meer) aan de dood van Johan Cruyff moeten wijden. Alleen, ik had eerder wel vaag iets gehoord, maar zeker niet het naadje van de kous. Ik neem aan dat hij de afgelopen (witte) donderdag overleden is in verband met zijn longkanker. De avond er voor had ik uitgebreid op de computer van het bibliotheekje aan Las Canteras zitten werken en vond na afloop dat ik de dagen er op rust verdiende. Daar kwam bij dat hier, zeker vanaf donderdagmiddag, bijna alle overheidsgebouwen, waaronder de bibliotheken, dicht waren tot maandag.
Gisteren, op onze paasmaandag, was alles weer zoals vanouds en zag ik eerst een bericht er over op de computer in het nieuwe faculteitsgebouw en later werd me een en ander nog eens breed uitgemeten in het krantje van Barcelona, die ik in het bibliotheekje bij het Castillo de la Luz inkeek.
Dood gaan we allemaal en de een wat eerder dan de ander. Cruyff is van 1947, een jaar eerder dan ik, en zijn tijd van verscheiden is kennelijk nu al gekomen. Het is niet anders. Een markante figuur vond ik hem wel, vooral uiteraard als voetballer. Ik zag hem al in 1964 bij Ajax spelen in de (Watergraafs)Meer, waar ik toen vlakbij woonde, in de Linnaeusstraat. Gemakkelijk was hij bepaald niet, maar hoort dat niet een beetje bij echte kopstukken. Voor zijn idee dat het trainerschap vooral een bezigheid moet zijn van goede ex-voetballers, heb ik trouwens ook best bewondering (voor zover ik überhaupt in de bijdrage van de trainer geloof).
Dinsdagavond ga ik naar El Corte Inglés om een boekje over Tenerife te kopen. Vooral naar Santa Cruz de Tenerife gaat mijn belangstelling uit, maar ik wil ook best (weer) eens leren hoe bijv. La Laguna nou ligt ten opzichte van Santa Cruz. Ik ben één keer eerder in Santa Cruz geweest, een dagje tijdens een vakantie in Puerto de la Cruz, heel lang geleden. Laat ik nu ook eens kijken of ik daar nog iets van onthouden heb. Ik weet in elk geval nog dat de stad enigszins bergop loopt, vanaf de haven. Een recent plattegrondje van de stad is mij zeker ook welkom, dan hoef ik er niet naar te gaan zoeken, als ik er eenmaal ben.
Dames en heren, a.s. vrijdag ga ik het weekend bij Noé op bezoek en ik wil uiteraard enigszins beslagen ten ijs komen. We zien elkaar overigens pas vanaf vrijdagavond. Ik logeer ook bij hem, maar ik neem de bus en de boot al in de vroege middag, dan heb ik tijd om eerst eens in mijn eentje door het centrum te struinen.
Over zijn werkelijke bezoek aan hem, met ook nog “el clasico” Barcelona tegen Real Madrid op zaterdagavond, die we in een café zullen aanschouwen, ga ik jullie verder op in deze brief tot in detail informeren. Uiteraard doe ik dat pas op zondagavond of maandagmorgen. Laat ik hier, op de dinsdagavond, alvast vertellen dat ik de trotse bezitter ben van het boekje “CITYPACK Las mejores experiencias” van TENERIFE y La Gomera, INCLUYE MAPA DESPLEGABLE”. Dat “desplegable” heb ik thuis nog even opgezocht; het staat voor uitvouwbaar. Mijn gidsje ga ik de komende dagen alvast eens inkijken.
De mensen bedenken echt van alles om aan het werk te komen en te blijven. Op weg naar de Bijenkorf van Las Palmas kom ik langs een winkel in de Vientenueve de abril, die vrij nieuw moet zijn: SOS PIOJITOS. Dat SOS, eigenlijk S.O.S., verstaan jullie wel, maar wat zijn “piojitos (de cabeza)”? Welnu, we hebben het over hoofdluis. Hier is een “Centro de pediculosis” gevestigd, met “tratiamientos naturales y efectivos”, behandelingen die niet alleen natuurlijk zijn, maar nog effectief ook. “Y quitatelos de la cabeza”, en weg zijn ze van je hoofd. Hebben we het over de luizenkam en lotion pekelharing, waarmee de kinderen op school soms gekamd worden. roep ik dan. En toch, als werkloze moet je iets proberen om aan de slag te komen en wie weet, is dit een vondst. Ik hoop dat het iets wordt. De tijd zal het leren.
Op de late woensdagmiddag begint het te regenen, en niet zo’n beetje ook. Omdat een bui hier meestal van korte duur is, is even stil houden onder een luifel of in een portiek meestal voldoende. Het zijn dan tevens aardige plekken om een praatje voor de vaak te maken. Echter, deze keer is het ene buitje nog niet weg of het volgende komt er weer aan. Tussendoor zie ik wel een paar keer de zon eventjes aan de hemel verschijnen: ”kèrmis in de hèl”.
Om half 8 trek ik mijn stoute schoenen aan, als het net weer droog is, en maak een rondje. De winkel van mijn ferry naar Santa Cruz is al dicht, dus daar ga ik morgen maar heen voor mijn kaartje. Ik loop maar eens naar links, verder op langs de lege tent van de botsautootjes en de havenmarkt en beland nog even en alweer in het bibliotheekje daar. Zoals altijd sluit het om half 9 en mag ik weer huiswaarts. Ik ben net op tijd in de Luis Morote, als een nieuwe bui in alle hevigheid losbarst.
Op mijn balkon – loggia, want mijn balkon is overdekt - is het echter aangenaam zitten. Terwijl het nu buiten uitgestorven is - geen mens is meer te bekennen - vraag ik me af wat mijn volgende muziek zal zijn.
Het is donderdagmorgen als ik het zeker weet. Harry heeft op zijn website (www.harryknipschild.nl) onlangs een heel mooi stuk geschreven over Woody Guthrie, de man van het onvergetelijke “This land is your land”, uit 1944, 1945. De oorspronkelijke tekst staat zelfs bij Harry’s artikel netjes afgedrukt. In de laatste decennia van zijn leven werd Woody Guthrie geplaagd werd door een erfelijke ziekte, die hij onder de k=leden bleek te hebben. Ik heb het over de chorea van Huntington, die vooral gekenmerkt door aanvallen van hevige onwillekeurige spiertrekkingen, naast allerlei ander euvel. Meestal komen de echte aanvallen pas voor het eerst op middelbare leeftijd, maar daarna is het in toenemende mate afzien tot je er aan dood gaat, bijv. door een longontsteking. Woody had de ziekte geërfd van zijn moeder, die er net als hij aan is gestorven.
Uit Harry’s artikel begrijp ik dat er vlak na de dood van Woody Guthrie een concert ter ere van hem is gegeven, in 1968?, waaraan allerlei bekende mensen meededen. Er is toen ook een plaat van verschenen: “A tribute to Woody Guthrie”, met uiteraard Woody’s zoon Arlo, maar ook de nodige andere muzikanten zoals zijn fan Bob Dylan, Joan Baez, Judy Collins, Odetta, Pete Seeger, Rambling Jack Elliot, Richie Havens en Tom Paxton. Hoe ik precies aan de plaat kom, weet ik niet meer – is het een van de onvolledige pareltjes van Rocky? – maar mooi blijft-ie, die ode aan een van de pioniers van de hedendaagse muziek. Ik heb de nummers maar eens in mijn eigen volgorde gezet, op voornaam van de artiest, en de paar verhaaltjes tussen door heb ik weggelaten. Hier zijn alle veertien nummers op mijn externe schijf:
01.Do re mi
` Arlo Guthrie
02.Jesus Christ
03.Oklahoma hills
04.Dear Mrs. Roosevelt
Bob Dylan
05.The grand Coulee dam
06.I ain’t got no home
07.Hobo’s lullaby
Joan Baez
08.Roll on Columbia
Judy Collins
09.Union maid
Judy Collins & Pete Seeger
10.Ramblin’ ‘round your city
Odetta
11.1913 Massacre
Ramblin’ Jack Elliott
12.Jailhammer John
Richie Havens & Pete Seeger
13.Biggest thing man has ever done
Tom Paxton
14.This land is your land
Arlo Guthrie, Odetta & Co.
Met alle haperingen, ook op mijn incomplete plaat, blijft het een prima verzameling van nummers van een Amerikaanse singer-songwriter avant la lettre.
Later op de donderdagochtend ga ik bij Fred. Olsen (met een punt achter Fred) mijn kaartje kopen voor de reis heen en terug naar Santa Cruz. In de wachtruimte staat dat de bus van Las Palmas naar Agaete in het westen van Gran Canaria gratis is. Dat is natuurlijk onzin. De prijs van die rit zit gewoon in de totaalprijs inbegrepen, 78 euro voor mijn “billette de ida y vuelto”, retourtje. Ik vertrek op vrijdagmorgen om 12 uur op Santa Catalina en heb de ferry boot van Agaete naar Santa Cruz om 1 uur. Op zondagavond om ongeveer 8 uur ben ik weer terug op Santa Catalina, als alles loopt zoals gepland.
Bij mij beneden was een winkel waar je telefoons, zonnebrillen en dergelijke kon kopen. Met de eigenaar, een man uit India, maakte ik wel eens een praatje. Nu zit hij ietsje verder op in de straat, waar hij minder huur hoeft op te hoesten en ook nog iets meer ruimte heeft.
De winkel stond vervolgens maanden lang leeg, tot afgelopen woensdagmorgen. Toen begon ineens een aantal bouwvakkers er druk te breken, te metselen, te timmeren, te boren en wat die mensen zo al plegen te doen. Etel had het er maar moeilijk mee, met alle “stöb” van het boren. Ze gebruikte daarvoor een Argentijns woord dat ik niet ken, maar mijn “polvo” keurde ze ook goed. “Polvo eres y en polvo te convertirás”, die zin laat ik onvertaald.
Op donderdag wordt het alleen maar erger. Hoewel ik nu de ramen aan de achterkant potdicht houd, ligt nu toch al de nodige ongerechtigheid op mijn “baldosas”, vloertegels, zowel in de badkamer als in de keuken. Heb ik mijn ramen daar te laat potdicht gedaan? Misschien moet ik toch nog een keer met een zwabber er overheen gaan.
Dan is het vrijdag en mag ik me opmaken voor een weekendje Santa Cruz en La Laguna. Ik ben ruim op tijd bij mijn bus op Santa Catalina. De chauffeur staat bij de instap moeilijk te doen. Het kost per persoon aardig wat tijd om in de bus gelaten te worden, ook bij mij. Mijn identiteitskaart wordt regel voor regel bestudeerd, gaat ook door een sleuf, maar uiteindelijk mag ik er in, met mijn kaartje en id.-kaart. De bus is maar half vol en gaat over het noorden via Galdár. Een heel stuk zie ik de zee, maar dan mag ik toch door een paar tunnels om na precies veertig minuten aan te komen in de Puerto de las Nieves van Agaete in het westen. Het bord naar de Dedo de Dios is er nog steeds.
Dan mag ik de Fred. Olson ferry express op, een catamaran, voor wie iets met boten heeft. Er kunnen 717 passagiers op. Alweer worden mij eerst de levieten gelezen, voordat ik mag plaatsnemen. Nadrukkelijk wordt ons gedurende de hele overtocht naar Santa Cruz verteld dat we maar het beste kunnen blijven zitten, als we niet ziek willen worden. Ik krijg ook een uitgebreide veiligheidsinstructie in het Spaans en Engels op een tv-schermpje. De boot schommelt behoorlijk onderweg en de rit duurt niet de gangbare een uur en een kwartier, maar een half uur langer. Zo waar voel ik me zelfs een beetje misselijk worden, zonder dat ik overigens mijn kotszakje hoef te pakken. (Het pleit wel tegen een cruise door de Cariben, die ik eigenlijk nog eens wil doen.)
Als ik om kwart voor 3 in Santa Cruz op de kade sta, weet ik al uit mijn boekje van Tenerife dat ik naar links moet. Misschien 150 meter verder zie ik de bekende plaza d ’España. Daar staan overigens heel veel grote banken bij de immense vijver. Ik kijk er naar het monument voor de gevallenen, neem een rustpauze en loop dan door naar de Iglesias de la Concepción en het bijbehorende plein met zijstraten. Dan doe ik mijn culturele daad van het weekend: ik ga naar het Museo de la Naturaleza y el Hombre. Het is twee musea in één en nog gratis ook, blijkt. De mummies van de guanches laat ik schieten - een mens kan niet alles – maar ik doe echt mijn best om de oorsprong van de Canarische eilanden en de flora en fauna nou eens definitief te doorgronden. Ik krijg een aantal prima filmpjes voorgeschoteld plus het nodige echte materiaal. Jullie weten toch wel dat de eilanden “gewoon” ondergrondse vulkaanuitbarstingen zijn die tot boven het zeeniveau uitkomen. De lava daar droogt op en wordt de plek waarop van alles gaat groeien en bloeien. We hebben het dan wel over 20,5 miljoen jaar terug, als allereerst Lanzarote en Fuerteventura ontstaan en daarna de andere eilanden.
Na mijn museumbezoek doe ik wat iedere beginnende toerist van Santa Cruz doet. Ik loop naar de plaza de la Candelaria, tegen de plaza d’España aan, en dan omhoog door winkelstraat (calle de) Castillo en parallelle straten die ik eigenlijk verteerbaarder vind. Mijn idee om de Iglesia de San Franciso eventjes van binnen te bekijken strandt, omdat daar net een mis voor een trouwpartij op beginnen staat. De bruid gaat voor mijn neus aan de hand van haar vader de kerk in, waar bruidegom, familie en vrienden al gereed zitten (of staan?).
Er is zo veel meer te zien in het centrum en bovendien is het in de zijstraten en langs de kust vergeven van de terrassen. Ik loop behoorlijk omhoog tot aan de plaza de Weyler en daal dan weer af langs een andere route. Bij de McDonald’s – ik heb iets met die winkelketen - neem ik een smoothie die ik op een bank opeet/drink. Dan is het wachten tot bijna 9 uur, als ik Noé bel op mijn mobiel. We kloppen even later omstandig op elkaars schouders bij het Mariabeeldje op de plaza de la Candelaria.
Ik laat me door hem mee terugvoeren in de richting van de plaza de la Iglesia (de la Concepción), waar we een mooi eetplekje vinden in restaurant La Concepción (hoe komen ze er op). Op mijn verzoek gaan we voor de uitgebreide tapas die we eerlijk delen: eerst kaas uit La Gomera met pikante rode mojo, dan kabeljauw met Teneriefse kleine aardappeltjes met een groene (zachte) mojo, daarop dunne varkensbiefstuk en ten slotte kaastaart met karamelpudding. We drinken er bier bij, Noé ook wijn en erna (koffie met) whiskey en ik barraquito.
Wat is een barraquito? Als Noé gelijk heeft, is de drank uitgevonden in een café uit de buurt waar hij als jongen woonde: Bar Imperial. (We komen er even later met de taxi langs.) De bijnaam van de baas van de zaak was verraquito, mannetjesvarkentje (van verraco, maar met ito op het eind), wat verworden is tot barraquito. Het is koffie met gewone en gecondenseerde melk, een scheutje 43 likeur, een schilletje citroen en er bovenop kaneel.
Als we bij Noé thuis zijn, na een korte taxirit, val ik nagenoeg direct in een diepe slaap.
Dan is nu de zaterdag aan de beurt, de dag dat ik vooral de omgeving te zien krijg. Allereerst gaat het met Noé’s autootje naar La Laguna, de derde stad van de Canarische eilanden (of is dat Telde) met 50.000 inwoners. Het centrum van La laguna is Vegueta (in Las Palmas) in het zeer groot, het heeft een en al pracht en praal, het ene na het ander huis in de stijl van zeg 1500, met ook de nodige houten balkons. Aardigheidje: in een dichtgetimmerd laag huis in een zijstraat staat het dak vol met “verodes”, groene planten die maar weinig aarde en wel veel water nodig hebben. La Laguna is een heel vochtige stad, waar het zeker ’s avonds best koud kan zijn, hoewel die op maar tien kilometer of zo dan Santa Cruz ligt, wel meer in het binnenland. De kathedraal kan ik niet voorbijlopen zonder een snel kijkje binnen te nemen, maar wat valt hij tegen. Voor wie dat interesseert, in een van de winkels koop ik met hulp van Noé een MP3-spelertje met acht gigabyte geheugen (voor veertig euro). Thuis zet Noé er later alvast een gigabyte muziek voor me op, o.a. Jeff Buckley, Al Green en George Benson. Heb ik tenminste wat muziek om naar te luisteren op de boot terug.
Na La Laguna gaat ons uitje langs de noordkust naar lavastadje Garrachico, dat in de zeventiende eeuw kennelijk een hele hoop lava naar beneden zag komen. Het kleine centrum is alweer Vegueta. Noé vertelt me dat het centrum van diverse grote steden in Zuid-Amerikaanse landen zoals in Equador, Columbia en Uruguay een kopie is van wat rond 1500 hier de mode was. Aan de kust in Garrachico zijn er nu allerlei watertjes, met gestolde lava er omheen, in open verbinding met de zee. We drinken iets op het lavaterras en gaan dan op zoek naar een wijnplantage ergens in de rimboe. Bij El Cubano is het volgens Noé te doen en daar koop ik drie liter rode wijn van het huis. We eten er ook de producten uit de buurt: eerst verse witte kaas, dan gofio escaldado, een prutje met uien en varkensvlees, vervolgens (verrukkelijk) varkensvlees van het spit met frieten en ten slotte huevos al estampido, een soort spiegeleieren op frieten met chorizosaus. We kunnen na afloop allebei geen pap meer zeggen.
Mede daardoor wordt het hierna geplande uitstapje naar Puerto de la Cruz niet meer dan een kort rondje door de straten en dan op het plein achter een grote cola zero zitten. Van mijn eerdere reis naar dit stadje in 2000 of zo kan ik mij weinig meer herinneren. In ieder geval lijkt het stadje nu wel een heel stuk groter, maar dat kan best ook komen, omdat ik het destijds erg rustig hield. Het uitgebreide zwembad aan de zee, waar ik destijds nog eens “pollefer” verbrand ben, slaan we nu over, want we willen wel op tijd terug zijn in La Laguna voor “el clasico”, de voetbalwedstrijd tussen Barcelona en Real Madrid.
Terwijl de wedstrijd om half 8 begint, zitten de bekende café’s in het centrum van La Laguna om 10 voor 7 uur al mutje vol (misschien ook omdat de mensen UD Las Palmas willen zien winnen tegen Valencia, 2-1). Met enig geluk vinden we in een zijstraat nog een zaak, waar we goed terecht kunnen en ook nog Noé’s vrienden Agustino & Nereida van stoelen kunnen voorzien (die sinds twee weken op Tenerife wonen, in verband met zijn tijdelijke baan als leraar wiskunde). De wedstrijd valt van Barcelona-kant heel knap tegen. In het eerste kwart speelt de club uit Catalonië goed, wel weer met de zoveelste misser van Suárez, maar daarna zien we Real steeds meer overwicht krijgen. (Het blijkt overigens dat bijna het hele café fan van Real is; wij zijn bijna de uitzondering.) In de tweede helft maakt Piqué met een kopbal uit een corner 1-0 in minuut 55, maar vlak erop haalt Benzema vreselijk uit: 1-1. Dan is het, met uitzondering van nog een prachtige doelpoging van Messi, vooral Real dat de klok slaat, keer op keer. Bale maakt in minuut 80 of zo 1-2, maar om mij onbegrijpelijke reden wordt het doelpunt afgekeurd. Even later is het voor Real toch raak door een mooie schuiver van Cristiano Ronaldo. Het complete stadium en bijna het hele café ziet hem glimmen van trots dat het hem toch maar weer gelukt is. M.i. wint Real Madrid de wedstrijd volkomen terecht. Het lijkt wel of de spelers van Barcelona op het einde doodmoe zijn of in ieder geval te lui om te lopen, te beroerd om mee te verdedigen.
Na de wedstrijd op straat blijkt het in La Laguna nu echt koud te zijn, ik denk niet meer dan tien graden. Ik hoef niet meer naar de disco of zo; Noé mag me naar Santa Cruz en naar zijn huis rijden. Als ik mijn ogen thuis dicht doe, gaat hij in Santa Cruz “nog even” op stap. Zondagmorgen laat vertelt hij mij dat hij om ongeveer 4 uur thuis gekomen is.
Voor wie van jullie er nog geen genoeg van gekregen heeft: nu komt de zondag nog. Of is het eerst tijd voor een intermezzo? Hoe heten de bewoners van de verschillende Canarische eilanden? Daar gaan we, van Lanzarote tot El Hierro: Conejos, Majoreros, Canariones, Tinerfeños, Gomeros, Palmeros en ten slotte Herreños. Die van het achtste eilandje zijn Los Grazioneros voor wie weet waar dat ligt. De inwoners van hoofdstad Santa Cruz van Tenerife heten Chicharreros, willen ook graag zo genoemd worden naar de vis die hier zwemt (chicharro) en die van de stad Las Palmas zijn Palmenses (maar niemand gebruikt dat woord).
De woning van Noé is overigens aan de rand van de stad, in de rijke buurt. Ze ziet er, op één hoog, prima uit, met één grote slaapkamer (en een groot bankbed in de woonkamer, voor als dat zoals nu nodig is). De royale woonkamer heeft ook een computerhoek, er is een grote keuken en washok, een badkamer, twee wc’s en wat mij zeer bevalt: twee echt grote balkons. Als ik zondagmorgen om ongeveer 9 uur naar de wc geweest ben, mijn pillen heb genomen, gedoucht heb en ook nog mijn tanden gepoetst, zit ik op het royale hoekbalkon een paar uur te lezen, voordat Noé zijn gezicht laat zien.
En dan ben ik nu toe aan mijn laatste etappe van mijn uitstapje naar Santa Cruz. Om ongeveer 12 uur gaan Noé en ik te voet omlaag richting centrum. De eerste stop vlakbij is het parque Garcia Sanabria. Daar is het goed toeven op een bank bij de fontein van de bevruchting met een standbeeld van een vrouw met grote borsten (la tetera), bij de in Zwitserland gemaakte bloemenklok en op het terras beneden. We nemen ook een kijkje bij de eendenvijvertje in de buurt (de eenden zijn weg) met stenen banken er omheen, gebouwd zoals een soortgelijke vijver uit Sevilla. Dan is de plaza de Weyler aan de beurt, met zijn grote fontein, bovenaan o.a. de calle de Castillo. Iets verder omlaag rechts van de winkelstraat mag ik van Noé een heel verhaal aanhoren over hoe de lokale generaal Gutierrez en zijn boeren-soldaten toch maar mooi generaal Nelson en zijn soldaten ervan weerhouden hebben om Santa Cruz en de verdere Canarische eilanden in de achttiende eeuw voor Engeland te veroveren. Op de dag dat de Engelse schepen in Santa Cruz en omgeving aankwamen, was het gloeiend heet en de Canarische soldaten kregen in tegenstelling tot de Engelsen voortdurend water aangereikt van dames, met een groot blik water op hun hoofd, de “aguadores”. Het beeld van een aguadora – de trots van de stad - siert een pleintje. Nog weer verder naar beneden staat het theater, met een beeld van de schrijver naar wie het genoemd is: Angel Gormiera y Jorge en ook een aardig beeld van een gezicht.
Pas als de bezienswaardigheden zijn afgehandeld, mag ik met Noé de brug over de Serrador over naar de Mercado de Nuestra Señora de Africa en de (alleen op zondag) aanpalende rastro, markt voor tweedehands en andere spullen. Ik koop op de gewone markt, met Noé’s hulp, twee soorten pittige kaas: eentje uit La Palma en de andere uit Zuid-Tenerife. Eerder heb ik ook al een bakje kaas uit La Gomera met pikante mojo gescoord (zoals we vrijdagavond in La Concepción aten). Op de rommelmarkt is Noé vooral op tweedehands boeken uit en ik kijk vooral rond, met een oog gericht op de Cd’s. Iets van onze gading kunnen we allebei niet echt vinden.
Een bezoek aan het parque marítimo van César Manrique en het auditorio van Santiago Calatrava bewaren we voor eenvolgend bezoek. Noé wil met me naar Casa Nelson voor het middageten, maar het kleine zaakje zit al helemaal vol. Dus wordt het een hele rit bergop naar El Puntero, maar die zaak is niet open. Noé wordt er zeer nerveus van. We gaan nu weer helemaal omlaag tot bijna de plaza d’España, naar restaurant El Cambullon (de zwarte markt). Daar eten we eerst vissoep (met anijs), dan een kabeljouwsalade met papas Bonito (mini aardappeltjes) en tot slot frieten met secreto iberico (stukjes varkensvlees).
Om 4 uur brengt een taxi ons terug naar zijn huis. Noé controleert daar omstandig of mijn MP3-speler wel voldoende functioneert en pas daarna brengt hij mij met het autootje naar de catamaran van Fred. Olsen aan de haven. Ik bedank hem nog eens oprecht voor de goede zorgen en hij vertelt dat hij binnenkort misschien toch weer eens in Las Palmas komt kijken of anders misschien wel in Maastricht deze zomer. We nemen als geroutineerde vrienden afscheid van elkaar, met een handdruk. Op de boottocht terug om (even voor) 6 uur heb ik mijn koptelefoon op en constateer ik dat ik deze keer in veel rustiger vaarwater zit. De ferry schommelt niet en na één uur en tien minuten zet ik vaste voet op Gran Canaria. In de haven van Agaete staat mijn bus naar Las Palmas dan al klaar. Ze wordt deze keer helemaal volgestouwd met mensen, tot de laatste stoel toe. Ik heb een plekje helemaal achter in op de hoek, maar om 8 uur sta ik wel op Santa Catalina.
Einde verhaal van mijn trip naar Noé in Tenerife. Ik zag er vooraf een beetje tegen op - dat heb ik wel vaker - maar wat heb ik een heel mooi weekend gehad. Een echt uitje, voor herhaling vatbaar! Noé heeft me al verteld dat we volgende keer op Tenerife ook stukjes in het zuiden van het eiland gaan doen.
Op maandagmorgen in Las Palmas is het leven weer als vanouds. Ik werk deze brief verder af en ga me dan douchen. Om even over 12 zit ik aan tafel met mijn kaasjes en Wasa knåckebrød en daarna maak ik mij op om naar de universiteit te gaan. Mijn bijzondere aandacht gaat deze keer uit naar tweeling Susanne & Arno die morgen hun 39ste verjaardag mogen gaan vieren (maar dat voor de familie gisteren al gedaan hebben).
Wees gerust, queridos oyentes, de komende week ga ik niet naar Fuerteventura, Lanzarote of een ander eiland om daarover te brichten. Ik blijf keurig op mijn plek hier aan Las Canteras. Over wat ik daar mee ga maken vertel ik jullie in mijn volgende brief, op waarschijnlijk maandag 11 april. Voor nu: gedraag je in de nadagen van Pasen, laat je regenjas eens thuis en kijk uit naar beter weer. Het ga jullie goed, tot kijk maar weer, hasta luego, PaulX.
BOEKENBIJLAGE
Voordat ik hier mijn boeken van de week ga bespreken, vertel ik jullie maar weer eens wat de tophits van El Corte Inglés deze week. Dat van Mario Vargas Llosa (Cinco esquinas) had ik eerder al genoemd, maar wat vinden jullie van “Hombres buenos” van Arturo Pérez Reverte? Dat boek lijkt me er eentje dat ik best eens wil lezen, maar dan wel graag in het Nederlands.
Wat betreft de “libros negros”, detectives, thrillers, moordboeken of hoe jullie ze willen noemen, vertel ik jullie allereerst dat Ian Rankin’s nieuwste boek “El libro negro” heet; die titel ga ik hier niet voor de tweede keer vertalen. Verder zie ik verscheidene boeken van Philip Kerr vooraan op de tafels liggen, maar ik vraag me wel af of het echt nieuwe uitgaven zijn. Bij ons is Patricia Cornwell sinds een aantal jaren naar het tweede plan verschoven, waarom eigenlijk? Ik persoonlijk heb nog steeds een zwak voor haar Scarpetta-verhalen, met een lijkensnijdster, een pathologe als belangrijkste speurder. Hier in Las Palmas is haar nieuwste, getiteld “Polvo”, voor de vertaling zie boven, echt een boek met heel hoge verkoopcijfers. Als de kans zich voordoet, en het is in Nederland niet zo moeilijk, zal ik het zeker gaan lezen.
Mijn eerste boek dat ik nu helemaal uit heb, is een ander dan wat jullie van mij gewend zijn. Susanne en Peter uit Eindhoven verrasten me voor mijn verjaardag de afgelopen september met de autobiografie van Oliver Sachs. Zijn boek is van 2015, van vlak na zijn dood, en heet in het Engels “On the move. A life”. Susanne en Peter maakten het mij gemakkelijk door me de Nederlandse vertaling er van te bezorgen: “Onderweg”, wel met alle foto’s waarmee ook het Engelstalige boek verrijkt is. Ik heb de lezing van hun cadeau uitgesteld tot na carnaval. Toen heb ik het meegenomen naar Las Palmas en vooral de afgelopen maand heb ik het in beetjes gelezen. Ik had mezelf eerder toegezegd dat ik het vóór de verjaardag van Susanne (a.s. dinsdag) uit moest hebben en dat is me nog gelukt ook.
Oliver Sachs, vorig jaar overleden, is geboren in 1933 in een joods gezin in Londen. Zijn vader is huisarts en zijn moeder chirurg, hij heeft drie broers, van wie er een schizofreen is, en een heel aardige tante. Andere bijzonderheden over zijn privéleven zijn: hij is zijn hele leven lang erg verlegen, geremd, is een geregelde en goede zwemmer (zoals Susanne), heeft iets met in de natuur verkeren, rijdt graag en veel op een motor rond (Norton, BMW), doet in zijn jonge jaren heel actief aan body building, gewichtheffen en last but not least is hij homo. Met diverse dames kan hij het heel goed vinden, maar voor zijn seks en liefdes is hij op mannen aangewezen. Zijn eerste seksule contact met een man vindt overigens plaats in Amsterdam, in de jaren vijftig.
Na zijn jeugd in Londen gaat Oliver Sachs in 1960, op 27-jarige leeftijd, naar Canada en al vrij daarna naar de Verenigde Staten, vooral San Francisco trekt hem als jongeling erg aan. In 1965 verruilt hij die stad voor New York, waar hij vervolgens zijn leven lang woont, in de stad zelf dan wel vlakbij in City Island. Zijn brood verdient Oliver Sachs vooral als praktiserend neuroloog, o.a. in het Einstein in de Bronx, later uiteraard ook als schrijver. In de jaren zestig is hij overigens een aantal jaren zwaar verslaafd aan amfetamine, van 1963 tot 1967, maar hij experimenteert in die tijd ook met andere drugs, zoals LSD. En toch, ondanks zijn lange leven in Amerika blijft hij met genoegen een “inwonende vreemdeling”. Hij is trots op zijn permanente werkvergunning in de V.S., maar ook op zijn Brits paspoort. Hij reist veel, maar gaat ook geregeld op bezoek bij mensen in zijn geboorteland, o.a. zijn ouders.
Ik vermoed dat Oliver Sachs geen eersteklas neuroloog geweest is. Zijn bekendheid dankt hij vooral aan zijn schrijven over zijn vak en aanverwante onderwerpen. Zijn schrijven begint met een boek over “Migraine” dat in 1969 uitkomt. Daarop volgt in 1973 “Ontwaken in verbijstering” over slaapziekte (postencefalitisch syndroom) en de behandeling met L-Dopa. Dat wordt veel later, in 1989 met Robert de Niro als patiënt en Robin Williams als dokter, nog verfilmd. Zijn boek over “Een been om op te staan” komt na veel vijven en zessen uiteindelijk uit in 1983. Tussendoor, maar ook in de decennia daarna verschijnen er allerlei artikelen van hem, o.a. over tics en Gilles de la Tourette, kleurenblindheid, muziek en op het einde oogziektes, in bladen als The New York Review Of Books. De man schrijft echt het ene stuk na het andere, met daarnaast zijn – uiteindelijk 1000 – dagboeken. Zijn meesterwerk qua verkoopcijfers is van 1985: “De man die zijn vrouw voor een hoed hield”, met allerlei stukken over vreemde neurologische fenomenen en wat hij daarvan vindt. Later schrijft hij ook behartenswaardige verhalen over doven en autisme. Bij de Bezige Bij is ook nog de uitgave van zijn boek over “Hallucinaties”.
Laat ik toegeven dat ik hiervoor nooit een boek of zelfs maar artikel van Oliver Sachs gelezen heb. Voor zo ver ik het als halve buitenstaander voor het uitzoeken heb, denk ik dat zijn “Hoed” mijn eerste keus zal zijn, als ik hem ga proberen. Verder geef ik hier als mijn mening op basis van zijn autobiografie dat de man absoluut niet mijn type is. Hij laat zich er erg op voorstaan dat hij onder de groten der aarde verkeert, met name Nobelprijswinnaars en neuro-bekendheden, terwijl ik meer ben van “doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”. Daarbij is het adagium van Oliver Sachs: alle mensen zijn anders en dus kiest hij overduidelijk voor de casuïstiek, die nogal eens niemand anders betreft dan hijzelf. Met mijn idee dat geneeskunde er grotendeels is bij de gratie van gedocumenteerde overeenkomsten tussen mensen met dezelfde ziekte, heeft hij geloof ik weinig op. Oliver en ik, wij verschillen fundamenteel, maar hij is beroemd en ik absoluut niet. Een vriend van mij zou Oliver Sachs bij zijn leven nooit geworden zijn.
Ik heb nog een derde boek uit, van James Patterson. Het heet, ook in het Nederlands op mijn e-reader, “Cross country” en is uit 2008. Het speelt gedeeltelijk in Washington DC en omgeving en daarnaast in drie Afrikaanse landen: Nigeria, Sierra Leone en Soedan. Vraagje: wat is de hoofdstad van Nigeria, een land met 135 miljoen inwoners? Het antwoord volgt op het eind.
Het Cross van “Cross country” is van Alex Cross, een zwarte rechercheur in Washington, die daar met enkele gezinsmoorden te maken krijgt, waarbij o.a. een vroegere vriendin van hem samen met haar man en kinderen het loodje legt. De moorden zouden zijn gepleegd door een bende zwarte kinderen met aan het hoofd “De Tijger”. Deze man, een huurmoordenaar, komt uit Nigeria, heet eigenlijk Abi Sowande, en spreekt met een Yoruba accent. Alex Cross laat zijn collega-rechercheurs in Washington, te weten zijn vriendin Bree Stone en John Sampson, voor wat ze zijn en achtervolgt de Tijger tot in Lagos en omgeving (olie), Sierra Leone (diamanten) en Darfur (vluchtelingenkampen), maar hem te pakken krijgen lukt niet. Een nieuwe vriendin van hem in Lagos, journaliste Adanna Tansi, wordt samen met haar familie vermoord, als ze hem meer vertelt over de opdrachtgevers. Dan is er nog een onduidelijke rol van pater Bombata en vooral van de CIA in de persoon van Ian Flaherty in Lagos en Eric Dana, Al Tunney en Steven Miljard, als Alex Cross terug is in Washington. Wel blijken dan twee van diens eigen kinderen plus oma verdwenen te zijn. Hoe loopt het af, vragen jullie je af, maar ik weet het al.
De hoofdstad van Nigeria is Abuja, dat is toch iets voor een quizvraag. Ik vind dat “Cross Country” als boek niet echt goed, met te veel los zand. Als thrillerschrijver heeft James Patterson me wel eens beter bediend. Dit boek is me te veel van “hier kruipt de held alweer door het oog van de naald” en dat laat ik in mijn recensiecijfer uiteraard tot uitdrukking komen. Een 6+ wordt het voor “Cross country” en geen kwart punt meer. Wat James Patterson betreft ben ik echt aan een leespauze toe.
maandag 4 april 2016
maandag 28 maart 2016
Weblogbrief 11.25, 28 maart 2016
Weblogbrief 11.25, 28 maart 2016
Cariñosos huevos duros y coloreados de Pascua, lieve hardgekookte en gekleurde paaseieren, het is al weer een hele tijd terug dat we elkaar voor het laatst gesproken hebben. Mijn vorige brief is van tien dagen terug, nog van vóór palmzondag en (in Spanje) vaderdag.Die verzond ik vanaf de computerruimte voor studenten in de “aulario de ciencias de salud”. Later was ik ook nog even in het platte “edificio de servicios generales” met de bibliotheek en het decanaat, op weg naar het nog nieuwere gebouw van gezondheidswetenschap, waar tegenwoordig ergens op de tweede etage de afdeling “preventieve geneeskunde” huist. Voor de zoveelste keer was er om half 4 uur echt helemaal niemand en dus ging ik terug voor een blikje op het terrasje bij de kantine. De kantinebaas, een aardige man, pakte zonder omwegen een Cola Zero voor me uit de ijskast.
Toen ik dat op had, ging ik met bus 12 zoals wel vaker helemaal door tot aan mijn parkje bij het Castillo de la Luz om de mensen uit te kijken en te lezen. Later ging ik daar nog even naar het bibliotheekje daar in de buurt om in de kranten in te zien. Om 9 uur zat ik op mijn balkon thuis om mijn (eerste) boek uit te lezen. Dat lukte niet helemaal, maar zaterdagmorgen was het raak.
Dan is het nu wel tijd voor alvast een beetje muziek. Laat ik deze keer eens beginnen met een Extended Play, een EP. Weten jullie nog wel wat dat is?Voor de jongeren: het is iets van heel vroeger, een plaatje dat tussen een singeltje en een Lp in zit. Je draaide het op 45 toeren en er staan doorgaans vier nummers op, een iedere kant twee. Al heel lang worden die EPtjesniet meer gemaakt.
Mijn zelfgekozen EP is er een van Charles Aznavour. Deze Armeense zanger maakte eerst in Frankrijk furore en van daaruit kreeg hij ook allerlei aanhangers elders, waaronder in Nederland en het Engelse taalgebied. Hij is nu hoogbejaard, maar Trudie heeft hem een paar jaar terug nog eens zien optreden. Prachtig vond ze het. Charles Aznavour zingt doorgaans in het Frans de sterren van de hemel, neem bijv. “Et pourtant”, “La Bohème”, “La mamma” of (om Marcel een lol te doen) “Gitarre”. Zelf heb ik wel iets met bijv. “Il faut savoir”. De man is ook beroemd geworden met diverse Engelstalige nummers zoals ”She”, “Dance in the old fashioned way”, “For me… formidable” en “Yesterday when I was young”. Een monument!
Wisten jullie dat Charles Aznavour ook in het Spaans gezongen heeft? De nieuwe Cd die ik hier van hem gekocht heb, heet Grandes Éxitos; daar is geen woord Frans of Engels bij. Er staan vijftien mooie nummers op, waarvan er elf in het Frans zijn, maar ik word ook vier keer verrast door iets Spaans. Die Spaanse nummers ga ik hier eens voor jullie opzetten:
*.Mi última hora
*.Vivir junto a tí
*.Esto es formidable
*.Juventud divino tesoro
“Ech sjiek”, zou men in Maastricht zeggen en het is in ieder geval weer eens iets anders, Charles Aznavour in het Spaans.Wie denkt dat bijv. “Esto es formidable” een Spaanse vertaling is van “For me… formidable”, moet ik teleurstellen. Het is een heel ander liedje. Misschien vinden jullie Spaanse nummers van hem op ook bijv. YouTube, dan moet je zelf maar eens luisteren.
Soms kom ik hier woorden tegen waarvan ik oprecht denk: wat is dat nou weer? Een berg heet hier een “montaña”, de hoogste van Spanje staat op buureiland Tenerife, de Teide. Bij mooi weer kun je hem op Las Canteras zien liggen, naast onze eigen “Roque nublo”. Maar weten jullie wat een “montaña rusa” is? Dat is Spaans voor een achtbaan, op de kermis.
Zal ik hier eens ook een paar andere kermisattracties noemen, “atracciones de la feria”? Een botsautootje is een “coche de choque” en het spookhuis de “túnel de miedo”. Gokautomaten zijn “tragaperras” en een draaimolen een “tiovivo”, in kindertaal “caballitos”. De namen van andere attracties kan ik zo vlug niet in het Spaans vertalen. Hoe heet een “holly holly” in het Spaans? Wat is het Spaanse woord voor de swing mill, met een overkapping en een pluisbal? Is dat een “molino de swing”? Bij die swing mill ontdekte ik als jongetje de rock-’n-roll van Little Richard, nummers als Tutti Frutti en Lucille. Fantastisch vond ik die muziek, hoewel ik er geen woord van verstond (en nu nog niet alles). Mij staat nog bij dat er in de jaren vijftig nog bokswedstrijden in een kermistent gehouden werden, een “barraca de feria” met een echte boksring, “cuadrolátero de boxeo”. Daar nam dan de man van de tent het op tegen lokale durfallen en wij hoopten allemaal dat de man van de tent ze op zijn donder zou krijgen. En er was een kraam, “un puesto”, waar je lootjes kon kopen, “boletos”. Mijn broer Harry en ik haalden dan als kinderen weggegooide lootjes van de straat en mijn vader pluisde thuis uit hoe je de juiste lootjes moest trekken om een hoofdprijs te winnen, bijv. een grote pluche beer, “oso de felpa”.
Als er kermis was, waren er ook speciale eetwaren. Een suikerspin is een “algodón de azúcar” en oliebollen zijn “buñuelos”.Mij staat ook nog bij dat mijn opa altijd gerookte paling kocht, als er kermis was: “anguilaahumada”.
Ik denk dat kermis echt passé is, een verleden tijd die niet meer terug komt. Komt dat door de televisie? De laatste keer dat ik echt mijn ogen uitkeek op een kermis, was geloof ik in 1975, toen de stad Amsterdam 700 jaar bestond. Daar werd een ouderwets kermisterreinopgesteld, waar ik – echt waar - een origineel vlooiencircus mocht aanschouwen.
Afgelopen vrijdag vond ik niet alleen iets Spaans van Charles Aznavour, maar kocht ik ook twee nieuwe Cd’s van Pablo Milanés, voor zijn vrienden Pablito. Hij is van Cuba, geboren in Bayamo in 1943, maar al in 1950 verhuisde hij met zijn ouders mee naar Havana. Later was hij daar een van de oprichters van de “Nueva Trova”, samen met Silvio Rodriguez en Noel Nicola, dat jullie het maar weten. Terzijde, “trova” is Cubaans voor een liedje en zijn compaan Silvio Rodriguez komt op 20 april hier zijn opwachting maken. Pablo Milanés maakte grammofoonplaten vanaf 1973. Hij heeft een kleine vijftig studio-albums op zijn naam staan, waarvan ik er een zeer beperkt aantal heb. Wel ben ik intussen ook de eigenaar van enkele compilaties. Zijn “Pablo Milanés canta boleros en Tropicana” is van 1994, toen hij 50 jaar was. Zal ik die hier eens spelen? Nee, want eerlijk gezegd valt hij mij nogal tegen.
Zo veel tijd om jullie met muziek te vervelen heb ik niet meer; nog vijf, zes weken en dan zit ik weer in Nederland. Dus gaat mijn voorkeur uit naar een ander album, eentje dat meer met de verjaardag op 19 maart van Jezus’ “papá” (“día de San José”) van doen heeft. Het heet “Grandes Éxitos” (dat wel weer) en is van zangeres Dionne Warwick. Welk nummer staat vanzelfsprekend daarop? “Do you know the way to San José”, dat kennen jullie toch nog wel?
Ik kan me de dame nog prima voor de geest halen, eigenlijk te knap voor een volbloed zangeres. Ze werd geboren in 1940 en vanaf 1963 schalde haar stem vanuit de jukebox van Mai en Peter’s Stern Quelle in de Wijckse Rechtstraat de zaak in.Op het internet lees ik dat ze 38 studio-albums op haar naam heeft staan. Ik heb alleen een verzamelcd, maar wel een hele mooie, uit 1994. Alle nummers van Dionne Warwick, zeg maar rustig tophits op de Cd zijn geschreven door het beroemde songwritersduo Bacharach-David. Hier komen ze met zijn zestienen:
01.Anyone who had a heart
02.Walk on by
03.Don’t make me over
04.Alfie
05.A house is not a home
06.Trains andboatsand planes
07.I just don’t know what to do withmyself
08.The windows ofthe world
09.Message to Michael
10.I say a littleprayer
11.You’ll never get to heaven (if you break myheart)
12.(Theme of) valley of the dolls
13.Promises, promises
14. Do you know the way to San José
15.Reach out for me
16.Are youthere (withanothergirl)
Vinden jullie het een beetje vergane glorie die ik zit te draaien? Ik ben helaas een andere mening toegedaan. De muziek van Dionne Warwick is m.i. nog altijd in orde (hoewel het mooie van haar lijf er af is, dat wel). Als jullie vandaag de dag nog iets hebben met zwarte zangeressen zoals Diana Ross, Gladys Knight, Martha Reeves. Donna Summer of (later) Whitney Houston - ik noem hier maar een vijftal, dan kan Dionne Warwick er ook nog best mee door. Ik ga hier geen speciale nummers vermelden, behalve natuurlijk “Do you know the way to San José” (uit 1969?) vanwege 19 maart, maar mooie muziek blijf ik het vinden, ook vijftig jaar na dato.
In de sector opmerkelijke reclames ga ik hier en nu refereren aan de nieuwe, echt flinterdunne telefoon van de Koreaanse firma Samsung. Hij luistert naar de merknaam S7 Edge, kost een honderdje of zeven, maar dan heb je ook wat. Met de kreet “Redescubre lo que un teléfono puede hacer”, herontdek wat een telefoon kan doen, word ik verder op het goede been gezet, maar details zie ik net op de aankondiging.
Zal ik mijn huidige Spaanse apparaat uit het jaar tabak, ook van Samsung, aan de wilgen hangen en me deze gigant, met alles er op en er aan, aanschaffen? Ik twijfel, maar eens zal zelfs ik toch aan de nieuwigheid moeten geloven.
Met terugwerkende kracht ga ik jullie nog een muziekgroepje noemen dat ik zag optreden in calle mayor de Triana en dat ik heel bijzonder vond. Het betrof een drietal jonge jongens, eentje met een houten blok voor zich om op te trommelen, eentje met een gitaar voor de accoorden en – vooral – eentje die de solo-gitaarmuziek zijn draai gaf. Vlak voor mijn snufferd speelden ze louter instrumentale nummers, niet allemaal even goed, maar toen kwam ineens “Slaughter on 10th Avenue”(van de Ventures) en, in een echt puike versie, “Misirlou”(van surfer Dick Dale and his Del-Tones, bij mijn weten uit 1963). Ik herinner me dat je Harry het plaatje, als dun plastic, destijds cadeau kreeg bij weekblad Billboard (van Henk Evers van de Harp in de Maastrichter Spilstraat). Wat goed is, gaat nooit verloren, roep ik in 2016 voor me uit.
Zondagmorgen is mijn jaarlijkse moment aangebroken om een groot blad van mijn palmboom af te knippen, of liever af te snijden, want mijn takken zijn niet voor een kleintje vervaard. Het zijn geen ligusterblaadjes en ze zijn ook immenser dan de takken die de kerk hier aan de gelovigen verschaft. Echter, jullie en ik weten dat de palmboom bij mij voor de deur niet meer is. Hij is een paar maanden terug omgehakt en tot op de dag van vandaag is er geen nieuwe geplant. Verder op in destraat links en rechts staan wel nog diverse palmbomen fier overeind; vooral die voor het voormalige MaxDream reikt bij wijze van spreken tot in de hemel. Heeft bij mij voor het driekoppige personeel van Cafetería Nuevo Murias daar wellicht de hand in? Carlos, Tobalo & Victor, ze zijn hoe dan ook goede maatjes met de mensen van de gemeente, ook die van de plantsoenendienst, of hoe neem je dat volkje. Misschien hebben ze die er van weten te overtuigen dat een goed lopend terrasje minstens zo veel bijdraagt aan het welzijn van de Luis Morote als een palmboom.
Intussen ben ik wel een beetje onthand, zeker vandaag. Een traditie is aan zijn einde gekomen. Ga ik de “Goede Week” in zonder dat ik de palmtak aan het Jezuskruis boven de kamerdeur kan vernieuwen. Grapje. Zal ik dan maar een gewijde palmtak gaan halen bij het kerkje van de nonnen, links van mij. Nee, dus. Wat is er trouwens “Goed” aan de “Goede Week”? Laat ik maar eens een was gaan draaien; dat moet op zijn tijd ook gebeuren.
Op de zondagavondenis het hier op de boulevard en in de straten meestal niet druk. Dat heb je zo, zeker als het nog wintertijd is. Gelukkig wordt de tijd in het paasweekend omgezet. Ik kom nu niet veel verder dan een reclame van MadBread, een veredelde broodzaak, waar je ook kunt zitten en koffie met “iets lekkers” kunt krijgen. MadBread staat bij mijn weten vooral bekend om zijn diverse soorten croissants. De zaak prijst zichzelf aan met het zinnetje: “No hay amor más sincero que el amor a la comida”, er gaat wat liefde betreft niks boven liefde door de maag.
Gaan we naar maandag 21 maart, de eerste dag van het voorjaar. Het gezegde luidt: een nieuwe lente, een nieuw geluid.
In de “gezet” lees ik dat Barack Obama op bezoek is geweest in Havana. Eindelijk, na 88 jaar, neemt een president van de Verenigde Staten zich de moeite om het politiek afwijkende buurland sinds de Castro’s er vanaf eind jaren vijftig aan de macht zijn, te bezoeken. De man moet zijn eega Michelle wel onder een paraplu houden om haar niet doornat te laten regenen. En hoe luiden de eerste woorden van zijn toespraak, als hij net uit het vliegmachine is gestapt: “¿Qué bolá Cuba?”. Dat laat ik maar onvertaald, mede omdat ik de precieze vertaling niet weet. Maar mooi blijft-ie. “¿Qué bolá nietas?”, daar kun je als opa mee voor de dag komen.
Op de maandagmiddag vind ik dat ik maar weer eens een ouderwetse fado-zangeres voor jullie moet opzetten. In de zomer van ik denk 1997, maar het kan ook best een of enkelejaren later zijn geweest, maakte ik met Trudie en een Zuid-Limburgs gezelschap een rondreis door de “peninsula”: Spanje en Portugal. Ergens in Midden-Portugal reden we langs bedevaartsplaats Fatima. De bus raakte zelfs verzeild in een kleine opstopping, die werd veroorzaakt door de stroom mensen die daar wilde afbuigen om naar de fameuze Maria-processie te gaan kijken. Die zou juist die dag daar gehouden worden. Als het aan mij had gelegen, waren we er met onze bus ook acuut heengegaan. Helaas werd mijn welgemeende raad weer eens niet opgevolgd. Er moest in een uiterst strak schema nog meer dan een half schiereiland in twee weken worden afgewerkt en een langdurige stop in Fatima stond niet op het programma.
Die onvolkomenheid probeer ik nu maar goed te maken door jullie de enige Cd te presenteren die ik van fado-zangeres Maria da Fatimain mijn bezit heb. “Memorias do fado” heet ze en het bijbehorende jaar van uitgifte is 2009; toen was ze nog net geen 50 jaar. Hier zijn de twaalf melancholieke nummers die op de plaat staan:
01.Abandonada
02.Saudades de Lisboa
03.Sou filha das ervas
04.Alma da vida
05.Confesso
06.Hortelá Mourisca
07.Aforma de querer e ser amada
08.Marcha do marceneiro
09.Olha a ribeirinha
10.Eu jànäo sei
11.O chorar da minha alma
12.Pedaço de Rua 1980
Of alle hoofdletters (behalve aan het begin van de nummers) op hun plek staan, weet ik niet. Niettemin, ik ben van mening dat Maria da Fatima met deze Cd een beste prestatie aflevert. Alweer ga ik jullie geen uitschieters noemen.
Meer algemeen, bij fado-zangeressen denken jullie – en ik ook – allereerst een uiteraard aan Amália Rodriguez en zo hoort het ook. (Ik heb zelfs een nummer “fado Amália” van haar). Maar er is zo veel meer fado-muziek, van legio dames en heren. Als ik alleen al mijn diverse verzamelcd’s met fado-muziek doorloop, kom ik probleemloos op tientallen andere artiesten die de ene na de andere fado voor mij willen kwelen.
Een tip! In Centre Ceramique in Maastricht ligt, N.B. min of meer verstopttussen de rekken met cd’s, een prachtig boek (uit 2012?), langwerpig en nogal paars, over de fado dat ik jullie zeer ter lezing kan aanbevelen. Je moet er wel een beetje Engels (nog beter is: Portugees) voor kunnen lezen; zo nee, dan blijft het bij vooral plaatjes kijken. In het boek staat de geschiedenis van de fado beschreven, in Lissabon en Coimbra, en er staan ook korte beschrijvingenin van de vele fado-helden van vroeger en nu.Ik herinner me de nodige rijtjes met wat volgens de auteurs van het boek de mooiste fado-muziek is. Op basis daarvan heb ik mijn toch al redelijke fado-collectie de afgelopen zomer nog aardig weten aan te vullen.
Het was al aangekondigd: Trudie en ik gaan begin september naar de Balkan. In een mail van haar, die ik afgelopen maandagavondlas, verwijst ze me naar de site van Arke/TUI en de reis “Het beste van de Balkan”. Het gaat om een 15daagse tripmet de auto naar allerlei plekken in Kroatie en Bosnië Herzegovina. Ik heb haar dezelfde avond nog teruggemaild dat ze wat mij betreft kon boeken (als ze mij tenminste met de auto rond wil rijden). En dat heeft ze dinsdagmiddag al gedaan. Ze belde mij zelfs nog even op om het te bevestigen.We nemen het vliegtuig naar Pula op 3 september en daar vandaan hebben we een huurauto en zijn alle hotels met ontbijt onderweg al geregeld. Op de 17de, één dag voor mijn zeventigste verjaardag, komen we weer terug in Nederland met de ijzeren vogel.
Jullie willen details? Ik had natuurlijk aantekeningen moeten maken, toen ik er over las op internet, maar we zitten o.a. naar Pula, Rijeka, Zagreb, Split, Dubrovnik, Mostar en Sarajevo (met Srebrenica). Ik vergeet ongetwijfeld weer het een en anderte vermelden, maar op jullie laptop of tablet hebben jullie de reis van Arke/TUI in no time zelf gevonden. Mijn eerdere vakantie naar het voormalige Joegoslavië – met name Kroatië - in 1969 krijgt bijna vijftig jaar later een vervolg.
Op de woensdag in de Semana Santa vraag ik mij af of er woorden zijn die op “Santa” rijmen. Als ik me beperken mag tot woorden van twee lettergrepenen geen werkwoordsvormen (canta), halve bijvoeglijke naamwoorden (tanta) of merken frisdrank (Fanta)hoef in te sluiten, kom ik alleen uit op het Spaanse “manta”.
Wat, geachte toehoorders, is een “manta”? Het woord mantra heeft er niks mee van doen, laat ik daarmee beginnen. En voor alle duidelijkheid, het is ook geen R.K. deken, geen “archediano”. Wat is het dan wel? Mijn moeder zaliger deed graag haar slaapje onder een “manta eléctrica”, een (electrische) deken. Een “manta” is een groot stoffen ding, eventueel gewatteerd (“alcolchada”), waar je onder kruipt, als je in bed gaat liggen.
Is het nou palmwoensdag, witte woensdag of goede woensdag? Zonder tegenbericht houd ik het zelf op woensdag gehaktdag of liever nog: tonijndag. Ik heb een prima tonijnsalade in de keuken staan, met een paar ons tonijn en als salade een combinatie van ui, paprika en tomaat. Daar neem ik graag stokbrood bij, met als nagerecht een stukje lokale kaas, wel “curado”.
Als ik ’s avonds naar het marktje van de haven loop om vandaaruit naar het bibliotheekje vóór het Castillo de la Luz te gaan, zie ik pal naast de snelweg iets wel heel bijzonders. Iemand heeft daar een tent met diverse botsautootjes neergepoot. Raar, een botsautootje is een “coche de choque”, zie ook boven, maar hoe de naam is van de hele bedoeling, is mij onbekend, ook in het Nederlands. Verder is er geen kermis te bekennen, zelfs geen draaimolen. Hoe dan ook, de lichtjes van de zaak branden al, de muziek speelten een man van de zaak is een meisje aan het leren hoe ze een botsautootje moet sturen zonder overal tegenaan te knallen. Verder is er helemaal niemand te bekennen. Is dat niet wonderbaar?
Gaan we naar de donderdag. Als ik om kwart voor 8 mijn balkon betreed, zie ik niets wits, maar rechts van mij boven de flats is wel een schitterend stuk regenboog. Het roodpaars zit bovenin en aan de linkerkant en dan lopen de kleuren af naar blauw beneden en rechts. Een paar minuten later is de regenboog verdwenen. Dan verschijnt het eerste straaltje zon aan de schoorsteen hoog boven “Besito volao” en nip ik maar eens aan mijn koffie.
Bij El Escudo zie ik louche types naar binnen gaan en even later weer de straat op komen. Ik neem aan dat ze het keldercafé niet bezoeken voor een “cortado” of een “agua mineral con gas”. Carlos bij mij beneden en ik kijken het met gemengde gevoelens aan. Ik hoor bij hem zachtjes een Cd van Neil Diamond spelen. Op zijn tijd moet dat kunnen. Zal ik er ook nog een doen?
Van wie ik de collectie gekregen heb, weet ik niet meer, maar de muziek van singer-songwriter Joni Mitchell heb ik nagenoeg compleet. Van haar negentien studio-albums heb ik er zeventien; ik mis alleen die van 1977 en 2007. De dame, in 1943 geboren in Saskatchewan in Canada,is intussen 72 oud, maar op een recente foto bij haar verhaal op de Engelse wikipedia ziet ze er nog steeds appetijtelijk uit. Wisten jullie dat ze ook schilderes was?
Laat ik eens niet haar eerste plaat (“Song for a seagull”, uit 1968) van haar opzetten, ook niet de tweede (“Clouds”, met het beroemde “Both sides now, uit 1969), maar de derde uit 1970: “Ladies of the canyon”. Ik heb hem “remastered”, wat dat ook betekenen mag. Hier zijn de twaalf nummers, oorspronkelijk van de Lp:
01.Morning Morgantown
02.For free
03.Conversation
04.Ladies of the canyon
05.Willy
06.The arrangement
07.Rainy night house
08.The priest
09.Blue boy
10.Big yellow taxi
11. Woodstock
12.The circle game
Ik moet het geluid echt een beetje harder zetten, want Joni Mitchell heeft maar een iel stemmetje. Heel hoog zingt ze trouwens, met een stem die op die van Joan Baez lijkt. Ze zit een octaaf hoger dan ik (voor zo ver jullie mij buiten carnaval nog als zanger willen accepteren).
Nu ga ik wel een paar uitschieters noemen. Eerlijk gezegd vind ik het bekende “Big yellow taxi” op de plaat tegenvallen, maar het wordt goedgemaakt door nummers als “Morning Morgantown”, “Willy”, “Blue boy” en “The circle game”. De echte bingo-uitschieter op de plaat is uiteraard “Woodstock”. Ik aap haar maar na: “We are stardust, we are golden, and we got to get ourselves back to the garden”. Wie een nummer als Woodstock kan schrijven, kan bij mij voorwaar een potje breken.
’s Avonds op de echte Witte Donderdag zie ik op Las Canteras Michelangelo’s Laatste Avondmaalin het zand uitgebeeld. Jezus zit pontificaal aan tafel, met lang haar en baard, met links en recht een zestal mannen, geen Maria Magdalena. Dat zijn de twaalf apostelen, begrijp ik. Op de tafel ligt behalve diverse bekers en het nodige brood maar één enkele vis. Is dat niet wat min voor een twaalftal apostelen; dat waren toch vissers van origine? De maker van het kunstwerk aan het strand ken ik niet echt, maar in alle ernst heb ik een stuk meer waardering voor het oorspronkelijke schilderij van de gedekte tafel in de kathedraal van Milaan.
Dat schilderij heb ik overigens nooit in het echt mogen aanschouwen. Toen ik een kleine twintig jaar geleden met Trudie eens in Milaan was, was het veel te druk met toeristen in de kathedraal om in de rij te gaan staan en een kijkje te nemen. Een aantal jaren geleden heb ik het doek wel nog eens hier in Las Palmas zien liggen,in een boekwinkel in de kelder van Las Arenas, als legpuzzel van (ik denk) duizend stukjes. Die puzzel had ik toen natuurlijk moeten kopen.
Iets raars heb ik wel nog met het schilderij. Als ik met twaalf anderen aan een tafel ga zitten eten, zit ongeveer de helft aan de ene kant en de andere helft aan de andere kant. Op Het Laatste Avondmaal, “La ultima cena”, van meester-schilderMichelangelo zit iedereen aan dezelfde kant naar de kijker te kijken en is de andere kant leeg. Is er iets gaande vlak voor hen, een toneelstukje of zo, waarvan ze niks willen missen?
Dat overpeinzend is mijn tijd gekomen om de hof van olijven, “el olivar” in het Spaans, maar eens op te zoeken, de plek waar Judas verraderlijk uit de hoek komt. Wie van de twaalf mannen op Michelangelo’s Laatste Avondmaal is trouwens Judas? Dat is nou iets dat ik best eens zou willen weten.
Ieder jaar denk ik op Goede Vrijdag om een uur of 3: zal ik Bach’s Mattheus-passion eens opzetten? Ik heb het stuk in Maastricht over drie Cd’s uitgesmeerd staan. Zelfs heb ik het eens op mijn externe computerschijf gezet, maar daar heb ik het later weer afgehaald.
Niettemin, Johan Sebastiaan Bach, de man blijft trekken op deze bijzondere dag. In de Goede Week zijn er in Las Palmas diverse uitvoeringen van composities van de man. Die van vrijdagavond in het Alfredo Kraus auditorium is volgens de aankondiging een “Bach Fugato”, whatever that may be. Ik zal jullie niet verrassen met de namen van de vier van het Cuarteto ORNATI en de zes andere uitvoerenden, maar ga jullie helaas wel alvast meedelen dat ik geen acte de présence geef.
Intussen heb ik een klein probleempje met mijn e-reader. Ook al is hij nagenoeg opgeladen, hij kan uit het niets ineens zeggen dat hij geen stroom meer heeft en er mee ophouden. Als hij dan is uitgeschakeld en het leesblad helemaal blanco is, hoef ik hem maar weer even aan te zetten en op de knop van verder lezen te drukken en de orde is hersteld. Maar toch… Ben ik de enige, met een Sony Reader, die dat heeft of hebben allerlei andere e-reader mensen dat ook?
Precies bij mij tegenover huizen een vader en zoon. De zoon schat ik ergens in de veertig en die groet mij af en toe vanaf hun balkon. “¡Buenos días!” “De compleminte”, roep ik dan terug, “ouch veur d’ne pa”. Sinds een week of langer heb ik ineens het gevoel dat zijn vader er niet meer woont. Zou net als voor mijn palmboom gelden: “opgeruimd staat netjes”? (Un lugar para cada cosa y cada cosa en un lugar, geeft mijn Spaanse woordenboek als vertaling, maar dat is het mijns inziens net niet.) Hoe dan ook, ik kijk er naar uit om de vader weer eens op het balkon te zien zitten met een grote sigaar. En zo niet, dan zal ik eens aan zijn zoon gaan vragen waar hij gebleven is. Dan kan hij me in een moeite doorvertellen wie de man van zijn leeftijd is die ik daar de laatste tijd steeds vaker mag aanschouwen. Is dat zijn broer? Of hebben we van doen van een homo met zijn nieuwe vriend?
Vrijdagavond is het berendruk op de boulevard. Je zou denken: Goede Vrijdag, dat houden de mensen zich in, maar nee, het tegendeel is waar. Ook zie ik – meer dan er voor – allerlei kinderwagens, “koutse”, op Las Canteras verschijnen. Het is echt een beetje rechts houden en met de stroom meelopen. Ik hoor veel Spaans om me heen en vraag me af hoeveel Spaanse toeristen daartussen zitten. Ook Scandinavisch is een voertaal die ik geregeld voorbij hoor komen. Ik moet (“mote steit achter de deur”) toch eens uitzoeken hoe ik het Zweeds, Noors en Deens uit elkaar kan houden.
Als ik op mijn bank bij calle Ferreras ga zitten, zit vlakbij een oudere vrouw (in ieder geval ouder dan ik) die ik ken van het bejaarden dansen. Ze voert met haar buurvrouw een geanimeerd gesprek in het Canarisch. Dan gaat ze met iemand bellen.Het blijkt dat ze ook acceptabel Frans spreekt. Het “muy bien” van hier verandert zonder gedoe in het “très bien” van Frankrijk.
Op de terugweg naar huis zie ik “Het Matje” met zijn fiets aan de hand voorbij komen. Trudie en Marij weten wel wie ik bedoel. Ik vrees zelfs dat ik diens bijnaam aan hen te danken heb. De man zou nodig eens zijn haar aan de achterkant mogen kortwieken.
“Het Matje” is een vaste gast hier op het strand, iedere dag weeropnieuw op het einde van de middag. Daarna gaat, of liever ging hij, om een uur of 7 ’s avonds graag een glas bier drinken bij “Los Rosales IV”, een café bijna op de hoek van de Tomas Miller, vlakbij de Luis Morote. Helemaal op de hoek ligt daar winkeltje Super Persiaen aan de overkant het terras van snack bar La Columna en de ingang van Hotel Concorde. In het hotel hebben Eva, Jan Willem & Lux nog eens een nachtje geslapen, omdat het in mijn stukje straat te gehorig zou zijn. Dalí moest toen nog geboren worden.
En nou komt het: Los Rosales IV heeft zijn openingstijden drastisch veranderd. Was er eerder ’s avonds altijd volk in de zaak, o.a. om naar het voetbal op de TV te kijken, een hapje te eten of aan de bar te hangen (zoals Het Matje), de “nuevo horario” is van half 6 ’s ochtends – dat is vroeg! – tot 6 uur ’s avonds. Dus als ik er nu ’s avonds langs kom voor mijn rondje Las Canteras heen of terug, is het café gesloten. Het duurt dan soms even voordat de vaste barklanten hun nieuwe dagelijkse uitspanning elders gevonden hebben. Het Matje is nog zoekende.
Hoeveel muziek kunnen jullie in één brief aan? Het is zaterdagmorgen tijd om mijn laatste muziek van deze lange brief op te zetten. Ik kies voor Bill Frisell, een Amerikaanse jazzgitaar-muzikant, geboren in 1951. Van hem heb ik uit 2009 de Cd “Disfarmer”. Zal ik alle 26 nummers de revue laten passeren? Als jullie dat al te uitgebreid vinden, klik je maar een half A4-tje door. Hier komen ze:
01.Disfarmer theme
02.Lonely man
03.Lost night
04.Farmer
05.Focus
06.Peter Miller’sdiscovery
07.That’s alright, mama
08.Little girl
09.Little boy
10.No onegets in
11.Lovesick blues
12.I can’t help it (if I’m still in lovewithyou)
13.Shutter, Dream
14.Exposed
15.The wizard
16.Think
17.Drink
18.Play
19.I’m not a farmer
20.Small town
21.Arkansas Pt 1
22.Arkansas Pt 2
23.Arkansas Pt 3
24.Lost again, Dark
25.Natural light
26.Did youseehim?
Jullie willen alweer mooie nummers? Wat vind je van bijv. “That’s alright, mama” (met een l, een vroege hit van Elvis Presley), “Lovesick blues” (heb ik van Little Richard) en “I can’t help it (if I’m still in love with you)” (een liedje van Hank Williams)? En blijft de man ook niet mooi met bijv. “Disfarmer theme”, “Farmer” en “I am not a farmer“, om een de buurt van de Cd-titel te blijven? Bill Frisell, het kon wel een kind zijn van de beroemde jazzgitarist Django Reinhardt, die in de jaren vijftig furore maakte.
Er is een groot verschil tussen kerstavond en paasavond, in Nederland en hier nog meer. Op kerstavond, de avond vóór 25 december, komt hier overal de familie bij elkaar voor een gezamenlijke maaltijd. Vaak worden er dan ook cadeautjes aan elkaar gegeven. Eigenlijk is het een avond, waarop je niet alleen bent en ook niet met vrienden in het café zit. Opa en kleinkind horen dan eigenlijk aan dezelfde tafel plaats te nemen.
Hier in Las Palmas is het op paasavond, de avond vóór Pasen, hetzelfde weer als op kerstavond: ongeveer 20 graden, geen wind en de zon is net ondergegaan. Toch zie ik nu, ook later op de avond, allerlei mensen boodschappen doen, er wordt druk bank gezeten en groepen jongeren trekken er op uit. In Nederland is dat m.i. ook het geval. Als we ons al een beetje rustig houden op de avond van Goede Vrijdag, mogen de remmen op paaszaterdag weer helemaal los.
Op de zondagmorgen controleer ik allereerst of ik de zomertijd op mijn horloge en op mijn balkoninstrument van RS wel goed heb ingesteld. Het klopt als een bus: mijn laptop en mijn tablet geven correct en automatisch aan dat de tijd een uur later is in de zomerhelft. Pasen begint dit jaar kennelijk een uur later dan andere jaren.
Later op de ochtend doe ik een rondje rommelmarkt en haal water en brood bij de Spar – moet op zijn tijd gebeuren. Dan ga ik aan de keukentafel zitten om de “tótsje”. Met wie? “ Tótsje”, ik ga hier niet uitleggen wat het is, maar het lukt niet, als je in je uppie bent. Hooguit kan ik een hardgekookt ei tegen de tafel slaan in de ijdele hoop dat er een barst in de tafel ontstaat. Maar dan ben ik welgedoemd omhet grandioze onderspit te delven.
Ik beperk me daarom tot het maken van een overheerlijke paassalade. Die bestaat dit jaar uit vijf hardgekookte eieren, een blik corned beef (cornet bief, zou mijn moeder gezegd hebben) en een pot zilveruitjes. Er gaat nog een paar lepels mayonaise en mosterd doorheen om het geheel op de juiste smaak te brengen. Ik serveer er wat groente plus een stokbroodje bij en klaar is kees. Als nagerecht neem ik in plaats van een chocolade paashaas een halve liter chocoladepudding, wel Canarische, want die is veel chocoladiger dan het slappe aftreksel dat in Nederland in de schappen ligt.Helemaal in orde!
‘s Avonds op de boulevard kijk ik weer eens uit naar aparte opschriften op truien. Er komt een tiener voorbij, als ik op mijn bank zit, me op haar trui een baby en “You’re so fluffy”, wat zie je er donzig uit. Spaans is het niet, maar jullie moeten het er maar voor doen.
En dan: eindelijk is het maandagochtend. Ik word met de schrik in mijn lijf wakker om half 8, als ik moet plassen. Het is nog donker buiten en even later lig ik weer keurig onder mijn dekentje, “bajo mi mantita”. Het momentje dat je nog net niet wilt opstaan, eigenlijk nog een beetje in slaap bent, is mij best dierbaar. Als ik om even over 8 - het is dan wel licht – het balkon op ga, zie ik de eerste kinderen van de school naast mij alweer op straat ravotten. Tweede Paasdag, “dat gief ’t hei neet” en ze moeten zo meteen monter op school aantreden. Business is hier alweer as usual en wat mij betreft, is daar niks verkeerds aan.
Laat ik dan ook maar een punt aan mijn brief zuigen en jullie een prettige voortzetting van deze bijna laatste dag in maart wensen. A.s. vrijdag, 1 april, ga ik een weekend bij Noe op bezoek, maar daar horen jullie pas in mijn volgende brief over, die over een week, op 4 april verstuurd gaat worden. Voor nu: neem nog een paaskransje (bestaan die wel?) en dek de tafel met de restjes van wat je gisteren aan overdadig eten niet op kreeg. Maak ook eens een wandeling vanmiddag door het eerste groen om je heen. Ik ga er uit met een welgemeend “hasta luego” en tot ziens maar weer, jullie PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Wie veel vrije tijd heeft en tien dagen de tijd heeft, kan de nodige boeken uitlezen. Laat ik maar gewoon bij het eerste beginnen”: ”Medeplichtig” van Nicci French. Het jaar van verschijnen houden jullie te goed. Het bekende schrijversduo, van wie ik al eerder en vaker hier boeken besproken heb, situeert het deze keer, zoals meestal, in Londen.
Hoofdpersoon Bonnie Graham, muzieklerares, laat zich overhalen om enkele maanden later op een bruiloft op 12 september te gaan musiceren met een door haar geformeerd bluegrass bandje. In hoofdstukken die steeds “Ervoor” en “Erna” heten vertelt ze wat er in de zomermaanden gebeurt. Het nulpunt is de moord op een van haar leden van de band, Hayden Booth, begin september. We krijgen te horen wie er allemaal voor het bandje wordt opgetrommeld: haar ex-vriend Amos, haar collega lerares Sonia, min of meer beroepsmuzikant Hayden, haar wat slome vriend Neal, ex-leerling van haar Joakim en diens vader, advocaat Guy. Er wordt, in ieder geval aanvankelijk, gerepeteerd van jeugdvriendin Sally thuis. Na de moord wordt het lijk verdonkeremaand en in een waterspaarbekken gedumpt. De auto van Hayden verdwijnt naar een langparkeerplaats bij vliegveld Stansted, maar gaat terug naar de stad. Dan gaat de politie zich er uiteraard mee bemoeien. Wie heeft of hebben de moord gepleegd, een van de bandleden, iemand er omheen zoals echtgenoten of andere muzikanten of betreft het een of meer buitenstaanders? Dat lijkt me wel genoeg inhoud.
Het thrilllerduo Nicci French kan me steeds weer bij de les houden, ook met dit boek. Het duurt wel een hele tijd, voordat ik – en dan nog beperkt – het naadje van de kous te weten kom. Spannend is het goede woord om het boek te classificeren. De stijl is losjes en bevalt mij redelijk; het had voor mij wel allemaal ietsje minder vrouwelijk te hoeven worden opgeschreven. Alles verziend geef ik voor “Medeplichtig” een 8- als recensiecijfer.
Dit is een weblogbrief over een periode van 10 dagen, dus het worden de nodige boeken deze keer. Nummertje 2 is er een van Allan Folsom. Het heet ‘The Machiavelli covenant", maar ik heb het op mijn e-reader staan als ”Dag van de samenzwering” – zonder jaartal. De plaats van handeling is er meer dan één. Achtereenvolgens zit ik met mijn boek in Washington, Malta, Madrid, Barcelona, Montserrat en Aragón en ten slotte in Auschwitz, een hele reis dus.
Nicholas Martin wordt door een jeugdvriendin naar Washington gehaald. Ze ligt op sterven, terwijl heel onlangs haar man, congreslid Mike Parsons, en zoon nog bij een vliegtuigongeluk zijn omgekomen. Direct na haar dood pleegt haar huisarts nog eens zelfmoord, als die vragen er over krijgt van Marten. Wat is er loos? Marten krijgt extra informatie van een journalist over een hoorzitting over genocidale wapens. Hij gaat naar Malta, waar een Zuid-Afrikaanse dokter Merrimah Foxx, eerder voor een hearing in Washington, een woning heeft. Met andere Amerikanen blijkt Foxx de genocide van het Midden-Oosten te beramen. Die anderen komen uit de directe kringen van de president van de V.S., John Henry Harris. Het betreft een Verbond, bestaande uit adviseur van de president Jake Lowe, zijn veiligheidsadviseur James Marshall, chef-staf Tom Curran, predikant Rufus Beck, de ministers van Buitenlandse Zaken en die van Defensie, een generaal van de luchtmacht, een vriend van de president en ook de machtsbeluste vice-president Hamilton Rogers. Als de bondskanselier van Duitsland en de president van Frankrijk niet mee willen werken, moeten die maar geëlimineerd worden. President Harris vindt het plan helemaal niks en vraat bedenktijd. Dat was niet de bedoeling; dan moet hij zelf ook maar het loodje leggen.
Dus verdwijnt hij, als het gezelschap zich van Malta naar een hotel in Madrid verplaatst heeft. Met Nicholas Marten, zijn veiligheidsman Hap Daniels en enkele lokale figuren duikt hij onder en probeert vervolgens het Verbond de voet dwars te zetten. Dat blijkt overigens gelieerd te zijn aan een heksensekte, Aradia minor, met als kenmerk het symbool van Aldebaran: een kruis met ballen op de punten. Uiteindelijk komt het tot een confrontatie tussen de mensen van het Verbond en het kleine gezelschap van de president en Nicholas Marten, eerst in Montserrat in de buurt van Barcelona en daarna een nabij gelegen resort in Aragón, waar het “New World Institute” haar jaarlijkse vergadering houdt. Ten slotte verplaatst het verhaal zich naar Auschwitz, waar de president een toespraak houdt voor de Navo.
“De dag van de samenzwering” lijkt nogal op de diverse boeken van Dan Brown. Het begint al te mooi, maar gaandeweg – net als meestal bij Dan Brown – verzandt het in oeverloze achtervolgingen, waarbij de goeden steeds net op tijd de dans weten te ontspringen. Op het einde ben ik oprecht blij dat ik het uit heb. Spannend vind ik het dan helemaal niet meer, vooral ongeloofwaardig. Mijn recensiecijfer komt daarmee niet hoger uit dan een 6, vooruit 6+. Ik heb er nog een van Allan Folsom op mijn e-reader: “Dag der vergelding”. Daar zie ik mezelf vooralsnog niet aan beginnen.
Ik heb uiteraard nog een derde thriller voor jullie, alweer vanaf mijn e-reader. Hij is van Jens Lapidus, nummertje twee in een serie van drie. De Nederlandse naam is “Bloedlink” en het is uit 2008. Het boek is zo Zweeds, zelfs Stockholms, als het maar zijn kan, maar wel met een Arabisch tintje.
Er zijn drie hoofdpersonen die alle drie op hun manier denken dat Zweden naar zijn grootje gaat. Allereerst is er allochtoon Mahmud al-Askori, oorspronkelijk uit Irak. Hij wil voor zijn zus Jamila en vader opkomen en zit in een milieu van drugs en werkloosheid. Veel tijd brengt hij door in de sportschool, waar hij zichzelf oppompt tot een vechtmachine. Hij moet veel geld afbetalen aan een Turkse maffia club en als hem dat lukt, wordt hij een hulpje in de Servische onderwereld. Dan is er de ex-legionair Niklas Brogren, net terug van vele jaren strijd in Afganistan en Irak. Hij heeft gezien hoe zijn moeder vroeger bij herhaling in elkaar geslagen werd door haar vriend Claes Rantzell (Cederholm) en nu krijgt Niklas een bloedhekel aan iedereen die vrouwen wil vernederen. Met alles wat hij in zich heeft, wil hij de mannen te lijf gaan die vrouwen vernederen. Is hij het die als vergelding Rantzell vermoordt? Nummer3 is Thomas Andrén, een hoofdagent die van zijn huidige baan wordt afgehaald, nadat hij de dood van Rantzell heeft ontdekt en vervolgens een ex-bokser in een winkel (terecht) klappen verkoopt. Privé gaat hij vervolgens uitzoeken hoe het verhaal in elkaar steekt, samen met Martin Hägerström (die eerder bij Interne zaken van de politie zat).
Op de achtergrond speelt de moord op Olof Palme in 1986. Bij het proces tegen de vermoedelijke dader van die moord, Christer Pettersson, zou Claes Rantzell getuige zijn geweest. Mag ik het daarbij laten? Laat ik nog verklappen dat het einde zich op Oudejaarsavond afspeelt in het huis van een bekende zakenman die bij die moord op Palme betrokken zou zijn geweest en die nu voor zijn vrienden een feest met allerlei hoeren organiseert, met de Servische maffia als bewaking.
“Bloedlink” van Jens Lapidus is geen boek dat je in een dag uitleest. Er zijn 538 bladzijden door te spitten. Af en toe denk ik oprecht: nou moet ik het even wegleggen en aan iets anders beginnen, maar me bezig houden blijft het. Ik vind het best een spannend verhaal en het is heel leuk geschreven, nogal volks, maar waarom niet. De afwisseling per hoofdstuk wie van de drie hoofdpersonen aan de beurt is, Mahmud, Niklas of Thomas, bevalt mij evenzeer. Samengevat geef ik Jens Lapidus als recensiecijfer een volle 8 voor “Bloedlink”. Uiteraard ben ik voornemens om t.z.t. ook deel 3 van de trilogie, “Val dood”, te gaan doornemen. Daarvoor hoef ik niet naar de winkel; ook dat boek heb ik op mijn e-reader staan.
Cariñosos huevos duros y coloreados de Pascua, lieve hardgekookte en gekleurde paaseieren, het is al weer een hele tijd terug dat we elkaar voor het laatst gesproken hebben. Mijn vorige brief is van tien dagen terug, nog van vóór palmzondag en (in Spanje) vaderdag.Die verzond ik vanaf de computerruimte voor studenten in de “aulario de ciencias de salud”. Later was ik ook nog even in het platte “edificio de servicios generales” met de bibliotheek en het decanaat, op weg naar het nog nieuwere gebouw van gezondheidswetenschap, waar tegenwoordig ergens op de tweede etage de afdeling “preventieve geneeskunde” huist. Voor de zoveelste keer was er om half 4 uur echt helemaal niemand en dus ging ik terug voor een blikje op het terrasje bij de kantine. De kantinebaas, een aardige man, pakte zonder omwegen een Cola Zero voor me uit de ijskast.
Toen ik dat op had, ging ik met bus 12 zoals wel vaker helemaal door tot aan mijn parkje bij het Castillo de la Luz om de mensen uit te kijken en te lezen. Later ging ik daar nog even naar het bibliotheekje daar in de buurt om in de kranten in te zien. Om 9 uur zat ik op mijn balkon thuis om mijn (eerste) boek uit te lezen. Dat lukte niet helemaal, maar zaterdagmorgen was het raak.
Dan is het nu wel tijd voor alvast een beetje muziek. Laat ik deze keer eens beginnen met een Extended Play, een EP. Weten jullie nog wel wat dat is?Voor de jongeren: het is iets van heel vroeger, een plaatje dat tussen een singeltje en een Lp in zit. Je draaide het op 45 toeren en er staan doorgaans vier nummers op, een iedere kant twee. Al heel lang worden die EPtjesniet meer gemaakt.
Mijn zelfgekozen EP is er een van Charles Aznavour. Deze Armeense zanger maakte eerst in Frankrijk furore en van daaruit kreeg hij ook allerlei aanhangers elders, waaronder in Nederland en het Engelse taalgebied. Hij is nu hoogbejaard, maar Trudie heeft hem een paar jaar terug nog eens zien optreden. Prachtig vond ze het. Charles Aznavour zingt doorgaans in het Frans de sterren van de hemel, neem bijv. “Et pourtant”, “La Bohème”, “La mamma” of (om Marcel een lol te doen) “Gitarre”. Zelf heb ik wel iets met bijv. “Il faut savoir”. De man is ook beroemd geworden met diverse Engelstalige nummers zoals ”She”, “Dance in the old fashioned way”, “For me… formidable” en “Yesterday when I was young”. Een monument!
Wisten jullie dat Charles Aznavour ook in het Spaans gezongen heeft? De nieuwe Cd die ik hier van hem gekocht heb, heet Grandes Éxitos; daar is geen woord Frans of Engels bij. Er staan vijftien mooie nummers op, waarvan er elf in het Frans zijn, maar ik word ook vier keer verrast door iets Spaans. Die Spaanse nummers ga ik hier eens voor jullie opzetten:
*.Mi última hora
*.Vivir junto a tí
*.Esto es formidable
*.Juventud divino tesoro
“Ech sjiek”, zou men in Maastricht zeggen en het is in ieder geval weer eens iets anders, Charles Aznavour in het Spaans.Wie denkt dat bijv. “Esto es formidable” een Spaanse vertaling is van “For me… formidable”, moet ik teleurstellen. Het is een heel ander liedje. Misschien vinden jullie Spaanse nummers van hem op ook bijv. YouTube, dan moet je zelf maar eens luisteren.
Soms kom ik hier woorden tegen waarvan ik oprecht denk: wat is dat nou weer? Een berg heet hier een “montaña”, de hoogste van Spanje staat op buureiland Tenerife, de Teide. Bij mooi weer kun je hem op Las Canteras zien liggen, naast onze eigen “Roque nublo”. Maar weten jullie wat een “montaña rusa” is? Dat is Spaans voor een achtbaan, op de kermis.
Zal ik hier eens ook een paar andere kermisattracties noemen, “atracciones de la feria”? Een botsautootje is een “coche de choque” en het spookhuis de “túnel de miedo”. Gokautomaten zijn “tragaperras” en een draaimolen een “tiovivo”, in kindertaal “caballitos”. De namen van andere attracties kan ik zo vlug niet in het Spaans vertalen. Hoe heet een “holly holly” in het Spaans? Wat is het Spaanse woord voor de swing mill, met een overkapping en een pluisbal? Is dat een “molino de swing”? Bij die swing mill ontdekte ik als jongetje de rock-’n-roll van Little Richard, nummers als Tutti Frutti en Lucille. Fantastisch vond ik die muziek, hoewel ik er geen woord van verstond (en nu nog niet alles). Mij staat nog bij dat er in de jaren vijftig nog bokswedstrijden in een kermistent gehouden werden, een “barraca de feria” met een echte boksring, “cuadrolátero de boxeo”. Daar nam dan de man van de tent het op tegen lokale durfallen en wij hoopten allemaal dat de man van de tent ze op zijn donder zou krijgen. En er was een kraam, “un puesto”, waar je lootjes kon kopen, “boletos”. Mijn broer Harry en ik haalden dan als kinderen weggegooide lootjes van de straat en mijn vader pluisde thuis uit hoe je de juiste lootjes moest trekken om een hoofdprijs te winnen, bijv. een grote pluche beer, “oso de felpa”.
Als er kermis was, waren er ook speciale eetwaren. Een suikerspin is een “algodón de azúcar” en oliebollen zijn “buñuelos”.Mij staat ook nog bij dat mijn opa altijd gerookte paling kocht, als er kermis was: “anguilaahumada”.
Ik denk dat kermis echt passé is, een verleden tijd die niet meer terug komt. Komt dat door de televisie? De laatste keer dat ik echt mijn ogen uitkeek op een kermis, was geloof ik in 1975, toen de stad Amsterdam 700 jaar bestond. Daar werd een ouderwets kermisterreinopgesteld, waar ik – echt waar - een origineel vlooiencircus mocht aanschouwen.
Afgelopen vrijdag vond ik niet alleen iets Spaans van Charles Aznavour, maar kocht ik ook twee nieuwe Cd’s van Pablo Milanés, voor zijn vrienden Pablito. Hij is van Cuba, geboren in Bayamo in 1943, maar al in 1950 verhuisde hij met zijn ouders mee naar Havana. Later was hij daar een van de oprichters van de “Nueva Trova”, samen met Silvio Rodriguez en Noel Nicola, dat jullie het maar weten. Terzijde, “trova” is Cubaans voor een liedje en zijn compaan Silvio Rodriguez komt op 20 april hier zijn opwachting maken. Pablo Milanés maakte grammofoonplaten vanaf 1973. Hij heeft een kleine vijftig studio-albums op zijn naam staan, waarvan ik er een zeer beperkt aantal heb. Wel ben ik intussen ook de eigenaar van enkele compilaties. Zijn “Pablo Milanés canta boleros en Tropicana” is van 1994, toen hij 50 jaar was. Zal ik die hier eens spelen? Nee, want eerlijk gezegd valt hij mij nogal tegen.
Zo veel tijd om jullie met muziek te vervelen heb ik niet meer; nog vijf, zes weken en dan zit ik weer in Nederland. Dus gaat mijn voorkeur uit naar een ander album, eentje dat meer met de verjaardag op 19 maart van Jezus’ “papá” (“día de San José”) van doen heeft. Het heet “Grandes Éxitos” (dat wel weer) en is van zangeres Dionne Warwick. Welk nummer staat vanzelfsprekend daarop? “Do you know the way to San José”, dat kennen jullie toch nog wel?
Ik kan me de dame nog prima voor de geest halen, eigenlijk te knap voor een volbloed zangeres. Ze werd geboren in 1940 en vanaf 1963 schalde haar stem vanuit de jukebox van Mai en Peter’s Stern Quelle in de Wijckse Rechtstraat de zaak in.Op het internet lees ik dat ze 38 studio-albums op haar naam heeft staan. Ik heb alleen een verzamelcd, maar wel een hele mooie, uit 1994. Alle nummers van Dionne Warwick, zeg maar rustig tophits op de Cd zijn geschreven door het beroemde songwritersduo Bacharach-David. Hier komen ze met zijn zestienen:
01.Anyone who had a heart
02.Walk on by
03.Don’t make me over
04.Alfie
05.A house is not a home
06.Trains andboatsand planes
07.I just don’t know what to do withmyself
08.The windows ofthe world
09.Message to Michael
10.I say a littleprayer
11.You’ll never get to heaven (if you break myheart)
12.(Theme of) valley of the dolls
13.Promises, promises
14. Do you know the way to San José
15.Reach out for me
16.Are youthere (withanothergirl)
Vinden jullie het een beetje vergane glorie die ik zit te draaien? Ik ben helaas een andere mening toegedaan. De muziek van Dionne Warwick is m.i. nog altijd in orde (hoewel het mooie van haar lijf er af is, dat wel). Als jullie vandaag de dag nog iets hebben met zwarte zangeressen zoals Diana Ross, Gladys Knight, Martha Reeves. Donna Summer of (later) Whitney Houston - ik noem hier maar een vijftal, dan kan Dionne Warwick er ook nog best mee door. Ik ga hier geen speciale nummers vermelden, behalve natuurlijk “Do you know the way to San José” (uit 1969?) vanwege 19 maart, maar mooie muziek blijf ik het vinden, ook vijftig jaar na dato.
In de sector opmerkelijke reclames ga ik hier en nu refereren aan de nieuwe, echt flinterdunne telefoon van de Koreaanse firma Samsung. Hij luistert naar de merknaam S7 Edge, kost een honderdje of zeven, maar dan heb je ook wat. Met de kreet “Redescubre lo que un teléfono puede hacer”, herontdek wat een telefoon kan doen, word ik verder op het goede been gezet, maar details zie ik net op de aankondiging.
Zal ik mijn huidige Spaanse apparaat uit het jaar tabak, ook van Samsung, aan de wilgen hangen en me deze gigant, met alles er op en er aan, aanschaffen? Ik twijfel, maar eens zal zelfs ik toch aan de nieuwigheid moeten geloven.
Met terugwerkende kracht ga ik jullie nog een muziekgroepje noemen dat ik zag optreden in calle mayor de Triana en dat ik heel bijzonder vond. Het betrof een drietal jonge jongens, eentje met een houten blok voor zich om op te trommelen, eentje met een gitaar voor de accoorden en – vooral – eentje die de solo-gitaarmuziek zijn draai gaf. Vlak voor mijn snufferd speelden ze louter instrumentale nummers, niet allemaal even goed, maar toen kwam ineens “Slaughter on 10th Avenue”(van de Ventures) en, in een echt puike versie, “Misirlou”(van surfer Dick Dale and his Del-Tones, bij mijn weten uit 1963). Ik herinner me dat je Harry het plaatje, als dun plastic, destijds cadeau kreeg bij weekblad Billboard (van Henk Evers van de Harp in de Maastrichter Spilstraat). Wat goed is, gaat nooit verloren, roep ik in 2016 voor me uit.
Zondagmorgen is mijn jaarlijkse moment aangebroken om een groot blad van mijn palmboom af te knippen, of liever af te snijden, want mijn takken zijn niet voor een kleintje vervaard. Het zijn geen ligusterblaadjes en ze zijn ook immenser dan de takken die de kerk hier aan de gelovigen verschaft. Echter, jullie en ik weten dat de palmboom bij mij voor de deur niet meer is. Hij is een paar maanden terug omgehakt en tot op de dag van vandaag is er geen nieuwe geplant. Verder op in destraat links en rechts staan wel nog diverse palmbomen fier overeind; vooral die voor het voormalige MaxDream reikt bij wijze van spreken tot in de hemel. Heeft bij mij voor het driekoppige personeel van Cafetería Nuevo Murias daar wellicht de hand in? Carlos, Tobalo & Victor, ze zijn hoe dan ook goede maatjes met de mensen van de gemeente, ook die van de plantsoenendienst, of hoe neem je dat volkje. Misschien hebben ze die er van weten te overtuigen dat een goed lopend terrasje minstens zo veel bijdraagt aan het welzijn van de Luis Morote als een palmboom.
Intussen ben ik wel een beetje onthand, zeker vandaag. Een traditie is aan zijn einde gekomen. Ga ik de “Goede Week” in zonder dat ik de palmtak aan het Jezuskruis boven de kamerdeur kan vernieuwen. Grapje. Zal ik dan maar een gewijde palmtak gaan halen bij het kerkje van de nonnen, links van mij. Nee, dus. Wat is er trouwens “Goed” aan de “Goede Week”? Laat ik maar eens een was gaan draaien; dat moet op zijn tijd ook gebeuren.
Op de zondagavondenis het hier op de boulevard en in de straten meestal niet druk. Dat heb je zo, zeker als het nog wintertijd is. Gelukkig wordt de tijd in het paasweekend omgezet. Ik kom nu niet veel verder dan een reclame van MadBread, een veredelde broodzaak, waar je ook kunt zitten en koffie met “iets lekkers” kunt krijgen. MadBread staat bij mijn weten vooral bekend om zijn diverse soorten croissants. De zaak prijst zichzelf aan met het zinnetje: “No hay amor más sincero que el amor a la comida”, er gaat wat liefde betreft niks boven liefde door de maag.
Gaan we naar maandag 21 maart, de eerste dag van het voorjaar. Het gezegde luidt: een nieuwe lente, een nieuw geluid.
In de “gezet” lees ik dat Barack Obama op bezoek is geweest in Havana. Eindelijk, na 88 jaar, neemt een president van de Verenigde Staten zich de moeite om het politiek afwijkende buurland sinds de Castro’s er vanaf eind jaren vijftig aan de macht zijn, te bezoeken. De man moet zijn eega Michelle wel onder een paraplu houden om haar niet doornat te laten regenen. En hoe luiden de eerste woorden van zijn toespraak, als hij net uit het vliegmachine is gestapt: “¿Qué bolá Cuba?”. Dat laat ik maar onvertaald, mede omdat ik de precieze vertaling niet weet. Maar mooi blijft-ie. “¿Qué bolá nietas?”, daar kun je als opa mee voor de dag komen.
Op de maandagmiddag vind ik dat ik maar weer eens een ouderwetse fado-zangeres voor jullie moet opzetten. In de zomer van ik denk 1997, maar het kan ook best een of enkelejaren later zijn geweest, maakte ik met Trudie en een Zuid-Limburgs gezelschap een rondreis door de “peninsula”: Spanje en Portugal. Ergens in Midden-Portugal reden we langs bedevaartsplaats Fatima. De bus raakte zelfs verzeild in een kleine opstopping, die werd veroorzaakt door de stroom mensen die daar wilde afbuigen om naar de fameuze Maria-processie te gaan kijken. Die zou juist die dag daar gehouden worden. Als het aan mij had gelegen, waren we er met onze bus ook acuut heengegaan. Helaas werd mijn welgemeende raad weer eens niet opgevolgd. Er moest in een uiterst strak schema nog meer dan een half schiereiland in twee weken worden afgewerkt en een langdurige stop in Fatima stond niet op het programma.
Die onvolkomenheid probeer ik nu maar goed te maken door jullie de enige Cd te presenteren die ik van fado-zangeres Maria da Fatimain mijn bezit heb. “Memorias do fado” heet ze en het bijbehorende jaar van uitgifte is 2009; toen was ze nog net geen 50 jaar. Hier zijn de twaalf melancholieke nummers die op de plaat staan:
01.Abandonada
02.Saudades de Lisboa
03.Sou filha das ervas
04.Alma da vida
05.Confesso
06.Hortelá Mourisca
07.Aforma de querer e ser amada
08.Marcha do marceneiro
09.Olha a ribeirinha
10.Eu jànäo sei
11.O chorar da minha alma
12.Pedaço de Rua 1980
Of alle hoofdletters (behalve aan het begin van de nummers) op hun plek staan, weet ik niet. Niettemin, ik ben van mening dat Maria da Fatima met deze Cd een beste prestatie aflevert. Alweer ga ik jullie geen uitschieters noemen.
Meer algemeen, bij fado-zangeressen denken jullie – en ik ook – allereerst een uiteraard aan Amália Rodriguez en zo hoort het ook. (Ik heb zelfs een nummer “fado Amália” van haar). Maar er is zo veel meer fado-muziek, van legio dames en heren. Als ik alleen al mijn diverse verzamelcd’s met fado-muziek doorloop, kom ik probleemloos op tientallen andere artiesten die de ene na de andere fado voor mij willen kwelen.
Een tip! In Centre Ceramique in Maastricht ligt, N.B. min of meer verstopttussen de rekken met cd’s, een prachtig boek (uit 2012?), langwerpig en nogal paars, over de fado dat ik jullie zeer ter lezing kan aanbevelen. Je moet er wel een beetje Engels (nog beter is: Portugees) voor kunnen lezen; zo nee, dan blijft het bij vooral plaatjes kijken. In het boek staat de geschiedenis van de fado beschreven, in Lissabon en Coimbra, en er staan ook korte beschrijvingenin van de vele fado-helden van vroeger en nu.Ik herinner me de nodige rijtjes met wat volgens de auteurs van het boek de mooiste fado-muziek is. Op basis daarvan heb ik mijn toch al redelijke fado-collectie de afgelopen zomer nog aardig weten aan te vullen.
Het was al aangekondigd: Trudie en ik gaan begin september naar de Balkan. In een mail van haar, die ik afgelopen maandagavondlas, verwijst ze me naar de site van Arke/TUI en de reis “Het beste van de Balkan”. Het gaat om een 15daagse tripmet de auto naar allerlei plekken in Kroatie en Bosnië Herzegovina. Ik heb haar dezelfde avond nog teruggemaild dat ze wat mij betreft kon boeken (als ze mij tenminste met de auto rond wil rijden). En dat heeft ze dinsdagmiddag al gedaan. Ze belde mij zelfs nog even op om het te bevestigen.We nemen het vliegtuig naar Pula op 3 september en daar vandaan hebben we een huurauto en zijn alle hotels met ontbijt onderweg al geregeld. Op de 17de, één dag voor mijn zeventigste verjaardag, komen we weer terug in Nederland met de ijzeren vogel.
Jullie willen details? Ik had natuurlijk aantekeningen moeten maken, toen ik er over las op internet, maar we zitten o.a. naar Pula, Rijeka, Zagreb, Split, Dubrovnik, Mostar en Sarajevo (met Srebrenica). Ik vergeet ongetwijfeld weer het een en anderte vermelden, maar op jullie laptop of tablet hebben jullie de reis van Arke/TUI in no time zelf gevonden. Mijn eerdere vakantie naar het voormalige Joegoslavië – met name Kroatië - in 1969 krijgt bijna vijftig jaar later een vervolg.
Op de woensdag in de Semana Santa vraag ik mij af of er woorden zijn die op “Santa” rijmen. Als ik me beperken mag tot woorden van twee lettergrepenen geen werkwoordsvormen (canta), halve bijvoeglijke naamwoorden (tanta) of merken frisdrank (Fanta)hoef in te sluiten, kom ik alleen uit op het Spaanse “manta”.
Wat, geachte toehoorders, is een “manta”? Het woord mantra heeft er niks mee van doen, laat ik daarmee beginnen. En voor alle duidelijkheid, het is ook geen R.K. deken, geen “archediano”. Wat is het dan wel? Mijn moeder zaliger deed graag haar slaapje onder een “manta eléctrica”, een (electrische) deken. Een “manta” is een groot stoffen ding, eventueel gewatteerd (“alcolchada”), waar je onder kruipt, als je in bed gaat liggen.
Is het nou palmwoensdag, witte woensdag of goede woensdag? Zonder tegenbericht houd ik het zelf op woensdag gehaktdag of liever nog: tonijndag. Ik heb een prima tonijnsalade in de keuken staan, met een paar ons tonijn en als salade een combinatie van ui, paprika en tomaat. Daar neem ik graag stokbrood bij, met als nagerecht een stukje lokale kaas, wel “curado”.
Als ik ’s avonds naar het marktje van de haven loop om vandaaruit naar het bibliotheekje vóór het Castillo de la Luz te gaan, zie ik pal naast de snelweg iets wel heel bijzonders. Iemand heeft daar een tent met diverse botsautootjes neergepoot. Raar, een botsautootje is een “coche de choque”, zie ook boven, maar hoe de naam is van de hele bedoeling, is mij onbekend, ook in het Nederlands. Verder is er geen kermis te bekennen, zelfs geen draaimolen. Hoe dan ook, de lichtjes van de zaak branden al, de muziek speelten een man van de zaak is een meisje aan het leren hoe ze een botsautootje moet sturen zonder overal tegenaan te knallen. Verder is er helemaal niemand te bekennen. Is dat niet wonderbaar?
Gaan we naar de donderdag. Als ik om kwart voor 8 mijn balkon betreed, zie ik niets wits, maar rechts van mij boven de flats is wel een schitterend stuk regenboog. Het roodpaars zit bovenin en aan de linkerkant en dan lopen de kleuren af naar blauw beneden en rechts. Een paar minuten later is de regenboog verdwenen. Dan verschijnt het eerste straaltje zon aan de schoorsteen hoog boven “Besito volao” en nip ik maar eens aan mijn koffie.
Bij El Escudo zie ik louche types naar binnen gaan en even later weer de straat op komen. Ik neem aan dat ze het keldercafé niet bezoeken voor een “cortado” of een “agua mineral con gas”. Carlos bij mij beneden en ik kijken het met gemengde gevoelens aan. Ik hoor bij hem zachtjes een Cd van Neil Diamond spelen. Op zijn tijd moet dat kunnen. Zal ik er ook nog een doen?
Van wie ik de collectie gekregen heb, weet ik niet meer, maar de muziek van singer-songwriter Joni Mitchell heb ik nagenoeg compleet. Van haar negentien studio-albums heb ik er zeventien; ik mis alleen die van 1977 en 2007. De dame, in 1943 geboren in Saskatchewan in Canada,is intussen 72 oud, maar op een recente foto bij haar verhaal op de Engelse wikipedia ziet ze er nog steeds appetijtelijk uit. Wisten jullie dat ze ook schilderes was?
Laat ik eens niet haar eerste plaat (“Song for a seagull”, uit 1968) van haar opzetten, ook niet de tweede (“Clouds”, met het beroemde “Both sides now, uit 1969), maar de derde uit 1970: “Ladies of the canyon”. Ik heb hem “remastered”, wat dat ook betekenen mag. Hier zijn de twaalf nummers, oorspronkelijk van de Lp:
01.Morning Morgantown
02.For free
03.Conversation
04.Ladies of the canyon
05.Willy
06.The arrangement
07.Rainy night house
08.The priest
09.Blue boy
10.Big yellow taxi
11. Woodstock
12.The circle game
Ik moet het geluid echt een beetje harder zetten, want Joni Mitchell heeft maar een iel stemmetje. Heel hoog zingt ze trouwens, met een stem die op die van Joan Baez lijkt. Ze zit een octaaf hoger dan ik (voor zo ver jullie mij buiten carnaval nog als zanger willen accepteren).
Nu ga ik wel een paar uitschieters noemen. Eerlijk gezegd vind ik het bekende “Big yellow taxi” op de plaat tegenvallen, maar het wordt goedgemaakt door nummers als “Morning Morgantown”, “Willy”, “Blue boy” en “The circle game”. De echte bingo-uitschieter op de plaat is uiteraard “Woodstock”. Ik aap haar maar na: “We are stardust, we are golden, and we got to get ourselves back to the garden”. Wie een nummer als Woodstock kan schrijven, kan bij mij voorwaar een potje breken.
’s Avonds op de echte Witte Donderdag zie ik op Las Canteras Michelangelo’s Laatste Avondmaalin het zand uitgebeeld. Jezus zit pontificaal aan tafel, met lang haar en baard, met links en recht een zestal mannen, geen Maria Magdalena. Dat zijn de twaalf apostelen, begrijp ik. Op de tafel ligt behalve diverse bekers en het nodige brood maar één enkele vis. Is dat niet wat min voor een twaalftal apostelen; dat waren toch vissers van origine? De maker van het kunstwerk aan het strand ken ik niet echt, maar in alle ernst heb ik een stuk meer waardering voor het oorspronkelijke schilderij van de gedekte tafel in de kathedraal van Milaan.
Dat schilderij heb ik overigens nooit in het echt mogen aanschouwen. Toen ik een kleine twintig jaar geleden met Trudie eens in Milaan was, was het veel te druk met toeristen in de kathedraal om in de rij te gaan staan en een kijkje te nemen. Een aantal jaren geleden heb ik het doek wel nog eens hier in Las Palmas zien liggen,in een boekwinkel in de kelder van Las Arenas, als legpuzzel van (ik denk) duizend stukjes. Die puzzel had ik toen natuurlijk moeten kopen.
Iets raars heb ik wel nog met het schilderij. Als ik met twaalf anderen aan een tafel ga zitten eten, zit ongeveer de helft aan de ene kant en de andere helft aan de andere kant. Op Het Laatste Avondmaal, “La ultima cena”, van meester-schilderMichelangelo zit iedereen aan dezelfde kant naar de kijker te kijken en is de andere kant leeg. Is er iets gaande vlak voor hen, een toneelstukje of zo, waarvan ze niks willen missen?
Dat overpeinzend is mijn tijd gekomen om de hof van olijven, “el olivar” in het Spaans, maar eens op te zoeken, de plek waar Judas verraderlijk uit de hoek komt. Wie van de twaalf mannen op Michelangelo’s Laatste Avondmaal is trouwens Judas? Dat is nou iets dat ik best eens zou willen weten.
Ieder jaar denk ik op Goede Vrijdag om een uur of 3: zal ik Bach’s Mattheus-passion eens opzetten? Ik heb het stuk in Maastricht over drie Cd’s uitgesmeerd staan. Zelfs heb ik het eens op mijn externe computerschijf gezet, maar daar heb ik het later weer afgehaald.
Niettemin, Johan Sebastiaan Bach, de man blijft trekken op deze bijzondere dag. In de Goede Week zijn er in Las Palmas diverse uitvoeringen van composities van de man. Die van vrijdagavond in het Alfredo Kraus auditorium is volgens de aankondiging een “Bach Fugato”, whatever that may be. Ik zal jullie niet verrassen met de namen van de vier van het Cuarteto ORNATI en de zes andere uitvoerenden, maar ga jullie helaas wel alvast meedelen dat ik geen acte de présence geef.
Intussen heb ik een klein probleempje met mijn e-reader. Ook al is hij nagenoeg opgeladen, hij kan uit het niets ineens zeggen dat hij geen stroom meer heeft en er mee ophouden. Als hij dan is uitgeschakeld en het leesblad helemaal blanco is, hoef ik hem maar weer even aan te zetten en op de knop van verder lezen te drukken en de orde is hersteld. Maar toch… Ben ik de enige, met een Sony Reader, die dat heeft of hebben allerlei andere e-reader mensen dat ook?
Precies bij mij tegenover huizen een vader en zoon. De zoon schat ik ergens in de veertig en die groet mij af en toe vanaf hun balkon. “¡Buenos días!” “De compleminte”, roep ik dan terug, “ouch veur d’ne pa”. Sinds een week of langer heb ik ineens het gevoel dat zijn vader er niet meer woont. Zou net als voor mijn palmboom gelden: “opgeruimd staat netjes”? (Un lugar para cada cosa y cada cosa en un lugar, geeft mijn Spaanse woordenboek als vertaling, maar dat is het mijns inziens net niet.) Hoe dan ook, ik kijk er naar uit om de vader weer eens op het balkon te zien zitten met een grote sigaar. En zo niet, dan zal ik eens aan zijn zoon gaan vragen waar hij gebleven is. Dan kan hij me in een moeite doorvertellen wie de man van zijn leeftijd is die ik daar de laatste tijd steeds vaker mag aanschouwen. Is dat zijn broer? Of hebben we van doen van een homo met zijn nieuwe vriend?
Vrijdagavond is het berendruk op de boulevard. Je zou denken: Goede Vrijdag, dat houden de mensen zich in, maar nee, het tegendeel is waar. Ook zie ik – meer dan er voor – allerlei kinderwagens, “koutse”, op Las Canteras verschijnen. Het is echt een beetje rechts houden en met de stroom meelopen. Ik hoor veel Spaans om me heen en vraag me af hoeveel Spaanse toeristen daartussen zitten. Ook Scandinavisch is een voertaal die ik geregeld voorbij hoor komen. Ik moet (“mote steit achter de deur”) toch eens uitzoeken hoe ik het Zweeds, Noors en Deens uit elkaar kan houden.
Als ik op mijn bank bij calle Ferreras ga zitten, zit vlakbij een oudere vrouw (in ieder geval ouder dan ik) die ik ken van het bejaarden dansen. Ze voert met haar buurvrouw een geanimeerd gesprek in het Canarisch. Dan gaat ze met iemand bellen.Het blijkt dat ze ook acceptabel Frans spreekt. Het “muy bien” van hier verandert zonder gedoe in het “très bien” van Frankrijk.
Op de terugweg naar huis zie ik “Het Matje” met zijn fiets aan de hand voorbij komen. Trudie en Marij weten wel wie ik bedoel. Ik vrees zelfs dat ik diens bijnaam aan hen te danken heb. De man zou nodig eens zijn haar aan de achterkant mogen kortwieken.
“Het Matje” is een vaste gast hier op het strand, iedere dag weeropnieuw op het einde van de middag. Daarna gaat, of liever ging hij, om een uur of 7 ’s avonds graag een glas bier drinken bij “Los Rosales IV”, een café bijna op de hoek van de Tomas Miller, vlakbij de Luis Morote. Helemaal op de hoek ligt daar winkeltje Super Persiaen aan de overkant het terras van snack bar La Columna en de ingang van Hotel Concorde. In het hotel hebben Eva, Jan Willem & Lux nog eens een nachtje geslapen, omdat het in mijn stukje straat te gehorig zou zijn. Dalí moest toen nog geboren worden.
En nou komt het: Los Rosales IV heeft zijn openingstijden drastisch veranderd. Was er eerder ’s avonds altijd volk in de zaak, o.a. om naar het voetbal op de TV te kijken, een hapje te eten of aan de bar te hangen (zoals Het Matje), de “nuevo horario” is van half 6 ’s ochtends – dat is vroeg! – tot 6 uur ’s avonds. Dus als ik er nu ’s avonds langs kom voor mijn rondje Las Canteras heen of terug, is het café gesloten. Het duurt dan soms even voordat de vaste barklanten hun nieuwe dagelijkse uitspanning elders gevonden hebben. Het Matje is nog zoekende.
Hoeveel muziek kunnen jullie in één brief aan? Het is zaterdagmorgen tijd om mijn laatste muziek van deze lange brief op te zetten. Ik kies voor Bill Frisell, een Amerikaanse jazzgitaar-muzikant, geboren in 1951. Van hem heb ik uit 2009 de Cd “Disfarmer”. Zal ik alle 26 nummers de revue laten passeren? Als jullie dat al te uitgebreid vinden, klik je maar een half A4-tje door. Hier komen ze:
01.Disfarmer theme
02.Lonely man
03.Lost night
04.Farmer
05.Focus
06.Peter Miller’sdiscovery
07.That’s alright, mama
08.Little girl
09.Little boy
10.No onegets in
11.Lovesick blues
12.I can’t help it (if I’m still in lovewithyou)
13.Shutter, Dream
14.Exposed
15.The wizard
16.Think
17.Drink
18.Play
19.I’m not a farmer
20.Small town
21.Arkansas Pt 1
22.Arkansas Pt 2
23.Arkansas Pt 3
24.Lost again, Dark
25.Natural light
26.Did youseehim?
Jullie willen alweer mooie nummers? Wat vind je van bijv. “That’s alright, mama” (met een l, een vroege hit van Elvis Presley), “Lovesick blues” (heb ik van Little Richard) en “I can’t help it (if I’m still in love with you)” (een liedje van Hank Williams)? En blijft de man ook niet mooi met bijv. “Disfarmer theme”, “Farmer” en “I am not a farmer“, om een de buurt van de Cd-titel te blijven? Bill Frisell, het kon wel een kind zijn van de beroemde jazzgitarist Django Reinhardt, die in de jaren vijftig furore maakte.
Er is een groot verschil tussen kerstavond en paasavond, in Nederland en hier nog meer. Op kerstavond, de avond vóór 25 december, komt hier overal de familie bij elkaar voor een gezamenlijke maaltijd. Vaak worden er dan ook cadeautjes aan elkaar gegeven. Eigenlijk is het een avond, waarop je niet alleen bent en ook niet met vrienden in het café zit. Opa en kleinkind horen dan eigenlijk aan dezelfde tafel plaats te nemen.
Hier in Las Palmas is het op paasavond, de avond vóór Pasen, hetzelfde weer als op kerstavond: ongeveer 20 graden, geen wind en de zon is net ondergegaan. Toch zie ik nu, ook later op de avond, allerlei mensen boodschappen doen, er wordt druk bank gezeten en groepen jongeren trekken er op uit. In Nederland is dat m.i. ook het geval. Als we ons al een beetje rustig houden op de avond van Goede Vrijdag, mogen de remmen op paaszaterdag weer helemaal los.
Op de zondagmorgen controleer ik allereerst of ik de zomertijd op mijn horloge en op mijn balkoninstrument van RS wel goed heb ingesteld. Het klopt als een bus: mijn laptop en mijn tablet geven correct en automatisch aan dat de tijd een uur later is in de zomerhelft. Pasen begint dit jaar kennelijk een uur later dan andere jaren.
Later op de ochtend doe ik een rondje rommelmarkt en haal water en brood bij de Spar – moet op zijn tijd gebeuren. Dan ga ik aan de keukentafel zitten om de “tótsje”. Met wie? “ Tótsje”, ik ga hier niet uitleggen wat het is, maar het lukt niet, als je in je uppie bent. Hooguit kan ik een hardgekookt ei tegen de tafel slaan in de ijdele hoop dat er een barst in de tafel ontstaat. Maar dan ben ik welgedoemd omhet grandioze onderspit te delven.
Ik beperk me daarom tot het maken van een overheerlijke paassalade. Die bestaat dit jaar uit vijf hardgekookte eieren, een blik corned beef (cornet bief, zou mijn moeder gezegd hebben) en een pot zilveruitjes. Er gaat nog een paar lepels mayonaise en mosterd doorheen om het geheel op de juiste smaak te brengen. Ik serveer er wat groente plus een stokbroodje bij en klaar is kees. Als nagerecht neem ik in plaats van een chocolade paashaas een halve liter chocoladepudding, wel Canarische, want die is veel chocoladiger dan het slappe aftreksel dat in Nederland in de schappen ligt.Helemaal in orde!
‘s Avonds op de boulevard kijk ik weer eens uit naar aparte opschriften op truien. Er komt een tiener voorbij, als ik op mijn bank zit, me op haar trui een baby en “You’re so fluffy”, wat zie je er donzig uit. Spaans is het niet, maar jullie moeten het er maar voor doen.
En dan: eindelijk is het maandagochtend. Ik word met de schrik in mijn lijf wakker om half 8, als ik moet plassen. Het is nog donker buiten en even later lig ik weer keurig onder mijn dekentje, “bajo mi mantita”. Het momentje dat je nog net niet wilt opstaan, eigenlijk nog een beetje in slaap bent, is mij best dierbaar. Als ik om even over 8 - het is dan wel licht – het balkon op ga, zie ik de eerste kinderen van de school naast mij alweer op straat ravotten. Tweede Paasdag, “dat gief ’t hei neet” en ze moeten zo meteen monter op school aantreden. Business is hier alweer as usual en wat mij betreft, is daar niks verkeerds aan.
Laat ik dan ook maar een punt aan mijn brief zuigen en jullie een prettige voortzetting van deze bijna laatste dag in maart wensen. A.s. vrijdag, 1 april, ga ik een weekend bij Noe op bezoek, maar daar horen jullie pas in mijn volgende brief over, die over een week, op 4 april verstuurd gaat worden. Voor nu: neem nog een paaskransje (bestaan die wel?) en dek de tafel met de restjes van wat je gisteren aan overdadig eten niet op kreeg. Maak ook eens een wandeling vanmiddag door het eerste groen om je heen. Ik ga er uit met een welgemeend “hasta luego” en tot ziens maar weer, jullie PaulK.
BOEKENBIJLAGE
Wie veel vrije tijd heeft en tien dagen de tijd heeft, kan de nodige boeken uitlezen. Laat ik maar gewoon bij het eerste beginnen”: ”Medeplichtig” van Nicci French. Het jaar van verschijnen houden jullie te goed. Het bekende schrijversduo, van wie ik al eerder en vaker hier boeken besproken heb, situeert het deze keer, zoals meestal, in Londen.
Hoofdpersoon Bonnie Graham, muzieklerares, laat zich overhalen om enkele maanden later op een bruiloft op 12 september te gaan musiceren met een door haar geformeerd bluegrass bandje. In hoofdstukken die steeds “Ervoor” en “Erna” heten vertelt ze wat er in de zomermaanden gebeurt. Het nulpunt is de moord op een van haar leden van de band, Hayden Booth, begin september. We krijgen te horen wie er allemaal voor het bandje wordt opgetrommeld: haar ex-vriend Amos, haar collega lerares Sonia, min of meer beroepsmuzikant Hayden, haar wat slome vriend Neal, ex-leerling van haar Joakim en diens vader, advocaat Guy. Er wordt, in ieder geval aanvankelijk, gerepeteerd van jeugdvriendin Sally thuis. Na de moord wordt het lijk verdonkeremaand en in een waterspaarbekken gedumpt. De auto van Hayden verdwijnt naar een langparkeerplaats bij vliegveld Stansted, maar gaat terug naar de stad. Dan gaat de politie zich er uiteraard mee bemoeien. Wie heeft of hebben de moord gepleegd, een van de bandleden, iemand er omheen zoals echtgenoten of andere muzikanten of betreft het een of meer buitenstaanders? Dat lijkt me wel genoeg inhoud.
Het thrilllerduo Nicci French kan me steeds weer bij de les houden, ook met dit boek. Het duurt wel een hele tijd, voordat ik – en dan nog beperkt – het naadje van de kous te weten kom. Spannend is het goede woord om het boek te classificeren. De stijl is losjes en bevalt mij redelijk; het had voor mij wel allemaal ietsje minder vrouwelijk te hoeven worden opgeschreven. Alles verziend geef ik voor “Medeplichtig” een 8- als recensiecijfer.
Dit is een weblogbrief over een periode van 10 dagen, dus het worden de nodige boeken deze keer. Nummertje 2 is er een van Allan Folsom. Het heet ‘The Machiavelli covenant", maar ik heb het op mijn e-reader staan als ”Dag van de samenzwering” – zonder jaartal. De plaats van handeling is er meer dan één. Achtereenvolgens zit ik met mijn boek in Washington, Malta, Madrid, Barcelona, Montserrat en Aragón en ten slotte in Auschwitz, een hele reis dus.
Nicholas Martin wordt door een jeugdvriendin naar Washington gehaald. Ze ligt op sterven, terwijl heel onlangs haar man, congreslid Mike Parsons, en zoon nog bij een vliegtuigongeluk zijn omgekomen. Direct na haar dood pleegt haar huisarts nog eens zelfmoord, als die vragen er over krijgt van Marten. Wat is er loos? Marten krijgt extra informatie van een journalist over een hoorzitting over genocidale wapens. Hij gaat naar Malta, waar een Zuid-Afrikaanse dokter Merrimah Foxx, eerder voor een hearing in Washington, een woning heeft. Met andere Amerikanen blijkt Foxx de genocide van het Midden-Oosten te beramen. Die anderen komen uit de directe kringen van de president van de V.S., John Henry Harris. Het betreft een Verbond, bestaande uit adviseur van de president Jake Lowe, zijn veiligheidsadviseur James Marshall, chef-staf Tom Curran, predikant Rufus Beck, de ministers van Buitenlandse Zaken en die van Defensie, een generaal van de luchtmacht, een vriend van de president en ook de machtsbeluste vice-president Hamilton Rogers. Als de bondskanselier van Duitsland en de president van Frankrijk niet mee willen werken, moeten die maar geëlimineerd worden. President Harris vindt het plan helemaal niks en vraat bedenktijd. Dat was niet de bedoeling; dan moet hij zelf ook maar het loodje leggen.
Dus verdwijnt hij, als het gezelschap zich van Malta naar een hotel in Madrid verplaatst heeft. Met Nicholas Marten, zijn veiligheidsman Hap Daniels en enkele lokale figuren duikt hij onder en probeert vervolgens het Verbond de voet dwars te zetten. Dat blijkt overigens gelieerd te zijn aan een heksensekte, Aradia minor, met als kenmerk het symbool van Aldebaran: een kruis met ballen op de punten. Uiteindelijk komt het tot een confrontatie tussen de mensen van het Verbond en het kleine gezelschap van de president en Nicholas Marten, eerst in Montserrat in de buurt van Barcelona en daarna een nabij gelegen resort in Aragón, waar het “New World Institute” haar jaarlijkse vergadering houdt. Ten slotte verplaatst het verhaal zich naar Auschwitz, waar de president een toespraak houdt voor de Navo.
“De dag van de samenzwering” lijkt nogal op de diverse boeken van Dan Brown. Het begint al te mooi, maar gaandeweg – net als meestal bij Dan Brown – verzandt het in oeverloze achtervolgingen, waarbij de goeden steeds net op tijd de dans weten te ontspringen. Op het einde ben ik oprecht blij dat ik het uit heb. Spannend vind ik het dan helemaal niet meer, vooral ongeloofwaardig. Mijn recensiecijfer komt daarmee niet hoger uit dan een 6, vooruit 6+. Ik heb er nog een van Allan Folsom op mijn e-reader: “Dag der vergelding”. Daar zie ik mezelf vooralsnog niet aan beginnen.
Ik heb uiteraard nog een derde thriller voor jullie, alweer vanaf mijn e-reader. Hij is van Jens Lapidus, nummertje twee in een serie van drie. De Nederlandse naam is “Bloedlink” en het is uit 2008. Het boek is zo Zweeds, zelfs Stockholms, als het maar zijn kan, maar wel met een Arabisch tintje.
Er zijn drie hoofdpersonen die alle drie op hun manier denken dat Zweden naar zijn grootje gaat. Allereerst is er allochtoon Mahmud al-Askori, oorspronkelijk uit Irak. Hij wil voor zijn zus Jamila en vader opkomen en zit in een milieu van drugs en werkloosheid. Veel tijd brengt hij door in de sportschool, waar hij zichzelf oppompt tot een vechtmachine. Hij moet veel geld afbetalen aan een Turkse maffia club en als hem dat lukt, wordt hij een hulpje in de Servische onderwereld. Dan is er de ex-legionair Niklas Brogren, net terug van vele jaren strijd in Afganistan en Irak. Hij heeft gezien hoe zijn moeder vroeger bij herhaling in elkaar geslagen werd door haar vriend Claes Rantzell (Cederholm) en nu krijgt Niklas een bloedhekel aan iedereen die vrouwen wil vernederen. Met alles wat hij in zich heeft, wil hij de mannen te lijf gaan die vrouwen vernederen. Is hij het die als vergelding Rantzell vermoordt? Nummer3 is Thomas Andrén, een hoofdagent die van zijn huidige baan wordt afgehaald, nadat hij de dood van Rantzell heeft ontdekt en vervolgens een ex-bokser in een winkel (terecht) klappen verkoopt. Privé gaat hij vervolgens uitzoeken hoe het verhaal in elkaar steekt, samen met Martin Hägerström (die eerder bij Interne zaken van de politie zat).
Op de achtergrond speelt de moord op Olof Palme in 1986. Bij het proces tegen de vermoedelijke dader van die moord, Christer Pettersson, zou Claes Rantzell getuige zijn geweest. Mag ik het daarbij laten? Laat ik nog verklappen dat het einde zich op Oudejaarsavond afspeelt in het huis van een bekende zakenman die bij die moord op Palme betrokken zou zijn geweest en die nu voor zijn vrienden een feest met allerlei hoeren organiseert, met de Servische maffia als bewaking.
“Bloedlink” van Jens Lapidus is geen boek dat je in een dag uitleest. Er zijn 538 bladzijden door te spitten. Af en toe denk ik oprecht: nou moet ik het even wegleggen en aan iets anders beginnen, maar me bezig houden blijft het. Ik vind het best een spannend verhaal en het is heel leuk geschreven, nogal volks, maar waarom niet. De afwisseling per hoofdstuk wie van de drie hoofdpersonen aan de beurt is, Mahmud, Niklas of Thomas, bevalt mij evenzeer. Samengevat geef ik Jens Lapidus als recensiecijfer een volle 8 voor “Bloedlink”. Uiteraard ben ik voornemens om t.z.t. ook deel 3 van de trilogie, “Val dood”, te gaan doornemen. Daarvoor hoef ik niet naar de winkel; ook dat boek heb ik op mijn e-reader staan.
vrijdag 18 maart 2016
Weblogbrief 11.24, 18 maart 2016
Weblogbrief 11.24, 18 maart 2016
Queridos escuchadores (of is het oyentes), beste toehoorders, ik zit pas op drie dagen van mijn vorige brief en nu al kan ik niet zonder jullie. Hoewel! Vlak voordat ik afgelopen dinsdag de nieuwe faculteit verliet, werd me uitgelegd dat de gebouwen de hele komende week dicht zijn. Er komen dan geen studenten opdagen, dus besluit de decaan om dan maar de complete kont tegen de krib te gooien. Dat betekent voor mij dat ik er dan niet terecht kan om mijn brief aan jullie te versturen, zelfs niet op de dinsdag, als er bij mijn weten in Jeruzalem nog niet echt iets loos is. Het echte kruiswerk begint pas op de donderdagavond. Dus moet het nu maar. Daar gaan we, ik althans.
Muziek. Ik had hem gistermorgen al een keer opstaan: John Hiatt. Ik heb negentien studio-albums van de man, plus vier registraties van live optredens, maar ik mis er nog steeds een aantal. Zoek hem zelf maar eens op op allmusic of de Engelse wikipedia, daar staan ze allemaal keurig op een rijtje, te beginnen met “Hanging around the observatory” uit 1974, ruim veertig jaar terug, dat ik overigens nog steeds niet heb kunnen bemachtigen. Het laatste album dat ik wel van hem heb, is van 2014 en heet “Terms of my surrender”. Hier zijn de elf nummers:
01.Long time comin’
02.Faces of God
03.Marlene
04.Wind don’t have to hurry
05.Nobody knew his name
06.Baby’s gonna kick
07.Nothing I love
08.Terms of my surrender
09.Here to stay
10.Old people
11.Come back home
John Hiatt gaat kennelijk met zijn tijd mee; zijn “Terms of my surrender” staat geboekt onder Americana. Hij kan het nog steeds; nummers als “Long time comin’”, “Wind don’t have to hurry”, “Nobody new his name”, “Nothing I love” en “Come back home” doen mij “iets”. “Marlene” voeg ik nog aan mijn lijstje favorieten toe om Marleen uit Roermond een plezier te doen. Ik blijf hem volgen, John Hiatt, ook nu we de 65 gepasseerd zijn.
In het interview dat Observant, het blad van de Universiteit Maastricht, met me had, refereer ik aan een boek van Peter Gøtzsche uit 2012 over de maffiose praktijken van de farmaceutische industrie. Iedere geneeskundestudent en afgestudeerde zou dat boek moeten lezen, vind ik. Boven alles zou de psychiatrie zich moeten schamen, vindt Peter Gøtzsche, omdat de corruptie daar de ergste vorm zou hebben aangenomen. Hij kondigt in zijn klokkenluidersboek uit 2012 daarom een speciaal boek aan om de ellende in die branche boven tafel te krijgen.
Ik heb het eens opgezocht en het boek is intussen uitgekomen, eind 2015, bij de People’s press. Het ISBN nummer is 978-87-7159-623-6 en hoe heet het? “Deadly psychiatry and organized denial” is de titel en Gøtzsche trekt er in 378 bladzijden lang van leer tegen die rare tak van de geneeskunde. Ik ga me het boek zeker aanschaffen, als ik in Maastricht ben. Ik volsta hier en nu met één voorbeeld: legio mensen, ook in mijn eigen kring, zijn aan de antidepressiva en die pillen blijken, als je het vanzelf weer beter worden weglaat, niet of nauwelijks te werken (en waarom pas na meer dan een maand?). Placebo’s doen het bijna net zo goed. Alleen vind je dat in de wetenschappelijke literatuur helaas niet terug. Daarin staan bijna alleen de uitkomsten van (door de industrie gesponsord) onderzoek dat de antidepressiva wel heel nuttig werk zouden doen. En dan heb ik het nog niet over de bijwerkingen, o.a. de kans op suicide. Het is te gek voor woorden!
De cafés-restaurants aan de boulevard hier wisselen nog wel eens van eigenaar en soms ook van naam. Een zaak waar Natalia vroeger haar moeizaam verdiende geld bracht, heette “39”. ’s Morgens op les vertelde ze wel eens dat ze zich weer had laten verleiden om daar de nodige “chupitos” achterover te slaan. De zaak ging vorig jaar dicht, maar is nu weer open. De nieuwe naam is “La casa de la playa”; erg origineel kan ik de naam niet vinden. Op de luifel staat: “Comida, bebido y amigos, lo demás puede esperar”, eten, drinken, vrienden, wat kun je meer verwachten. Dat vind ik wel weer een aardig zinnetje.
Aan de andere kant van de Libanese zaak, die er wel nog steeds is, was het eerder op zaterdagmiddag laat altijd te doen. Pal voor de ingang waren dan steeds live optredens van pop- of bluesgroepen, jazzbandjes of iets dergelijks. Ook dat café is kastje wijlen. Nu is daar een (uiteraard Italiaanse) ijsjeszaak gevestigd, à la Venezia in de Wijcker Brugstraat vroeger, maar dan alleen om een ijsje, “gelato” in het Italiaans en “helado” in het Spaans, te kopen, zonder tafeltjes en stoelen. De precieze naam van de nering schiet me zo vlug niet te binnen.
Vorige week zag ik een aantal keren een affiche van Unicef, met prominent een afbeelding van een kind en het woord “FRÍA”. Ook die organisatie probeerde, in navolging van “Manos Unidas” een financieel graantje mee te pikken van de volksverhuizing en vluchtelingenkampen in het Nabije Oosten. Ik moest de affiche nog eens uitpluizen, maar kon hem nu niet meer vinden. “Fria”, dat is hier sowieso een verkeerd wordt vandaag de dag, want de zon schijnt hier blaren. Het voorjaar is intussen meer dan begonnen.
Als alternatief – ook niet helemaal koosjer – geef ik jullie een affiche van de gemeente hier: “AHORA CONTAMOS TODOS”, nu tellen we allemaal mee. Er staan in het groot vier halve gezichten op, tegen elkaar aan. Het bijbehorende verhaaltje is als volgt. “Jóvenes, mayores, niños, professionales, personas en riesgo de exclusion social… nadie se puede quedar atrás. Tu opinion, tus quejas o sugerencias son muy importantes. Hagamos juntos “toda una ciudad”. Participa.” Heeft een dergelijke oproep überhaupt enige zin, vraag ik mij in alle ernst af. Is mijn persoonlijke mening of de klachten (“quejas”) van iemand die zijn uitkering dreigt te verliezen (“en riesgo de exclusion social”) zodanig dat de gemeente er echt oog voor gaat hebben? Ik geloof er niet veel van.
Wat is een stofdoek in het Spaans? Ik wou Etel woensdagmorgen vertellen dat haar poetsdoeken na gedane arbeid in de wasmand konden. Wist ik het niet meer. Het Spaanse woord is “paño”, maar je mag ook “trapo” zeggen. Zelfs “tela” of “bayete” reken ik deze week goed. Stoffer en blik zijn “rescobilla e recogedor” en een bezem een “escoba”. Een stofzuiger, “aspirador”, heb ik hier niet, omdat mijn woning één grote roze tegelvloer is. Met een zwabber, “mopa”, kun je veel beter uit de voeten.
Jullie weten inmiddels hopelijk dat kont in het Spaans “culo” is. In het Nederlands ken ik een hele serie soms best aardige uitdrukkingen waarin het woord “kont” prominent voorkomt. Laat ik er eens een aantal opschrijven met daarbij de Spaanse vertaling.
Een houten kont is een “culo dolorido” en in zijn blote kont is “en pelotas” (pelotas zijn ballen, ook kloten). Je kunt je kont niet keren is hier “no se puede ni respirar”. De kont tegen de krib gooien is “ponerse burro” en iemand in zijn kont kruipen “lamerse el culo”. Op zijn kont liggen is in het Spaans “estar patas arribo”, op zijn kont vallen “caerse el culo” en op zijn luie kont zitten “con el culo pagado al asiente”. Ten slotte: geen rust in zijn kont hebben is “ser culo de mal asiento”.
Laat ik ook nog eens in mijn Spaans-Nederlandse woordenboek kijken bij “culo”. Dan blijkt dat er daar nog veel en veel meer zinnetjes met “culo” staan. De bekendste is misschien wel “que te den al culo”, in vertaling: krijg de pleuris. “Culo veo, culo quiero” is wat een ander heeft, moet ik ook hebben. “Perder el culo por” staat voor stapelgek op iemand zijn en “perder el culo” voor zich uitsloven. “El culo del mundo” is de rimboe, het einde van de wereld en “estar de culo en las goteras” is geen nagel hebben om je kont te krabben. Nog eentje? Een kontzak is een “bosillo de atrás”.
Billen zijn overigens “naigas” en wie liever achterste of derrière in plaats van kont zegt, kan zich bedienen met het Spaanse “trasero”.
Als het tegen april loopt, zo rond de Pasen, is het voor Trudie en mij altijd tijd om te gaan beslissen waar we begin september samen heen zullen gaan. Hier zijn wat plaatsen uit het verleden. Allereerst waren Malta en daarna Spanje, Portugal en Italië aan de beurt; meer recent voeg ik daar in Europa Kreta aan toe. Daarna werden het steeds reizen naar Aziatische landen, steeds als rondreis in gezelschap van anderen. Ik herinner me zo vlug nog onze uitstapjes naar Thailand (met uiteraard Bangkok), Indonesië (althans Sumatra, Java en Bali), Oost-China (met o.a. Shanghai en op mijn verjaardag de ondergrondse soldaatjes), Noord-India (met Varanasi aan de Ganges), Syrië (inclusief het toen nog prachtige Aleppo) en Jordanië (en een dagje Libanon), ook nog Myanmar (ofwel het voormalige Birma, met o.a. Rangoon en een plensregenbui op een rivier).
Ben ik daarmee compleet? Alleen naar het schitterende Iran met als hoogtepunt Isfahan wou Trudie niet mee, vanwege de daar verplichte gesluierde klederdracht voor vrouwen. Daar ben ik toen maar, in navolging van Harry & Greetje, eens drie weken alleen naar toe gegaan. In Europa ben ik solo ook nog eens op Sicilië, in Wenen en omgeving en in Oost-Duitsland (met o.a. Leipzig en Dresden) beland. Tussendoortjes met Trudie naar o.a. Boedapest en naar Oporto (met Rim en consorten) en naar Valencia en naar Krakow (met de universiteit) laat ik dan nog maar even voor wat ze zijn.
O ja, ik vergeet een paar plaatsen te noemen. We deden samen ook stukjes van Rusland (met Moskou en Sint Petersburg) en de Baltische staten (Litouwen, Letland, Estland, in die volgorde). Ik kan me ook nog een aparte reis met haar de andere kant op voor de geest halen. In Mexico zie ik me in Oaxaca nog op een terras en in het museum met haar en laat ik onze mooie reis een paar jaar terug naar Cuba niet vergeten. Havana, als jullie daar nog niet geweest zijn, dat zie ik als een misser van de eerste orde.
Beweer dus absoluut niet dat ik een huismus ben. Maar liefst 31+16 = 47 jaar geleden, in 1969, was ik met Wil in wat toen nog gewoon Joegoslavië heette. Nu is dat grote land opgesplitst in allerlei stukken. Ik vraag me serieus af of jullie de grenzen van Kroatië, Bosnië Herzegovina, Servië, Macedonië en Montenegro zo’n beetje kunnen aangeven. Hoe dan ook, Wil en ik zaten in 1969 aan de Kroatische kust, in plaatsen als Rijeka, Opatija, Zadar en Split. Ik herinner me ook nog dat we aan een meer met veel slangen belandden, en dat we in Zagreb in het huis van mensen mochten logeren, zelfs toen die elders waren. Ik heb er op de televisie nog de maanlanding gezien.
Op mijn reis met Wil sliepen we destijds meestal bij mensen thuis, steeds in de beste slaapkamer. ’s Ochtends zaten ze dan in het kamertje ernaast gereed, te wachten tot wij op waren. Dan moesten we steevast hun pruimenjenever, slivovitsj proeven. Als je je glaasje (te) snel ophad, kreeg je prompt een nieuw voorgezet. Ik ga ervan uit dat ik met Trudie in september ook de slivovitsj en soortgelijke jenevers moet gaan uitproberen. Van Miep heb ik nog eens een fles gehad; wat daarvan nog over is, kan wellicht als opwarmertje dienen.
In Dubrovnik, dat veel zuidelijker aan de Adriatische Zee ligt, maar wel bij Kroatië hoort, ben ik in 1969 niet geweest. En evenmin was ik in diverse andere grote steden zoals Belgrado (Beograd), Sarajevo, Skopje en de Kosovo regio. Trudie gaat, als ik het wel heb, met de Paasdagen in Maastricht uitzoeken of een van de organisaties voor rondreizen, bijv. die van de ANWB, er een heeft die naar voormalig Joegoslavië gaat. Als het haar lukt om een interessante te vinden, moeten we begin september samen aan geloven.
Zal ik ook maar een muziekje opzetten dat bij de Oost-Europese contreien hoort? Ik heb zegge en schrijve één enkele Cd (gekopieerd) met Balkan muziek op mijn externe schijf. Hij staat geboekt als “The rough guide to the music of the Balkans”, zonder jaartal. Hier zijn de tien nummers met bijbehorende artiesten, netjes overgepend:
01.Djeli mara
Saban Bajramovic feat. Mostar S (Servië)
02.Pet je kumi
Cinkusi (Kroatië)
03.Asfalt tango
Fanfare Ciocarlia (Roemenië)
04.U lijepom starom gradu visegra
Mostar Sevdah Reunion (Bosnië Herzegovina?)
05.Nesatova sa sa
Maleshevski Melos (Macedonië)
06.Chaje shukarija
Esma Redzepova (Macedonië)
07.Disko dzummbus
Boban Markovic Orchestar (Servië)
08.Hora de la bolintin
Toni Iordache (Roemenië)
09.Karafili edhe zamaki
Gonda Manakovska (Kosovo)
10.Belmont
Yuri Yunakov (Bulgarije)
Joegoslavisch of hoe de taal van al die nieuwe landen mag heten, het is behelpen. Als ik de twee Roemeense en het Bulgaarse nummer weglaat, kom ik uit op een zevental ongetwijfelde klassiekers uit het Joego-gebied. Echt geweldig kan ik ze niet vinden - ik ga hier ook geen uitschieters noemen - maar toch: wat heeft het wel. We moeten het er maar voor doen.
Je moet wat, als je binnen drie dagen een nieuwe brief moet vullen, dus ga ik gisteren, op de donderdagmiddag nog maar eens te voet naar Triana. Ik neem deze keer de route eerst langs El Corte Inglés en daarna voorbij het park boven langs. Vlak voor het park, parque Doramas, zie ik tot min schrik dat de grote verfwinkel verdwenen is. Het zoveelste slachtoffer van de crisis? Daar houdt nu de “Christian Life International Church” haar gebedsdiensten. Ik vraag me af welke al dan niet malafide club daar achter steekt. Hoe dan ook, hun missen zijn wel multi-cultureel, in twee talen.
Dan blijkt dat ik me heb vergist. Er zal een andere winkel gesneuveld zijn. Immers, de nering die echt alles van verf en aanverwante zaken weet, “pinturas”, i er nog steeds, ietsje verder op. Je kunt er verf in wel honderd verschillende kleuren krijgen, en als jouw favoriete kleur er toch niet bij mocht zitten, worden de verven als het moet ter plekke voor je gemengd, “servicio de color al instante”.
Ietsje dichter bij mijn favoriete vijver is het muisje stil op het pleintje met “Museo Nestor” en de “Bodegón”. Bij winkelgalerijtje Fataga staat in de zijmuur het Mariabeeld met het Kindeke Jezus te pronken. Het heeft meer van een kerststukje dan van een paasmotief.
Even vóór 5 ga ik op een bank zitten lezen bij de vijver met de vele goudvissen van reuze formaat. Zijn het karpers? Maar ze zijn wel nogal eens goudkleurig of in ieder geval er tegenaan. Om 5 uur precies begint de fontein te spuiten en zet de grote waterval zich in beweging. Even later komen ook de drie stroompjes omlaag aan de beurt. Het geeft enige herrie, maar leuk blijft het. Zou bij de “Vief Köp” in het park in Maastricht ook een tijdklok actief zijn?
Om half 7 sta ik bij de platenzaak 33Revoluciones, waar nog echte Lp’s verkocht worden, tussen de Cd’s bij de ingang te grasduinen. Het blijft in die winkel behelpen: een rotzooitje is het eigenlijk. Voor in totaal vijf euro word ik de trotse eigenaar van twee Cd’s van Pablo Milanés die ik nog niet heb (“Antología” en “PM canta boleros en tropicana”) en een Cd van Charles Aznavour, waarop hij – althans op de foto – nog echt jong uitziet, met een flinke bos haar. T.z.t. zal ik jullie er wel eens mee lastig vallen.
In de calle Triana bekijk ik vanaf mijn bank het gebeuren bij McCarthy’s. De bedienende dames hebben vandaag een groen truitje aan (met Mulligan’s erop, moet dat niet Guinness zijn?) en ze hebben bovendien een beetje schmink op, “maquillaje”. En dan begrijp ik het. Vandaag 17 maart is het St. Patrick’s Day! In de kleine etalage bij de ingang liggen ter onderstreping diverse stoffen hoeden met klaverblaadjes, ook allemaal in het groen, de kleur van Ierland. Ik neem maar aan dat vanavond Dublin in de olie is.
Aan de overkant van McCarthy’s ligt “Perfumerías Dalía” (in het meervoud). Daar wordt druk geadverteerd voor vaderdag. Bij de ingang is het: “Papá, molas un montón”, papa, je bent uit de kunst. En direct voorbij de ingang is het van hetzelfde laken een pak: “Tu mereces un regalo molón”, je verdient een te gek cadeautje. Dat kun je uiteraard bij Dalía in alle maten en soorten kopen, schat ik zo in. Het wordt tijd dat ik weer eens huiswaarts ga.
Daarmee kom ik, op vrijdagmorgen, op het einde van mijn brief. Laat ik nog iets zeggen over Josef, “José”, de man die ruim 2000 jaar zijn brood verdiende als timmerman en geboekt staat als de voedstervader van de Here Jezus. Op 19 maart, morgen dus, is hij voor de zoveelste keer jarig, In Sittard weten ze nog wel wie Sint Joep is; daar is het morgen te doen, op de Sint Joepmarkt en in de “kaffees”. Maar gelooft er echt iemand van jullie dat de vader van Jezus niemand minder dan de Heilige Geest was? Daarbij, voedstervader, wie bedenkt het woord? Volgens mijn woordenboek is een voedster een vrouw die een kind van een ander zoogt. Voorwaar, dat is andere koek! “en verdad, eso ya es otra cosa”.
Ik hoop dat jullie erin de “Gooi Week” geen troep van maken. Uit een e-mail van Trudie begrijp ik dat, terwijl ik hier op de late vrijdagmiddag mijn tijd verbijt, sorry verbeid, zij bij de Poort aan een alcoholisch gelag begint. In haar gezelschap zouden vanavond Nellie, Rocky, René, Maddie, Toussaint, Tonnie, Ellen en zelfs Jacques verkeren. De laatste moet wel een beetje fit blijven, omdat hem morgen in zijn geboortestad nog een en ander te wachten staat.
Ik zie jullie weer, althans per internetbrief, over anderhalve week, als de universiteit eindelijk weer bereid is om mij toe te laten. Voorlopig word ik verondersteld een poosje “thuis te werken”. Het ga jullie goed en tot ziens op Paasmaandag, hasta luego en luenes de Pascua, PaulK.
BOEKBIJLAGE
Op mijn e-reader heb ik diverse boeken staan, vooral thrillers van bekende schrijvers, maar ook een paar andere boeken om uit te proberen. Hier is er zo een: “Eldvitmet”, “Getuige” in vertaling, van Lars Kepler. Het is van 2011. Veel in het verhaal speelt zich af in de buurt van Sundsvall, 450 km noordelijker dan Stockholm aan de oostkust.
In een klein internaat voor moeilijk opvoedbare meisjes, Birgittagården, worden Miranda en begeleidster Elisabet Grim vermoord, de tiener met een steen en de volwassene met een hamer. Elisabet’s man en collega Daniel, andere medewerkers en de overgebleven pupillen staan voor een raadsel. Commissaris Olle Gunnarsson beslist al te snel dat Vicky Bennet de dader moet zijn. Dat meisje is er de nacht van de moorden tussenuit gegaan en zou op haar vlucht ook nog een vierjarig jongetje, Dante, gekidnapt hebben. Later beslist dezelfde Gunnarsson, samen met officier van justitie Susanne Öst, dat Vicky en Dante intussen verdronken zijn. “Waarnemer rijksrecherche” - hij is geschorst – en hoofdpersoon in dit boek commissaris Joona Linna is dan wel nog uitgebreid met zijn zoektocht bezig om Vicky en Dante op te sporen. Daarbij krijgt hij o.a. hulp van een spiritiste, Flora Hansen. Komen ze terecht? En wordt de dader in zijn kraag gegrepen?
Overigens komt de “Getuige” in het boek pas op bladzijde 459 aan bod, rijkelijk laat. Opvallend vind ik ook dat het boek van 561 bladzijden maar liefst 195 hoofdstukken telt, een per drie bladzijden. Zelfs midden in een gesprek begint ineens een nieuw hoofdstuk; dat is mij echt te veel van het goede. Bijzonder is trouwens dat nogal wat gesprekken op het werk en bij mensen thuis aan de keukentafel plaatsvinden, met koffie met koekjes, vooruit maar.
“Getuige” mag er als boek best zijn, is mijn mening, maar Lars Kepler smeert het wel uit. De laatste ongeveer 50 bladzijden (over een andere moordenaar en Joona Linna’s vrouw en kind) hadden bovendien voor mij best weggelaten mogen worden. Alles wikkend en wegend kom ik voor “Getuige” tot een magere 7 als recensiecijfer: aardig, maar niet echt goed. Voorlopig houd ik daarom de andere thrillers van Lars Kepler even voor gezien.
Queridos escuchadores (of is het oyentes), beste toehoorders, ik zit pas op drie dagen van mijn vorige brief en nu al kan ik niet zonder jullie. Hoewel! Vlak voordat ik afgelopen dinsdag de nieuwe faculteit verliet, werd me uitgelegd dat de gebouwen de hele komende week dicht zijn. Er komen dan geen studenten opdagen, dus besluit de decaan om dan maar de complete kont tegen de krib te gooien. Dat betekent voor mij dat ik er dan niet terecht kan om mijn brief aan jullie te versturen, zelfs niet op de dinsdag, als er bij mijn weten in Jeruzalem nog niet echt iets loos is. Het echte kruiswerk begint pas op de donderdagavond. Dus moet het nu maar. Daar gaan we, ik althans.
Muziek. Ik had hem gistermorgen al een keer opstaan: John Hiatt. Ik heb negentien studio-albums van de man, plus vier registraties van live optredens, maar ik mis er nog steeds een aantal. Zoek hem zelf maar eens op op allmusic of de Engelse wikipedia, daar staan ze allemaal keurig op een rijtje, te beginnen met “Hanging around the observatory” uit 1974, ruim veertig jaar terug, dat ik overigens nog steeds niet heb kunnen bemachtigen. Het laatste album dat ik wel van hem heb, is van 2014 en heet “Terms of my surrender”. Hier zijn de elf nummers:
01.Long time comin’
02.Faces of God
03.Marlene
04.Wind don’t have to hurry
05.Nobody knew his name
06.Baby’s gonna kick
07.Nothing I love
08.Terms of my surrender
09.Here to stay
10.Old people
11.Come back home
John Hiatt gaat kennelijk met zijn tijd mee; zijn “Terms of my surrender” staat geboekt onder Americana. Hij kan het nog steeds; nummers als “Long time comin’”, “Wind don’t have to hurry”, “Nobody new his name”, “Nothing I love” en “Come back home” doen mij “iets”. “Marlene” voeg ik nog aan mijn lijstje favorieten toe om Marleen uit Roermond een plezier te doen. Ik blijf hem volgen, John Hiatt, ook nu we de 65 gepasseerd zijn.
In het interview dat Observant, het blad van de Universiteit Maastricht, met me had, refereer ik aan een boek van Peter Gøtzsche uit 2012 over de maffiose praktijken van de farmaceutische industrie. Iedere geneeskundestudent en afgestudeerde zou dat boek moeten lezen, vind ik. Boven alles zou de psychiatrie zich moeten schamen, vindt Peter Gøtzsche, omdat de corruptie daar de ergste vorm zou hebben aangenomen. Hij kondigt in zijn klokkenluidersboek uit 2012 daarom een speciaal boek aan om de ellende in die branche boven tafel te krijgen.
Ik heb het eens opgezocht en het boek is intussen uitgekomen, eind 2015, bij de People’s press. Het ISBN nummer is 978-87-7159-623-6 en hoe heet het? “Deadly psychiatry and organized denial” is de titel en Gøtzsche trekt er in 378 bladzijden lang van leer tegen die rare tak van de geneeskunde. Ik ga me het boek zeker aanschaffen, als ik in Maastricht ben. Ik volsta hier en nu met één voorbeeld: legio mensen, ook in mijn eigen kring, zijn aan de antidepressiva en die pillen blijken, als je het vanzelf weer beter worden weglaat, niet of nauwelijks te werken (en waarom pas na meer dan een maand?). Placebo’s doen het bijna net zo goed. Alleen vind je dat in de wetenschappelijke literatuur helaas niet terug. Daarin staan bijna alleen de uitkomsten van (door de industrie gesponsord) onderzoek dat de antidepressiva wel heel nuttig werk zouden doen. En dan heb ik het nog niet over de bijwerkingen, o.a. de kans op suicide. Het is te gek voor woorden!
De cafés-restaurants aan de boulevard hier wisselen nog wel eens van eigenaar en soms ook van naam. Een zaak waar Natalia vroeger haar moeizaam verdiende geld bracht, heette “39”. ’s Morgens op les vertelde ze wel eens dat ze zich weer had laten verleiden om daar de nodige “chupitos” achterover te slaan. De zaak ging vorig jaar dicht, maar is nu weer open. De nieuwe naam is “La casa de la playa”; erg origineel kan ik de naam niet vinden. Op de luifel staat: “Comida, bebido y amigos, lo demás puede esperar”, eten, drinken, vrienden, wat kun je meer verwachten. Dat vind ik wel weer een aardig zinnetje.
Aan de andere kant van de Libanese zaak, die er wel nog steeds is, was het eerder op zaterdagmiddag laat altijd te doen. Pal voor de ingang waren dan steeds live optredens van pop- of bluesgroepen, jazzbandjes of iets dergelijks. Ook dat café is kastje wijlen. Nu is daar een (uiteraard Italiaanse) ijsjeszaak gevestigd, à la Venezia in de Wijcker Brugstraat vroeger, maar dan alleen om een ijsje, “gelato” in het Italiaans en “helado” in het Spaans, te kopen, zonder tafeltjes en stoelen. De precieze naam van de nering schiet me zo vlug niet te binnen.
Vorige week zag ik een aantal keren een affiche van Unicef, met prominent een afbeelding van een kind en het woord “FRÍA”. Ook die organisatie probeerde, in navolging van “Manos Unidas” een financieel graantje mee te pikken van de volksverhuizing en vluchtelingenkampen in het Nabije Oosten. Ik moest de affiche nog eens uitpluizen, maar kon hem nu niet meer vinden. “Fria”, dat is hier sowieso een verkeerd wordt vandaag de dag, want de zon schijnt hier blaren. Het voorjaar is intussen meer dan begonnen.
Als alternatief – ook niet helemaal koosjer – geef ik jullie een affiche van de gemeente hier: “AHORA CONTAMOS TODOS”, nu tellen we allemaal mee. Er staan in het groot vier halve gezichten op, tegen elkaar aan. Het bijbehorende verhaaltje is als volgt. “Jóvenes, mayores, niños, professionales, personas en riesgo de exclusion social… nadie se puede quedar atrás. Tu opinion, tus quejas o sugerencias son muy importantes. Hagamos juntos “toda una ciudad”. Participa.” Heeft een dergelijke oproep überhaupt enige zin, vraag ik mij in alle ernst af. Is mijn persoonlijke mening of de klachten (“quejas”) van iemand die zijn uitkering dreigt te verliezen (“en riesgo de exclusion social”) zodanig dat de gemeente er echt oog voor gaat hebben? Ik geloof er niet veel van.
Wat is een stofdoek in het Spaans? Ik wou Etel woensdagmorgen vertellen dat haar poetsdoeken na gedane arbeid in de wasmand konden. Wist ik het niet meer. Het Spaanse woord is “paño”, maar je mag ook “trapo” zeggen. Zelfs “tela” of “bayete” reken ik deze week goed. Stoffer en blik zijn “rescobilla e recogedor” en een bezem een “escoba”. Een stofzuiger, “aspirador”, heb ik hier niet, omdat mijn woning één grote roze tegelvloer is. Met een zwabber, “mopa”, kun je veel beter uit de voeten.
Jullie weten inmiddels hopelijk dat kont in het Spaans “culo” is. In het Nederlands ken ik een hele serie soms best aardige uitdrukkingen waarin het woord “kont” prominent voorkomt. Laat ik er eens een aantal opschrijven met daarbij de Spaanse vertaling.
Een houten kont is een “culo dolorido” en in zijn blote kont is “en pelotas” (pelotas zijn ballen, ook kloten). Je kunt je kont niet keren is hier “no se puede ni respirar”. De kont tegen de krib gooien is “ponerse burro” en iemand in zijn kont kruipen “lamerse el culo”. Op zijn kont liggen is in het Spaans “estar patas arribo”, op zijn kont vallen “caerse el culo” en op zijn luie kont zitten “con el culo pagado al asiente”. Ten slotte: geen rust in zijn kont hebben is “ser culo de mal asiento”.
Laat ik ook nog eens in mijn Spaans-Nederlandse woordenboek kijken bij “culo”. Dan blijkt dat er daar nog veel en veel meer zinnetjes met “culo” staan. De bekendste is misschien wel “que te den al culo”, in vertaling: krijg de pleuris. “Culo veo, culo quiero” is wat een ander heeft, moet ik ook hebben. “Perder el culo por” staat voor stapelgek op iemand zijn en “perder el culo” voor zich uitsloven. “El culo del mundo” is de rimboe, het einde van de wereld en “estar de culo en las goteras” is geen nagel hebben om je kont te krabben. Nog eentje? Een kontzak is een “bosillo de atrás”.
Billen zijn overigens “naigas” en wie liever achterste of derrière in plaats van kont zegt, kan zich bedienen met het Spaanse “trasero”.
Als het tegen april loopt, zo rond de Pasen, is het voor Trudie en mij altijd tijd om te gaan beslissen waar we begin september samen heen zullen gaan. Hier zijn wat plaatsen uit het verleden. Allereerst waren Malta en daarna Spanje, Portugal en Italië aan de beurt; meer recent voeg ik daar in Europa Kreta aan toe. Daarna werden het steeds reizen naar Aziatische landen, steeds als rondreis in gezelschap van anderen. Ik herinner me zo vlug nog onze uitstapjes naar Thailand (met uiteraard Bangkok), Indonesië (althans Sumatra, Java en Bali), Oost-China (met o.a. Shanghai en op mijn verjaardag de ondergrondse soldaatjes), Noord-India (met Varanasi aan de Ganges), Syrië (inclusief het toen nog prachtige Aleppo) en Jordanië (en een dagje Libanon), ook nog Myanmar (ofwel het voormalige Birma, met o.a. Rangoon en een plensregenbui op een rivier).
Ben ik daarmee compleet? Alleen naar het schitterende Iran met als hoogtepunt Isfahan wou Trudie niet mee, vanwege de daar verplichte gesluierde klederdracht voor vrouwen. Daar ben ik toen maar, in navolging van Harry & Greetje, eens drie weken alleen naar toe gegaan. In Europa ben ik solo ook nog eens op Sicilië, in Wenen en omgeving en in Oost-Duitsland (met o.a. Leipzig en Dresden) beland. Tussendoortjes met Trudie naar o.a. Boedapest en naar Oporto (met Rim en consorten) en naar Valencia en naar Krakow (met de universiteit) laat ik dan nog maar even voor wat ze zijn.
O ja, ik vergeet een paar plaatsen te noemen. We deden samen ook stukjes van Rusland (met Moskou en Sint Petersburg) en de Baltische staten (Litouwen, Letland, Estland, in die volgorde). Ik kan me ook nog een aparte reis met haar de andere kant op voor de geest halen. In Mexico zie ik me in Oaxaca nog op een terras en in het museum met haar en laat ik onze mooie reis een paar jaar terug naar Cuba niet vergeten. Havana, als jullie daar nog niet geweest zijn, dat zie ik als een misser van de eerste orde.
Beweer dus absoluut niet dat ik een huismus ben. Maar liefst 31+16 = 47 jaar geleden, in 1969, was ik met Wil in wat toen nog gewoon Joegoslavië heette. Nu is dat grote land opgesplitst in allerlei stukken. Ik vraag me serieus af of jullie de grenzen van Kroatië, Bosnië Herzegovina, Servië, Macedonië en Montenegro zo’n beetje kunnen aangeven. Hoe dan ook, Wil en ik zaten in 1969 aan de Kroatische kust, in plaatsen als Rijeka, Opatija, Zadar en Split. Ik herinner me ook nog dat we aan een meer met veel slangen belandden, en dat we in Zagreb in het huis van mensen mochten logeren, zelfs toen die elders waren. Ik heb er op de televisie nog de maanlanding gezien.
Op mijn reis met Wil sliepen we destijds meestal bij mensen thuis, steeds in de beste slaapkamer. ’s Ochtends zaten ze dan in het kamertje ernaast gereed, te wachten tot wij op waren. Dan moesten we steevast hun pruimenjenever, slivovitsj proeven. Als je je glaasje (te) snel ophad, kreeg je prompt een nieuw voorgezet. Ik ga ervan uit dat ik met Trudie in september ook de slivovitsj en soortgelijke jenevers moet gaan uitproberen. Van Miep heb ik nog eens een fles gehad; wat daarvan nog over is, kan wellicht als opwarmertje dienen.
In Dubrovnik, dat veel zuidelijker aan de Adriatische Zee ligt, maar wel bij Kroatië hoort, ben ik in 1969 niet geweest. En evenmin was ik in diverse andere grote steden zoals Belgrado (Beograd), Sarajevo, Skopje en de Kosovo regio. Trudie gaat, als ik het wel heb, met de Paasdagen in Maastricht uitzoeken of een van de organisaties voor rondreizen, bijv. die van de ANWB, er een heeft die naar voormalig Joegoslavië gaat. Als het haar lukt om een interessante te vinden, moeten we begin september samen aan geloven.
Zal ik ook maar een muziekje opzetten dat bij de Oost-Europese contreien hoort? Ik heb zegge en schrijve één enkele Cd (gekopieerd) met Balkan muziek op mijn externe schijf. Hij staat geboekt als “The rough guide to the music of the Balkans”, zonder jaartal. Hier zijn de tien nummers met bijbehorende artiesten, netjes overgepend:
01.Djeli mara
Saban Bajramovic feat. Mostar S (Servië)
02.Pet je kumi
Cinkusi (Kroatië)
03.Asfalt tango
Fanfare Ciocarlia (Roemenië)
04.U lijepom starom gradu visegra
Mostar Sevdah Reunion (Bosnië Herzegovina?)
05.Nesatova sa sa
Maleshevski Melos (Macedonië)
06.Chaje shukarija
Esma Redzepova (Macedonië)
07.Disko dzummbus
Boban Markovic Orchestar (Servië)
08.Hora de la bolintin
Toni Iordache (Roemenië)
09.Karafili edhe zamaki
Gonda Manakovska (Kosovo)
10.Belmont
Yuri Yunakov (Bulgarije)
Joegoslavisch of hoe de taal van al die nieuwe landen mag heten, het is behelpen. Als ik de twee Roemeense en het Bulgaarse nummer weglaat, kom ik uit op een zevental ongetwijfelde klassiekers uit het Joego-gebied. Echt geweldig kan ik ze niet vinden - ik ga hier ook geen uitschieters noemen - maar toch: wat heeft het wel. We moeten het er maar voor doen.
Je moet wat, als je binnen drie dagen een nieuwe brief moet vullen, dus ga ik gisteren, op de donderdagmiddag nog maar eens te voet naar Triana. Ik neem deze keer de route eerst langs El Corte Inglés en daarna voorbij het park boven langs. Vlak voor het park, parque Doramas, zie ik tot min schrik dat de grote verfwinkel verdwenen is. Het zoveelste slachtoffer van de crisis? Daar houdt nu de “Christian Life International Church” haar gebedsdiensten. Ik vraag me af welke al dan niet malafide club daar achter steekt. Hoe dan ook, hun missen zijn wel multi-cultureel, in twee talen.
Dan blijkt dat ik me heb vergist. Er zal een andere winkel gesneuveld zijn. Immers, de nering die echt alles van verf en aanverwante zaken weet, “pinturas”, i er nog steeds, ietsje verder op. Je kunt er verf in wel honderd verschillende kleuren krijgen, en als jouw favoriete kleur er toch niet bij mocht zitten, worden de verven als het moet ter plekke voor je gemengd, “servicio de color al instante”.
Ietsje dichter bij mijn favoriete vijver is het muisje stil op het pleintje met “Museo Nestor” en de “Bodegón”. Bij winkelgalerijtje Fataga staat in de zijmuur het Mariabeeld met het Kindeke Jezus te pronken. Het heeft meer van een kerststukje dan van een paasmotief.
Even vóór 5 ga ik op een bank zitten lezen bij de vijver met de vele goudvissen van reuze formaat. Zijn het karpers? Maar ze zijn wel nogal eens goudkleurig of in ieder geval er tegenaan. Om 5 uur precies begint de fontein te spuiten en zet de grote waterval zich in beweging. Even later komen ook de drie stroompjes omlaag aan de beurt. Het geeft enige herrie, maar leuk blijft het. Zou bij de “Vief Köp” in het park in Maastricht ook een tijdklok actief zijn?
Om half 7 sta ik bij de platenzaak 33Revoluciones, waar nog echte Lp’s verkocht worden, tussen de Cd’s bij de ingang te grasduinen. Het blijft in die winkel behelpen: een rotzooitje is het eigenlijk. Voor in totaal vijf euro word ik de trotse eigenaar van twee Cd’s van Pablo Milanés die ik nog niet heb (“Antología” en “PM canta boleros en tropicana”) en een Cd van Charles Aznavour, waarop hij – althans op de foto – nog echt jong uitziet, met een flinke bos haar. T.z.t. zal ik jullie er wel eens mee lastig vallen.
In de calle Triana bekijk ik vanaf mijn bank het gebeuren bij McCarthy’s. De bedienende dames hebben vandaag een groen truitje aan (met Mulligan’s erop, moet dat niet Guinness zijn?) en ze hebben bovendien een beetje schmink op, “maquillaje”. En dan begrijp ik het. Vandaag 17 maart is het St. Patrick’s Day! In de kleine etalage bij de ingang liggen ter onderstreping diverse stoffen hoeden met klaverblaadjes, ook allemaal in het groen, de kleur van Ierland. Ik neem maar aan dat vanavond Dublin in de olie is.
Aan de overkant van McCarthy’s ligt “Perfumerías Dalía” (in het meervoud). Daar wordt druk geadverteerd voor vaderdag. Bij de ingang is het: “Papá, molas un montón”, papa, je bent uit de kunst. En direct voorbij de ingang is het van hetzelfde laken een pak: “Tu mereces un regalo molón”, je verdient een te gek cadeautje. Dat kun je uiteraard bij Dalía in alle maten en soorten kopen, schat ik zo in. Het wordt tijd dat ik weer eens huiswaarts ga.
Daarmee kom ik, op vrijdagmorgen, op het einde van mijn brief. Laat ik nog iets zeggen over Josef, “José”, de man die ruim 2000 jaar zijn brood verdiende als timmerman en geboekt staat als de voedstervader van de Here Jezus. Op 19 maart, morgen dus, is hij voor de zoveelste keer jarig, In Sittard weten ze nog wel wie Sint Joep is; daar is het morgen te doen, op de Sint Joepmarkt en in de “kaffees”. Maar gelooft er echt iemand van jullie dat de vader van Jezus niemand minder dan de Heilige Geest was? Daarbij, voedstervader, wie bedenkt het woord? Volgens mijn woordenboek is een voedster een vrouw die een kind van een ander zoogt. Voorwaar, dat is andere koek! “en verdad, eso ya es otra cosa”.
Ik hoop dat jullie erin de “Gooi Week” geen troep van maken. Uit een e-mail van Trudie begrijp ik dat, terwijl ik hier op de late vrijdagmiddag mijn tijd verbijt, sorry verbeid, zij bij de Poort aan een alcoholisch gelag begint. In haar gezelschap zouden vanavond Nellie, Rocky, René, Maddie, Toussaint, Tonnie, Ellen en zelfs Jacques verkeren. De laatste moet wel een beetje fit blijven, omdat hem morgen in zijn geboortestad nog een en ander te wachten staat.
Ik zie jullie weer, althans per internetbrief, over anderhalve week, als de universiteit eindelijk weer bereid is om mij toe te laten. Voorlopig word ik verondersteld een poosje “thuis te werken”. Het ga jullie goed en tot ziens op Paasmaandag, hasta luego en luenes de Pascua, PaulK.
BOEKBIJLAGE
Op mijn e-reader heb ik diverse boeken staan, vooral thrillers van bekende schrijvers, maar ook een paar andere boeken om uit te proberen. Hier is er zo een: “Eldvitmet”, “Getuige” in vertaling, van Lars Kepler. Het is van 2011. Veel in het verhaal speelt zich af in de buurt van Sundsvall, 450 km noordelijker dan Stockholm aan de oostkust.
In een klein internaat voor moeilijk opvoedbare meisjes, Birgittagården, worden Miranda en begeleidster Elisabet Grim vermoord, de tiener met een steen en de volwassene met een hamer. Elisabet’s man en collega Daniel, andere medewerkers en de overgebleven pupillen staan voor een raadsel. Commissaris Olle Gunnarsson beslist al te snel dat Vicky Bennet de dader moet zijn. Dat meisje is er de nacht van de moorden tussenuit gegaan en zou op haar vlucht ook nog een vierjarig jongetje, Dante, gekidnapt hebben. Later beslist dezelfde Gunnarsson, samen met officier van justitie Susanne Öst, dat Vicky en Dante intussen verdronken zijn. “Waarnemer rijksrecherche” - hij is geschorst – en hoofdpersoon in dit boek commissaris Joona Linna is dan wel nog uitgebreid met zijn zoektocht bezig om Vicky en Dante op te sporen. Daarbij krijgt hij o.a. hulp van een spiritiste, Flora Hansen. Komen ze terecht? En wordt de dader in zijn kraag gegrepen?
Overigens komt de “Getuige” in het boek pas op bladzijde 459 aan bod, rijkelijk laat. Opvallend vind ik ook dat het boek van 561 bladzijden maar liefst 195 hoofdstukken telt, een per drie bladzijden. Zelfs midden in een gesprek begint ineens een nieuw hoofdstuk; dat is mij echt te veel van het goede. Bijzonder is trouwens dat nogal wat gesprekken op het werk en bij mensen thuis aan de keukentafel plaatsvinden, met koffie met koekjes, vooruit maar.
“Getuige” mag er als boek best zijn, is mijn mening, maar Lars Kepler smeert het wel uit. De laatste ongeveer 50 bladzijden (over een andere moordenaar en Joona Linna’s vrouw en kind) hadden bovendien voor mij best weggelaten mogen worden. Alles wikkend en wegend kom ik voor “Getuige” tot een magere 7 als recensiecijfer: aardig, maar niet echt goed. Voorlopig houd ik daarom de andere thrillers van Lars Kepler even voor gezien.
Abonneren op:
Posts (Atom)